Wolfpack

Prime Video

Waar de één wint, verliest de ander. Nadat onlangs in All-In: Team Jumbo-Visma het succesjaar 2022 van de wielerploeg rond Tom Dumoulin, Wout van Aert en Tour de France-winnaar Jonas Vingegaard werd gedocumenteerd, volgt nu hetzelfde seizoen vanuit het perspectief van concurrent Quick-Step Alpha Vinyl. En dat begint ronduit beroerd. De ene na de andere voorjaarsklassieker eindigt in een deceptie voor de ploeg die in de voorgaande jaren zo vaak succesvol was.

Volgens de Belgische ploegleider Patrick Lefevere zit er te weinig ‘grinta’ in de ploeg. ‘Een coureur is als een jong hondje’, legt de uitgesproken wielerprominent even later uit in de zesdelige serie Wolfpack (270 min.), waarvan ik nu drie afleveringen heb gezien. ‘Als je op zijn schouder klopt dat hij het goed gedaan heeft, dan gaat hij liggen op zijn rug met zijn pootjes omhoog en hoopt hij dat je ook op zijn buik wrijft. Als je dat te veel doet, dan gaat het winnen automatisch stoppen.’

Lefevere is meer het type dat zijn pupillen zo nu en dan een schop onder hun kont verkoopt, al is daar naarmate het seizoen vordert steeds minder aanleiding toe. Zijn renners beginnen te winnen. Dat leidt tot emotionele taferelen. Van de Belgische renner Yves Lampaert bijvoorbeeld, die na zijn onverwachte winst in de proloog van de Tour de France, overmand raakt door emoties en een zin uitspreekt die in eigen land een cultheld van hem maakt. ‘Ik ben maar een boerenzoon uit België.’

Ook fraai: de weggeslikte tranen van Florian Sénéchal als zijn ploeggenoot Fabio Jakobsen, een sprinter die anderhalf jaar eerder nog een doodsmak maakte, tijdens een bergetappe nét op tijd binnen komt. ‘Hij is mijn vriend.’ En de constatering van Tim Declercq na alwéér een overwinning van kopman Remco Evenepoel: ‘Op de basisschool zeiden ze: Jezus heeft de talenten allemaal evenredig verdeeld. Maar als je iemand ziet als Remco, dan merk je dat dat eigenlijk niet altijd waar is.’

Vergeleken met All-In is Wolfpack, vernoemd naar de geuzennaam die de ploeg koestert, wat minder gelikt. Ruwer ook. Met volop lekke banden,  teleurstellingen en valpartijen, bijvoorbeeld van wereldkampioen Julian Alaphilippe. Vakkundig dichtgesmeerd bovendien met een synth-soundtrack. Alleen de wel erg brave, wat uitleggerige voice-over valt een beetje uit de toon. Daar was een volkse verteller, die zich in plat Vlaams bedient van onnavolgbaar wielerjargon, beter op zijn plek geweest.

Voormalige wielervedetten zoals Tom Boonen, Alberto Contador en Philippe Gilbert trappen verder nog wat open deuren in, maar moeten op dat gebied zonder enige twijfel hun meerdere erkennen in de continu oneliners ophoestende commentator van Eurosport, Rob Hatch, een Britse erfgenaam van Theo Koomen die zelfs in een zielige klim, val of ontsnapping tijdens de eerste de beste kermiskoers nog een gebeurtenis van epische proporties ziet die de heroïek van de sport onderstreept.

Dat is ook tegen de serie in te brengen: alleen de hoogte- en dieptepunten lijken te tellen. Het gewone, ongetwijfeld vaak ook oersaaie wielerleven ontbreekt. Het routineuze gemopper over arbeidsvoorwaarden, de keuvelgesprekjes onderweg (hedde gij ook zo’n zin in patatten? Ja, houdt je vader van postzegels? Oké, nu weer even aanhaken, maat) en de eindeloze ritten door Niemandsland waarbij niks te winnen of verliezen valt, maar die natuurlijk wel gewoon uitgereden moeten worden.

Dat gezegd hebbende – en daarbij ook het promotionele karakter van de serie in ogenschouw genomen – is Wolfpack eigenlijk verrassend vermakelijk. En dan moet Evenepoel nog echt op gang komen…

Kleinkinderen Van De Oost

The Searchers

Als ratten tijdens een wetenschappelijk experiment kersenbloesem ruiken en vervolgens stroomstoten krijgen toegediend, dan blijkt dat zowaar ook z’n weerslag te hebben op hun nakomelingen. ‘Alleen al bij de geur van kersenbloesem piepten zij het uit.’

Het is een krachtige metafoor, vervat in de openingsscène van deze documentaire, voor Nederlands koloniale geschiedenis. Die mag dan officieel al enige tijd achter ons liggen, dat verleden werpt nog altijd zijn schaduw over het heden. Het is in elk geval alomtegenwoordig in Kleinkinderen Van De Oost (73 min.), een geladen roadmovie van Daan van Citters, met Joenoes Polnaija. De twee raakten bevriend tijdens de opnames van Jim Taihuttu’s speelfilm De Oost, waarbij ze werden geconfronteerd met hun eigen familiehistorie. Hun opa’s, van respectievelijk Nederlandse en Molukse origine, dienden allebei in het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL).

‘Het is een geschiedenis waar de generaties voor mij over zwegen’, vertelt ‘jonkheer’ Van Citters. Zijn familie speelde een prominente rol bij de omstreden Verenigde Oost-Indische Compagnie en tijdens de zogenaamde Gouden Eeuw. ‘En waarover de generaties voor mij het zwijgen is opgelegd’, vult Polnaija aan. Zijn volk droomt, bijna 75 jaar na de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog, nog altijd van een Molukse staat, de Republik Maluku Selatan. Die werd hen destijds beloofd, maar is er nooit gekomen. Samen gaan de twee nu op reis naar Indonesië, naar de plekken waar hun opa’s verzeild raakten in die oorlog en betrokken waren bij de beruchte politionele acties.

Vanuit hun eigen perspectief belichten ze die beladen historie en de rol van hun voorouders daarin. ‘Mijn opa deed wat hem werd opgedragen’, constateert Daan van Citters. ‘En oorlog is zwart-wit. Het is jij of ik. Maar met de kennis van nu voel ik schaamte. Schaamte wat Nederlanders hier gedaan hebben.’ Bij Joenoes Polnaija is er tevens bitterheid over dat verleden. Over hoe de eerste generatie Molukkers, die zich had ingezet voor ‘de koloniale onderdrukker’, in Nederland werd behandeld. Ze hadden niet eens al hun kinderen mogen meenemen. Die kinderen, de generatie van zijn ouders, vonden daarna hun eigen middelen om aandacht te vragen voor de Molukse zaak.

Tijdens deze weldadig vastgelegde, met archiefbeelden gelardeerde reis langs de gebeurtenissen die hun grootvaders en de nazaten daarvan op tragische wijze hebben verbonden, blijven de twee vrienden de dialoog met elkaar aangaan. Via bespiegelende voice-overs en persoonlijke gesprekken. Een heel enkele keer geïrriteerd, als ze even overvallen worden door de kijk van de ander, maar meestal invoelend en respectvol. Zij representeren allebei een derde generatie, die behalve met het daderschap ook met slachtofferschap binnen hun familie in het reine moet zien te komen en vinden elkaar in dat intieme proces. Alsof ze samen kersenbloesem leren ruiken.

Crips: Strapped ‘N Strong

Pieter van Huystee

Het is een even onwerkelijke als geladen scène. De documentaire Crips: Strapped ‘N Strong (86 min.), een groepsportret van de Haagse Crips-gang uit 2009, is een half uur onderweg als Main C. aan Keylow, de oprichter en leider van zijn ‘set’, vertelt dat hij wil stoppen met ‘bangen’, het participeren in illegale bende-activiteiten. Main kan niet anders: de afgelopen tijd zat hij in de gevangenis, nu wil hij er zijn voor z’n opgroeiende kinderen. ‘Anders worden jullie net als papa’, heeft hij hen al gewaarschuwd. Keylow kan echter weinig met de mededeling: ‘Een kind mag nooit de reden zijn dat je zegt: ik stop.’ Zijn ‘brother’ ziet alleen geen andere mogelijkheid. ‘Het liefst ren ik een bank binnen‘, bezweert hij Keylow emotioneel. ‘En dwing ik iedereen om te liggen…’

‘s Mans poging om aan de goede kant van de wet te blijven vormt één van de centrale verhaallijnen van deze ruige documentaire, die is geïnspireerd op het boek Crips.nl van Saul van Stapele. Zes jaar later zou het Nederlands-Britse duo Joost van der Valk en Mags Gavan overigens een soortgelijke film maken over de beruchte Molukse motorbende Satudarah (Satudarah – One Blood, 2015). Ook dan sluiten ze aan bij de verschillende bendeleden, documenteren (al dan niet geanonimiseerd) hun illegale activiteiten en laten dat geheel voor zichzelf spreken, zonder dat ze daarover een moreel oordeel vellen. Sterker: met gelikte sequenties van het bendeleven, zoals van het prepareren van drugs en wapens, begeleid door agressieve muziek (hiphop, in dit geval) dragen ze in zekere zin bij aan het gangsterimago van de ‘homies’.

Keylow, die in 2022 is veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf vanwege zijn rol als president van motorclub Caloh Wagoh en ‘moordmakelaar’ van Ridouan T., is daarvan de verpersoonlijking. Zijn woorden zeggen eigenlijk alles over wie hij is én wie hij wil zijn. ‘Wie het eerste trekt, wie het snelste is, die gaat weg met de buit’, zegt de ‘G’, gangster, bijvoorbeeld als hij door een flat loopt waar flinke plassen bloed op de vloer zijn blijven liggen. ‘Kill or be killed, man.’ Gewoon in een normale Nederlandse buitenwijk, laat hij buiten nog eens zien, waar juist op dat moment een man met hond voorbij loopt. ‘Hier in Holland noemen ze het een ripdeal’, stelt Keylow, die net als z’n ‘soldiers’ wordt voorgesteld met zijn strafblad. ‘Voor ons is het gewoon werk. Elke dag. Je moet zorgen dat je geen slachtoffer van een ripdeal wordt, je moet zorgen dat je altijd de winnaar in een ripdeal bent.’

Een ‘187’, ofwel moord, is duur, stelt soldaat Santos even later, terwijl hij in de keuken vlees staat te bakken. Als je iemand voorgoed wilt laten verdwijnen, beweert hij met de nodige bravoure, helpt het als je een varkensboer als vriend hebt. Want varkens vreten, als ze maar genoeg honger hebben, werkelijk alles. Geef ze even de tijd en er blijft niks meer over. Santos denkt erover om terug te gaan naar Suriname. Hier zal hij toch nooit meer dan een ‘nikker’ worden. Bovendien wordt de grond hem in Nederland regelmatig te heet onder de voeten. Over wat hij precies heeft misdaan, doet Santos tamelijk schimmig, maar het is duidelijk dat er een prijs op zijn hoofd staat. Die ellende wil hij weghouden bij zijn vijfjarige dochtertje, zo’n beetje het enige waarvoor hij leeft. Het liefst zou de Crip een gemakkelijk leven gaan leiden in Suriname. ‘Going legit’, zegt hij lachend, al lijkt hij ’t niet werkelijk te menen.

Wanneer Keylow en enkele andere leden hun licht opsteken bij Crips-broeders in de VS, krijgen ze daar een ferme waarschuwing. ‘Deze levensstijl is een doodsstijl’, houdt een Amerikaans bendelid hen voor. Het is alleen de vraag of Keylow, Main C. en Santos niet al véél te ver onderweg zijn om nog rechtsomkeer te maken en een regulier burgermansbestaan te gaan leiden. Deze film laat hen zien als mens, met achter al die dubieuze daden en stoere praat ook een persoonlijk verhaal en invoelbare motieven, maar biedt ook weinig perspectief op een ander leven. Wandelend met de hond in een normale buitenwijk, om maar eens wat te noemen.

Holding Up The Sky

Cinema Delicatessen

‘Beste witten’, begint Davi Kopenawa aan zijn toespraak voor de uitreiking van de Right Livelihood Award, de alternatieve Nobelprijs, op 4 december 2019 in Stockholm. ‘We zijn hier verzameld op de plek waar de besluiten worden genomen…’

De voorzitter van de Hutukara Yanomami Association wordt direct onderbroken. ‘We moeten heel strikt met de tijd omgaan’, zegt een man. De Sjamaan en woordvoerder van de Braziliaanse indianenstam krijgt vervolgens een timertje toebedeeld. Voor de daadwerkelijke toespraak heeft hij straks slechts luttele minuten. ‘Het woud is onze gezondheid’, zegt hij dan, nadat hij eerst alle aanwezigen van zijn organisatie heeft voorgesteld. ‘Het woud is verbonden met mijn volk, de Yanomami. We moeten stoppen met het doden van ons volk en het stelen van inheemse grond.’

Anders, stelt ‘de Dalai Lama van het regenwoud’, zouden we de lucht wel eens op ons dak kunnen krijgen. Want daar zit volgens Kopenawa de voornaamste taak van de bewoners van het woudland Urihi: Holding Up The Sky (81 min.). De verkiezing van Jair Bolsonaro tot president van Brazilië in 2018 heeft hun door een oude indiaanse legende ingegeven heilige taak bepaald niet gemakkelijker gemaakt. Onder zijn stijfrechtse bewind rukken nietsontziende houthakkers en goudzoekers op richting het Amazonegebied en begint ook het Coronavirus zijn lelijke kop op te steken.

Regisseur Pieter Van Eecke toont in deze bespiegelende film, die thematisch sterk verwant is met het beduidend meer actiegerichte The Territory, het contrast tussen twee werelden, die in alle opzichten duizenden kilometers van elkaar verwijderd en toch onlosmakelijk verbonden zijn. ‘De stadsmensen willen ons, de inheemse volkeren, zo maken als deze planten’, zegt Davi Kopenawa, terwijl hij tijdens zijn rondgang door Europa door een zorgvuldig aangelegd stadspark wandelt. ‘Dood de helft ervan, neem enkele zwakkere exemplaren en plaats die in een dierentuin. Zodat iedereen ons kan zien.’

Als hij aan het eind van deze documentaire thuis, in een vooralsnog bewaard gebleven stuk regenwoud waar iedereen er traditioneel (on)gekleed bijloopt, rustig in een hangmat ligt en met een stamgenoot praat over die vreemde, materialistische en soms ook ronduit onaardige witte mensen, richt Kopenawa rechtstreeks het woord tot Van Eecke en zijn cameraploeg. ‘Jullie witten filmen ons, maar begrijpen jullie ons ook?’ Met iets meer kennis zouden die witte westerlingen zowel de Yanomami als de wereld om hen heen echt veel beter kunnen bevatten, wil hij maar zeggen.

Nu lopen alle aardbewoners het gevaar dat de lucht ter aarde stort.

Corrie

KRO-NCRV

‘En die seks en zo dan? Hoe moet dat dadelijk dan?’
‘Hoezo, dadelijk?’
‘Jaah, als hij meer vrouw is dan man…’
‘Ja, maar hij valt alleen maar op vrouwen. Hij valt niet op mannen.’
‘Maar jij toch niet? Jij hebt toch niet gekozen om met een vrouw te zijn?’
‘Nee, dat klopt wel. Ja, goed, het is anders, maar ik mis er niks aan. Ik kom niks tekort.’

Althans, dat zegt Corrie Beer, terwijl ze lekker zit te kletsen met haar beste vriendin Jet Boumans. Later, bij een volgend gesprek, komt de vrouw uit het Limburgse Gennep er toch nog eens op terug: misschien gaat ze die piemel toch wel missen. Want Albert van Dieten, de kraanmachinist met wie ze ooit een relatie kreeg en die ze door dik en dun steunt, is hard op weg om een vrouw te worden.

In deze korte documentaire vertelt Marieke Widlak echter niet het verhaal van Ashley. De film heet niet voor niets Corrie (23 min.) en concentreert zich op hoe ’t is als jouw partner, die je toch echt hebt leren kennen als man, besluit om in transitie te gaan. Ga je dan mee? Corrie is geneigd van wel. Dat is overigens ook haar grootste valkuil. Ze gaat altijd uit van de ander, zegt ze. Als die ’t maar goed heeft…

Als ze niet oplet, gaat het gesprek ook nu weer permanent over Ashley. Maar Corrie wil, begint ze zich steeds duidelijker te realiseren, óók gezien worden. Daarbij gebruikt ze haar eigen vader als voornaamste referentiepunt: daar was ze bang voor, die zag haar helemaal niet staan. En hij vond dat ze zingen beter aan anderen kon overlaten. Corrie verdiende en verdient beter, vindt ze.

Daarmee heeft deze fijne film een aardig thema te pakken, dat op diverse manieren wordt uitgewerkt. Corrie is als hun huisdier Harry de vogel die in een kooitje wordt gehouden. En wanneer ze Ramses Shaffy’s Laat Me (mijn eigen gang maar gaan) zingt, lijkt dat haar op het lijf geschreven. Gaandeweg laat ze alle schroom varen en blijkt dat haar vader het toch bij het verkeerde eind had.

Vrijwel ongemerkt is Ashley ondertussen van de vanzelfsprekende hoofdpersoon van deze documentaire een aansprekend bijpersonage geworden, de partner die vanuit de coulissen goedkeurend toeziet hoe Corrie haar eigen rol pakt en een stapje dichter bij de vrouw komt die ze eigenlijk wil zijn. En dat is eigenlijk best mooi om te zien.

De Platoschool

BNNVARA

‘De schedelinhoud van John geleek wel eener ballon toen hij leuk op de trappen wat keet stond te trappen’! leest Thecla Gijsbertsen voor uit het boekje Hoofdmeesterlijke Straflimericks. ‘Nou schrijven, John. Zonder pardon.’ Het versje roept herinneringen op aan haar jaren op De Platoschool te Amsterdam. Wanneer je als kind stout was geweest, dichtte een leerkracht enkele regels over je. Die moest je vervolgens honderd keer overschrijven.

‘Wij zouden uitgroeien tot bijzondere mensen met een hoog bewustzijnsniveau’, omschrijft Yara Hannema het idee achter de basisschool. ‘Althans, volgens het ideaal. Want na enige tijd ging er iets goed mis.’ In 1996 kwam De Platoschool (55 min.), dertien jaar eerder opgericht door leden van de School Voor Filosofie, ernstig in opspraak toen de jeugd- en zedenpolitie onderzoek ging doen naar mishandeling van leerlingen door leerkrachten. ‘Nu ik zelf moeder ben geworden wil ik weten wat er is gebeurd met de idealen van mijn jeugd’, zegt Hannema in deze boeiende persoonlijke film, waarmee ze vat hoopt te krijgen op een verleden, waarin ze zich lang niet altijd ‘het uitverkoren kind’ voelde.

Daarvoor gaat ze in gesprek met haar eigen ouders. Na een reis naar India zochten zij voor hun kinderen een school die aansloot bij hun spirituele en filosofische gedachtegoed. Op De Platoschool stonden echter ook, zonder dat zij het echt doorhadden, orde en tucht hoog in het vaandel. Kinderen moesten bovendien allerlei extra vakken doen. ‘Daar hebben jullie nooit spijt van gehad volgens mij’, zegt Paul van Oyen, oprichter van de School Voor Filosofie. De kwaliteit van onderwijs was hoog, beaamt Hannema, maar tegen welke prijs? ‘Ik heb niet de indruk dat de leerlingen van De Platoschool rondlopen als grote mislukkelingen’, kaatst Van Oyen de bal direct terug. ‘Integendeel!’

De oud-leerlingen die de filmmaakster spreekt zijn alleen aanzienlijk minder enthousiast. Sommige ervaringen op De Platoschool dragen ze tientallen jaren later nog altijd met zich mee. Ook enkele voormalige leerkrachten zijn zelfkritisch. Annie van de Belt vindt bij nader inzien dat er toch wel erg veel aandacht was voor: je moet leren luisteren. Één van haar collega’s heeft zich later zelfs opgeworpen als klokkenluider. Met al die verschillende stemmen roept Yara Hannema nu een wereld op, waarin oosterse levensfilosofie en klassieke opvoedingsideeën een ongemakkelijk verbond sloten, waarbij gewone leerlingen zoals zij, letterlijk dan wel figuurlijk, allerlei butsen en deuken opliepen.

Tweeling

Jean Charles Counet / VPRO

De reis begint in Eritrea en leidt via Ethiopië, Soedan en Libië in 2016 naar Europa. Onderweg, op een boot op de Middellandse zee, wordt Merhawit verrast. Niet door het feit dat ze zwanger is, ook niet dat het om twee kinderen gaat, maar wel doordat ze nu al, op de vlucht en in hachelijke omstandigheden, geboren willen worden. Na de bevalling op zee belanden de nieuwe moeder en haar eeneiige Tweeling (91 min.) op het Italiaanse eiland Sicilië. En daar leren ze de Nederlandse documentairemaakster Bregtje van der Haak kennen, die toevallig in Palermo is voor het programma Tegenlicht en op Merwahit en haar baby’s Hiyap en Evenezer wordt geattendeerd door een reportage van CNN.

Van der Haak vraagt of ze hen jaarlijks mag komen filmen, om via deze Afrikaanse vrouw en haar kinderen, en echtgenoot/vader Yohannes in Soedan, het leven van nieuwe Europeanen te documenteren en grip te krijgen op waar zij vandaan komen en wat zij nu in een compleet nieuwe wereld, die soms pijnlijk vijandig reageert, op hun pad vinden. Deze documentaire, opgeknipt in zeven handzame en ook los te bekijken hoofdstukken, is een soort tussenrapportage van dit project, dat moet lopen totdat Merwahits zoons volwassen zijn. Bezien vanuit de traditie van de Up-serie, het klassieke documentaireproject dat sinds 1964 elke zeven jaar verslag doet van het leven van een selecte groep Britten, is dit dan een logisch moment.

In die zeven jaar, waarin Merwahit en haar zoons vaste voet aan de grond krijgen in Duitsland, bouwen de twee vrouwen, die in het begin echt met handen en voeten met elkaar moeten communiceren, een band op en raakt Van der Haak zelf bovendien steeds meer het verhaal ingetrokken. Dat begint met de verwantschap die zij als alleenstaande moeder voelt met de vrouw die in een vreemde wereld helemaal op zichzelf is afgewezen en mondt uit in situaties waarin ze ook zelf, de functionele zelfonthulling voorbij, haar eigen verhaal doet aan Merwahit. Die deelt dan weer haar levensverhaal, geïllustreerd met beelden uit de totalitaire staat Eritrea, en haar toenemende twijfels over de relatie met haar man op afstand.

Met fraaie observerende scènes krijgen Van der Haak en haar crew, die ook een plek verwerft binnen de kleine familie-eenheid, toegang tot het leven van de alleenstaande moeder en haar kinderen. Hoe ze er aan het begin van de eerste dag op de kinderopvang bijvoorbeeld voor zorgt dat de jongens, die nog geen Duits spreken, weten waar het toilet is. En hoe die enkele jaren later al zover zijn dat ze zelfstandig pizza kunnen halen – al komt die niet heelhuids thuis aan. De twee kinderen zijn altijd samen en uiterlijk identiek, maar van binnen – en dat wordt met de jaren steeds duidelijker – heel verschillend. Terwijl Hiyap floreert in contact met andere mensen, duikt Evenezer juist regelmatig weg voor de wereld. Merwahit probeert dat in goede banen te leiden.

Die voorlopige tussenconclusie maakt benieuwd naar wat de toekomst (volgende rapportage wederom over zeven jaar, in 2030?) gaat brengen voor de Eritrese vrouw en haar zoons. Op de valreep heeft de wereld waarin zij zich ogenschijnlijk best thuis zijn gaan voelen alleen nog een onaangename verrassing in petto voor alle betrokkenen – en een ongenadige cliffhanger voor elke kijker die hen intussen een beetje in z’n hart heeft gesloten.

Klaas de Jonge, De Prijs Van Vrijheid

Moondocs

Niet de wereld zelf of het leven van een personage als decor, maar echt, daadwerkelijk, een decor. Het is opvallend hoe vaak Nederlandse documentairemakers de laatste tijd een eigen arena of theater creëren voor hun films. Van de huiskamer van Johannes Post (in Geertjan Lassches De Erfenis Van Een Verzetsheld) en de uitgeleefde woning van een drankzuchtige vader (Kelly Klingenbergs Alleen Met Jenever) tot de vervreemdende grijze kamers voor nieuwkomers in Nederland (Al Wat Je Ziet van Niki Padidar) en een oude fabriekshal als passende entourage voor een vluchtverhaal in de familie (Biserka Surans Scènes Met Mijn Vader).

En als er eenmaal een decor is ontworpen, volgen het acteren vanzelf, zoals in Vincent Boy Kars’ Drama Girl, voor Abdiwahab Ali’s nagespeelde herinneringen in een door oorlog verscheurd Mogadishu (Douwe Dijkstra’s Buurman Abdi) en bij Het Zit In Mijn Hart, waarin Saskia Boddeke via een aantal spelers van KamaK, een theatergroep bestaande uit acteurs met een beperking, de ruimte tussen fictie en non-fictie verkent. Noem het een hybride tussen docu en drama of kruisbestuiving van documentaire en theater. Feit is dat deze makers de werkelijkheid graag een handje helpen en zo de grenzen van het genre documentaire opzoeken.

In de openingsscène van Klaas de Jonge, De Prijs Van Vrijheid (66 min.) laat Marlou van den Berge letterlijk zien hoe dat decor wordt gefabriceerd. En als alle stukken op hun plek staan, kan de hoofdrolspeler z’n entree maken. ‘Hier heb ik dus zesentwintig maanden in gewoond’, zegt De Jonge, oud-strijder tegen Apartheid, als hij zich achter de typemachine aan zijn bureau heeft geïnstalleerd. ‘Zonder die machine had ik het vast veel moeilijker gehad.’ Hij leest voor: ‘Vandaag, vrijdag 19 juli 1985, om precies vier uur, ben ik door de Zuid-Afrikaanse veiligheidspolitie bij de Nederlandse ambassade in Pretoria afgeleverd. De ambassadestaf heeft een kamer voor me vrijgemaakt.’

En in die kamer is Klaas de Jonge, een kleine veertig jaar later, opnieuw verzeild geraakt, althans in een replica daarvan, om het verleden te herbeleven. Door het Apartheidsregime beschuldigd van verboden wapenbezit en terrorisme, min of meer veilig op dat kleine stukje Nederlands grondgebied. Daar ontvangt hij nu zijn zoons, voormalige stiefkinderen en de vrouw en dochter van een gesneuvelde medestrijder. Samen onderzoeken zij hun geschiedenis. De clandestiene activiteiten en gewapende strijd van Klaas en zijn ex-vrouw Hélène Passtoors, die nog een tijd in de gevangenis doorbracht, hebben gevolgen gehad voor het leven van alle betrokkenen.

Tussen de gesprekken door neemt De Jonge plaats op de hometrainer, worden er aardappels gejast en is er ook gelegenheid voor een dansje bij de transistorradio. Dan blijkt ook meteen het gevaar van deze hybride aanpak: dat die enscenering tot een soort toneelstuk leidt – of, erger, tot toneelstukjes. Daar tegenover staan De Jonge’s confrontaties met een bewaker van de Nederlandse marechaussee, officier van de Zuid-Afrikaanse veiligheidspolitie en slachtoffer van een autobom van zijn organisatie. Dan wordt hij gedwongen tot (zelf)reflectie – al had de navolgende bedscène, waarin hij tijdens zijn slaap wordt belaagd door boze stemmen, achterwege mogen blijven.

De vraag of het doel, hoe nobel dat streven ook is, werkelijk alle middelen heiligt ligt dan al lang en breed op tafel in die geïmproviseerde kamer en zal in de venijnige climax van deze film nog tot schrijnende confrontaties leiden.

All-In: Team Jumbo-Visma

Prime Video

Hoewel ze de beste wielerploeg van de wereld vormen, winnen ze nog altijd vaker niet dan wel. De verwachtingen bij Jumbo-Visma zijn niettemin hooggespannen voor 2022: enkele klassiekers willen sportief directeur Merijn Zeeman en zijn team winnen, net als de Giro d’Italia en zowel de gele als de groene trui in Tour de France. Ze hebben daarvoor meerdere ijzers in het vuur: de kopmannen Wout van Aert, Tom Dumoulin, Primoz Roglic en Jonas Vingegaard.

In de traditie van Nederlandse wielerfilms als De Tour Van BaukeNieuwe Helden: In Het Hart Van De Tour en Code Geel laat de zesdelige serie All-In: Team Jumbo-Visma (300 min.) van Job van der Zon van binnenuit zien wat er van die ambities terechtkomt. Dat betekent dus wederom: teambesprekingen, trainingskampen, hotelkamers, massagetafels én peptalkende, juichende en teleurgestelde taferelen in de ploegleiderswagen, die steevast als de machinekamer van de koers fungeert. Één van de machinekamers van de koers, welteverstaan. Want elke ploeg beleeft immers zijn eigen race, viert uitbundig zijn eigen overwinningen en likt stiekem z’n wonden.

Dit is wel duidelijk een Jumbo-Visma productie, waarbij Van der Zon veel kan laten zien, maar ongetwijfeld ook regelmatig rekening heeft moeten houden met de wensen van de ploegleiding. Zoals dat gaat in een tijd waarin pak ‘m beet celebrities, bands en sportteams een documentaire(serie) als een probaat promotiemiddel beschouwen. Bezien vanuit die context bevat de serie overigens best aardige elementen, zoals de gesproken columns van schrijver Frank Heinen over de wielersport, z’n helden en hun mythologie – al blijven die miniatuurtjes ook wel fremdkörpers binnen een verder tamelijk conventioneel opgezette en strak afgewerkte productie.

Behalve fly on the wall-materiaal bij diverse wielerwedstrijden en interviews met de renners en teamleiding bevat All-In ook bijdragen van oud-wielercrack Tom Boonen en sportjournalisten zoals Thijs Zonneveld, Raymond Kerkhoffs en Diana Kuip. Zij moeten voor onafhankelijke duiding zorgen bij de verschillende gebeurtenissen. Daarbij is opnieuw een bijzondere rol weggelegd voor de (voormalige) klasbak Tom Dumoulin, die ook in de eerdere wielerdocu’s al voor het nodige drama zorgde. Gedurende de serie wordt steeds duidelijker dat een definitief afscheid van de sportcarrière, die hij eerder al eens op pauze heeft gezet, nu echt onvermijdelijk wordt voor Dumoulin.

De flegmatieke renner die zich steeds nadrukkelijker naar de finish moet worstelen, waar hij zo vaak met bloemen is opgewacht, slaat vermoedelijk de spijker op z’n kop als hij stelt dat hij weliswaar de benen heeft van een topper, maar zich ongemakkelijk voelt bij de bijbehorende positie. Dat pleit tegelijkertijd ook voor hem en leidt bovendien tot één van de mooiste verhaallijnen in deze miniserie (waarvan ik tot dusver drie afleveringen heb gezien), als hij zijn maatje Koen Bouwman aan een etappeoverwinning helpt. ‘Koen is gewoon een schat van een jongen’, zegt Dumoulin, na de koers liggend op de massagetafel. ‘Die ene rit in de Giro gaat voor mij – dat is misschien cru om te zeggen – het verschil niet meer maken. En voor hem is dit gewoon de mooiste wielerdag uit zijn leven.’

Daarmee geeft Dumoulin zowel uitdrukking aan wie hij is als mens en als (voormalige) toprenner, maar ook als lid van een ploeg die zichzelf voorhoudt dat niemand groter is dan het team. En daar zit ongetwijfeld ook, doelbewust, de voornaamste boodschap van All-In: Team Jumbo-Visma, waarin de totstandkoming van een ongekend succesverhaal van binnenuit wordt belicht.

Inmiddels is er ook over het wielerseizoen 2022 van Jumbo-Visma’s concurrent Quick-Steph Alpha Vinyl een documentaireserie gemaakt: Wolfpack.

Veekay

Prime Video

De 22-jarige Nederlander Rinus ‘Veekay’ van Kalmthout zit aan het stuur, maar zijn ontluikende carrière als autocoureur is beslist een familieaangelegenheid. De ouders van Rinus zijn ook naar de Verenigde Staten verkast, om hun zoon te ondersteunen bij zijn poging om de top van het Amerikaanse IndyCar-racing te bereiken. Vader Marijn weet als oud-coureur wat er nodig is, moeder Evelien hoopt vooral dat haar zoon steeds heelhuids de finish bereikt.

Dat is niet vanzelfsprekend. Bij zijn debuut tijdens de Texas Motor Speedway in 2020 was de rookie Rinus meteen betrokken bij twee crashes op de ‘oval’. Daardoor heeft hij zich echter niet gek laten maken. ‘Als je angst hebt en je gaat dit spelletje doen’, zegt vader Marijn, in het proza van de autosport dat hij grondig heeft verinnerlijkt. ‘Dat gaat niet werken.’ Want angst haalt snelheid weg. En dat kun je je als topcoureur niet permitteren.

‘Tuurlijk is de sport gevaarlijk, maar ik sta het mezelf niet toe om daarover na te denken’, zegt moeder Evelien in Veekay (122 min.). ‘Want dan wordt het wel heel rommelig om naar een race te kijken.’ Rinus zelf lijkt zich niet zo druk te maken. ‘Als ik dan voor de race instap in de auto is er vaak een priester vanuit IndyCar die een gebedje doet’, vertelt hij laconiek. ‘Al ben ik niet gelovig, ik denk wel dat zulke dingen geen kwaad kunnen.’

In deze driedelige serie werkt Team Veekay toe naar de Indy 500. Ook Arie Luyendyk, de landgenoot die de belangrijkste race van het jaar tweemaal won, is daarbij betrokken. Hij weet hoe het is om achter dat stuur te kruipen. ‘Ik heb nooit in de auto gezeten voor de start en aan mijn vrouw of kinderen gedacht’, vertelt hij. ‘Maar ‘s morgens als ik onder de douche stond om naar het circuit te gaan, dan dacht ik: nou, als het even tegenzit, zou het wel eens de laatste keer kunnen zijn vandaag.’

Met enerverende impressies van Rinus van Kalmthouts races, ‘actiebeelden’ van zijn ouders tijdens die wedstrijden, inkijkjes bij het leven achter de racerij van de jonge Nederlander en talloze, vaak erg gelikte, quotes van insiders brengt deze miniserie de IndyCar-scene aardig over het voetlicht. Al te diep graaft ‘t allemaal niet, maar als introductie van de Amerikaanse autosport of kijkdingetje voor de chauvinistische fan volstaat Veekay zeker.

Ruben Oppenheimer – Gevangen In Een Tekening

NTR

Zijn eigen moeder wil best participeren in deze documentaire van Carin Goeijers, maar liever niet herkenbaar in beeld. Zij is zich maar al te bewust van de risico’s die haar zoon neemt. Ruben Oppenheimer zoekt met zijn messcherpe politieke cartoons voor onder meer het AD en NRC nadrukkelijk het maatschappelijke debat op, schopt daarbij ongenadig tegen heilige huisjes aan en voelt ook niet de behoefte om politiek correct over te komen.

Daaraan zit een stevige prijs, getuige het urgente portret Ruben Oppenheimer – Gevangen In Een Tekening (55 min.). De cartoonist heeft zelf het gevoel dat hij steeds minder vanzelfsprekend zijn werk kan doen en verkopen. ‘De bagger die ik ervoor terugkrijg draag ik alleen’, zegt hij somber. Verwensingen en bedreigingen zijn bijna aan de orde van de dag. Goeijers vangt de impact daarvan door haatteksten letterlijk op zijn gezicht te projecteren.

Het geïsoleerde bestaan dat Ruben Oppenheimer noodgedwongen leidt wordt door de filmmaakster nog eens benadrukt met een combinatie van observatiebeelden – vaak van bovenaf gemaakt, zodat hij extra kwetsbaar lijkt. De suggestie is dat haar hoofdpersoon en zijn hond Lulu permanent in de gaten worden gehouden. Deze ‘beveiligingscamerabeelden’ maken het bedreigende klimaat voelbaar, waarbinnen de cartoonist zijn ambt, het samplen van beelden, moet uitoefenen. 

Als rode draad fungeert een spraakmakende cartoon uit 2017, waarin Oppenheimer suggereerde dat de Turkse president Erdogan twitter ‘neemt’. Die tekening veroorzaakte een storm van verontwaardiging. Slechts één Turkse Nederlander – Burak, die zich inmiddels zijn vriend mag noemen – heeft ’t in het openbaar voor hem opgenomen. Niet veel later is die een tijdje vastgehouden in Turkije, vanwege het steunen van iemand die de president beledigt.

In zo’n vijandig klimaat past geen naïviteit, vindt Oppenheimer. Slechts een week voor zijn dood, constateert hij bitter, meende Theo van Gogh nog: ik ben de nar, niemand doet mij wat. Inmiddels weten we wel beter. En dus stapt de voorvechter van het vrije woord naar de rechter om maatregelen af te dwingen tegen een vrouw die hem in het openbaar heeft bedreigd. Het is de climax van een film die inzichtelijk maakt hoezeer satire en de persvrijheid onder druk staan.

Slechts een enkeling haalt het in zijn hoofd om te tekenen wat hij wil.

Metissen Van België

Hugo (l) en Jaak (r) in Congo / De Chinezen / VRT

Wat een hand kan zeggen. Als hij liefdevol op die van een ander wordt gelegd. Geruststellend, troostend. Ik hoor je, zie je, voel je. 

Of als hij om een schouder wordt geslagen. Vaderlijk, begripvol. Maar ook: steun zoekend. 

En als hij, trillend, contact probeert te leggen. De afstand die onderweg is ontstaan wil overbruggen.

Metissen Van België (136 min.) had een veredelde versie van de televisieprogramma’s Spoorloos en Verborgen Verleden kunnen worden, waarin (verweesde) volwassenen voor de camera op zoek gaan naar hun oorsprong. Uiteindelijk is deze productie van Steven Crombez tot zoveel meer uitgegroeid: een collectieve zoektocht naar identiteit, verbinding en (zelf)respect, tegen de achtergrond van het kolonialisme.

Met deze driedelige serie belicht Crombez een zwarte bladzijde uit de koloniale geschiedenis van België. Daarvoor start hij in het Rwandese dorp Save, waar in de jaren veertig en vijftig een internaat voor ‘mulattenkinderen’ was gevestigd. Deze kinderen uit Congo, Rwanda of Burundi, het product van de relatie tussen een Belgische witte man en een lokale zwarte vrouw, namen daar, vaak zonder dat ze het zelf door hadden, definitief afscheid van hun ouders. 

‘Wij waren mulâtres’, stelt Georges. ‘Dat is de kruising tussen een paard en een ezel.’ Germaine vult aan: ‘Kinderen van de zonde. En onze moeders waren hoeren. Onze vaders trof geen schuld.’ Toen in de jaren vijftig de Congolese onafhankelijkheidsstrijd losbarstte, werden honderden van deze kinderen overgebracht naar België. ‘God heeft de blanke en de zwarte geschapen’, zei de latere Belgische premier Joseph Pholien ooit. ‘De duivel heeft de metis geschapen.’

Deze kinderen kwamen terecht bij pleeggezinnen of in weeshuizen. Hun koloniale dossiers zijn pas onlangs vrijgegeven, zestig jaar na de onafhankelijkheid. Sindsdien kunnen zij – als ze dat willen – op zoek gaan naar waar ze vandaan komen. ‘Ik heb hier ontdekt dat mijn geschiedenis die mij aangeleerd was, voor een groot deel gelogen was’, stelt Jacqueline tijdens een bezoek aan haar geboorteland Rwanda. ‘Blijkt dat ik niet ben wie ik dacht te zijn.’

Jacqueline, die als tweejarig meisje afscheid moest nemen van haar complete familie, is één van de drie metissen die Steven Crombez volgt naar hun geboorteland. Voormalig politierechercheur Jaak gaat met zijn volwassen zoon Hugo, die hij bepaald geen gemakkelijke jeugd heeft bezorgd. En Paul probeert het contact met zijn moeder in Rwanda te herstellen. Zij schreef hem jarenlang wanhopige brieven, die hij vaker dan hem nu lief is onbeantwoord liet.

Deze aangrijpende persoonlijke verhalen, sereen gefilmd in een zeer fotogenieke omgeving, worden verdiept en verbreed door lotgenoten. Hun herinneringen zijn niet minder indringend. ‘Zelfs nu nog denk ik bij mezelf dat het misschien beter is dat ik geen kinderen heb gekregen’, bekent Eveline bijvoorbeeld. ‘Ik zou niet gewild hebben dat ik geen goede moeder had kunnen zijn, dat ik ze niet had kunnen bieden wat een kind nodig heeft.’

‘Ik heb geprobeerd Belg te zijn’, zegt Georges. ‘Ik heb geprobeerd Vlaming te zijn. Maar uiteindelijk, het racisme brengt je terug tot de werkelijkheid.’ Op een bepaald moment ging hij zich afvragen: ‘wie ben ik dan? En dan moet je jezelf een antwoord geven en zeggen: ik ben wie ik ben. Ik ben metis. Ik ben tussenin. Daar is niks mis mee.’ Het is een even vanzelfsprekende als pijnlijke constatering, waarmee hij zichzelf eindelijk de hand reikt.

Om vrede te vinden met wie hij is, net als al die anderen: een metis van België.

Trailer Metissen Van België

Murder On A Sunday Morning

Prime

James, de echtgenoot van de 65-jarige Mary Ann Stephens en tevens de enige ooggetuige van het misdrijf, heeft hem hoogstpersoonlijk aangewezen: Brenton Butler is degene die hen op zondagochtend 7 mei 2000 bij het Ramada Inn-hotel in Jacksonville, Florida heeft overvallen. In de rechtszaal bevestigt Stephens nog maar eens dat het de vijftienjarige zwarte jongen was die Mary Ann heeft vermoord.

Brentons advocaat Pat McGuinness is niettemin overtuigd van de onschuld van zijn cliënt. Die is simpelweg het slachthuis van raciaal profileren. De politie heeft gewoon de eerste de beste Afro-Amerikaanse tiener van de straat geplukt en tot een bekentenis gedwongen, meent hij. Documentairemaker Jean-Xavier de Lestrade sluit aan bij het verdedigingsteam van McGuinness en zijn collega Ann Finnell voor wat een true crime-klassieker zal worden: Murder On A Sunday Morning (111 min.), in 2002 bekroond met de Oscar voor beste documentaire.

De Lestrade, die enkele jaren later nóg een genretopper zal afleveren met de docuserie The Staircase over een vrouw die thuis van de trap is gevallen/geduwd, volgt de rechtszaak tegen Brenton Butler op de voet en brengt tevens in beeld hoe zijn advocaten het proces voorbereiden en verder uitzoeken. Zij gaan er helemaal voor, ervan overtuigd dat hun cliënt onschuldig is en bovendien doelbewust gemaltraiteerd door scoringsbeluste politieagenten. Zeker de verbeten Pat McGuinness gaat er in de rechtszaal regelmatig met gestrekt been in.

‘Als een hond op je tapijt plast en je straft hem niet, dan blijft hij op je tapijt plassen’, zegt hij daarover tegen De Lestrade. ‘Als je een getuige die liegt niet tot de orde roept of vernedert, dan blijft ie dat doen.’ Zulke publieke tuchtigingen gaan de Ierse straatvechter goed af. En hij lijkt er ook lol in te hebben om rotte agenten – althans, in zijn ogen – genadeloos met hun eigen verklaringen om hun oren te slaan. Op die manier wil hij de zaak van openbaar aanklager Laura Starrett onschadelijk maken en de jury ervan overtuigen dat ‘Bren’ moet worden vrijgesproken.

De juryleden hebben uiteindelijk welgeteld 45 minuten nodig om tot een vonnis te komen in deze klassieke rechtbankdocu, die nauwgezet laat zien hoe het Amerikaanse justitiële systeem (niet) werkt en die tevens aantoont hoe belangrijk het is dat ook, of júist, verdachten die de schijn tegen hebben, al is het alleen door de bevolkingsgroep waartoe ze behoren, met kennis, passie en vernuft worden verdedigd.

What’s Left? – De Puinhopen Van Links

Frenkie Media/BNNVARA

‘In tien jaar tijd is het aantal daklozen verdubbeld. We leven in de grootste wooncrisis sinds de Tweede Wereldoorlog. De GGZ, de jeugdzorg, de ouderenzorg zijn uitgekleed…’ En zo kan Johan Fretz nog wel even doorgaan. Dat doet hij trouwens ook aan het begin van dit bevlogen pleidooi voor een betere wereld – een linkse wereld dus. Want Half Nederland staat in brand. En dat is overigens óók de schuld van links.

Tenminste, die conclusie is onvermijdelijk voor de schrijver en columnist van het Parool. Of zoals sommige lezers van die krant hem volgens eigen zeggen noemen: ‘die linkse, woke deugfascist, excuusallochtoon, gutmensch, socialistische, communistische, racistische, antiracistische, vervelende rot-millennial in zijn grachtengordel-bubbel’. En dan woont hij ook nog eens ‘in een schitterend jaren dertig-koophuis’.

In het politieke pamflet What’s Left? – De Puinhopen Van Links (72 min.), gemaakt met coregisseur en sidekick Juul Op den Kamp, onderzoekt Fretz hoe en waar het mis is gegaan met de sociaaldemocratie en de voornaamste vertegenwoordiger daarvan, de Partij van de Arbeid, en hoe het neoliberalisme vervolgens de dominante ideologie heeft kunnen worden in ons land – en trouwens ook in de rest van de westerse wereld.

Over Fretz’s startpunt bij deze lekker up tempo-zoektocht kan geen misverstand ontstaan: hij komt uit een echt PvdA-nest en is nog altijd stijflinks. De idealen die boegbeeld en oud-premier Joop den Uyl namens die partij uitdroeg in de jaren zeventig en tachtig zijn volgens hem sindsdien grondig verkwanseld. En daardoor zijn de kansen die hij ooit zelf heeft gehad in het Nederland van nu allang niet meer vanzelfsprekend.

Scherp, speels en met de nodige (zelf)spot verweeft de geboren verteller zijn eigen levensloop met de politieke en maatschappelijke ontwikkelingen die ons land in de afgelopen halve eeuw heeft doorgemaakt. Hij spreekt in dat kader ook met zijn eigen ouders, de ‘oude hippies’ Jan en Virginia, en legt drie voormalige PvdA-leiders/‘hoofdverdachten’ het vuur aan de schenen: Wouter Bos, Job Cohen en Diederik Samson.

In de ogen van Fretz zijn zij onderweg, terwijl ze druk bezig waren met ‘verantwoordelijkheid nemen’, de grondbeginselen van de sociaaldemocratie – de eerlijke verdeling van kennis, macht en inkomen – uit het oog verloren. En daarom leven we nu met zijn allen in een – diepe ademhaling – neoliberale hel. What’s Left wordt daarmee een demasqué van het hedendaagse Nederland, een land dat altijd nét iets te trots op zichzelf lijkt.

En dat is weer zo’n stellingname, lekker polemisch getoonzet ook, waarmee menigeen het natuurlijk grondig oneens kan zijn. Fretz’s schotschrift dwingt in elk geval tot zelfreflectie. Over wie we zijn (geworden), wie we (willen) worden en of er überhaupt wel zoiets als ‘wij’ bestaat (of moet bestaan). En welke rol links daar dan weer in moet spelen, natuurlijk.

Help Me

BNNVARA

De ene na de andere beller meldt zich tijdens de Corona-periode bij de medewerkers van het crisisinterventieteam Hart van Brabant in Tilburg. Met al dan niet expliciet geformuleerde hulpvragen rond suïcidale gedachten, drank- en drugsverslaving of complotten. En de dreiging van agressie lijkt ook alomtegenwoordig in of rond de eigen woning: van een ontspoorde zoon of dochter, de verwarde buurman of een gewelddadige (ex-)partner.

Het leeuwendeel van de duizenden meldingen van noodsituaties die jaarlijks binnenkomen bij het team, is terug te brengen tot een eenvoudig verzoek: Help Me (46 min.). Voor de camera van Hetty Nietsch staan casemanager Sietske Martens en haar collega’s zulke bellers empathisch te woord. Ze proberen ondertussen vast te stellen hoe hoog de nood is en of ingrijpen noodzakelijk lijkt. Soms overleggen ze ook even met een collega of blazen stoom af bij elkaar. Want sommige telefoontjes gaan ook hen niet in de koude kleren zitten.

Deze tv-docu bestaat vrijwel volledig uit zulke gesprekken, waarbij de hulpvragen consequent zijn geanonimiseerd en de bijdragen van de bellers opnieuw zijn ingesproken door acteurs (en dat is, helaas, meestal ook voel- en hoorbaar). Dit geheel wordt door Martens, buiten beeld, van context en duiding voorzien. Zo wordt het leven achter Neerlands voordeur, waar de spanning gedurende lange tijd of zomaar ineens flink kan oplopen, treffend inzichtelijk gemaakt. Net als de pogingen van betrokken en gedreven hulpverleners om de lont, al is het maar tijdelijk, uit het kruitvat te krijgen.

Dit Was Aad, Goedenavond

KRO-NCRV

‘Hoe kan dat nou, iemand die zoveel betekend heeft voor de Nederlandse televisie?’ vraagt Mark van den Heuvel zich enigszins verontwaardigd af, als hij samen met zijn zus Caroline ontdekt dat hun vader Aad ontbreekt op de Wall of Fame van museum Beeld & Geluid te Hilversum. ‘Met Brandpunt, met de Alles Is Anders-show, met de J.C.J. Van Speykshow, met Ook Dat Nog!, waar ook vier miljoen mensen naar keken. Ja, dan mag er toch op zijn minst wel iets tastbaars hier te vinden zijn.’

Het overlijden van journalist en televisiemaker Aad van den Heuvel ging in de zomer van 2020 ook al enigszins verloren in het nieuws over de Coronacrisis. Zijn kinderen Mark en Caroline, die in navolging van hun vader eveneens in de journalistiek terecht zijn gekomen, betreuren dat. Met Dit Was Aad, Goedenavond (50 min.) richten ze alsnog een televisiemonumentje op voor de man die zij overigens consequent ‘Aad’ noemen, een pionier die altijd de wijde wereld opzocht en mede daardoor als vader wat op afstand bleef.

Mark bezoekt bijvoorbeeld samen met zijn jeugdvriend Matthijs van Nieuwkerk idyllische plekken uit hun jeugd die ze associëren met Aad, gaat op audiëntie bij Joop van den Ende en ontmoet Youp van ‘t Hek, die doorbrak met een optreden in een tv-programma van zijn vader. Caroline spreekt op haar beurt af met collega’s als Catherine Keyl en Fons de Poel, kijkt met cameraman Ron van der Lugt ruw materiaal uit Rwanda terug en zoekt Aads weduwe Annette op, om beelden uit hun privé-archief te bekijken.

Hun vader had last van het tegendeel van heimwee. ‘Fernweh’, noemde Aad van den Heuvel dat zelf. Hij wilde zijn waar het gebeurde. En dus deed hij bijvoorbeeld vanuit Memphis verslag van de moord op Martin Luther King, was hij ooggetuige van een bombardement in Biafra en kon hij de Indonesische leider Soekarno net voordat die afstand moest doen van de macht nog een vileine vraag stellen. Toen hij later in zijn carrière aan het lichtere werk begon, bleef zijn betrokkenheid bij de wereld.

Volgens Anna Visser, met wie Aad van den Heuvel de idealistische omroep Llink oprichtte, was hij ‘behoorlijk woke voor een witte oude man’. En zo gaat hij ook de herinnering in: als een westerse journalist die altijd over de grenzen van zijn eigen wereld heen wilde kijken.

Leven In Limbo

Human

Ze leven tussen hoop en vrees, wal en schip, en kastje en muur. Omdat ze niet kunnen bewijzen wie ze zijn, vastzitten in een heilloze situatie of niet terug willen of kunnen naar waar ze ooit thuis waren. Naar schatting telt Nederland zo’n 50.000 ongedocumenteerden. Daarvan wonen er dan weer ongeveer 5.000 in Rotterdam. Zonder verblijfsvergunning, recht op werk of onderwijs en perspectief op een ‘normaal’ leven in het land waar ze soms al tientallen jaren verblijven.

De vierdelige docuserie Leven In Limbo (160 min.), waarvoor acteur Gijs Scholten van Aschat de stevig aangezette voice-over verzorgt, portretteert een aantal van deze illegalen tijdens hun dagelijks leven. Ze worden ondersteund door het Rotterdams Ongedocumenteerden Steunpunt (ROS), dat is gehuisvest in de voormalige rooms-katholieke kerk ‘De Doortocht’ in Katendrecht. Die begeleiding is vooral een kwestie van pappen en nathouden, stelt één van de oprichters Connie van den Broek. Ze beantwoorden vragen, steken de helpende hand toe en verzorgen gratis Nederlandse les. Want bij de officiële lessen zijn hun cliënten niet welkom. Die worden immers geacht om het land te verlaten.

‘Ik wil eigenlijk niet wonen in een stad waar mensen doodgaan op straat’, stelt Van den Broek. Tegelijkertijd denkt hij ook praktisch: zelfs op de zwarte arbeidsmarkt is het voor deze uitgeprocedeerden handig als ze Nederlands kunnen. Ishmail een man uit Sierra Leone, is dat stadium allang voorbij. Hij heeft zelfs een eigen dichtbundel uit: Landschap Van Mijn Ziel. De 19-jarige Emilia beheerst de taal eveneens prima. De kans dat ze hier mag blijven is echter klein. Ze is in Nederland opgegroeid, maar heeft zich na een periode in Brazilië te laat, ná haar achttiende verjaardag, weer bij haar Braziliaanse moeder in Rotterdam gevoegd. Als volwassen vrouw heeft ze nu nauwelijks kans op een verblijfsvergunning.

Soms roepen die levensverhalen ook vragen op, zoals bijvoorbeeld het treurige relaas van Amro. Hij werd volgens eigen zeggen geboren in Frankrijk, heeft een Marokkaanse vader en woont al veertig jaar in Nederland, tegenwoordig in een klein hok nabij het water waarvoor hij elke dag over een hek moet klimmen. Frankrijk kent hem niet, Marokko accepteert hem niet en Nederland wil hem niet. Het is een hopeloos stemmende situatie, zoveel is duidelijk. Maar is dat ook het complete (achtergrond)verhaal? Daar ligt echter niet de focus van Leven in Limbo. Regisseur Martijn Heijne richt zich op de kleine menselijke verhalen. Hij laat zien hoe het is om te (over)leven in de illegaliteit en geeft personen die we doorgaan alleen kennen van statistieken – of zelfs dat vaak niet eens – een gezicht.

Soms tegen beter weten in houden ze in deze empathische miniserie hoop op een (legale) toekomst in Nederland. Ook omdat, volgens de gedreven Connie van den Broek, hoop nu eenmaal het laatste is wat sterft in een mens. Mede door Nederlanders met het hart op de goede plek zoals hij, overigens. Die ook nog beschikken over een inventieve geest, zo blijkt in het laatste deel. ‘Ik realiseer me ook wel dat ik een lot uit de loterij heb gehad’, zegt Van den Broek. ‘Zoals heel veel mensen in Nederland een lot uit de loterij hebben, als je dat op mondiale schaal gaat bekijken.’ Hij laat een korte stilte vallen. ‘En dat ik met dat lot uit de loterij tegen iemand anders ga zeggen: ja, jij hebt dat lot niet. En zoek het maar uit…’

De Sneeuwman: Geheimen Van Een Kindermoordenaar

Videoland

‘Hoe erg het ook is en hoe groot de koppen in de krant ook zijn, ik kan mezelf niet stoppen’, stelt Michel Stokx, via teksten die zijn gebaseerd op officiële politieverslagen en ingesproken door stemacteur Alexander van Breemen. ‘Ik kan niet zeggen: het is nu één keer gebeurd en nu ben ik er vanaf. Dat bestaat niet. Als het weer wat rustiger wordt, komt de drang weer opzetten. Dat kan een maand of een jaar duren, maar terugkomen doet het.’

Terwijl de Belgische trucker, die al enige tijd in Nederland woont, aan het woord is, zijn in beeld krantenartikelen te zien. ‘Verdachte zaak Jessica Laven verdacht van tweede moord’ bijvoorbeeld. Of: ‘Team-Jessica kijkt ook naar verjaarde zaken.’ En: ‘Onderzoek naar meer kindermoorden.’ Het is duidelijk: hier is een heus monster aan het woord, een lage landen-variant op beruchte seriemoordenaars zoals Ted Bundy, Dennis Nilsen of John Wayne Gacy.

En net als zijn Amerikaanse ‘vakbroeders’ heeft Stokx nu zijn eigen documentaire gekregen: de driedelige serie De Sneeuwman: Geheimen Van Een Kindermoordenaar (74 min.). Regisseur Flynn von Kleist heeft daarvan een klassieke true crime-productie gemaakt, compleet met duistere re-enactments, slinkse tijdssprongen én intrigerende verklaringen van de dader zelf, die worden vergezeld door close-up beelden van draaiende geluidsbanden.

‘s Mans gruweldaden worden belicht via nieuwsreportages en televisieprogramma’s (Crimetime bijvoorbeeld) en van context voorzien door onder anderen zijn advocaat, een oud-collega, de leider van het politieonderzoek en een Vlaamse daderprofiler. Ook de ouders van Cheryl Morriën en Nathalie Geijsbregts, die al tientallen jaren worden vermist en mogelijk ten prooi zijn gevallen aan Stokx, komen aan het woord. Zij willen zekerheid over wat er met hun kind is gebeurd.

Von Kleist introduceert verder de (geanonimiseerde) dochter van Michel Stokx. Zij worstelt met de loodzware erfenis van haar vader, een op het eerste gezicht heel aardige man die nochtans is veroordeeld voor drie kindermoorden en bovendien in verband wordt gebracht met nog enkele tientallen andere verdwijningen. De eventuele details daarover heeft hij in 2001 alleen mee het graf ingenomen. Zo ‘leeft’ de kinderlokker nu alweer twintig jaar voort, als verdachte in talloze cold cases.

In deze straffe serie worden de archetypische psychopaat en zijn modus operandi vakkundig en met de nodige visuele bravoure tegen het licht gehouden. Net als beruchte ‘collega’s’ zoals The Night Stalker, Son Of Sam en The Golden State Killer heeft hij zelfs een typische seriemoordenaarsnaam toebedeeld gekregen: De Sneeuwman. Het wordt alleen niet helemaal duidelijk waar die op is gebaseerd. Of is-ie vooral bedoeld om bij te dragen aan de mythevorming van Michel S.?

De DocUpdater

Tamar: De Waarheden Van Renate Rubinstein

Renate Rubinstein

Als je niet beter wist, zou je denken: dit wordt karaktermoord. De tweedelige documentaire Tamar: De Waarheden Van Renate Rubinstein (119 min.) is nauwelijks twee minuten onderweg of de hoofdpersoon is al ‘een narcistische gek’, ‘een hele nare, onaangename vrouw’ en ‘heel onhebbelijk, onfatsoenlijk’ genoemd. Waarna iemand doodleuk zegt: ‘Ik vind het jammer dat ze geen zelfmoord heeft gepleegd.’

Renate Rubinstein (1929-1990), die vanaf begin jaren zestig onder het pseudoniem ‘Tamar’ een column had in Vrij Nederland, spreekt ruim dertig jaar na haar overlijden nog altijd tot de verbeelding, zullen we maar zeggen. Hans Goedkoop werkt zelfs al sinds de eerste helft van de jaren negentig aan een biografie en heeft daarvan onlangs weer een voorproefje uitgebracht: Vaderskind – De Oorlog Van Renate Rubinstein. Hij beheert tevens haar archief en fungeert als postiljon d’amour in het portret dat David de Jongh van de schrijfster heeft gemaakt. Daarin krijgen ook de messcherpe geschriften van Rubinstein, die zijn ingesproken door actrices, vanzelfsprekend een prominente plek.

Centraal in de vertelling staan Rubinsteins rouw om haar Joodse vader, die werd afgevoerd naar Auschwitz, en de moeizame relatie die ze had met haar moeder (waarvan de afwikkeling overigens nauwelijks wordt belicht in de film). Van daaruit ontwikkelde zij zich tot een bijzonder uitgesproken vrouw met een stormachtig relatieleven. Daarbij ruimt De Jongh vanzelfsprekend ook een belangrijke plek in voor Rubinsteins scandaleuze onthulling, in het postuum verschenen boek Mijn Beter Ik, dat ze jarenlang een geheime relatie had met haar collega-schrijver Simon Carmiggelt.

Met haar broer en zus, andere familieleden, tweede echtgenoot Jaap van Heerden, studiegenoot Hedy d’Ancona en collega-schrijvers schetst De Jongh een gelaagd portret van een vrouw die vriend en vijand voortdurend kon blijven verbazen. Dit komt erg pregnant tot uiting in de geruchtmakende kwestie Weinreb. Friedrich Weinreb zou tijdens de Tweede Wereldoorlog tientallen Joden hebben gered. Als hij later onder vuur komt te liggen vanwege mogelijk seksueel misbruik, verdedigt Renate Rubinstein hem te vuur en te zwaard. Het is alleen de vraag of ze de zaak wel goed heeft bestudeerd.

Op zulke momenten blijkt ze geen kat om zonder handschoenen aan te pakken. Het dier, dat jarenlang als vaste gast fungeerde in haar Tamar-columns, krijgt van David de Jongh een prominente plek in dit treffende portret. Hij laat regelmatig een poes door het beeld paraderen. Als tastbare herinnering aan zijn fiere hoofdpersoon, die voor veel mensen onweerstaanbaar én onmogelijk schijnt te zijn geweest. Wanneer Rubinstein in de laatste jaren van haar leven Multiple Sclerosis krijgt, zoekt ze steun bij haar neef Maurits. Hij zal haar liefdevol begeleiden naar het, tóch, door haarzelf georkestreerde einde.

De Roze Supporters

KRO-NCRV

Terwijl er op het veld (officieel) nog altijd geen homoseksuele speler rondloopt, vullen de tribunes bij het Nederlandse betaald voetbal zich heel voorzichtig met LHBTIQ+-supporters. In Den Haag zorgt de supportersvereniging De Roze Règâhs al een jaar of acht voor een tolerantere atmosfeer in het stadion. Volgens voorzitter (en oud-hooligan) Maron Pots worden er bij ADO tegenwoordig een stuk minder homo-onvriendelijke slogans gescandeerd.

Ook enkele Feyenoord-supporters zijn van zins om een speciale fanclub op te richten. Zodat er voortaan een bijgewerkte versie van het befaamde clublied van de tribunes schalt: ‘Hand in hand, tegen homofobie’. Zover is het echter nog lang niet. De officiële oprichting van Roze Kameraden komt voorzitter Paul van Dorst op ernstige bedreigingen te staan. Zelfs zijn sportschool wordt doelwit van homofobe hooligans. En de club Feyenoord laat intussen nauwelijks van zich horen.

De vierdelige serie De Roze Supporters (172 min.) belicht deze en andere pogingen van LHBTIQ+-supporters in de rest van het land om, zoals de voormalige Haagse wethouder Rabin Baldewsingh het treffend uitdrukt, gewoon ‘erbij te horen’. In Duitsland is dat volstrekt normaal, toont deze fijne docuserie van Marieke Slinkert, waarvoor Klaas van Kruistum de voice-over verzorgt. Elke zichzelf respecterende Bundesliga-club heeft een roze supportersgroep. En in stadions hangt een inclusieve sfeer.

Elders in Europa hebben homoseksuelen – niet alleen de voetbalsupporters – het soms zwaar. Zo vertrekken de rivalen uit Den Haag en Rotterdam in de zomer van 2021 bijvoorbeeld gezamenlijk naar Boedapest om daar tijdens het Europees Kampioenschap het Nederlands elftal te ondersteunen. Hongarije heeft dan net anti-homowetgeving aangenomen en zit dus bepaald niet te wachten op Oranje-fans met ‘Gay is oké’-shirts of regenboogkleding. Maar die willen toch echt het stadion in…

De Roze Supporters brengt zo van binnenuit de emancipatie van LGBTIQ+-supporters in beeld. Hoewel de situatie, met name bij Feyenoord, soms echt een grimmig karakter krijgt, blijft de grondtoon van deze empowerment-serie positief: die inclusieve voetbalwereld gaat er komen. Hoe dan ook. Of, zoals opper-Roze Règâh Maron Pots het kort en bondig samenvat: ‘Heel Nederland zal moeten toegeven dat het betaalde voetbal gezelliger is met LHBT-mensen op de tribune.’

En dan, zou je zeggen, volgen de homoseksuele spelers vanzelf. Zodat ‘ons voetbal’, indachtig de officiële KNVB-slogan, gaandeweg écht van iedereen wordt.

De Roze Supporters is hier te bekijken.