This Film Is Not Yet Rated

IFC Uncut

Geweld is doorgaans geen enkel probleem, maar zodra het riekt naar seksualiteit – in het bijzonder de vrouwelijke beleving daarvan, of erger nog: homoseksualiteit – komt de Amerikaanse filmkeuringsorganisatie Motion Picture Association of America van Jack Valenti direct in actie. Dat mag alleen geen (zelf)censuur genoemd worden.

Valenti’s MPAA wil ook niet bekend maken wie er betrokken zijn bij de keuring van een bepaalde film. En de commissieleden zwijgen zelf doorgaans, onder druk van de organisatie, ook als het graf. Documentairemaker Kirby Dick huurt voor deze docu uit 2006 dus enkele privédetectives in om te ontdekken wie er betrokken zijn bij de ‘rating’ van films.

Zij brengen de censuur, die is vermomd als zelfregulering door de industrie zelf, in de praktijk. Bingham Ray van de filmproductiemaatschappij October Films maakt van zijn hart geen moordkuil in This Film Is Not Yet Rated (98 min.). ‘Volgens mij is het een fascistisch systeem’, zegt hij fel. Even later gevolgd door: ‘Wij hebben die lui maar te pleasen!’

Dick plaatst MPAA in de historie van Hollywood, dat gedurig te maken kreeg met politieke bemoeienis, op het hoogtepunt van de Koude Oorlog zelf zwarte lijsten aanlegde en sinds enige tijd in de ban is van een nieuwe preutsheid. Een film die de grenzen opzoekt krijgt daardoor al snel de beoordeling NC-17 en kan daarna alleen door achttienplussers worden bekeken.

Hij laat tevens filmmakers zoals Kimberly Peirce (Boys Don’t Cry), John Waters (A Dirty Shame), Mary Harron (American Psycho) en Atom Egoyan (Where The Truth Lies) aan het woord over hoe zij omgingen met de wensenlijst van Valenti’s club. Ze hadden in wezen geen keuze. Een film niet aanpassen betekent doorgaans het publiek ervoor serieus beperken.

‘Wij hebben doelbewust materiaal laten zitten dat we helemaal niet nodig hadden voor de scène’, vertelt South Park-bedenker Matt Stone over hoe ze een uitzinnige seksscène in de animatiefilm Team America er toch doorheen probeerden te krijgen. ‘Zodat ze wat hadden om eruit te knippen en het gevoel kregen dat zij ook hun plasje erover hadden kunnen doen.’

Kirby Dick laat intussen met allerlei hitsige, enge en hilarische erotische scènes – zo nu en dan gematcht met expliciete(re) gewelds- en actiescènes – zien hoe de keuringscommissie met twee maten meet. Ook als het alleen om erotiek gaat is de MPAA helder: zolang een man ‘gewoon’ plezier heeft met een vrouw is er niets aan de hand, anders volgen er restricties.

Deze documentaire maakt dat onrecht letterlijk zichtbaar en kan, na de enigszins flauwe zoektocht naar individuele keurders, dan ook maar op één manier eindigen: bij de MPAA. Als de film die nog niet is ingeschaald dan toch zal worden beoordeeld. Problemen verzekerd.

Eddie Murphy: Hollywood’s Black King

Arte

Het is een veelbeproefd procedé, in het bijzonder bij de Frans-Duitse cultuurtelevisiezender Arte: neem een bekende Hollywood-ster, trek zijn hele catalogus leeg en verzamel nog wat archiefinterviews en media-optredens. Zoek vervolgens een weg door die enorme berg aan materiaal, vat die in een helder uitgangspunt samen en geef tenslotte een alwetende verteller de opdracht om op basis daarvan koers te zetten door dat materiaal.

Met neme: Eddie Murphy: Hollywood’s Black King (52 min.). Regisseur Antoine Coursat trekt de hele filmografie van de Afro-Amerikaanse komiek en acteur leeg (van 48 Hours en Beverly Hills Cop tot Coming To America en The Nutty Professor), selecteert enkele hoogtepunten uit zijn met emmersvol ‘fucks’, machismo en platte grappen overladen stand-upcomedy optredens, verzamelt promo-interviews en talkshowoptredens en laat dit vervolgens uitserveren door actrice Aline Afanoukoe, vanuit het frame dat Eddie Murphy Hollywood in de jaren tachtig en negentig heeft opengebroken voor Zwart Amerika en daarvoor pas later écht de credits heeft gekregen. Met een beetje pas- en meetwerk is elke bokkensprong van Murphy daarin onder te brengen.

Soms moet Coursat echt een flinke U-bocht maken. ‘Donkey is een komisch spiegelbeeld van Murphy en ze hebben veel gemeen’, laat hij Afanoukoe bijvoorbeeld debiteren tussen oneliners van het Eddie Murphy-personage in de animatiefilmserie Shrek. ‘Hij is praatgraag. Irritant, maar recht voor z’n raap. Hij slaat de spijker op z’n kop en houdt de vaart in het verhaal.’ Ze concludeert: ‘Als rebelse en irritante held van de populairste animatie van de jaren nul was hij zich ervan bewust dat het personage hem overschaduwde.’ Waarna Murphy zelf de gedachte afmaakt in een tv-interview. ‘Ik heb altijd gezegd: als ik nog een keer dood neerval, komt er een foto van die ezel in de krant met: Eddie Murphy is overleden.’

Voor een diepgaand psychologisch portret van een beeldbepalende figuur uit de internationale entertainmentwereld volstaat deze benadering niet, maar als hap-slik-weg carrièreoverzicht van een celebrity, dat bovendien van een serieus maatschappelijk randje is voorzien, heeft Eddie Murphy: Hollywood’s Black King zeker z’n charme.

Trailer Eddie Murphy: Hollywood’s Black King

The Kid Stays In The Picture

USA Films

The Kid Stays In The Picture (94 min.), zou de legendarische filmproducent Darryl Zanuck hebben gezegd. Daarmee was de discussie over Robert Evans definitief beslecht. Eerder hadden schrijver Ernest Hemingway en de acteurs Tyrone Power, Ava Gardner en Eddie Albert nog een brief geschreven aan Zanuck: als Evans de rol van Pedro Romero speelt, wordt onze film The Sun Also Rises een gigantische flop. Alleen co-ster Errol Flynn had zich afzijdig gehouden. Die moest wel lachen om alle drukte.

Het joch blijft in de film, schreeuwde Zanuck dus door een megafoon, toen hij Robert Evans eenmaal aan het werk had gezien als de Spaanse stierenvechter. En iedereen die het daar niet mee eens is, voegde hij eraan toe, kan zelf vertrekken. Robert Evans wist het ondertussen zeker: dit wil ik ook. Vanaf dat moment was zijn acteercarrière ten dode opgeschreven. Een legendarische filmproducent werd daar, op die verdeelde filmset, geboren: Bob Evans (1930-2019), de man achter Hollywood-klassiekers als Rosemary’s Baby, Love Story, The Godfather, Chinatown en Serpico.

Althans, dat is de versie van zijn levensverhaal die Evans opdist in deze typische Hollywood-film van Brett Morgen en Nanette Burstein uit 2002, die weer is gebaseerd op zijn eigen gelijknamige autobiografie. Omdat een leven ook maar gewoon een leven is – en dus niet zomaar een verhaal wordt. Dat maakt de verteller er dus zelf van, met een oneliner van Darryl Zanuck – zou die daadwerkelijk ooit zo zijn uitgesproken? – als inciting incident. Waarna de gelikte vertelling die Evans van zijn eigen lotgevallen heeft gemaakt van start kan.

Via belangrijke plotpoints – ’s mans eerst contract bij Paramount Pictures, zijn Hollywood-huwelijk met Love Story-ster Ali McGraw (die hem uiteindelijk inruilde voor Steve McQueen), z’n partygedrag met elke keer een andere schone aan zijn arm, de onvermijdelijke megaflop (The Cotton Club) en het ontslag bij Paramount dat uiteindelijk het logische gevolg was – op weg naar een klassiek point of no return, geïllustreerd met klassieke scènes uit zijn eigen films, als hij in de jaren tachtig werkeloos, berooid en depressief zijn leven en loopbaan lijkt te moeten eindigen.

Hollywood zou echter Hollywood niet zijn – en Evans niet Evans – als er niet toch nog een happy end in het verschiet lag in dit vermakelijke, als een klassieke Hollywood-film opgebouwde en aangeklede portret van een man die als geen ander de gouden jaren van de Amerikaanse filmindustrie representeert.

Jij Ziet, Jij Ziet Wat Ik Niet Zie

NTR

‘Sodeju!’, roept Robbert Welles uit als zijn jongere broer Martijn, die op het punt staat om te gaan afstuderen als filmmaker, voorstelt om samen de wereld die ze als kind creëerden te verfilmen. ‘Natuurlijk!’ kan Robbert zijn enthousiasme nauwelijks beteugelen. ‘Natuurlijk, Martijn!’ Robbert ziet ’t al helemaal voor zich: Tales Of Neverland, met ‘Robbert Welles-Posthumus Burke’ in de rol van kapitein en Martijn als zijn beschermer, The Valor.

Enthousiast gaan ze in de korte documentaire Jij Ziet, Jij Ziet Wat Ik Niet Zie (25 min.) samen aan de slag, de aspirant-filmmaker en zijn oudere broer met een beperking. De fantasiewereld van hun jeugd komt nu daadwerkelijk tot leven. Met animaties kan Martijn die al heel aardig visualiseren (en brengt hij tevens, op creatieve wijze, hun hechte band als broers in beeld). En als ze daadwerkelijk met een cast en crew op locatie beginnen te filmen, worden de verhalen die ze al jaren voor hun gezamenlijke geestesoog zien gewoon werkelijkheid.

In zijn enthousiasme belt Robbert zelfs naar de NOS. ‘Hiermee willen we eigenlijk laten zien dat we niet alleen een goed verhaal kunnen vertellen’, zegt hij tegen de telefoniste. ‘Maar dat mensen met een beperking ook kunnen acteren.’ Robberts enthousiasme gaat soms nu eenmaal met hem aan de haal. Dan moet Martijn Welles hem even terug op aarde zetten. Robbert is bijvoorbeeld in de veronderstelling dat ze een heuse speelfilm maken, terwijl zijn jongere broer mikt op een shortfilm van 5 a 7 minuten. Tegelijkertijd wil hij hun gezamenlijke droom in ere houden.

Zo ontspint zich een liefdevolle vertelling over het verwezenlijken van een gezamenlijke droom en intussen het vasthouden aan elkaar en jezelf. Waarbij die film zowel een bestendiging van hun relatie als een afscheid van hun jeugd lijkt te representeren. Want terwijl Robbert ongetwijfeld tot in de eeuwigheid Robbert Welles-Posthumus Burke wil zijn, kan Martijn niet altijd zijn ‘Valor’ blijven – al draait ook hij zijn hand niet om voor een episch zwaardvecht, desnoods in de stromende regen. In de apotheose van deze docu hernieuwen ze zo hun broederschap.

Cameraperson

Janus Films

Ook wanneer je als Cameraperson (102 min.) opereert als de spreekwoordelijke ‘fly on the wall’ en de werkelijkheid alleen maar lijkt te registreren, ben jij degene die bepaalt wat de wereld krijgt te zien. Als cameraman, cinematograaf of pak ‘m beet ‘director of photography’ (DOP) kies je immers de plek, het frame, de achtergrond, het perspectief en de belichting van wat de beurtelings onthullende, meedogenloze of juist verliefde camera vastlegt.

Na 25 jaar ‘schouderen’ of staan achter een statief, waarin ze werkte voor klassieke documentaires zoals Citizenfour (Laura Poitras), Fahrenheit 9/11 (Michael Moore) en This Film Is Not Yet Rated (Kirby Dick), maakt Kirsten Johnson in deze persoonlijke film uit 2016 de balans op. Het zijn de memoires van een cameravrouw die veel van de wereld heeft gezien en laten zien: Nigeria, Jemen, Darfur, Oeganda, Afghanistan, Liberia én Bosnië, waarnaar ze in deze documentaire steeds weer terugkeert. Naar een oorlog, die van geen ophouden wil weten. Johnson laat ook zien hoe ze werkt. Het zoeken naar een shot. Het scherpstellen. En de opmerkingen vanachter de lens, de gesprekjes die daar soms worden gevoerd en de aanwijzingen richting de mensen voor de camera.

Samen met filmmakers, producers, fixers en tolken bezoekt ze plekken des onheils. Het motel waar Servische soldaten zich schuldig maakten aan massaverkrachting. De pickup truck van drie witte racisten, waarachter de zwarte Amerikaan James Byrd Jr. in 1998 met een ketting werd gehangen. Wounded Knee, waar in 1890 honderden Sioux-indianen werden afgeslacht en ook navolgende generaties ‘native Americans’ gewond raakten. Het Tahrir-plein in Cairo waar de Arabische Lente werd neergeslagen. En de Rwandese Nyamata-kerk waar Hutu’s tienduizend leden van de Tutsi-stam om zeep hielpen. En natuurlijk ontbreekt ook het World Trade Center in Johnsons eigen thuisbasis New York niet, het toneel van de terroristische aanslagen van 9/11.

Kirsten Johnson zet haar camera tevens op persoonlijke subjecten: haar kleine kinderen Viva en Felix bijvoorbeeld (terwijl die de dop weer op de lens proberen te krijgen). Haar moeder Catherine Joy Johnson, enkele jaren nadat zij is gediagnosticeerd met Alzheimer. En haar vader Dick, die ze in 2020 nog zal vereeuwigen in de geweldige documentaire Dick Johnson Is Dead. Cameraperson wordt zo tegelijkertijd een intieme terugblik op een enerverend (werk)leven en een boeiende bespiegeling op beeld: wat het is, hoe het wordt verkregen en wat het te weeg kan brengen. Waarbij de camera – dat mag echter geen verrassing heten – nooit liegt.

Lil Nas X: Long Live Montero

HBO

Terwijl binnen, in het Fox Theatre in Detroit, bij de Amerikaanse zanger, rapper en influencer Lil Nas X en zijn entourage de spanning oploopt voor het eerste concert van de Long Live Montero-tour, vormt zich buiten een enorme rij concertgangers. ‘Hij is zo sexy’, zegt een Afro-Amerikaanse jongen met een zwarte cowboyhoed en stralende glimlach over zijn idool. ‘Hij is de eerste mannelijke bekendheid die ik tegelijkertijd wil neuken en wil zijn.’

Sinds hij enkele jaren geleden publiekelijk uit de kast kwam, geldt Lil Nas X (echte naam: Montero Lamarr Hill) als een icoon van de Amerikaanse LHBTIQ+-gemeenschap. Zijn eerste tournee, in het najaar van 2022, wordt dan ook een groots opgezette, buitengewoon extravagante en zeer sexy viering van diversiteit. Vanzelfsprekend was dat niet, volgens de hoofdpersoon. Hij wilde zijn eigen vrouwelijke kant eigenlijk helemaal niet laten zien en ook geen andere homoseksuele mannen op het podium, zegt hij in Lil Nas X: Long Live Montero (95 min.). ‘In eerste instantie wilde ik de acceptabele homo blijven, degene die je zijn geaardheid niet door de strot duwt en het bij zichzelf houdt.’

Nu het toch totaal anders is uitgepakt – to say the least – geniet Nas er ook wel van. Hij is nu bovendien in de gelegenheid om op te trekken met andere zwarte homoseksuele mannen, zoals de dansers die hem terzijde staan in zijn show. Die zouden overigens rechtstreeks afkomstig kunnen zijn uit Madonna’s Blond Ambition Tour (en daarmee ook een hoofdrol krijgen in Madonna: Truth Or Dare en daarop dan weer in terugblikken in Strike A Pose). En wie staat er backstage te wachten op een knuffel en is dan natuurlijk ook niet te beroerd om even met Nas te poseren voor de verzamelde fotografen? Inderdaad: de inmiddels toch wel behoorlijk belegen Queen Of Pop, Madonna.

Tegelijkertijd bekent Lil Nas X – geïnterviewd terwijl hij, heel kwetsbaar, in z’n eigen bed ligt – dat hij soms ook bang is dat hij met zijn ‘coming out’ zijn eerste fan, z’n kleine neefje Chase, van zich heeft vervreemd. De rest van z’n familie is inmiddels helemaal binnenboord, maar moest in eerste instantie wel even schakelen toen hij, net doorgebroken, ervoor uitkwam dat hij gay is. Was het misschien een verleidingstruc van de Duivel? vroeg zijn vader zich bijvoorbeeld af. De suggestie dat hij met Satan in de weer is heeft Nas zelf ook aangewakkerd met de zogenaamde Satan Shoes, een diepzwarte sportschoen met bloedrode letters en een pentagram erop. Die heeft hij samen met Nike uitgebracht.

En dus kan er overal waar hij komt zomaar ineens commotie ontstaan. In Boston wordt zijn show bijvoorbeeld opgewacht door conservatieve demonstranten, die ervan overtuigd zijn dat hij Amerika’s jeugd volledig ten gronde zal richten. Deze wervelende film van Carlos López Estrada en Zac Manuel, waarvan de première op het filmfestival van Toronto vanwege een vermeende bommelding een half uur moest worden uitgesteld, schakelt voortdurend tussen zulke achter de schermen-beelden, concertimpressies en Montero’s levensverhaal en laat ondertussen ook zijn fans aan het woord, voor wie hij een inspiratiebron is. Een toonbeeld van iemand die zichzelf durft te zijn.

Intussen fantaseert Lil Nas X zelf er al weer over hoe hij, voor een nieuw album of de volgende tour, een nieuw iemand kan worden.

STEVE! (martin) – A Documentary In 2 Pieces 

Apple TV+

‘Steve, mag ik je één vraag stellen?’ smeekt sterreporter Dennis Pennis, een vilein typetje van de Britse acteur Paul Kaye dat in het leven is geroepen om op de rode loper Hollywood-sterren te beledigen, aan de Amerikaanse komiek Steve Martin. Na enig aarzelen stemt die in. De vraag is dodelijk: ‘Hoe komt ’t dat je niet meer grappig bent?’

De pijnlijke scène is exemplarisch geworden voor de verwording van Steve Martin in de jaren negentig tot een zouteloze entertainer en laat in de documentaire STEVE! (martin) – A Documentary In 2 Pieces (191 min.) tot halverwege het tweede deel op zich wachten. Met de filmflop Mixed Nuts (1996) is zijn carrière dan helemaal vastgelopen. Als ook zijn huwelijk strandt, lijkt een gigantische midlifecrisis niet meer af te wenden.

Dit tweeluik van regisseur Morgan Neville, die met documentaires als 20 Feet From StardomWon’t You Be My Neighbor? en They’ll Love Me When I’m Dead alle uithoeken van de entertainmentwereld al eens heeft onderzocht, is dan bijna tweeënhalf uur onderweg. Then, de opwindende eerste film, heeft zich volledig gericht op de eerste twintig jaar van Martins carrière, waarin hij probeert door te breken als stand-upcomedian.

Dit heeft nogal wat voeten in de aarde. Martins act als ‘arrogante idioot’ lijkt lang te dwars voor een groot publiek. Pas als hij door de televisie wordt ontdekt en een plek bemachtigt bij het populaire programma Saturday Night Live is er geen houden meer aan. De ‘goofy’ Martin wordt de succesvolste Amerikaanse comedian aller tijden, een man die met flauwe, bizarre en hilarische toeren het halve land de slappe lach bezorgt.

Die eerste fase van ‘s mans loopbaan wordt door Neville buitengewoon zwierig opgetekend met prachtig archiefmateriaal, dat ruimte krijgt om te ademen en tegelijkertijd zo opwindend is gemonteerd dat de gekte van Martins act opnieuw voelbaar wordt. De man zelf en mensen uit zijn directe omgeving geven daarbij, volledig buiten beeld, tekst en uitleg. ‘Ik garandeer je: ik heb geen talent’, zegt Martin bijvoorbeeld stellig. ‘Géén!’

Als hij eind jaren zeventig, na heel veel vallen en nog meer opstaan, desondanks op eenzame hoogte belandt, besluit Steve Martin het roer om te gooien. ‘De act is in essentie een concept’, constateert hij aan het einde van STEVE!’s eerste deel. ‘En toen ik dat concept eenmaal door had, viel er eigenlijk niets meer te ontwikkelen. Ik had mijn eigen doodlopende straat gecreëerd.’ Hij besluit de afslag richting Hollywood te nemen.

Docu 2, Now, slaat direct een geheel andere toon aan: in de openingsscène maakt de hoofdpersoon rustig een ontbijtje in zijn keuken. Hij laat zich vervolgens uitgebreid interviewen over zijn leven en loopbaan, observeren tijdens z’n dagelijks leven en filmen tijdens een brainstormsessie met zijn beste vriend en collega Martin Short, waarin de twee luchtig (bijna-)grappen uitwisselen. Het is een totaal andere film – en een totaal andere Steve Martin.

Doelbewust gemaakt ook met een andere editor, componist en vormgever, stelt Neville in dit interessante interview. Collega’s als Tina Fey, Eric Idle, Diane Keaton, Jerry Seinfeld en Lorne Michaels komen bovendien aan het woord in dit tweede STEVE!-deel. Net als Martin zus Melinda Dobbs en tweede echtgenote Anne Stringfield. Zij helpen mee om de achterkant in beeld te krijgen van een man, die zichzelf altijd graag buiten beeld houdt.

Die persoonlijke onderlaag helpt Now overeind. Want in eerste instantie voelt de docu als een koude douche na de enerverende eerste film. Het tweede deel zorgt wel voor verdieping. Over het liefdeloze WASP-gezin waarin Martin opgroeide bijvoorbeeld. Dat verleden blijft hem achtervolgen. Nadat hij Steve’s succesfilm The Jerk (1979) heeft gezien, zegt zijn vader bijvoorbeeld helemaal niets. Op de vraag wat ie ervan vindt, antwoordt hij: ‘Nou, tis geen Charlie Chaplin.’

Gezamenlijk vormen de twee delen, de doldwaze achtbaan en de enigszins bedaagde reflectie daarna, een compleet portret van een eigenzinnige kunstenaar, die sinds zijn midlifecrisis z’n vleugels heeft uitgeslagen richting theater, muziek, literatuur en cartoons, op z’n oude dag toch weer is gaan standuppen en zowaar nog gelukkig is geworden ook – al blijft ‘toen’ voor de buitenwacht toch echt nog wel een stukje leuker dan ‘nu’.

Viva Varda!

AVROTROS

Aan het eind van een lang en vruchtbaar leven kwam dan eindelijk de algehele erkenning. De Franse filmmaakster Agnès Varda (1928-2019), die zichzelf zonder (valse) bescheidenheid ‘de grootmoeder van de nouvelle vague’ was gaan noemen, werd bedolven onder oeuvreprijzen: een Palme d’Honneur in 2015 en een ere-Oscar in 2017. Ze oogde toen inmiddels als een uitvergrote versie van zichzelf: een excentrieke oma, met twee kleuren klaar en de goesting om zich eens ongegeneerd te laten fêteren.

Viva Varda! (tv-versie: 53 min.) is een viering van de vrouw en de kunstenaar. ‘Een radicale pionier in het maken van beelden in deze tijd’, aldus collega Atom Egoyan. En een onafhankelijk, origineel, veeleisend, rebels en geestig mens, volgens de andere sprekers in deze vlotte docu van Pierre-Henri Gibert, zoals haar dochter Rosalie, zoon Mathieu, assistenten Didier Rouget en Jacques Royer, actrice Sandrine Bonnaire en de regisseurs Audrey Diwan, Marjolaine Grandjean en Patricia Mazuy.

Ze werd geboren in een welgesteld gezin als Arlette Varda, het kind van de directeur van een staalfabriek, De Antwerpse Titaan. Ze had weinig op met haar vader, maar hield uiteindelijk wel een flinke erfenis aan hem over. Daarmee financierde zij, nadat ze haar naam had veranderd in Agnès, haar eerste film La Pointe Courte (1955). Die wordt beschouwd als een voorloper van de nouvelle vague, de Franse filmstroming die cineasten als Claude Chabrol, Jean-Luc Godard en Francois Truffaut voortbracht.

Varda zou uiteindelijk te eigenzinnig blijken voor willekeurig welke kwalificatie. Steeds vond ze zichzelf opnieuw uit in films waarmee ze handig tussen fictie en non-fictie door slalomde – of de beide genres verbond in een hybride-form. ‘In mijn films verzet ik me een beetje tegen het systeem’, zei ze daar zelf over. ‘Ik zit niet in een bus of limousine. Ik ben te voet in de cinema. Misschien omdat het mijn eigen keus is en ik niet meedoe met het sterrensysteem en het spel niet wil meespelen.’

Agnès Varda brak door met een film over een zangeres die wacht op de uitslag van een kankeronderzoek (Cléo de 5 à 7), maakte in de Verenigde Staten films over hippies en Black Panthers, filmde de winkeliers in haar eigen Parijse straat in Daguerréotypes (1975), vroeg het uiterste van actrice Jane Birkin in Jane B. Par Agnès V. (1988) en ontdekte de intimiteit van een kleine digitale camera in het veel gelauwerde Les Glaneurs Et La Glaneuse (2000).

Intussen onderhield ze een moeizame relatie met de filmwereld (‘een familie waarin iedereen elkaar haat’). Agnès Varda hield er daarnaast ook een kleurrijk leven op na, getuige dit vermakelijke, voor haar doen alleen wel tamelijk conventionele portret. Met een grote liefde, regisseur Jacques Demy, die in alles een tegenpool bleek. Het leidde tot een zoon, echtscheiding en verzoening. Jacques was toen al ernstig ziek. Zijn vrouw probeerde hem te vereeuwigen door een film over hem te maken: Jacquot De Nantes (1991).

‘Zolang we filmen, leeft Jacques nog’, zou ze daarover hebben gezegd. En datzelfde uitgangspunt leek ze later ook op zichzelf toe te passen. Tot het allerlaatst bleef de lekker dwarse Française actief. Met het kostelijke Visages Villages ((2017), gemaakt met haar ruim een halve eeuw jongere zielsverwant JR, sleepte ze zelfs nog een Oscar-nominatie in de wacht. En toen het einde zich daadwerkelijk aandiende, hield Agnès Varda – hoe kan het ook anders? – zelf de regie.

Our Nixon

CNN Films

Hoezeer Richard M. Nixon ook beweerde dat ie geen ‘crook’ was, hij ging wel degelijk de geschiedenisboeken in als schurk. De eerste Amerikaanse president die dreigde te worden afgezet en er toen maar zelf de brui aan gaf. Met de staart tussen de benen en twee handen in de lucht, die een volledig misplaatst Victorieteken maakten, stapte hij op 9 augustus 1974 in een helikopter en verliet voorgoed Het Witte Huis. De grootste schandvlek uit de recente Amerikaanse politieke historie. Tenminste, tot de komst van Donald Trump, die zelfs ‘Tricky Dick’ Nixon in de schaduw plaatste.

Ruim veertig jaar lang had hij nauwelijks fans – al nam Trumps ‘dirty trickster’ Roger Stone nog wel een tatoeage van de Republikeinse president (1969-1974) die hij als jongeling diende. De naam Richard Nixon werd vereenzelvigd met een immorele politicus, die stiekem al zijn gesprekken begon op te nemen, tapes waarop hij overkwam als een rancuneuze en vuil gebekte manipulator, en zo zichzelf vernietigde voordat hij het land kon vernietigen. Toch zijn er ook medewerkers van zijn regering, die hem al die tijd door dik en dun zijn blijven steunen. 

Nixons stafchef H.R. ‘Bob’ Haldeman, Nixons rechterhand en ‘son of a bitch’, adviseur binnenlandse zaken John Ehrlichman en speciale assistent Dwight Chapin gingen bijvoorbeeld alle drie naar de gevangenis voor hun rol in het Watergate-schandaal dat ook hun baas de kop kostte. Dat is echter nooit ten koste gegaan van hun loyaliteit aan Richard Nixon. En ze hebben de beelden om dat te bewijzen: ruim 500 banden met zelfgemaakte Super 8-films, die eerst veertig jaar in een kluis lagen en nu het hart vormen van Our Nixon (85 min.).

Hun terugblik op de Nixon-jaren, waarvan regisseur Penny Lane in 2013 een tragedie heeft gemaakt, gunt de kijker zo’n veertig jaar later een blik achter de schermen bij één van de meest turbulente presidentschappen in de Amerikaanse geschiedenis. De documentaire, die tevens audio-opnamen en interviews met de drie Nixonites bevat, begint hoopvol tijdens de inauguratie van hun president in 1969, als de nieuwe Republikeinse regering een conservatieve comeback hoopt te bewerkstelligen en Nixon nog zonder enige twijfel de juiste man voor de job lijkt.

Richard Nixon mag vervolgens als president de eerste man op de maan begroeten, slaat zijn vleugels uit richting China en worstelt intussen met de grootste uitdaging van die jaren: de oorlog in Vietnam. Zelfs als hij de muziekgroep The Ray Conniff Singers in het Witte Huis ontvangt voor een optreden – lekker burgerlijk, aldus de man die graag Amerika’s ‘silent majority’ aansprak – wordt dat nog begeleid door protest. Nixon lijkt zich niettemin senang te voelen in zijn rol en wordt in 1973 dan ook moeiteloos herkozen voor een tweede ambtstermijn als president.

En dan, een half uur voor het eind van deze boeiende archieffilm, valt voor het eerst het woord Watergate en wordt de ondergang van Dick Nixon en de zijnen, in elk geval met een hedendaagse bril op bekeken, volstrekt onvermijdelijk. De leider van de vrije wereld raakt steeds meer in de verdrukking, begint achter elke boom een vijand te zien en ontdoet zich uiteindelijk, om zijn eigen hachje te redden, ook rücksichtslos van de mannen die hem als ‘onze Nixon’ zijn gaan beschouwen.

Not A Pretty Picture

Janus Films

‘Deze film is gebaseerd op enkele incidenten in het leven van de regisseur’, meldt een tekst bij de start van deze klassieke hybride van docu en drama van Martha Coolidge uit 1976. ‘De actrice die Martha speelt is zelf ook verkracht op de middelbare school. Namen en plaatsen zijn veranderd.’ In Not A Pretty Picture (82 min.) zoekt de Amerikaanse filmmaakster doelbewust de pijn op die ze begin jaren zestig als tiener heeft ervaren. Minutieus reconstrueert Coolidge met enkele acteurs de verkrachting die er waarschijnlijk voor heeft gezorgd dat ze nog altijd niet is toegekomen aan een bestendige relatie met een man.

‘Dit komt zo dicht bij wat er is gebeurd dat ik niet meer echt acteer’, bekent Michele Manenti, die de zestienjarige versie van de hoofdrolspeelster vertolkt. Tijdens lang uitgesponnen reconstructiescènes zoeken ze samen doelbewust de grenzen tussen fictie en non-fictie op. Als Michele/Martha opeens vanuit het diepste van haar ziel ‘stop’ roept, is het de vraag wie we horen: de jonge Martha of toch Michele zelf. Haar tegenspeler Jim Carrington zet ondertussen een (bijna té) overtuigende ‘Curly’ neer, de patser die destijds tijdens een dronken avondje uit rücksichtslos over Coolidge’s grenzen is heengegaan.

Als regisseur kijkt Martha Coolidge, gebiologeerd en ontzet, toe hoe enkele meters verderop haar eigen traumatische ervaringen worden gereconstrueerd. Soms stuurt ze die bij. Je moet iets minder aandacht besteden aan de anderen, zegt ze bijvoorbeeld tegen Carrington. ‘En meer aan Martha.’ En zo nu en dan ontstaat er een ongemakkelijk gesprek. Als haar mannelijke acteur bijvoorbeeld, ogenschijnlijk zonder gêne, vertelt dat op zijn middelbare school onaantrekkelijke meisjes die bereid waren om met iemand naar bed te gaan ‘varkens’ werden genoemd. ‘Let’s go down to college and pick up some pigs.’

‘Ik ken veel voorbeelden uit mijn middelbare schooltijd waarbij een vrouw technisch gesproken is verkracht’, zegt Carrington elders. ‘Want ze had zichzelf niet vrijwillig gegeven. Het moet nu eenmaal een gezamenlijk ding zijn. Maar dat betekende niet noodzakelijkerwijs ook kwade opzet bij de man. Dit was simpelweg wat hij wilde hebben op dat moment en alles wat hij daarvoor dan moest doen was oké. Zulke gevallen van verkrachting komen best vaak voor. Begrijp je wat ik bedoel?’ Hij klinkt als een man die de tijdgeest niet aanvoelt en zich weinig gelegen laat liggen aan wat er in vrouwen omgaat. En Manenti en Coolidge vinden daar natuurlijk iets van. 

Intussen kampen zij, net als veel van hun lotgenoten, ook nog met dat ene stemmetje in hun achterhoofd: heb ik er misschien zelf om gevraagd? En daarna volgt vaak eerst de angst voor een mogelijke zwangerschap en vervolgens ook nog de vrees voor de reacties vanuit hun omgeving.

American Conspiracy: The Octopus Murders

Netflix

Filmmaker Zachary Treitz volgt in deze vierdelige documentaireserie zijn vriend Christian Hansen. En deze (foto)journalist heeft zich alweer een jaar of tien vastgebeten in onderzoeksjournalist Danny Casolaro. En die was ooit, voordat hij in 1991 zelfmoord pleegde / werd vermoord (*) in een ogenschijnlijk willekeurig hotel in West-Virginia, werkelijk bezeten van De Octopus. En dat was dan weer ‘een gigantische, verontrustende samenzwering’, waarbij hoge regeringsfunctionarissen, de CIA, FBI en National Security Agency betrokken zouden zijn geweest. En dit kwam aan het licht door Promis. En deze software, die zou zijn gestolen van het bedrijf Inslaw, moet worden beschouwd als ‘de geboorte van digitale surveillance’. En dat computerprogramma zou tevens bewijs hebben verzameld over de ‘October Surprise‘ van de Republikeinse presidentskandidaat Ronald Reagan tijdens de campagne van 1980. En die zou toen op slinkse wijze de pogingen hebben ondermijnd van zijn tegenstander, de zittende Democratische president Jimmy Carter, om tientallen Amerikanen die werden gegijzeld door Iran vrij te krijgen. En deze gegijzelden kwamen dus op verkiezingsdag, nét nadat Reagan had gewonnen, plotseling alsnog vrij. En dit werd dan weer door ene Michael ‘Danger Man’ Riconosciuto, een lichtelijk paranoïde voormalig wonderkind dat alles weet van Promis, verteld aan Danny Casolaro. En die ging ruim dertig jaar geleden dus dood en triggerde daarmee iets bij Christian Hansen, die toevallig een vriend met een camera heeft, Zachary Treitz. Zie daar: American Conspiracy: The Octopus Murders (221 min.). En dat is, vrij naar Winston Churchill, ‘a riddle wrapped in a mystery inside an enigma’. En daar zet Treitz met allerlei verhaalwendingen, schimmige bronnen, spannende reconstructiescènes en een dreigende soundtrack ook doelbewust op in. En dit werkt ook heel behoorlijk, als een soort eindeloos valluik waaruit ontsnappen onmogelijk is. En dat mag je gerust letterlijk nemen: wie eenmaal in deze fuik terecht is gekomen, zou wel eens reddeloos verloren kunnen zijn. En dit doet weer denken aan de complotdenkers die zich al hun hele leven wijden aan steeds gecompliceerder wordende theorieën over de moord op Kennedy. En die lijken dan bijna weer kinderspel bij de enorme samenzwering die in deze onnavolgbare true crime-serie wordt opgetuigd (en overigens ook voor een deel weer worden ontmanteld). En dan zou ik, de scribent met het inmiddels duizelende hoofd, de rol daarin van het reservaat van de Cabazon-indianen, de georganiseerde misdaad, illegale wapenleveranties, het beveiligingsbedrijf Wackenhut, handel in methamphetamine, ‘de engelen van leven en dood’, wereldwijde inlichtingennetwerken, geknoei met de Zapruder-film, het Cali-kartel en een aanzienlijk aantal onopgeloste moorden bijna nog vergeten…

(*) Doorhalen wat niet van toepassing is.

51 Birch Street

Copacetic Pictures

Als Mina, de moeder van filmmaker Doug Block, plotseling overlijdt, komt zijn 83-jarige vader Mike er na ruim vijftig jaar huwelijk ineens alleen voor te staan. Doug zoekt de man, met wie hij nooit een hechte band heeft gekregen, op voor wat tamelijk ongemakkelijke ontmoetingen zullen worden. Pas na het nodige aftasten komen ze, heel voorzichtig, wat dichter bij elkaar.

En dan, slechts drie maanden na de dood van zijn vrouw, schokt Mike de hele familie. Hij zoekt zijn voormalige secretaresse Kitty, die hij ruim dertig jaar niet heeft gezien, weer op en is binnen de kortste keren getrouwd met haar. Als de twee op de bruiloft verliefd dansen op ‘hun’ nummer Only You – die titel alleen al! – moeten zijn drie volwassen kinderen het nodige ongemak wegslikken.

En wat doet een filmmaker in zo’n geval? Hij laat zijn camera draaien. Wat ooit, ruim vóór het overlijden van Mina, is gestart als het voor privédoeleinden vereeuwigen van zijn vader en moeder, wordt in 2005 een serieuze documentaire: 51 Birch Street (88 min.), een persoonlijke film over het leven van zijn ouders, twee mensen die jong verliefd werd en daarna veroordeeld bleven tot elkaar.

Als Mike besluit om bij Kitty in Florida in te trekken, moet Blocks ouderlijk huis in Port Washington, New York, ontmanteld worden. Een prima gelegenheid voor Doug om samen met zijn vader en zussen Ellen en Karen de balans van dat huwelijk op te maken. Al is Mike in eerste instantie een onwillige gesprekspartner. Spreek alleen goeds over het verleden en de doden, houdt hij zijn zoon voor.

Op Dougs video-opnamen is zijn echtgenote, die in Mike’s ogen vastzat in ‘fantasieliefde’, intussen een stuk uitgesprokener. ‘Als een vrouw van mijn generatie niet trouwde’, zegt Mina, ‘dan was ze in feite dood.’ Mike zit naast haar, luistert mee en denkt er duidelijk het zijne van. Haar echtgenoot is in elk geval, stelt Mina even later, ‘a hell of a lot better than most men of my generation that I know’.

En met dat ‘compliment’ heeft hij ‘t moeten doen, constateert Mike, inmiddels getrouwd met Kitty, nu berustend. Meer zat er niet in. ‘Ze hield zoveel van mij als ze van iemand kon houden.’ En die constatering doet Doug Block ook over zijn eigen huwelijk nadenken – en over zijn bijbaan als bruiloftsfotograaf. Wat doen relaties met mensen? Hoe houd je ze gezond? En wat als dat niet lukt?

In de zoektocht naar zijn ouders wordt Block intussen met een serieus dilemma geconfronteerd. Tijdens het opruimen van z’n ouderlijk huis treft hij persoonlijke dagboeken van zijn moeder aan. Mag hij die als zoon inzien en dan ook nog gebruiken als filmmaker? Hij legt de vraag voor aan een vriendin van Mina. Wat zou zij gewild hebben? En: wil je als kind werkelijk alles weten van je eigen ouders?

Met alles wat hem ter beschikking staat construeert Doug Block zo z’n film: een aangrijpend portret van zijn ouders, die net als de meeste mannen en vrouwen van hun generatie vastzaten in hun rol. En een prikkelende exegese van het huwelijk en relaties in het algemeen. En zoals dat gaat bij egodocu’s, maakt de hoofdpersoon zelf ook nog een ontwikkeling door: Doug bouwt een band op met z’n vader.

The Earth Is Blue As An Orange

Albatros Communicos

Als elk gezinslid heeft plaatsgenomen in de geïmproviseerde interviewsetting – eerst het schuchtere jongetje Vladyslav en daarna zijn broertje Stanislav, oudere zussen Anastasiia en Myroslava en tenslotte moeder Hanna – om geïnterviewd te worden te worden over leven in tijden van oorlog, kan de film beginnen. Met een ‘big bang’ zelfs.

Die film is natuurlijk de documentaire The Earth Is Blue As An Orange (74 min.) van Iryna Tsilyk, die er in 2020 een regieprijs mee won op het Sundance Film Festival. Binnen die documentaire maken de alleenstaande moeder Hanna Gladka en haar vier kinderen uit de Oost-Oekraïense stad Krasnohorivka echter ook weer een film. Oudste dochter Myroslava wil starten met een filmopleiding aan de universiteit en werpt zich op als cameravrouw, terwijl moeder de regie op zich neemt.

Daarover kunnen zij flink kibbelen. Hanna wil bijvoorbeeld een panoramashot van ‘de vernietigde, platgebombardeerde en gedemoraliseerde stad’. Haar dochter ziet daar alleen weinig in. Zorg zelf maar voor een drone en ga je gang, zegt ze dwars. Meestal opereren de twee echter als een hechte eenheid. Samen proberen ze het leven in Donbas, een grensregio waar het in feite al jaren oorlog is, in beelden te vatten. Intussen gaat dat gewone bestaan natuurlijk gewoon door. Verjaardagen, muziek maken en – om maar een dwarsstraat te noemen – een loszittende tand eruit trekken.

Met die film kunnen ze hun boodschap communiceren met de buitenwereld: dat het leven gewoon doorgaat, móet doorgaan. Óók als horen en zien je regelmatig vergaan als er weer een granaat inslaat, je dan moet overleven in een schuilkelder en later in de rij staat voor een voedselpakket. Die film – en deze documentaire daarover – moet daarom met de wereld worden gedeeld. Te beginnen met de plaatselijke gemeenschap, in een knus zaaltje met een klein groot scherm en louter bekenden, het logische eindstation van de twee films. En dan via Sundance met de rest van de wereld.

Future Me

Gusto Entertainment

‘Eigenlijk is documentaire ook gewoon veel meer fictie dan je denkt, hè?’, zegt Vincent Boy Kars tegen zijn vriendin Eva. ‘No offense naar docu verder, maar het is eigenlijk gewoon een fucking manipulatief medium. Je zit gewoon naar een gemanipuleerde werkelijkheid te kijken. Hoe echt is dat? Of hoor deze dan: fictie is de leugen waarmee de waarheid wordt verteld. Sicke quote, toch?’ De twee lopen, in zwart-wit, over een grasveld en komen dan bij een glijbaan. ‘Attentie voor opname’, roept hij voordat zij ervan mag afglijden. ‘Drie-twee-een. Actie!’

Het is duidelijk: Vincent tast in zijn nieuwe film Future Me (98 min.) opnieuw de grenzen tussen de realiteit en de film af. Alhoewel, Vincent? De glijbaanscène wordt gespeeld door Martijn Lakemeier, een acteur die hij zichzelf als rol heeft toebedeeld. En de actrice Damaris de Jong vertolkt zijn vriendin Eva. Ook met dat concept speelt Kars echter weer. In een romantische scène over de ontmoeting met zijn vriendin Eva (die hem complimenteert met Drama Girl (2020), de tweede film van zijn coming of age-trilogie) speelt Vincent wel degelijk zichzelf. Met Damaris, dat wel. En naderhand gaat hij daar dan weer over in gesprek met de echte Eva, die er een beetje verontwaardigd over is.

Dat laveren tussen fictie en non-fictie – eerder ook al te zien in de eerste film van zijn trilogie, Independent Boy (2017) – is inmiddels het handelsmerk geworden van Vincent Boy Kars. Dit slotstuk van het drieluik heeft niet voor niets als ondertitel: in fiction I dare to be real. Daarbij moet hij ook nog, als de één of andere acteur, accepteren dat een andere regisseur, Peter de Baan van De Vloer Op, hem weer aanstuurt als hij zichzelf acteert in situaties die zijn gebeurd – of hadden kunnen gebeuren.  De film wordt daardoor één grote mindfuck, waarmee hij de waarheid probeert te liegen. Voortdurend schakelend tussen zwart-wit en kleur en flink aangezet met een dikke synth-soundtrack.

Future Me, dat ook nog is doorsneden met scènes van Kars met een therapeut, is zonder twijfel zijn meest persoonlijke productie. Een egofilm en daar weer een commentaar op, een meta-egofilm – of zoiets. Over zijn overleden vader, gespeeld door acteur Leopold Witte, en zijn relatie met Eva, meestal gespeeld door Damaris de Jong, en altijd bezig zijn met een film. Over Vincent, dat vooral. Doelbewust zoekt hij als maker/subject het niemandsland op tussen zelfreflectie en zelfbevlekking, tussen kritisch kijken en navelstaren en tussen dodelijke ernst en al even dodelijke scherts. Een typische Millennial-film, zou je kunnen zeggen. Intrigerend en cringe tegelijk.

Berichten Voor Zara

EO

De Coronacrisis drukt Hans Fels met z’n neus op de feiten. Heeft hij, als oudere vader met een jong kind, zijn eigen verleden wel veiliggesteld? Want, zoals hij het zelf zegt: ieder mens is niet alleen zichzelf, maar ook z’n voorouders. En wat weet zijn jongste dochter, voor wie hij deze persoonlijke film maakt, eigenlijk van het oorlogsverleden van haar Joodse familie? Sterker: wat weet hij daar zelf eigenlijk van?

In Berichten Voor Zara (57 min.) tekent de ervaren filmmaker Fels – met zwart-wit foto’s en filmpjes, persoonlijke geschriften, krantenknipsels, herinneringen, ontmoetingen met intimi én een doos kleurpotloden – zijn eigen familiegeschiedenis uit. Totdat er een kleurrijk tafereel is ontstaan, vol tastbare details uit heden en verleden, voor een nieuwe generatie van de familie.

Hoewel hij enkele jaren na de Tweede Wereldoorlog werd geboren, is Fels wel degelijk een product van die traumatische periode. Zijn ouders kregen na de oorlog een relatie. Zijn vader had toen drie jaar lang in allerlei kampen achter de rug, zijn moeder overleefde Auschwitz-Birkenau. Hans zelf werd vernoemd naar haar eerste echtgenoot Hans Polak, die het eind van de oorlog niet haalde.

Over dat verleden werd nauwelijks gesproken. Stukje bij beetje vindt Fels nu snippers informatie over bijvoorbeeld de vooroorlogse commune De Gemeenschap, het dagelijks leven in het concentratiekamp Dachau en de ontmoeting van zijn moeder, jaren later, met vrouwen die ze in het kamp heeft leren kennen. Aan de nummers op hun arm is af te lezen wie er het eerst terecht kwam.

Zelf koestert hij, als een soort talisman, een fotorolletje, waarop een wandeling van zijn vader en moeder in het Amsterdamse bos zou staan. Zo gemakkelijk laat het verleden zich echter niet vastpakken. ‘Een geheugen, mijn geheugen, is een construct’, constateert Hans Fels zelf. ‘De optelsom van beelden, gerangschikt naarmate ze bij me passen of niet. Ook mijn geheugen doet de werkelijkheid geweld aan.’

Dat lijkt het thema van deze persoonlijke zoektocht, waarin Fels stem letterlijk en figuurlijk wel erg nadrukkelijk aanwezig is, naar de mensen die hem hebben getekend, zodat hij hen kan meegeven aan zijn eigen nageslacht.

Berichten Voor Zara is hier te bekijken.

Larry Flynt: The Right To Be Left Alone

Midtown Films

Toen Larry Flynt (1942-2021) halverwege de jaren zestig een toplessclub opende in Dayton, Ohio, had niemand, ook hijzelf niet, kunnen vermoeden dat hij mede daardoor zou uitgroeien tot één van de belangrijkste strijders voor de vrijheid van meningsuiting in de Verenigde Staten. Want die club kreeg al gauw een eigen clubblad, Hustler. En dat blaadje groeide al even snel uit tot een ranzige concurrent voor de toonaangevende naaktbladen Playboy en Penthouse, met tegen porno aanschurkende blootrepotages en bijtende satire. Daarmee zou Flynt geregeld en heftig in aanvaring komen met Conservatief Amerika.

‘s Mans tumultueuze bestaan vormde al de basis voor Milos Formans messcherpe en dolkomische speelfilm The People Vs. Larry Flynt (1996), waarin acteur Woody Harrelson een onweerstaanbare Larry Flynt neerzette en zangeres/actrice Courtney Love een tamelijk ordinaire versie van diens vrouw Althea Leasure. In de documentaire Larry Flynt: The Right To Be Left Alone (74 min.) uit 2007 doet regisseur Joan Brooker-Marks dat nog eens dunnetjes over. Ze behandelt natuurlijk de schietpartij waardoor Larry Flynt in een rolstoel belandde, schetst de teloorgang van de aan drugs verslaafde Althea en loopt ook netjes alle controverses af waarbij Flynt gedurende de jaren betrokken raakte. En vergeleken met Forman heeft ze de beschikking over nóg eens elf doldwaze jaren met de man die door de één wordt beschouwd als een martelaar van het vrije woord en door een ander, feministe Gloria Steinem bijvoorbeeld, als een seksuele fascist.

De film is op zijn sterkst als die man, boerenslim en niet zonder zelfspot, op z’n praatstoel gaat zitten en al z’n streken nog eens de revue laat passeren. Over zijn epische clashes met televisiedominees zoals Jerry Falwell en Jimmy Swaggart bijvoorbeeld. ‘Het bevredigendste moment dat ik van al die evangelisten heb gekregen’, begint Flynt bijvoorbeeld, terwijl er een kenmerkende ondeugende glimlach op zijn gezicht verschijnt, ‘was toen Swaggart, net op het moment dat Swaggart Ministries op z’n hoogtepunt was, op een motelkamer in Baton Rouge werd betrapt met een hoer. Op die kamer bleek ook een Hustler te liggen.’

Ook zijn methoden als waarheidszoeker komen natuurlijk aan de orde. Die zijn, to say the least, bepaald niet onomstreden. Als de Democratische president Bill Clinton dreigt te worden afgezet vanwege een buitenechtelijke affaire, looft Larry Flynt bijvoorbeeld een miljoen dollar uit voor iedereen die bewijs kan leveren van seksuele escapades van Clintons criticasters. Niet veel later moeten enkele prominente Republikeinen de eer aan zichzelf houden. En als Flynt zelf voor de rechter moet verschijnen, doet hij dat rustig met een helm op, in een luier of met een ‘Fuck This Court’ T-shirt aan. Hij neemt ook dan bepaald geen blad voor de mond en blijft consequent voor zijn disciplines staan.

‘Ik zou niemand aanraden om zich in de rechtbank te gedragen zoals ik deed’, zegt hij daar zelf over in deze, ondanks die prikkelende hoofdpersoon, tamelijk degelijke docu. ‘Maar je moet goed begrijpen: ze dachten dat ik iemand was die je tot onderdanigheid kunt dwingen. En ze bleven maar terugkomen voor nóg een stukje van mij. En ik wilde heel duidelijk maken dat ze dat niet zouden krijgen. Fuck you! Gooi me maar in de cel!’

In 2021, het jaar van zijn dood, is overigens Larry Flynt For President verschenen, een archieffilm over zijn spraakmakende – en natuurlijk tot mislukken gedoemde – presidentscampagne van 1983. Daarmee verzette Flynt zich hevig tegen het Amerika van president Ronald Reagan. Zoals hij zich in de jaren voor zijn dood ook tegen één van diens Republikeinse opvolgers Donald Trump zou keren. Hij loofde tien miljoen dollar uit voor de tip die tot Trumps afzetting zou leiden. Dat geld heeft hij uiteindelijk op zak kunnen houden.

Gérard Depardieu: La Chute De L’Ogre

France 2

Als Gérard Depardieu, gevolgd door de Franse schrijver/regisseur Yann Moix en zijn camera, in 2018 naar Noord-Korea vertrekt als eregast van het dictatoriale regime, is de #metoo-geest al enige tijd uit de fles. Dat weerhoudt de dan zeventigjarige Franse acteur er echter niet van om zich ongenadig te laten gaan tegenover zo’n beetje iedere vrouw die zijn pad kruist. Laten we ‘t de aard van het beest noemen. Die laat zich blijkbaar niet zomaar verloochen – ook niet als de halve wereld in kan meekijken.

Deze ontluisterende beelden, bijna achttien uur in totaal, bleven jarenlang in de kast liggen, maar zijn nu dan toch in de openbaarheid gebracht. Niet voor niets waarschijnlijk. Dépardieu, die al zijn halve leven wordt omgeven door geruchten over wangedrag, heeft inmiddels zestien beschuldigingen van seksueel geweld aan zijn broek. In oktober 2023 reageert de acteur in het nauw met een ingezonden brief naar de krant Le Figaro: ‘Ik wil voor eens en voor altijd zeggen: ik heb nog nooit een vrouw misbruikt.’

Enkele maanden later verschijnt vervolgens de journalistieke documentaire Gérard Depardieu: La Chute De L’Ogre (Engelse titel: Gérard Depardieu: The Fall Of The Ogre, 55 min.). En dat zou toch wel eens de nagel aan zijn doodskist kunnen zijn – al weet je het bij dit soort onverbeterlijke alfamannen eigenlijk nooit. Terwijl hij door Noord-Korea banjert moet werkelijk elke vrouw, netjes geanonimiseerd in deze docu, ‘t ontgelden. Soms gromt Depardieu alleen, meestal volgt er een obscene grap.

‘Ik weeg 124 kilo, schat’, zegt hij bijvoorbeeld schalks tegen de tolk van dienst, met een hand op haar schouder. ‘Maar als ik een erectie heb, is het 126.’ Misplaatste humor van een man die de tijdgeest niet meer helemaal aanvoelt, zou een buitenstaander misschien kunnen denken. Dat is alleen in tegenspraak met de aanhoudende stroom concrete beschuldigingen vanwege seksueel geweld tegen Depardieu.

In deze film van Damien Fleurette leggen enkele vrouwen, met name actrices die zijn grensoverschrijdende gedrag op de set moesten verduren, een belastende verklaring af over de acteur. Net als bij vergelijkbare gevallen zoals Harvey Weinstein, Bill Cosby en R. Kelly moet iedereen die met hem werkte hebben geweten van zijn strapatsen. Heeft de Franse filmwereld stelselmatig de andere kant op gekeken als de bonkige filmster weer eens uit de bocht vloog? Of werd dit zelfs doelbewust afgedekt?

Al in 1978 gaf Gérard Depardieu een geruchtmakend interview aan een Amerikaans tijdschrift, waarin hij vertelde dat hij vanaf zijn negende betrokken is geweest bij seksueel geweld. ‘Ik heb veel verkrachtingen meegemaakt’, vertelde hij toen. ‘Te veel om op te noemen.’ Dat interview werd destijds in eigen land afgedaan als een buitenlandse poging om een Franse filmster erin te luizen. En dat de kous daarmee blijkbaar af was én bleef, is misschien nog wel het meest schokkend van deze typische #metoo-docu.

Want nog altijd wil vrijwel niemand in de Franse filmbusiness zijn vingers branden aan het wangedrag van één van zijn succesvolste representanten.

Daniel

HBO Max

Het loopt slecht af – of in elk geval: af. Dat staat vanaf het begin vast. Voortijdig, dat ook. Op z’n zevende kreeg Daniel Northcott zijn eerste camera. Daarna filmde hij 22 jaar zijn leven en de wereld om hem heen. Het resulteerde in maar liefst 1475 uur beeldmateriaal uit 42 verschillende landen, waarvan zijn oudere zus Erin nu een film heeft gemaakt. Met die informatie wordt de collageachtige Daniel (69 min.) afgetrapt.

Het navolgende dikke uur staat in het teken van het leven dat de jonge avonturier uit Vancouver heeft geleid. Een leven dat hem naar alle uithoeken van de aarde bracht. Een leven ook dat dus inmiddels achter de rug is. Hoe en waar het is geëindigd, dat is de vraag die tot het einde van deze documentaire van Daniel en Erin Northcott wordt bewaard. Als sluitstuk van een levenslange zoektocht naar zingeving.

Halverwege is overigens al wel duidelijk waar het naartoe gaat met Daniel Northcott – en ook waarom. ‘Het wordt goed nieuws’, houdt Daniel zichzelf dan nog voor, maar de wetten van de storytelling hebben voor buitenstaanders dan allang verraden wat voor hem nog in de toekomst verscholen ligt. ‘Het komt goed, ja!’ roept hij uit als het water hem echt aan de lippen begint te staan in dit sensitieve (zelf)portret.

Intussen blijft hij onverminderd filmen, om zijn verbondenheid met de plekken en mensen die hij heeft gekend, het universum en het leven zelf te vereeuwigen. Uiteindelijk, als alles wat hij liefheeft uit zijn vingers glipt, durft Daniel kleur te bekennen over wie hij is – en wie hij, voor iedereen die hem nooit heeft gekend, ooit was. En dan is het aan zijn nabestaanden om zijn cryptische afscheidsboodschap te ontcijferen.

Met deze film over de waarde van het leven, de betekenis die symboliek daarin speelt en ook het (nood)lot, geven zij bovendien opnieuw zin aan Daniels bestaan, dat vroegtijdig, nu alweer meer dan tien jaar geleden, ten einde kwam.

Denzel Washington – An American Model

Arte

Wat hebben Malcolm X en Rubin ‘Hurricane’ Carter en Steve Biko met elkaar gemeen? In ons collectieve geheugen zouden de controversiële burgerrechtenleider, de onterecht veroordeelde bokser en de Zuid-Afrikaanse anti-Apartheidsstrijder wel eens één en hetzelfde gezicht kunnen hebben: dat van Denzel Washington, de Amerikaanse acteur die de zwarte iconen omturnde tot onvergetelijke filmpersonages.

In het tv-portret Denzel Washington – An American Model (52 min.) loopt Sonia Dauger, aan de hand van oude interviews en klassieke scènes uit zijn omvangrijke filmografie, netjes de carrière van de Afro-Amerikaanse filmster door. Ze belicht die vanuit een duidelijke invalshoek: zijn positie als zwarte acteur in een witte industrie. Op het eerste gezicht heeft Washington ‘t aardig voor elkaar. Hij groeit eerst uit tot een ideaal rolmodel voor de zwarte gemeenschap en kan later zelfs de oversteek maken naar witte rollen. Herstel: naar rollen waarbij huidskleur er helemaal niet toe doet en die dus voorheen standaard naar een witte acteur gingen.

Ook in zulke rollen, vertelt de Nederlandse verteller van dienst Andrew Makkinga (die wel heel veel tekst krijgt van Dauger), wordt de acteur evenwel met beperkingen geconfronteerd. Want een zwarte man die, ook al is ‘t alleen op het witte doek, een relatie krijgt met een witte vrouw? Nee, dat blijft een brug te ver. Wat in het scenario voor een speelfilm nog wordt beschreven als een liefdesrelatie, kat Denzel Washington dus hoogstpersoonlijk, puur uit voorzorg, om tot een onschuldige vriendschap. En als hij daarnaar wordt gevraagd in interviews, speelt Washington, een rasacteur tenslotte, de vermoorde onschuld.

Hij weet als geen ander hoe nauw ‘t luistert voor zwarte mannen in Amerika. Voor je ‘t weet word je alsnog aangezien voor zo’n boos, seksbelust of gevaarlijk exemplaar, waarbij iedere weldenkende witte Amerikaan uit de buurt blijft. En Washington wil, net als Sidney Poitier in 1963, nog altijd eens een Oscar voor beste hoofdrol winnen. In 2002 is ‘t dan eindelijk zover: hij krijgt een Academy Award voor zijn vertolking van een zwarte schurk, die in de film Training Day voor de zekerheid nog wel gewelddadig aan zijn einde wordt gebracht. Want anders…

Het betekent meteen de ommekeer voor de karakteracteur, die de brave rollen waarmee hij altijd werd geassocieerd regelmatig begint in te ruilen voor gelaagdere personages. Zo verdiept en verbreedt Denzel Washington zijn eigen oeuvre en kan hij meteen als bruggenhoofd fungeren naar een nieuwe generatie Afro-Amerikaanse acteurs, die hem vanzelfsprekend op handen draagt.

Sly

Netflix

In de jaren tachtig ontwikkelde Sylvester Stallone zich tot de ultieme actieheld, op de voet gevolgd door Arnold Schwarzenegger. De krachtpatsers beconcurreerden elkaar met eendimensionale blockbusters. Van wedijver tussen de twee, die later samen deel uitmaakten van het sterrenensemble The Expendables, is allang geen sprake meer. Waar Sylvester onlangs warme woorden wijdde aan zijn voormalige rivaal in de driedelige serie Arnold, steekt Arnie nu de loftrompet over Sly (96 min.) in deze film van Thom Zimny (die eerder Bruce Springsteen, Elvis Presley en Johnny Cash portretteerde).

Verder is het vooral Stallone zelf die aan het woord komt in dit aangeklede zelfportret, met kleine bijrollen voor zijn broer Frank, cinefiel Quentin Tarantino, zijn collega’s Henry Winkler en Talia Shire, regisseur John Herzfeld en filmcriticus Wesley Morris. Sly is het verhaal van een geboren loser, die natuurlijk toch een winnaar is geworden. Dat personage heeft Stallone ook naar het witte doek gebracht, in de vorm van de tweederangs bokser Rocky die nooit opgeeft. De acteur/filmmaker heeft zelfs nóg een iconische Hollywood-held uit zijn mouw geschud: de larger than life-vechtjas Rambo.

Gedurende zijn lange carrière is hij nooit meer helemaal losgekomen van deze personages, die steeds weer een nieuwe sequel verdienen en gaandeweg ook steeds karikaturalere trekjes krijgen. Het lijken waarheidsgetrouwe afspiegelingen van de man zelf, een in wezen tamelijk eenvoudige vechter die even goed kan uitdelen als incasseren. ‘Jij, ik, niemand slaat zo hard als het leven’, laat hij zijn alter ego Rocky Balboa zeggen in een door en door Amerikaanse peptalk. ‘Maar daar gaat het niet om. Het gaat erom hoe hard je geslagen kunt worden. Hoeveel je aankunt en dat je toch door blijft gaan.’

In wezen heeft deze biografie, die zich concentreert op Stallones professionele leven, niet zo heel veel meer te bieden dan zulke platitudes, waarmee Zinmy chronologisch ‘s mans carrière doorloopt en intussen allerlei filmfragmenten met elkaar verbindt. Alleen komen die oneliners nu uit de mond van de oudere acteur/filmmaker persoonlijk, in plaats van een moegestreden bokser of een schietgrage Vietnam-veteraan. Stallone herleidt daarbij zowat alles wat hij ooit heeft gedaan of misdaan naar zijn pa Frank, die zo weinig liefde gaf dat zijn zoon er een heel leven lang, veelal tevergeefs, naar bleef hengelen.

Dat vadercomplex is het toch wat tragische fundament onder een verder weinig opzienbarende documentaire over één van de meest beeldbepalende figuren van de Amerikaanse film van de afgelopen halve eeuw.