The Trade


Een man belt in bij het hulpnummer 911: ‘Ik denk dat mijn dochter dood is’, klinkt het nog redelijk nuchter. ‘Ze ligt in de badkamer, ik kom net binnen. Oh, mijn God! Er komt spul uit haar mond. Uit haar neus. Oh, mijn God, Ashley. Oh, Ashley. Ashley!’ Ashley Staub sterft uiteindelijk aan een overdosis heroïne. Haar twee kinderen speelden in de kamer verderop. Ashleys ouders zitten in zak en as. Zij weet bovendien dat hij ook ooit met een verslaving kampte. Heeft hij die zwakte doorgegeven aan zijn dochter? Agenten nemen de zaak in onderzoek. Haar verslaafde ex-vriendje lijkt erbij betrokken te zijn. Maar hoe komt hij aan zijn dope?

De agenten zoeken door. Terwijl ze speuren naar Ashleys leveranciers krijgen ze meer begrip voor ‘die junkies’, die ze voorheen vooral beschouwden als op te jagen wild. Het blijken gewoon mensen. The Trade (258 min.), een vijfdelige serie van Matthew Heineman over de zogenaamde ’opioid crisis’, belicht de catastrofe die zich in de afgelopen jaren heeft afgetekend via een mozaïek van direct betrokkenen. Gewone – en, opvallend genoeg, vrijwel altijd blanke – mensen uit alle uithoeken van de Verenigde Staten en Mexico. Columbus, Ohio. Juarez, Chihuahua. Atlanta, Georgia. Voetsoldaten en burgerslachtoffers van de opnieuw oplaaiende ’war on drugs’.

Een moeder die haar verslaafde zoons in het gareel probeert te houden (en er één uiteindelijk buiten moet trappen). Don Miquel, het hoofd van de heroïnebende van Guerrero dat zijn territorium wil beschermen. De hoogzwangere dealer. Een Amerikaanse ‘cop’ die in de buurt probeert te komen van de hoogste echelons van een drugskartel. De Mexicaanse man op zoek naar zijn vermiste broer. Een federale agent die in Mexico rücksichtslos poppyvelden laat platbranden. De koelbloedige professionele killer. Een oudere zus die de was doet voor haar verslaafde broer. En alle uitgeteerde lijven, die allang de geest lijken te hebben gegeven en zweren bij die godvergeten naald.

Met de voortreffelijke docuserie The Trade borduurt Matthew Heineman voort op zijn geweldige documentaire Cartel Land uit 2015. Hij zit het drugsspook dat door heel Noord-Amerika waart voortdurend op de hielen en laat zien hoe het in allerlei verschillende, veelal oerlelijke, gedaanten steeds weer de kop opsteekt. Daarbij schakelt hij voortdurend tussen meta- en microniveau; de majestueuze poppyvelden die voor welvaart zorgen aan de ene kant van de grens, zaaien dood en verderf aan de andere kant, bij twee tot elkaar veroordeelde junks in een troosteloos drugspand.

Heineman hanteert intussen met verve het principe ‘show, don’t tell’. Interviews blijven in het fascinerende The Trade vrijwel volledig achterwege. Hij laat van heel dichtbij zien hoe zijn personages grip proberen te krijgen op hun leven en geeft hen diepte middels een ‘monologue interieur’, interviewfragmenten buiten beeld waarmee hij de kijker als het ware in hun hoofd laat kruipen. Soms lijkt wat er voor Heinemans uiterst doeltreffende camera gebeurt bijna te ‘mooi’ om waar te zijn. Alsof hij een real life mash-up van Narcos en The Wire heeft gemaakt, waarin iedere speler, door een wrede speling van het lot gecast, zich netjes aan zijn uitgeschreven rol houdt.

In The Trade – Season 2 belicht Matthew Heineman de handel in mensen: vluchtelingen, illegale immigratie, smokkel, slavernij, seksuele uitbuiting en Amerikanen zonder geldige verblijfsvergunning.

Whitney

Het moet niet gemakkelijk zijn geweest voor Kevin Macdonald; werken aan een documentaire over zangeres Whitney Houston en dan merken dat een concurrent je voor is. Ruim een jaar geleden verscheen Whitney: Can I Be Me, een aangrijpende film van Nick Broomfield over een vrouw die helemaal vast kwam te zitten in haar rol van popster en roemloos ten onder ging aan drugs.

Wat kan Macdonald, die eerder een prachtige biopic maakte van de Jamaicaanse reggaeheld Bob Marley, daar nog aan toevoegen? En dan heeft hij ook nog eens de schijn tegen; waar Broomfield geheel onafhankelijk kon opereren, presenteert zijn Schotse collega nu een geautoriseerde biografie. Zodat je je direct afvraagt wat de erven Houston eruit hebben laten halen en welke plooien zorgvuldig zijn gladgestreken.

Geen zorgen daarover. Whitney (120 min.) is bepaald geen afgevlakte biografie, maar pelt nog een aantal lagen extra af van het fenomeen Whitney Houston en komt zo nóg dichter bij het kwetsbare meisje Nippy dat daarachter verscholen bleef. De film komt zelfs met een pijnlijke onthulling, die de tragische neergang van de zangeres zou kunnen verklaren. Houstons moeder Cissy en tante Dionne Warwick hebben daar overigens meteen afstand van genomen. ‘Geruchten, verdachtmakingen en roddels’, stelden zij in een gezamenlijke verklaring.

Verder had Macdonald de beschikking over prachtig archiefmateriaal van de zangeres en kreeg hij toegang tot Houstons directe omgeving. Behalve haar zingende moeder Cissy, die overigens een zeer beperkte rol speelt in deze film, verschijnen ook haar broers Michael en Garland, enkele persoonlijke huisvrienden en ex-echtgenoot Bobby Brown  voor de camera. Tezamen leggen ze de puzzel Whitney – door criticasters overigens stelselmatig Whitey genoemd, omdat ze haar zwarte roots zou hebben verkwanseld.

Macdonald zet bovendien andere accenten dan Broomfield: Whitneys al dan niet lesbische verhouding tot haar personal assistant Robyn Crawford krijgt bijvoorbeeld minder gewicht en wordt ook in een andere context geplaatst. Al met al is dus ook deze Whitney-biopic zéér de moeite waard. Als losstaand portret, maar ook als vervolg op die andere visie op de geplaagde zangeres. In sommige levens zitten nu eenmaal meerdere films.

Hated: GG Allin And The Murder Junkies

Je kunt hem punker noemen. Performancekunstenaar. Of gewoon: volledig gestoord. De openingstekst van deze geruchtmakende documentaire uit 1993 over het gewezen punkicoon laat er echter geen misverstand over bestaan. ’GG Allin is een entertainer met een boodschap voor een zieke samenleving. Hij laat ons daarnaar kijken, zodat we kunnen zien wie we zelf zijn.’

De schrijver concludeert: ‘Vergis je niet, achter wat hij doet zit beslist een brein.’ Was getekend niet minder dan John Wayne Gacy, succesvol aannemer, de ideale clown voor uw kinderfeestje en, o ja, berucht seriemoordenaar. Welkom in de verknipte wereld van GG Allin, de ideale representant van punk die nog oprecht gevaarlijk kon en wilde zijn.

Todd Philips, die later Hollywood-comedy’s als The Hangover zou regisseren, probeert het fenomeen te vatten in de ronduit onsmakelijke film Hated: GG Allin And The Murder Junkies (52 min.). Hij gaat met de ‘zanger’ en zijn band op tour door Amerika en spreekt met mensen uit zijn heden en verleden. GG zelf heeft hem verder weinig te melden. Het is met name zijn broer Merle, getooid met een uit de hand gelopen Hitlersnor, die voor duiding van deze geboren provocateur moet zorgen.

GG doet vooral van zich spreken met zijn spraakmakende performances. Wat een optreden van de held zoal inhoudt? GG schreeuwt. Slikt van alles. Spuugt. Draagt een nazihelm. Scheldt. Vecht. Dreigt met zelfmoord. Kotst. Verwondt zichzelf. Schijt. En eet dat weer op. Intussen probeert hij uit de cel te blijven. Een gemiddeld optreden beëindigt Allin helemaal buiten zinnen, zwaar bebloed en piemelnaakt. Een trouwe schare devote fans achterlatend.

Een ideale vent kortom, om te laten opdraven in de schreeuwerige talkshows waar de Amerikaanse televisie al decennia het patent op heeft. En laat het maar aan, een bijkans kwijlende, presentator Geraldo Rivera over om Allin vervolgens vakkundig ten toon stellen voor zijn kijkerspubliek van ‘average Americans’. Waarmee de punkscene reden te meer heeft om GG Allin, die later aan de verplichte heroïne-overdosis zou bezwijken, op het schild te hijsen als een vleesgeworden middelvinger.

En dat is precies wat deze film doet.

In de korte documentaire Live Fast Die: The GG Allin Story uit 2008 probeert Jay McBeth met GG’s moeder, broer en liefhebbers ene Kevin Michael Allin te vinden, de man achter deze punkvariant op een bezopen circusact.

Rabot


De drie Rabottorens in Gent doen een beetje denken aan Pruitt-Igoe, het Amerikaanse flatgebouw in Saint Louis dat halverwege de jaren vijftig werd opgeleverd als een wonder van stedenbouwkundige vernieuwing en al in 1972 letterlijk is opgeblazen. In sneltreinvaart verworden tot een niet meer te redden getto (een tragedie die is vastgelegd in de documentaire The Pruitt-Igoe Myth: An Urban History). Ook in de Rabottorens wilde je ooit wonen. Ooit. Tegenwoordig leven er vooral mensen die weinig keuze hebben.

Het aftakelingsproces heeft zich in Gent over meerdere decennia voltrokken, maar inmiddels worden de flats in de volkse Rabotwijk toch echt stelselmatig ontmanteld. De verhuisdozen gaan er bij wijze van spreken van hand tot hand. De allerlaatste bewoners zitten er intussen hun tijd uit. Ze kunnen of willen geen kant op – of kunnen niet wachten totdat ze de deur van de met vunzige en discriminerende leuzen volgekalkte lift voor de allerlaatste keer achter zich dicht mogen trekken.

In deze grijsgrauwe documentaire portretteert Christina Vandekerckhove de bewoners van één van de woontorens. Een deprimerende kolos aan de Van Cleeflaan, tevens een gewilde plek voor Gentenaren die het leven moe zijn. Met compassie vereeuwigt de Belgische filmmaakster de treurnis in Rabot (95 min.). Ze vindt er memorabele hoofdpersonen, zoals een Ghanese vrouw met enorme stemmingswisselingen en haar beschonken ex-echtgenoot, enkele (voormalige) verslaafden die vooral uit de problemen moeten zien te blijven en een hoogbejaarde man die nog steeds minutieus al zijn uitgaven noteert.

Vandekerckhove vertelt hun verhalen niet lineair, maar laat snapshots uit hun levens zien en gebruikt die als bouwstenen voor een tragische vertelling, waarbinnen de (aanstaande) sloop van de flat het onvermijdelijke einde moet vormen. Er wordt gestaard, gevreten, lawaai gemaakt, gepaft, obsessief verzameld, gesproken met consumptie en – natuurlijk! – gezopen. In een armoedig decor, waar de verf afbladdert en het behang van de muren komt.

En dan zet één van de bewoners, een oudere alleenstaande man, om de eenzaamheid te verdrijven Love Me Tender van Elvis Presley op en fabriceert Vandekerkhove er een prachtig trieste sequentie van, die nog wel even nazindert. Na ruim anderhalf uur Rabot overheerst uiteindelijk een desolaat gevoel. Van armoe en verval. Van leven dat zijn glans verliest – of gewoon nooit heeft gehad.

Cartel Land


Als het aan de huidige Amerikaanse president ligt, had er allang een muur gestaan in Cartel Land (94 min). Betaald door Mexico, vanzelfsprekend. Deze geweld(dad)ige documentaire uit 2015 dateert echter nog van ruim voor Trumps (imaginaire) afscheiding tussen de Verenigde Staten en zijn zuiderbuur, als in Mexico en het grensgebied met de Verenigde Staten ook al een bloedige drugsoorlog wordt uitgevochten.

Regisseur Matthew Heineman, die sindsdien de huiveringwekkende IS-documentaire City Of Ghosts en het vijfdelige drugsepos The Trade (een soort verdere uitwerking van Cartel Land) maakte, begeeft zich als een vlieg op de muur in het heetst van de strijd en belandt zo in hachelijke omstandigheden. Dat resulteert in talloze onvergetelijke scènes, zoals bijvoorbeeld de hardhandige arrestatie van Chaneque, de leider van het uiterst bloeddorstige Tempeliers-kartel, die ondertussen woedende dorpsbewoners van zich af moet zien te houden.

Heineman vindt ook diverse kleurrijke personages. Amerikaanse vigilantes, die het recht in eigen hand nemen en bij de grens doodgemoedereerd burgerarrestaties verrichten. En aan de andere kant van diezelfde grens volkshelden zoals de enigmatische Mexicaanse arts José Manuel Mireles en zijn rechterhand ‘Papa Smurf’, die als leiders van de Autodefensas-burgermilitie terugvechten en dorpen proberen te veroveren op het Tempeliers-kartel. Ook in deze oorlog is echter niets wat het lijkt.

Cartel Land brengt zo behalve de hardheid van de drugsoorlog ook het ambigue karakter ervan op weergaloze wijze in beeld: wie zijn eigenlijk de good guys in dit vuile gevecht om de ziel van het land? En wanneer worden de middelen om de kartels uit te roeien erger dan de oorspronkelijke kwaal?

Laila At The Bridge


In een busje gaat Laila de verschoppelingen hoogstpersoonlijk ophalen. De mannen en vrouwen liggen onder een brug, in hun zelfverkozen roes of helemaal naar de kloten. Laila Haidari, de ‘moeder van de verslaafden’, en haar broer Hakim, die zelf dertig jaar verslingerd was aan heroïne, nemen ze mee naar hun verslavingscentrum in de Afghaanse hoofdstad Kaboel. Eenmaal in het moederkamp worden de junks direct ontsmet en kaalgeschoren. Hun nieuwe leven kan – nee, moet! – beginnen.

Sinds de Amerikaanse inval in 2001 bloeien de poppyvelden als nooit tevoren in Afghanistan. Heroïne is spotgoedkoop in het land, dat geldt als de grootste opiumproducent van de wereld. Een dagelijkse dosis is ongeveer net zo duur als enkele broden – en voor menige Afghaan, geraakt door de eeuwig durende oorlog in het land, bovendien minstens zo aantrekkelijk. Vol overtuiging blijven Laila en de haren echter met de kraan open dweilen. Al zouden ze er maar één mensenleven mee redden…

Op zoek naar financiële steun banjert de daadkrachtige powervrouw in Laila At The Bridge (52 min.), een schrijnende documentaire van Elizabeth en Gulistan Mirzaei, intussen als een vrouwelijke olifant door een verder vrijwel geheel mannelijke porseleinkast. Ze raakt daarbij regelmatig de weg kwijt in de volledig gecorrumpeerde Afghaanse bureaucratie. En zo nu en dan krijgt ze anonieme telefoontjes. Van de plaatselijke drugsmaffia? Laila doet er niet moeilijk over, scheldt haar bellers ongegeneerd de huid vol en vervolgt haar missie. Intussen neemt ze de kijker voor zich in.

Unknown Brood


Provocerend gesteld: Herman Brood is de ideale rock & roller voor mensen die eigenlijk niet van rock & roll houden. Of beter: voor mensen die de rock & roll-levensstijl verkiezen boven de muziek. Zoals je hem ook de ideale kunstenaar kunt noemen voor mensen die eigenlijk niet van kunst houden. Of: de troeteljunk van mensen die drugsverslaafden het liefst uit hun eigen straat verjagen. Ik draaf door…

Regisseur Dennis Alink probeert in deze krachtige film de Unknown Brood (85 min.) te vinden, de man achter het fenomeen. Volgens eigen zeggen was die mensenschuw, sociaal onhandig en ‘allergisch voor gezelligheid’. Speed hielp hem over de drempel om ‘Herman Brood’ te worden. Zonder drugs zou hij niet oud zijn geworden, denkt zijn jongere zus Beppie zelfs. Achteraf bezien was er in zijn leven en werk altijd al een doodswens aanwezig, die in 2001 culmineerde in die fatale sprong van het Hilton.

Alink voert in zijn documentaire de gebruikelijke Brood-mythevormers op: de onvermijdelijke manager Koos van Dijk, de onvermijdelijke oud-bandleden en de onvermijdelijke biograaf Bart Chabot. Stuk voor stuk lijken ze hun bestaansrecht te ontlenen aan de jaren in het kielzog van de rock & roll junkie. Behalve zulke usual suspects komen ook intimi als Hennie Vrienten, Willem Venema en Anton Corbijn aan het woord. De echte meerwaarde zit echter bij Broods openhartige vrouw Xandra en kinderen, zijn ex-vriendin Dorien (die hem inspireerde tot Doreen) en zijn nuchtere zus. Zij openen de deur naar de Herman die Brood liever verborgen hield.

‘Herman en ik zeiden wel eens tegen elkaar dat we last hadden van een gelukkige jeugd’, beweert Beppie Brood stellig. Hij speelde in het openbaar echter liever de getormenteerde artiest, die een beroerde jeugd had gehad als loensend, gepest jongetje. Het was slechts één van de elementen van het trucje ‘Herman Brood’, dat gretig aftrek vond bij gulzige journalisten en televisiemakers, die zich hier in allerlei archieffragmenten van hun meest schaamteloze kant laten zien. Brood documenteerde daarnaast met een filmcamera zijn eigen leven. In rafelige homevideo’s tekent hij opmerkelijk afstandelijk zijn eigen aftakeling op.

Naarmate de documentaire vordert wordt het verval steeds zichtbaarder. Hij had dat zelf ook maar al te goed door. Herman wilde, in de woorden van die andere speedkikker Jules Deelder, niet eindigen als ‘een halfje Brood’. Tegelijkertijd zag hij er ook wel de (donkere) romantiek van in, getuige de vergelijking die hij in een interview trekt met de aan een overdosis bezweken stand up-comedian Lenny Bruce (van wie hij volgens de overlevering de kreet Shpritsz leende). Waarna Neerlands bekendste rock & roller uiteindelijk die al meermaals in bijzinnen, grapjes en songs aangekondigde stap in het diepe waagde en met het beëindigen van zijn leven nog eenmaal zijn imago bestendigde.

Van buitenaf bezien en met de wetenschap van nu lijkt Broods hele bestaan een soort uiting van het onvermogen om gewoon te leven. En juist dat maakt hem, en deze film die het beeld van een wankelend rock & roll-cliché behoorlijk kantelt, zo aangrijpend. Mens onder de mensen. Zelfs als je Herman Brood bent – of speelt.

Een fenomeen als Herman Brood vormt dankbaar documentairemateriaal. Rock ‘N Roll Junkie is bijvoorbeeld een klassieke docu uit 1994 over Neerlands bekendste rock & roller, gemaakt door vier overtuigde Brood-liefhebbers. Daarin zien we Brood zoals we hem kennen: cool, geil en high.

In Buying The Band, dat begin dit jaar een bescheiden hype werd in popland Nederland, is te zien hoe enkele leden van Herman Broods voormalige begeleidingsband, The Wild Romance, helemaal zijn blijven hangen in de rock & roll-lifestyle van weleer. De uiterst vermakelijke film van Teus van Sintmaartensdijk laat zien hoe ondernemer en would be-drummer Jan ’t Hoen zich inkoopt in de band en met hen onder de noemer Romanza Brava on the road gaat. De ontwikkelingen die hij zo in gang zet, zijn even voorspelbaar als komisch.

Recovery Boys

Netflix

Bedremmeld staan ze aan de rand van de dansvloer. Niemand zit toch op hen te wachten? Het hele dorp Aurora kijkt vast op hun neer. Zij, de bewoners van Jacob’s Ladder, een boerderij waar verslaafden definitief een streep onder hun woelige verleden willen zetten. Met de zorg voor dieren, noeste arbeid en de onvermijdelijke groepsgesprekken proberen ze terug te keren bij zichzelf.

Op het feest in het Amerikaanse heartland, West Viginia om precies te zijn, moeten ze wel uit de buurt van drank en drugs zien te blijven. Uiteindelijk laten Jeff, Rush, Adam en Ryan zich toch overhalen. Aan de arm van een plaatselijke vrouw zwieren ze, broodnuchter, over de dansvloer. Intussen verschijnt op hun gezicht een glimlach, die ze allang kwijt geraakt dachten te zijn.

De mannen zijn al enkele maanden clean als ze op het plattelandsfeest verzeild raken en werken gestaag aan zichzelf op de boerderij van Kevin Blankenship, die zelf een zoon heeft die ooit verslaafd was. Hun vertrek uit het veilige Jacob’s Ladder nadert. Ze hebben vertrouwen in de toekomst. Sobriety rocks my socks!, staat er ferm op de deur van één de slaapkamers.

Halverwege de indringende documentaire Recovery Boys (90 min.) van Elaine McMillion Sheldon, die eerder het voor een Oscar genomineerde Heroin(e) maakte, lijkt de toekomst de mannen eindelijk toe te lachen. Vergeten zijn het misbruik en de misère van hun jeugd en het eenzame gevecht met heroïne en coke. Ze lijken klaar voor de rest van hun leven. Maar de film is dan nauwelijks over de helft…

Over de Amerikaanse Opioid Crisis zijn in het afgelopen jaar al diverse documentaires gemaakt. McMillion Sheldons Heroin(e) focust zich bijvoorbeeld op de hulpverleners, terwijl Warning: This Drug May Kill You kijkt naar de verslaafden zelf, gewone mensen die door een wrede speling van het lot (vaak een ziekte of ongeluk) in de hoek zijn beland waar de klappen vallen.

En als je echt diep in de materie wilt duiken, de problematiek aan den lijve wilt ervaren als het ware, ga dan op zoek naar de geweldige vijfdelige documentaireserie The Trade van Matt Heineman (Cartel Land), een soort real life mash-up van Narcos en The Wire waarin alle aspecten van de drugsepidemie aan bod komen.

A Year Of Hope

IDFA

Kun je ergens achter die wezenloze blik of in dat geharde lijf het kind terugvinden dat op straat verloren is gegaan? Enkele verweesde jongens uit een sloppenwijk van de Filipijnse hoofdstad Manilla worden uitgenodigd om een jaar lang in een rehabilitatiecentrum buiten de stad te verblijven, met als doel om daar een ánder leven op te bouwen. De documentaire A Year Of Hope (57 min) van Mikala Krogh observeert hoe ze zich los proberen te maken van hun bestaan aan de zelfkant.

Slapen op een stuk karton, stelen om te overleven en lijm snuiven teneinde de altijd aanwezige honger te verdrijven. Het was misschien een desolaat leven, maar kun je er ooit helemaal van loskomen? Zeker als je lijf en geest nog de sporen dragen van volledig ontspoorde seksualiteit. Victor, een gefingeerde naam, wordt er in het centrum bijvoorbeeld op aangesproken dat hij een andere jongen onzedelijk heeft betast. Als hij zijn excuses aanbiedt, mag hij onderdeel blijven van de groep. Kan Victor die stap zetten?

Die nieuwe, liefdevolle omgeving in het Stairway Centrum, waarbij er ineens ruimte is voor sport, spel en een bezoek aan het strand, brengt de tieners uit hun evenwicht. Met wisselend resultaat. Terwijl de één na lange tijd zijn glimlach hervindt, komt een ander juist klem te zitten in de wereld die zich voor hem opent. Zijn geest lijkt alleen gewend aan gesloten deuren. In de gevoelige film A Year Of Hope bereiden ze zich voor op hun terugkeer naar de grote boze buitenwereld, fier door de voordeur of stilletjes via de achteruitgang. Waarbij alle hoop die nu opflakkert een moment later zomaar de bodem kan worden ingeslagen.

Eric Clapton: Life In 12 Bars


Nog voordat John Lennon verklaarde dat The Beatles toch echt groter waren dan Jezus en The Stones de Duivel probeerden aan te roepen, werd gitarist Eric Clapton hoogstpersoonlijk uitgeroepen tot opperwezen. De fameuze ‘Clapton Is God’-muurschildering, die in 1965 op een station in Londen verscheen, moet als een molensteen om zijn nek hebben gehangen. Want God werd – in tegenstelling tot die andere legendarische gitaarheld, Jimi Hendrix – gewoon oud. Als een doodnormale sterveling.

Hij is inmiddels in de zeventig, de rockgod van weleer. Sadder & wiser ook. In de geautoriseerde biografie Eric Clapton: Life In 12 Bars (133 min.) van confidant Lili Fini Zanuck, die door Het Uur Van De Wolf in twee delen wordt uitgezonden, wordt zijn glorieuze carrière, en het getormenteerde leven daarachter, afgepeld tot de kern: de moeizame relatie met zijn moeder, die hij tot z’n negende beschouwde als zijn oudere zus. Zij heeft nooit een serieuze poging ondernomen om een relatie op te bouwen met haar zoon. Die hechtingsproblematiek is hem een leven lang blijven achtervolgen.

Van daaruit legt Zanuck (of is het Clapton zelf?) met een weldaad aan archiefmateriaal en off screen-interviews met alle relevante passanten uit Claptons leven een direct verband met diens verdoemde liefde voor Pattie Boyd, de vrouw van boezemvriend en Beatles-gitarist George Harrison, en zijn afhankelijkheid van drugs en drank (die in 1976 tot deze pijnlijke rant over een Blank Engeland zou hebben geleid). Vanuit ongeluk zoop en snoof hij zich een ongeluk, naar de onvermijdelijke catharsis die je de hele film ziet aankomen.

En als Clapton eindelijk vrede met zichzelf en zijn leven lijkt te hebben gesloten, slaat het noodlot opnieuw toe. Het zal hem, in een tragische speling van het lot, zijn allergrootste hit opleveren: Tears In Heaven, tevens het emotionele hoogtepunt van deze krachtige film, die de afgelopen twintig jaar in het bestaan van deze maar al te menselijke man afdoet met enkele zoetsappige ‘eind goed al goed’-constateringen. En dat ‘Clapton is God’ zou trouwens wel eens een publiciteitsstunt kunnen zijn geweest, bekende hij onlangs in een interview. Of was die uitspraak opnieuw een poging om zichzelf tot menselijke proporties terug te brengen?

Kurt Cobain: Montage Of Heck


‘I hope I die before I get old’, beweerde de nog altijd springlevende Pete Townshend halverwege de jaren zestig in My Generation, het lijflied van de babyboom-generatie. De gitarist van The Who wordt deze week 73. Bij de man die ruim 25 jaar later het lijflied van de generatie X zou neerpennen, Smells Like Teen Spirit, eindigde het leven al op 27-jarige leeftijd. In 1994 voegde hij zich eigenhandig bij een club van opvallend jong gestorven pophelden.

Kurt Cobain, de man die met Nirvana hoogstpersoonlijk alternatieve rock naar MTV en het bijbehorende miljoenenpubliek bracht. Het boegbeeld van slackers in de hele wereld. En de ontheemde twintiger, een jongen nog, die worstelde met zichzelf, zijn plots verworven roem en het leven in het algemeen. In de fabuleuze biografie Kurt Cobain: Montage Of Heck(132 min.) komt regisseur Brett Morgen voorbij het stereotiepe beeld van De Getormenteerde Zanger, dat zo vaak van Cobain is geschetst, en slaagt hij erin om daarachter de kleine Kurt te vinden.

Daaraan liggen een aantal opvallende keuzes ten grondslag. Zo hanteert Morgen op het gebied van interviews stringent het ‘less is more’-principe. Waar voor de meeste popbiografieën een karrenvracht aan celebrities wordt ingevlogen, beperkt Morgen zich tot louter essentiële bronnen: Cobains moeder, vader, stiefmoeder, zus, ex-vriendin, weduwe Courtney Love en Nirvana-bassist Krist Novoselic. Zelfs Nirvana-drummer (en tegenwoordig boegbeeld van The Foo Fighters) Dave Grohl, die blijkbaar niet op tijd kon worden geïnterviewd, ontbreekt in de film. Door die scherpe keuze blijft rock & roll-bullshit achterwege en kan de film direct door naar de kern.

Bij de aankleding van zijn documentaire heeft hij zichzelf dan weer geen enkele beperking opgelegd. Met zichtbaar plezier maakt Brett Morgen – naast de gebruikelijke obligate popinterviews en enerverende concert- en studiobeelden – gebruik van Cobains dagboekfragmenten, brieven en naargeestige tekeningen, vertederende familiefilmpjes en speciaal voor de film gemaakte animaties (waarvan overigens niet iedereen gecharmeerd was). Die paart hij op virtuoze wijze aan Nirvana’s overbekende rocksongs, die daardoor van een extra dimensie worden voorzien. Alsof je ze voor het allereerst hoort. Dat lijkt me een verdienste op zich.

Uiteindelijk drijft Montage Of Heck echter op een klein menselijk verhaal: over een jongetje dat door allebei zijn ouders werd afgewezen en daarna met zijn ziel onder zijn arm, en het hart op de tong, door het leven moest. Het is maar al te goed voor te stellen dat in die door allerlei lichamelijke en psychische klachten geteisterde schreeuwzanger nog dat enthousiaste blonde menneke uit de Cobain-jeugdfilmpjes zat verstopt. Ergens onderweg is hij onherstelbaar beschadigd geraakt en de drang ontstaan tot zelfmedicatie – en, uiteindelijk, zelfdestructie.

Regisseur Brett Morgen, die onlangs een prachtige biografie maakte over een ander icoon, de beroemde primatologe Jane Goodall, slaagt erin om van het fenomeen Kurt Cobain weer een mens van vlees en bloed te maken. Terwijl hij in de laatste fase van zijn leven afglijdt in een heroïneverslaving, zet de zanger samen met zijn vrouw Courtney tegen beter weten in een kind op de wereld en blijft hunkeren naar zoiets als een traditioneel gezin. De uiteindelijke afloop staat al bijna 25 jaar vast en zindert desondanks nog wel even na.

Amy


Ja, ook zij werd slechts 27 jaar! Amy Winehouse, de Britse popdiva die de strijd verloor met haar demonen. Met haar vroegtijdige dood trad ze toe tot de zogenaamde 27 Club, een illuster rijtje popgrootheden dat op 27-.jarige leeftijd het tijdelijke voor het eeuwige verwisselde: Kurt Cobain (Nirvana), Janis Joplin, James Morrison (The Doors) en Jimi Hendrix zijn (helaas) ook lid. De komende vrijdagen herhaalt de NPO documentaires over deze getroebleerde helden, die veel te jong stierven en zo (?) een heldenstatus verwierven. Te beginnen dus met Amy.

‘They tried to make me go to rehab’, zingt ze met die karakteristieke diepe stem in haar grootste hit Rehab. ‘But I said no, no, no.’ Het bleken profetische woorden. Afkicken van drank en drugs zou er uiteindelijk niet inzitten voor Amy Winehouse. Ze liet zich met huid en haar verslinden, in de ban van een soort onontkoombare zelfdestructie. En dat zie je ruim twee uur aankomen in Asif Kapadia’s meeslepende portret van de Britse zangeres, dat hem in 2016 een Oscar voor beste documentaire opleverde.

Waarom? Daarnaar kunnen we alleen gissen. Was het die dodelijke onzekerheid en verlegenheid, die zo contrasteerde met het sterrendom? Haar moeizame verhouding met vader Mitch, die zijn dochter rücksichtslos zou hebben geëxploiteerd (en naderhand woest was op de maker van deze film)? Of toch die foute ex-man Blake Fielder-Civil, die haar steeds weer meetrok in het drijfzand van verslaving? Een eenduidig antwoord geeft Amy niet. En dat is frustrerend. Alsof de eindbestemming, een roemloos (?) einde in fatale dronkenschap, allang vaststond en alleen de precieze weg ernaartoe nog moest worden uitgestippeld.

Met een weldaad aan archiefmateriaal maakt Kapadia Winehouses onvermijdelijke afdaling naar de hel voelbaar. Hij ondersteunt de opgediepte jeugdfilmpjes, radio-optredens, interviews, concerten en paparazzi-beelden met quotes van enkele zorgvuldig uit haar directe omgeving geselecteerde bronnen, zoals haar vader en echtgenoot. De geïnterviewden blijven letterlijk buiten beeld. Alle aandacht is gericht op de tragische figuur Amy, die net als Kurt, Janis en Jimi uitgroeide tot een popicoon, waarbij een achternaam overbodig is geworden.

Dit is iemand die wilde verdwijnen, zegt rapper Mos Def nochtans, met gevoel voor drama, in deze upppercut van een film. Of, zoals Winehouse het zelf treffend zingt in haar andere grote hit, Back To Black, waarin je sinds haar dood in 2011 allerlei betekenissen kunt terugvinden: ‘I’ll go back to black.’

The Land Of The Enlightened


Wat is er over van het land dat we in de afgelopen decennia zijn gaan associëren met Osama Bin Laden, de Taliban en oorlog, altijd weer oorlog? Afghanistan moet zo langzamerhand toch helemaal kapot geschoten zijn? De Gentse fotograaf Pieter-Jan de Pue laat in zijn eerste documentaire The Land Of The Enlightened (90 min.), waaraan hij ruim zeven jaar werkte, zien dat er achter de steeds weer oplaaiende gevechten nog altijd een land van weldadige schoonheid schuilgaat.

Hij toon Afghanistan aan de hand van een groepje kinderen dat, onder de leiding van de veertienjarige Gholam Nasir, door het land trekt. Gholam wil, door het vergaren en verhandelen van lapis lazuli-edelstenen en ruwe opium, een soort bruidsschat verzamelen voor zijn geliefde en uiteindelijk koning van het land worden. Dit mythische verhaal, dat zich afspeelt in het schemergebied tussen feit en fictie, is gesitueerd in een land dat nog altijd is verscheurd door de oorlog.

Het decor voor die wat surrealistische vertelling is adembenemend: weelderige bergen, fleurige poppyvelden en prachtige, met sterren bezaaide luchten. Bij sommige scènes, geschoten op 16mm-film, waan je je enkele eeuwen terug in de tijd. Alsof de troepen van Dzjengis Khan elk moment het beeld in kunnen rijden. Op de achtergrond is er echter altijd die 21e eeuwse oorlog, in de vorm van controleposten, Amerikaanse militairen en zo nu en dan een kleine uitbarsting van geweld.

Faithfull


‘I sit and watch as tears go byyy-hyyy-hyy-hyyy.’ Dat catchy refrein, speciaal voor haar geschreven door Mick Jagger en Keith Richards, raakt ze nooit meer kwijt. Marianne Faithfull, de onwillige (?) hoofdpersoon van dit traditioneel opgezette en met veel fraai archiefmateriaal aangeklede portret, zingt ’t ruim een halve eeuw later nog steeds.

Van het bevallige en brave meisje, dat in 1964 werd gelanceerd door de gewiekste Rolling Stones-manager Andrew Loog Oldham, is echter weinig meer over. De tranen hebben een spoor door haar leven en gezicht trokken. De gemakkelijke verklaring daarvoor is Mick Jagger, de man aan wie ze eerst vol-le-dig verslingerd raakte en daarna he-le-maal kapot ging. Totdat ze als de eerste de beste junk op een hoek van de straat belandde.

Sister Morphine, het nummer dat zij schreef en dat The Stones bekend maakten, is echter niet autobiografisch, zo bezweert ze in het wat brave Faithfull (61 min.) van de Franse actrice/regisseuse Sandrine Bonnaire. Na Jagger raapte ze zichzelf bij elkaar en vervolgde haar pad als een vrouw van het leven, met zwaar doorrookte stem en meer dan genoeg levenservaring voor een interessant muzikaal oeuvre.

Baltimore Rising

HBO

Als ons collectieve geestesoog een beeld oproept van het slagveld dat de Amerikaanse ‘war on drugs’ heeft veroorzaakt, dan belandt het vast onwillekeurig in de verloederde wijken van Baltimore, Maryland. Met dank aan schrijver David Simon, die de gevaarlijke straathoeken en bijbehorende drugshandel vereeuwigde in twee genadeloze non-fictie boeken, Homicide en The Corner, en zijn magnum opus, de veelgeprezen televisieserie The Wire.

In de degelijke documentaire Baltimore Rising (93 min.) van Sonja Sohn, die de politieagente Shakima ‘Kima’ Greggs speelde in The Wire, blijkt Simons centrale thema, de stelselmatige vertrapping van de zwarte onderklasse, bijna vijftien jaar later nog altijd springlevend. Nadat de 25-jarige Freddie Gray in 2015 sterft door hardhandig politie-optreden wordt Baltimore, dat jaarlijks hoge ogen gooit bij de verkiezing van Amerika’s moordhoofdstad, het strijdtoneel voor protesten van de Black Lives Matter-beweging.

Tegen de achtergrond van de processen tegen de agenten die betrokken waren bij de fatale arrestatie van Gray, volgt Sohn enkele activisten, agenten, buurtwerkers en de nieuwe politiecommissaris van Baltimore. Zo maakt ze de verschillende strategieën – confrontatie of juist verzoening? – voor hoe de crisis in hun stad moet worden aangepakt inzichtelijk, zonder dat dit tot wezenlijk nieuwe vergezichten of een echt dramatische ontknoping leidt.

Meth Storm

HBO

Ze heeft een zogenaamde ‘sepmoel’. Zo’n ingevallen mond, waaruit alle tanden allang zijn weggerot. Die moel kampt bovendien met een ongecontroleerd om zich heen likkende tong. Over schrale lippen, natuurlijk. Veronica Converse is pas 43 jaar oud, maar leeft al ruim zeventien jaar met een verslaving aan metamphetamine en oogt daardoor volledig afgetobt.

Ook haar twee ‘white trash’-zoons Teddy en Daniel zetten regelmatig een spuit, begeven zich in schimmige deals om hun naaldinhoud te financieren en proberen daarnaast uit handen van de plaatselijke Drugs Task Force te blijven. Intussen zorgt de gedegenereerde familie Converse uit Alabama gezamenlijk, op de een of andere manier, nog voor enkele kleinkinderen.

Nee, Meth Storm (96 min.) vertelt geen opwekkend verhaal. Vanuit de zuidelijke plattelandsstaat belicht de film de ‘opioid crisis’ die overal in de Verenigde Staten wild om zich heen grijpt. De filmende broers Brent en Craig Renaud kijken daarbij zowel naar de dealende en gebruikende armoezaaiers als naar de politieagenten, die hen proberen in te rekenen en zo bij de verantwoordelijke Mexicaanse drugskartels willen komen.

De verwoestende harddrug crystal meth lijkt in dit stukje vergeten Amerika zowel symptoom als veroorzaker van een heleboel ellende; armoede en gebrek aan perspectief hebben geleid tot massale zelfmedicatie via de naald, die als vanzelf weer tot collectieve armoede en een totaal gebrek aan perspectief leidt. De complete gemeenschap gaat eraan kapot. Mensen, die voorheen elkaars vrienden of buren waren, komen in deze rauwe, compromisloze film lijnrecht tegenover elkaar te staan.

Chasing Trane


Halverwege de jaren vijftig lijkt zijn kostje gekocht. John Coltrane heeft een plek bemachtigd in de band van jazzlegende Miles Davis. De wereld ligt open voor de Amerikaanse stersaxofonist. Net als veel andere grootheden uit zijn metier heeft hij echter één probleem: die godvergeten naald. Eerder werd hij al eens door Dizzy Gillespie ontslagen vanwege drugsgebruik.

Coltrane heeft geen keuze, zo realiseert hij zich. Hij moet afkicken en gaat dus ‘cold turkey’, waarna hij zonder die eeuwige aap op zijn rug z’n loopbaan vervolgt. ‘Trane’ komt terecht bij alweer een jazzicoon (Thelonious Monk), start een solocarrière en mag later zowaar terugkeren bij Davis om het legendarische album Kind Of Blue op te nemen. Hij is terug van eigenlijk nooit weggeweest. Op weg naar muziek waarin hij ziel en zaligheid kan leggen, vereeuwigd op de langspeler A Love Supreme.

Chasing Trane (84 min.) van John Scheinfeld is een liefdevol portret van de ongrijpbare saxofonist, waarbij acteur Denzel Washington een stem geeft aan Coltrane zelf, met teksten uit interviews en liner notes. Hij wordt in de rug gedekt door een keur aan Amerikaanse prominenten; zijn jazzcollega’s Sonny Rollins en Jimmy Heath, de Afro-Amerikaanse intellectueel Cornel West, amateursaxofonist (en o ja, oud-president) Bill Clinton en popmuzikanten zoals Carlos Santana, Common en John Densmore (The Doors).

Hun verhalen en bespiegelingen, gepaard aan Coltranes weldadige muziek en fraaie archiefbeelden van de man in topvorm, schetsen een gloedvol beeld van de rasmuzikant, die op veertigjarige leeftijd overleed en in 1992 postuum een Grammy Lifetime Achievement Award kreeg.

The Day I Met El Chapo

Netflix

Ze speelt de rol van haar leven. Kate del Castillo droomde jarenlang van een doorbraak in Hollywood. De Mexicaanse soapactrice vond uiteindelijk een mecenas in Joaquín Guzmán Loera. Ofwel: de beruchte drugsbaas met zijn eigen televisieserie, El Chapo. Hij bezorgde haar de onbetwiste hoofdrol in de driedelige documentaire The Day I Met El Chapo (162 min.).

Sean Penn speelt daarin de bad guy. De Amerikaanse steracteur stuurde Del Castillo’s plannen om op El Chapo’s verzoek een speelfilm over zijn leven te maken helemaal in de war. Tijdens de eerste ontmoeting van het drietal bleek hij haar erin te hebben geluisd. Penn wilde helemaal geen film maken, hij wilde gewoon een interview met de meest gezochte crimineel van de wereld, die even daarvoor met veel bombarie uit de gevangenis was ontsnapt.

Guzmán Loera had haar persoonlijk uitgenodigd, vertelt Del Castillo in een van de vele zorgvuldig geënsceneerde en (melo)dramatische scènes van deze documentaire. El Chapo mag dan verdacht worden van betrokkenheid bij tientallen moorden. In zijn handgeschreven brief aan haar liet hij zien dat hij wel degelijk een ‘goei hartje’ heeft. Aldus een vereerde Kate, die drugshandel verder natuurlijk absoluut niet wil vergoelijken.

En zo rijgen de ‘spannende’ en ‘ontroerende’ momenten zich aaneen in deze uiterst zepige docu over de ontmoeting tussen de hedendaagse The Good (de onverschrokken femme fatale Kate del Castillo, tevens executive producer van deze film), The Bad (de Mexicaanse meesterbandiet met de Robin Hood-achtige allure en een zwak voor aantrekkelijke soapsterren) en The Ugly (dat miezerige Amerikaanse acteurtje met zijn gladde praatjes en ook al een zwak voor aantrekkelijke soapsterren, Sean Penn).

Penn verzet zich inmiddels met hand en tand tegen de rol die hem is toebedeeld in deze, op een welhaast perverse manier fascinerende film. Hij wordt neergezet als de man die de beruchte drugsbaas, die na zijn spectaculaire ontsnapping weer werd opgepakt, zou hebben verraden. Kate del Castello kan de kijker echter recht in de ogen kijken. Dat doet ze dan ook regelmatig.

Op basis van haar gedenkwaardige hoofdrol in The Day I Met El Chapo komt de actrice, die zich nog altijd niet te groot voelt voor een soaprol, bovendien beslist in aanmerking voor een Oscar.

Heroin(e)

Netflix

Terwijl in Nederland de gebruikers van heroïne zienderogen lijken te vergrijzen en de bijbehorende problematiek dus waarschijnlijk ook op zijn retour is, maakt de harddrug in de Verenigde Staten een heuse revival door. De zogenaamde ’Opioid Epidemic’ laat nu op het allerhoogste niveau alarmbellen afgaan.

De korte documentaire Heroin(e) (39 min.) van Elaine McMillion Sheldon brengt in beeld hoe die crisis huishoudt in Huntington, West Virginia, de overdosishoofdstad van de VS. In de arbeidersgemeenschap, waar de economische crisis flink heeft huisgehouden, sterven jaarlijks tienmaal zoveel mensen aan een overdosis als in de gemiddelde Amerikaanse stad.

Het lijkt dweilen met de kraan open voor de drie vrouwen (een hulpverlener, rechter en christelijke vrijwilliger) die in deze rechttoe rechtaan documentaire worden gevolgd. Stuk voor stuk blijven ze, in een omgeving waarin gezondheidscrises en incidenten aan de orde van de dag zijn, op zoek naar de mens in de verslaafde.

Ook als ze, zoals de christelijke vrouw die ooit met bijbelcitaten prostituees probeerde te helpen, eigenlijk niet begrijpen waarom heroïne zo machtig is. Het is ‘alsof je Jesus een kus geeft’,  heeft een verslaafde vrouw haar toevertrouwd. Toen was het kwartje gevallen. Het zijn dergelijke menselijke momenten, gepaard aan de hectiek van crisissituaties, die van Heroin(e) een treffende film maken.

Whitney: Can I Be Me

Showtime

Je kunt het meisje wel uit ‘the hood’ halen, maar haal je ‘the hood’ daarmee ook uit het meisje? Whitney Houston, de zwarte zangeres die in de jaren tachtig werd verkocht als een blanke popster, kon er eigenlijk geen vrede mee hebben. Mag ik alstjeblieft mezelf zijn?, schijnt ze regelmatig te hebben gevraagd.

De aangrijpende documentaire Whitney: Can I Be Me (100 min.) van Nick Broomfield en Rudi Dolezal komt achter de facade van het wereldwijde fenomeen Whitney Houston en richt zich op het meisje met de koosnaam ‘Nippy’, dat opgroeide in een volksbuurt van Newark en daar een tragische voorliefde voor drugs opdeed.

Whitney: Can I Be Me is te vergelijken met de Oscar-winnende film over de Britse zangeres Amy Winehouse, die eveneens aan een langverwachte overdosis overleed. Eigenlijk vind ik deze documentaire zelfs beter omdat ie er ook echt in slaagt om Houstons onvermijdelijke ondergang te duiden.

Hoewel diverse familieleden en direct betrokkenen van de zangeres, onder wie haar zingende moeder Cissy Houston, aan het woord komen is Whitney een ongeautoriseerde film. Kevin MacDonald (Marley) werkt intussen aan een officiële documentaire over de zangeres, die ook binnen afzienbare tijd moet uitkomen.