A Glitch In The Matrix

Deze film kan zomaar zijn ontsproten aan het brein van sciencefiction-schrijver Philip K. Dick, de man die ons onvergetelijke dystopische werelden voorschotelde in Blade Runner, Minority Report en Total Recall. Sterker: in zekere zin is dat ook zo. Het startpunt is in elk geval een speech die Dick voor een Frans publiek gaf in 1977. Over zijn ‘preoccupatie voor pluriforme pseudo-werelden’.

Kern van deze film is – denk ik, maar dat is niet mijn meest in het oog springende kwaliteit – de hypothese dat de werkelijkheid waarin we denken te leven in realiteit ook wel eens een groots opgezette simulatie kunnen zijn. Dat klinkt als de clou van een baanbrekende sciencefiction-klassieker van dik twintig jaar geleden. En dat klopt: deze documentaire heet niet voor niets A Glitch In The Matrix (108 min.).

De zinsbegoochelende film van Rodney Ascher refereert ook aan dat gevoel wat je als kind kunt hebben – ik tenminste wel, en mijn voorstellingsvermogen is nooit héél erg groot geweest – dat de wereld alleen bestaat als en op het moment dat jij erin participeert. Zodra je iets de rug toekeert, verdwijnt ‘t. Om pas weer tot leven te komen, als jij besluit om je toch nog een keer om te draaien.

Deze docu, die ik voor het gemak ga opzadelen met de term ‘mindfuck’ – want al te veel fantasie is mij ook nooit gegeven – is niet voor niets vormgegeven als een soort mixture van een videogame, virtual reality en het dark web, waarin originele gedachtenexercities, filosofische bespiegelingen en baldadige luchtfietserij samenkomen in een wereld die wel eens geheel verzonnen zou kunnen zijn. Of niet.

Natuurlijk is de film gelardeerd met filmscènes, animaties en games, wordt de voice-over verzorgd door een computerstem en is het geheel dichtgesmeerd met plastic synthmuziek. Alle ‘mensen’ die aan het woord komen zijn bovendien getransformeerd in geanimeerde personages die zo weggelopen zouden kunnen zijn uit/naar – daar wil ik even vanaf zijn, anders loopt mijn brein er weer op vast – een sci-fi horrorfilm van hooguit B-garnituur.

A Glitch In The Matrix heeft een paranoïde feel en werpt elementaire vragen op over realiteit, psychische gezondheid en moraliteit. Probeer ze alleen maar eens te vangen. Het kostte mij – mijn geest heeft inmiddels de draaicirkel van een aftandse tractor – net zoveel moeite als kandidaten van de Ted Show, die willekeurig uit het plafond vallende staven te pakken moesten krijgen; je hebt net zo vaak prijs als dat je lucht vangt.

En met dat gevoel moet je als eenvoudige kijker – als je het vaak doet, word je er niet per definitie ook beter in – maar zien te dealen. Een oplossing zou kunnen zijn: snel proberen te vergeten. Of: je er helemaal in verliezen, zoals veelkijkers van The Matrix en Inception gebeurt. Dan kan de realiteit alleen óók een dystopie worden. Zoals het relaas van Joshua Cooke aantoont, de naargeestige apotheose van deze ontregelende film.

Philip K. Dick had het niet beter kunnen verzinnen, zou ik zeggen – als ik om woorden verlegen zou zitten. En als hij dat ook niet gewoon heeft gedaan.

De Boontjes

Copper View

Het is een personage dat we al uit talloze films en documentaires kennen: de oude rot, ooit zelf op het slechte pad, die zich nu bekommert om verweesde jongeren die ook de verkeerde afslag dreigen te nemen. Met een aai over de bol, grofgebekte reprimandes en oprechte betrokkenheid probeert hij ze de juiste kant op te sturen en te behoeden voor de fouten die hij zelf ooit maakte. Lukt dat niet goedschiks, dan moet het maar kwaadschiks.

We kennen het type van verschillende situaties: de boksschool, het jongerenwerk en de verslavingskliniek. En nu ook van de Rotterdamse koffiezaak Heilige Boontjes. Daar zwaait Rodney van den Hengel de scepter: doorleefde kop, gemillimeterd haar en ringen in beide oren. Een man die weet wat er te koop is in de wereld. Een man ook met zijn eigen verhaal. ‘Ik denk niet dat mijn vader me ooit heeft gevraagd: jongen, hoe voel je je?’ vertelt hij bijvoorbeeld, zonder ook maar een ogenblik sentimenteel te worden.

In De Boontjes (25 min.) richt documentairemaker Anne van Helvoort zich op Rodneys omgang met de 23-jarige Mitchel, die bij de koffiezaak een frisse start probeert te maken. Terwijl we zien hoe deze ‘goeie jongen’ zich moet zien te handhaven in dat nieuwe (werk)leven, vertelt zijn begeleider over zijn eigen achtergrond. De implicatie is duidelijk: Mitchel is een soort jongere versie van Rodney. Goeie jongens in wezen, maar nogal lomp op de wereld gesmeten. Zonder al te veel bagage. Bij een kruispunt namen ze daarna al snel de verkeerde afslag.

Deze korte documentaire brengt hun levens mooi samen. De meester en zijn gezel. Waarbij het de vraag is of Mitchel uiteindelijk voor Heilige Boontjes kiest, of toch voor de straat. Dat zorgt voor zowel frictie als verbroedering. ‘Doe rustig aan, neem je tijd en eet ook wat’, zegt Rodney bijvoorbeeld vaderlijk als zijn pupil zich niet lekker voelt. Om er meteen aan toe te voegen: ‘Je stinkt uit je muil als een rotte kip, geloof me.’ In zulke directe interactie tussen man en jongen, soms ook gewoon in de vorm van een enkele blik of ‘bear hug’, zit de kracht van dit dubbelportret, dat verder netjes binnen de lijntjes van het genre kleurt.

De Sneijder-tapes

Jeffrey (l) en Wesley (r) Sneijder / NOS

Ooit zaten er drie Sneijdertjes in de jeugdopleiding van Ajax. Wie van de drie Utrechtse broers zou slagen, lag toen nog in de toekomst verscholen. De oudste, Jeffrey, redde het uiteindelijk niet, mede door blessures. De benjamin Rodney zou wél het betaald voetbal halen, maar niet de top. Dat bleek alleen weggelegd voor Wesley Sneijder, die het zelfs schopte tot recordinternational van Oranje. Hij – en niet Jeffrey of Rodney – is ook de hoofdpersoon van een door Kees Jansma geschreven biografie, genaamd Sneijder.

In 2012 trok Kees Jongkind naar Milaan, waar de spelmaker toentertijd de sterren van de hemel speelde voor Inter. Hij had een aardige verrassing voor Sneijder: beelden uit de tijd dat hij als negenjarige jongen in de Ajax-jeugd speelde en materiaal van tien jaar later, toen hij nadrukkelijk aan de deur klopte bij het eerste elftal. Ofwel: De Sneijder-tapes (47 min.), samengesteld uit nooit eerder vertoond ruw materiaal voor een film die Rimko Haanstra en Klaas Vos maakten over de jeugdopleiding van de Amsterdamse voetbalclub (die enkele jaren eerder zeer kritisch was geportretteerd in Roel van Dalens documentaire Ajax: Daar Hoorden Zij Engelen Zingen).

‘Er is een enkele speler uit de jeugd die misschien doorbreekt naar het eerste van Ajax’, zegt vader Barry Sneijder, die zich volledig wegcijferde voor de voetbalopleiding van zijn zoons, tijdens een interview uit 1993. ‘En die enige kun je natuurlijk zijn. Maar je kunt het ook niet zijn. En dat is wat ik ze dan ook wel vertel.’ Dat wordt door Jongkind geïllustreerd met een tamelijk pijnlijke scène uit het televisieprogramma Holland Sport, waarin Jeffrey Sneijder opdraaft als ‘de grote broer van’. Hij kwam uiteindelijk bij Elinkwijk terecht, in plaats van bij Real Madrid. Ooit, in een interview met Haanstra en Vos, zaten ze nog gebroederlijk naast elkaar, als guitige jochies die een droom deelden.

Daarin zit ook de meerwaarde van deze aandoenlijke tv-docu, die de ontwikkeling van de aankomende wereldster Wesley Sneijder en zijn respons daarop in beeld brengt, maar vooral ook laat zien voor hoe weinig talenten daadwerkelijk een topsportcarrière is weggelegd. Van zijn vroegere jeugdteam heeft bijvoorbeeld alleen Johnny Heitinga, volgens Sneijder destijds de absolute nummer één van het elftal, ook de wereldtop gehaald. De rest heeft al die jaren voor niets – of gewoon voor de lol – thuis tegen een bal in een netje staan trappen, zoals de hoofdpersoon als negenjarige voor de camera demonstreert aan zijn latere zelf. Die kijkt goedkeurend toe: zo is hij geworden wie hij nu is.

De Sneijder-tapes is hier te bekijken.

The Legend Of Cocaine Island

Netflix

‘Ken je het verschil tussen een sprookje uit het Noorden van het land en een sprookje hier uit het zuiden?’ vraagt Russell, een goedlachse bewoner van het dorpje Archer in de Amerikaanse staat Florida, bij aanvang van deze kostelijke documentaire. ‘Een noordelijk sprookje begint met: Once upon a time. En een zuidelijk sprookje met: Y’all ain’t gonna believe this shit!’

Voordat Russell daadwerkelijk aan zijn verhaal begint, heeft Theo Love, de maker van The Legend Of Cocaine Island (97 min.), echter nog een disclaimer: ‘We can’t confirm many details of this story.’ Tis maar dat u ’t weet. Waarna Russell nog eens goed op zijn praatstoel gaat zitten en begint te vertellen over zijn buurman Julian: ‘Zijn vrouw runde een schildpaddencentrum in Culebra. Julian liep op het strand op zoek naar schildpadnesten en zo begon het verhaal.’

In de zee bij Puerto Rico heeft de hippie Julian vijftien jaar eerder een tas gevonden, die maar liefst 32 kilo cocaïne bevat. ‘Dus iemand was een hoop geld kwijt.’ Julian weet volgens Russell niet wat hij ermee moet doen. ‘Uiteindelijk zei hij: verrek! Hij begroef het. En daar lag het voor meer dan tien, vijftien jaar.’ Totdat het verhaal dat al tijden rondgaat in Julians nieuwe woonplaats Archer een plaatselijke aannemer bereikt, ene Rodney Hyden.

En die lijkt zo te zijn weggelopen – als ik niet zoveel respect had voor de medemens, zou ik zeggen: weggewaggeld – uit een doldwaze film van Quentin Tarantino of Guy Ritchie. Over kleine kruimelaars die het grote geld ruiken en maar al te graag die verborgen schat willen gaan opgraven – al zijn ze in eerste instantie wel de schop vergeten. Dat klinkt als een karikaturale avonturenfilm en dat is het ook. Een true crime-comedy, met vette humor, kekke muziekjes en kolderieke verhaalwendingen.

En, natuurlijk, talloze larger than life-personages: de nét iets te goedgelovige antiheld Rodney, diens verwende vrouw Jamie, hun schalkse dochter Emily, de plaatselijke ‘stoner kid’ Andy die wel een extra zakcentje kan gebruiken, een kleine naamloze dealer die zich verschuilt achter zijn sjaal met een skelet erop én Carlos, de authentieke Latijns-Amerikaanse drugscrimineel die zo lijkt te zijn weggelopen uit Scarface. Voor een grijpstuiver zijn ze voor zowat alles te porren.

The Legend Of Cocaine Island is zo’n beetje de antithese van de gemiddelde documentaire, waarin een zwaarwegende maatschappelijke kwestie tot achter de komma wordt uitgediept. In deze baldadige film verbindt Theo – zou ’t een artiestennaam zijn? – Love op onnavolgbare wijze humor en elementen uit documentaire en speelfilm met elkaar. Het eindresultaat, waarin de hoofdpersonen met zichtbaar plezier hun eigen lotgevallen naspelen, fladdert vrolijk op en neer tussen waarheid, herinnering en broodje aap en hapt verdacht lekker weg.

LA 92


Het verleden is een proloog voor het heden, luidt de tagline van de documentaire LA 92 (114 min.) uit 2017. Als je de woede van de huidige Black Lives Matter-beweging over politiegeweld tegen Afro-Amerikanen wilt begrijpen, dien je naar het verleden te kijken. Naar slavernij natuurlijk, de strijd van de burgerrechtenbeweging én de rassenrellen aan het begin van de jaren negentig.

Deze film van Daniel Lindsay en T.J. Martin, het team dat met Undefeated een Oscar won, richt zich op de grootschalige rellen die in 1992 ontstonden in Los Angeles, nadat de politieagenten die de zwarte taxichauffeur Rodney King in elkaar sloegen werden vrijgesproken door een vrijwel volledig blanke jury. Terwijl er toch echt een filmpje was van die mishandeling.

Het was de druppel die de emmer deed overlopen voor de zwarte gemeenschap van LA, die eerder ook al had moeten aanzien hoe de eigenaresse van een winkel een onschuldige zwarte tiener doodschoot (voor ‘een fles sinaasappelsap’) en er vervolgens zonder gevangenisstraf vanaf kwam. Los Angeles werd het toneel voor een onvervalste burgeroorlog.

Die wordt in LA 92 met louter archiefmateriaal, ondersteund door meeslepende muziek, opnieuw tot leven gebracht. Als kijker beleef je ‘live’ mee hoe de crisis steeds verder escaleert. Na bijna twee uur resteert een tot op het bot verscheurde stad, die compleet in de hens is gezet.

De rellen zouden uiteindelijk uitmonden in een nieuwe crisis: de rechtszaak tegen OJ Simpson, die tot vreugde van het zwarte deel van Los Angeles eindigde met een zeer omstreden vrijspraak. Over die kwestie verscheen in 2016 de geweldige documentaireserie OJ: Made In America, die enkele maanden geleden de Oscar voor beste documentaire in de wacht sleepte. Daarmee vergeleken is dit krachtige LA 92 inderdaad niet meer dan een (sterke) proloog.