Denzel Washington – An American Model

Arte

Wat hebben Malcolm X en Rubin ‘Hurricane’ Carter en Steve Biko met elkaar gemeen? In ons collectieve geheugen zouden de controversiële burgerrechtenleider, de onterecht veroordeelde bokser en de Zuid-Afrikaanse anti-Apartheidsstrijder wel eens één en hetzelfde gezicht kunnen hebben: dat van Denzel Washington, de Amerikaanse acteur die de zwarte iconen omturnde tot onvergetelijke filmpersonages.

In het tv-portret Denzel Washington – An American Model (52 min.) loopt Sonia Dauger, aan de hand van oude interviews en klassieke scènes uit zijn omvangrijke filmografie, netjes de carrière van de Afro-Amerikaanse filmster door. Ze belicht die vanuit een duidelijke invalshoek: zijn positie als zwarte acteur in een witte industrie. Op het eerste gezicht heeft Washington ‘t aardig voor elkaar. Hij groeit eerst uit tot een ideaal rolmodel voor de zwarte gemeenschap en kan later zelfs de oversteek maken naar witte rollen. Herstel: naar rollen waarbij huidskleur er helemaal niet toe doet en die dus voorheen standaard naar een witte acteur gingen.

Ook in zulke rollen, vertelt de Nederlandse verteller van dienst Andrew Makkinga (die wel heel veel tekst krijgt van Dauger), wordt de acteur evenwel met beperkingen geconfronteerd. Want een zwarte man die, ook al is ‘t alleen op het witte doek, een relatie krijgt met een witte vrouw? Nee, dat blijft een brug te ver. Wat in het scenario voor een speelfilm nog wordt beschreven als een liefdesrelatie, kat Denzel Washington dus hoogstpersoonlijk, puur uit voorzorg, om tot een onschuldige vriendschap. En als hij daarnaar wordt gevraagd in interviews, speelt Washington, een rasacteur tenslotte, de vermoorde onschuld.

Hij weet als geen ander hoe nauw ‘t luistert voor zwarte mannen in Amerika. Voor je ‘t weet word je alsnog aangezien voor zo’n boos, seksbelust of gevaarlijk exemplaar, waarbij iedere weldenkende witte Amerikaan uit de buurt blijft. En Washington wil, net als Sidney Poitier in 1963, nog altijd eens een Oscar voor beste hoofdrol winnen. In 2002 is ‘t dan eindelijk zover: hij krijgt een Academy Award voor zijn vertolking van een zwarte schurk, die in de film Training Day voor de zekerheid nog wel gewelddadig aan zijn einde wordt gebracht. Want anders…

Het betekent meteen de ommekeer voor de karakteracteur, die de brave rollen waarmee hij altijd werd geassocieerd regelmatig begint in te ruilen voor gelaagdere personages. Zo verdiept en verbreedt Denzel Washington zijn eigen oeuvre en kan hij meteen als bruggenhoofd fungeren naar een nieuwe generatie Afro-Amerikaanse acteurs, die hem vanzelfsprekend op handen draagt.

Albert Brooks: Defending My Life

HBO Max

Ze kennen elkaar van de Beverly Hills High School, de maker en hoofdpersoon van deze documentaire. Albert zei toen tegen Rob, die hij ontmoette bij toneelles, dat hij de bekende komiek Carl Reiner kende. ‘Ik ook’, antwoordde Rob. ‘Het is mijn vader.’

Zo zaten er nog wel meer kinderen van bekendheden in de klas. De dochters van acteur Lee J. Cobb en comedian Groucho Marx bijvoorbeeld. De latere topacteur Richard Dreyfuss zat er ook. En Albert natuurlijk. Die eigenlijk geen Brooks heet, maar Einstein. Die voornaam was een grapje van zijn vader, de komiek Harry Einstein (alias Parkyakarkus).

Voor Albert Brooks: Defending My Life (85 min.) nemen de hoofdpersoon en Rob Reiner plaats aan een tafeltje in een restaurant en halen samen herinneringen op. Albert Brooks krijgt alle gelegenheid om smakelijke anekdotes en grappen uit te serveren en mag daarbij rekenen op de gulle lach van zijn gesprekspartner, met wie hij nu al zestig jaar bevriend is.

Hun conversatie wordt gestut met geinige fragmenten uit Brooks’ optredens, talkshows en films en aangevuld door zijn vrouw en kinderen en een heuse sterrencast, bestaande uit Chris Rock, Jon Stewart, Ben Stiller, Larry David, Steven Spielberg, Judd Apatow, David Letterman, Sharon Stone, Conan O’Brien, Sarah Silverman, Brian Williams, Tiffany Haddish en Jonah Hill.

Zij hebben natuurlijk niets dan lof voor de ontregelende punkrocker onder de Amerikaanse comedians, een man die ongemak opzocht, zichzelf daarbij niet spaarde en zijn tijd volgens hen altijd vooruit was. ‘Ik zou liever Alberts carrière hebben gehad dan mijn eigen carrière’, vat David Letterman ‘t in dit veilige, positief ingestoken portret nog even netjes samen.

Rob Reiner, die zelf toch filmklassiekers als This Is Spinal Tap, Stand By Me en When Harry Met Sally regisseerde, is ongetwijfeld dezelfde mening toegedaan. En dat is dan weer een tamelijk wankel uitgangspunt voor een spannend portret, waarin de hoofdpersoon echt wordt ontleed en doorgrond.

David Holmes: The Boy Who Lived

HBO Max

Misschien was hij wel net zoveel Harry Potter als acteur Daniel Radcliffe. Hij haalde als ‘stunt double’ immers de halsbrekende toeren uit in de Potter-films. David Holmes vloog op een bezemsteel, viel zo ongeveer overal vanaf en vocht met elk denkbaar monster. Althans, in de eerste zes films. Tijdens de opnames voor nummer zeven, Harry Potter And The Deathly Hallows – Part 1 (2010), in januari 2009 werd David bij de repetities voor een episch gevecht met een slang met gigantische snelheid tegen een muur gesmeten. Er bleef een zielig hoopje mens achter.

‘Hij zei letterlijk meteen: ik heb mijn nek gebroken’, herinnert zijn vriend en collega Marc Mailley zich geëmotioneerd. ‘Hij kon ’t zelfs aanwijzen met zijn hand: híer, ik kan ’t voelen.’ En hij kon volgens Harry Potters stuntcoördinator Greg Powell, die kampt met een fiks schuldgevoel, ook zijn benen niet meer voelen. ‘Hij had meteen door wat er aan de hand was.’  De stuntman wilde de waarheid liever meteen onder ogen zien, vertelt hij in David Holmes: The Boy Who Lived (86 min.). Tegen de artsen zei Holmes: ik ben vanaf mijn middel verlamd en word nooit meer beter. Dat klopt toch?

Op dat moment lijkt deze documentaire van Dan Hartley nog een zeer optimistische film te worden. Over een man die, letterlijk, niet kapot is te krijgen. Een levenskunstenaar, die uiteindelijk alle malheur van zich af kan laten glijden. Dave is dan bijvoorbeeld al ‘een jongen zonder angst‘ genoemd door zijn ouders Andy en Sue. En gekenschetst als ‘een ideale vriend’ door zijn (stunt)collega’s bij de Harry Potter-films. Zij zien echter ook dat Holmes’ gezondheid alleen maar slechter wordt. Volgens Daniel Radcliffe noemt hij zijn aandoening inmiddels ‘the gift that keeps on taking.’ 

‘Verlamming is net een gevangeniscel’, legt de hoofdpersoon zelf uit. ‘Zo claustrofobisch. En voor mijn gevoel wordt die cel steeds kleiner en kleiner. Totdat het lijkt alsof ik zit opgesloten in een doodskist.’ Dat gevoel ontneemt zelfs een rasoptimist het laatste restje levenslust, zou je zeggen. Dat is echter buiten David Holmes gerekend. In het ontroerende portret The Boy Who Lived wordt hij stapsgewijs gebroken, zowel fysiek als mentaal, totdat er weinig meer van hem over lijkt en probeert hij tóch, op de één of andere Godsonmogelijke manier, heel te blijven.

Sly

Netflix

In de jaren tachtig ontwikkelde Sylvester Stallone zich tot de ultieme actieheld, op de voet gevolgd door Arnold Schwarzenegger. De krachtpatsers beconcurreerden elkaar met eendimensionale blockbusters. Van wedijver tussen de twee, die later samen deel uitmaakten van het sterrenensemble The Expendables, is allang geen sprake meer. Waar Sylvester onlangs warme woorden wijdde aan zijn voormalige rivaal in de driedelige serie Arnold, steekt Arnie nu de loftrompet over Sly (96 min.) in deze film van Thom Zimny (die eerder Bruce Springsteen, Elvis Presley en Johnny Cash portretteerde).

Verder is het vooral Stallone zelf die aan het woord komt in dit aangeklede zelfportret, met kleine bijrollen voor zijn broer Frank, cinefiel Quentin Tarantino, zijn collega’s Henry Winkler en Talia Shire, regisseur John Herzfeld en filmcriticus Wesley Morris. Sly is het verhaal van een geboren loser, die natuurlijk toch een winnaar is geworden. Dat personage heeft Stallone ook naar het witte doek gebracht, in de vorm van de tweederangs bokser Rocky die nooit opgeeft. De acteur/filmmaker heeft zelfs nóg een iconische Hollywood-held uit zijn mouw geschud: de larger than life-vechtjas Rambo.

Gedurende zijn lange carrière is hij nooit meer helemaal losgekomen van deze personages, die steeds weer een nieuwe sequel verdienen en gaandeweg ook steeds karikaturalere trekjes krijgen. Het lijken waarheidsgetrouwe afspiegelingen van de man zelf, een in wezen tamelijk eenvoudige vechter die even goed kan uitdelen als incasseren. ‘Jij, ik, niemand slaat zo hard als het leven’, laat hij zijn alter ego Rocky Balboa zeggen in een door en door Amerikaanse peptalk. ‘Maar daar gaat het niet om. Het gaat erom hoe hard je geslagen kunt worden. Hoeveel je aankunt en dat je toch door blijft gaan.’

In wezen heeft deze biografie, die zich concentreert op Stallones professionele leven, niet zo heel veel meer te bieden dan zulke platitudes, waarmee Zinmy chronologisch ‘s mans carrière doorloopt en intussen allerlei filmfragmenten met elkaar verbindt. Alleen komen die oneliners nu uit de mond van de oudere acteur/filmmaker persoonlijk, in plaats van een moegestreden bokser of een schietgrage Vietnam-veteraan. Stallone herleidt daarbij zowat alles wat hij ooit heeft gedaan of misdaan naar zijn pa Frank, die zo weinig liefde gaf dat zijn zoon er een heel leven lang, veelal tevergeefs, naar bleef hengelen.

Dat vadercomplex is het toch wat tragische fundament onder een verder weinig opzienbarende documentaire over één van de meest beeldbepalende figuren van de Amerikaanse film van de afgelopen halve eeuw.

Lokaal 205

Witfilm / NTR

Tegelijkertijd zingen en acteren is, volgens de introtekst van Paul Cohens observerende film Lokaal 205 (54 min.), ‘als voetballend een wiskundesom oplossen’. Het zijn twee totaal verschillende vaardigheden die door musicalacteurs desondanks feilloos moeten worden gecombineerd. Bij de Fontys Hogeschool voor de Kunsten in Tilburg leert regisseur en oud-acteur Marc Krone studenten de fijne kneepjes van het veeleisende musicalvak. Hij is begonnen aan zijn laatste jaar als docent.

Cohen kijkt mee als Krone zijn pupillen ten overstaan van medestudenten laat zingen. Daar staan ze dan, teruggeworpen op zichzelf. Op dat veelal lege podium, slechts in de rug gedekt door een zwart gordijn. En hij kijkt, breekt in en corrigeert – ook fysiek – zodat ze het personage en liefst ook zichzelf écht leren kennen. Met het loswoelen van wat er in hen verscholen zit, stoomt Marc Krone de jonge mensen klaar voor wat het vak van hen vraagt, maar maakt hij ze, in het hier en nu, ook broos en bevattelijk.

Lokaal 205, ook wel de Marc Kronezaal gedubd, is voor menigeen al het voorportaal naar een internationale musical-carrière gebleken. Op die plek speelt tachtig procent van deze documentaire zich dan ook af. Dat is wel wat veel van het goede. Hoewel de aanstormende talenten zich op hun kwetsbaarst tonen en hun docent duidelijk in zijn element is, beginnen al die intensieve coachsessies, vervat in lange, observerende scènes, voor een buitenstaander toch al snel op elkaar te lijken.

Tussendoor blikt Krone terug op zijn eigen opleiding als acteur bij de Amerikaanse theatergoeroe Stella Adler en krijgt Floortje van den Akker, een leerling die hij voor de camera echt diep in haar eigen ziel laat kijken, de gelegenheid om te reflecteren op wat hij bij haar losmaakt en hoe haar dat als musicalster in spe verder helpt. Voor studenten zoals Floortje belichaamt Krone waarschijnlijk de ideale docent: een strenge leermeester, vakidioot, inspirator, komiek en, jawel, ouderfiguur.

Na bijna een uur performen, waarin de docent vanwege de aanhoudende #metoo-discussie in de buitenwereld ook zijn eigen positie nog eens bespreekbaar heeft gemaakt in de groep, werpen ze samen een blik op de namen van hun voorgangers, die in de Marc Kronezaal op het juiste spoor zijn geholpen en nu in de halve wereld op het toneel staan. Dat zou ook hun voorland kunnen zijn. Waar ze, ieder op z’n eigen manier, een balletje gaan trappen en intussen ook nog een wiskundesom oplossen.

Rock Hudson: All That Heaven Allowed

HBO

Laten we zeggen dat er een Rock Hudson was – en een Roy Fitzgerald. Hudson was ‘the most wanted man in America’, de Adonis van de jaren vijftig en zestig. De ideale protagonist voor elke Hollywood-film: charmant, toegankelijk en verduiveld knap. Elke vrouw werd verliefd op hem en elke man wilde op hem lijken. En daarnaast was er dus Fitzgerald, kind van gescheiden ouders, net uit de marine én homoseksueel. ‘Een seksuele gladiator,’ aldus de schrijver Armistead Maupin, die nog een omstreden rol in zijn leven zou spelen.

Dat Rock Hudson (1925-1985) in werkelijkheid Roy Fitzgerald was, was een publiek geheim in Tinseltown. Hij had niet voor niets onderdak gevonden bij Henry Willson, een Hollywood-agent die jonge, stoere jongens verzamelde – niet alleen voor professionele doeleinden. Willson zorgde ervoor dat de bladen over romances van Hudson met allerlei dames schreef en regelde uiteindelijk zelfs een echtgenote voor hem: zijn eigen secretaresse Phyllis Gates. Zo kon de Amerikaanse acteur zich voor het grote publiek in zijn kast blijven verschuilen. En dat is natuurlijk ook het centrale thema van Rock Hudson: All That Heaven Allowed (104 min.), een aangrijpende documentaire van Stephen Kijak.

Homoseksualiteit kreeg soms overigens wel degelijk een plek in Rock Hudsons films: als een truc om alsnog de ‘love interest’ van de desbetreffende rolprent, Doris Day bijvoorbeeld, voor zich te winnen. Het was een slinkse streek: de stiekeme gay moest een macho spelen die homoseksualiteit voorwendde om een vrouw te scoren. Met die wetenschap zijn sommige scènes buitengewoon ongemakkelijk om te bekijken. Kijak maakt daarvan slim gebruik. Hij recyclet allerlei fragmenten uit Hudsons filmografie en geeft die een rol in zijn visie op diens leven, dat op tragische wijze ten einde komt: Hudson wordt de eerste beroemdheid die en public public bezwijkt aan ‘the gay plague’, AIDS.

Thematisch sluit deze film aan bij de klassieke documentaire over homoseksualiteit in Amerikaanse speelfilms, The Celluloid Closet (1995), en het meer recente Scotty And The Secret History Of Hollywood (2018). Deze films tonen een entertainmentwereld, waarin alleen de buitenkant telt. Ook voor heren. Zij waren gehouden aan een eendimensionaal beeld van de man als koene ridder, eenzame held of geraffineerde ladiesman en moesten dat imago permanent beschermen. Als een tabloid lucht kreeg van het verborgen leven van een beroemdheid, kwamen er onvermijdelijk suggestieve verhalen. Ook Hudson leefde continu met de angst dat hij zou worden ontmaskerd.

Veelal buiten beeld schetsen vrienden, collega’s en ex-geliefden, met soms wel erg plastische herinneringen aan de Rock, in deze film een levendig beeld van de steracteur, zijn imago en de identiteit die daarachter schuilging. Buitengewoon aangrijpend is het relaas van actrice Linda Evans. In de serie Dynasty had zij een zoenscène met de acteur, die destijds nog geheim hield dat hij AIDS had. Toen bekend werd dat hij ziek was, werd ook zij gemeden. ‘Waar is je menselijkheid?’ vroeg ze zich af. ‘Waar is je compassie? En wat is er toch aan de hand met deze wereld?’ Evans ervoer, kort en relatief oppervlakkig, de attitude die haar tegenspeler vreesde.

En Rock Hudson zelf – of moeten we toch Roy Fitzgerald zeggen? – werd vervolgens in harteloze roddelbladen gereduceerd tot ‘the hunk who lived a lie’. Daarmee is hij tevens een symbool geworden, laat Stephen Kijak treffend zien in deze alternatieve Hollywood-film. Van een minderheidsgroep, samenleving en tijd – en tegelijk van iedereen die niet zichzelf kan zijn, elk land waar geen werkelijke vrijheid bestaat en zogezegd dus van alle tijden.

Bilal Wahib: Altijd, Altijd

Prime Video

Zonder ‘het incident’ zou deze film nooit worden gemaakt, stelt zij. Maar de film mag niet alleen daarover gaan, vindt hij. Zo begint die film: Bilal Wahib: Altijd, Altijd (70 min.). Met een gesprek op metaniveau tussen de hoofdpersoon en regisseur, Anne de Clercq (Snelle: Zonder Jas Naar Buiten). Over de film waarnaar we nu zitten te kijken – en de olifant in de kamer waarover intussen continu wordt gesproken: zeventienduizend euro heeft Bilal tijdens een livestream op Instagram geboden aan een minderjarige jongen, om zijn piemel te laten zien. Maar piemels kunnen natuurlijk helemaal niet kijken.

Flauw grapje, totaal verkeerd gevallen. Heel Nederland sprak er in 2021 schande van. Het pedo-woord viel. En dan zijn de rapen gaar. Iedereen die zakelijke banden had met de jonge Marokkaans-Nederlandse acteur, zanger en presentator wist niet hoe snel ie die weer moest verbreken. Gecanceld. Daarom wordt er nu, ruim twee jaar later, een documentaire uitgebracht over Bilal Wahib, nadat hij eerder al eens een soort openbare boetedoening heeft gedaan bij de talkshow Op1. Want wat er ook gebeurt in het leven van een BN’er, het is en blijft allemaal materiaal. Bilal lijkt trouwens ook alweer een tijdje weg uit het verdomhoekje.

De Clercq vraagt haar protagonist niet alleen om terug te blikken op deze traumatische periode uit zijn leven en carrière. Ze wil ook dat hij samen met zijn moeder Fatima, vriendin Sophie en enkele vrienden in een studiosetting enkele cruciale scènes uit zijn eigen leven naspeelt, waarbij zij dan regieaanwijzingen geeft. De release van zijn grote hit Tigers bijvoorbeeld, ‘het incident’ natuurlijk en z’n tijd in een politiecel. Het is de bedoeling dat hij daardoor teruggebracht wordt naar zo’n moment, maar werkt uiteindelijk eerder als het fictionaliseren van die werkelijkheid. Wat een authentieke ervaring moet zijn geweest – spijt, verdriet of angst – krijgt daardoor het karakter van tamelijk goedkoop drama.

Intussen wil Wahib zijn ervaring ook verwerken in een performance, waarmee hij alsnog hoopt af te studeren aan de Toneelschool Amsterdam. Zijn eindpresentatie, over of je als bekende Nederlander een fout mag/kan maken, vormt tevens het logische eindstation van dit portret. Tussendoor worden overigens ook nog, niet al te diepgaand, zijn ADHD, de echtscheiding van zijn ouders en zijn snelle opkomst behandeld. Zodat het zowaar even lijkt alsof dit niet alleen een film over ‘het incident’ is, een poging om definitief te ontcancelen, maar een compleet portret van een jonge artiest die z’n overmoed achter zich heeft gelaten en nu gelouterd zijn loopbaan vervolgt.

Mag Ik Je Aanraken?

Witfilm / NTR

Kijken ze alleen? Of spelen ze ook een beetje? Om wat ze zien, en wat wij als kijkers alleen krijgen te horen, onschadelijk te maken? Als de camera zich op hun gezicht vastzet, terwijl ze kijken naar een seksscène die ze ooit hebben gespeeld, doorlopen enkele bekende Nederlandse acteurs in deze documentaire van Tamar van den Dop elk zo hun eigen gevoelens: gêne, tevredenheid, ontroering, lol óf verdriet.

‘Ik snap gewoon niet zo goed waarom dit zo lang in beeld moet’, zegt Nora El Koussour bijvoorbeeld ontdaan als ze een scène van zichzelf terugziet in Mag Ik Je Aanraken? (73 min.). Ze vindt het tafereel confronterend, vernederend zelfs. ‘Het is door gaan sijpelen in mijn eigen leven. Daarna is gewoon het respect weg voor mij.’ Na de opname kreeg zij een bos bloemen, haar tegenspeler bleef met lege handen achter.

Het blijft sowieso fascinerend: dat kijken naar kijken – en ondertussen niet zien wat zij zien. De jonge acteurs Joes Brauers en Lina Heijmans lezen bijvoorbeeld eerst hardop het script van wat ‘een onstuimige vrijpartij’ moet worden voor en aanschouwen daarna los van elkaar de daaruit voortgevloeide scène. Het is een intiem kijkspel, ook voor degene die er niet direct bij betrokken is, het zelfs niet eens zelf kan waarnemen.

Van den Dop, zelf ook actief als actrice, regisseuse en scenarioschrijfster, bevraagt in deze interviewfilm verder collega’s zoals Monic Hendrickx, Gijs Naber, Hannah Hoekstra, Jeroen Spitzenberger en Georgina Verbaan, terwijl ze op de filmset een zendermicrofoon krijgen opgespeld of worden gepoederd. Over de do’s en don’ts van seksscènes – en daarmee ook de verander(en)de seksuele moraal.

‘Doe maar (gewoon)’, kregen ze regelmatig van filmregisseurs te horen. En ook: ‘kan het wat geiler?’ Ze mochten – en wilden/durfden/konden – meestal vooral niet te moeilijk doen. En Van den Dop vraagt door: is het ook wel eens gewoon fijn? Raak je soms opgewonden? Hoe vertel je familie dat je een homorol gaat spelen? Mogen je kinderen deze scène zien? En: sta je eigenlijk op pornosites? En wat vind je daar dan van?

Als het gaat om seks zijn de tijden, zeker sinds #metoo, flink veranderd. ‘Ik ben wel kritischer gaan kijken: is het wel nodig?’ vertelt Rifka Lodeizen, die regelmatig functioneel naakt was te zien, bijvoorbeeld tegen haar visagiste, die van Waldemar Torenstra al te horen heeft gekregen dat hij soms in contracten laat vastleggen dat ie zijn kleren niet meer uittrekt. Een beetje film heeft tegenwoordig ook een intimiteitscoördinator.

Als kinderen van de vrijheid blijheid van de jaren zestig en zeventig moeten de routiniers Peter Faber en Jeroen Krabbé weinig hebben van zulke ontwikkelingen, die je onder de noemer ‘nieuwe preutsheid’ kunt categoriseren. ‘Het is alsof Queen Victoria weer terug is’, verzucht Krabbé. Tegelijkertijd blijkt, na enig doorvragen, dat hij vroeger zelf ook de nodige slechte ervaringen heeft opgedaan tijdens filmopnamen.

Van de andere kant: zorgt de huidige terughoudendheid er misschien ook voor dat seksualiteit nu wordt overgelaten aan reclame en porno? En wat betekent dat dan weer? Zo waadt Mag Ik Je Aanraken? dapper en delicaat, zonder ook maar een ogenblik navelstaarderig te worden, door het moeras rond seksualiteit op het scherm. En als de schijn niet bedriegt, wordt dat voorlopig niet meer zo vanzelfsprekend als in het verleden.

Hoe ’t dan wel moet of mag, blijft een kwestie van interpretatie en gevoel. Net als in het echt.

Robert de Niro – Hiding In The Spotlight

Zed

Hele generaties filmliefhebbers zijn met hem opgegroeid. Via klassiekers zoals Mean Streets, The Godfather, Taxi Driver, Novecento, The Deer Hunter, Raging Bull, Once Upon A Time In America, The Untouchables en Goodfellas en allerlei andere kaskrakers is Robert de Niro één van de beeldbepalende gezichten van het laatste kwart van de twintigste eeuw geworden. Maar wat er werkelijk schuilgaat achter die gepijnigde blik van de ‘method actor’? En of daar inderdaad het geweld zit verstopt, dat in zijn films zo vaak op een angstaanjagende manier tot uitbarsting komt?

De man achter al die illustere rollen praat er liever niet over. Hij houdt zich doorgaans zelfs zó goed schuil voor de buitenwereld dat de vraag soms gerechtvaardigd lijkt óf er eigenlijk wel zo’n man is. Of is de meesteracteur Robert de Niro simpelweg een hol vat dat steeds moet worden gevuld met een nieuwe rol die zijn leven helemaal overneemt? Waarvoor hij dan Marlon Brando gedetailleerd moet bestuderen, zijn vergunning als taxichauffeur haalt en dan dag en nacht in de onguurste New Yorkse buurten gaat rondrijden of bereid blijkt om zich vol te vreten en zo tientallen kilo’s aan te komen.

In Robert de Niro – Hiding In The Spotlight (53 min.) legt Jean-Baptiste Péretié zulke vragen niet voor aan zijn protagonist en diens (professionele) omgeving. Alleen De Niro’s favoriete regisseur Martin Scorsese mag zo nu en dan, buiten beeld, even toelichting geven. En Quentin Tarantino krijgt zowaar ook nog even een quoteje in beeld. Péretié kíjkt vooral naar de meesteracteur. Ergens in al die onvergetelijke filmscènes, en het monnikenwerk dat De Niro daarin heeft gestoken, moet de mens Bobby De Niro, kind van het kunstenaarsduo Robert Sr. en zijn ex-vrouw Virginia Admiral, verstopt zitten.

En een verteller plaatst al die rollen in hun tijd, maatschappelijke context en de plek in het leven en de carrière van Robert de Niro, die samen met zijn collega Al Pacino (tevens geportretteerd door Péretié) wordt beschouwd als de grootste acteur van zijn generatie. In deze boeiende archieffilm wordt De Niro alle eer aangedaan. Op latere leeftijd zal hij zichzelf in komische rollen nadrukkelijk relativeren als acteur, openbloeien als mens en zich bovendien ferm uitspreken over politieke ontwerpen, zoals de opkomst van de door hem gehate Donald Trump. De man is dan definitief uit de acteur gekomen.

En zo nu en dan schiet hij nog altijd raak in/met een karakterrol. In oktober gaat bijvoorbeeld Killers Of The Flower Moon, Robert de Niro’s tiende film met zielsverwant Scorsese, in première in de bioscoop.

Trailer Robert de Niro – Hiding In The Spotlight

De Zaak Schaap: Fraude Bij De Landsadvocaat

Sacha Grootjans / NTR

Wáárom? Die vraag hangt voortdurend boven De Zaak Schaap: Fraude Bij De Landsadvocaat (126 min.). Waarom verduisterde notaris Frank Oranje, de bestuursvoorzitter van de landsadvocaat Pels Rijcken, in de loop van twintig jaar ruim elf miljoen euro? Omdat het kon? Omdat het moest? Of gewoon omdat het goed voelde? De man zelf, die nota bene ‘Mr. Integrity’ werd genoemd, kan het niet meer vertellen. Hij maakte op 6 november 2020, toen zijn bedrog aan het licht dreigde te komen, in een vakantiehuisje een einde aan zijn leven. En de meeste mensen uit zijn directe omgeving, bij zijn werkgever of uit zijn (professionele) vriendenkring, wíllen het niet vertellen. Tenminste, niet ‘on the record’.

En dus verlaat deze vierdelige serie van Mattias Schut zich op vakbroeders die gaandeweg kregen te maken met ‘de grootste juridische fraude uit de Nederlandse geschiedenis’ (advocaat Winfried van den Muijsenbergh en Philip van Hilten, advocaat en bestuurder bestolen stichting), de hoogleraren Marcel Pheijffer (Forensische Accountancy) en Bob Hoogenboom (Forensische Bedrijfskunde) en twee onderzoeksjournalisten die de zaak onderzochten: Joris Polman (Het Financieele Dagblad) en Camil Driessen (NRC). Gezamenlijk openen zij een wereld, die de deuren graag gesloten houdt. Ook als de situatie om transparantie vraagt: grootschalige fraude bij het advocatenkantoor dat nota bene de overheid vertegenwoordigt.

De absolute hoofdrol in deze miniserie is voor acteur Jeroen Spitzenberger. Hij treedt op als alwetende verteller en scheidt het kaf van het koren in de kwestie die tegelijkertijd heel ingewikkeld (vol jargon, ondoorzichtige constructies en verhullend taalgebruik) en toch ook heel eenvoudig is (op en neer schuiven met sommen geld, totdat niemand meer doorheeft dat een aanzienlijk deel ervan in de zakken van de notaris verdwijnt). Spitzenberger stapt letterlijk door Oranje’s verleden en schroomt ook vileine humor niet, bijvoorbeeld als ‘t gaat om het authentiek ogende familiewapen dat de notaris in 2014 heeft laten ontwerpen. ‘En dan mag je natuurlijk helemaal zelf bedenken hoe ’t eruit ziet. Een beetje zoals bij een tattoo.’

De serie bevat verder een reconstructie van historische gebeurtenissen, waarin gebruik wordt gemaakt van acteurs en ook ‘fictieve elementen’ voorkomen. Die vorm werkt wonderwel, hoewel die laatste mededeling ook vragen oproept: waar eindigt het feitelijke verhaal en begint de fictie? De Zaak Schaap vaart verder wel bij het doortastende opereren van interviewer Maartje Hofhuis. Zij noemt het beestje soms gewoon bij zijn naam. ‘Hij bleek een boef!’, constateert ze bijvoorbeeld ferm als haar gesprekspartner, advocaat Van den Muijsenbergh van vereffenaar stichting Converium, maar om de hete brei heen blijft draaien. Die houdt zich echter aan zijn script. ‘De geldstroom van de escrow-rekening is niet conform de oorspronkelijke afspraken zorgvuldig afgewikkeld, ja.’

Terwijl de eerste drie afleveringen van De Zaak Schaap, vernoemd naar het FIOD-onderzoek naar Frank Oranje’s megafraude, vat proberen te krijgen op dit exquise staaltje witte boordencriminaliteit, zoomt het slotdeel van deze fijne miniserie zowel ín (op Oranje’s modale jeugd en zijn tijd bij studentenvereniging Minerva in Leiden) als úit (op de positie van Pels Rijcken, dat zichzelf vooral als slachtoffer van de situatie portretteert, en de gecompliceerde relatie van het advocatenkantoor met de Nederlandse staat). Na afloop staat die ene, nauwelijks te beantwoorden vraag desondanks nog altijd open: wáárom?

Superleeuwen: Het Marokkaanse Voetbalsprookje

BNNVARA/Signal.Stream / vanaf maandag 26 juni op NPO

Het was zeker mooi, maar had ook iets wrangs. Nog nooit waren ze zo van ‘ons’ en toch duidelijk van ‘hen’, als toen de Nederlandse ‘Atlas Leeuwen’ voor hun andere vaderland, Marokko, grote successen vierden in Qatar. Nadat het Nederlands elftal al was uitgeschakeld, drong het nationale team van Marokko, als eerste Afrikaanse land in de geschiedenis, door tot de halve finale van het wereldkampioenschap voetbal in Qatar. In dat elftal speelden vier spelers die in Nederland zijn opgegroeid een sleutelrol: Sofyan Amrabat, Hakim Ziyech, Noussair Mazraoui en Zakaria Aboukhlal.

Khalid Alterch, alias rapper ICE en ‘Tonnano’ uit de misdaadserie Mocro Maffia, heeft de vier Marokkaanse topvoetballers weten te strikken voor Superleeuwen: Het Marokkaanse Voetbalsprookje (135 min). In deze vierdelige serie blikken ze samen met andere Marokkaanse Nederlanders zoals straatvoetballer Soufiane Touzani, schrijver Abdelkader Benali, ontwerper Aberrahmane Trabsini (modemerk Daily Paper), komiek Khalid Akouzdame (Borrelnootjez), oud-voetbalprof Ali Boussaboun, acteur Iliass Ojja, cabaretier Jawad Es Soufi (Sloegie), en Dania Boussatta, speelster van het Marokkaanse vrouwenteam, terug op het toernooi waarmee hun land zich wereldwijd in de kijker speelde – en zelfs in Nederland, waar ze zich allemaal wel eens onwelkom hebben gevoeld, de handen op elkaar kregen.

Met de wedstrijden van het WK voetbal als anker, waarvoor hij zelf met vrienden ook naar Qatar is afgereisd, gaat ICE ook met hen in gesprek over hoe ’t is om Marokkaan in Nederland te zijn. Een Marokkaanse jongen in Nederland, om precies te zijn, zo’n beetje het meest omstreden smaldeel van de vaderlandse populatie. Het is een verhaal van (gekrenkte) trots, familiegevoel en (geknakt dan wel hervonden) zelfvertrouwen. En van de herwaardering van Marokko als thuisland, ook als voetballer. Waar voor talenten het Nederlands elftal jarenlang het beoogde eindstation was, ook uit puur opportunistische overwegingen, lonken sinds het WK de Lions de l’Atlas nadrukkelijker dan ooit. Dat zien ook traditionele Nederlandse voetbalkenners als Willem van Hanegem, Andy van der Meijde en Joep Schreuder, die overigens niet al te veel toevoegen aan de reeks.

In deze miniserie wordt vooral het collectieve gevoel van Marokkaanse Nederlanders uitgedrukt. Niet zozeer via een treffend groepsportret of een helder opgebouwde thematische vertelling, maar meer in de vorm van een associatieve grabbelton van meningen, gevoelens en bespiegelingen. Tezamen schetsen die een aardig beeld van wat er leeft in de gemeenschap – en welke rol voetbal daarin speelt.

Arnold

Netflix

Waar een wil is, is een weg. Als je het kunt imagineren, al dan niet met een sigaar in je mond, kun je het dus ook worden. Mister Olympia bijvoorbeeld. Een actieheld. Of – als geboren Oostenrijker – gouverneur van de Amerikaanse staat Californië. Arnold Schwarzenegger, zittend op zijn praatstoel met een sigaartje erbij, kan er smakelijk over vertellen. En Leslie Chillcott, de regisseur van de driedelige serie Arnold (190 min.) geeft hem alle ruimte en vult ‘s mans herinneringen, bekentenissen en bespiegelingen aan met bijdragen van mensen uit zijn periferie: sportvrinden, concurrenten, een ex-vriendin, zijn acteercoach, medespelers, regisseurs, medewerkers en politieke opponenten. 

De indeling van deze aangeklede autobiografie, uitgebracht als er toevallig ook net een nieuwe serie loopt van Arnie (FUBAR), is al even logisch: aflevering 1: bodybuilding, 2: film en 3: politiek. Als een geboren verteller kneedt Schwarzenegger – met drama, humor en een enkel kwetsbaar moment – van zijn opmerkelijke, uitbundig op camera gedocumenteerde levensloop een onderhoudende vertelling. Over de ontmoeting met zijn grote held, bodybuilder en Hercules-acteur Reg Park (wiens zoon Jon Jon acte de présence geeft in deze miniserie) bijvoorbeeld. Zijn rivaliteit met die andere actieheld van eind twintigste eeuw (Sylvester Stallone, die best wil vertellen over zijn voormalige grote vijand). En hoe hij als politieke novice, die overigens wel getrouwd was met een ‘Kennedy’, een succesvolle bestuurder wordt.

Hoewel hij zich soms beslist kwetsbaar opstelt, bijvoorbeeld als het overlijden van zijn broer en vader of zijn huwelijkse problemen aan de orde komen, blijft Arnold in controle. Hij heeft en houdt te allen tijde de regie en verkoopt zijn leven met een enorme hoeveelheid ‘Schmäh’, een combinatie van pure bluf en klinkklare nonsens. Dat roept onvermijdelijk de vraag op: wordt deze miniserie ooit meer dan het narratief dat de inmiddels bejaarde Arnold zelf van zijn leven wil maken? De vraag stellen…. Dit is de Hollywood-versie. Schwarzeneggers heldenverhaal. Waarin beschuldigingen van grensoverschrijdend gedrag tegenover vrouwen en seksuele escapades dus vooral dienen als (fikse) hobbel op de weg naar wie je altijd al wilde worden en een uiteindelijk toch wel happy end.

Je vormt je leven nu eenmaal door het je voor te stellen – vooraf, als de jonge hond die je ooit was – en door datzelfde leven naderhand in een bepaald perspectief te plaatsen – achteraf dus, als de oude leeuw die je bent geworden. Én door het hier en nu, als de epiloog na een enerverende vertelling, nog wat sjeu te geven met ritjes in een tank, mijmeringen bij de aanblik van imposante bergtoppen en het uitlaten van je eigen ezels, pony’s en andere boerderijdieren. Het is tenslotte de Arnold Schwarzenegger Show! Vermaak gegarandeerd, wanneer het gordijn eenmaal is opengegaan. Maar wat er daarachter werkelijk schuilgaat? Arnold zal het uit zichzelf niet vertellen.

Dear Mama: The Saga Of Afeni And Tupac Shakur

FX

Zijn naam is voor eeuwig verbonden met het alter ego van die andere vermaarde hiphopper, Christopher Wallace. Tupac Shakur versus The Notorious B.I.G. De Amerikaanse westkust tegenover de oostkust. Een gangsterrapoorlog, die hen allebei het leven kostte. Eerst ‘2Pac’, op 23 september 1996. Ruim een half jaar later ‘Biggie’.

Het is een tragische geschiedenis, die zijn weg ook al heeft gevonden naar diverse documentaires. Na Biggie And Tupac (2002) maakte de Britse filmmaker Nick Broomfield een kleine twintig jaar later bijvoorbeeld ook Last Man Standing: Suge Knight And The Murders Of Biggie & Tupac. En Suge Knight, de platenbaas van Death Row Records die wordt gezien als de aanstichter van de ontspoorde oorlog, kreeg in 2018 ook zijn eigen podium in American Dream / American Knightmare.

Nadat regisseur Emmett Malloy in 2021 al Christopher Wallace achter de zwaarIijvige gangsterrapper vandaan probeerde te halen in Biggie: I Got A Story To Tell, neemt filmmaker Allen Hughes nu bijna vijf uur de tijd om de enige echte Tupac Amaru Shakur te vinden in de patser, die het boegbeeld van ‘thug life’ was geworden. En het duurt in de vijfdelige serie Dear Mama: The Saga Of Afeni And Tupac Shakur (298 min.) ruim twee uur voordat de naam Biggie voor het eerst valt – en nog een stuk langer voordat de strijd oplaait.

Hughes en Shakur gaan ver terug. Ze werkten samen voor enkele videoclips, maar kregen ruzie over Tupacs bijdrage aan de speelfilm Menace II Society. De rol stond hem niet aan. Het conflict liep hoog op. Geruchten dat hij in elkaar is geslagen door de rapper/acteur verwijst Allen Hughes, die noodgedwongen ook even vóór de camera verschijnt, echter direct naar het rijk der fabelen. Shakur had wel een stuk of tien hardhandige ‘vrienden’ die dat voor hun rekening namen.

Tupac was ‘de intelligentste idioot die ik ooit heb ontmoet’, stelt zijn manager Watani. Zijn latere gedrag is ook nauwelijks te rijmen met de beelden van de zeventienjarige Shakur. Hoe kon deze gevoelige en welbespraakte scholier uitgroeien tot een rapper die steeds verder ontspoorde? Allen Hughes legt in deze miniserie de link met het woelige bestaan van zijn moeder Afeni Shakur. Zij was een prominent lid van The Black Panther Party, zat een hele tijd vast en ontwikkelde een ernstige verslaving.

In Dear Mama, tevens de titel van een song van Tupac over de vrouw die hem in haar eentje opvoedde, alterneert Hughes voortdurend tussen deze twee verhaallijnen. Afeni‘s leven in en rond de militante Panther-beweging, die in de jaren zestig en zeventig in een loopgravenoorlog was verwikkeld met de Amerikaanse overheid, claimt vrijwel net zoveel ruimte als de lotgevallen van haar zoon. Het is alsof ze allebei vast zijn gelopen in een permanente vechtmodus, die hen weinig goeds brengt.

Met familieleden, vrienden en medestrijders van moeder en zoon, alsmede geestverwanten van Tupac zoals Dr. Dre, Snoop Dogg en Mike Tyson, kleurt Allen Hughes die twee getormenteerde, onlosmakelijk met elkaar verbonden levens, vereeuwigd in een overvloedige hoeveelheid fraai beeldmateriaal, verder in tot een dubbelportret van epische proporties. Alleen het gezwollen eind, waarin de betreurde Tupac tot een halve heilige wordt uitgeroepen, is wat veel van het goede.

Als de rapper/acteur – die zijn biologische vader nauwelijks heeft gekend, al draaft de man wél op in deze miniserie – op slechts 25-jarige leeftijd zijn laatste adem heeft uitgeblazen, leeft zijn moeder nog twintig jaar verder. Afeni zal Tupacs woordvoerder, zaakwaarnemer en martelaar worden. Strijdbaar, zoals altijd – net als haar zoon. Maar met een zwaar hart.

Michael Douglas – The Child Prodigy

Kirk & Michael Douglas / AVROTROS

Als één acteur de Amerikaanse man van eind twintigste eeuw een gezicht heeft gegeven, dan is het Michael Douglas. Of het nu was als een overspelige echtgenoot (de brave borst Dan Gallagher die in Fatal Attraction een affaire heeft met een bijzonder wraaklustige Glenn Close), de Januskop van het kapitalisme (Gordon ‘Greed is good’ Gekko in Wall Street, Oliver Stone’s aanklacht tegen de Reagan-jaren) of een doorgesnoven en seksbeluste thrillseeker (rechercheur Nick Curran die in Paul Verhoevens erotische thriller Basic Instinct jaagt op Sharon Stone), Douglas wist er een gedenkwaardige ‘man you hate to love’ van te maken.

Ook dit portret van de Amerikaanse acteur begint echter weer bij zijn vader Kirk Douglas, één van de grootste Hollywood-sterren van de jaren vijftig en zestig en een man waar je als kind bijna standaard schril tegen afsteekt. Kan Michael binnen de filmwereld ooit meer worden dan ‘de zoon van Spartacus’? blijft lang, niet in het minst voor hemzelf, de vraag. Hij belandt eerst op het televisiescherm (de populaire politieserie The Streets Of San Francisco), wordt daarna succesvol achter de schermen als filmproducent (de klassieker One Flew Over The Cuckoo’s Nest, waarbij hij zijn vader passeert voor de hoofdrol) en breekt tenslotte toch door op het witte doek met ComaThe China Syndrome en Romancing The Stone.

In Michael Douglas: The Child Prodigy (52 min.), een documentaire van Amine Mestari, gaat de hoofdpersoon er eens goed voor zitten om het verhaal van zijn leven en carrière van context te voorzien. Dat vadercomplex blijft daarin alsmaar terugkomen, ook als junior zich al lang en breed op eigen kracht heeft bewezen. ‘Als ik had geweten dat je zo succesvol zou worden was ik aardiger tegen je geweest toen je opgroeide’, zei Kirk, volgens Michael, op latere leeftijd tegen hem. ‘Achteraf bezien was hij héél trots.’ Zoonlief had bovendien inmiddels iets bereikt wat voor zijn vader nooit zou zijn weggelegd: een Oscar. Voor de rol van Gordon Gekko, die hij ruim twintig jaar later nog eens op zich zou nemen in het vervolg Wall Street: Money Never Sleeps (2010).

In de tussentijd was Michael Douglas al indringend geconfronteerd met de man die hij was geworden. Een workaholic, net als zijn vader. En bevattelijk voor verslaving, zoals wel meer leden van de familie. Hij praat er open over in dit verzorgde portret. Douglas zou er ook door rijpen als acteur en andersoortige rollen gaan accepteren, tegenpolen van de typische Amerikaanse mannen die hij eerder in zijn loopbaan van zo’n typisch Douglas-gezicht had voorzien.

Being Mary Tyler Moore

HBO

Met een hedendaagse bril bekeken oogt ze als een gedateerde verpersoonlijking van ‘the all American Girl’: knap, keurig en met een tandpastaglimlach. In de succesvolle sitcom The Dick van Dyke Show (1961-1966) bleef Mary Tyler Moore bovendien netjes in de schaduw van het centrale personage Dick van Dyke. Ze was zijn gedienstige, best wel grappige echtgenote, zo’n vrouw waaraan niemand in het Amerika van na de Tweede Wereldoorlog zich een buil kon vallen.

Nadat het doek viel voor het populaire televisieprogramma – waarin Moore overigens en passant had aangetoond dat vrouwen méér konden zijn dan alleen ‘mooi’, tóch humor konden hebben en zelfs een broek mochten dragen – zou ze zich na een flinke crisis begin jaren zeventig heruitvinden voor haar eigen comedy, The Mary Tyler Moore Show. Als gescheiden vrouw (!). In een serie bovendien die, voor het eerst, ook voor een belangrijk deel werd geschreven door vrouwen.

De gedegen documentaire Being Mary Tyler Moore (120 min.) belicht hoe het Amerikaanse burgervrouwtje – in werkelijkheid al voor de tweede keer gehuwd, ze zou in totaal driemaal trouwen – dan verzeild raakt in de tweede feministische golf en die in zekere zin ook toegankelijk maakt voor ‘mainstream America’. Dan valt de hoofdpersoon van deze film van James Adolphus voor even helemaal samen met de wereld en het tijdsgewricht waarvan ze deel uitmaakt.

Verder belicht dit postume portret Moore’s persoonlijke leven (drie huwelijken dus en een destructieve gewoonte, die ze gemeen had met haar moeder) en carrière (na haar eigen show volgden nog een carrière op Broadway, een gelauwerde rol in het filmdrama Ordinary People en het woordvoerderschap van een diabetesvereniging). Ze werd bovendien een voorbeeld voor comédiennes zoals Rosie O’Donnell, Julia Louis-Dreyfus en Reese Witherspoon, die haar hier eer bewijzen.

Samen met familieleden, intimi en directe collega’s als Dick van Dyke, regisseur/comedian Rob Reiner (de zoon van Dick van Dyke Show-bedenker Carl Reiner), acteur Ed Asner en schrijver Treva Silverman halen zij de vrouw achter de kamerbrede glimlach vandaan. Dat is bepaald geen sinecure. Want hoewel Mary Tyler Moore een leven in de spotlights leidde, hield ze haar kaarten het liefst stevig tegen haar borst. Een gereserveerde vrouw die kon (laten) lachen als de beste.

STILL: A Michael J. Fox Movie

Apple TV+

Dit verhaal heeft alles wat een ouderwetse ‘tearjerker’ nodig heeft. Een voormalige schlemiel wordt tegen alle verwachtingen in een immens populaire televisie- en filmster en krijgt dan, eind twintig pas, een ongenadige onheilstijding: de ziekte van Parkinson.

In andere handen, een minder creatieve filmmaker en een minder lichtvoetige hoofdpersoon, zou het dat ook vast zijn geworden: zo’n documentaire die langzaam ieders keel dichtknijpt, waarna de kijker happend naar adem het aangrijpende dan wel sentimentele einde bereikt. En terwijl de allerlaatste traan over diens wang biggelt, wil de steen in zijn maag maar van geen wijken weten.

Dat is niet deze film. Omdat Davis Guggenheim over veel te veel verbeeldingskracht, makerslol en durf beschikt om zo’n rechttoe rechtaan drama te maken. En acteur Michael J. Fox in één (trillende) vinger meer humor en zelfspot heeft dan de gemiddelde comedian en bovendien consequent weigert om zijn leven te laten reduceren tot een zorgvuldig gecomponeerd hoopje ellende.

Wat is STILL: A Michael J. Fox Movie (95 min.) dan wel? Een ontzettend, ja, levenslustige film. Over een man die al als jong en (veel te klein) kind leerde dat het leven hem voor de keuze zette: funny or fight. Fox koos natuurlijk voor het eerste. Na talloze kinderrollen, die hij vanwege zijn geringe lengte als volwassene best nog kon spelen, volgde zijn doorbraak in de cheesy sitcom Family Ties.

Als Alex P. Keaton, de conservatieve oudste zoon van een hippiestel, stal hij ieders hart. Niet in het minst van de bevallige Tracy Pollan, die ook in het echte leven zijn geliefde – en de moeder van hun vier kinderen – zou worden. En kort daarna volgde zijn definitieve doorbraak in Hollywood met de eerste Back To The Future-film en was de ster Michael J. Fox (voorheen Mikey Fox) geboren.

Guggenheim dist het verhaal, dat Fox van zijn leven heeft gemaakt en eerder al in enkele boeken verwerkte, met ongelooflijk veel bravoure en schwung op. Daarbij maakt hij zeer ingenieus gebruik van scènes uit het omvangrijke oeuvre van zijn protagonist, vermengt die met gereconstrueerde kerngebeurtenissen uit diens leven en saust er enkele lekkere pophits doorheen. Dat werkt wonderwel.

STILL vangt zo ook de losse ‘tone of voice’ van Michael J. Fox, een man die beweert dat geen drank, drugs of vrouw op kan tegen dat gevoel als er om je wordt gelachen. Dit is dus geen topzware film – ook al wordt het Zwaard van Damocles dat permanent boven de hoofdpersoon hangt zeker niet buiten beeld gehouden. Het krijgt alleen tegenwicht met humor en (zelf)relativering.

En ook als zijn verhaal definitief aanbelandt bij de trillende vinger, die al aan het begin van dit (zelf)portret is geïntroduceerd, blijft Guggenheim stijl- en toonvast. Want Fox mag dan een ziekte hebben die ‘progressief, degeneratief en ongeneeslijk’ is – iets wat hij jarenlang verborgen hield, ook al is het met de wijsheid van nu gemakkelijk te spotten in beelden uit die tijd – die kan zijn kern niet raken.

De aandoening is natuurlijk ook zichtbaar in de centrale interviews voor deze, vreemd genoeg, héérlijke film, die werkelijk op alle niveaus werkt. Als Fox’s tremoren zich bijvoorbeeld even niet meer laten controleren of maskeren en hij nodig zijn medicatie moet innemen. ‘Je krijgt weer de vorm van jezelf’, zegt hij dan, zodra de rust in zijn binnenste is teruggekeerd. ‘Je wordt weer met jezelf gevuld.’

In de beperking toont zich zo wederom de meester. Tegelijkertijd slaagt Davis Guggenheim erin om voorbij die beperking te komen. Met een meesterlijke documentaire tot gevolg: een typische Michael J. Fox-film.

We Were Once Kids

Resolution Media

Opeens hangt er een poster in Washington Square Park: ‘Open casting call.’ Gezocht: echte New Yorkse jongeren, van allerlei verschillende achtergronden en kleuren. Jongens en meisjes, tussen de dertien en negentien. Voor de opnames van een film genaamd “Kids”, geregisseerd door Larry Clark en geschreven door een negentienjarige jongen die al een tijdje in de buurt rondhangt, Harmony Korine.

Niet veel later valt het kwartje bij het groepje straatjongeren, dat begin jaren negentig een soort skategroep heeft gevormd. Clark, dat is de oudere jongere, een fotograaf naar verluidt, die de afgelopen tijd nogal eens een jointje met hen is komen roken. Als één van hen, Hamilton Harris, daadwerkelijk naar de casting gaat, blijkt hij auditie te moeten doen voor een personage dat ‘toevallig’ zijn eigen naam draagt.

Tijdens de opnames voor de speelfilm zullen de grenzen tussen fictie en realiteit nog verder vervagen. En als Kids in 1995 wordt uitgebracht, kan ook de buitenwereld nauwelijks onderscheid maken tussen de tieners en hun personages. Ze zijn de verpersoonlijking geworden van ‘de jeugd van tegenwoordig’: volledig oversekst, bijzonder gewelddadig en voortdurend experimenterend met drank en drugs.

In de degelijke documentaire We Were Once Kids (86 min.) van Eddie Martin blikken enkele van die voormalige jongeren terug op hoe hun persoonlijke grenzen flink werden opgerekt tijdens de opnames, de film bij release een fikse controverse veroorzaakte en vervolgens een enorm kassucces werd en de acteercarrière van met name Rosario Dawson en Chloë Sevigny daardoor een pikstart maakte.

Deze hoofdrolspelers, welbekende Hollywood-namen inmiddels, komen overigens niet aan het woord. Net als Larry Clark en Harmony Korine, die allebei voor de eer bedankten. De nadruk komt daardoor automatisch te liggen op wat de film Kids de andere skatejongeren heeft gebracht en gekost. En dan blijkt, enigszins voorspelbaar, dat niet alle betrokkenen het plotselinge succes even goed hebben verwerkt. 

Met enkele ‘acteurs’ is het niet goed afgelopen – waarbij het natuurlijk de vraag blijft of dat rechtstreeks met de film is te verbinden. Dit drama wordt in deze docu in elk geval met dikke muziek aangezet. Daarbij is het ook jammer dat Clark de mogelijkheid om kritiek van zijn voormalige cast te weerleggen – over zijn manipulatieve gedrag op de filmset en uitbuiting van zijn hoofdrolspelers – onbenut laat. 

Daardoor blijft We Were Once Kids een weliswaar interessante, maar ook enigszins gemankeerde terugblik op het maakproces van een omstreden hitfilm.

Een trailer van We Were Once Kids (ook wel bekend als The Kids) is hier te bekijken.

Romy Et Alain, Les Éternels Fiancés

Arte

Wat uiteindelijk een levenslange liefde zal worden, begint als een promotiestunt. Om de aandacht alvast te vestigen op de film Christine (1958), die ze samen gaan opnemen, wacht hoofdrolspeler Alain Delon zijn co-ster Romy Schneider op het Parijse vliegveld Orly op met een enorme bos rode rozen. Die zijn netjes door de productie van de film aangeschaft. De twee hebben elkaar nog nooit ontmoet.

De foto’s van de Franse ‘bad boy’ en de bevallige Duitse actrice, die dan al een filmlegende is door haar suikerzoete rol als de Oostenrijkse keizerin Sissi, kunnen direct de bladen in. Echte liefde tussen de twee iconen van de Europese cinema zal dan niet lang meer uitblijven, volgens de bitterzoete tv-docu Romy Et Alain, Les Éternels Fiancés (52 min.) van regisseur Olivier Monssens.

Terwijl zijn carrière een vlucht neemt, stelt een alwetende verteller, lijkt die van haar echter te stagneren. Illustratief is een interview dat Delon, met Schneider aan zijn zijde, geeft tijdens het filmfestival van Cannes in 1962. Nadat de journalist hen heeft bedankt voor het gesprek, zegt die per abuis ‘tot ziens, Sissi en Alain Delon’. Schneider reageert als door een adder gebeten en toch poeslief: ‘Niet Sissi!’

De sporen van de geliefden beginnen daarna uiteen te lopen en leiden tot een breuk. Pas bij de opnames voor de film La Piscine (1969) ontmoeten Delon en Schneider elkaar weer, waarna ze elkaar nooit meer helemaal loslaten. Voor de geschiedenis van deze twee levens, in de verf gezet met film- en backstagebeelden, gaat Monssens te rade bij hun biografen en de conservator van een Romy Schneider-tentoonstelling.

Regisseur Costa-Gavras, fotograaf Jean-Marie Périer, acteur Sophie Grimaldi, producent Alain Terzain en regisseur Volker Schlöndorff zetten ondertussen de puntjes op de i in dit tijdloze liefdesverhaal over twee Europese filmsterren die zich, waarschijnlijk zonder dat ze het letterlijk hebben uitgesproken, voor het leven met elkaar verbinden. Totdat de dood ook hen scheidt.

“Sr.”

Netflix

‘Is het ooit alsof je in één van je films leeft?’ vraagt acteur Rober Downey Jr. aan zijn vader, de experimentele filmmaker. ‘Ja’, antwoordt “Sr.” (90 min.) grinnikend. ‘Nu.’ Junior debuteerde als vijfjarige jongen in een film van zijn vader, Pound uit 1970, met de zin ‘Heb je haar op je ballen?’

Nu willen de twee samen een film maken. Of allebei. Met hetzelfde materiaal, dat wel. En dus bevat deze visie van Robert Jr. op het leven en de carrière van zijn vader stukken met de benaming ‘Sr. Cut’, scènes die uit de koker van Robert Downey Sr. komen. De documentaire werd overigens geregisseerd door Chris Smith, die eerder al eens virtuoos tussen feit en fictie laveerde in de documentaire Jim & Andy: The Great Beyond, over hoe acteur/komiek Jim Carry zichzelf tijdens de opnames voor de speelfilm Man On The Moon vol-le-dig verloor in de rol van komiek Andy Kaufman.

Deze hybride van (ego)docu en drama, grotendeels in zwart-wit, gedijt uitstekend bij de wisselwerking tussen de twee Downeys. ‘Het ziet er heerlijk narcistisch uit’, reageert pa bijvoorbeeld gevat als zoonlief speciaal voor hem een Duits volksliedje zingt. ‘Zie je hier ruimte voor in onze montage?’ Tussen alle grappen, grollen en filmfragmenten door gaan ze het gesprek aan over wat het leven hen heeft opgeleverd en gekost. Parallellen tussen de twee zijn er genoeg: voordat Robert Jr. en plein public begon te worstelen met een drugsverslaving, was Robert Sr. jarenlang verslingerd aan cocaïne en marihuana. In die tijd, ‘vijftien jaar totale waanzin’ volgens eigen zeggen, was hij ook als filmmaker nauwelijks hanteerbaar.

Bij zijn eerste speelfilm voor een grote studio, Up The Academy uit 1980, dreigde Senior zelfs ontslagen te worden vanwege zijn dwarse gedrag. De producenten wilden hem uit zijn functie ontheffen. Hij zou hoe dan ook ‘the final cut’, de eindmontage van de film, niet meer mogen doen. ‘Ik zei: Oké, dat vind ik prima’, herinnert hij zich. ‘Zolang ik maar “the final cut” van de cocaïne krijg. Dat was bijna m’n einde daar.’ Zijn zoon kan het veertig jaar later nog altijd niet geloven: ‘Het kon je werkelijk geen reet schelen, hè?’ Zijn vader glimlacht eens en antwoordt ferm: ‘Nee.’

Getuige dit bijzonder liefdevolle, soms schurende en voortdurend lollige portret is Robert Downey Sr. op de één of andere manier tóch gracieus volwassen geworden. Samen met zijn zoon bereidt hij zich met deze filmische blik in de achteruitkijkspiegel voor op zijn afscheid van het bestaan. Of zoals Juniors therapeut ‘t treffend formuleert als het einde daadwerkelijk in zicht komt: jullie maken kunst van het leven.

Sean Connery vs James Bond

Arte

Heeft Sean Connery James Bond gemaakt? wil interviewer F. Lee Bailey weten tijdens een bezoek aan de Schotse acteur in 1967. Of heeft James Bond Sean Connery gemaakt? In zijn antwoord neemt de man zelf het woord Frankenstein in mond. Bond, James Bond, was voor hem een monster van Frankenstein geworden, waarvan hij een groot deel van zijn carrière afstand probeerde te nemen. De immense aandacht voor de Britse superspion werkte verstikkend, stelt hij tegen Bailey. ‘Maar het heeft me er nooit van weerhouden om een nieuwe film te maken.’

In de documentaire Sean Connery vs James Bond (53 min.) buigen vrienden, collega’s en deskundigen, zoals collega-acteur Andy Garcia, regisseur John Boorman, biograaf Christopher Bray, auteur Lisa Funnell en producer Murray Grigor zich over Connery’s leven en loopbaan, die worden geïllustreerd met talloze filmfragmenten, (privé)foto’s en tv-interviews. James Bond wordt daarin gaandeweg een vloek waaraan hij echt niet kan ontsnappen. ‘Overal waar hij kwam werd hij aangesproken en meneer Bond genoemd’, vertelt historicus/biograaf Michael Feeney Callan. ‘Hij haatte dat.’

Toen hij de iconische geheimagent eindelijk van zich had afgeschud en allerlei andersoortige rollen had gespeeld (die toch aanmerkelijk minder gage bleken binnen te brengen), besloot Connery in 1983 in arren moede maar om zijn eigen Bondfilm te maken. ‘Het werkte op geen enkele manier’, zegt Feeney Callan daarover. ‘Het was visueel een rotzooitje, Sean zelf is waardeloos en die Fred Astaire-pruik lijkt net een koeienvlaai. Geen idee hoe hij daarmee dacht weg te komen.’ Never Say Never Again legde ’t ook qua inkomsten flink af tegen de officiële Bondfilm Octopussy met Connery’s opvolger Roger Moore.

Zijn faliekant mislukte terugkeer naar Bond werkt vreemd genoeg bevrijdend, laat deze interessante tv-biografie van Gregory Monro zien. ‘s Mans rollen worden beter en succesvoller. En met films als The Name Of The Rose, Indiana Jones And The Last Crusade en The Untouchables komt eindelijk ook de waardering voor hem als acteur. Sean Connery, een man die ook in verband is gebracht met seksisme en huiselijk geweld, krijgt zo het imago van een ‘wise old man’ aangemeten en kan daarmee de rest van zijn leven en carrière vooruit.