Is That Black Enough For You?!?

Netflix

Waarom zijn we eigenlijk gestopt met het maken van de zwarte speelfilms die in de jaren zeventig zo succesvol waren? vraagt regisseur Elvis Mitchell zich af bij de start van het video-essay Is That Black Enough For You?!? (135 min.), waarin hij de zwarte Amerikaanse filmhistorie doorlicht.

Aan de hand van een enorme verzameling filmfragmenten laat Mitchell eerst zien hoe (wit) Hollywood door de jaren heen Afro-Amerikanen heeft geportretteerd en vervolgens hoe er in jaren zestig, op de golven van de burgerrechtenbeweging, een zelfbewuste en diverse generatie zwarte filmmakers opstaat, die ruimte vindt voor de authentieke verhalen en personages uit hun eigen wereld.

Met als meest uitgesproken uitingsvorm: de Blaxploitation-films van de jaren zeventig, die kaskrakers als Shaft, Super Fly en Foxy Brown heeft voortgebracht. De benadering van zwarte regisseurs en scenarioschrijvers, de serieuze rollen die daaruit voortvloeien voor iconische acteurs en actrices én de muziek waarmee die verhalen worden aangekeild en begeleid, sijpelen vervolgens ook door naar het werk van witte regisseurs zoals Sergio Leone, Francis Ford Coppola en Quentin Tarantino.

Elvis Mitchell onderbreekt zijn persoonlijk ingestoken en met veel feitjes en weetjes gestutte betoog zo nu en dan voor herinneringen, observaties en constateringen van de prominente Afro-Amerikaanse acteurs en regisseurs Margaret Avery, Harry Belafonte, Samuel L. Jackson, Whoopi Goldberg, Laurence Fishburne, Sheila Frazier, Billy Dee Williams, Suzanne De Passe, Charles Burnett, Glynn Turman, Mario von Peebles Jr. en Zendaya.

In tegenstelling tot de stilistisch verwante essays Disclosure (transcultuur), Body Parts (vrouwbeelden) en Brainwashed: Sex-Camera-Power (het vrouwelijk lichaam) voelt Is That Black Enough For You?!?, mede door Mitchells overcomplete voice-over en het ondanks de aanzienlijke speelduur toch behoorlijk hoge verteltempo, alleen eerder als een op cinefielen gerichte verhandeling over een essentieel stuk filmgeschiedenis dan als een breed toegankelijke beschouwing op de representatie van zwart Amerikanen in film en de maatschappelijke gevolgen daarvan.

Springsteen & I

Hij behoort al enige tijd tot het selecte gezelschap artiesten dat boven elke twijfel verheven lijkt. Bob Dylan, The Beatles, David Bowie, Nick Cave en… Bruce. Die voornaam volstaat overigens. 

Als hoofdpersoon van documentaires houdt Springsteen – hij dus – via zijn huisfilmer Thom Zimny graag de teugels stevig in handen – al draaft hij, eerlijk is eerlijk, dan ook weer met liefde en plezier op in allerlei popdocu’s over collega’s, om hen hoogstpersoonlijk een veer in de reet te steken.

Voor Springsteen & I (77 min.) wordt hij in zekere zin aan de zijlijn geparkeerd. In deze alleraardigste film van Baillie Walsh uit 2013 staat die ik namelijk centraal. Beter: al die ikken. Doorgewinterde fans van de Amerikaanse rocker die hebben vastgelegd wat Bruce en zijn muziek voor hen betekenen.

Hij pept hen op, inspireert, troost, onderwijst, windt op, emotioneert en leert hen zichzelf beter kennen. Bruce speelt ook – dat weten ze zeker – eigenlijk alleen voor hen. ‘We zijn al vrienden sinds 1985’, vertelt een Deense vrouw bijvoorbeeld overtuigd. ‘Ook al kent hij me niet.’

Deze film is niets meer (of minder) dan een aaneenschakeling van statements, loftuitingen en anekdotes van Bruce’s hondstrouwe achterban, doorsneden met talloze fragmenten van ‘s mans vrolijke, vurige en gedragen performances. Dat pakt beurtelings grappig, gênant en ontroerend uit.

Ze boden zich als Courtney Cox aan om met hem dansen tijdens Dancing In The Dark, mochten uitgedost als Elvis een moppie met hem spelen (en wilden vervolgens eigenlijk niet meer van het podium af) of werden ontmaagd op één van zijn prijsnummers, het machtig mooie Thunder Road.

Behalve een eerbetoon aan hun geblokte idool wordt deze documentaire zo ook een soort zelffelicitatie. Want Bruce Springsteen is een sublimatie van wie zij zijn of willen zijn. Een onwerkelijk grote held en toch zo’n gewone, aanraakbare jongen. Waar zij dan weer perfect bij passen.

Young Plato

Soilsiu Films

‘The Troubles’ mogen dan al enige tijd tot het verleden behoren. In de grauwe straten van Ardoyne, een arbeidersbuurt in de Noord-Ierse hoofdstad Belfast, zijn de tegenstellingen tussen loyalisten en republikeinen nog altijd overal zichtbaar. ‘End British internment of Irish republicans’, eist één van de vele kenmerkende muurschilderingen. En elders wordt een ode gebracht aan de gevallen strijders van de ‘Marrowbone Belfast Brigade’.

Het hier en nu kent dan weer zijn eigen problemen. ‘Parasite drug dealers leave our kids alone!’ schreeuwt een poster, met daarop een wel erg plastische injectiespuit. Binnen die harde omgeving probeert directeur (en Elvis-fan) Kevin McArevey van de Holy Cross Boys’ Primary School, zo’n man waarvan je stante pede gaat houden, zijn jongens met filosofielessen voor te bereiden op het leven. Hij laat hen denken. Over de wereld, de ander en zichzelf.

In Young Plato (99 min.) kijken Declan McGrath en Neasa Ní Chianáin, die eerder samen met David Rane het hartverwarmende School Life regisseerde) mee hoe hij de kinderen (en ook hun ouders) op een heel eenvoudige manier, met een filosofiebord, ideeënverzamelaar en socratische kring bijvoorbeeld, laat kennismaken met Aristoteles, Plato, en Seneca en zo aanzet tot (zelf)reflectie. Mag je ooit je woede koelen op een ander? vraagt hij bijvoorbeeld aan de jongens in schooluniform. Waarna er een genuanceerd groepsgesprek ontstaat.

McArevey confronteert hen tegelijkertijd ook met beelden van twintig jaar eerder, van heftige onlusten tussen katholieken en protestanten bij de Holly Cross Girls School. Geweld als ultieme consequentie van je niet willen of kunnen verplaatsen in de ander. Speels, met humor en recht voor zijn raap geeft McAvey zijn leerlingen, die natuurlijk af ten toe flink hun hoofd stoten, zo een plek om samen betere mensen te creëren en daarmee ook een betere wereld.

Young Plato wordt uiteindelijk een heel optimistische film, over de kracht van onderwijs. Een goede leraar kan daadwerkelijk het verschil maken. Óók – of júist – op beschadigde plekken zoals Belfast. Het zit allemaal vervat in een nieuwe muurschildering, op de plek waar ouders en kinderen elkaar voor en na school ontmoeten. Conor, één van McArevey’s jongens, is daarop afgebeeld als De Denker van Auguste Rodin, in schoolkostuum te midden van grote denkers.

‘To find yourself, think for yourself.’

Scandalous: The Untold Story Of The National Enquirer

Netflix

Generoso Pope Jr., de zoon van een maffiabaas en oprichter van The National Enquirer, had volgens de overlevering halverwege de jaren vijftig een openbaring toen hij de opstopping zag die werd veroorzaakt door een auto-ongeluk. Door het publiek dat zich stond te vergapen aan de ravage en ellende, om precies te zijn. Blijkbaar was dat wat mensen wilden zien. Zijn geesteskind, Amerika’s toonaangevende schandaalblad, zou de equivalent daarvan worden. Te beginnen met foto’s van die gruwelijke ongevallen. Later volgden (seks)schandalen, UFO’s en – natuurlijk – celebrities.

In de even vermakelijke als ongemakkelijke documentaire Scandalous: The Untold Story Of The National Enquirer (96 min.) van Mark Landsman vertellen oud-medewerkers openhartig over hun werk voor het sensatieblaadje. Over foto’s van Elvis in zijn lijkkist, de buitenechtelijke affaire van presidentskandidaat Gary Hart en de ware toedracht van het overlijden van komiek John Belushi. In elk verhaal zat altijd een kern van waarheid, bezweren ze. Een kerntje in elk geval. En soms lichtten ze zowaar echt belangrijke tegels, zoals bij de moordzaak tegen O.J. Simpson.

Zelfs gerespecteerde journalisten Carl Bernstein, Ken Auletta, Maggie Haberman kunnen daar niet omheen. Het blad had alleen geen héél goede reputatie, om het mild uit te drukken. ‘Ik dacht soms: zou het niet gemakkelijker zijn om te zeggen dat ik in de gevangenis of het gekkenhuis had gezeten?’ stelt redacteur Shelley Ross. ‘Maar de werkelijkheid was anders: ze beloofden me een driedubbel salaris en wereldreisjes. Maar ik moest wel een heel klein beetje roekeloos te werk gaan.’ 

Zonder gêne verhalen de ervaren ‘smut peddlers’ over de genadeloze onderlinge concurrentie bij The Enquirer, betaalde tipgevers uit de directe omgeving van beroemdheden én chantage van sterren die uit de bocht waren gevlogen. Zulke Catch and Kill-politiek – een ongewenste primeur wordt binnenkamers gehouden in ruil voor exclusieve verhalen – werd eerst uitgeprobeerd met schuinsmarcheerders zoals Bob Hope, Bill Cosby en Arnold Schwarzenegger en zou later, onder de nieuwe hoofdredacteur David Pecker, geperfectioneerd worden met Donald Trump.

In eerste instantie was er gewoon sprake van ruilhandel: The Donald voorzag het roddelblad van een constante stroom nieuwtjes en werd intussen zelf goed in het nieuws gehouden. Toen ‘s mans politieke carrière op stoom kwam, kreeg de deal evenwel een serieuzer karakter: schadelijke getuigenissen werden voor grof geld opgekocht en vervolgens voorgoed weggeborgen. Men neme bijvoorbeeld de getuigenissen van playmate Karen McDougal of pornoster Stormy Daniels. Dubieuze verhalen over Trumps concurrenten belandden vervolgens wél prominent op de voorpagina.

En daarmee vormt een blad als The National Enquirer een regelrechte bedreiging voor de Amerikaanse democratie. Want hoe onschuldig al dat roddelwerk van deze schmutzige variant op de Story, Privé en Weekend in eerste instantie meestal lijkt, het is en blijft de weerslag van een onvervalste dog eat dog-visie op het leven, waarbij alles en iedereen ondergeschikt wordt gemaakt en twijfelachtige congsies worden gesloten om de eigen doelen en ambities te verwezenlijken.

The King

‘Oh, mán!’ Hij schiet helemaal vol als hij instapt. Een Rolls Royce uit 1963. De auto van Elvis Presley. The King (108 min.). ‘Oh, shit’, herpakt singer-songwriter John Hiatt zich. ‘Sorry.’ ‘Kwam het door iets wat ik zei?’ wil regisseur en bestuurder Eugene Jarecki weten. ‘Nee. Als je in deze auto gaat zitten, voel je gewoon hoe gevangen hij zat. Helemaal gevangen.’

Elvis was volgens John Hiatt een ‘poor mama’s boy from Mississippi’, die vast kwam te zitten bij een ‘kermistype’. Manager Colonel Parker heeft hem schaamteloos heeft geëxploiteerd en intussen zijn ziel afgenomen. Hoogstpersoonlijk zorgde Parker, de Nederlander Dries van Kuijk, ervoor dat Presley transformeerde van onbedorven – of zéér verdorven; tis maar hoe je het bekijkt – rock & roller tot volledig bedorven entertainer.

Elvis was de verpersoonlijking van de American Dream, zo betoogt deze caleidoscopische road trip door het hedendaagse Amerika met de ‘hot wheels’ van The King. En dus ook van de teloorgang van diezelfde droom. Waar Presley zijn ziel op Faustiaanse wijze aan de Duivel verkocht, veranderde het land van hoop en dromen gaandeweg in een soort megalomane versie van Las Vegas, de plek waar Elvis roemloos aan zijn einde kwam.

Ooit een baken van vrijheid, maar inmiddels allang verworden tot een symbool voor het ultieme kapitalisme. Al valt er op die droom, volgens de rapper Immortal Technique niet meer dan ‘de nachtmerrie van een dronkenlap’, ook wel één en ander af te dingen. Want dat was natuurlijk vooral een blank ideaalbeeld. Dat werd gepersonifieerd door Elvis, de zanger die zwarte muziek toegankelijk maakte voor wit Amerika.

‘Elvis was a hero to most, but he never meant shit to me’, rapte Chuck D. al in de Public Enemy-hit Fight The Power. ‘Straight up racist that sucker was.’ Hij mag ook zijn licht laten schijnen over The King, in de ogen van de rapper het symbool van hoe Wit Amerika Zwart Amerika ringeloorde, in deze lappendeken van een documentaire, waarin een hele stoet landgenoten het lot van Elvis met dat van zijn land verknoopt.

Van acteurs als Alec Baldwin, Ethan Hawke en Ashton Kutscher tot spin doctor James Carville, The Wire-bedenker David Simon en oud-anchorman Dan Rather. Intussen wordt er ook nog gloedvol gemusiceerd in die Rolls Royce, die vanuit de stilaan Vernederde Staten van Amerika linea recta ons collectieve hart binnenrijdt met deze eigenzinnige en ambitieuze film.

Elvis Presley: The Searcher

HBO

In 1968 leek zijn carrière over. Elvis Presley was verleden tijd. Ook volgens zichzelf. Afgegleden naar plat entertainment en voorbij gestreefd door The Beatles, Stones en al die andere sixtiesbands. Hij ging het niettemin nog eenmaal proberen. Tegen beter weten in. Omdat het bloed nu eenmaal kruipt waar het niet gaan kan. Tot het uiterste geladen overtrof ‘s werelds beroemdste rock & roller nog eenmaal alle verwachtingen en gaf zijn zieltogende loopbaan met de zogenaamde ‘68 Comeback Special een allerlaatste klap.

Dat is het startpunt van het epische portret Elvis Presley: The Searcher (205 min) van Thom Zimny, dat de komende donderdagen in twee delen wordt uitgezonden door Canvas. Zimny, de huisfilmer van Bruce Springsteen, voert een imposante collectie sprekers op – mensen die je in de film overigens alleen hoort en niet ziet. Van Presleys vrouw Priscilla, oude vrienden en zijn bandleden, songschrijvers en producers tot (pop)historici, biografen en zwaar door Elvis beïnvloede artiesten als Tom Petty, Emmylou Harris, Robbie Robertson (The Band) en – natuurlijk – Springsteen.

Tezamen gaan ze terug naar Presleys armoedige jeugd in Tupelo, Mississippi en schilderen van daaruit zijn enerverende leven, glorieuze carrière (die ook uitwaaierde naar, veelal aalgladde, speelfilms) en de tragische afloop daarvan in 1977; als extra large Vegas-versie van zichzelf, gedeprimeerd en verslaafd aan allerlei chemicaliën in zijn eigen potsierlijke paleis Graceland te Memphis, nog altijd een bedevaartsoord voor Elvis-adepten. Ruim veertig jaar na zijn dood geldt de man met de soepele stem, overrompelende good looks en losse heupen niettemin nog steeds als de onbetwiste ‘king of rock & roll’. Dit uitputtende documentaire-tweeluik bewijst hem op een bevredigende manier alle eer.