Het is natuurlijk geen nieuw uitgangspunt: een documentairemaker volgt een kunstenaar tijdens de totstandkoming van een nieuwe voorstelling/plaat/expositie/concertreeks (doorhalen wat niet van toepassing is) en probeert via de hobbels onderweg de essentie van z’n hoofdpersoon te vangen. In de korte docu Stephanie Louwrier: Dichterbij Mij (29 min.) poogt Marcel Goedhart zo, juist, dichterbij het Nederlandse podiumbeest te komen. Stephanie Louwrier werkt aan haar derde theatershow, Let’s Get Louder. En dat gaat – het lijkt zo te horen – bepaald niet vanzelf.
Louwrier begint met een voorstudie. Daarna moeten er try-outs volgen. En die monden dan weer uit in een première, het vanzelfsprekende sluitstuk van deze film. Als het zover komt. Want maken is een kwetsbaar proces. Zeker als je je hebt voorgenomen om ‘ongefilterd eerlijk te zijn’ over alles wat er in je omgaat. En dat is nogal wat: een roerig familieverleden, stembandproblemen en een al dan niet expliciete relatiecrisis. Nadat ze helemaal los is gegaan tijdens een bokstraining blijkt één vraag van Goedhart (wat eruit moet?) al voldoende om haar verdediging te breken. ‘Alles’, zegt Stephanie geëmotioneerd.
Op de spiegel van Louwriers kleedkamer hangen, ergens onderweg naar (g)een voorstelling, een heleboel geeltjes, die de verschillende onderdelen representeren van wat een heel persoonlijke theatershow moet worden. Vormen ‘latina’, ‘jazz’ en ‘talk dirty to me’ bijvoorbeeld een logisch trio? Moet ‘tekstangst’ inderdaad ná ‘Ryan Gosling is mijn held’ en net vóór ‘ecstatic dance’? En waar horen ‘cellulitis is cool’ en ‘kinderwens’? Horen die er überhaupt wel in? ‘Zeg me dat ’t beter wordt’, zingt de hoofdpersoon dan alvast een stukje van die voorstelling – en zichzelf moed in. ‘Zeg me dat ik veilig ben.’
Er bestaat dus een kans dat die ‘muzikale onewomanshow’ er helemaal niet komt – of in elk geval niet nu. Louwriers vaste regisseur Titus Tiel Groenestege komt, vlak voor het einde van deze intieme film, poolshoogte nemen. Is het een omen? Waarvan dan? En krijgt Marcel Goedhart daarmee een logisch einde voor zijn observerende film?
Het zijn bijna onwerkelijke beelden uit 1994: Merrill Nisker, een lieflijk meisje met lang krullend haar speelt met haar akoestische gitaar liedjes voor de jongens en meisjes van de kinderopvang. Slechts zes jaar later fleemt diezelfde jonge vrouw over ‘sucking on my titties like you wanted me, calling me’ in de signatuursong van haar alter ego Peaches: Fuck The Pain Away. Over dat Canadese meisje, die ‘t ooit probeerde als folkzangeres, laat de inmiddels 58-jarige artiest verder weinig los in Teaches Of Peaches (102 min.).
Des te meer ruimte is er voor de artiest/kunstenaar, die zich opmaakt voor een reprise van haar succesvolle debuutalbum waarnaar deze film van Philipp Fussenegger en Judy Landkammer is vernoemd. Die elektroclashplaat brengt het feministische icoon ook compleet ten gehore in haar tweede thuis Berlijn. Tijdens dat jubileumconcert komt het provocerende, theatrale en uitgesproken seksuele karakter van haar podiumact volledig tot z’n recht. ‘Ik ben niet meer vulgair dan wie dan ook’, beweert ze zelf.
En dat wordt min of meer bevestigd door haar vriend Ellison Glenn alias Black Cracker. Toen hij haar voor het eerst op het podium aan het werk zag, vast half ontkleed en tijdens (het simuleren van) de één of andere seksuele activiteit, dacht hij volgens eigen zeggen dat het elke nacht prijs zou zijn met deze dame. Dat blijkt in de praktijk alleen toch wat genuanceerder te liggen. Het is een kwestie van ‘finding moments to touch the booty’. Zoals menige komiek thuis nu eenmaal ook een sombermans schijnt te zijn.
Als Peaches exploreert ze de vrouwelijke seksualiteit. Met veel bloot of de suggestie daarvan, bijvoorbeeld in die kenmerkende, veel te kleine roze shorts, zodat haar ‘cameltoe’ goed zichtbaar is – en het schaamhaar dat ze, net als haar okselbeharing, weigert bij te werken. Al haar strapatsen worden in context geplaatst door haar modeontwerper Charlie Le Mindu, oud-sidekick Feist en haar voormalige duopartner Chilly Gonzales, die oogt als een kruising tussen Nicholas Cage en Ron Jeremy.
Naar de vrouw achter de artiest en performancekunstenaar blijft ’t ondertussen zoeken in deze uiteindelijk tamelijk conventionele popdocu. Dat ze ooit keelkanker heeft gehad, wordt bijvoorbeeld in enkele zinnen afgedaan. Een voetnoot. En als Fussenegger, naar aanleiding van haar provocerende T-shirt Thank God For Abortion, wil weten of abortus ook een persoonlijk onderwerp is voor haar, wordt ze zowaar even pinnig. Die vraag vindt Peaches ongepast. Alsof zo’n privé-ervaring nodig is om vóór het recht op abortus te zijn.
Op het podium manifesteert ze zich als een fiere vechter voor vrouwen- en LHBTIQ+-rechten, blijkt opnieuw tijdens dat geladen concert in Berlijn, waarnaar dit portret steeds weer terugkeert. Fussenegger en Landkammer snijden van daaruit ook regelmatig naar het verleden, naar performances waarin hun heldin steevast de grenzen van het betamelijke en de goede smaak opzoekt (en overschrijdt). Zoals mannelijke rocksterren ook zo vaak doen – al lopen die beslist niet zo overtuigend over hun eigen publiek.
In 2024 is er overigens nóg een documentaire over Peaches uitgebracht: Marie Losiers Peaches Goes Bananas. Wellicht dat de aandacht daarin meer uitgaat naar Merrill Nisker – al doet de trailer vermoeden dat ’t toch vooral weer heel veel Peaches wordt.
‘Please don’t kill me again’, vraagt Sam Crane aan één van de personages die hij ontmoet in Grand Theft Auto Online. Samen met zijn vriend Mark Oosterveen is hij op een missie in de online game. Hun privéprojectje mag dus niet ontregeld worden door moordlustige types. De twee Britse acteurs, die in januari 2021 werkeloos thuiszitten vanwege de derde Corona-lockdown, hebben zich voorgenomen om binnen Grand Theft Auto Shakespeare’s Hamlet te gaan uitvoeren.
Speciaal voor Grand Theft Hamlet (90 min.) heeft ook Sams echtgenote Pinny Grylls zich in diens online-wereld gevoegd. Samen hebben ze voor deze documentaire, die zich volledig in de virtuele wereld van Grand Theft Auto afspeelt, het volledige proces van de Shakespare-uitvoering vastgelegd: van de audities met bizarre, schietgrage en ontwapenende personages tot de licht chaotische repetities, met als kroon op het werk natuurlijk de live-stream première van het ‘videogametheaterstuk’.
Die film is al even inventief als het idee om een klassiek toneelstuk van William Shakespeare te vertalen naar een gewelddadige game. Grylls en Crane slagen erin om van veelal tamelijk groteske digitale creaturen echte mensen van vleesch en bloed te maken, die in de online gecreëerde wereld net zo normaal lijken te functioneren als ‘in real life’ – ook al ontleent GTA z’n bestaansrecht natuurlijk aan een vlucht uit de werkelijke wereld, die op dat moment volledig is ontregeld door de globale pandemie.
Met veel creativiteit, doorzettingsvermogen en humor en zelfspot banen Sam en Mark zich een weg door hun parallelle biotoop, waarbij het bepaald geen vanzelfsprekendheid is dat ze ook in leven blijven. Voor je ’t weet dendert de één of andere bloeddorstige onverlaat het decor binnen, te voet of in een blits voer- of vliegtuig, en verstoort dan bijvoorbeeld een gedragen monoloog over de verrotte staat van Hamlets Denemarken. En er kan ook zomaar een hoofd- of bijrolspeler ‘wasted’ op de grond achterblijven.
Tegelijkertijd laat Grand Theft Hamlet zien wat schietgames en andere online werelden óók kunnen zijn: een toevluchthaven voor eenieder die zich in ‘de echte wereld’ eenzaam of onthecht voelt, simpelweg gelijkgestemden zoekt of – het klinkt gekker dan het blijkt te zijn – een al dan niet stiekeme liefde voor Engelse literatuur koestert. Aan iemands avatar is alleen nauwelijks af te lezen wie je voor je hebt: iemand die een Shakespeare-personage wil citeren of een ander die erop uit is om je kop eraf te blazen?
Het is dus niet meer dan logisch dat Sam en Mark elkaar na zo’n ontmoeting even een checkvraagje stellen: ‘he’s not gonna kill us, is he?’
Een leven lang heeft hij gecreëerd en verzameld. Van zijn huis een zeer persoonlijk museum gemaakt. En dan, als de gebreken van de oude dag komen, moet de hele boel ontmanteld worden en hij afscheid nemen van wie ie was. Voor ‘homo universalis’ Felix de Rooy vormt een herseninfarct de aanleiding om afstand te doen van de kunstwerken en objecten in z’n huis te Amsterdam. Black Archives ontfermt zich bijvoorbeeld over zijn Negrophilia-collectie. En het Stedelijk Museum organiseert in 2023 een speciale tentoonstelling: Felix de Rooy – Apocalypse.
‘Felix is voor ons een soort van supervoorbeeld’, vertelt hoofd onderzoek Charl Landvreugd van het Stedelijk in Nomade In Niemandsland (57 min.). Als zwarte filmmaker, beeldend kunstenaar en theatermaker zette De Rooy – geboren op Curaçao en via Mexico, Suriname en New York in Nederland beland – volgens hem in de afgelopen vijftig jaar onderwerpen op de kaart waar ons land eigenlijk helemaal niet klaar voor was en die nu, gezien bijvoorbeeld de Black Lives Matter-protesten en de aandacht voor de vaderlandse slavernijgeschiedenis, actueler zijn dan ooit.
Deze weelderige documentaire van Hester Jonkhout valt direct met de deur in huis met een danssequentie van Justin Brown, waarbij een pronte, door acteur Steven Hooi ingesproken voice-over klinkt: ‘Als erfgenaam van het koloniaal orgasme, als buitenechtelijke bastaard geschrapt uit het Europese testament ontsnap ik aan de gevangenis van genetische en historische identiteit’, stelt De Rooy daarin. ‘Gevlucht naar het mythische land van ‘la rasse mélange’, het niemandsland van het vuilnisbakkenras. Het dolende ras, geboren uit conflict en confrontatie.’
Met hulp van intimi zoals zijn zus Marguerite de Rooy, psychiater Glenn Helberg, producent Barbara Martijn, actrice Helen Kamperveen, kunstenaar Floris Guntelaar, ontwerper René Wissink, theatermaker Maarten van Hinte, cameraman Ernest Dickerson en De Rooys voormalige (film)partner Norman de Palm exploreert Jonkhout vervolgens het gehele terrein dat haar hoofdpersoon in zijn werk heeft bestreken. In de tentoonstelling Wit Over Zwart boog hij zich bijvoorbeeld al in 1989 over zwarte stereotypen in (strip)boeken, speelgoed en reclame.
Mensen zoals hij – zwart, queer en dwars – hebben nu eenmaal een breder perspectief dan vertegenwoordigers van de witte Nederlandse monocultuur en kunnen andermans eurocentrische gedachten omkeren, is de gedachte. Zo maakte De Rooy eens een schilderij van een zwarte Jezus, met een enorme erectie en een regenboog erachter. ‘Zo queer als maar zijn kan’, constateert Charl Landvreugd van het Stedelijk Museum daarover. En een treffend voorbeeld van waarom witte opiniemakers in de afgelopen halve eeuw soms een tandje bij moesten zetten om De Rooy te kunnen bijbenen.
Dit kleurrijke portret, op smaak gebracht met een smeuïge soundtrack, doet de Caribische kunstenaar, die op het Nederlands Film Festival van 2024 nog werd geëerd met het Gouden Kalf voor de Filmcultuur, meer dan recht. Als een essentiële wegbereider voor een nieuw Nederland en inclusieve kunst.
Ze studeren sociologie, geschiedenis, social work of organisatiewetenschappen. En los van elkaar – en toch samen – zorgen ze daarnaast voor Michel, die in zijn laatste levensfase is aanbeland. Gewone studenten met een bijbaan dus, géén zorgprofessionals. En Michel is de Vlaamse acteur Michel van Dousselaere, die in 2014 werd gediagnosticeerd met een zeldzame vorm van progressieve afasie.
Over die aandoening maakte zijn geliefde Irma Wijsman in 2018, samen met Patrick Minks, al eerder een film: Michel – Acteur Verliest De Woorden. In deze persoonlijke documentaire is te zien hoe Van Dousselaere, geholpen door een souffleur, een rol speelt in de theatervoorstelling Borgen en zelfs nog een monoloog kan houden. Zolang een ander maar voor de woorden zorgt. Tegelijkertijd reconstrueert Wijsman met collega’s de carrière van de karakteracteur en laat ze de camera toe op hun meest kwetsbare momenten samen.
In Michel En De Handen Op Zijn Huid (56 min.) geeft ze ‘Does’ een soort leven na de dood. Samen met de vier studenten die hem tijdens zijn laatste jaren intensief hebben verzorgd – en tussendoor ook gewoon lol maakten met de aan hen toevertrouwde man, die ook zonder woorden kon communiceren wie hij was en wat hij waardeerde – maakt ze twee jaar na zijn overlijden een reis naar het Noord-Spanje. Op een bergtop wil zij zijn as uitstrooien. Onderweg praat het gezelschap over de periode die achter hen ligt en toont Wijsman tevens hoogtepunten uit Van Dousselaeres carrière.
Zij fungeert zelf als verteller tijdens die trip – al is er ook nog een enigszins larmoyante voice-over van ‘Michel’ zelf, geschreven door Elvis Peeters en op zalvende toon ingesproken door de Belgische acteur Dirk van Dijck. Wijsman praat tijdens de autorit, de pittige bergwandeling in Spanje en het nachtje kamperen nabij de top met de studenten over hoe ‘t is om op jonge leeftijd een zorgtaak op je te nemen. Met eigen ogen hebben zij kunnen waarnemen hoe iemand op z’n allerkwetsbaarste momenten toch z’n persoonlijkheid en menszijn behoudt.
Zo bezien is deze persoonlijke roadmovie, waarin ‘t er soms alleen wel erg dik bovenop ligt, een onverholen pleidooi voor menselijke zorg. Zorg op maat, zoals Irma Wijsman dit zelf noemt. Want die is natuurlijk goed voor de patiënt, maar zeker ook niet slecht voor de zorgverlener.
Vanuit de 21e eeuw richt Mark Cousins zich in deze videobrief uit 2018 tot een icoon van de vorige eeuw. Beste Orson Welles, begint de Britse cinefiel aan zijn exploratie van het leven van één van de meest uitgesproken Amerikaanse kunstenaars van de afgelopen honderd jaar: acteur, regisseur, theatermaker, radiostem en metershoog personage Orson Welles (1915-1985). Cousins verbale hinkstapsprong door het leven en oeuvre van de gigant zal een kleine twee uur later eindigen met een nederig ‘dank je.’
In de tussentijd probeert hij aan de hand van een doos met schetsen, tekeningen, karikaturen, schilderijen en kerstkaarten van zijn held door The Eyes Of Orson Welles (110 min.) te kijken naar een wereld die tot de verbeelding blijft spreken. Op zoek naar ‘s mans thematiek en beeldtaal zwerft hij ook langs Welles’ films, theaterstukken en radiowerk, op zoek naar grote verhalen en kleine details. Zo komt hij verdacht dicht bij de essentie van zijn even briljante als pompeuze held, die zijn tijd vaak vooruit leek.
En Orson Welles zou Orson Welles niet zijn – of toch Mark Cousins, of diens stroman Jack Klaff? – als hij zijn adept niet rechtstreeks van repliek zou dienen. Beste Mark, begint de man zelf, een kwartier voor tijd, met die imposante stem. ‘Spreek over me zoals ik ben. Niets verzachten.’ Daarna laat hij een korte stilte vallen. ‘Dus de wereld is gewoon blijven draaien na mijn dood, wie had dat nu kunnen bedenken?’ En daarover praat Cousins, die tevens afspreekt met Welles’ dochter Beatrice, hem dan weer bij.
Over een New York zonder Twin Towers bijvoorbeeld. Of ‘mobiele’ telefoons, die niet alleen woorden maar ook beelden kunnen verzenden. Zodat je er Citizen Kane op kunt kijken, kunt luisteren naar The War Of The Worlds of kunt chatten over die geest uit lang vervlogen tijden, Orson Welles.
Haar oude vriendschappen zijn verwaterd en nieuwe lijken nauwelijks te beklijven. Actrice en theatermaakster Anne van der Steen is begin dertig en vraagt zich af wie ze op haar verjaardag moet uitnodigen. De oorzaken voor die haperende vriendschappen lopen uiteen. De één heeft inmiddels kinderen en dus een andere belevingswereld, een ander zit eigenlijk al vol en niet te wachten op nieuwe verplichtingen. Feit is: Anne (32) Zoekt Vrienden (30 min.). Maar hoe doe je dat eigenlijk: een goede vriend zijn?
Anne gaat in deze speelse korte docu te rade bij enkele vriendenkoppels. ‘Vriendschap kun je niet kopen’, stellen twee gezworen vismaatjes. ‘Dat kun je niet dwingen.’ Je moet uitkijken voor te veel kieskeurigheid, waarschuwt een vrouwelijk messenwerpersduo. ‘Niet te veel eisen hebben.’ En twee vriendinnen met een gezamenlijke camper adviseren haar om vooral niet te veel haar best doen. ‘Jij ben een heel grappig en leuk iemand’, houden ze Anne voor. ‘Daar hoef je volgens mij niet zo aan te twijfelen. En dan ga je er zelf ook veel meer lol in hebben.’
Tijd om de koe bij de horens te vatten: op vriendschapsdate met een andere jonge vrouw. Samen paardrijden of een taartje gaan eten. Of alleen op stap, dat kan natuurlijk ook. Vrouwen ontmoet ze dan alleen niet en bij de mannen leidt zo’n avondje al snel tot drinken en geflirt. Met een losse, tragikomische voice-over praat Van der Steen alle verwikkelingen en haar eigen gedachten daarbij aan elkaar. De theatermaakster en actrice in haar zijn nooit ver weg – al lijken de emoties die sommige gesprekken en ontmoetingen oproepen wel degelijk oprecht.
Het is natuurlijk een construct, deze film. Alles lijkt van tevoren uitgedacht. Toch zit dat de docu niet in de weg. Die heeft een aanstekelijk feelgood-karakter. Met een melancholieke ondertoon. Waardoor ie toch ook wel raakt. Anne (32) snijdt losjes, zonder dit verder onder het vergrootglas te leggen, ook een wezenlijk thema aan: het feit dat veel mensen er tegenwoordig alleen voorstaan. Verbinding is niet meer zo vanzelfsprekend als het ooit was. Zeker als je een andere afslag neemt – of de geijkte afslag gewoon mist – dan de mensen in je directe omgeving.
Het kan tot een gevoel van eenzaamheid leiden. Onthechtheid. Onzekerheid ook. Angst om niet in de smaak te vallen. En hoe gemakkelijk ‘t ook klinkt, realiseert Anne zich in deze fijne kleine film, daarvoor is uiteindelijk maar één remedie: de stoute schoenen aantrekken. Uitnodigingen versturen, de taart alvast aansnijden en er samen met anderen toch maar een feestje van proberen te maken.
Het Draaksteken in het Limburgse dorp Beesel. Typisch een onderwerp voor documentairemaker Hans Heijnen, zou je zeggen. Geluif In ’t Goeje (93 min.), de film over ‘het grootste openlucht-theaterspektakel van Nederland’ dat elke zeven jaar wordt opgevoerd in het plaatselijke kasteel Nieuwenbroek, is evenwel een productie van Suzanne Raes (Dicht Bij Vermeer, De Dijk – Hou Me Vast en Where Dragons Live). Heijnen heeft twee jaar geleden overigens een vergelijkbare docu gemaakt over een Limburgse openluchtvoorstelling, De Passiespelen: Het Kruis Van Tegelen.
Raes start haar film twee jaar voor de uitvoering van het Draaksteken in 2023. Frans Pollux heeft een script geschreven, waarin ’t ditmaal de koning zelf is die de draak heeft gecreëerd – als een metafoor voor de verleidingskracht van de macht. Diverse dorpelingen hopen kans te maken op een hoofdrol en studeren thuis hun tekst in. Tijdens audities bepaalt het driemanschap Theo Geraets, Huub Geerlings en Frank Rous, dat gezamenlijk de regie voert over de groots opgezette voorstelling, vervolgens wie voor welke rol in aanmerking komt in deze epische strijd tussen goed en kwaad.
Dit is een delicate taak, met de nodige gevoeligheden. Kan prinses Aja bijvoorbeeld ook eens gespeeld worden door een wat oudere actrice? vraagt Victorine Mégard zich af. Of kiezen ze toch weer gewoon voor het mooiste meisje van het stel? Verder heeft René Beurskens eigenlijk een stoere rol voor zichzelf in gedachten. De regisseurs vinden alleen niet dat hij die in zich heeft. Beurskens is volgens hen meer geschikt voor een ‘komische noot’. Met alle respect voor René, constateert Geerlings over zijn dorpsgenoot. Hij heeft nu eenmaal de trekjes van hoe hij geaard is.
Elders in het dorp wordt er gebouwd aan een draak. In totaal zijn zo’n achthonderd vrijwilligers betrokken bij de theatervoorstelling, op een gemeenschap van in totaal 2500 zielen die verder al een tijdje te kampen heeft met krimp. Ontmoetingsplekken zoals de buurtwinkel, pinautomaat en trouwzaal zijn inmiddels verdwenen en de plaatselijke bakker is nog maar drie dagen per week open. Een activiteit zoals het Draaksteken zorgt voor sociale cohesie. Iedereen waakt er dan wel voor dat de verhoudingen goed blijven. Want, zoals één van de acteurs opmerkt, ze moeten straks samen verder.
Terwijl het gewone leven in Beesel ook gewoon doorgaat – een huwelijk, sterfgeval en zwangerschap bijvoorbeeld – krijgt die voorstelling steeds meer vorm en schildert Raes en passant het dorp dat daarmee elke zeven jaar boven zichzelf uitstijgt. Via een uitgelezen verzameling personages, die een inkijkje geven in hun dagelijks leven en in dialect hun verhaal doen, toont ze een gemeenschap, waarin mensen nog echt samen proberen te leven – al gaat dat ook in Beesel niet altijd van harte of vanzelf. De draak geeft hen nochtans de kans om, zelf en met anderen, eens goed in de spiegel te kijken.
Geluif In ’t Goeje ziet er ondertussen fraai uit, wordt zeer vaardig verteld en is vermoedelijk ook nét iets scherper dan Hans Heijnen ‘t zou hebben aangepakt. Nét iets minder van binnenuit verteld, nét iets meer met de blik van een buitenstaander. Nét iets minder chauvinisme en nostalgie ook en nét iets meer oog voor de bekrompenheid en het ongemak. Zónder overigens dat dit, op de hobbelige weg naar een slechte generale en hopelijk een ‘goeje’ finale, op een ongemakkelijke manier de overhand krijgt of het Draaksteken zelf in de weg gaat zitten.
Voor cinefielen is het waarschijnlijk een appeltje-eitje: wie speelde in slechts vijf speelfilms, die wel stuk voor stuk werden genomineerd voor de Oscar voor beste film? John Cazale, natuurlijk. In slechts zeven jaar nam de man prachtige bijrollen in The Godfather I en II, The Conversation, Dog Day Afternoon en The Deer Hunter voor zijn rekening. En toen begon plotseling, véél te vroeg, de aftiteling te lopen.
De Amerikaanse acteur stierf op 13 maart 1978, op slechts 42-jarige leeftijd, aan de gevolgen van longkanker, maar zou via zijn gedenkwaardige filmpersonages – Fredo Corleone, de schlemielige oudere broer van Al Pacino’s Godfather, in het bijzonder – gewoon blijven voortleven. Zijn getormenteerde gelaat, priemende ogen en wijkende haarlijn hadden zich allang in het collectieve bewustzijn geëtst.
In I Knew It Was You: Rediscovering John Cazale (40 min.) uit 2009 probeert Richard Shepard vat te krijgen op de jong overleden karakteracteur, die zelf nooit een Oscar in de wacht zou slepen. De titel van deze krachtige korte documentaire refereert overigens aan een klassieke scène uit de tweede Godfather-film, als maffiabaas Michael Corleone z’n broer Fredo op de mond kust en te verstaan geeft dat hij weet dat die hem wilde laten vermoorden. ‘Je brak mijn hart.’
Vóórdat hij in de jaren zeventig in Hollywood naam maakte als ultieme loser, zenuwpees en/of linkmiegel had John Cazale zich al in de kijker gespeeld in het theater. Hij zou bijvoorbeeld in tien stukken spelen van de toneelschrijver Israel Horovitz, die nog altijd zweert bij ‘s mans intensiteit en tragiek. Verder steken collega’s zoals Al Pacino, Robert De Niro, Gene Hackman, Philip Seymour Hoffman en Steve Buscemi, aan de hand van concrete filmfragmenten, de loftrompet over hun begenadigde vakbroeder.
Nadat John Cazale heeft gefloreerd onder de hoede van de filmmakers Francis Ford Coppola en Sidney Lumet, die ook allebei hun steentje bijdragen aan deze ode, kan hij nog ternauwernood een bijdrage leveren aan Michael Cimino’s The Deer Hunter (1978). Cazale is dan al ernstig ziek en dreigt zelfs uit de cast verwijderd te worden, uit angst dat hij tijdens de opnames alsnog de pijp aan Maarten moet geven. Hoofdrolspeler Robert de Niro stelt zich daarom garant voor de verzekeringspremie.
Cazale, van wie geen interviews bewaard lijken te zijn gebleven, weet dan al dat het einde nadert. Tussen de opnames wordt hij verzorgd door zijn geliefde, de actrice Meryl Streep, op wie hij halsoverkop verliefd raakte toen ze samen in het theaterstuk Measure For Measure speelden. Zij zal hem – uiterst liefdevol, volgens Al Pacino en Cazales broer Steve – naar een veel te vroege dood begeleiden. John Cazale sterft voordat The Deer Hunter, een film die uiteindelijk vijf Oscars zal grijpen, is afgerond.
Sindsdien leeft hij voort als één van de meest karakteristieke gezichten van een tijd, waarin eigengereide filmmakers de macht grepen in Hollywood en hij samen met de grootste acteurs van zijn generatie kon gloriëren.
Twee mannen in een auto, op weg naar Normandië. Pratend over kunst, David Hockney in het bijzonder. Regisseur, schrijver en acteur Gerard Jan Rijnders en schilder Pieter Athmer zijn op weg naar Athmers grote held Hockney.
Enige tijd geleden besloot hij de Britse kunstenaar ook al op te zoeken en hem een persoonlijk schilderij te overhandigen. Toen Hockney niet thuis bleek te zijn, heeft Pieter Athmer dat letterlijk over de schutting getild en op diens terrein achtergelaten. Als hij ’t niks vond, schreef de Nederlander erbij, mocht hij het kunstwerk in ‘een speciale cadeauverbrandingsoven’ doen. Die toenaderingspoging is niet verkeerd gevallen.
En dus zijn Athmer en Rijnders, inmiddels bijna dertig jaar bevriend, nu opnieuw onderweg naar Frankrijk. Onderweg zijn ze permanent in gesprek met elkaar. Over de levende legende Hockney, zijn unieke perspectief, baanbrekende werk en opvallende ontdekkingen en hun eigen verhouding daartoe. Hockney: I Love View (70 min.) is de weerslag daarvan: een gesprek op niveau tussen twee heren, vastgelegd met camera’s vanuit de auto.
Het duurt even voordat Rijnders daarbij meer wordt dan geïnteresseerde toehoorder bij de bespiegelingen van zijn vriend. Halverwege, nét voor ze een poging gaan wagen om een, jawel, cadeauverbrandingsoven af te leveren bij David Hockney, zet deze door henzelf geregisseerde documentaire een stap terug in de tijd, naar hun gezamenlijke theaterverleden bij Toneelgroep Amsterdam, waarmee Rijnders furore maakte als artistiek leider.
Zo wordt hun onderlinge relatie, en de rol van Gerard Jan Rijnders daarbinnen, verder uitgediept en nadert deze sympathieke roadmovie, die teven dienst doet als ode aan één van de belangrijkste hedendaagse kunstenaars, zijn onvermijdelijke apotheose: hoeveel perspectief heeft dit spontane plan van twee volwassen jongens en hun hondje Fien? En kan David Hockney hun geste dan waarderen – als hij zijn deur al voor hen opendoet?
De wegen van Tennessee Williams (1911-1983) en Truman Capote (1924-1984) bleven elkaar een leven lang kruisen. Zij behoorden tot de belangrijkste Amerikaanse schrijvers van hun tijd en waren ook ruim veertig jaar bevriend met elkaar. De twee leerden elkaar kennen toen Truman zestien was. Tennessee liep toen al tegen de dertig. Binnen enkele jaren zouden ze allebei doorbreken met hun debuut: het toneelstuk The Glass Menagerie (Williams, 1944) en de roman Other Voices, Other Rooms (Capote, 1948).
In de navolgende jaren zouden ze uitgroeien tot chroniqueurs van hun tijd en wereld. Tennessee deed dat veelal met theaterstukken. Die werden vaak ook verfilmd, zoals A Streetcar Named Desire, Cat On A Hot Tin Roof en Baby Doll. En Truman Capote, een graag geziene societyfiguur, manifesteerde zich nadrukkelijk met de novelle Breakfast At Tiffany’s en leverde daarna een huiveringwekkende true crime-klassieker af, In Cold Blood, een boek waaraan hij volgens eigen zeggen bijna kapot ging.
In het dubbelportret Truman & Tennessee: An Intimate Conversation (85 min.) laat regisseur Lisa Immordino Vreeland de twee auteurs zichzelf én elkaar kenschetsen. Zo had Williams volgens zijn vriend een onstuitbare drang om te schrijven, terwijl die zich weer verbaasde over Capotes oneindige zucht naar roem. De filmmaakster gebruikt voor zulke inkijkjes zowel interviews met de New Yorkse schrijvers als hun geschriften, die ze door de acteurs Jim Parsons (Capote) en Zachary Quinto (Williams) heeft laten inspreken.
Immordino Vreeland zet daarnaast fragmenten uit speelfilms, gebaseerd op hun boeken en theaterstukken, in om hun levenswandel en oeuvre te illustreren en maakt slim gebruik van de veelvuldige bezoekjes van de twee sterauteurs aan de talkshows van David Frost en Dick Cavett. Wat ze daar te berde brengen over bijvoorbeeld de liefde, bekendheid, drankzucht, kritiek en – natuurlijk! – het schrijven zelf snijdt ze slim tegen elkaar weg. Om de overeenkomsten en verschillen tussen hen te benadrukken.
De twee mannen, allebei min of meer openlijk homoseksueel in een tijd waarin dat bepaald nog geen vanzelfsprekendheid was, leren gaandeweg ook de keerzijde van hun faam kennen. Op uitbundige lof volgt soms keiharde kritiek. Van middelpunt van de belangstelling kun je ook zomaar de risee van een gezelschap worden. Deze zorgvuldig gemaakte film toont vervolgens ook de neergang van de twee ooit zo gevierde schrijvers en werkt zo toe naar het tamelijk roemloze einde dat hen allebei ten deel viel.
Marian Markelo en Boris van Berkum / Zeppers / NTR
Wie mag wat maken? vraagt Karin Junger zich af in Free Space (65 min.), de film die ze in samenwerking met schrijver Stephan Sanders heeft gemaakt over de verlegenheid daarover bij veel hedendaagse kunstenaars. Wie bepaalt dat? Op grond waarvan? En hoe ga je om met de kritiek dat je je op het terrein van een ander hebt begeven?
Toen Junger als witte vrouw enkele jaren geleden een documentaire maakte over haar eigen donkere kinderen en hun vrienden (Ik Alleen In De Klas, 2020), kreeg zij volgens eigen zeggen het verwijt dat ze haar ‘white privilege’ misbruikte. Het was niet aan haar om dat verhaal te vertellen. ‘En ik voelde me ineens de vijand’, vertelt ze in een voice-over, bij de start van deze persoonlijke film, die actuele thema’s zoals identiteit, representatie, cancelen, stereotypen en culturele toe-eigening onderzoekt.
Dat blijkt overigens een stuk lastiger dan gedacht. Veel kunstenaars en kenners die Junger benadert zien af van een bijdrage of haken in een later stadium alsnog af. Bang om hun vingers te branden aan een onderwerp, waarbij de emoties hoog kunnen oplopen. Zangeres Anne-Faye Kops, kind van een zwarte moeder en een witte vader, maakte bijvoorbeeld een theaterconcert over haar gemengde afkomst. Die kwam haar, vanwege haar witte voorkomen, op veel kritiek te staan.
Dit roept de vraag op van wie verhalen zijn. Ligt het ‘ownership’ bij de groepen waarover ze gaan? Wie bepaalt wie bij de groep hoort? En mogen leden van een andere groep zich dan niet over zulke verhalen buigen? Bij zijn voorstelling De Gendermonologen heeft theatermaker Raymi Sambo criticasters bijvoorbeeld duidelijk moeten maken dat hij geen voorstellingen maakt óver mensen, maar mét en vanuit hen. Schrijver Ted van Lieshout ervaart dergelijke discussies als ‘verlammend’.
In de samenwerking tussen de Surinaamse wintipriesteres Marian Markelo en de witte Nederlander Boris van Berkum komen twee werelden samen. Ze maken een soort Delftsblauwe wintikunst. Samen willen ze over de bestaande grenzen heen kijken. Want ‘die kunnen ons beperken in het voortbrengen van mooie dingen’, stelt Marian ferm. Als we blijven uitgaan van oprechte interesse in de ander en verbinding met elkaar, ontstaat er waardevol erfgoed dat echt van ons allen is.
Toch is het onvermijdelijk dat verschillende visies over wat van wie is en wat daarbij mag soms flink botsen. ‘If you are cis, straight and white’, schreef kunstenares Angel-Rose Oedit Doebé bijvoorbeeld op een spiegel, ‘this ain’t for you.’ Het werk riep een venijnige reactie op van haar collega Floyd, die zich wilde afzetten tegen ‘woke-populisme’. Deze venijnige clash resulteert in het enerverendste deel van deze film – al roept de afhandeling ervan vragen op. Want wat vindt Angel-Rose van Floyds respons?
Behoedzaam tast Karin Junger in Free Space het werkterrein van hedendaagse kunstenaars af, dat soms verdacht veel op een mijnenveld lijkt. Als laatste sluit ze aan bij Stephan Sanders, die in gesprek gaat met de ‘zwarte’ Amerikaanse schrijver Thomas Chatterton Williams. Hij schrijft in het boek Self-Portrait In Black And White: Unlearning Race (2019) dat hij niet meer wil meedoen aan ‘het Amerikaanse huidspel’. Het antiracistische discours schiet volgens hem z’n doel voorbij.
Jungers conclusie, in deze boeiende en actuele film, lijkt in het verlengde daarvan te liggen: uiteindelijk hebben al die verschillende mensen meer gemeen met elkaar dan dat ze van elkaar verschillen, stelt ze. Bovendien weten ze zelf echt wel wat goed voor hen is.
Als tijdens de eerste #metoo-golf in het najaar van 2017 allerlei machtige mannen uit de entertainmentwereld worden beschuldigd van seksueel misbruik, stapt ook de acteur Anthony Rapp naar voren om te getuigen over grensoverschrijdend gedrag van Kevin Spacey. Die kiest direct de vlucht naar voren. Hij biedt omzichtig zijn excuses aan voor ‘ernstig ongepast dronken gedrag’ én komt uit de kast, waar hij z’n carrièrelang in is blijven zitten. ‘This story has encouraged me to address other things about my life’, schrijft de tweevoudige Oscarwinnaar. ‘I choose now to live as a gay man.’
Het lijkt een afleidingsmanoeuvre, die de befaamde Amerikaanse acteur op veel kritiek komt te staan, ook vanuit de LHBTIQ+-beweging. Spaceys eerste reactie wordt al snel gevolgd door andere bizarre acties én door andere mannen die hem beschuldigingen van ongewenste intimiteiten. Bij de start van de documentaire Spacey Unmasked (105 min.) heeft de acteur op dat gebied net een belangrijke aanval afgeslagen. In de zomer van 2023 wordt hij door de rechtbank in Londen vrijgesproken van seksueel misbruik van vier mannen in de periode van 2001 tot en met 2013.
In deze tweedelige film van Ben Steele komen echter opnieuw tien mannen aan het woord met beschuldigingen aan zijn adres. Zij waren niet betrokken bij de rechtszaak en doen nu bijna allemaal voor het eerst hun verhaal. Hun verklaringen beslaan in totaal vijf decennia: van Spaceys schooljaren en ‘s mans veelgeprezen rollen in de Hollywood-hits Seven, The Usual Suspects en American Beauty tot z’n periode als artistiek leider van het Londense theater The Old Vic en signatuurrol als de rücksichtslose politicus Frank Underwood in de serie House Of Cards (2013-2017).
Bij de opnames voor die serie was het regelmatig ‘dansen met de Duivel’, aldus Daniel, die vier jaar lang een bijrol had als lid van Underwoods beveiligingsteam. Net als veel lotgenoten liet hij zich Spaceys toenaderingspogingen eerst welgevallen, in de hoop dat die hem nieuwe kansen in zijn carrière zouden bieden. Toen duidelijk werd waar de gevierde acteur werkelijk op uit was, bleek het vaak al te laat. Kevin Spacey opereerde volgens zijn slachtoffers koud, emotieloos, boos zelfs. Alsof hij zelf, ondanks die onbedwingbare seksdrive, ook geen raad wist met zijn geaardheid.
Die dubbelheid zit ook in de manier waarop de mannen hem omschrijven. De één vergelijkt hem met de slang Kaa uit Jungle Boek, een ander omschrijft hem juist als ‘iemand die om hulp schreeuwt’. Uit hun herinneringen – die lijken op zo’n beetje alle andere #metoo-verhalen, al gaat het ditmaal om een man die andere mannen zou hebben overweldigd – spreekt ook een opvallende achteloosheid. Het roofdier besluipt zijn prooien op een feestje, tussen twee scènes door of gewoon en plein public en heeft ze vaak al te pakken genomen voor ze ‘t goed en wel doorhebben.
Spacey Unmaskeds voornaamste troef is echter zijn oudere broer Randy, die een ontluisterend beeld schetst van het gezin waaruit de steracteur stamt. Hun vader was een Holocaust-ontkenner en kon, natuurlijk, ook zijn handen niet thuishouden. Het zou niet meer dan logisch zijn als Kevin Spacey, toen overigens nog Kevin Fowler genaamd, beschadigd uit die omgeving is gekomen – al geeft hem dat natuurlijk zeker niet het recht om over andermans grenzen heen te gaan. Zelf ontkent hij overigens alle aantijgingen, via een officieel statement aan het eind van de beide afleveringen.
Sommige anekdotes zijn echter zo bizar en onsmakelijk – Spacey die in de bioscoop spontaan begint te masturberen bij de gruwelijke openingsscène van de oorlogsfilm Saving Private Ryan bijvoorbeeld – dat het nauwelijks is voor te stellen dat iemand die uit z’n duim heeft gezogen. Ook in dit geval geldt echter: ‘truth’ zou natuurlijk vreemder kunnen zijn dan ‘fiction’.
‘Steve, mag ik je één vraag stellen?’ smeekt sterreporter Dennis Pennis, een vilein typetje van de Britse acteur Paul Kaye dat in het leven is geroepen om op de rode loper Hollywood-sterren te beledigen, aan de Amerikaanse komiek Steve Martin. Na enig aarzelen stemt die in. De vraag is dodelijk: ‘Hoe komt ’t dat je niet meer grappig bent?’
De pijnlijke scène is exemplarisch geworden voor de verwording van Steve Martin in de jaren negentig tot een zouteloze entertainer en laat in de documentaire STEVE! (martin) – A Documentary In 2 Pieces (191 min.) tot halverwege het tweede deel op zich wachten. Met de filmflop Mixed Nuts (1996) is zijn carrière dan helemaal vastgelopen. Als ook zijn huwelijk strandt, lijkt een gigantische midlifecrisis niet meer af te wenden.
Dit tweeluik van regisseur Morgan Neville, die met documentaires als 20 Feet From Stardom, Won’t You Be My Neighbor? en They’ll Love Me When I’m Dead alle uithoeken van de entertainmentwereld al eens heeft onderzocht, is dan bijna tweeënhalf uur onderweg. Then, de opwindende eerste film, heeft zich volledig gericht op de eerste twintig jaar van Martins carrière, waarin hij probeert door te breken als stand-upcomedian.
Dit heeft nogal wat voeten in de aarde. Martins act als ‘arrogante idioot’ lijkt lang te dwars voor een groot publiek. Pas als hij door de televisie wordt ontdekt en een plek bemachtigt bij het populaire programma Saturday Night Live is er geen houden meer aan. De ‘goofy’ Martin wordt de succesvolste Amerikaanse comedian aller tijden, een man die met flauwe, bizarre en hilarische toeren het halve land de slappe lach bezorgt.
Die eerste fase van ‘s mans loopbaan wordt door Neville buitengewoon zwierig opgetekend met prachtig archiefmateriaal, dat ruimte krijgt om te ademen en tegelijkertijd zo opwindend is gemonteerd dat de gekte van Martins act opnieuw voelbaar wordt. De man zelf en mensen uit zijn directe omgeving geven daarbij, volledig buiten beeld, tekst en uitleg. ‘Ik garandeer je: ik heb geen talent’, zegt Martin bijvoorbeeld stellig. ‘Géén!’
Als hij eind jaren zeventig, na heel veel vallen en nog meer opstaan, desondanks op eenzame hoogte belandt, besluit Steve Martin het roer om te gooien. ‘De act is in essentie een concept’, constateert hij aan het einde van STEVE!’s eerste deel. ‘En toen ik dat concept eenmaal door had, viel er eigenlijk niets meer te ontwikkelen. Ik had mijn eigen doodlopende straat gecreëerd.’ Hij besluit de afslag richting Hollywood te nemen.
Docu 2, Now, slaat direct een geheel andere toon aan: in de openingsscène maakt de hoofdpersoon rustig een ontbijtje in zijn keuken. Hij laat zich vervolgens uitgebreid interviewen over zijn leven en loopbaan, observeren tijdens z’n dagelijks leven en filmen tijdens een brainstormsessie met zijn beste vriend en collega Martin Short, waarin de twee luchtig (bijna-)grappen uitwisselen. Het is een totaal andere film – en een totaal andere Steve Martin.
Doelbewust gemaakt ook met een andere editor, componist en vormgever, stelt Neville in dit interessante interview. Collega’s als Tina Fey, Eric Idle, Diane Keaton, Jerry Seinfeld en Lorne Michaels komen bovendien aan het woord in dit tweede STEVE!-deel. Net als Martin zus Melinda Dobbs en tweede echtgenote Anne Stringfield. Zij helpen mee om de achterkant in beeld te krijgen van een man, die zichzelf altijd graag buiten beeld houdt.
Die persoonlijke onderlaag helpt Now overeind. Want in eerste instantie voelt de docu als een koude douche na de enerverende eerste film. Het tweede deel zorgt wel voor verdieping. Over het liefdeloze WASP-gezin waarin Martin opgroeide bijvoorbeeld. Dat verleden blijft hem achtervolgen. Nadat hij Steve’s succesfilm The Jerk (1979) heeft gezien, zegt zijn vader bijvoorbeeld helemaal niets. Op de vraag wat ie ervan vindt, antwoordt hij: ‘Nou, tis geen Charlie Chaplin.’
Gezamenlijk vormen de twee delen, de doldwaze achtbaan en de enigszins bedaagde reflectie daarna, een compleet portret van een eigenzinnige kunstenaar, die sinds zijn midlifecrisis z’n vleugels heeft uitgeslagen richting theater, muziek, literatuur en cartoons, op z’n oude dag toch weer is gaan standuppen en zowaar nog gelukkig is geworden ook – al blijft ‘toen’ voor de buitenwacht toch echt nog wel een stukje leuker dan ‘nu’.
Kunstenaars zoals zij zijn verhalenvertellers, vertelt Tinkebell bij herhaling in dit psychologische portret dat Judith de Leeuw van haar maakte. En dat is heel verantwoordelijk werk, beweert ze eveneens meerdere malen. Zij stelt dat ze daarmee de wereld wil redden, ook nét iets te vaak. Zoals iedereen zichzelf wel eens heeft horen praten en dan denkt: daar ga ik weer! Altijd dezelfde riedel. Bijna woordelijk hetzelfde als de vorige keer en de keer daarvoor. Het is een idee dat De Leeuw ten volle uitnut in deze collageachtige film over een kunstenaar die haar leven omvormt tot een verhaal.
‘Deze filmmaker en haar team hebben in de afgelopen drie jaar al het bewegende beeld dat ooit van mij is gemaakt verzameld en bekeken’, schrijft Katinka Simonse, alias Tinkebell, daarover in 2022 in een column voor het Parool. ‘Ze haalden mijn oude computers leeg, telefoons, oude video 8-tapes, televisiemateriaal en alles wat vrienden en familie van mij hebben. Ik geloof dat Judith de Leeuw daardoor inmiddels meer van mij weet dan ikzelf.’ En dat laatste heeft ze even daarvoor in Tinkebell. – Who Killed The Blue Bird? (70 min.) in min of meer dezelfde bewoordingen ook al eens beweerd.
Die film wordt daardoor nooit een routineus portret van de omstreden kunstenaar, die er voor heeft gezorgd dat ze uit duizenden herkenbaar is (met kleurrijke kleding en opvallende brillen), van zich deed spreken met een bizar kunstwerk (een handtas, gemaakt van haar eigen kat) en een sleutelrol speelde in de #metoo-kwestie rond een bekende politicus (waarover ze in een zoomcall nog stoom afblaast tegenover de filmmaakster). Al deze verhaalelementen komen wel degelijk langs in deze docu, maar niet netjes geordend. Eerder als willekeurig op tafel gedropte puzzelstukjes. Zoek ’t maar uit.
En dan is er nog het jeugdtrauma, dat alles zou kunnen hebben aangevuurd, maar voor hetzelfde geld ook gewoon een verhaal is waarmee Tinkebell de wereld wil redden – en waarmee zij, en vrijwel dezelfde woorden natuurlijk, ook op het podium belandt. Dat schuurt, irriteert en fascineert. En doet helemaal niet en toch ook weer wel denken aan De Leeuws knarsende film Ruut Weissman – De Hoofdpersoon (2020), waarin de theaterregisseur probeert te dealen met #metoo-beschuldigingen. Ook het levende kunstwerk Tinkebell is een hoofdpersonage ‘you hate to love’ (of precies andersom).
Waar Katinka Simonse continu een verhaal maakt van haar werk en leven – en daarbij steeds weer in verhaallijnen belandt, die ze zelf ook nauwelijks de baas lijkt te kunnen – zoomt Judith de Leeuw in op de persoon achter de woordenvloed. Zonder die het vuur aan de schenen te leggen of juist al te zeer mee te gaan in haar gedachtenspinsels. Een typisch voorbeeld van: show don’t tell – dat doet de hoofdpersoon zelf wel. De kijker mag en kan dan zelf bepalen wie ie wil zien: de kunstenaar, activiste, boze vrouw, verhalenverteller, hysterica, dromer of aandachtsjunk. Of allemaal tegelijk.z
‘Eigenlijk is documentaire ook gewoon veel meer fictie dan je denkt, hè?’, zegt Vincent Boy Kars tegen zijn vriendin Eva. ‘No offense naar docu verder, maar het is eigenlijk gewoon een fucking manipulatief medium. Je zit gewoon naar een gemanipuleerde werkelijkheid te kijken. Hoe echt is dat? Of hoor deze dan: fictie is de leugen waarmee de waarheid wordt verteld. Sicke quote, toch?’ De twee lopen, in zwart-wit, over een grasveld en komen dan bij een glijbaan. ‘Attentie voor opname’, roept hij voordat zij ervan mag afglijden. ‘Drie-twee-een. Actie!’
Het is duidelijk: Vincent tast in zijn nieuwe film Future Me (98 min.) opnieuw de grenzen tussen de realiteit en de film af. Alhoewel, Vincent? De glijbaanscène wordt gespeeld door Martijn Lakemeier, een acteur die hij zichzelf als rol heeft toebedeeld. En de actrice Damaris de Jong vertolkt zijn vriendin Eva. Ook met dat concept speelt Kars echter weer. In een romantische scène over de ontmoeting met zijn vriendin Eva (die hem complimenteert met Drama Girl (2020), de tweede film van zijn coming of age-trilogie) speelt Vincent wel degelijk zichzelf. Met Damaris, dat wel. En naderhand gaat hij daar dan weer over in gesprek met de echte Eva, die er een beetje verontwaardigd over is.
Dat laveren tussen fictie en non-fictie – eerder ook al te zien in de eerste film van zijn trilogie, Independent Boy (2017) – is inmiddels het handelsmerk geworden van Vincent Boy Kars. Dit slotstuk van het drieluik heeft niet voor niets als ondertitel: in fiction I dare to be real. Daarbij moet hij ook nog, als de één of andere acteur, accepteren dat een andere regisseur, Peter de Baan van De Vloer Op, hem weer aanstuurt als hij zichzelf acteert in situaties die zijn gebeurd – of hadden kunnen gebeuren. De film wordt daardoor één grote mindfuck, waarmee hij de waarheid probeert te liegen. Voortdurend schakelend tussen zwart-wit en kleur en flink aangezet met een dikke synth-soundtrack.
Future Me, dat ook nog is doorsneden met scènes van Kars met een therapeut, is zonder twijfel zijn meest persoonlijke productie. Een egofilm en daar weer een commentaar op, een meta-egofilm – of zoiets. Over zijn overleden vader, gespeeld door acteur Leopold Witte, en zijn relatie met Eva, meestal gespeeld door Damaris de Jong, en altijd bezig zijn met een film. Over Vincent, dat vooral. Doelbewust zoekt hij als maker/subject het niemandsland op tussen zelfreflectie en zelfbevlekking, tussen kritisch kijken en navelstaren en tussen dodelijke ernst en al even dodelijke scherts. Een typische Millennial-film, zou je kunnen zeggen. Intrigerend en cringe tegelijk.
Sadettin Kirmiziyüz maakt solovoorstellingen over zijn eigen familie. De Turks-Nederlandse theatermaker houdt hen zo een spiegel voor – en zij uiteindelijk ook aan hem. De documentaire Thuis Bij De Familie K. (48 min.) van Mijke de Jong maakt dat proces ook voor buitenstaanders inzichtelijk. Familieleden reageren op de voorstelling waarin zij zelf worden geportretteerd. En dat krijgt Sadettin dan weer te zien (zodat wij, als kijkers, kunnen zien hoe hij daar weer op reageert).
Zo komt de relatie met zijn stoere oudere broer Süleyman aan de orde via de voorstelling What’s Happenin’ Brother?, de reis met zijn vader Mehmet naar Mekka in De Vader, De Zoon En Het Heilige Feest en de soms lastige verhouding tot zijn zus Sare, die als meisje een hoofddoek ging dragen, in somedaymyprincewill.com. Met een precies gevoel voor waar het wringt schetst Kirmiziyüz het leven van een migrantenkind, dat gevangen zit tussen verschillende tradities, religies en culturen.
Over Turkenmoppen bijvoorbeeld. Süleyman kan het bijna niet aanzien als Sadettin op het podium allerlei bedenkelijke grappen afvuurt. ‘Komt een Turk met een kikker op zijn hoofd bij de dokter’, begint zijn jongere broer bijvoorbeeld. ‘Zegt die dokter: kan ik u ergens mee helpen? Zegt die kikker: ja, ik heb een tumor onder mijn reet.’ In de zaal probeert iedereen zijn lach in te houden. Dat wordt nóg lastiger bij het spervuur dat nog volgt. ‘Heftig’, knikt Süleyman. ‘Daar had je mee te maken, hè?’
In de voorstelling Avondland belicht Sadettin Kirmiziyüz daarnaast een reis naar Turkije met zijn moeder. Yeter Gümüs komt niet naar de voorstellingen van haar zoon omdat ze die niet begrijpt. Ze spreekt na 45 jaar nog altijd nauwelijks Nederlands, constateert hij toch wat teleurgesteld. Moeder zegt ook dat ze er geen idee van had dat Sadettin een voorstelling over hun reis heeft gemaakt. Hij gelooft dat dan weer niet: ze was toentertijd nog boos omdat hij grappen maakte over haar gesnurk.
De verschillende voorstellingen en de reacties daarop van Kirmiziyüz en zijn verwanten versmelten zo met elkaar tot een metaverhaal over immigrantengezinnen, waarvan ieder op z’n eigen manier maar een plek moet zien te vinden in Nederland – of toch weer in Turkije. In dat proces lijken ze zich allemaal wel eens eenzaam, en teleurgesteld in de anderen, te hebben gevoeld. En dat is meteen het thema van de nieuwe voorstelling, waar Sadettin Kirmiziyüz in deze film naartoe werkt: Monumentaal.
Kan hij daarmee het schuldgevoel van een migrantenkind definitief van zich af schudden?
‘Laten we het samen doen’, zegt Augusto lachend tegen zijn vrouw, tijdens een lunch in een restaurant. ‘Want als ik ‘t alleen ga proberen met mijn Alzheimer, maak ik er een rotzooi van. Ik herinner me helemaal niets meer en zet mezelf voor schut.’ Pauli kijkt hem liefdevol aan. ‘We zijn drie jaar geleden getrouwd, maar het mooie is dat we elkaar al 23 jaar kennen. Dus we zijn pas getrouwd toen we elkaar al twintig jaar kenden.’
Ontspannen proberen ze vervolgens samen hun allereerste date te reconstrueren. Gaandeweg ontwaakt daarbij Augusto’s geheugen en kan hij meteen verwoorden wat zij voor hem betekent. Pauli krijgt zo wat ze wil. Zij is in deze hartverwarmende film van regisseur Maite Alberdi voortdurend in de weer om Augusto’s brein, verleden en hun late liefde levend te houden.
En dat gebeurt in La Memoria Infinita (Engelse titel: The Eternal Memory, 85 min.) in een ontspannen setting die doet denken aan Alberdi’s eerdere films The Grown-Ups (2016) en The Mole Agent (2020). Het leven zoals de Chileense filmmaakster ‘t presenteert in haar films is zeker niet vrij van pijn of verdriet, maar behoudt wel te allen tijde een optimistische grondtoon.
In zijn vorige leven, dat koste wat het kost behouden moet blijven, was Augusto Gongóra televisiejournalist. Hij maakte ’t tot zijn persoonlijke missie om de misdaden tegen de menselijkheid van het regime van dictator Augusto Pinochet te documenteren, zodat die in het collectieve geheugen konden worden opgeslagen. Pauli Urrutia was ooit minister van cultuur in Chili en is nog altijd actrice.
Terwijl ze zorgt voor haar man – en dat zeer intiem vastlegt met een camera – speelt Pauli ook nog gewoon in voorstellingen. In een fraaie scène laat Alberdi zien hoe ze met haar gezelschap een groots opgezette dansscène repeteert. Augusto doet gewoon lekker mee. Zo gemakkelijk, idyllisch bijna, laat de dementie zich echter niet vangen. Die krijgt haar echtgenoot steeds meer in z’n greep.
‘Het is belangrijk dat je me niet vergeet’, houdt Pauli hem, op een wanhopig ogenblik later in de film, huilend voor. ‘Want ik ben altijd bij je.’ En met al wie hij nog is probeert haar echtgenoot, die soms nauwelijks meer weet wie die vrouw in zijn huis is, haar te troosten. Hij voert ook hele gesprekken met zijn beste vriend: de oudere heer die hem vanuit de spiegel bekijkt.
Met impressies van zijn werk als journalist en televisiemaker en familievideo’s van hun gezamenlijke verleden roept Maite Alberdi tevens de man op die hij ooit was en het stel dat ze nog steeds proberen te zijn. Dat is pijnlijk, maar werkt ook vertroostend. Hoewel hij tegenwoordig een schim is van de charmante en onverschrokken journalist in beeld, heeft hun liefde ogenschijnlijk weinig aan kracht ingeboet.
Dat is tenminste de boodschap van deze ontroerende, met lekker weemoedige muziek aangeklede film, die zowel qua toon als inhoud aansluit bij persoonlijke dementiefilms zoals Liefsteling, Dick Johnson Is Dead en Wei. Intussen houdt Maite Alberdi de totale ontluistering nadrukkelijk buiten de deur.
Tegelijkertijd zingen en acteren is, volgens de introtekst van Paul Cohens observerende film Lokaal 205 (54 min.), ‘als voetballend een wiskundesom oplossen’. Het zijn twee totaal verschillende vaardigheden die door musicalacteurs desondanks feilloos moeten worden gecombineerd. Bij de Fontys Hogeschool voor de Kunsten in Tilburg leert regisseur en oud-acteur Marc Krone studenten de fijne kneepjes van het veeleisende musicalvak. Hij is begonnen aan zijn laatste jaar als docent.
Cohen kijkt mee als Krone zijn pupillen ten overstaan van medestudenten laat zingen. Daar staan ze dan, teruggeworpen op zichzelf. Op dat veelal lege podium, slechts in de rug gedekt door een zwart gordijn. En hij kijkt, breekt in en corrigeert – ook fysiek – zodat ze het personage en liefst ook zichzelf écht leren kennen. Met het loswoelen van wat er in hen verscholen zit, stoomt Marc Krone de jonge mensen klaar voor wat het vak van hen vraagt, maar maakt hij ze, in het hier en nu, ook broos en bevattelijk.
Lokaal 205, ook wel de Marc Kronezaal gedubd, is voor menigeen al het voorportaal naar een internationale musical-carrière gebleken. Op die plek speelt tachtig procent van deze documentaire zich dan ook af. Dat is wel wat veel van het goede. Hoewel de aanstormende talenten zich op hun kwetsbaarst tonen en hun docent duidelijk in zijn element is, beginnen al die intensieve coachsessies, vervat in lange, observerende scènes, voor een buitenstaander toch al snel op elkaar te lijken.
Tussendoor blikt Krone terug op zijn eigen opleiding als acteur bij de Amerikaanse theatergoeroe Stella Adler en krijgt Floortje van den Akker, een leerling die hij voor de camera echt diep in haar eigen ziel laat kijken, de gelegenheid om te reflecteren op wat hij bij haar losmaakt en hoe haar dat als musicalster in spe verder helpt. Voor studenten zoals Floortje belichaamt Krone waarschijnlijk de ideale docent: een strenge leermeester, vakidioot, inspirator, komiek en, jawel, ouderfiguur.
Na bijna een uur performen, waarin de docent vanwege de aanhoudende #metoo-discussie in de buitenwereld ook zijn eigen positie nog eens bespreekbaar heeft gemaakt in de groep, werpen ze samen een blik op de namen van hun voorgangers, die in de Marc Kronezaal op het juiste spoor zijn geholpen en nu in de halve wereld op het toneel staan. Dat zou ook hun voorland kunnen zijn. Waar ze, ieder op z’n eigen manier, een balletje gaan trappen en intussen ook nog een wiskundesom oplossen.
Kijken ze alleen? Of spelen ze ook een beetje? Om wat ze zien, en wat wij als kijkers alleen krijgen te horen, onschadelijk te maken? Als de camera zich op hun gezicht vastzet, terwijl ze kijken naar een seksscène die ze ooit hebben gespeeld, doorlopen enkele bekende Nederlandse acteurs in deze documentaire van Tamar van den Dop elk zo hun eigen gevoelens: gêne, tevredenheid, ontroering, lol óf verdriet.
‘Ik snap gewoon niet zo goed waarom dit zo lang in beeld moet’, zegt Nora El Koussour bijvoorbeeld ontdaan als ze een scène van zichzelf terugziet in Mag Ik Je Aanraken? (73 min.). Ze vindt het tafereel confronterend, vernederend zelfs. ‘Het is door gaan sijpelen in mijn eigen leven. Daarna is gewoon het respect weg voor mij.’ Na de opname kreeg zij een bos bloemen, haar tegenspeler bleef met lege handen achter.
Het blijft sowieso fascinerend: dat kijken naar kijken – en ondertussen niet zien wat zij zien. De jonge acteurs Joes Brauers en Lina Heijmans lezen bijvoorbeeld eerst hardop het script van wat ‘een onstuimige vrijpartij’ moet worden voor en aanschouwen daarna los van elkaar de daaruit voortgevloeide scène. Het is een intiem kijkspel, ook voor degene die er niet direct bij betrokken is, het zelfs niet eens zelf kan waarnemen.
Van den Dop, zelf ook actief als actrice, regisseuse en scenarioschrijfster, bevraagt in deze interviewfilm verder collega’s zoals Monic Hendrickx, Gijs Naber, Hannah Hoekstra, Jeroen Spitzenberger en Georgina Verbaan, terwijl ze op de filmset een zendermicrofoon krijgen opgespeld of worden gepoederd. Over de do’s en don’ts van seksscènes – en daarmee ook de verander(en)de seksuele moraal.
‘Doe maar (gewoon)’, kregen ze regelmatig van filmregisseurs te horen. En ook: ‘kan het wat geiler?’ Ze mochten – en wilden/durfden/konden – meestal vooral niet te moeilijk doen. En Van den Dop vraagt door: is het ook wel eens gewoon fijn? Raak je soms opgewonden? Hoe vertel je familie dat je een homorol gaat spelen? Mogen je kinderen deze scène zien? En: sta je eigenlijk op pornosites? En wat vind je daar dan van?
Als het gaat om seks zijn de tijden, zeker sinds #metoo, flink veranderd. ‘Ik ben wel kritischer gaan kijken: is het wel nodig?’ vertelt Rifka Lodeizen, die regelmatig functioneel naakt was te zien, bijvoorbeeld tegen haar visagiste, die van Waldemar Torenstra al te horen heeft gekregen dat hij soms in contracten laat vastleggen dat ie zijn kleren niet meer uittrekt. Een beetje film heeft tegenwoordig ook een intimiteitscoördinator.
Als kinderen van de vrijheid blijheid van de jaren zestig en zeventig moeten de routiniers Peter Faber en Jeroen Krabbé weinig hebben van zulke ontwikkelingen, die je onder de noemer ‘nieuwe preutsheid’ kunt categoriseren. ‘Het is alsof Queen Victoria weer terug is’, verzucht Krabbé. Tegelijkertijd blijkt, na enig doorvragen, dat hij vroeger zelf ook de nodige slechte ervaringen heeft opgedaan tijdens filmopnamen.
Van de andere kant: zorgt de huidige terughoudendheid er misschien ook voor dat seksualiteit nu wordt overgelaten aan reclame en porno? En wat betekent dat dan weer? Zo waadt Mag Ik Je Aanraken? dapper en delicaat, zonder ook maar een ogenblik navelstaarderig te worden, door het moeras rond seksualiteit op het scherm. En als de schijn niet bedriegt, wordt dat voorlopig niet meer zo vanzelfsprekend als in het verleden.
Hoe ’t dan wel moet of mag, blijft een kwestie van interpretatie en gevoel. Net als in het echt.