AIDS: The Unheard Tapes

BBC / Videoland

Zowel de Britse mannen die de AIDS-crisis van jaren tachtig en negentig overleefden als degenen die in deze traumatische periode voor de internationale homogemeenschap overleden, komen aan het woord in de driedelige docuserie AIDS: The Unheard Tapes (158 min.) van regisseur Mark Henderson.

Dat zit zo: audio-opnamen van gesprekken met enkele slachtoffers zijn achteraf geplaybackt door acteurs, een huzarenstukje dat eerder bijvoorbeeld ook al werd geleverd in de Nederlandse documentaire Moeders en de fascinerende miniserie The Enfield Poltergeist. En dit werkt, in combinatie met archiefbeelden uit de donkerste dagen van de crisis en interviews met artsen, verplegers, onderzoekers, vrijwilligers van de hulplijn London Gay Switchboard en vertegenwoordigers van de belangenvereniging Terrence Higgins Trust (vernoemd naar de eerste Britse AIDS-dode), echt wonderwel.

De persoonlijke getuigenissen van deze jonge mannen – over hun leven vóór het HIV-virus, de impact van de gevreesde diagnose en de jaren die hen daarna nog resten – zijn veertig jaar later nog altijd onontkoombaar. Zij moeten proberen te overleven in een wereld waarin de homopest ‘een straf die de mensheid werd opgelegd door een razende God’ wordt genoemd. ‘I’d shoot my son if he had AIDS’, laat een predikant zelfs optekenen in de krant. ‘In 1991 zijn er een miljoen AIDS-gevallen’, licht hij toe in een televisieprogramma. ‘Rond 2025 is onze samenleving misschien ten onder gegaan.’

Een soortgelijke attitude wordt ook uitgedragen door de regering van Margaret Thatcher die, net als haar Amerikaanse collega Ronald Reagan, consequent weigert om de ‘gay plague’ serieus te nemen. Pas als duidelijk wordt dat niet alleen homo’s ten prooi vallen aan het dodelijke virus, gaat de Tory-regering overstag. Het voorlichtingsfilmpje ‘Don’t die of ignorance’ werkt echter averechts en wakkert de aversie tegen al wat afwijkt van de heteronorm alleen maar aan. Dan is de Britse prinses Diana effectiever: als zij een AIDS-patiënt de hand schudt, wordt dat daadwerkelijk als een keerpunt beschouwd.

Zo loopt AIDS: The Unheard Tapes nauwgezet de gehele Britse HIV-geschiedenis door. Totdat er, met twee stappen vooruit en één terug, een succesvolle behandeling wordt gevonden. De serie bewandelt daarmee hetzelfde terrein als Amerikaanse producties zoals How To Survive A Plague5B en Cashing Out en de Nederlandse podcast En Niemand Bleef Onaangeraakt, maar zet eigen accenten, zoals bijvoorbeeld de aandacht voor de latere populariteit van ecstacy binnen de Britse gayscene, dé manier om stoom af te blazen na een inktzwarte periode waarin alles op het spel staat.

The Specials – A Message To You

c: Shane O’Neill / NTR

Nee, Jerry Dammers, de muzikale leider van de Britse skaband, oprichter van het illustere platenlabel 2 Tone Records en schrijver van het klassieke protestlied van The Special AKA, Free Nelson Mandela, participeert niet in The Specials – A Message To You (70 min.). En frontman Terry Hall, die later nog furore zou maken met Fun Boy Three, The Colourfield en Gorillaz, is in 2022 op 63-jarige leeftijd gestorven – al is hij, net als de andere leden van The Specials die inmiddels zijn overleden, nog wel te zien in beelden van de reünietournee die de multiculturele groep uit Coventry in 2019 ondernam.

Van de oorspronkelijke zevenkoppige band, die rond 1980 klassiekers zoals GangstersToo Much, Too Young en Ghost Town afleverde, zijn in deze muziekdocu van Joe Connor alleen gitarist Lynval Golding en bassist Horace Panter van de partij. Zij worden bijgestaan door de producer van hun debuutalbum Elvis Costello, hun 2 Tone-familieleden Pauline Black (The Selecter) en Rhoda Dakar (The Bodysnatchers), A&R-manager Johnny Chandler en Damon Albarn (Blur/Gorillaz). Zij besteden verder nauwelijks aandacht aan Jerry Dammers, de onbetwiste spil van de originele band.

Connor had ook duidelijk geen regulier carrièreoverzicht voor ogen bij deze popdocu. Hij start zijn vertelling op vanuit het heden – de Specials-reünie van 2019, aangejaagd door het comebackalbum Encore – en maakt van daaruit uitstapjes naar het verleden, waar hij dan met zevenmijlslaarzen doorheen stiefelt. De hoogtijdagen van de band, in een land dat werd verscheurd door openlijk racisme, worden vooral ingezet om parallellen met de huidige wereld te trekken en wijlen Terry Hall en de laatste incarnatie van de band, met nog drie originele leden in de gelederen, nog eens in het zonnetje te zetten.

Het zit allemaal vervat in dat ene tafereel op het gemeentehuis van Los Angeles uit 2019, waar de impact van de Britse groep, die Amerikaanse bands zoals Rancid, The Mighty Mighty Bosstones en No Doubt inspireerde, officieel wordt erkend. ‘Thank you, Los Angeles’, zegt Horace Panter tijdens z’n speech, als het stadsbestuur 29 mei heeft uitgeroepen tot ‘The Specials Day’. ‘You have great taste in music.’

En, o ja, in de documentaire 2 Tone: The Sound Of Coventry (2021) komt Jerry Dammers wél uitgebreid aan het woord.

New Order – Power, Corruption & Lies

Mark Fenna-Roberts / NTR

Ze besluiten zowaar om een oujijabord te raadplegen. Zanger Ian Curtis is dood, hun band Joy Division lijkt daarmee wel klaar en nu blijkt al hun apparatuur, na studio-opnames in New York, nog te zijn gestolen ook. Halverwege 1980 is hun situatie tamelijk hopeloos, stelt gitarist Bernard Sumner. ‘Hoeveel erger kan ‘t nog worden?’

‘The band that used to be Joy Division’, aldus drummer Stephen Morris, vindt zichzelf echter opnieuw uit, met Gillian Gilbert (keyboards) als nieuw groepslid en Sumner als nieuwe oude frontman. En ze besluiten meteen om signatuursongs zoals Day Of The Lords, Isolation en Love Will Tear Us Apart niet meer te gaan spelen.

De vraag is wel of er iemand zit te wachten op New Order. In 1981 verschijnt het debuutalbum van de tegendraadse Britse groep. ‘Movement is een Joy Division-plaat met New Order-vocalen’, stelt oud-bassist Peter Hook. ‘Tegen de tijd dat we Power, Corruption & Lies uitbrachten, maakten we New Order-muziek met New Order-vocalen.’

Op die tweede langspeler (1983) heeft de vernieuwde band z’n eigen niche gevonden, op het kruispunt van rock- en dancemuziek, werelden die voorheen strikt van elkaar werden gescheiden. Met de 12 inch-single Blue Monday / The Beach, fraai vormgegeven als een floppydisk, toont New Order nog eens ondubbelzinnig z’n bestaansrecht aan.

In de muziekdocu New Order – Power, Corruption & Lies (72 min.) van David Barnard blikken de vier bandleden, ondersteund door ontwerper Peter Saville en de producers Arthur Baker en Michael Johnson, terug op deze jaren en de totstandkoming van hun tweede album, dat is vernoemd naar een citaat uit George Orwells Animal Farm.

In een aardige archiefscène uit 1983 leggen ze in het Nederlandse tv-programma Countdown bijvoorbeeld uit hoe ze gebruik hebben gemaakt van synthesizers. ‘Wat is New Order?’ wil presentator Erik de Zwart weten. ‘Computerprogrammeurs of muzikanten? ‘Geen van beide eigenlijk’, antwoordt Bernard Sumner. ‘Bankrovers.’

Die attitude is nog altijd zichtbaar in de no-nonsense manier waarop de vier leden in deze gedegen popfilm terugblikken op de formatieve jaren van New Order. Zonder overdadige pretenties of al te nostalgische gevoelens. Tevreden, dat wel. Over al wat ze hebben gepresteerd en de lol die ze daarbij – ondanks alle meningsverschillen – hadden.

Madness, Prince Of Ska, King Of Pop

Arte

In 1992 belt de Londense politie naar de geologische dienst. Ze hebben berichten gekregen over een aardbeving. ‘Ze evacueerden hele flats, uit angst voor instorting’, vertelt Madness-zanger Graham ‘Suggs’ McPherson. ‘Maar het bleken springende Madnessfans te zijn.’ Zijn skagroep treedt tijdens het zogeheten ‘Madstock’ voor het eerst in acht jaar weer op, in het nabijgelegen Finsbury Park. De volgende dag trilt de aarde dus opnieuw in de Britse hoofdstad. Want dan geeft de band, die onverminderd populair blijkt, nóg een uitverkocht concert.

In de tv-docu Madness, Prince Of Ska, King Of Pop (52 min.) gaat Christophe Conte terug naar het begin: een stel opgeschoten jongeren uit Camden Town begint in de tweede helft van de jaren zeventig samen muziek te maken en groeit vervolgens uit tot de huisband van de pub The Dublin Castle. Al snel stuit Madness op een broederband uit de industriestad Coventry, The Specials. Met hun eigen platenlabel 2 Tone Records scoren die met ‘Britse ska’, een kruisbestuiving van de muziek van Jamaicaanse immigranten en witte Engelse jongeren, de ene na de andere hit.

Bij het bonte 2 Tone-gezelschap voelt Madness zich helemaal op z’n plek. Tegelijkertijd krijgt deze inclusieve familie te maken met de gure wind die er op dat moment waait door Groot-Brittannië, waar het National Front in opkomst is en skinheads voor een grimmige sfeer op straat zorgen. Bij Madness, de enige volledig witte band in de 2 Tone-familie, denkt de extreemrechtse partij zieltjes te kunnen winnen. Dat was ‘echt afschuwelijk’, herinnert bassist Mark ‘Bedders’ Bedford. ‘Meestal richtten we een spot op gasten die de Hitlergroet brachten of vochten’, vult Suggs aan.

Gaandeweg zal Madness zich in z’n muziek steeds meer uitspreken voor sociale onderwerpen, een wat meer poppy toon aanslaan en onderdak vinden bij een ander platenlabel, Stiff Records. Dat legt de groep bepaald geen windeieren. Met humoristische video’s scoort de rebellenclub hit op hit. Die opmars wordt in dit vlotte bandportret met medestanders zoals gitarist Lynval Golding (The Specials), zangeres Rhoda Dakar (The Bodysnatchers) en producer Clive Langer uit de doeken gedaan – al is de tweede helft wel erg van de lange halen, snel thuis.

In wezen geldt voor Madness wat voor veel bands opgaat: na de eerste tien jaar is het beste er wel vanaf en moet de groep vooral vormbehoud tonen.

Gerry Adams: A Ballymurphy Man

Galway Film Fleadh

Hij belichaamt als geen ander de afgelopen halve eeuw van Noord-Ierland. Toen ‘The Troubles’ losbarstten, sloot Gerry Adams zich aan bij het gewapende verzet van de Irish Republican Army (IRA) tegen de Britse overheersing. Later ontwikkelde hij zich tot het gezicht van Sinn Féin, de politieke tak van de IRA, en behoorde hij tot de architecten van het zogeheten Goedevrijdagakkoord in 1998, dat nu alweer ruim 25 jaar voor vrede zorgt op dit woelige stukje aarde dat ook wel Ulster wordt genoemd.

De ene Noord-Ier (of Brit) kan het bloed van de katholieke activist nog altijd wel drinken, terwijl een andere Noord-Ier juist zweert bij Gerry Adams: A Ballymurphy Man (117 min.). De Engelse documentairemaakster Trisha Ziff behoort in elk geval niet tot de eerste categorie. Zij voelt hem tenminste niet uitgebreid aan de tand over zijn bijdrage aan het sektarische geweld, zoals z’n vermeende rol als brein achter IRA-aanslagen. Deze beschuldiging stak onlangs weer de kop op in Say Nothing (2024), de veelgeprezen dramaserie die is gebaseerd op een non-fictie bestseller van Patrick Radden Keefe.

Dat zit ook ingebakken in de vorm van dit portret, waarin Adams zelf zijn levensverhaal doet, zonder vragen of andere sprekers, en daarmee meteen chronologisch Ulsters recente historie doorloopt, die wordt geïllustreerd met een weelde aan archiefmateriaal. De documentaire werd gefilmd in de loop van vijf jaar, die ogenschijnlijk vooral aan interviews zijn besteed, en heeft het karakter gekregen van een autobiografie. Dat heeft bij een sleutelfiguur zoals Gerry Adams beslist z’n waarde, maar dus ook zo z’n beperkingen. Want het achterste van zijn tong laat ie doorgaans niet zien.

Het is natuurlijk de vraag wat kritische bevraging van deze door de wol geverfde spreekbuis zou hebben opgeleverd. Elke vraag is waarschijnlijk al eens aan hem gesteld. En het antwoord, op z’n minst in gedachten, allang geformuleerd. Zoals elk deel van zijn leven ook z’n eigen oneliner heeft gekregen. Zijn jeugd in de wijk Ballymurphy in Belfast bijvoorbeeld, als telg van een zéér arm gezin. ‘Maar niemand die dat doorhad, want iedereen in onze omgeving was straatarm.’ Of de vijandigheid en het gevaar die hem al z’n hele leven ten deel vallen. ‘Ik ben gezegend met waardeloze moordenaars.’

Een bevlogen man die inmiddels plaats heeft gemaakt voor een nieuwe generatie Noord-Ieren en die nu nog eens goed op z’n praatstoel gaat zitten. Hij heeft ontegenzeggelijk iets te zeggen en krijgt daar in deze film ook alle gelegenheid voor.

Operation Dark Phone: Murder By Text

Channel 4 / Videoland

Het is alsof ze ‘de sleutels van het koninkrijk’ ontvingen, herinnert één van de betrokken Britse agenten zich. Terwijl de Coronacrisis op gang komt, krijgen specialisten van de National Crime Agency (NCA) begin 2020 plotseling toegang tot EncroChat, het systeem waarmee de georganiseerde misdaad via versleutelde mobiele telefoons communiceert. Ineens wordt een soort Pandora’s doos geopend, bomvol verwijzingen naar drugshandel, wapensmokkel en liquidaties. Maar wie gaan er schuil achter gebruikersnamen als Live-long, Tyrion Lannister en Ace Prospect?

Operation Dark Phone: Murder By Text (190 min.) combineert nagespeelde scènes van de zware criminelen met de chats en foto’s die zij gedurende 74 dagen, tijdens het begin van de pandemie, met elkaar delen. Ongefilterd, in de veronderstelling dat zij onder elkaar zijn. Intussen kan de politie, samen met collega’s uit andere Europese landen, meelezen en -kijken op deze ‘Linkedin van de georganiseerde misdaad’ en proberen te deduceren wie er verantwoordelijk zijn voor de miljoenen zeer expliciete, van geweld en illegale zaken doortrokken, berichten die zij onderling uitwisselen.

Nauwgezet reconstrueren de Britse rechercheurs in deze vierdelige serie van Luned Tonerai en Sophie Oliver  de grootschalige, internationaal gecoördineerde operatie. Het duurt niet lang of ook de Nederlandse onderwereld komt daarbij nadrukkelijk in beeld. Vanaf aflevering 2 zoomt politiechef Andy Kraag, ondersteund door de Nederlandse misdaadjournalisten Jan Meeus en Wouter Laumans, in op de groepering rond de Rotterdamse crimineel Piet Costa, die in het Brabantse dorp Wouwse Plantage een onderwereldgevangenis met martelkamer in aanbouw heeft.

Één van de direct betrokkenen, sportschoolhouder Robin van O., verschijnt zelfs voor de camera, om alle beschuldigingen ver van zich te werpen. En ook Costa’s advocaat Jan-Hein Kuijpers krijgt nog even de gelegenheid om diens straatje schoon te vegen. Intussen vorderen de pogingen van diverse politiekorpsen om criminele netwerken in kaart te brengen – fraai en overzichtelijk gevisualiseerd – gestaag. Alle betrokkenen zijn zich ervan bewust dat het niet lang kan duren voordat de gangsters in kwestie doorkrijgen dat hun volstrekt onkraakbare telefoons tóch gekraakt zijn.

Deze boeiende miniserie maakt inzichtelijk hoe zowel de politie als de criminelen, die hun tentakels hebben uitgeslagen naar landen als Frankrijk, Dubai, Spanje, Ierland en Australië, inmiddels over de landsgrenzen heen denken en zeer creatief te werk kunnen gaan. En als de internationale klopjacht via Encrochat naar z’n einde loopt – omdat de politie via het meelezen uiteindelijk ook zichzelf in de kaarten laat kijken – verplaatst die zich automatisch maar een ander terrein, waar de criminelen zich opnieuw onbespied wanen. Totdat de jagers daar weer een ingang vinden naar hun prooi.

Flight 149: Hostage Of War

SkyShowtime

Vlucht 149 van British Airways, vertrokken vanuit Heathrow Airport in Londen, zal op 2 augustus 1990 een uur halt houden in Koeweit City en daarna doorvliegen naar de Indiase stad Madras. Al snel merken de passagiers en crewleden van het Britse vliegtuig echter dat de luchthaven van Koeweit onder vuur wordt genomen. Niet gek: buurland Irak is net binnengevallen bij het oliestaatje. Ze zijn midden in een oorlogssituatie terechtgekomen, die bijna vraagt om ingrijpen door de Verenigde Staten en Groot-Brittannië.

Ruim dertig jaar later leeft bij de inzittenden van het toestel nog altijd de vraag waarom de Britse regering en luchtvaarmaatschappij niet hebben voorkomen dat een regulier passagiersvliegtuig midden in een invasie terechtkwam. In Flight 149: Hostage Of War (90 min.) volgt Jenny Ash de aanloop naar de rechtszaak die een aantal direct betrokkenen willen aanspannen om klaarheid in deze zaak te brengen. In gesprek met de juristen Jennifer Sayles en Jack Beeston blikken zij terug op de maanden waarin zij gegijzeld waren. Deze gesprekken – en het nogal nadrukkelijk geënsceneerde overleg op het betrokken advocatenkantoor McCue Jury & Partners – worden behalve met archiefbeelden van het schrikbewind van de Iraakse dictator Saddam Hoessein, diens brutale aanval op Koeweit en de gevolgen daarvan ook geïllustreerd met gereconstrueerde scènes.

Zo wordt een krasse voetnoot bij de aanloop naar de eerste Golfoorlog, die half januari 1991 onder de naam Desert Storm definitief zou losbarsten, aan de vergetelheid ontrukt. En dat roept nog altijd fundamentele vragen op: waarom boden de Britten de Iraakse agressor zo’n vierhonderd onschuldige burgers, waarmee Hoessein goede sier kon maken en die hij desgewenst ook kon inzetten als menselijk schild dan wel kannonnenvoer, op een presenteerblaadje aan? Was de regering van Margaret Thatcher er werkelijk niet van op de hoogte dat een Iraakse aanval op Koeweit aanstaande was? En wie waren dan de geheimzinnige mannen die anoniem meereisden op Vlucht 149 naar Koeweit City en die zich The Increment noemden? De bemanning, passagiers en hun familieleden willen dat de waarheid boven tafel komt.

En Jenny Ash zet hun zaak, over een traumatische periode die nog faltijd opspeelt in hun huidige levens, kracht bij met deze gedegen film.

Attack On London: Hunting The 7/7 Bombers

Netflix

De Britse politie vraagt passagiers uit de metro, waarop zojuist een aanslag is gepleegd, naar hun naam. De 24-jarige Mustafa Kurtuldu weet al hoe laat ‘t is. Mustafa. Echt? ‘Ze vragen of ze m’n tas mogen zien’, herinnert hij zich van de bomaanslagen op de Londense metro van 7 juli 2005, de ergste terreuraanslag ooit in de hoofdstad van het Verenigd Koninkrijk. ‘Ze zien de naam Mustafa, Mohammed of Achmed en denken: oké, hij is één van hen. Ik zag ze niemand anders fouilleren, maar na 9/11 gaan er bij hen alarmbellen af als ze de naam Mustafa zien.’

Sinds Al-Qaeda’s terreurdaden op 11 september 2001 is zo’n beetje elke moslim direct verdachte als er weer een aanslag wordt gepleegd in het westen. Na de metroaanslagen richten de Britse politie en geheime diensten zich in hun nietsontziende jacht op de daders dus direct op islamitische zelfmoordterroristen. ‘Ik ben een soldaat’, klinkt ‘t even later in de vierdelige serie Attack On London: Hunting The 7/7 Bombers (180 min.) van Liza Williams, met een kille stem vanuit een duistere flat. ‘Onze woorden zijn dood. Totdat we ze leven geven met ons bloed. We geven deze strijd niet op.’

De daders zijn vermoedelijk zelf ook omgekomen bij de aanslagen, die ruim vijftig Britse burgers het leven kosten en zevenhonderd gewonden veroorzaken. Bij het station van Luton treft de politie een auto aan, met daarin nog veel meer explosieven. Het spoor leidt naar Leeds, waar een groepje lokale jongeren meermaals op training in Pakistan blijkt te zijn geweest. In hoeverre behoren deze ‘homegrown terrorists’ tot een groter netwerk? Volgens jeugdwerker Mohammed geloven de verdachten dat hun land sinds de invallen in Irak en Afghanistan in oorlog is. ‘Ze noemen dat Dar al Harb.’

In zulke omstandigheden, blijkt al snel, lijkt alles gerechtvaardigd. Óók bij de Britse veiligheidsdiensten en politie. Met direct betrokkenen – onder wie de toenmalige Britse premier Tony Blair, MI5-directeur Eliza Manningham-Buller en het hoofd van de antiterreureenheid Doug McKenna – tekent Williams het onvermijdelijke vervolg op: een genadeloze klopjacht op (vermeende) daders en verdachten, een logische weerslag van de paranoia die het Verenigd Koninkrijk in de navolgende weken in z’n greep krijgt. Er wordt een ‘shoot to kill’-beleid afgekondigd. En daarbij gaat ‘t gigantisch mis.

Deze grimmige miniserie reconstrueert deze tragische keten van gebeurtenissen met nieuwsbeelden, archiefmateriaal en nogal dikke gedramatiseerde scènes. Zo schetst Williams hoe ook de door haatpredikers verkondigde heilige oorlog, Jihad, gewoon een smerige oorlog wordt, uitgevochten in de straten van Londen en andere Britse steden, met gewone burgers, moslim of niet, als belangrijkste slachtoffers.

Grenfell: Uncovered

Netflix

In de nacht van 13 op 14 juni 2017 ontstaat er bij appartement nummer 16, op de vierde verdieping van de Grenfell-torenflat in de Londense wijk Kensington, een onschuldige keukenbrand. De brandweerlieden ter plaatse lijken de brand snel de baas te zijn, maar ontdekken op de valreep dat het vuur zich toch heeft verspreid naar andere verdiepingen. Dan gaat het snel. ‘Net The Towering Inferno’, zegt een omstander terwijl hij de brand staat te filmen. ‘Onze eigen 9/11’, concludeert een hulpverlener ter plaatse.

In Grenfell: Uncovered (101 min.) reconstrueert Olaide Sadiq met bewoners van de flat, familieleden en hulpverleners het menselijke drama dat zich in die fatale nacht afspeelt in de betonnen kolos. Veel huurders verschansen zich in hun eigen woning als het vuur wild om zich heen grijpt. Dat is ook volstrekt logisch. In Groot-Brittannië is er zoiets als een ‘stay put’-beleid. Blijf bij brand in je eigen flat. Daar ben je zeker twee uur veilig. Behálve als het gaat om een toren met ‘ontvlambare gevelbekleding’, blijkt later.

De Grenfell-toren, gebouwd in de jaren zeventig, heeft net een renovatie achter de rug. Dat lijkt vooral een cosmetische operatie, zodat de flat van de woningcorporatie niet langer uit de toon valt bij nieuwere en duurdere panden in de wijk. Bij die opknapbeurt is ook gevelbekleding aangebracht. In de oorspronkelijke plannen was er nog sprake van zinken panelen. Die werden gaandeweg echter vervangen door goedkopere exemplaren van het Franse bedrijf Arconic. En die blijken zeer brandbaar plastic te bevatten.

Met deze bezuiniging is grofweg vijfduizend pond gemoeid, becijfert journalist Peter Apps, die zich al jaren vastbijt in de Grenfell-brand. Ook andere leveranciers, zoals Celotex en Kingspan, hebben rücksichtslos op de kosten beknibbeld en ondeugdelijk materiaal geleverd. ‘Laat me een positief voorbeeld zien, iemand die de juiste beslissing neemt, iemand die de held is binnen dit verhaal’, stelt brandexpert Guillermo Rein in deze film, die tevens de aanloop naar de ramp grondig analyseert. ‘Maar die is er niet.’

Arconic maakt het wel heel bont, blijkt uit interne correspondentie. Tests wijzen al in 2007, tien jaar vóór Grenfell, uit dat hun product extreem brandgevaarlijk is. ‘Oh, mijn god!, schrijft Arconics technisch manager Claude Wehrle in een bericht, dat hij ‘confidential!!!!’ dubt. ‘Houd die testresultaten weg bij de klant.’ Het rapport verdwijnt dus in de diepste lade. En de verkoop gaat ondertussen, natuurlijk, gewoon door. Ook na verwoestende branden in flats in Boekarest, Shanghai, Lille, Melbourne en Dubai.

Veel landen treffen dan veiligheidsmaatregelen. In het Groot-Brittannië van premier David Cameron, dat in de ban is van grootschalige deregulering, worden echter geen restricties gesteld. En ook de gemeente, brandweer en woningbouwvereniging slaan niet aan. Er is, stelt een verslaggever naderhand, sprake van ‘zoveel nalatigheid dat het bijna onvoorstelbaar is’. Zo bezien is de Grenfell-ramp, de brand met (ruim) zeventig doden die een Arconic-medewerker al aankondigde in een alarmerende mail, bijna onvermijdelijk.

Alle ellende is kernachtig vervat in een blog die Grenfell-bewoner Ed Daffarn, publiceert in november 2016, zes maanden vóór de ramp: ‘De woningbouwvereniging speelt met vuur. Het is een angstaanjagende gedachte dat de Grenfell-actiegroep ervan overtuigd is dat alleen een rampzalige gebeurtenis, waarbij veel mensen sterven, een licht zal werpen op de praktijken die het schadelijke bestuur karakteriseren van deze niet-functionerende organisatie.’ Bangmakerij oordeelt de woningcorporatie dan nog.

En naderhand blijft zo’n beetje iedereen – de Britse premier ten tijde van Grenfell, Theresa May, uitgezonderd – met de vinger naar anderen wijzen. Het is de somber stemmende conclusie van deze ontluisterende ‘rampenfilm’, die toont hoe gewone burgers, veelal mensen van buitenlandse afkomst, in het streven naar efficiëntie en winstmaximalisatie worden gereduceerd tot een soort bijkomende schade.

Strike: An Uncivil War

Davy Films / Embankment

Bij de steenkolenfabriek van Orgreave, nabij Sheffield, komt ‘t op maandag 18 juni 1984 tot een keiharde confrontatie tussen stakers en de Britse politie. Vijfduizend stenen gooiende relschoppers kunnen ternauwernood in toom worden gehouden door dappere agenten, die zeer daadkrachtig optreden, gericht hun honden inzetten en charges te paard uitvoeren. Het is de grimmige conclusie van alsmaar oplopende spanningen tussen de conservatieve regering van Margaret Thatcher en onbehouwen arbeiders die weigeren om zich neer te leggen bij de noodzakelijke sluiting van een aantal mijnen.

Althans, zo belandt ‘The Battle of Orgreave’ in het Britse televisienieuws. In de stevige documentaire Strike: An Uncivil War (111 min.) laat Daniel Gordon een andere kant van diezelfde dag zien. Mijnwerkers, insiders én politieagenten schetsen hoe een speciale paramilitaire eenheid van de politie doelbewust de confrontatie met de mannen aan de piketlijn zoekt en zelf de eerste klappen uitdeelt. Deze Britse mobiele eenheid zou in een geheime handleiding door Thatcher zijn aangespoord om de even populaire als militante vakbondsleider Arthur Scargill en de stakers, die zij in een interview doodgemoedereerd ‘the enemy within’ noemt, maar eens goed aan te pakken. Er worden bovendien 95 stakers aangehouden, die snel daarna een forse aanklacht aan hun broek krijgen.

In de navolgende maanden blijft ‘The Iron Lady’ Thatcher nietsontziend druk uitoefenen op de stakende mijnwerkers en hun gemeenschappen. Totdat het water sommigen echt aan de lippen staat en de onderlinge solidariteit begint af te brokkelen. Als mijnwerker Steven bijvoorbeeld tegen zijn vader, een echte vakbondsman, zegt dat hij weer aan het werk wil, wijst die hem subiet de deur. In zijn huis is geen plaats voor een ‘scab’, een vuile stakingsbreker. Op de eerstvolgende maandag wordt Steven opgehaald door twee agenten, die hem met een bus, door een haag van actievoerders, naar de mijn gaan begeleiden. Als een radioverslaggever vervolgens aan zijn vader vraagt of Steven welkom is op zijn begrafenis, is de man onverbiddelijk: ‘Ik kom liever naar de zijne.’

Hele gemeenschappen raken zo verscheurd. En als de mijnen niet lang daarna natuurlijk tóch dichtgaan, volgt de leegte – en de drank en drugs om die te vullen. De mannen in deze typische arbeidersfilm beschouwen The Battle Of Orgreave en de afhandeling daarvan nog altijd als een gotspe, die symbool staat voor hoe zij als leden van de Britse arbeidersklasse sowieso zijn behandeld door de regering Thatcher, die op geen enkele manier begrip leek te hebben voor hun benarde situatie.

The Pilgrimage Of Gilbert And George

Gilbert & George

Twee mensen, één kunstenaar. Al ruim een halve eeuw onafscheidelijk: George Passmore en Gilbert Prousch. Ze zijn hun eigen kunst. Samen dus. Ze ontmoetten elkaar in 1967 tijdens de opleiding beeldhouwen op de Saint Martin’s School Of Art in Londen. Hij, uit het Engelse graafschap Devon. En hij, uit de Italiaanse Dolomieten. Ze vormden subiet een duo. Voor het leven. Met als motto: kunst voor allen.

Getweeën lopen ze in The Pilgrimage Of Gilbert & George (88 min.), statig en liefst volstrekt synchroon, door hun eigen carrière, op weg naar het onvermijdelijke einde. Strak in het pak. Met een uitgestreken gezicht ook. En volstrekt onverstoorbaar. Al hun hele leven willen ze niet tot de gevestigde orde behoren – of erdoor geaccepteerd worden. Bijgestaan door enkele intimi en kenners doen ze in dit dubbelportret van Mike Christie zo hun verhaal. Twee monden, één vertelling.

Over levende standbeelden, ‘eeuwenoude’ houtskooltekeningen, The Dirty Words Pictures, schreeuwerige spandoeken en, jawel, The Naked Shit Pictures. En een kunstenaar met twee hoofden en Iijven, maar slechts één hart. Één idee. Om werk te maken voor een breed publiek, voorbij de linkse kunstelite. ‘We proberen kunst te maken waarmee we de straat op kunnen’, zeggen Gilbert & George. ‘Niet voor de ingewijden, maar voor elke taxichauffeur en elke drugsverslaafde.’

En deze joyeuze film, waarin het symbiotische tweemanschap alle ruimte krijgt én neemt, zet vol de schijnwerper op die directe, kleurrijke en soms ook provocatieve kunst, waarin thema’s als straatcultuur, de AIDS-crisis en religie hun plek hebben gevonden. ‘Veel mensen vragen ons of de werken over onze sterfelijkheid gaan’, zeggen de twee tachtigers, die al bijna zestig jaar met één stem spreken, bepaald niet zonder zelfspot. ‘We vinden het echter nog te vroeg om daar werk over te maken.’

En ook dat lijkt dan weer een sprekend voorbeeld van twee zielen, één gedachte. Als het inmiddels niet gewoon om één ziel gaat….

Name Me Lawand

BFI

In Koerdistan in Noord-Irak stellen zijn ouders jarenlang alles in het werk om hem te laten praten. Ze willen niet dat Lawand anders is dan andere kinderen. Bij zijn leeftijdgenoten vindt hij echter nooit aansluiting. Omdat hij niet kan horen, valt het jongetje er helemaal buiten. Lawand Hamad Amin wordt gepest. Tot verdriet van zijn vader en moeder leeft hij een geïsoleerd bestaan. Al te veel zelfvertrouwen heeft ie natuurlijk niet: Lawand denkt in die tijd zelf dat hij ‘Bad’ heet.

Als hij vijf is, besluiten zijn ouders om Irak te verlaten, op zoek naar een beter leven voor hun kind. Na een maandenlange reis, waarbij hun leven regelmatig aan een zijden draadje hangt, stuiten ze in een vluchtelingenkamp te Frankrijk op een dove vrijwilliger die het Koerdische jochie in contact brengt met gebarentaal. Hij effent ook het pad voor hem naar The Royal School for the Deaf Derby. In 2016 komt Lawand, met zijn ouders en oudere broer Rawa, terecht in Groot-Brittannië.

Daar hoort de Britse documentairemaker Edward Lovelace, die in 2014 met The Possibilities Are Endless al een immersieve film maakte over het herstelproces van zanger Edwyn Collins na een beroerte, over het Koerdische kind dat samen met zijn familie, met wie hij eigenlijk nauwelijks kan communiceren, naar Engeland is gekomen. Lovelace leert zelf gebarentaal, stelt een deels dove crew samen en begint de zevenjarige jongen en zijn familie te volgen en spreken.

Name Me Lawand (90 min.) is de zinnenprikkelende weerslag van een zeer delicaat proces: stukje bij beetje ontdekt Lawand dat er meer mensen zijn zoals hij en dat doofheid op zich niet iets is om je voor te schamen. Tegelijkertijd moet hij dealen met zijn verleden, vervat in plotseling vanuit zijn onderbewuste de kop opstekende flashbacks. ‘Ik dacht dat er in de hele wereld niemand was zoals ik’, vertelt de jongen daar later over. ‘Ik raakte eraan gewend dat ik alleen was.’

Zijn docente, ‘gespeeld’ overigens door de bekende dove actrice Sophie Stone, probeert hem uit zijn schulp te krijgen. Taal, weet zij als geen ander, betekent vrijheid. Zij groeide zelf op met een sprekende ouder en kent de eenzaamheid, het isolement. Terwijl Lawand stilaan zijn reserves laat varen, tot bloei komt op school én vriendjes krijgt, hangt er nog een zwaard van Damocles boven het hoofd van de Koerdische familie. Want het is bepaald niet zeker dat ze een verblijfsvergunning krijgen.

Edward Lovelace verwerkt de interactie van de dove jongen met zijn inspirerende docent, klasgenoten en directe verwanten in gestileerde beelden, waaronder veel fraaie droneshots, en besteedt vanzelfsprekend ook veel aandacht aan het geluid. Soms is het gewoon helemaal stil in de film, terwijl er, in British Sign Language (BSL), toch druk wordt gecommuniceerd. En de geluiden die hij wél laat horen klinken vaak gedempt. Zo geeft hij de kijker toegang tot het hoofd van Lawand.

Rawa en Lawands ouders voorzien de gebeurtenissen intussen, buiten beeld, van context. Communicatie tussen de dove jongen en de rest van het gezin blijft intussen lastig: de anderen zijn de taal waarin Lawand zichzelf heeft gevonden nog altijd niet machtig. Met gebarentaal wint hij een wereld, maar dreigt hij ook zijn familie achter zich te moeten laten.

Ceathrar Guildford: 50 Bliain Na Mbréag

TG4

Het duurt even voordat Gerry Conlon, in het archiefinterview uit 2013 dat wordt gebruikt in de tv-docu Ceathrar Guildford: 50 Bliain Na Mbréag (60 min.) van Sinéad Ingoldsby, niet meer op de karakteracteur Daniel Day-Lewis lijkt – en zijn broze vader Guiseppe niet meer op Pete Postlethwaite. In de speelfilm In The Name Of The Father (1993) gaven zij op een verpletterende manier een gezicht aan de Noord-Ierse vader en zoon Conlon, die onschuldig in de gevangenis waren beland. Guiseppe zou deze nooit meer verlaten.

Samen met Paul Hill, Carole Richardson en Paddy Armstrong werd Gerry in 1974 gearresteerd voor bomaanslagen van de IRA in twee pubs te Guildford. Ze zouden ruim vijftien jaar in een Britse cel zitten en kwamen bekend te staan als ‘The Guildford Four’. Intussen waren ook Gerry’s vader en zes andere leden van hun uitgebreide familie ingerekend vanwege het bezit van nitroglycerine, een vloeistof waarmee bommen kunnen worden gemaakt. Zij gingen door het leven als ‘The Maguire Seven’.

Voor de veroordeling van deze ‘terroristen’ uit het weerspannige Noord-Ierland was geen enkel bewijs. Hun straf was volledig gebaseerd op verklaringen die de verdachten zelf hadden afgelegd – onder zéér moeilijke omstandigheden en immense druk. En hoewel de Britse politie, toen en later, alle reden had om die getuigenissen nog eens goed onder de loep te nemen, bleven ze dat consequent weigeren. Dat was het gemakkelijkste. Die lui uit Ulster zaten netjes achter slot en grendel – of ze nu schuldig waren of niet.

Ruim een halve eeuw na dato maakt deze documentaire de balans op van die onverkwikkelijke geschiedenis. De onterechte veroordelingen stalen niet alleen vijftien jaar uit het leven van de direct betrokkenen, maar bleven hen ook naderhand parten spelen. Ze waren de lol in het leven definitief kwijt, hadden psychologische hulp nodig en/of kampten met PTSS. Gerry Conlon, die in 2014 op slechts zestigjarige leeftijd overleed, bleef volgens zijn advocaat Alastair Logan bijvoorbeeld een ‘troubled man’.

Van de zogenaamde ‘Guildford Four’ zijn alleen Hill en Armstrong nog in leven. Die laatste participeert ook in deze film. Hij oogt opmerkelijk mild en laat zich alle aandacht aanleunen. Paddy Armstrong geniet van een schilderij dat van hem is gemaakt en bezoekt een voorstelling over zijn levensverhaal (dat eerder ook al het boek Life After Life (2017) heeft opgeleverd). Dat lijkt een keuze te zijn. Na zijn vrijlating is Paddy een nieuw leven begonnen. Bitterheid kan je opvreten. Dit wilde hij niet laten gebeuren.

Dat is niet iedereen gegeven: voor Gerry Conlons zus Bridie, die dus ook haar vader Guiseppe verloor, gaat het verleden bijvoorbeeld niet weg. Dat wil ze ook helemaal niet. Zij heeft zich vastgebeten in de zaak van The Guildford Four en Maguire Seven en probeert nog altijd geheime documenten vrij te krijgen. Hoewel er inmiddels vijftig jaar zijn verstreken sinds de Britse politie het huis van enkele onschuldige Noord-Ierse burgers binnenviel, is de zaak dus nog altijd niet naar tevredenheid afgerond.

Ceathrar Guildford: 50 Bliain Na Mbréag, dat dit verhaal van binnenuit en voor een belangrijk deel ook in de plaatselijke taal Gaelic vertelt, is daarvan het tragische bewijs. De weerslag van schrijnend onrecht, dat willekeurige burgers wordt aangedaan als de jacht op ‘een’ schuldige de zoektocht naar de waarheid volledig overvleugelt.

Britain And The Blitz

Netflix

Als de Duitse aanvallen op het Verenigd Koninkrijk beginnen op 7 september 1940, komt Joan Wyndham op een feestje haar knappe buurman Rupert tegen. ‘Hij wou dat ik me door hem zou laten ontmaagden’, schrijft de achttienjarige Britse kunststudente in haar dagboek. Ze is niet geheel ongevoelig voor Ruperts charmes. Terwijl Hitlers Luftwaffe de volgende acht maanden lang bommen blijft droppen – de zogenaamde ‘Blitz’ – bloeit de romance tussen Joan en Rupert op. Totdat een eerste nacht onvermijdelijk is geworden.

De 21-jarige medewerkster van de Britse inlichtingendienst Edith Heap en haar vriend Denis Wissler, een gevechtspiloot van de Royal Air Force die continu strijd levert met de Duitsers, consumeren de liefde juist niet. Nadat hij haar ten huwelijk heeft gevraagd, gaan ze ieder naar hun eigen bed. Heel respectvol, vindt zij. Toch had Denis haar kunnen overhalen, realiseert Edith zich. ‘Want als je weet dat iemand misschien niet terug zal komen, wil je die kans niet missen. Je krijgt hem misschien nooit meer terug.’

In Britain And The Blitz (78 min.) probeert Ella Wright een cruciale periode in de Tweede Wereldoorlog een menselijk gezicht te geven met dagboekfragmenten van enkele direct betrokkenen. De vijfjarige Londenaar Eric Brady wordt bijvoorbeeld samen met zijn zus Kitty de stad uitgestuurd naar een veilige plek. Phil Piratin, een communistische activist, bezet met medestanders een luxehotel, om toegang te krijgen tot schuilkelders. En brandweerman Richard Holsgrove beschermt een stad die in vuur en vlam staat.

Wright omlijst hun off screen-getuigenissen met een weelderig geluidsdecor, dienende muziek en oorlogsbeelden die zijn gerestaureerd, ingekleurd en soms ook met elkaar gecombineerd. Zo worden de 85 jaar die sindsdien zijn verstreken overbrugd: Winston Churchill gaat weer voorop in de strijd, de Koninklijke familie bezoekt gebombardeerd gebied en, oorlog of geen oorlog, de bekerfinale van 1941 tussen Preston North End en Arsenal gaat voor 60.000 voetballiefhebbers in het Wembley-stadion gewoon door.

Want ook als de bommen vallen, laat deze geslaagde historische reconstructie zien, gaat het leven ‘gewoon’ verder.

The Diamond Heist

Netflix

Een beetje bijdetijdse maker maakt zijn publiek tegenwoordig direct lekker en probeert zijn verhaal dus binnen enkele minuten te verkopen. True crimester Jesse Vile (Curse Of The Chippendales, The Ripper en The Great Rhina Robbery) doet dit in de driedelige docuserie The Diamond Heist (134 min.) bijna letterlijk. In de openingssequentie verzucht één van de sprekers, journalist Neil Wallis van de Britse tabloid Sunday People, meermaals ‘fuck me, that is a story!’

Dat ‘Godsklere, wat een verhaal!’-verhaal begint in juli 2000, vier maanden vóór de roof van een collectie diamanten, waaronder de kolossale Millennium Star. Plaats van handeling is het Engelse Kent. Waar een mislukte gewapende overval op een geldwagen plaatsvindt. Beoogde buit: bijna negen miljoen pond. Lee Wenham en zijn kornuiten blijven echter met lege handen achter. Ze weten wel aan de politie te ontkomen en beginnen vervolgens TBHOAT te beramen. The Biggest Heist Of All Time.

Move over dus, The Great Train Robbery (1963) of Knightsbridge Safe Deposito’s Centre (1987)! Dit wordt de grootste kraak ooit: 350 miljoen pond. Het plan komt overigens van de Londense gangster Ray Betson, een man met opvallend kille zwarte ogen. Een haai zogezegd. Vile accentueert dit met Jaws-achtige beelden. Betson chartert Lee voor de klus en belooft hem één miljoen. En dat is – blijkbaar – goed genoeg voor het kind van de East End-penoze, type ‘I love it when a plan comes together’.

Met z’n tweeën kunnen Ray en hij dat klusje echter niet klaren, vertelt Lee, die eens goed op zijn praatstoel is gaan zitten voor deze Heist-serie. Ze stellen een soort A-Team samen,  met louter doorgewinterde criminelen: een Joe Pesci-achtige klusjesman, de spreekwoordelijke dommekracht die geweld bepaald niet schuwt, een charmante techneut en de oude rot die écht nergens voor terugdeinst. Een archetypische boevenbende, rechtstreeks afkomstig uit een Guy Ritchie-film.

En dat treft: de Britse regisseur doet dienst als ‘executive producer’. Hij is alleen vergeten om een ‘pikey’ te ritselen, die verdacht veel op Brad Pitt lijkt. Lee Wenham is overigens wel degelijk afkomstig uit een Roma-familie. Voor de zekerheid heeft hij ook ‘Born Wild’ op zijn beide handen laten tatoeëren. De gedroomde boef voor een B-film. Het is ook niet moeilijk om je Vinnie Jones of Stephen Graham voor te stellen in de rol van Wenham. En dan zou die roofoverval vast heel anders zijn afgelopen.

Het plan was helder, legt de echte broodcrimineel uit aan de hand van een maquette: eerst rijden ze met een graafmachine de protserige Millennium Dome binnen, daarna verschaffen ze zich toegang tot de kluis en tot slot maken ze zich uit de voeten met een speedboot. ‘En we leven nog lang en gelukkig.’ Zoals ’t een eenvoudige boef betaamt, heeft Wenham echter één ding over het hoofd gezien: de politie. En die heeft de bende allang in de smiezen. Althans, dat die iets van plan is. Maar wat?

Deze klassieke cops & robbers-reeks – volgepompt met gelikte reconstructies (waarin enkele hoofdpersonen duidelijk enthousiast participeren), beeldgrapjes en coole tunes – begint dan vol goede moed aan aflevering 2, waarin de zaak vanuit het perspectief van de Engelse politie wordt belicht. En die lijkt een platte pet, een omgekochte agent, in de gelederen te hebben. Bovendien dreigt hun supergeheime undercoveroperatie uit te lekken naar de roddelpers, die er wel een ‘fuck me, that is a story!’ inziet.

Intriges genoeg, kortom, voor een vermakelijke real life-variant op Ocean’s Eleven/Twelve/Thirteen, die ‘t natuurlijk niet van z’n emotionele diepgang moet hebben, maar genoeg lekkere verhaalwendingen bevat om de aandacht helemaal tot het eind vast te houden.

Keith Richards: Under The Influence

Netflix

Hij klinkt nog altijd alsof hij flink in de olie of onwaarschijnlijk high is. En dan die lach: alsof er tegelijkertijd slijm en valse lucht uit lang vervlogen tijden mee naar buiten willen. Het is daarom wellicht verleidelijk om Rolling Stones-gitarist Keith Richards niet al te serieus te nemen. Als een oude vos die nu eenmaal zijn streken niet verleert.

Toch is ‘Keef’ allang niet meer de onbetwiste nummer één op rock & rolls te verwachten dodenlijst – al zou dat tegenwoordig, nu hij zowaar al even in de tachtig is, allang niet meer zo vreemd zijn als in pak ‘m beet de eerste vijftig jaar van zijn turbulente bestaan. Toen hij alles deed wat God verboden had. ‘Je bent pas volwassen op de dag dat ze je begraven’, zegt hij er zelf over, ook alweer tien jaar geleden overigens, in Morgan Neville’s documentaire Keith Richards: Under The Influence (82 min.) uit 2015.

Omdat The Rolling Stones weer even in de pauzestand staan, blaast hij dan met z’n vaste kompanen Waddy Wachtel (gitaar) en Steve Jordan (drummer/producer) zijn solocarrière nieuw leven in. De gitarist zingt en speelt enkele nieuwe songs, ontvangt muzikale gasten voor z’n derde album Crosseyed Heart en demonstreert en passant dat ie ook een lekker moppie piano kan spelen (iets wat hij volgens eigen zeggen leerde van Ian Stewart, de pianist die nooit echt tot The Rolling Stones mocht behoren).

Richards blikt verder terug op zijn jeugd in het Engelse Dartford, vertelt hoe de blues van Robert Johnson, Muddy Waters en Howlin’ Wolf zijn leven veranderde en zoomt dan in op de band die van daaruit ontstond – waarvan hij nu al dik zestig jaar het muzikale geweten is, terwijl Mick Jagger als blikvanger fungeert. Dit portret concentreert zich volledig op zijn onbegrensde liefde voor muziek. Seks en drugs, vaste bestanddelen van andere Stones-docu’s, geven ditmaal voorrang aan rock & roll. De muziek dus.

Achteraf bezien is ‘t een gotspe dat er een Brits bandje aan te pas moest komen om al die Amerikaanse blueshelden aan de vergetelheid te ontrukken. Het zorgde wel voor onvergetelijke momenten, die hij duidelijk koestert. En toen Richards’ relatie met Jagger, die in deze film nooit meer dan een onbeduidende figurant wordt, halverwege de jaren tachtig in de ‘Derde Wereldoorlog’ was beland, ontdekte hij via de docu Chuck Berry: Hail! Hail! Rock ‘N’ Roll (1987) dat er een muzikaal leven bestond buiten The Stones.

Want het podium en de studio beschouwt hij als zijn thuis. Verder bezoekt Keith Richards in dit sympathieke portret het Grand Ole Opry in countrymekka Nashville, zingt hij op tegen de dwarse crooner Tom Waits en speelt in Chicago, de bakermat van de elektrische blues, een partijtje biljart met Buddy Guy. Het is, kortom, de liefhebber in Keith Richards die alle aandacht krijgt in Under The Influence. De man ook, de zoon en de grootvader. Zij hebben in werkelijkheid allang de notoire veelgebruiker vervangen. 

‘Een imago dat ik niet kan afschudden’, zegt hij daarover berustend. ‘Het is geen schaduw want het is er de klok rond. Het verdwijnt niet als de zon ondergaat.’

I Am Martin Parr

Dogwoof

Gniffelen mag. Om de openingssequentie van I Am Martin Parr (52 min.), met iconische beelden van de Britse fotograaf. Om het friet etende gezin op een rood bankje, bij een vuilnisbak die niet op z’n taak is berekend. Om het oudere echtpaar dat elkaar nauwelijks een blik waardig gunt in een sfeerloos restaurant. Om de helblonde hanenkam voor een typisch Britse telefooncel. Om de groep nette heren met een zwarte bolhoed, die ogen als overjarige Daltons. En om de baby die er nog nét bij past in de helemaal volgestouwde winkelwagen.

Typisch Martin Parr. Door regisseur Lee Shulman bovendien opgediend met een snuifje punk: White Riot van The Clash. ‘Hij heeft gedaan wat Charlie Chaplin in de stomme film deed’, stelt Parrs collega Mimi Mollica. ‘Komedie en tragedie ineen. Dat bestond nog niet in de fotografie.’ Martin Parr ziet zichzelf echter niet als een humoristische fotograaf. ‘Het leven is gewoon vreemd en grappig.’ En dus zit zijn werk vol met zowel de schoonheid als de lulligheid van het bestaan. Het duurde alleen even voordat dit op waarde werd geschat: anderen verdachten de fotograaf ervan dat hij gewone mensen te kijk zette.

Dat werd pijnlijk duidelijk toen hij in de jaren negentig lid wilde worden van Magnum Photos, het toonaangevende fotografencollectief. De helft van de leden zou ermee stoppen als Martin Parr werd toegelaten, de andere helft als er géén plek voor hem zou zijn. ‘Cultuur heeft iets tegen humor, terwijl humor de cultuur juist tempert’, schampert kunstenaar Grayson Perry daarover. ‘Dat wordt zo onderschat. Er zit zoveel performatieve ernst in de kunst. Mensen denken dat ellende belangrijker is in de kunst dan humor. Humor houdt gewichtigdoenerij en fanatisme binnen de perken.’

Terwijl zijn echtgenote Susie Parr, kunstkenners en collega’s zoals Bruce Gilden, Kavi Pujara en Harry Gruyaert hun licht over hem laten schijnen, toont Shulman hoe Parr, die ernstig ziek is geweest en zich geregeld voortbeweegt met een rollator, onvermoeibaar aan het werk blijft. Hij lijkt overal in de publieke ruimte wel wat van zijn gading te kunnen vinden: in restaurants, op de dansvloer, aan het strand, in een speelhal, achter het stuur of op de markt. ‘Niet lachen, normaal kijken’, zegt hij dan tegen de mensen voor zijn camera en legt hen vervolgens op hun paasbest, allergewoonst of ongemakkelijkst vast.

Volgens eigen zeggen wil Parr ‘de vrijetijdsbesteding van diverse klassen in de westerse wereld vereeuwigen’. Zo heeft hij meteen de wegkwijnende arbeidersklasse in Thatchers Engeland te pakken gekregen en later ook de consumptiemaatschappij en het internationale toerisme van onvergetelijke beelden voorzien. Op die manier heeft de onverzadigbare fotograaf, in de woorden van bassist Mark Bedford van de Britse skaband Madness (die natuurlijk niet ontbreekt in de lekker rafelige soundtrack van I Am Martin Parr), de wereld vastgelegd zoals die was. ‘En niet zoals hij ‘m wilde hebben.’

De bonte kermis aan beelden in dit joyeuze portret zorgt er zelfs voor dat het gewone leven, zoals eenieder van ons dat elke dag aantreft als ie z’n huis verlaat, verdacht veel op een Martin Parr-foto begint te lijken.

Black Widow

SkyShowtime

‘Dena, wat heb je nu weer gedaan?’ vraagt haar moeder, als ze ziet wat haar volwassen dochter in haar eigen huis heeft aangericht met een honkbalknuppel. De vader van Dena Holmes brengt het ernstig gewonde slachtoffer naar het ziekenhuis, terwijl moeder direct begint met het schoonmaken van de woning. Even later zijn alle bloedsporen weggepoetst. En het slachtoffer, Dena’s eigen echtgenoot, wil bij nader inzien toch geen klacht tegen haar indienen bij de Britse politie.

Het is een bizar tafereel, aan het einde van de tweede aflevering van Black Widow (135 min.), een driedelige docuserie van Paula Wittig over een Britse vrouw die daadwerkelijk een zwarte weduwe mag worden genoemd. Dena windt mannen moeiteloos om haar vinger en brengt ze vervolgens, als een rasmanipulator, in de meest onmogelijke posities. Alsof ze daadwerkelijk hun leven vergiftigt. Het zijn verhalen die door allerlei getuigen moeten worden bevestigd. Anders waren ze nauwelijks te geloven.

Het begint in deze serie met Julian Webb, een 31-jarige Brit die in juni 1994 ineens blijkt te zijn overleden. Zijn moeder Rosemary kan niet geloven dat hij zelf een einde aan zijn leven heeft gemaakt – ook al houdt zijn echtgenote staande dat Julian een overdosis medicijnen heeft ingenomen. Deze Dena heeft tot dusver geen geluk gehad in de liefde. Haar vorige echtgenoot Lee Wyatt heeft haar meermaals mishandeld en is nu al enige tijd spoorloos. Welke rol speelt hij in dit ongelooflijke drama?

Met Dena’s slachtoffers schetst Wittig een op het eerste oog tamelijk onopvallende femme fatale. Bij Dena lijkt liefde – of wat daarvoor moet doorgaan – altijd uit te monden in ‘coercive control’, een vorm van psychologische oorlogsvoering waarmee haar geliefde wordt gereduceerd tot een zielig hoopje mens. Dood of levend. En Dena haalt alles uit de kast om haar doel, to-ta-le onderwerping, te verwezenlijken. Van de Ierse maffia tot emigreren naar Florida en een terminale vorm van kanker.

Black Widow, slinks opgebouwd, inventief vormgegeven en voorzien van gelikte reconstructiescènes, tekent de onwaarschijnlijke geschiedenis van deze parasietachtige vrouw, die zichzelf helemaal verliest in ‘dwingende controle’ adequaat op, maar heeft als psychologisch portret zo z’n beperkingen. Want waarom zuigt Dena eigenlijk al die mannen leeg? Wat beoogt ze daarmee? En waarom heeft ze steeds nieuwe slachtoffers nodig? Daarnaar blijft ’t toch enigszins gissen.

Als er voor zulke vragen al bevredigende antwoorden bestaan…

Churchill At War

Netflix

Zoals ze daar zitten, gebroederlijk naast elkaar op twee stoeltjes in Casablanca, lijken ‘t heel even twee heel gewone oude mannetjes, vrienden voor het leven wellicht, die samen genieten van het zonnetje. In werkelijkheid gaat ’t om twee beeldbepalende leiders uit lang vervlogen tijden, voor de gelegenheid ingekleurd. Om hen van de twintigste eeuw, waarin ze allebei een prominente rol speelden, naar de éénentwintigste te tillen. De één zit er breed glimlachend bij, ogenschijnlijk een gulle politicus. De ander kijkt enigszins zuinig, het toonbeeld van de onverzettelijke leider.

De Amerikaanse president Franklin D. Roosevelt en Britse premier Winston Churchill hebben elkaar, na even zoeken, gevonden in hun strijd tegen nazi-Duitsland en Japan. Er is zowaar iets van vriendschap ontstaan, betogen enkele historici in Churchill At War (235 min.). Die krijgt echter al snel een serieuze knauw als de Russische leider Stalin zich tijdens een volgende top in Teheran bij het duo voegt en de leider van het grote Britse rijk het mikpunt van spot wordt. Daar, in die ‘schoolpleindynamiek’ van 1943, wordt al de basis gelegd voor de naoorlogse wereld en de Koude Oorlog.

Zulke sfeertekeningen behoren tot de pluspunten van deze vierdelige historische serie, waarin regisseur Malcolm Venville traditionele documentaire-elementen zoals authentiek (hoewel dus ingekleurd) archiefmateriaal en commentaar daarbij van bekende historici zoals Douglas Brinkley, Dan Snow en Jon Meacham, Churchills kleindochter Emma Soames en de prominenten Boris Johnson, George W. Bush en David Petraeus ‘verrijkt’ met uitgebreide gedramatiseerde scènes, waarin de Britse acteur Christian McKay het larger than life-personage Winston Churchill vertolkt.

En daar, bij die combinatie van non-fictie en fictie, wringt ’t ook meteen. Want die twee komen, zoals wel vaker, slechts zelden geloofwaardig bij elkaar. De Churchill van McKay blijft te allen tijde een rol. Ook doordat hij, samen met Venville, soms echt het clichébeeld van de man opzoekt: de moeilijk kijkende bullebak, met z’n hoed, vlinderstrik en die eeuwige sigaar, die regelmatig onbehouwen uit de hoek komt, maar ‘t eigenlijk niet zo slecht meent en ‘t in elk geval als beste weet. Het is de Winston Churchill die al in talloze dramaproducties is opgetekend. Meer icoon dan mens.

Uit ‘s mans nalatenschap zijn bovendien vijf miljoen gepubliceerde en zes miljoen uitgesproken woorden gedestilleerd, meldt Churchill At War bij aanvang trots. Die hebben, zo nodig met kunstmatige intelligentie omgezet in audio, hun weg gevonden naar een narratief over een geboren leider met een vooruitziende blik: hij herkende al heel vroeg het gevaar van Adolf Hitler, muntte de term ‘Het IJzeren Gordijn’ en had wellicht zelfs voorzien, of erop gespeculeerd, dat hij zelf postuum alleen nog maar aan belang zou winnen.

Undercover: Exposing The Far Right

Tigerlily Productions

Harry Shukman wordt Chris. Hij infiltreert, voorzien van een verborgen camera en geluidsapparatuur, in een internationaal opererend extreemrechts netwerk. Daarbij richt hij zich nu eens niet op de bullebakken, de kaalkoppen die racistische leuzen scanderend en amok makend de straat op gaan, maar op de intelligentsia, de denkers van een radicale beweging die inmiddels op diverse plekken in de wereld toegang tot de macht lijkt te krijgen.

Harry is onderdeel van de Britse organisatie Hope Not Hate, die zich ten doel heeft gesteld om te openbaren wat er in die extreemrechtse kamers werkelijk over tafel gaat, de wereld achter de omfloerste woorden. Voor de documentaire Undercover: Exposing The Far Right (90 min.) heeft Havana Marking toegang gekregen tot zo’n operatie, waarvan ‘Chris’ het uithangbord is en Patrik Hermansson dienst doet als zijn ingenieuze secondant. Samen begeven ze zich in kringen waar fatsoenlijke mensen doorgaans liever weg blijven – en waar ’t ook niet ongevaarlijk is als ze ontdekken wie je écht bent.

De officiële verklaringen van de lieden die in deze verborgen camera-docu figureren, bij wijze van wederhoor opgenomen in de aftiteling, schetsen een aardig beeld van in welke beerput de twee hun neus hebben gestoken: de extreemrechtse partij Britain First, het voormalige English Defence League-boegbeeld Tommy Robinson, een kopstuk van Alternative für Deutschland, de aanjagers van de rechts-extremistische rellen in Groot-Brittannië in de zomer van 2024 én de mysterieuze investeerder die een ondergronds onderzoek naar intelligentieverschillen tussen rassen financieel ondersteunt.

Marking volgt de medewerkers van Hope Not Hate naar (stiekem gefilmde) activiteiten, bijeenkomsten en besprekingen met dubieuze figuren in Estland, Polen en Griekenland, maar belicht ook de impact van het werk op het persoonlijk leven van de gezichten van de ideële organisatie. Want zulke activiteiten gaan gepaard met gerichte intimidatie en de dreiging van geweld vanuit extreemrechtse hoek. Oprichter en CEO Nick Lowles krijgt bijvoorbeeld te horen dat een negentienjarige extremist zijn afgeschermde adres en telefoonnummer heeft achterhaald én een vuurwapen heeft gekocht op het internet.

Als Hope Not Hate in oktober 2024 de resultaten van z’n onderzoek naar buiten brengt, kan Chris weer Harry Shukman worden. Hij vervolgt zijn werk. Niet meer – nooit meer! – undercover, maar vanuit een safehouse.