Everybody’s Everything

Netflix

‘Lieve kleinzoon, mijn profeet, mijn getatoeëerde poëet, de lieverd’, schrijft Jack ‘Pack Ack’ Womack aan zijn kleinzoon Gustav Elijah Åhr, alias rapper Lil Peep. ‘De wonden die je vader je gaf, genas God niet, maar hij sloot ze, mogelijk als littekens, zodat je de kracht kreeg tegen hem op te komen voor jezelf. Om als een jongen je onafhankelijkheid te verklaren en om te zorgen dat je jezelf kon worden.’ De brieven van opa aan ‘Gus’ fungeren als structurerend element voor deze hartroerende film over het Amerikaanse megatalent, dat op 15 november 2017, twee weken na zijn 21e verjaardag, bezweek aan een overdosis.

Everybody’s Everything (115 min.) is een gelaagd portret van Lil Peep, met een uitgebreide sprekerslijst: van zijn moeder, grootouders en (ex-)vriendinnen tot samenwerkingspartners, collega’s en deskundigen. Iedereen, behalve zijn vader. Gezamenlijk proberen ze de vinger te leggen op het woelige bestaan van die expressieve jongen met de opvallende (gezichts)tatoeages (waaronder een net iets te groot uitgevallen ‘crybaby’ boven zijn rechteroog), die volgens zijn oma vooral waren bedoeld om een outsider van hem te maken. Uit een vreemd soort zelfbescherming. Om te voorkomen dat hij ooit voor een reguliere baan in aanmerking zou komen. Tegelijkertijd hield hij er ook nog opmerkelijke doelen op na als ‘het kapitalisme uit de muziekbusiness halen’.

Deze meeslepende film van Sebastian Jones en Ramez Silyan put uit een kortstondig, maar met kinderfilmpjes, backstage-video’s en vlogs uitbundig gedocumenteerd leven en is daarmee in zekere zin een logisch vervolg op de dramatische biopics van jeugdhelden van eerdere generaties, zoals Kurt Cobain, Amy Winehouse en Avicii: jonge, buitengewoon getalenteerde en zeer getroebleerde mensen die de uitersten van het bestaan blijven opzoeken en zichzelf zo onherroepelijk naar de gallemiezen helpen. Lil Peep lijkt iemand die zichzelf niet wilde zijn. Die zichzelf niet kón zijn. En die dus, en plein publique, helemaal kapot ging. Via zelfverdoving en zelfverminking naar – te langen leste – zelfdestructie.

Je zou tegen deze documentaire kunnen inbrengen dat de persoon Gus Åhr een beetje wordt geïdealiseerd en dat de film een erg lange aanloop neemt naar het drama dat zich uiteindelijk ontvouwt, maar die opzet zorgt er wel voor dat je echt iets krijgt met de jongen achter Lil Peep, zijn openhartige ‘emo-hiphop‘ en de bijbehorende subcultuur, gepersonifieerd door de onvermijdelijke entourage van (pseudo-)vrienden, uitzuigers én klaplopers. Jones en Silyan krijgen er weliswaar niet helemaal de vinger achter wat Gus precies dwarszat en de kop heeft gekost, maar blijven tegelijkertijd ook behoorlijk uit de buurt van de speculaties die openbare, turbulente en vroegtijdig in de knop gebroken levens zoals dat van Lil Peep nu eenmaal altijd omgeven.

Everybody’s Everything, over een jongen die in slechts 21 jaar meer pieken en dalen kende dan een gemiddelde honderdjarige en die daarna met donderend geraas definitief tot stilstand kwam, stemt niet per definitie vrolijk. ‘Ik denk dat het alleen zal helen op een manier dat de pijn nooit zal weggaan’, zegt opa tot besluit. De oorspronkelijke schok zwakt volgens hem af, maar ineens kan iets kleins ervoor zorgen dat hij kleine Gus weer springlevend voor zich ziet. Pack Ack zucht hardop en neemt een ogenblik adempauze. ‘Het grijpt je aan.’ En daarmee vat hij ook deze prachtfilm treffend samen.

De Vlucht Van Ronnie

VPRO

‘Elke ochtend word ik wakker met tien aanvragen voor hulp..’, verzuchtte de Nederlandse rapper/producer Ronnie Flex eerder deze week op Twitter. ‘Mijn docu komt volgende week uit.. ga het checken dan ga je zien dat ik jouw hulp nodig heb.’

Die hulpvraag heeft zonder twijfel te maken met het vaderschap. Hoe moet Flex het jonge hondenbestaan dat hij altijd heeft geleid combineren met de behoeften van een kind, dochter Nori Dua? Die afstemming kost Ronell Plasschaert de nodige moeite. ‘Ga je roken?’ vraagt zijn ex-vriendin bijvoorbeeld als hij er tijdens een bezoekje aan het tweetal even tussenuit piept. ‘In welk jaartal ga je stoppen?’

Even later babbelen vader en moeder ogenschijnlijk ontspannen over dat hun dochter toch echt worteltjes moet eten, niet de favoriete bezigheid van de nederhopper. ‘Aan tafel moet ik sowieso groenten gaan doorslikken voor haar ogen, ook al wil ik het niet’, zegt Ronnie, vooral tegen zichzelf. ‘Maar ja, op een gegeven moment, als zij oud genoeg is, moet zij ook wel begrijpen: Papa wil dat niet, maar ik moet het wel.’

Flex lacht er wat bedremmeld bij. Als de jongen die hij ook nog gewoon is, getuige De Vlucht Van Ronnie (51 min.) van regisseur Sacha Vermeulen, die de rapper in 2017 al eens portretteerde in de documentaire Ronnie Flex: Alleen Met Iedereen. Een jongen met een enorme voorliefde voor ‘jonko’ bovendien: zonder pretsigaret komt er nauwelijks iets uit zijn handen.

Dat begint hij zelf ook wel als problematisch te zien, maar stoppen is gemakkelijker gezegd dan gedaan – ook al komt de peptalk in dit geval van Ali B. De vlucht van Ronnie ontwikkelt zich zo tot een klassiek coming of age-drama over een jongen die móet opgroeien. Of hij dat nu wil of niet. En, omdat hij nu eenmaal een Bekende Nederlander is, ook nog eens in het openbaar.

Vermeulen maakt zich intussen heel klein en legt Plasschaerts persoonlijke proces, met vallen en opstaan, gedurende een jaar van héél dichtbij vast. Zo vangt ze ook de somberte en existentiële eenzaamheid van de rapper, die misschien wel meer hulp nodig heeft dan hij zelf door heeft, om definitief een begin te kunnen maken met het andere leven dat hij zegt te willen.

De Vlucht Van Ronnie is hier te bekijken.

The Pharmacist

Netflix

Het leven van zijn zoon Danny kwam tot een eind op de kruising van Forstall en Dauphine Street, zomaar een drugshoek in een willekeurige zwarte buurt van New Orleans. Apotheker Dan Schneider kan zich niet voorstellen wat een jongen uit een witte buitenwijk had te zoeken in The Lower 9th Ward. Totdat hij hoort dat Danny crack gebruikte.

De onheilstijding zet The Pharmacist (215 min.) aan om uit te pluizen wat er precies met zijn zoon is gebeurd, in de aanloop naar en tijdens dat fatale ogenblik waarop zijn leven op 22-jarige leeftijd eindigde. Die persoonlijke zoektocht, volledig gedocumenteerd met video- en audiotapes, zet hem uiteindelijk op het spoor van OxyContin en een plaatselijke arts die de zeer verslavende pijnstiller wel héél gemakkelijk voorschrijft.

Deze vierdelige serie van Julia Willoughby Nason en Jenner Furst reconstrueert hoe Schneider vervolgens een persoonlijke kruistocht opstart tegen deze dokter Cleggett en daarna ook Purdue Pharma, de onderneming die het opiaat met nét iets te veel enthousiasme aan de man heeft gebracht, in het vizier krijgt. OxyContin heeft dan al talloze overdoses op z’n geweten. De apotheker wil koste wat het kost erger voorkomen.

‘s Mans desperate pogingen om het ongeoorloofde medicijngebruik aan het begin van de 21e eeuw een halt toe te roepen vormen op zichzelf een boeiend verhaal, een soort vooraankondiging van The Opioid Crisis die de Verenigde Staten nu al enkele jaren in zijn greep houdt. Schneider wordt alleen wel erg gemakkelijk tot held gebombardeerd, terwijl zijn strijd echt iets te lang wordt uitgesponnen. The Pharmacist wordt daardoor soms wat clichématig en langdradig.

Carmen Meets Borat

‘Ik ben Borat’, zegt het gelijknamige typetje van de Britse komiek Sacha Baron Cohen tot grote hilariteit van de verzamelde dorpsbewoners in het gemeenschapshuis van het Roemeense zigeunerdorp Glod. Ze kijken welwillend toe hoe hij op het krakkemikkige televisietje door hun eigen dorp loopt: ‘Dit is mijn land Kazachstan.’ De opmerking leidt tot commotie in het zaaltje. ‘Kazachstan? Dat is geen Kazachstan. Eikels!’

‘Kijk, Oana is op tv!’ constateren ze niettemin gierend, als Borat ‘Orkin, de dorpsverkrachter’ heeft voorgesteld. Niet veel later introduceert hij ene Muktar Sahanov ‘de dorpsmecanicien en -aborteur’. Langzaam maar zeker begint het de dorpsbewoners te dagen: die Amerikaanse filmcrew heeft hen voor de gek gehouden. Ze kwamen helemaal geen documentaire opnemen. ‘Borat heeft ons helemaal verkeerd gefilmd! Hij zet het hele dorp voor lul.’

Roemeense cameraploegen die vervolgens verhaal komen halen in Glod krijgen de wind van voren. Ook de Nederlandse filmmaakster Mercedes Stalenhoef en haar crew, die al een hele tijd filmen in het dorp, kunnen op weerwerk rekenen. Uiteindelijk wil ‘aborteur’ Spiri het nog wel één keer uitleggen: ‘Ze stonden daar te filmen en vroegen of ik vonken wou maken’, zegt hij, terwijl hij met een laskap op staat te lassen en verdwijnt in zijn eigen rookwolk. ‘Ze zeggen dat ik gynaecoloog ben en dat ik abortussen doe.’

Het bezoek van Borat – en de dolkomische afwikkeling daarvan – heeft ook Stalenhoef overvallen. Zij was wel degelijk een documentaire aan het maken over het desolate leven van de Roemeense zigeuners, waar de drank nogal eens in de man en de wijsheid dus in de kan is. In dat kader volgde ze Spiri’s zeventienjarige kleindochter Ionela – zelf geeft ze de voorkeur aan de naam Carmen – die Glod nog liever vandaag dan morgen zou verlaten. Zij droomt van een bestaan in het Spanje, dat ze kent van soapseries.

Wat waarschijnlijk een stemmig portret van een ongedurige tiener in een stuk achtergesteld Europa had moeten worden, is in 2008 uitgemond in Carmen Meets Borat (60 min.), een heerlijke tragikomische film waarin niet alleen de bespotte ‘Glodiatoren’ een slaatje proberen te slaan uit het bezoek van Borat. Intussen zit Carmen nog altijd vast in dat godvergeten dorp, waar ze allang een echtgenoot in spe had moeten strikken.

Carmen Meets Borat is hier te bekijken.

Ne Me Quitte Pas

Bob (l) en Marcel (r)

‘Het is dus voorbij?’ vraagt Marcel Meijs in de openingsscène van Ne Me Quitte Pas (104 min.), aan zijn echtgenote die op het punt staat om hem te verlaten. Definitief. ‘Nog één keertje neuken dan?’ Zij: ‘Voor de vijftiende keer: nee.’ Marcel, een stugge Waal met een troebele oogopslag, schakelt door: ‘Zelfs niet met een condoom?’ Hij laat een korte stilte vallen. ‘Zelfs dat wil je niet. Je doet het wel met die andere kerel zonder condoom.’

Zijn ex is en blijft echter onverbiddelijk. Na zestien jaar, en drie kinderen later, is het schluss. Marcel is – als hij er geen einde aan maakt, tenminste – nu veroordeeld tot zijn boezemvriend Bob Spaenhoven. En die is toevallig net in het bos, begeleid door een lichtvoetig klassiek muziekje van Pavane, op zoek naar die ene, prachtige boom waarbij hij ooit een einde aan zijn leven wil maken. Maar waar stond dat ding nou? Ze zullen hem toch niet hebben omgehakt?

En dus zetten Marcel en Bob het maar op een ongenadig zuipen in deze documentaire van Sabine Lubbe Bakker en Niels van Koevorden. Dat is vragen om problemen. Hij kan alleen nog aan bier denken, bekent Marcel aan een medewerkster van het ziekenhuis, waar hij een ontwenningskuur gaat volgen. ‘U mag nooit meer drinken’, zegt de vrouw streng, ‘of u zult in de oude verslaving vervallen.’ Maar Marcel weet dat hij echt niet zomaar van de alcohol af is: die roept hem. Elke dag.

Weduwman Bob is op zich geen problematische drinker – dat vindt hij tenminste zelf – al werkt hij wel een halve liter rum per dag weg. ’s Mans gebit heeft eronder te lijden: de man heeft nauwelijks nog een tand in zijn mond. Volgens zijn kompaan Marcel drinkt de aimabele Vlaming, die snakt naar contact met zijn volwassen kinderen, overigens zeker een liter meer. Anderhalve liter rum per dag.

Aan tristesse bepaald geen gebrek in Ne Me Quitte Pas. Behalve pijnlijk is de observerende film echter ook grappig en aandoenlijk. Op de één of andere manieren kruipen de twee ‘alcoholiekers’ moeiteloos in je hart. Het zijn ook gewoon arme stumpers – zoals wijzelf – die met vallen en opstaan, letterlijk in dit geval, hun levensweg vervolgen.

Roes

VPRO

‘Kunnen we dit er niet uitknippen?’ verzucht Leo de Boer in z’n voice-over, bij een scène waarin zijn vrouw zegt dat ze hem al héél vaak op zijn drankgebruik heeft gewezen. De Boer kan er niet omheen: hij heeft zijn eigen drankzucht, verbeeld door het jerrycannetje whisky dat hij zo nu en dan inslaat, altijd gebagatelliseerd. Zoals stevige drinkers dat nu eenmaal plegen te doen.

Net als al die andere ‘gezelligheidsdrinkers’ nam De Boer slechts een biertje tijdens het koken. Een wijntje bij het eten. Tijdens de avonduren enkele glazen voor de gezelligheid. En een bodem whisky als nachtmutsje. Niks aan de hand, toch? Totdat de dokter na een onfortuinlijk fietsongeluk zijn bloed eens onderzocht…

Samen met enkele andere notoire pimpelaars besluit de documentairemaker zijn drankgebruik onder ogen te zien en te participeren in Dry January, een hele maand zonder alcohol. Het proces wordt begeleid door een psycholoog en gaat gepaard met de onvermijdelijke kringgesprekken en persoonlijke sessies, waarin iedereen reflecteert op zijn eigen drankgedrag.

De Boer is een wat onwillige deelnemer en voorziet de activiteiten in Roes (69 min.) van speels commentaar, dat er soms wat dik bovenop ligt. Waar maken ze zich toch eigenlijk druk over? Die attitude geeft de film een luchtige ondertoon, die goed past bij de achteloze manier waarop veel Nederlanders, ook uit de categorie ‘probleemdrinkers’, nu eenmaal drinken.

Deze vermakelijke film is doordrenkt met die laconieke houding. Van drank als alomtegenwoordig smeermiddel in het gewone dagelijkse sociale verkeer. Waarbij het pas opvalt als je níet meedoet. Lastig, hoor. Toch komt elk van hen voor de keuze te staan: gezelligheidsdrinker, gelegenheidsdrinker of toch geheelonthouder?

Jonathan Agassi Saved My Life

Trots laat Yonatan Langer de speelfilm zien waarin hij zelf de hoofdrol speelt. Zijn moeder kijkt geïnteresseerd toe. Op het scherm drinkt hij een biertje en bestuurt met ontbloot bovenlijf een boot. ‘Het is geweldig’, zegt moeder. ‘Yonatan, je bent het echt!’ Haar zoon kijkt zelf trots toe als de film verder gaat en het moment nadert dat die niet meer zo geschikt is voor zijn moeder. ‘En nu gaan we naar boven om te neuken.’

De Israëlische hunk Yonatan is in de gayscene bekend, beroemd zelfs, als Jonathan Agassi. Pornoster van beroep. Deze documentaire van Tomer Heymann toont hem in zijn dagelijks leven: tijdens filmshoots, rond live-performances en gewoon bij mams thuis, met wie hij een erg innige band heeft. ‘Ik ben jouw vent’, zegt hij, als hij haar weer eens geld toestopt. Ze voelt zich zichtbaar ongemakkelijk. Yonatan blijft toch eerst en vooral haar kind.

Jonathan Agassi Saved My Life (106 min.), meent de getroebleerde hoofdpersoon, die stelselmatig lijkt weg te lopen voor wie hij werkelijk was en is. Hij gaat van feest naar feest, verhuurt zichzelf als escort en wordt steeds vaker high. Heymann legt acht jaar lang onverbiddelijk vast hoe Agassi zo in ijl tempo afstevent op een catharsis, waarin hij de problematische relatie met zijn moeder, afwezige vader én zichzelf onder ogen moet zien.

Van de ongecompliceerde patser, die met veel bravoure door het leven dendert, is dan weinig meer over. Alleen het moederskindje Yonatan Langer, een beschadigde jongen, die hunkert naar liefde, handelt in seks en in deze pijnlijke, ontluisterende film op alle terreinen dreigt te verliezen.

The Amazing Johnathan Documentary

Nee, het is geen probleem hoor als Ben filmt dat hij speed rookt. Johnathan heeft twintig jaar coke gebruikt, maar daarmee is hij nu gestopt. En het is trouwens geen speed, maar crystal meth. Net als de gebruiker en de documentairemaker er helemaal klaar voor zijn om een ongetwijfeld spraakmakende scène te filmen, gaat de telefoon.

Het is John Edward Szeles alias The Amazing Johnathan zelf, die na de opnames toch zijn bedenkingen heeft gekregen. ‘Je kunt beter geen materiaal laten zien waarin ik drugs gebruik’, zegt hij tegen regisseur Ben Berman. Een zwart vierkantje erover, dat is misschien beter. Dan kunnen we het alleen horen en niet zien. En zo zal inderdaad geschieden. Voila!

Inmiddels is dan al wel duidelijk dat The Amazing Johnathan Documentary (92 min.) bepaald geen standaarddocumentaire is, waarin een prangende maatschappelijke kwestie vanuit een artistiek bijzonder verantwoorde visie wordt benaderd. Welnee, dit is pure lol! Makerslol ook. Zo heeft Johnathan bijvoorbeeld nog een figurant nodig voor zijn comebacktournee. Of Bermans geluidsman even wil meewerken? Geen probleem, natuurlijk.

Enne…. comebacktournee, zegt u? Ja, dat komt doordat Johnathan eigenlijk was gestopt als goochelende comedian. Omdat hij doodgaat. Oh, was dat nog niet duidelijk? Nou ja, zelfs dat mag de pret niet drukken. Het overlijden van de hoofdpersoon zou toch ook wel een natuurlijk einde zijn voor de film, niet? Dan is er alleen nog die andere cameraploeg waarmee de man blijkbaar in zee is gegaan. Van de producer van Oscar-winnende documentaires als Man On Wire en Searching For Sugar Man, dat ook nog.

Dan lijkt de lol er héél even af bij Berman. Maar ook die hobbel kunnen de filmmaker en zijn onberekenbare protagonist uiteindelijk nemen in deze dolkomische docu, die qua toon en inhoud perfect aansluit bij de Andy Kaufman-achtige pranks die Johnathan al z’n hele leven uithaalt met zijn publiek (lees: iedereen). Intussen steekt The Amazing Johnathan Documentary ook lekker de draak met de stijlvorm documentaire en de wereld waarbinnen die wordt geproduceerd.

Zelden zal het Droste-effect met meer plezier en – laten we dat alstjeblieft ook niet vergeten – kunde zijn ingezet. Dit portret van Amazing Johnathan, deze documentaire dus, is niets minder dan een verademing. Te midden van al die films die gemaakt móésten worden, mág deze er beslist ook zijn. Beslist!

Aswang

IDFA

Als mensen je waarschuwen voor de Aswang (85 min.), stelt Alyx Ayn Arunpak in de gelijknamige film, dan bedoelen ze eigenlijk: wees bang. De Aswang lijkt een soort Filipijnse variant op Magere Hein. Hij maakt zijn slachtoffers zonder aanziens des persoons. Althans, zo zou het moeten zijn. De werkelijkheid is natuurlijk anders in het land van president Rodrigo Duterte.

De lijken die de Aswang achterlaat liggen steevast in de slechte buurten van Manilla. Gewoon midden op straat, druipend van het bloed. Afval. Die ontzielde lichamen zijn onvermijdelijk verbonden met de nietsontziende ‘war on drugs’ die de Filipijnse president in 2016 afkondigde. Tegen gewone drugsgebruikers – of mensen die eruit zien alsof ze drugs gebruiken. De drugsdealers laten zijn doodseskaders meestal ongemoeid.

In deze grimmige film registreert de jonge filmmaakster Arunpak via een mortuariumbeheerder, journalist en broeder hoe Dutertes staatsterreur in de praktijk uitpakt. Ze komt daarbij ook in contact met Jomari, een dakloos jongetje van een jaar of zeven dat zich het leven op straat al helemaal eigen heeft gemaakt. Hij verlangt eigenlijk naar zijn moeder, die in de gevangenis zit. En dan, ineens, verdwijnt het aandoenlijke joch van de radar…

De zon schijnt zelden in deze duistere, wat fragmentarische film, die een land ontleedt dat zich al in verregaande staat van ontbinding bevindt. Waarbij het parool lijkt: de beste manier om armoede te bestrijden is de armen vernietigen. In een protestmars tegen de president wordt het treffend uitgebeeld. Vanachter een levensgrote afbeelding van Rodrigo Duterte komt een duivelskop tevoorschijn.

Laten we hem Aswang noemen.

The Gift: The Journey Of Johnny Cash

YouTube

In Walk The Line, de Hollywood-versie van zijn turbulente bestaan, zijn er in het leven van zanger Johnny Cash twee fasen te onderscheiden: de tijd vóór en nádat hij een relatie kreeg met June Carter, halverwege de jaren zestig. Van tevoren was hij de spreekwoordelijke Man In Black, een getroebleerde, met drugs en woede worstelende figuur. En daarna manifesteerde hij zich als de allemansvriend Johnny, een goedlachse en sociaal geëngageerde vent met het hart op de goede plek.

De werkelijkheid was, natuurlijk, oneindig veel gecompliceerder, zo toont The Gift: The Journey Of Johnny Cash (94 min.). Johnny’s diepste dal kwam volgens zijn zoon John Carter Cash pas in de jaren tachtig. ‘In de relatie van mijn ouders ontstonden enorme problemen door de drugsverslaving van mijn vader. Als kind heb ik daarvan veel meegekregen. Ze zijn bijna uit elkaar gegaan. Er bestaan heel veel misverstanden over hun relatie. Alsof ze na hun huwelijk gewoon nog lang en gelukkig leefden. Dat was bepaald niet het geval.’

De mythe van het ideale stel Johnny en June wordt door zijn kinderen netjes doorgeprikt in deze complete, overtuigende en aangrijpende documentaire van Thom Zimny, die al jaren dienst doet als de huisfilmer van Bruce Springsteen en vorig jaar de fijne Elvis-biopic The Searcher afleverde. Cash wordt weer een man van vlees en bloed in plaats van de verdoemde broodzanger die via de liefde van zijn leven een metershoge held werd. En dat doet ook zijn zwaar dooraderde muziek, die sinds zijn dood in 2003 nóg populairder lijkt te zijn geworden, alleen maar goed.

The Gift: The Journey Of Johnny Cash is gemaakt volgens een inmiddels vertrouwd procédé: de film bestaat volledig uit archiefmateriaal, waardoor de aandacht te allen tijde bij de hoofdpersoon blijft liggen. De prachtige beelden worden verlevendigd en ingekaderd met offscreen quotes van Cash zelf (via audio-interviews uit 1995-1997 voor een autobiografie), mensen uit zijn directe entourage en artiesten die door hem zijn beïnvloed. Het resultaat ontstijgt het niveau van de gemiddelde, routineuze popdocu met gemak en kan tot nader order worden geboekstaafd als het definitieve portret van één van de interessantste muzikanten van de twintigste eeuw.

Behind The Blood

IDFA

Gevangen tussen twee vuren. Van de MS-13 en Terceneros. Twee drugsbendes waarvoor geweld de gewoonste zaak van de wereld is. In San Pedro Sula, de moordhoofdstad van de wereld, bestaat het leven getuige de documentaire Behind The Blood (83 min.) vooral uit overleven. Het is niet vreemd dat Honduras één van de ‘shithole countries’ is, waarvoor de Amerikaanse president Trump zijn veelbesproken muur wil bouwen. Zelfs een plek in de vluchtelingenkaravaan is blijkbaar te verkiezen boven het dagelijks leven in steden als San Pedro Sula.

We moeten loskomen van het stigma dat wie hier komt sterft, meent pastor Daniel Pacheco. Als een soort burgemeester in oorlogstijd probeert hij met alle partijen ‘on speaking terms’ te blijven en hen liquidaties uit het hoofd te praten. Dat is echt een kwestie van spitsroeden lopen. Voor je het weet kom je zelf bij hen in het vizier. Letterlijk. Zijn ‘vriend’ Matathan, een gevreesde huurmoordenaar die zijn ambacht voor het eerst uitoefende op z’n twaalfde, twijfelt intussen of hij er toch niet eens mee moet stoppen.

De job geeft wel status, vertelt hij, onherkenbaar gemaakt, aan de Nederlandse documentairemaakster Loretta van der Horst. En het geld is natuurlijk goed. ‘Mijn favoriete deel is uitbetaald worden’, zegt hij doodgemoedereerd. ‘Vanaf het moment dat ze me bellen voor een klus tel ik de dagen af tot de dag van de missie, want dan word ik immers betaald.’ De gedachte aan wat hij dan allemaal voor zijn zoon en vrouw kan kopen, stemt Matathan nog altijd gelukkig. ‘Dus als ik die persoon heb gedood, ga ik met veel plezier mijn geld ophalen.’ En hij weet natuurlijk ook: de enige manier om een bende te verlaten is in een lijkzak.

‘Daar is het volgende lijk’, zegt televisiejournalist Orlin Castro even later tegen zijn collega’s als de telefoon gaat. En, inderdaad, het duurt niet lang of Castro staat met zijn microfoon en camera weer bij een gedumpt lichaam. Deze persoon blijkt met een machete te zijn afgemaakt. Echt onderzoek doen naar de ware toedracht van het misdrijf is er echter niet bij. Dan ben je je eigen leven niet zeker, weet de verslaggever. Het gevaar komt van alle kanten. Niet alleen van gekende criminelen. Welke rol spelen bijvoorbeeld het Hondurese leger en de politie?

Met zorg portretteert Van der Horst, die zelf wortels in Puerto Rico heeft, in Behind The Blood de grauwe onwereld die in het Midden-Amerikaanse land is ontstaan. En waarbij je onwillekeurig moet denken aan hoe ook de georganiseerde misdaad in Nederland zich steeds bruter manifesteert. Is dit, moord op bestelling en afgehakte ledematen als dagelijkse kost, ons voorland?

Radio Silence

IDFA

Het ‘pax mafioso’ werd simpelweg hersteld, volgens filmmaakster Juliana Fanjul. Na ruim zeventig jaar aan de macht – een periode waarin Mexico was veranderd in een ‘perfecte dictatuur’ – werd de PRI in 2000 afgestraft door de kiezer. Twaalf jaar later won de oude autocratische partij echter opnieuw de verkiezingen. De okselfrisse Enrique Peña Nieto, zorgvuldig klaargestoomd in bevriende media, werd president.

Een belangrijke criticaster van de nieuwe leider, de populaire radiopresentatrice Carmen Aristegui, kreeg vrij snel daarna ontslag. In een poging om haar monddood te maken, aldus Fanjul in de grimmige documentaire Radio Silence (78 min.). Tevergeefs. Aristegui en enkele getrouwen, gadegeslagen door de filmmaakster, benutten haar verplichte radiostilte om een eigen internetplatform op te starten. Van daaruit hervat ze haar taak als controleur van de macht

Intussen lijkt Mexico definitief te verworden tot een narcostaat: aan bruggen verschijnen demonstratief opgehangen lijken, in Iguala verdwijnen 43 studenten en kritische journalisten bekopen hun werk regelmatig met de dood. ‘Hier stelen we, want daar staat toch geen straf op’, formuleert Fanjul het scherp in één van de vele voice-overs waarmee ze het verhaal van Aristegui en haar land begeleidt. ‘Je kunt beter zwijgen en medeplichtig zijn dan degene worden die zich uitspreekt.’

In die bedreigende atmosfeer, waarin het recht op vrijheid van meningsuiting een welhaast ondraaglijke plicht wordt, weigeren de protagonist en haar medewerkers om (zelf)censuur te accepteren. Juliana Fanjul volgt hen gedurende vier enerverende jaren, op weg naar de volgende verkiezingen. Ben je bereid om te sterven voor deze baan? vraagt ze. Het is een vraag die ze zichzelf vooral niet stellen.

On The President’s Orders

Frontline

‘Adolf Hitler slachtte drie miljoen Joden af. Wij hebben drie miljoen verslaafden. Die zou ik met liefde en plezier afslachten.’ Was getekend: Rodrigo Duterte, president van de Filipijnen. Een man die ook niet schroomt om de daad bij het woord te voegen en van de ‘war on drugs’ daadwerkelijk een oorlog te maken.

Hoe dat gevecht tegen drugsgebruikers en -dealers er in de praktijk uitziet, wordt glashelder in de huiveringwekkende documentaire On The President’s Orders (55 min.). De business loopt als een tierelier, vertelt een plaatselijke uitvaartondernemer. Zijn houding is exemplarisch voor de totale ontmenselijking van alles en iedereen die met drugs te maken heeft. Ze worden opgejaagd door doodseskaders, die er met hun skeletmaskers uitzien als de schurken in een slechte horrorfilm.

‘Veel schietpartijen ogen heel professioneel’, constateren de filmmakers James Jones en Olivier Sarbil als ze de commandant van een gemilitariseerde politie-eenheid confronteren met de enorme hoeveelheid dodelijke slachtoffers. ‘U kunt zich vast voorstellen waarom mensen denken dat de politie erbij betrokken was?’ Ja, antwoordt Octavio Deimos, met een mitrailleur in de hand. ‘Het kan best zijn dat mensen dat denken, maar in werkelijkheid klopt dat niet.’

Even later: ‘Natuurlijk doodt de politie mensen als ze terug vecht.’ Deimos schiet er spontaan van in de lach. ‘Als de politie dat doet, is het geoorloofd. Wij zijn nu eenmaal de politie. En wij handhaven de wet.’ Waarna de man zijn flinterdunne verdedigingslinie helemaal laat vallen. ‘Drugsgebruikers of -dealers hebben hier helemaal niks te zoeken. Zij willen gewoon niet leven. Ze leven al in de hel, dus kunnen wij ze er net zo goed ook echt naar toesturen.’

Zelden zal de zondeboktheorie zo openlijk en zonder enige vorm van verontschuldiging in de praktijk zijn gebracht als tijdens Dutertes schrikbewind in de Filipijnen. Het gevolg, daadkrachtig vervat in deze onrustbarende film, is doodeng: een duistere politiestaat, waarin de absolute leider zijn domme krachten, geanonimiseerd en zwaarbewapend, rücksichtslos op de bevolking loslaat en uiteindelijk – dat valt vrij eenvoudig te voorspellen – niemand veilig zal blijken te zijn.

The Hydra

De beeldspraak is bijzonder treffend: de georganiseerde misdaad als een hydra, een veelkoppige gifslang. Zodra er een kop wordt afgehakt, steekt er elders een nieuwe de kop op. Alleen vuur kan ervoor zorgen dat het monster wordt gedood, aldus Volodymyr Tymoshenko, een voormalige KGB-officier en werknemer van de Oekraïense veiligheidsdienst. Hij bedoelt: als de vraag naar harddrugs, XTC en (meth)amfetamine, in de rest van de wereld opdroogt. Anders is de wildgroei van The Hydra (73 min.) op geen enkele manier te stoppen.

Deze slicke documentaire van Ram Devineni reconstrueert met medewerkers van veiligheidsdiensten en hun informanten hoe begin jaren negentig, na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie, in Oekraïne een crimineel netwerk ontstond rond de massaproductie van en grootschalige handel in synthetische drugs. Dit drugskartel vertakte zich al snel naar de rest van Europa. Alle reden dus om een grootschalige operatie op touw te zetten, teneinde die hydra de nekken om te draaien.

Het verhaal van die campagne, onderkoeld verteld zoals alleen typische Oostblokkers dat kunnen, wordt door Devineni met de nodige zwier en humor uit de doeken gedaan. Tarantino-achtige scènes met acteurs, een lekker aanstekelijke synthesizersoundtrack en de nodige wisecracks leuken de boel behoorlijk op. ‘Hee, aan de linkerkant zit je plaksnor los’, grapt Tymoshenko bijvoorbeeld tegen één van zijn contacten uit de tijd dat hij de onderwereld een kopje kleiner probeerde te maken.

De twee mannen ogen tegenwoordig als oude kameraden, die met veel plezier herinneringen ophalen. Écht spannend wordt The Hydra daardoor nooit. Al maken de oude kameraden van de toenmalige operatie wel een vermakelijk schouwspel. En uiteindelijk leidt het spoor naar – hoe kan het ook anders – ons eigen Nederland, waar vertegenwoordigers van de hydra in labs het eindproduct fabriceren en de distributie daarvan naar de rest van Europa in gang zetten. Ruim 25 jaar na dato laat die impuls zich nog altijd niet zomaar… de kop indrukken.

Murder In The Bayou

Ze gingen om met ‘the wrong crowd’, zeggen hun nabestaanden. Ze leefden een ‘high-risk lifestyle’, werpt de plaatselijke politiechef Ricky Edwards tegen. En dat komt hem op flinke kritiek te staan. Alsof de vrouwen, die verslaafd waren aan crack en hun lichaam verkochten, er zelf om hebben gevraagd om te worden vermoord en gedumpt in een plaatselijke ‘swamp’.

Acht prostituees werden er tussen 2005 en 2009 gedood in Jennings County, Louisiana. Ze staan inmiddels bekend als The Jeff Davis 8. En wie verantwoordelijk was voor hun tragische lot, is ruim tien jaar na dato nog altijd ongewis. Murder In The Bayou (269 min.), gebaseerd op het gelijknamige boek van onderzoeksjournalist Ethan Brown, zet opnieuw het mes in de lang slepende kwestie, die als inspiratie zou hebben gediend voor het eerste seizoen van de thrillerserie True Detective.

Het is in elk geval geen seriemoordenaar, volgens de ziedende moeder van slachtoffer Brittney Gary. Ze blijft het maar herhalen in deze vijfdelige documentaireserie van Matthew Galkin. Er. Is. Geen. Seriemoordenaar. En zeker geen ‘seriedumper’, ook al zo’n term waarmee de politiechef, die net als enkele andere sleutelfiguren schittert door afwezigheid in deze serie, de plaatselijke bevolking tegen zich in het harnas heeft gejaagd. Zou hij die term ook hebben gebruikt als de vrouwen niet afkomstig waren van de verkeerde kant van het spoor?

Behalve Ethan Brown en journalist Scott Lewis van de plaatselijke krant The Jennings Daily News, die als extern deskundigen enige klaarheid in de kwestie proberen te brengen, wordt deze serie vooral bevolkt door zogenaamde ‘deplorables’: verlopen mannen en vrouwen met de spreekwoordelijke vuile bek, een troebele oogopslag en die nietsontziende zucht om het complete bestaan te verdoven. Gezamenlijk vormen ze bovendien een potentiële goudmijn voor elke tandarts.

Onder hen zijn ook twee mogelijke verdachten: de schmutzige lokale dealer/pooier Frankie Richard en zijn nicht Hannah Conner. Hebben zij die acht moorden op hun geweten? Werden ze daarna door plaatselijke agenten uit de wind gehouden (of zijn die zelfs betrokken bij het mysterie van de gedode vrouwen)? En welke rol speelde het luizige motel The Boudreaux Inn, waar volgens direct betrokkenen heel wat werd ‘afgepartyd’ (maar het leven desondanks bepaald geen feest was)?

Zoals het een echte true crime-serie betaamt, duwt Murder In The Bayou een dossierkast met mogelijke scenario’s omver. Die worden door Galkin vervolgens met suggestieve beelden, dreigende muziek en de nodige cliffhangers smakelijk uitgeserveerd. Zo ontstaat een duistere, onheilszwangere wereld, waaruit steeds weer nieuwe verhalen kunnen worden opgediept die het daglicht eigenlijk niet kunnen velen.

Hoe die losse incidenten zich precies tot elkaar zouden verhouden en welke overkoepelende theorie daar dan uit voortvloeit, blijft tot het einde van deze beklemmende miniserie ongewis. En ook dan zijn er nog altijd meer vragen gesteld dan beantwoord. Een even onvermijdelijke als onbevredigende slotsom, die een vervolg, al dan niet in documentairevorm, onontkoombaar maakt.

Mystify: Michael Hutchence

Michael Hutchence / Andrew de Groot

Zijn geruchtmakende dood leek een logisch uitroepteken achter een turbulent leven. Van een man die als een archetypische rockgod – compleet met mysterieuze blik, lange manen en structureel ontbloot bovenlijf – het collectieve geheugen zou ingaan. Michael Hutchence, frontman van de Australische rockband INXS. Zanger van wereldhits als Original Sin, Never Tear Us Apart en Need You Tonight. Gestorven op 22 november 1997, op 37-jarige leeftijd. Een dood die werd omgeven door roddel en achterklap. Was het zelfdoding? Of toch zoiets sinisters als wurgseks?

In Mystify: Michael Hutchence (102 min.) probeert regisseur Richard Lowenstein, die diverse INXS-clips maakte en voor deze documentaire toegang kreeg tot het privé-archief van zijn hoofdpersoon, met Hutchences familie, management en bandleden, ex-vriendinnen als zangeres Kylie Minogue en topmodel Helena Christensen en ’s mans beroemde vriend/collega Bono het leven en de carrière van het idool uit te diepen. Lowensteins bronnen leveren (off screen) allerlei anekdotes, maar tot een coherente of diepgravende narratief leidt dit uiteindelijk niet. Hutchence blijft de klassieke getormenteerde zanger – zoals elke muziekgeneratie lijkt voort te brengen – die met gezwinde spoed op zijn onvermijdelijke dramatische einde afkoerst.

De filmmaker kent speciale waarde toe aan een gewelddadig incident in Denemarken, waarbij de zanger een hersenbeschadiging zou hebben opgelopen. Daarna werd alles anders bij Michael Hutchence, die tot dan volstrekt toe ongenaakbaar had geleken. Tekenend is een pijnlijk tafereel bij de Brit Awards van 1996. Nadat  de INXS-voorman een prijs heeft overhandigd aan Oasis, wordt hij publiekelijk afgeserveerd door de gitarist van die band, Noel Gallagher: ‘Has-beens shouldn’t present awards to gonna-beens’. Hutchence druipt vernederd af.

Hij was toen al in een veelbesproken relatie met Bob Geldofs ex-vrouw Paula Yates beland en zou met haar in een duizelingwekkende spiraal van drugs en depressie terechtkomen, die beiden fataal werd. Uiteindelijk was er geen redden meer aan voor Michael Hutchence, luidt dan de conclusie. En in wezen kon hij daar zelf dus ook niet al te veel aan doen. Die ene knal voor zijn hoofd had hem voorgoed veranderd.

Ging het werkelijk zo? Of is dit hoe van elk groots geleefd leven een verhaal met kop en staart wordt gemaakt en een duidelijke oorzaak automatisch tot een onontkoombaar gevolg leidt? Deze film, hoe meeslepend die soms ook wordt, slaagt er in elk geval niet helemaal in om de mens achter het fenomeen Michael Hutchence te pakken te krijgen.

Noel Gallagher mag natuurlijk ook al enige tijd een has-been worden genoemd. Niet dat hij dat zelf doorheeft, overigens.

Miles Davis: Birth Of The Cool

Van ‘de verpersoonlijking van cool’ tot volledig doorgesnoven weirdo, die zich heeft teruggetrokken in zijn flat en geen muziekinstrument meer aanraakt. De ‘ontwikkeling’ die Miles Davis in zijn volwassen leven doormaakte is terug te zien op de talloze zwart-wit foto’s die van hem zijn gemaakt. Gelukkig heeft de biografie Miles Davis: Birth Of The Cool (155 min.) een derde akte. Net als het leven van de legendarische jazztrompetist.

Met een overvloed aan fraai archiefmateriaal documenteert regisseur Stanley Nelson Davis’ leven en carrière, die een kickstart kregen toen hij in 1944 als tiener bij Billy Eckstine & His Orchestra Charlie Parker en Dizzy Gillespie tegen het lijf liep. ‘Het geweldigste gevoel dat ik ooit heb gehad in mijn leven’, aldus de man zelf (in een voice-over, die is ingesproken door acteur Carl Lumbly). ‘Althans met mijn kleren aan.’ Gezamenlijk zou het drietal de toekomst van de moderne jazz vormen.

Tijdens zijn eerste buitenlandse trip, in 1949 naar Parijs, voelde Davis zich echt serieus genomen als artiest. Hij ontmoette er de Spaanse kunstenaar Pablo Picasso en schrijver/filosoof Jean-Paul Sartre en werd voor het eerst in zijn leven niet meer behandeld als ‘zomaar een zwarte’. Hij werd er ook verliefd op de Franse zangeres Juliette Gréco. ‘Het was een wonder’, zegt ze nu met glinsterende ogen. ‘Het was wat je het wonder van de liefde kunt noemen.’

Waarom trouw je niet met Gréco, zou Sartre haar hebben gevraagd. Omdat ik verliefd op haar ben, had Miles volgens zijn geliefde toen geantwoord. ‘Ik hou van haar.’ Eenmaal thuis kwam de kater: hij was weer gewoon een neger, in een volledig gesegregeerd land. ‘Ik raakte op drift’, zegt hij zelf. En voor hij het goed en wel in de gaten had, was Miles volledig verslingerd geraakt aan heroïne. Het lijkt nu, zeventig jaar later, een keerpunt in zijn leven. Het moment waarop hij verknoopt raakte in zichzelf – en, dat ook, zijn beste muziek ging maken: de langspeler Kind Of Blue (1959).

De kunst van Davis wordt door filmmaker Nelson prachtig in de verf gezet. De gehele film is doordrenkt met zijn expressieve trompet. Daarnaast laat hij z’n kinderen, zijn voormalige muze Frances Taylor (van die, zoals ze zelf gedurig zegt, geweldige benen, die Miles regelmatig, althans figuurlijk, probeerde te breken), jeugdvrienden, collega’s en historici aan het woord. Zij vervolmaken dit intieme portret van een even getalenteerde als getroebleerde man, die zichzelf uiteindelijk toch nog een derde akte toestond.

Devil’s Pie – D’Angelo

Hij deed wat een artiest van zijn kaliber niet doet. Op het hoogtepunt van zijn roem verdween de Amerikaanse soulzanger D’Angelo van de aardbodem. Zijn baanbrekende album Voodoo was in 2000 ontvangen als een absoluut meesterwerk en hijzelf werd vervolgens gebombardeerd tot superster en sekssymbool. En toen kwam de Noorderzon langs en ging D’Angelo er, voorgoed?, achteraan.

Veertien jaar lang leek de artiest D’Angelo dood en begraven, terwijl de man erachter, Michael Eugene Archer, gewoon doorleefde en voornamelijk schimmige verhalen over drugsgebruik, ongelukken en arrestaties voortbracht. ‘Hij is Superman’, zegt zijn voormalige drummer Questlove, die zelf furore maakte met de hiphopgroep The Roots. ‘Maar hij is ook Clark Kent, met kryptoniet gevangen in zijn ziel.’

Volgens de drummer had D’Angelo, die door hem overtuigend in een traditie van getroebleerde zwarte genieën wordt geplaatst, moeite om ‘the chosen one’ te zijn. ‘Op een bepaald moment ging ik elke avond naar bed’, vertelt D’Angelo’s manager Alan ‘Pops’ Leeds, die eerder werkte met lastpakken als James Brown en Prince, met gevoel voor drama. ‘En dan bad ik dat ik niet gebeld zou worden dat hij was opgepakt, dat hij in gevaar was of dat er, God verhoede, nog iets ergers was gebeurd.’

Die dreiging is in de broeierige documentaire Devil’s Pie – D’Angelo (84 min.) van filmmaker en D’Angelo-fan Carine Bijlsma nog altijd voelbaar. Ze benadert haar idool in eerste instantie omzichtig als hij voor het eerst in jaren weer gaat optreden en laat vooral zijn directe omgeving aan het woord. Gaandeweg verschijnt de man zelf steeds nadrukkelijker voor Bijlsma’s camera. ‘Als je op het podium staat, in de studio bent of muziek schrijft en alles geeft en ze je daarvoor betalen’, zegt hij tegen haar. ‘Weegt dat geld dan op tegen wat je geeft?’ Hij geeft zelf antwoord: ‘Nee. Dus wat voedt je ziel als je alles hebt gegeven op het podium? Dat is God. Maar wat dan? Hoe voed je jezelf daarmee?’

Het lijkt één van de centrale dilemma’s in het leven van de soulzanger, die in een godsvruchtige omgeving opgroeide en later op zeer seculiere wijze, met muziek van de duivel, carrière maakte. Muziek als redding en zondeval tegelijk, zoiets. Devil’s Pie is intussen zowel een intiem portret van het gecompliceerde mens D’Angelo zelf als van de groep mensen om hem heen, die ontzag heeft voor zijn talent en alles in het werk stelt om dat te faciliteren. Voor hen is hij zoiets als de Black Messiah, tevens de titel van de langspeler waarmee hij in 2014 zijn comeback zou maken.

Bruce Lee & The Outlaw

EO

The Lost Boys’ lopen stuk voor stuk met hun eigen kleine zakje Aurolac rond. Nicu, een mager joch met aandoenlijke flaporen, en de andere straatkinderen van Boekarest sluiten het zakje dwangmatig rond hun mond en laten zich bedwelmen door de goedkope lak. Om het leven dat ze lijden te ontvluchten.

De jongens hebben zich gegroepeerd rond het station én de oudere jongere ‘Bruce Lee’, die ook wel de koning van de ondergrondse tunnels wordt genoemd. Hij gebruikt de Aurolac niet alleen om te inhaleren, maar spuit zichzelf ook regelmatig helemaal zilverkleurig. Daardoor is hij al tweemaal in coma geraakt.

Bruce bekommert zich als een oudere broer om de jongens, die geen familie of thuis hebben. ‘Ik ben een gewoon kind’, zegt Nicu daarover. ‘Alleen hielp God me niet omdat hij het te druk had met andere kinderen.’ Hij is ondervoed geraakt, heeft HIV en tuberculose opgelopen en belandt in het ziekenhuis. De ‘engel’ Raluca, een betrokken vrouw met een eigen opvang, probeert zich over Nicu te ontfermen.

Fotograaf Joost Vandebrug, die eerder al het boek Cinci Lei over de zogenaamde Lost Boys maakte, heeft Nicu, Bruce en de andere jongens sinds 2011 gefilmd. Het resultaat, Bruce Lee & The Outlaw (59 min.) is een (g)rauwe film geworden over overleven in een harde en koude wereld, de stad onder de stad. Een wereld ook, die té vertrouwd kan worden.

Zo wordt pijnlijk duidelijk als de ontheemde Nicu zich voorneemt om voortaan van ‘de zak’ af te blijven…

Murder Mountain

De vergelijking met Deadwood dringt zich op: een vrijstaat aan de rafelranden van de Verenigde Staten, waar outlaws kunnen ontsnappen aan de wet. Terwijl eind negentiende eeuw de zoektocht naar goud figuren als de louche kroegeigenaar Al Swearengen, sheriff Seth Bullock, cowgirl Calamity Jane en revolverheld Wild Bill Hickok, die er zijn laatste kogel zou vinden, naar de zwarte heuvels van South Dakota lokte, zorgt marihuana er nu al jaren voor dat vrijbuiters, klaplopers en tweederangs criminelen verkassen naar Humboldt County in Californië.

Het begon in de jaren zestig met een groep hippies, die in ‘The Emerald Triangle’ een woongemeenschap startte en illegale wietplanten ging verbouwen. Daar bleek, behalve heel veel rookgenot, ook goed geld in te zitten. En daarvan ging, natuurlijk, een aanzuigende werking uit. Een halve eeuw later is het uitgestrekte, bosrijke gebied uitgegroeid tot een soort moderne variant op het wilde westen, waar plaatselijke bendes de dienst uitmaken en de politie niks heeft te vertellen. Humboldt heeft zelfs zijn eigen ‘ghost town’: Alderpoint, ook wel bekend als Murder Mountain (248 min.), tevens de titel van deze zesdelige documentaireserie.

Sinds 1975 raakten er maar liefst tweehonderd mensen vermist in Humboldt County. Of ze bewust van de radar zijn verdwenen of een handje werden geholpen, blijft de vraag. Regisseur Joshua Zeman werkt één van deze casussen verder uit: de zoektocht naar de 29-jarige Garret Rodriguez, die zijn geluk ging beproeven in de softdrugs-business, in de hoop daarna te kunnen gaan rentenieren op zijn eigen visplek. Rodriguez’s verdwijning zet een serie van steeds verder escalerende gebeurtenissen in gang, die uitmondt in bot en dom geweld. Die ene zaak, boordevol simpele schurken, gesjeesde Vietnam-veteranen en schietgrage burgerwachten, wordt vet uitgeserveerd met spannende slow-motion reconstructies en dreigende muziekjes.

De true crime-achtige verhaallijn, die zich voor het leeuwendeel in 2013 afspeelt, slorbt zeker de helft van deze serie op en wordt enigszins geforceerd samengebracht met een portret van het hedendaagse Humboldt County. De ‘white trash’-variant op ons eigen Ruigoord heeft onlangs te maken gekregen met nieuwe ontwikkelingen. Vanaf 1 januari 2018 is recreatief marihuanagebruik gelegaliseerd in Californië, nadat eerder al medicinaal gebruik van cannabis werd toegestaan. Dat zou de zwarte handel en bijbehorende problematiek tot een halt moeten brengen, maar kunnen én willen de op hun vrijheid gestelde telers wel aan de bijbehorende regels voldoen? Het is in elk geval even aanpassen. De doorgewinterde stoner Jason Dookie van de firma Dookie Brothers neemt na elke bedrijfsbeslissing bijvoorbeeld nog steeds een flinke ‘bong hit’ met zijn waterpijp.

Zo blijft het behelpen in Humboldt County, met telers en handelaren die binnen en buiten de wet willen opereren. Één van de kleine zelfstandigen in Humboldt trekt niet voor niets de vergelijking met de drooglegging, toen de Amerikaanse maffia via dranksmokkel groot kon worden. Zoals ook het Nederlandse softdrugsbeleid aantoont, laten mensen zich nu eenmaal niet zomaar vertellen welke genotsmiddelen ze wel of niet mogen gebruiken en is er op de grens van legaal/illegaal goud geld te verdienen. Intussen is er een behoorlijke kans dat de rechtstaat danig wordt ontwricht. Met alle gevolgen van dien, zo bewijst deze wat onevenwichtige serie, voor gewone burgers die liever aan de zijlijn zouden blijven staan.

Zoals Al Swearengen het ooit, heerlijk profaan, verwoordde in de fictieserie Deadwood (waarvan binnenkort zowaar een speelfilm uitkomt): ‘Every fuckin’ beatin’, I’m grateful for. Every fuckin’ one of them. Get all the trust beat out of you. And you know what the fuckin’ world is.’