Gonzo: The Life And Work Of Dr. Hunter S. Thompson

HDNet Films

‘Hij omschreef mij als een halfgekke Davy Crocket die bij de borstweringen van Nixon’s Alamo rondrende’, zegt Pat Buchanan, de oerconservatieve speechschrijver van de Republikeinse president Richard Nixon, met een besmuikte glimlach.

‘Hunter deed me denken aan Mark Twain’, stelt collega-schrijver Tom Wolfe. ‘Hij was een verslaggever met een ongelooflijke fantasie. Hij probeerde je ook niet voor de gek te houden. Je wist onmiddellijk dat hij de realiteit filterde door wat hijzelf “Gonzo” noemde.’

‘Ik kon niet in Fear And Loathing On The Campaign Trail ’72 lezen, zonder hardop in lachen uit te barsten’, vertelt de voormalige Democratische presidentskandidaat George McGovern over Thompsons boek over de verkiezingen van 1972.  ‘Het was de meest accurate en minst feitelijke weerslag van die campagne’, vult zijn politieke strateeg Frank Mankiewicz aan.

‘Hij werd één van de grootste schrijvers die Amerika ooit heeft voortgebracht’, zegt Sonny Barger, die met zijn Hells Angels-motorclub nietsontziend werd geportretteerd in Thompsons eerste boek. ‘In mijn ogen was het overigens nog steeds een ontzettende schoft.’

De naam Hunter S. Thompson (1939-2005) wordt nog altijd omgeven door legendes: gebeurtenissen die te gek voor woorden waren, uitvergrotingen van de werkelijkheid of gewoon smakelijk geserveerde broodjes aap. Waarin hij het ‘larger than life’-personage Dr. Hunter S. Thompson kon spelen – of kreeg toebedeeld. De glorieuze verzinner van zijn eigen ‘waargebeurde’ verhalen, waarbij de duffe realiteit was verrijkt met fictieve, al dan niet door geestverruimende middelen ingegeven elementen.

In het postume portret Gonzo: The Life And Work Of Dr. Hunter S. Thompson (120 min.) uit 2008 waadt Alex Gibney met zijn twee echtgenoten Sondi Wight en Anita Thompson, zoon Juan, ‘s mans biograaf Douglas Brinkley, Rolling Stone-uitgever Jann Wenner, oud-president Jimmy Carter en illustrator Ralph Steadman (die via Thompson kennismaakte met drugs en daarna helemaal losging in zijn tekeningen) door het moeras van feit en fictie dat de (new) journalist van zijn leven en werk heeft gemaakt.

Thompson zelf komt aan het woord via zijn geschriften, ingesproken door acteur Johnny Depp (die hem vertolkte in de Terry Gilliam-film Fear And Loathing In Las Vegas). ‘He was a cheap crook and a merciless war criminal who bombed more people to death in Laos and Cambodia than the US army lost in all of World War Two’, schreef hij bijvoorbeeld over Richard Nixon. Hij verachtte de Republikeinse president. ‘He was so crooked that he needed servants to help him screw on his pants every morning.’

Met zulk basismateriaal, waarbij alleen de verkiezingscampagne van 1972 en Thompsons bizarre rol daarin als brenger van bezopen ‘fake news’ al een film op zich waard is, lijkt het voor regisseur Alex Gibney vooral een kwestie van niet in de weg lopen. Hij leukt de verwikkelingen op met allerlei catchy hitjes, houdt de vaart in de vertelling en stuurt tenslotte aan op een dubbele ‘shoot out’ die de man zelf, als ongegeneerde wapenfreak, al jaren van tevoren had uitgeschreven.

The Real Bling Ring: Hollywood Heist

Netflix

Voor de liefhebber is dit een goed verhaal: losgeslagen Amerikaanse tieners breken in bij beroemdheden als Paris Hilton, Orlando Bloom en Lindsay Lohan en maken vervolgens de blits met de luxe spullen die ze daar buit hebben gemaakt. Dat verhaal is dan ook al eens verfilmd, door Sofia Coppola als The Bling Ring (2013). Nu is er een driedelige documentaireserie die dan weer het echte verhaal achter de speelfilm belooft te vertellen: The Real Bling Ring: Hollywood Heist (145 min.).

Regisseur Miles Blayden-Ryall verlaat zich daarvoor vooral op het persoonlijke relaas van twee van de betrokken inbrekers, Nick Prugo en Alexis Neiers. De andere leden van de jeugdbende wilden niet meewerken aan deze nieuwe versie van dat oude verhaal. Met nauwelijks verholen trots loopt Prugo hun strooptochten door de huizen van ‘the rich and famous’ door, zijn voornaamste ‘claim to fame’. Neiers kiest eerder de positie van onwillige participant, die in eerste instantie nauwelijks doorheeft waar ze in hemelsnaam in terecht is gekomen.

Blayden-Ryall dient dit moderne schelmenverhaal op met gelikte reconstructiescènes, beeldgrapjes en slicke muziekjes, introduceert een aalgladde makelaar als geinig bedoelde gids voor Los Angeles en probeert de gebeurtenissen verder te linken aan een wereld die door, om maar wat te noemen, het exhibitionistische celebrity-programma Cribs, realityseries als The Osbournes en Paris Hiltons sextape veel bevattelijker is geworden voor roem als doel op zich. Zonder dat er nog enige vorm van talent of kwaliteit tegenover hoeft te staan.

Zelfs een mediagenieke inbreker kan in die wereld het grote publiek bereiken. Sterker: op het moment dat ze wordt gearresteerd, spelen Alexis en haar moeder en beste vriendin net de hoofdrol in hun eigen realityshow, Pretty Wild. De arrestatie zelf hebben ze alleen niet op camera. Die moet dus even over. Waarbij de cameraman alvast binnen wacht totdat de politie – in werkelijkheid: producers van de show – bij hen aanklopt. Volgens Alexis was het traumatisch om juist deze gebeurtenis opnieuw te moeten doen.

Behalve over haar eigen realityserie is zij ook niet te spreken over hoe Sofia Coppola haar in The Bling Ring heeft geportretteerd. Alexis vindt het frustrerend, zegt ze, dat juist zij wordt gespeeld door de bekendste acteur, Emma Watson. Nick vindt dan weer dat hij hét gezicht had moeten zijn van die film. Als hij zelf had mogen kiezen, zegt hij met een stalen gezicht, had hij zichzelf door een ‘superjonge Tom Cruise’ laten spelen. Zo blijven de twee hoofdpersonages ook in deze nieuwe productie netjes in hun rol.

Hoewel één van hun slachtoffers, actrice Audrina Patridge (The Hills), glashelder maakt wat de inbraak bij haar teweeg heeft gebracht, wordt deze miniserie daardoor toch een soort glorificatie van wat deze dekselse Hollywood-kids allemaal hebben uitgevreten. Waarna automatisch aan de orde komt wat daarvan de gevolgen voor henzelf zijn geweest – die ze nu voor Blayden-Ryalls camera weer tot in detail mogen opdissen en herbeleven. Dit heeft een soort dubbelheid, die deze serie al dan niet bewust lijkt op te zoeken.

Het komt allemaal samen in een ingenieuze slotscène, waarbij Nick Prugo’s advocaat het laatste woord claimt. ‘Die tieners wilden alles doen voor de waardering die ze zo graag wilden van anderen’, slaat hij de spijker op zijn kop tegenover de documentairemaker: ‘En met deze film heb je ze gegeven wat ze toen wilden.’

Winona Ryder – Fighting Demons

AVROTROS

Eigenlijk was ze al afgeschreven. Toen Winona Ryder in 2001 werd betrapt op winkeldiefstal leek de acteercarrière, die haar in de jaren negentig in kaskrakers zoals The Age Of Innocence, Reality Bites en Girl, Interrupted had gebracht, abrupt tot stilstand te komen. Na een periode in de luwte pakte ze haar stiel echter weer op. En in de afgelopen jaren scoorde ze zelfs een onverwachte hit met de Netflix-serie Stranger Things, een geinige eightiespastiche.

In Winona Ryder – Fighting Demons (53 min.) loopt Lukas Hoffmann keurig Ryders leven door. Dat begint in een hippieachtige commune in Mendocino County, Californië, waar ze te midden van sixties-iconen als Aldous Huxley, Allen Ginsberg en Timothy Leary opgroeit. Als vervolgens haar filmcarrière op gang komt, ruilt Winona haar oorspronkelijke achternaam (Horowitz) in voor een artiestennaam (Ryder) en kan haar leven als ster beginnen. in grote Hollywood-producties en gearmd met een andere ster, zoals Johnny Depp, Dave Pirner (Soul Asylum) of Matt Damon.

Dat blijkt alleen geen recept voor een rimpelloos leven. Ryder komt te boek te staan als ‘fragiel’ en kampt met slapeloosheid, angst en depressie. Althans, als we de sprekers in deze tv-docu mogen geloven: biograaf Nigel Goodall, regisseur David Seltzer, filmjournalist Violet Lucca, actrice Karron Graves en de hosts van de podcast Winona Forever. En daar zit meteen het zwakke punt van dit portret: het zijn louter secundaire bronnen die de mens achter de beroemdheid moeten schetsen. En zij komen dus niet veel verder dan de gebruikelijke gemeenplaatsen.

Verder is het door een kloeke verteller bijeengehouden Fighting Demons aangekleed met een hele zwik filmfragmenten, enkele oude promotie-interviews met de hoofdpersoon en tamelijk schreeuwerige animaties, die nogal uit de toon vallen. Zo is er voor de liefhebber die zich nog eens aan Ryders uitgesproken filmografie wil verlustigen in elk geval meer dan genoeg te kijken.

Johnny vs Amber

Discovery+

Als vrouwenmepper heeft hij in het post #metoo-tijdperk eigenlijk geen toekomst meer in de filmindustrie. En dus sleept acteur Johnny Depp de Britse krant The Sun, die allerlei verhalen over zijn vermeende gewelddadige gedrag heeft gepubliceerd, voor het gerecht. Daar komt hij oog in oog te staan met zijn voormalige echtgenote, de actrice Amber Heard, de vrouw die hem van huiselijk geweld beschuldigt. Een typisch Zij Zegt/Hij Zegt-verhaal, dat voor buitenstaanders niet is te beoordelen. Al is dat voor menigeen – blijkbaar – geen enkel beletsel om het tóch, vaak zonder enige terughoudendheid, te doen.

De hele wereld kan/mag/moet dus meegenieten van Johnny vs Amber (95 min.), een epische echtelijke ruzie die voor het oog van zo’n beetje de halve mensheid wordt uitgevochten. Vuil, onsmakelijk en – blijkbaar – onweerstaanbaar. Want wij, gewone stervelingen, krijgen – blijkbaar – nooit genoeg van oorlog tussen de sterren. Tromgeroffel. Van Tom Cruise/Nicole Kidman, Brad Pitt/Angelina Jolie en Kanye West/Kim Kardashian tot – God betere dit! – Dré Hazes/Monique Westenberg, Marco Borsato/Leontine Ruiters en Lil’ Kleine/Jaimie Vaes.

In z’n film over Depp/Heard splitst regisseur Eliana Capitani de zaak van het Hollywood-paar op in twee delen: Johnny’s versie en Ambers versie. Onder het mom van ‘Who is lying? And who is telling the truth?’ Dat klinkt als een héél slecht idee, maar valt in de praktijk eigenlijk nog best mee. De inhoud is relatief serieus, de toon relatief ingetogen. Geen al te ranzige tabloid-tv dus – al voel je je als kijker natuurlijk tóch een voyeur. Ook omdat je nooit écht in de zaak zelf kunt kijken – als je dat al zou willen – en de naakte feiten kunt beoordelen. Nog afgezien van het feit dat dit ook helemaal niet je taak is, als Onbekende Nederlander.

Dan rest vooral verbazing over dit ongegeneerde ‘trial by media’ in het likkebaardende ‘court of public opinion’, dat met scherp formulerende medestanders, advocaten, privédetectives en de onvermijdelijke entertainment-deskundigen en een smoezelige grabbelton vol persoonlijke berichten en (stiekeme) beeld- en geluidsopnamen wordt opgetekend. Zo lijkt Johnny vs Amber een bijzonder onappetijtelijk portret van een gewezen droomkoppel te schetsen, maar in werkelijkheid zijn wij het zelf, de zichzelf aan alles wat maar naar ‘celebrity’ ruikt vergapende meute, die onder het vergrootglas en aan de leugendetector liggen.

En zo bezien is dit tweeluik niets minder dan een teken van deze tijd: het met afgewend hoofd voorzichtig oplichten van de deksel van een gezamenlijke beerput, waarvan je uiteindelijk zelfs met dichtgeknepen neus licht onpasselijk wordt.

Johnny Par Johnny

Netflix

Johnny Hallyday? Een nep-Elvis, de Franse evenknie van Rob de Nijs, een halfbakken Jean-Paul Belmondo. Zoiets. Niet geïnteresseerd. En dan start de vijfdelige docuserie Johnny Par Johnny (172 min.), een portret van de Franse zanger/acteur. ‘Was er ooit een dag dat je trots op jezelf was?’ wil een interviewer, te midden van een flashy montage van hoogtepunten uit ‘s mans lange loopbaan, weten in de openingsscène. ‘Weet ik niet. Nooit over nagedacht.’

De interviewer vraagt door: ‘Een dag waarop je van jezelf walgde?’ Johnny Hallyday (1943-2017) denkt even na terwijl zijn gesprekspartner hem een ontboezeming probeert te ontlokken. ‘Ja’, zegt hij te langen leste, ogenschijnlijk schuldbewust. ‘Daar baal je vast van’, houdt de interviewer aan. ‘Nee’, antwoordt Hallyday ferm. Hij laat vervolgens zijn tanden zien. Een glimlach. Soort van. En dan is het zover: ook de niet Hallyday-fan is helemaal verkocht.

Nog bijna drie uur te gaan. Van dat ongenaakbare gelaat. De onmiskenbare oerkracht daarachter. En, niet te vergeten, als spiegel van een getormenteerde ziel: die ogen. Helblauw. Hard. Dodelijk, als het moet. In deze serie snijden de makers Alexandre Danchin en Jonathan Gallaud interviewfragmenten uit allerlei tijdsgewrichten dwars door elkaar heen. Zoveel verschillende incarnaties van Johnny. Elke keer nét anders. En toch precies hetzelfde. Onweerstaanbaar.

James Dean, Herman Brood, Elvis in Vegas, Mad Max en Johnny Cash ineen. Een onverbeterlijke meidengek, drinkebroer, cokesnuiver, brokkenpiloot, tabloidster, potsenmaker, has-been, rijpe man, pseudo-Hells Angel en megalomane rockster. In een groter dan grootst leven kreeg hij, tussen alle optredens, affaires en drinkgelagen door, ook nog te maken met belastingontduiking, een zelfmoordpoging, Russische roulette, een auto-ongeluk en een mislukte Amerikaanse droom.

Alle hoogte- en dieptepunten hebben hun plek gevonden binnen een hallucinante, bombastische en opwindende vertelling, ingekaderd met off screen-quotes van mensen die de man achter de ster hebben leren kennen. Het turbulente leven van Jean-Philippe Smet, alias Johnny Hallyday, dat doortrokken lijkt te zijn geweest van pure doodsverachting of -drift – tis maar hoe je ernaar kijkt – en dat hier met ontzettend veel bravoure wordt opgediend.

Tiny Tim: King For A Day

Man, vrouw, volwassene en kind. Ze gingen allemaal in de blender, volgens Susan M. Khaury Wellman. En eruit kwam Tiny Tim, alias Herbert Butros Khaury (1932-1996), een performer met een uitgesproken ‘seksuele, politieke en etnische ambiguïteit’. Susan wist het meteen: met Tim wil ik trouwen. Hij was alleen ‘half-homo’, maar dat ging volgens haar meer om identiteit dan om seksuele voorkeur. 

Niemand kon in elk geval zo overtuigend zingen op ‘the sissy way’. Tim begon in de jaren vijftig op te treden te midden van andere toenmalige misfits, zoals Het Armloze Wonder en De Scherpschutter Zonder Handen. Hijzelf werd destijds De Menselijke Kanarie genoemd. Nee, echt serieus werd de androgyne artiest, met die nét iets te hoge stem en zijn eeuwige ukelele, toen niet genomen. Totdat Tim een plek vond binnen de tegencultuur van de jaren zestig en als cultfiguur een graag geziene gast in allerlei televisieprogramma’s werd. Op het gênante af.

In Tiny Tim: King For A Day (75 min.) roept regisseur Johan von Sydow de wondere wereld van deze welhaast vergeten ‘freak’ uit New York op. Hij maakt daarbij gebruik van heel persoonlijke dagboekfragmenten van zijn protagonist, die worden ingelezen door diens geestverwant ‘Weird Al’ Yankovic. Von Sydow ondersteunt Tims gedachtewereld bovendien met fantasievolle zwart-wit animaties. Zo worden kerngebeurtenissen uit zijn veelbewogen verleden opgehaald en ook de sombere binnenkant van de extraverte publieke persoonlijkheid inzichtelijk gemaakt.

Deze inkijkjes in het leven van de excentriekeling worden gestut door interviews met zijn weduwe, dochter, neven, jeugdliefde, vrienden, muzikanten, manager, biograaf en de voorzitter van de Tiny Tim-fanclub. Ook zij herkenden in de flamboyante performer een getormenteerde ziel. Die raakt in de tweede helft van dit empathische portret langzaam uit de gratie en verwordt dan tot een tamelijk deerniswekkende figuur. Volgens schrijver Will Friedwald heeft hij nochtans hoogstpersoonlijk het pad geëffend voor androgyne sterren als David Bowie, Prince en Boy George.

Behalve een charmant portret van een eigenzinnige entertainer werkt Tiny Tim: King For A Day ook als aanklacht tegen het soms ontzettend cynische talkshowcircuit, dat buitenbeentjes eerst enthousiast binnenhaalt, daarna helemaal uitmelkt en tenslotte achteloos dumpt. Als ‘koning’ van de dag, een wegwerpproduct met een beperkte uiterste houdbaarheid. Zo bezien krijgen Tims bezoekjes aan de show van Johnny Carson zelfs bijna een wreed karakter. Geamuseerd kijkt Amerika’s bekendste talkshowhost steeds toe hoe zijn gast zichzelf keer op keer te kijk zet.

My Darling Vivian

mydarlingvivian.com

In de geschiedschrijving is ze gereduceerd tot een soort voetnoot in het leven van zanger Johnny Cash. De vrouw die hij uiteindelijk zou inruilen voor de flamboyante June Carter. Exemplarisch is in dat verband de Cash-biopic Walk The Line uit 2005, waarin Joaquin Phoenix en Reese Witherspoon een onweerstaanbaar koppel neerzetten als Johnny en June. Zij, Vivian Liberto, kreeg in die Hollywood-hit een volstrekt ondergeschikte rol toebedeeld: die van de ontevreden echtgenote die achterbleef met vier dochters terwijl Zij de wereld veroverden.

Rosanne, Kathy, Cindy en Tara belichten datzelfde verhaal nu eens vanuit het perspectief van My Darling Vivian (90 min.), hun moeder die dertien jaar getrouwd was met The Man In Black en de rest van haar leven in de schaduw van Johnny en zijn nieuwe vlam, die soms ook nog doodgemoedereerd haar kinderen claimde, zou blijven staan. Zoals treffend vervat in die ene pijnlijke krantenkop: was Johnny Cash’s eerste vrouw zwart? Dat gerucht had ook ten tijde van hun huwelijk al de ronde gedaan en moest toen, vanwege aanhoudende bedreigingen vanuit de Ku Klux Klan, officieel worden ontzenuwd.

De vier zussen Cash krijgen in deze boeiende, soms wat talky film alle gelegenheid om zulke misverstanden recht te zetten en Vivian weer de plek te geven in het leven van hun vader die haar stelselmatig is onthouden. Regisseur Matt Riddlehoover omlijst hun persoonlijke herinneringen met een ontzaglijke hoeveelheid homevideo’s waarin nu eens de vrouw des huizes de hoofdrol krijgt en niet haar voormalige echtgenoot, aan wie ze haar hele leven verknocht zou blijven. In die zin biedt deze documentaire tevens prima tegenwicht aan The Gift: The Journey Of Johnny Cash, waarin ook Johnny’s relatie met June kundig van z’n glamourrandje is ontdaan.

Vivian Liberto, die enkele jaren na de scheiding van haar grote liefde zelf hertrouwde met de politieman Dick Distin, zou die documentaire niet meer meemaken. Zoals ook Walk The Line haar (net) bespaard bleef. In 2005 overleed ze op 71-jarige leeftijd, twee jaar nadat ook Johnny was gestorven. Ze had van hem nog wel toestemming gekregen om haar levensverhaal op te tekenen. De memoires van Vivian Cash (!) I Walked The Line: My Life With Johnny, waarin ook talloze liefdesbrieven van haar ex-man zijn opgenomen, verschenen in het jaar van haar dood.

Oscar Benton – I’m Back

KRO-NCRV

Zo gaat dat. Hoe hip of cool je ook ooit was. Hoeveel kracht er ook in je stem zat. En hoe geweldig je je instrument, de bluesgitaar, ook beheerste. Ooit valt het doek. Plotsklaps of in slow-motion. Oscar Benton viel zelf. Van de trap, in 2009. Met hersenletsel tot gevolg. Sindsdien is hij simpelweg een oudere man, die is aangewezen op mantelzorg. Van voormalige leden van zijn eigen band, dat wel. En van zijn ex-vrouw Anne de Boer en goede vriendin Ria Klomp.

De jaren na dat ongeluk brengt de Nederlandse bluesheld, die in november 2020 op 71-jarige leeftijd is overleden, noodgedwongen door in verzorgingshuis Velserduin te IJmuiden. Daar zingt hij soms een schlager, maakt hier en daar een praatje en sloft rond met zijn rollator. En daar ook probeert gitarist John Rijken (artiestennaam Johnny Laporte) zijn voormalige bandleider uit te dagen om nog eenmaal samen opnames te maken.

Natuurlijk komen allerlei ouwe getrouwen daarvoor weer opdraven in Oscar Benton – I’m Back (80 min.), een aandoenlijke film van Roel en Mees van Dalen waarin Benton (echte naam: Ferdinand van Eis) en zijn entourage gedurende enkele jaren worden gevolgd. Samen willen ze een allerlaatste plaat maken, het uitroepteken achter een fijne carrière. Optreden zit er voor hun fragiele frontman immers niet meer in. En dan blijkt Oscar, die de trofeeën van zijn carrière al heeft overgedragen aan het museum RockArt in Hoek van Holland, toch nog veel meer leven in zich te hebben dan gedacht…

Want, om met De Dijk te spreken: je kunt de blues wel willen verlaten, maar de blues verlaat jou niet. Zeker de Bensonhurst Blues niet, ‘s mans grootste hit uit 1973. De Oscar Benton Blues Band wordt voor het oog van de camera gereanimeerd en maakt vervolgens een begeesterde trip nostalgia langs het bluescircuit, waar hij al een halve eeuw op handen wordt gedragen. Niet alleen in eigen land. Ook in Rusland en Roemenië staan fans nog altijd voor hem in de rij.

En met de muziek melden ook zijn oude duivels, drank en vrouwen, zich weer in Oscar Bentons leven. Tot verdriet van sommige dames die hem in de voorgaande jaren lekker hebben vertroeteld. Zo gaat dat nu eenmaal als je ooit hip en cool was. En nu weer even bent.

End Of The Century: The Story Of The Ramones

One-two-three-four. Het aftellen vooraf was integraal onderdeel van het nummer zelf. Zoals het ook bij Bruce Springsteen niet is weg te denken. Één. Twee. Drie. Vier. En dan gaan als een banaan. Bij The Ramones mocht je dat gerust letterlijk nemen: lange halen, snel thuis. Overstuurde gitaren, opgejaagd door een onstuimige ritmetandem. Met onweerstaanbare slogans over lobotomie voor tieners, nazischatjes en lijm snuiven eroverheen. Punkrock pur sang, kortom. Domme muziek voor slimme mensen.

In de documentaire End Of The Century: The Story Of The Ramones (108 min.) uit 2003 komt de gehele familie Ramone aan het woord, inclusief de dan al overleden zanger Joey (over wie de Nederlandse regisseur David Kleijwegt een jaar eerder de tv-docu Joey Ramone – A Wonderful Life maakte). Ze worden terzijde gestaan door familieleden, jeugdvrienden, managers, producers, platenbazen, popcritici en collega’s uit bands zoals Blondie, The Clash, Sex Pistols, Red Hot Chili Peppers en Metallica.

Gezamenlijk schetsen zij de opkomst en ondergang van de punkpioniers uit de donkerste krochten van New York en de bijbehorende muziekstroming, die via hen halverwege de jaren zeventig de oversteek naar het Verenigd Koninkrijk maakte en van daaruit echt de wereld zou veroveren. Dat relaas is door Jim Fields en Mark Gramaglia vanzelfsprekend opgeleukt met rauwe concertbeelden van de cartoonachtige band, die altijd in de underground bleef steken en in 2002 tóch werd opgenomen in de Rock And Roll Hall Of Fame.

Goede vrienden werden Joey, Dee Dee, Johnny, Tommy en Marky Ramone niet in de ruim twintig jaar dat ze hun elementaire songs, in deze film regelmatig ondertiteld, op elk denkbaar podium stonden af te raffelen. Sterker: de spanning was soms te snijden, zeker tussen de linksige zanger Joey en oerconservatief Johnny. Waarbij de verhoudingen nog eens extra op scherp werden gezet toen de gitarist er met het vriendinnetje van de frontman vandoor ging. Die scheef er meteen een klassieker en bijna-hit over: The KKK Took My Baby Away. Ook gezellig.

Intussen voegden ze zich moeiteloos bij bands zoals The MC5, New York Dolls en The Stooges in het rijtje aartsvaders van de punk, een muziekgenre dat inmiddels al bijna een halve eeuw schaamteloos huishoudt in ‘s werelds rockholen en daarbij nog steeds het onverwoestbare parool van The Ramones huldigt, zoals dat is vervat in hun signatuursong Blitzkrieg Bop: Hey! Ho! Let’s go!

Joe Strummer: The Future Is Unwritten

Hij werd als diplomatenkind John Graham Mellor geboren in het Turkse Ankara, moest opgroeien op een typisch Engelse kostschool en werd volwassen op de kunstacademie. Waar zijn oudere broer David in zijn tienerjaren extreemrechts en het absolute zwart opzocht, zou Joe Strummer een onvervalste globalist en socialist worden. En het boegbeeld van The Clash, de Britse band die deze idealen vervatte in eerst dampende punk en later muziek die naar alle windstreken uitwaaide.

En toen, op 22 december 2002, hield het ineens op. Een fatale hartaanval. Joe was slechts vijftig. Hij had nog een hele toekomst voor zich, leek het. Regisseur Julien Temple roept de slordige halve eeuw die hem wél waren gegund overtuigend op in Joe Strummer: The Future Is Unwritten (119 min.). Hij bedient zich daarbij van zijn kenmerkende collagemontage, waarin beelden van Strummer en zijn bands samensmelten met speelfilmfragmenten, nieuwsbeelden en scènes uit de tekenfilm Animal Farm.

Als een soort radiodeejay verbindt Joe zelf alle elementen met elkaar. Een hele stoet sprekers – van vriendinnen, intimi en Clash-leden tot beroemde fans als Johnny Depp, Bono en Martin Scorsese – kleurt het personage Joe Strummer verder in. Want dat was het: een personage. Waar je als buitenstaander lastig doorheen kwam. Een man met een aanzienlijk ego ook. Met vastomlijnde ideeën over wie of wat hij wilde zijn. Die ruzies daarover bepaald niet uit de weg ging. En zichzelf nogal eens in de voet schoot.

Toch sloten ze hem allemaal in hun hart, beweren de sprekers, die door Temple rond een soort (virtueel) kampvuur zijn gepositioneerd. En daar komen hun stemmen en die akoestische gitaar natuurlijk ook goed van pas. Die ontspannen setting, gemodelleerd naar de Strummerville-campfires die zijn foundation sinds Joe’s dood organiseert op het Glastonbury-festival, doet deze film uit 2007 goed. Die werkt toe naar een dramatische climax als Strummer, net als hij weer richting lijkt te hebben gevonden na een jarenlange midlifecrisis, bezwijkt aan dat wild kloppende hart van hem.

Crock Of Gold – A Few Rounds With Shane MacGowan

Het goede nieuws: Crock Of Gold – A Few Rounds With Shane MacGowan (124 min.) is geen routineuze popdocu, waarin de held chronologisch zijn eigen carrière doorloopt, alle tijd wordt ingeruimd voor zijn beste songs en vakbroeders intussen ongegeneerd de loftrompet over hem en zijn oeuvre laten schallen.

Het slechte nieuws: Crock Of Gold – A Few Rounds With Shane MacGowan (124 min.) is geen routineuze popdocu, waarin de held chronologisch zijn eigen carrière doorloopt, alle tijd wordt ingeruimd voor zijn beste songs en vakbroeders intussen ongegeneerd de loftrompet over hem en zijn oeuvre laten schallen.

Ambivalente gevoelens dus. Over een film die méér wil zijn en daardoor soms te veel wordt. En te weinig, dat eveneens. En toch ook wel weer intrigeert. Zoiets. Terzake:

Regisseur Julien Temple (die met muziekfilms als The Filth And The Fury, Joe Strummer: The Future Is Unwritten en Oil City Confidential al een belangrijk deel van de Britse punkhistorie documenteerde) verbindt MacGowans levensverhaal nadrukkelijk met de getroebleerde relatie tussen Ierland – het land waar hij zijn wortels heeft – en Engeland – het land waar hij opgroeide en een iconisch gezicht van de eerste punkgolf werd. Zo bezien was het onvermijdelijk dat juist MacGowan, de buitenstaander, in de jaren tachtig de traditionele Ierse folk een punky zwieper gaf en zo de stem van een nieuwe generatie Ieren werd.

Die grootse benadering heeft alleen ook zijn keerzijde: Temple strooit bijvoorbeeld wel heel nadrukkelijk met clichématige beelden van de oude idylle Ierland. Met name het eerste deel van de film, als MacGowans band The Pogues nog toekomstmuziek is, heeft daaronder te lijden. Daarbij speelt ook het verteltempo Crock Of Gold parten; enerzijds neemt de documentairemaker wel erg ruim de tijd om met name MacGowans jeugd en achtergrond goed in de verf te zetten, anderzijds propt de filmer zoveel informatie in de docu dat die constant gejaagd voelt.

Een karrenvracht archiefmateriaal van MacGowan en zijn bands, uitbundige animaties en alles wat de tijdgeest maar kan weerspiegelen worden uitgestort over de kijker, die nauwelijks de tijd krijgt om in te laten dalen wat er allemaal voorbij komt. Zeker op het moment dat MacGowan als songschrijver goed op stoom komt, wordt dat echt een serieus minpunt: nooit neemt Temple eens rustig de tijd om die prachtige liedjes hun werk te laten doen. Het is altijd weer door: op naar het volgende punt dat blijkbaar gemaakt moet worden. En dat, om het helemaal verwarrend te maken, verveelt dan weer geen seconde.

Gedwongen door de omstandigheden – MacGowan is, zacht uitgedrukt, geen uitbundige gesprekspartner (meer) die duchtig met anekdotes strooit – kiest hij ook voor een opmerkelijke interviewvorm: de protagonist laat zich bevragen door acteur/vriend Johnny Depp, Primal Scream-voorman Bobby Gillespie, Sinn Fein/IRA-icoon Gerry Adams, biograaf Ann Scanlon en zijn eigen vrouw Victoria Clarke. Via deze terloopse gesprekjes en gedegen interviews met vader Maurice en vooral zus Siobhan wordt zo zijn opmerkelijke levenswandel en –wijze ingekleurd, compleet met debiliserende hoeveelheden drank en drugs.

Ergens in ’s mans pafferige kop, met ogen die wezenloos voor zich uit lijken te staren, zit nog altijd de enige echte Shane MacGowan verscholen: scherp als een mes, altijd in voor (zelf)spot en gezegend met een gggg-giechel die een ferme punt zet achter elke vorm van gepsychologiseer. Een man die zijn talent heeft verkwanseld of het beste heeft gehaald uit zijn gouden jaren, tis maar hoe je het bekijkt. Een fenomeen ook dat ruim dertig jaar later nog altijd tot de verbeelding spreekt.

Na The Great Hunger: The Life & Songs Of Shane MacGowan (1997) en If I Fall From Grace – The Shane MacGowan Story (2001) is Crock Of Gold, ondanks alle bedenkingen die je bij de film kunt hebben, de definitieve documentaire over één van de beste songschrijvers van zijn generatie. Dat die film er überhaupt is gekomen – want dat zal door MacGowans nurkse gedrag lang niet gemakkelijk zijn geweest – lijkt me uiteindelijk pure winst.

De Sneijder-tapes

Jeffrey (l) en Wesley (r) Sneijder / NOS

Ooit zaten er drie Sneijdertjes in de jeugdopleiding van Ajax. Wie van de drie Utrechtse broers zou slagen, lag toen nog in de toekomst verscholen. De oudste, Jeffrey, redde het uiteindelijk niet, mede door blessures. De benjamin Rodney zou wél het betaald voetbal halen, maar niet de top. Dat bleek alleen weggelegd voor Wesley Sneijder, die het zelfs schopte tot recordinternational van Oranje. Hij – en niet Jeffrey of Rodney – is ook de hoofdpersoon van een door Kees Jansma geschreven biografie, genaamd Sneijder.

In 2012 trok Kees Jongkind naar Milaan, waar de spelmaker toentertijd de sterren van de hemel speelde voor Inter. Hij had een aardige verrassing voor Sneijder: beelden uit de tijd dat hij als negenjarige jongen in de Ajax-jeugd speelde en materiaal van tien jaar later, toen hij nadrukkelijk aan de deur klopte bij het eerste elftal. Ofwel: De Sneijder-tapes (47 min.), samengesteld uit nooit eerder vertoond ruw materiaal voor een film die Rimko Haanstra en Klaas Vos maakten over de jeugdopleiding van de Amsterdamse voetbalclub (die enkele jaren eerder zeer kritisch was geportretteerd in Roel van Dalens documentaire Ajax: Daar Hoorden Zij Engelen Zingen).

‘Er is een enkele speler uit de jeugd die misschien doorbreekt naar het eerste van Ajax’, zegt vader Barry Sneijder, die zich volledig wegcijferde voor de voetbalopleiding van zijn zoons, tijdens een interview uit 1993. ‘En die enige kun je natuurlijk zijn. Maar je kunt het ook niet zijn. En dat is wat ik ze dan ook wel vertel.’ Dat wordt door Jongkind geïllustreerd met een tamelijk pijnlijke scène uit het televisieprogramma Holland Sport, waarin Jeffrey Sneijder opdraaft als ‘de grote broer van’. Hij kwam uiteindelijk bij Elinkwijk terecht, in plaats van bij Real Madrid. Ooit, in een interview met Haanstra en Vos, zaten ze nog gebroederlijk naast elkaar, als guitige jochies die een droom deelden.

Daarin zit ook de meerwaarde van deze aandoenlijke tv-docu, die de ontwikkeling van de aankomende wereldster Wesley Sneijder en zijn respons daarop in beeld brengt, maar vooral ook laat zien voor hoe weinig talenten daadwerkelijk een topsportcarrière is weggelegd. Van zijn vroegere jeugdteam heeft bijvoorbeeld alleen Johnny Heitinga, volgens Sneijder destijds de absolute nummer één van het elftal, ook de wereldtop gehaald. De rest heeft al die jaren voor niets – of gewoon voor de lol – thuis tegen een bal in een netje staan trappen, zoals de hoofdpersoon als negenjarige voor de camera demonstreert aan zijn latere zelf. Die kijkt goedkeurend toe: zo is hij geworden wie hij nu is.

De Sneijder-tapes is hier te bekijken.

The Gift: The Journey Of Johnny Cash

YouTube

In Walk The Line, de Hollywood-versie van zijn turbulente bestaan, zijn er in het leven van zanger Johnny Cash twee fasen te onderscheiden: de tijd vóór en nádat hij een relatie kreeg met June Carter, halverwege de jaren zestig. Van tevoren was hij de spreekwoordelijke Man In Black, een getroebleerde, met drugs en woede worstelende figuur. En daarna manifesteerde hij zich als de allemansvriend Johnny, een goedlachse en sociaal geëngageerde vent met het hart op de goede plek.

De werkelijkheid was, natuurlijk, oneindig veel gecompliceerder, zo toont The Gift: The Journey Of Johnny Cash (94 min.). Johnny’s diepste dal kwam volgens zijn zoon John Carter Cash pas in de jaren tachtig. ‘In de relatie van mijn ouders ontstonden enorme problemen door de drugsverslaving van mijn vader. Als kind heb ik daarvan veel meegekregen. Ze zijn bijna uit elkaar gegaan. Er bestaan heel veel misverstanden over hun relatie. Alsof ze na hun huwelijk gewoon nog lang en gelukkig leefden. Dat was bepaald niet het geval.’

De mythe van het ideale stel Johnny en June wordt door zijn kinderen netjes doorgeprikt in deze complete, overtuigende en aangrijpende documentaire van Thom Zimny, die al jaren dienst doet als de huisfilmer van Bruce Springsteen en vorig jaar de fijne Elvis-biopic The Searcher afleverde. Cash wordt weer een man van vlees en bloed in plaats van de verdoemde broodzanger die via de liefde van zijn leven een metershoge held werd. En dat doet ook zijn zwaar dooraderde muziek, die sinds zijn dood in 2003 nóg populairder lijkt te zijn geworden, alleen maar goed.

The Gift: The Journey Of Johnny Cash is gemaakt volgens een inmiddels vertrouwd procédé: de film bestaat volledig uit archiefmateriaal, waardoor de aandacht te allen tijde bij de hoofdpersoon blijft liggen. De prachtige beelden worden verlevendigd en ingekaderd met offscreen quotes van Cash zelf (via audio-interviews uit 1995-1997 voor een autobiografie), mensen uit zijn directe entourage en artiesten die door hem zijn beïnvloed. Het resultaat ontstijgt het niveau van de gemiddelde, routineuze popdocu met gemak en kan tot nader order worden geboekstaafd als het definitieve portret van één van de interessantste muzikanten van de twintigste eeuw.

Tricky Dick And The Man In Black

Netflix

Wie had de Amerikaanse president Richard Nixon eigenlijk uitgenodigd in het Witte Huis? Johnny Cash, de rebel van Folsom Prison Blues, die zich identificeerde met bajesklanten en Amerikaanse indianen? Of de godvrezende man met dezelfde naam, die in 1970 op het punt stond om opnieuw vader te worden en die zich afficheerde met de befaamde televisiedominee Billy Graham?

Tricky Dick dacht in elk geval een typische zoon van het zuiden te hebben binnengehaald, een authentieke country & western-zanger die hem wel even de electorale steun van de zogenaamde ‘silent majority’ kon bezorgen. De Republikeinse president had Cash zelfs gevraagd om de patriottische redneck-song Okie From Muskogee, een aanklacht tegen zo’n beetje alles wat met de toenmalige Tegencultuur had te maken, en het vileine Welfare Cadillac, over een man die zijn uitkering ophaalt in een patserbak, te zingen.

Nixon, die later nog met een pijnlijk protest (‘Stop the killing’) kreeg te maken tijdens een optreden van The Ray Conniff Singers in het Witte Huis, had eigenlijk beter moeten weten. Johnny Cash leek de gevraagde verzoeknummers inderdaad te gaan zingen, maar besloot uiteindelijk toch anders. Zijn optreden, voor een ongemakkelijke president en zijn eerste rij van getrouwen, vormt de apotheose van Tricky Dick And The Man In Black (58 min.), een boeiende documentaire van Barbara Kopple en Sara Dosa.

Dit tweede deel van Netflix’s nieuwe serie ReMastered, een reeks historische muziekdocumentaires, zoomt net als zijn voorganger over Bob Marley in op een voetnoot uit de popgeschiedenis, waarmee een groter maatschappelijk verhaal kan worden verteld. Ditmaal over muziek als politiek verleidings- dan wel drukmiddel. Aan het woord komen een broer, zus en zoon van Cash, terwijl Nixons communicatiemedewerker Pat Buchanan en medewerker Alexander Butterfield de kant van de omstreden president voor hun rekening nemen.

Tricky Dick And Johnny Cash zet twee mastodonten tegenover elkaar, die elk vanuit hun eigen invalshoek het Amerika van na de Tweede Wereldoorlog kleur hebben gegeven. Zwart, om precies te zijn. In zekere zin leken ze ook op elkaar. Nixon en Cash groeiden allebei op in diepe armoe en verloren op jonge leeftijd een broer, een ervaring die hen voor het leven zou tekenen en voor even, heel even, in Washington zou samenbrengen op een broeierige dag in april 1970.

Ook het bezoek van Elvis Presley aan de omstreden Richard Nixon, de enige Amerikaanse president die ooit is afgetreden, spreekt overigens tot de verbeelding. Er is zelfs al een speelfilm aan gewijd.

Paradise Lost-trilogie


Drie jongetjes, vermoord door drie jongens. De namen van de jongetjes zijn we – tragisch genoeg – allang vergeten. De jongensnamen staan inmiddels in het collectieve geheugen gegrift: Damien Echols, Jason Baldwin en Jessie Misskelley. Ook wel bekend als: The West Memphis Three. Metalliefhebbers. Satanisten. En drievoudige moordenaars. Toch?

De Amerikaanse filmmakers Joe Berlinger en Bruce Sinofsky besloten de kwestie te gaan onderzoeken. Dit resulteerde in 1996 in Paradise Lost: The Child Murders At Robin Hood Hills (150 min.), een inmiddels klassieke true crime-documentaire. Gaandeweg raakten Berlinger en Sinofsky ervan overtuigd dat de drie alternatieve jongeren onschuldig vastzaten. En dus gingen ze door met filmen.

Vier jaar later verscheen Paradise Lost 2: Revelations (130 min.), alweer een mokerslag van een film. Gevolgd door Paradise Lost 3: Purgatory (121 min.), het voor een Oscar genomineerde derde deel uit 2011. De ter dood veroordeelde Echols en zijn twee jeugdvrienden waren onschuldig, zoveel was duidelijk. Althans volgens de Amerikaanse filmers. Maar wie had die gruwelijke kindermoorden dan op zijn geweten?

Joe Berlinger en Bruce Sinofsky presenteren hun bevindingen als een superspannende whodunnit. Ze spitten al het beschikbare bewijsmateriaal en de verklaringen door en gaan ook zelf op zoek naar antwoorden. Tijdens dit jarenlange proces, dat heeft geresulteerd in drie films van bioscooplengte, stuiten ze op diverse verdachten, waaronder de stiefvader van één van de vermoorde kinderen.

Deze John Mark Byers, een onvervalste redneck met een Jezus-complex die steeds als een dolle hond de camera van Berlinger en Sinofsky opzoekt, is een personage waarvan filmmakers dromen: sinister, profaan en dolkomisch. En gecompliceerder dan je in eerste instantie denkt. Een man die je ’s nachts gedurig wakker houdt: zou hij zijn eigen stiefzoon en diens vriendjes…?

De filmmakers kiezen duidelijk positie in Paradise Lost: de West Memphis Three is onschuldig. Uitroepteken. Daarmee opereren ze in de traditie van Errol Morris, die in (een van) de eerste true crime-klassieker The Thin Blue Line (1988) aantoonde dat Randall Adams de moord op een politieagent niet kón hebben gepleegd, en de makers van de Netflix-hit Making A Murderer, die al jaren Steven Avery proberen vrij te pleiten.

Gaandeweg hebben Berlinger, Sinosfky en hun Paradise Lost-trilogie, die in zijn geheel op YouTube is te bekijken, steun gekregen van prominenten als acteur Johnny Depp, Pearl Jam-zanger Eddie Vedder en de metalband Metallica (die voor het eerst muziek beschikbaar stelde voor een film). Maar mondt wat een opzichtige rechterlijke dwaling lijkt ook daadwerkelijk uit in vrijspraak voor de drie jongens, die dan inmiddels tegen de veertig lopen?

De gestorven jongetjes heetten overigens Steve Branch, Michael Moore en Christopher Byers.

Na de Paradise Lost-trilogie leek de West Memphis-ruif helemaal leeg gegeten. Niets bleek minder waar. In 2012 verscheen West Of Memphis (147 min.) van Amy Berg, een film uit de koker van Lord Of The Rings-regisseur Peter Jackson die kan worden beschouwd als een waardevolle aanvulling op de Paradise Lost-trilogie.

Er is trouwens ook een speelfilm gewijd aan de geruchtmakende kindermoorden in West Memphis, Devil’s Knot met in de hoofdrollen Reese Witherspoon en Colin Firth. Daar ben ik zelf echter nooit aan begonnen.

Tot slot: het is zelfs niet uitgesloten dat er nog een vierde deel van Paradise Lost. In de documentaireserie Life And Death Row: The Mass Execution wordt ook nog even aandacht besteed aan de zaak van The West Memphis Tree. En wie staat er op achtergrond te filmen als eerst Damien Echols en daarna Johnny Depp het woord richt tot een groep anti-doodstrafactivisten? Juist: Joe Berlinger. Zijn vaste partner Bruce Sinofsky zal dat eventuele vierde deel overigens niet meer meemaken. Hij overleed in 2015.

Lost In La Mancha


Afgelopen weekend kwam er een voorlopig eind aan het drama dat zich al decennialang voltrekt in het leven van regisseur Terry Gilliam. Er moest een rechtszaak aan te pas komen, die hem ook nog in het ziekenhuis deed belanden met een lichte hartaanval, maar na een positieve uitspraak kon zijn speelfilm The Man Who Killed Don Quixote eindelijk in première gaan tijdens het festival van Cannes. Zo kwam er toch nog een happy end aan een filmproject waarvoor Gilliam, voorzichtig uitgedrukt, een ijzeren wil, olifantenhuid en de ausdauer van een schildpad nodig had.

De wet van Murphy heeft films over Don Quichot vaker geplaagd. Ook Orson Welles (Citizen Kane) beet zich al eens stuk op het maar al te symbolische verhaal over een man die de strijd aanbindt met molenwieken. Terry Gilliam, ooit het enige Amerikaanse lid van de absurde Britse comedyclub Monty Python, wil zijn geheel eigen interpretatie van de klassieker van Cervantes al zo’n beetje zijn hele leven verfilmen, maar vond steeds andere problemen op zijn pad. Zo moest Hollywood bijvoorbeeld niets hebben van de film, nadat een eerdere Gilliam-productie, The Adventures Of Baron Munchhausen, op een echec was uitgelopen. In dat opzicht blijft de geschiedenis zich overigens herhalen: de Amerikaanse distributeur van Quixote heeft zich onlangs alsnog teruggetrokken.

Uiteindelijk vond Gilliam eind jaren negentig in Europa geld voor zijn droomproject en konden de opnames voor The Man Who Killed Don Quixote, een film die toen al tien jaar in ontwikkeling was, rond de eeuwwisseling eindelijk beginnen. Met de Franse acteur Jean Rochefort als de tragische hoofdpersoon Don Quichot, Johnny Depp in de rol van Toby Grisoni (een hedendaagse stand-in voor Sancho Panza) en diens toenmalige vrouw Vanessa Paradis als zijn potentiële geliefde. Het zou een gigantisch fiasco worden, dat werd gedocumenteerd in een geweldige documentaire uit 2002: Lost In La Mancha (89 min.), een tragikomische film van Keith Fulton en Louis Pepe die oorspronkelijk was bedoeld als making of.

Terwijl werkelijk álles tegenzit – fysieke malheur bij Rochefort, een volledig weggespoelde filmset en steeds weer opspelende financiële problemen, om maar eens wat te noemen – begint Terry Gilliam meer en meer te lijken op, juist, Don Quichot. En Fulton en Pepe hebben overal toegang – omdat ze nu eenmaal een promofilm maken, die Gilliam bovendien altijd kan gebruiken om zijn eigen verhaal over het productieproces te onderbouwen. Ook als de onderlinge verhoudingen verzuren en het hele project spaak loopt blijft het duo als een vlieg op de muur filmen. Het resultaat, bijeengehouden door de onderkoelde voice-over van acteur Jeff Bridges, werkt ongetwijfeld op de lachspieren en zorgt tegelijkertijd voor compassie met de grote dromer Terry Gilliam.

Daarmee is niet gezegd dat The Man Who Killed Don Quixote een slechte film zou zijn geworden (of nu, bijna twintig jaar later, met een nieuw productieteam en Jonathan Pryce en Adam Driver in de hoofdrollen ís geworden). De documentaire Lost In La Mancha bevat enkele voorlopige filmscènes die tot de verbeelding spreken. En als je Gilliam zelf bezig ziet, bijvoorbeeld als hij hoogstpersoonlijk enkele rollen inspreekt bij gestoryboarde scènes, dan wordt eens te meer duidelijk dat hier een originele stem klinkt die gehoord moet worden. Een bezoek aan de bioscoop voor The Man Who Killed Don Quixote kan daarnaast zo langzamerhand worden beschouwd als een daad van pure medemenselijkheid.

Op deze Wikipedia-pagina is het complete verhaal van het productieproces van deze ‘development hell’ te lezen. In de geschiedenis van The Man Who Killed Don Quixote zijn ook nog bijrollen weggelegd voor Robert Duvall, John Hurt, Michael Palin en Ewan McGregor, acteurs die stuk voor stuk niet in de uiteindelijke film zijn beland.

Wellicht hebben ze wél een plek bemachtigd in He Dreams Of Giants, een zojuist aangekondigde nieuwe documentaire van Keith Fulton en Louis Pepe over de Don Quichot-avonturen van Terry Gilliam. Volgens dit Variety-artikelconcentreren ze zich in deze opvolger van Lost In La Mancha vooral op wat er omgaat in het hoofd van de veelgeplaagde regisseur.