Sunderland ‘Til I Die – Season 3

Netflix

Nieuwe eigenaar, nieuwe dromen. ‘Ze willen Haaland, Mbappé en Jude Bellingham’, zegt een medewerker van de voetbalclub Sunderland lachend tegen Kyril Louis-Dreyfus. ‘Dus trek je portemonnee maar.’ De zieltogende arbeidersclub uit het Noordoosten van Engeland, inmiddels goed voor twee (televisie)seizoenen voetballeed, bivakkeert alweer enige tijd op het derde niveau en is nu overgenomen door de 23-jarige telg van een rijke Franse familie, die jarenlang aan het roer heeft gestaan bij Olympique Marseille.

Dat is vragen om ellende, precies waar de kijker van Sunderland ‘Til I Die – Season 3 (127 min.), geregisseerd door Benjamin Riad, inmiddels op hoopt. En de eerste de beste wedstrijd, wanneer Sunderland AFC in januari 2022 als nummer twee van League One aantreedt tegen laagvlieger Bolton Wanderers, is het alweer raak. Bij het eindsignaal staat er 6-0 op het bord voor Bolton. ‘Sunderland krijgt klop overal waar ze komen’, zingen fans van de tegenpartij treiterend. Het is de grootste nederlaag voor The Black Cats in acht jaar. De dag erop wordt (dus) trainer Lee Johnson de laan uitgestuurd.

Zijn opvolger laat even – en enkele verliespartijen – op zich wachten. Fans en media roepen om de Ierse voetballegende en tv-persoonlijkheid Roy Keane, die trouwens ook niet slecht zou zijn geweest voor deze Netflix-serie. Want die heeft inmiddels z’n eigen dynamiek gekregen. Nieuwe spelers, trainers en supporters weten door seizoen 1 en 2 hoe ’t eraan toe kan gaan in het binnenste van de volksclub uit de Engelse industriestad. Dat geldt ook voor de man die uiteindelijk wel langs de lijn belandt: Alex Neil. Hij moet het team naar het Championship leiden. Ofwel: nieuwe coach, nieuwe dromen.

Dat is alleen, zo bleek al eerder, geen garantie voor succes bij ‘the sleeping giant’. ‘We slapen al best lang, hè?’ stelt een supporter nuchter vast. We liggen in coma, bevestigt één van zijn vrienden. Die nadruk op de beleving van de volkssport voetbal, meer dan op de goals en spectaculaire acties, is wat ook dit laatste seizoen van de Sunderland-serie uiteindelijk boeiender maakt dan All Or Nothing-serie over topclubs zoals Manchester City, Arsenal en Tottenham Hotspur. De hoofdpersonen staan in Sunderland eerder langs de lijn dan in het veld – al zoomt Riad tussendoor ook even in op enkele (modale) spelers. De menselijke maat blijft te allen tijde leidend. Ook als de club zicht krijgt op een beslissingswedstrijd in het Londense Wembley-stadion om promotie naar het Championship af te dwingen. Nieuwe league, nieuwe dromen?

Seizoenkaarthouder Ian Wake heeft alleen weinig positieve associaties met de heilige voetbalgrond. Sinds Sunderland daar in 1973 de FA Cup won ‘a life of misery was inflicted on us when it came to going to Wembley to watch Sunderland’, zegt Wake zonder een spoor van ironie. Gewone mannen en vrouwen zoals hij, de levenslange supporter die een thuis heeft gevonden bij de club, vormen het warme hart van deze voetbalserie, die uiteindelijk op dezelfde plek eindigt als waar ie, zeventien afleveringen eerder, ooit begon: in St. Mary’s Church, waar pater Marc Lyden-Smith tijdens een emotionele afscheidsbijeenkomst nog maar eens het belang van voetbal benadrukt.

The Space Race

National Geographic

De eerste generatie Amerikaanse astronauten is heel zorgvuldig geselecteerd – en niet alleen op inhoudelijke gronden. Zij worden doelbewust vooruitgeschoven als gezicht van het patriottische ruimtevaartprogramma en moeten dus gemaakt zijn van ‘The Right Stuff’: wit, mannelijk en zo’n één meter tachtig. Zwarte Amerikanen zouden alleen maar uit de toon vallen in zo’n superheldenrol.

Toch wordt er begin jaren zestig vanuit de Afro-Amerikaanse gemeenschap wel degelijk een kandidaat naar voren geschoven. Ed Dwight lijkt, ondersteund door de regering Kennedy, voorbestemd om ‘the first negro astronaut’ te worden. De top van de ruimtevaartorganisatie NASA beslist echter anders. Zo’n beetje elke witte kandidaat wordt meer geschikt geacht dan deze zwarte astronaut.

En als president John F. Kennedy in 1963 wordt vermoord, is Dwights kans op een ruimtevlucht definitief verkeken. Het zal nog zo’n twintig jaar duren, een periode waarin astronaut Neil Armstrong bijvoorbeeld zijn legendarische eerste stappen op de maan zet, voordat NASA in 1983 de eerste zwarte astronaut lanceert. Afro-Amerikanen moeten het al die tijd zonder rolmodel doen.

In The Space Race (90 min.) documenteren Diego Hurtado De Mendoza en Lisa Cortés hun emancipatiestrijd die zich dus zelfs uitstrekt tot de ruimte. Eind jaren zeventig worden dan eindelijk drie zwarte aspiranten opgenomen in het NASA-opleidingsprogramma. Één van hen moet de eerste Afro-Amerikaanse astronaut worden. One small step for black man, zogezegd, one giant leap for black mankind.

Daarna vormt zich langzaam maar zeker een zwart ruimtekeurkorps, bijgenaamd The Afronauts. In deze zorgvuldig gemaakte film schetsen zij de weg die ze, persoonlijk en als collectief, hebben afgelegd om ook te kunnen zeggen dat ‘space’ voor hen ‘the place’ is. Tegelijk blijven ook zij niet gevrijwaard van de gevaren van ruimtevaart, zoals de ramp met de Challenger in 1986 aantoont.

The Space Race brengt zo een vergeten kant van de burgerrechtenbeweging in beeld. Die komt tot een climax tijdens de Black Lives Matters-protesten van 2020 en vindt dan zelfs zijn weg naar de ruimtemissie van de zwarte astronaut Victor Glover. Daarmee lijkt de cirkel rond – al krijgt deze documentaire nog wel een lekker zoet einde, waarin Ed Dwight alsnog een hoofdrol krijgt toebedeeld.

South To Black Power

HBO Max

Het is een prikkelend idee: als zwarte Amerikanen nu eens collectief terug verhuizen naar de zuidelijke Staten waar ze tijdens De Eerste Grote Migratie (1915-1940), met zes miljoen sterk, zijn vertrokken om werk te gaan zoeken in grote steden zoals New York en Chicago. Volgens schrijver en New York Times-columnist Charles Blow, die het idee uitwerkte in zijn boek The Devil You Know: A Black Power Manifesto, is zo’n Tweede Grote Migratie een uitgelezen mogelijkheid voor Afro-Amerikanen om, op het niveau van de individuele staten, macht te verwerven. Zeker nu Black Lives Matter over z’n hoogtepunt heen lijkt, moet de zwarte gemeenschap volgens Blow manieren bedenken hoe ze meer invloed kan krijgen.

Aardig gedachtenexperiment om South To Black Power (85 min.) in gang te zetten, zo lijkt ‘t, maar natuurlijk geen serieus plan. Dat laat zich echter nog bezien. Er zijn wel degelijk min of meer geslaagde voorbeelden. In de jaren zestig verhuisden hippies bijvoorbeeld collectief naar de staat Vermont en zorgden daar voor een aanmerkelijk liberaler klimaat, dat als voedingsbodem heeft gefungeerd voor de bekende linkse senator Bernie Sanders. In Jackson, Mississippi, werd ondertussen de zogenaamde Republic Of New Africa opgericht. Die bleek weliswaar geen lang leven beschoren, maar de huidige burgemeester, Chokwe Antar Lumumba, is wel een afstammeling van een zwarte activist die destijds voor de Republiek overkwam vanuit Detroit. Dat is Black Power in de praktijk.

Net als veel Afro-Amerikanen is Blow zelf ooit van het zuiden naar het noorden gemigreerd. Hij groeide met vier broers op bij een alleenstaande moeder in Louisiana en wilde zich als veelbelovende jongeling losmaken van zijn gesegregeerde omgeving. In New York vond hij zijn plek en missie. Inmiddels is de schrijver, vertelt hij in deze documentaire van Sam Pollard en Llewellyn M. Smith, weer terug verhuisd naar het zuiden, Georgia. Omdat, behalve woorden, ook daden ertoe doen. Blow gaat daar dan wel weer over in gesprek met zwarte Amerikanen die altijd in een zuidelijke staat zijn blijven wonen, net als hij naar het noorden zijn vertrokken, daar nooit meer weg willen en/of juist overwegen om te migreren naar een plek waar op termijn een Afro-Amerikaanse meerderheid kan ontstaan.

Het idee van een Tweede Grote Migratie blijft dus vooral aanleiding voor een, tamelijk braaf, gesprek tussen gelijkgestemden en wordt verder niet uitgetest. In staten zoals Georgia en North Carolina is tijdens de parlementsverkiezingen van 2022 al wel te zien wat de gevolgen van zo’n zwarte meerderheid zouden kunnen zijn. Tegenover een versterkt zwart zelfbewustzijn komen al snel pogingen te staan om het stemmen te ontmoedigen of om, via gerrymandering, kiesdistricten zo in te richten dat de zwarte bevolking alsnog in een district met een witte meerderheid terecht komt of dat alle Afro-Amerikanen juist bij elkaar worden geplaatst (zodat ze alleen daar, op dit kleine stukje Amerika, invloed kunnen uitoefenen).

Dat zijn best interessante en relevante constateringen. En ook het antwoord daarop, vanuit zwarte activisten, levert denkvoer op. Het resulteert alleen niet in een heel sprankelende film. Na een prikkelend begin wordt South To Black Power een soort kruising tussen een politiek pamflet en een praatfilm, die vooral in de eigen parochie heel goed zal worden ontvangen.

De Bezette Stad

September Film

In hoeverre is het verleden nog te herkennen in de hedendaagse wereld? En moeten we die historie kennen om onze wereld te kunnen begrijpen? In zijn epische werk De Bezette Stad (Engelse titel: Occupied City, 262 min.), gebaseerd op het boek Atlas Van Een Bezette Stad: Amsterdam 1940-1945 van zijn partner Bianca Stigter (Three Minutes – A Lengthening), laat Steve McQueen de stad zien zoals we die tijdens de Coronacrisis hebben leren kennen.

Intussen concentreert de Britse regisseur/kunstenaar zich op verhalen over (Joodse) Amsterdammers uit de Tweede Wereldoorlog bij diezelfde plekken. Terwijl de camera nauwelijks beweegt, als een stille getuige, deelt verteller Carice van Houten (internationale versie: Melanie Hyams) gedetailleerde informatie over wat er daar, op die specifieke plek in de stad of met de bewoners van een bepaalde woning, is gebeurd.

Zo wordt ook de onwerkelijkheid van al die verhalen benadrukt: in het huis waar nu een gewone familie woont, woonde ooit misschien wel een gewone Joodse familie. En dan laat het zich wel voorspellen hoe ‘t daarmee afliep: afgevoerd naar de kampen, een enkele overlevende en – opvallend vaak – zelfdoding. Omdat de wereld die nu wordt opgeroepen toen onleefbaar was geworden voor sommige Joodse inwoners.

Dat McQueen heeft gefilmd in een tijd, waarin onze wereld opnieuw wordt aangevallen door een afschrikwekkende vijand – en dealt met klimaatprotesten en Black Lives Matters-demonstraties – geeft zijn film extra lading. De parallellen tussen de COVID-19-pandemie en het inktzwarte verleden zijn sowieso niet van de lucht. Als een vliegtuigje met een anti-vaccinatie boodschap boven de stad cirkelt, lijkt er een aanval op komst op al wat ons als samenleving bindt.

En als hij zijn camera na de avondklok door een donkere en verlaten stad laat dwalen, herleeft iets van de unheimische atmosfeer die Amsterdam tijdens de oorlogsjaren in zijn greep moet hebben gehad. Met veel oog voor detail, symboliek en de bredere maatschappelijke context observeert Steve McQueen zo het dagelijks bestaan in wat gerust, vrij naar het schuldige landschap van de kunstenaar Armando, een schuldige stad genoemd mag worden..

Grote officiële aangelegenheden zoals de officiële opening van het Namenmonument voor Joodse oorlogsslachtoffers, de viering van Koningsdag en de dodenherdenking op de Dam worden gepaard aan kleine menselijke momentjes: een bruidspaar dat z’n taart aansnijdt voor een online-publiek, kleine kinderen die met een slee tegen een heuveltje op proberen te komen of een eenzame zwemmer in de Keizersgracht.

Als dit een geschiedkundig boek, dat je heel even kunt wegleggen, was gebleven – of, pak ‘m beet, een stadswandeling met bijbehorende podcast was geworden – zou dat ook hebben volstaan. Als één lineair gepresenteerde productie, waarbij overigens slim een intermissie van vijftien minuten is ingebouwd, test de film echter het uithoudingsvermogen. Want McQueen maakt ruim vier uur lang in wezen steeds hetzelfde punt.

Dat was ongetwijfeld de bedoeling, maar de film wordt daardoor, ondanks diverse fraaie scènes en sfeervolle sequenties, wel een slijtageslag. Meer een document dan een documentaire, eigenlijk, dat een deel van z’n publiek wel eens langzaam murw zou kunnen beuken. Totdat het, in het slechtste geval, ontspannen naar het moderne Amsterdam tuurt en intussen bijna achteloos de gruwelijkste details over Joodse stadsbewoners aanhoort.

De Bezette Stad vereist dus concentratie en wilskracht en betaalt zich dan pas uit.

Stamped From The Beginning

Netflix

Het is een ongelijke strijd. Zwarte Amerikanen zijn Stamped From The Beginning (91 min.), volgens schrijver en historicus Ibram X. Kendi in zijn gelijknamige bestseller, die nu door de toonaangevende Afro-Amerikaanse documentairemaker Roger Ross Williams op virtuoze wijze is verfilmd. Ze zijn vanaf hun aankomst in de Verenigde Staten, op één van die vermaledijde slavenschepen op de Transatlantische route, geframed als nauwelijks te onderscheiden van beesten.

In die periode is volgens Kendi sowieso het concept ‘zwart’ ontstaan. Van tevoren beschouwden de tot slaaf gemaakten zichzelf nog gewoon als lid van een bepaalde Afrikaanse stam. Zij voelden zich helemaal geen onderdeel van één en hetzelfde ras. Hun slavenhouder kon zijn handel, naar zichzelf en de rest van de wereld, echter alleen verantwoorden als hij aannemelijk kon maken dat het om een minderwaardige mensensoort ging. Zwart dus. Als roet, de nacht en al wat sowieso het daglicht niet kan velen. En al die verschillende mensen hadden zich maar naar dat idee te voegen.

Het concept ‘wit’, zo betogen Kendi en de andere zwarte denkers die Williams in zijn puntige filmessay aan het woord laat, stamt zelfs van nog later datum. Toen ze zich wilden onderscheiden van arbeiders met een kleurtje konden Polen, Italianen en Ieren lekker schuilen onder wat activiste Brittany Packett Cunningham ‘een paraplu van witheid’ noemt. De twee bevolkingsgroepen zaten allebei onder de knoet bij een kleine, natuurlijk witte, elite en werden daardoor lekker tegen elkaar uitgespeeld. Drie keer raden welke groep zich uiteindelijk van dit juk wist te bevrijden.

Zulke inzichten hadden gemakkelijk tot een dor en tamelijk breedsprakig vertoog kunnen leiden waarin de witmens met allerlei, nauwelijks te betwisten, feiten om de oren wordt geslagen en intussen ook de ‘Black is beautiful’-gedachte wordt uitgedragen. Roger Ross Williams richt zich echter vooral op het wild kloppende hart uit Kendi’s boek en dient dit nu op met een caleidoscopische mixture van speelfilmfragmenten, animatie, nieuwsreportages, literatuur en kunst, waarbij een stuwende soundtrack er wel voor zorgt dat het tempo en de schwung erin blijven.

Te midden van Afro-Amerikaanse iconen zoals Frederick Douglass, Maya Angelou en Barack Obama houdt Williams echt even halt bij de baanbrekende vrouwen Harriet Jacobs (die als eerste haar eigen slavenverhaal op papier zette), Ida B. Wells (een burgerrechtenactiviste die het aantal lynchpartijen in kaart bracht) en Phillis Wheatley (de eerste zwarte vrouw met een dichtbundel). Na de publicatie van Wheatleys boek werd er overigens een commissie van wijze mannen – herstel: witte mannen – ingesteld. Want zulke poëzie kon toch niet zijn geschreven door ‘slechts een zwarte vrouw’? 

Zwierig slalomt Roger Ross Williams, aan de hand van het onderzoek van Dr. Ibram X. Kendi, zo door de historie van Zwart Amerika. Met prominente vertegenwoordigers als schrijfster Angela Davis, influencer Lynae Vanee en congreslid Cori Bush, langs de pijnlijke symbolen Willie Horton, Rodney King en King Kong (!), via zwarte hyperseksualiteit en -criminaliteit, dwars door witte iconen zoals Thomas Jefferson, Jefferson Davis en ‘white savior’ Abraham Lincoln, op weg naar George Floyd. Want Black Lives Matter blijkbaar nog altijd niet evenveel als die van witte Amerikanen.

Er is niets mis met zwarte mensen, concludeert Kendi. Maar alles met hoe we naar zwarte mensen kijken.

Breaking Social

Cinema Delicatessen

‘Verandering begint aan de rand en trekt dan naar binnen’, stelt de Nederlandse schrijver/historicus Rutger Bregman, die in Breaking Social (92 min.) als één van de centrale sprekers wordt opgevoerd. ‘Dat is heel tegenstrijdig. Hoeveel George Floyds zijn er geweest vóór George Floyd, die geen massaal protest hebben veroorzaakt?’

De wereld kan ten positieve worden veranderd, is de stellige overtuiging van Bregman, bekend van zijn bevlogen stukken op de Correspondent. ‘Mensen die met nieuwe ideeën komen worden in eerste instantie altijd onredelijk en irritant gevonden’, stelt de opiniemaker, terwijl hij door zijn woonplaats Houten wandelt of fietst. ‘Maar als de utopie werkelijkheid wordt, wordt het iets vanzelfsprekends. “Ja, natuurlijk is de slavernij afgeschaft.” “We hebben een welvaartstaat.” “We hebben een democratie.” Dat zijn mijlpalen van beschaving.’

Dat de mens kan bijdragen aan een betere wereld lijkt uiteindelijk ook de boodschap van deze breed uitwaaierende documentaire van Fredrik Gertten (Push): in alle uithoeken van de aarde komen mensen in opstand tegen onrecht en proberen zij hun wereld bij te sturen, al is het dan maar een klein beetje. Chileense vrouwen verzetten zich bijvoorbeeld met zang en dans tegen het patriarchaat, Amerikaanse leerkrachten trekken samen op voor betere arbeidsomstandigheden en medewerkers van Amazon voeren actie tegen de manier waarop ze worden uitgebuit.

Er is ook alle reden om te protesteren, betoogt Gertten die zijn vertelling erg ruim heeft opgezet. Om zijn betoog te stutten verlaat hij zich, behalve op Rutger Bregman, ook op de Amerikaanse schrijfster Sarah Chayes. Zij spreekt over corrupte elites, die zich niet verbonden voelen met een land of de bewoners daarvan. Volgens haar staat het principe van ‘één burger, één stem’ daardoor onder druk. ‘We leven in een situatie van: één dollar of euro, één stem’, stelt Chayes. ‘En dat geeft rijke, invloedrijke CEO’s een disproportioneel grote invloed op de politiek.’

‘Als je niet boos bent, heb je gewoon niet opgelet,’ stelt Peter S. Goodman van The New York Times zelfs. Hoe kan het bijvoorbeeld dat een miljardair minder belasting betaalt dan degene die zijn wc schoonmaakt? Via een keur aan sprekers stipt Fredrik Gertten nog veel meer voorbeelden van misstanden aan – en initiatieven om die weer te corrigeren. Tot een dwingend narratief leiden al die mensen met hun eigen belangen, strijd en idealen niet. Zoals hij ook geen aangrijpend persoonlijk verhaal in het hart van deze documentaire heeft gepositioneerd.

Zonder zulke houvast – een schrijnend geval van onrecht bijvoorbeeld, waartegen iemand in het geweer komt – wordt Breaking Social vooral een interessante filosofische exercitie over de wereld waarin wij leven. Een Tegenlicht de luxe, zogezegd. Aan de hand van enkele treffende casussen – de moord op de Maltese journaliste Daphne Caruana Galizia, Cambridge Analytica en het ruimtereisje van Jeff Bezos bijvoorbeeld – worden de hedendaagse mores tegen het licht gehouden en van context voorzien. Maar om nu te zeggen dat ’t daarmee ook een héél enerverende film is geworden…

Alledaagse Waardigheid

NTR

‘Ontzettend dankbaar dat je mij daar waardig voor vond’, zegt de Nederlandse prinses Irene tegen Philomena Essed, hoogleraar Critical Race, Gender and Leadership Studies. Lachend: ‘Klinkt een beetje onderdanig…’ Essed vindt ‘t in de documentaire Alledaagse Waardigheid (75 min.) van Ida Does (Nieuw Licht: Het Rijksmuseum En De Slavernij) ook te veel eer. ‘Kom op…’

Het was in 1984 echter een gedurfde keuze geweest van de wetenschapper en haar uitgeefster Anja Meulenbelt om juist een lid van het Koningshuis te vragen om het eerste exemplaar in ontvangst te nemen van Alledaags Racisme, het allereerste boek over racisme in Nederland. In eigen kring werd er door sommigen zelfs schande van gesproken dat een vertegenwoordiger van het kolonialisme zoals prinses Irene zo’n prominente rol had gekregen. Philomena Essed wilde van de boekpresentatie echter nadrukkelijk ‘geen onderonsje met zwarte vrouwen’ van maken.

Haar boek, inmiddels bijna veertig jaar oud, legt de vinger op de zere plek: ook in Nederland, dat zichzelf graag op de borst klopt als een progressief land, is racisme aan de orde van de dag. Elke zwarte Nederlander herkent dat, constateert Essed. Al spreken ze er meestal niet of alleen in besloten kring over. De Surinaams-Nederlandse wetenschapster benoemt in haar baanbrekende boek ook het institutioneel racisme, dat onlangs nog pijnlijk zichtbaar is geworden in het Toeslagenschandaal. Ze maakt er bepaald niet alleen vrienden mee.

Met Philomena Essed zelf, Anja Meulenbelt, emeritus hoogleraar Gender en Etniciteit Gloria Wekker, de sociologe Hellen Felter, schrijfster/regisseur Marion Bloem én prinses Irene van Lippe-Biesterfeld maakt Ida Does de balans op: wat heeft Esseds boek in binnen- en buitenland teweeg gebracht en in hoeverre is dat alledaagse racisme nog steeds herkenbaar in het moderne Nederland, dat zo langzamerhand toch wel van zijn witte onschuld is ontdaan en inmiddels bijvoorbeeld ook afstand heeft genomen van de controversiële figuur Zwarte Piet?

Does spreekt tevens met erfgenamen van Essed, zoals Jessica de Abreu (The Black Archives) en de initiatiefnemers van Zetje In, die na de Black Lives Matter-demonstraties van 2020 hebben bewerkstelligd dat racisme verplicht moet worden behandeld op school. Intussen kijkt ze ook mee hoe Philomena Essed haar eigen familiegeschiedenis onderzoekt. Ze blijkt af te stammen van een Surinaamse vrouw, die in 1800 in vrijheid werd gesteld door haar slavenhouder. Hij heette A. Dessé en gaf haar zijn eigen achternaam mee – al moest die dan wel worden omgedraaid.

Het is een treffend voorbeeld van hoe het verleden nog altijd zijn schaduw werpt over het heden. Zo onderstreept deze actuele en urgente film meteen het belang van grondig wetenschappelijk onderzoek naar het vroegere en huidige Nederland.

AC/DC: Forever Young

Arte

Ooit waren er drie broers. George, Malcolm en Angus. In die volgorde – al was het in de ogen van de wereld precies andersom: Angus Young, de absolute blikvanger van de Australische hardrockband AC/DC. Een gitaarheld, vermomd als eeuwige schooljongen. Zijn grote broer Malcolm Young, de bandleider die voor buitenstaanders op een willekeurige slaggitarist leek. En George Young, hun oudste broer die zelf naam had gemaakt met The Easybeats, vervolgens de Youngsters wegwijs maakte in de muziekwereld en samen met zijn bandmaatje Harry Vanda meteen ook hun eerste platen produceerde.

Samen schreven ze muziekgeschiedenis. Ook doordat ze de flamboyante zanger Bon Scott op de kop wisten te tikken, een ongegeneerd rockbeest dat de krachtige stampers van de gebroeders Young lekker uit de bocht liet vliegen. Totdat hij zichzelf op 19 februari 1980 definitief verslikte in zijn eigen drankzucht. Tegen die tijd had de AC/DC-machine echter allang de Highway To Hell bereikt en kon zijn opvolger Brian Johnson simpelweg aanhaken. Met hem zouden Malcolm en Angus enkele maanden later hun grootste succes boeken, het album Back In Black. Waarna ze de band vier decennia lang met het nodige kunst- en vliegwerk op koers wisten te houden.

De degelijke tv-docu AC/DC: Forever Young (53 min.) van Marie-Claire Javoy en Dominique Mesmin richt zich vooral op de beginjaren van de ogenschijnlijk onverwoestbare groep. De Young-broers komen daarbij niet aan het woord – al is Angus wel te horen in enkele archiefinterviews. De smakelijke anekdotes en inkijkjes, waarmee AC/DC’s nog altijd bijzonder opwindende concertbeelden zijn omkleed, komen van mensen uit de periferie van de band: eerste bassist Mark Evans, oud-drummer Chris Slade, studiomuzikant Tony Currenti, geluidstechnicus Mark Opitz, voormalig manager Michael Browning, fotograaf Philip Morris en biograaf Murray Engleheart.

Intussen is er nog maar één broer over. In oktober 2017 stierf de grote inspirator van AC/DC, George Young. Een kleine maand later overleed ook bandleider Malcolm, nadat hij zijn mannen al in 2014 had moeten achterlaten vanwege gezondheidsproblemen. Alleen Angus is over, ‘the last Young-man standing’. Alhoewel, tegenwoordig zit er ook een neefje in de groep: Stevie.

Kitten Of Vluchteling?

Prospektor

Hoe werkt empathie? vraagt Tina Farifteh zich af in de prikkelende korte documentaire Kitten Of Vluchteling? (27 min.). Waarom trekken we ons het lot van de één aan en laat dat van een ander ons koud? Hoe kan het bijvoorbeeld dat een willekeurige baby, of zelfs een schattig poesje, ons meer raakt dan iemand op de vlucht? ‘Empathie is heel bevooroordeeld’, zegt bioloog Frans de Waal. ‘Het is geëvolueerd om je naaste verwanten en degenen waarmee je normaal samenwerkt te bevoordelen en daarop te letten – en niet zozeer daarbuiten.’

Bestaat er zoiets als een empathieladder? wil Farifteh, die zelf op haar dertiende van Iran naar Nederland kwam, dan weten. Ze tuigt een klein experiment op, waarbij ze enkele proefpersonen in een studiosetting steeds twee verschillende mensen voorschotelt: een blonde jonge vrouw en een oudere moslima, diezelfde blondine en een donkere jongen, een schattig joch met een afrokapsel en een jongetje met blond haar bijvoorbeeld. Met steeds dezelfde vraag erbij: wie van de twee zou je redden? Mediawetenschapper Marloes Geboers heeft er zo haar twijfels bij. ‘Nee, dat kun je echt niet gebruiken, Tina’, constateert ze naderhand, als de test al is uitgevoerd.

Voor hondentrimmer Bape Nentjes, die thuis een Oekraïens gezin met vijf kinderen en vijfentwintig honden opving, zijn alle mensen gelijk. De praktijk wijst regelmatig anders uit. Zwarte Oekraïners lijken bijvoorbeeld minder welkom te zijn in Europa dan hun witte landgenoten. ‘Het laat zien dat racisme nooit pauze neemt’, meent activist Jerry Afriyie. ‘Zelfs in tijden van oorlog, tijd van nood, hebben mensen nog steeds tijd om racistisch te zijn.’ Hij ziet soms ook een totaal gebrek aan empathie als hij zelf participeert in demonstraties: ‘Mensen zeiden letterlijk tegen mij: ik heb geen zwart kind. Dus ik weet niet hoe je kinderen zich voelen als ze gepest worden.’

Tegelijkertijd onderzoekt Tina Farifteh in deze film, kek vormgegeven en voorzien van een lekker vette soundtrack, ook de andere kant van empathie: hulporganisaties die kwetsbare kinderen met grote ogen gebruiken als een soort ’empathieporno’. Is dat niet (bijna) net zo kwalijk? ‘Ik ben er nogal voorstander van om arbitrariteit te vermijden en dus rechtvaardige systemen op te zetten, zodanig dat iedereen minstens op een gelijkwaardige manier behandeld wordt’, stelt de Vlaamse filosoof Ignaas Devisch. ‘En dat het niet afhangt van die ene donateur of die ene persoon die je toevallig tegen het lijf loopt die mij helpt en een ander dan weer niet.’

Zo onderzoekt deze film alle aspecten van empathie: de willekeur ervan, het soms volledig ontbreken en ook de angst die elk medemenselijk gevoel kan onderdrukken of zelfs doen verstommen. Hulpverlener Roos Ykema (MiGreat) waakt voor gelatenheid. ‘Het enige wat sowieso niet helpt is niks te doen of niks te proberen’, zegt ze. Intussen bestookt Tina Farifteh zowel haar bronnen als haar publiek gedurig met beelden, uit een geënsceneerde werkelijkheid en de actualiteit. Het begint met kijken, zegt ze daarbij. ‘Zijn we bereid om elkaar te zien? Niet als anders, maar als ons?’

A Story Of Bones

A Story Of Bones / VPRO

Iedereen op Sint-Helena kent het verhaal van Napoleon Bonaparte. De Franse generaal en dictator (1769-1821) sleet de laatste zes jaar van zijn leven op het eiland in de Atlantische oceaan, zo’n tweeduizend kilometer ten westen van Afrika. Zijn graf geldt nog altijd als een toeristische attractie. Maar wat weten de eilanders en hun bezoekers van de slaven die ooit op hun geboortegrond werden gedropt en die daar nog altijd zijn begraven? En stammen ze zelf misschien van hen af?

Op het eiland, onderdeel van het Verenigd Koninkrijk, zijn slachtoffers terecht gekomen van de zogenaamde ‘Middle Passage’, de gevaarlijke route waarmee in de afgelopen eeuwen ruim drie miljoen slaven van Afrika naar Amerika zijn gebracht. Toen de Britten in 1807 zelf stopten met slavenhandel, begonnen ze meteen schepen van andere mogendheden tegen te houden. Die werden doorgestuurd naar Sint-Helena. Zo zijn er zo’n 30.000 Afrikanen op de Britse kolonie beland.

Ruim vijfhonderd overlevenden kwamen in een depot terecht in Rupert’s Valley en leefden daar onder beroerde omstandigheden. Ze kregen de benaming ‘Bevrijde Afrikanen’, maar mochten nooit naar huis terugkeren, zo stellen Joseph Curran en Dominic Aubrey de Vere in de serene documentaire A Story Of Bones (94 min.). Naar schatting liggen er inmiddels zeker negenduizend lijken in de vallei, grofweg het dubbele aantal van de huidige populatie van het eiland.

Als ze een vliegveld gaan aanleggen op Sint-Helena, worden deze graven onderdeel van een politieke discussie. ‘Waarom hebben we een aanvoerweg dwars door een begraafplaats gebouwd?’ vraagt Annina Van Neel, een Namibische vrouw die zich opwerpt als een belangrijke stem in dat debat en de hoofdpersoon van deze documentaire wordt. ‘Ik hoop dat het antwoord niet zo eenvoudig is als: kleur. En dat die mensen daardoor minder belangrijk zijn en waarde hebben.’

Volgens de plaatselijke historicus Phil Mercury behoort zo’n houding echter tot de erfenis van het kolonialisme. ‘If you’re white, you’re alright’, zegt hij. ‘If you’re brown, stick around. If you’re black, step back.’ Sinds 2008 zijn er 325 lichamen geborgen door archeologen. Die worden nog altijd bewaard in het voormalige cellencomplex Pipe Store in Jamestown. ‘Dat is een gevangenis, geen rustplaats’, zegt een vrouw fel tijdens een informatiebijeenkomst voor de plaatselijke gemeenschap. 

‘Dit is veel meer dan een stapeltje oude botten’, stelt de gedreven lokale politicus Cruyff Buckley. De lichamen moeten opnieuw worden begraven en daarbij net zo zorgvuldig worden behandeld als Napoleon, vinden Van Neel en haar medestanders, die in contact komen met geestverwanten in de Verenigde Staten. Daar worden, getuige bijvoorbeeld een thematisch verwante film als Descendant, soortgelijke initiatieven genomen om in het reine te komen met de slavernijgeschiedenis.

Dit is een moeizaam en kwetsbaar proces, zo is ook in Nederland al gebleken, dat in deze film delicaat in beeld wordt gebracht. Annina Van Neel moet onderweg de nodige teleurstellingen incasseren. ‘Black Lives dón’t matter’, concludeert ze op een gegeven moment gefrustreerd. ‘End of story.’ En dan zet de strijdbare activiste zich toch weer schrap. Want dit project is groter dan zijzelf. En dat brengen Curran en Aubrey de Vere in A Story Of Bones zeer treffend over het voetlicht.

Loudmouth

Greenwich Entertainment

Is hij een burgerrechtenleider in de traditie van Marcus Garvey, Martin Luther King en zijn grote voorbeeld Adam Clayton Powell? Of zo’n typische mediageile representant van de ‘burgerrechtenbusiness’, die steeds weer de publiciteit zoekt met zwarte onvrede en protest? Reverend Al Sharpton uit Brooklyn, New York, is in elk geval een Loudmouth (123 min.) en zorgt overal waar hij komt voor controverse. Voor de goede zaak, zal hij zelf zeggen. Om het dominante narratief bij te sturen en aandacht te vragen – nee: te eisen! – voor de Afro-Amerikaanse zaak.

Dat komt de begaafde spreker, behept met de dramatiek van een zwarte prediker, vanaf zijn opkomst in de jaren tachtig op fikse tegenwind te staan. Een treffend voorbeeld is de grap waarmee hij in een tv-programma wordt geïntroduceerd: wat doe je als Saddam Hoessein, Muammar Gaddafi en Al Sharpton voor je staan en er maar twee kogels in je wapen zitten? Dan jaag je Al twee kogels in zijn lijf. Zelf ziet hij er een logische reactie van een onderdrukkend systeem in: probeerden ze van Martin Luther King ook niet een goedkope oplichter of tweederangs crimineel te maken?

‘Randall, ik heb een microfoon op voor een documentaire’, vertrouwt hij in deze documentaire van Josh Alexander een vriend toe op zijn groots opgezette verjaardagsfeest. ‘Dus zeg niks stoms.’ Het is Sharpton ten voeten uit: kien, direct en zich altijd bewust van de indruk die hij maakt. Alexander volgt hem vanaf half 2019, als het land zich langzamerhand begint op te maken voor de presidentsverkiezingen van een jaar later en er nog geen idee van heeft dat het Coronavirus in aantocht is en de dood van George Floyd voor massale Black Lives Matter-protesten gaat zorgen.

Al Sharpton, tegenwoordig een slordige negentig kilo lichter dan in zijn onstuimige beginjaren, vertelt intussen zijn eigen verhaal. Er komen geen andere sprekers aan het woord in deze film. Die zijn ook niet nodig. Via archieffragmenten uit talkshows, nieuwsreportages en interviews krijgt hij meer dan genoeg kritiek en weerwoord. Zo ontstaat een pregnant beeld van een onvermoeibare zwarte activist. Altijd in de frontlinie. ‘No justitie, no peace’ scanderend bij geruchtmakende zaken, zoals de lynchpartij in Howard Beach en de omstreden ontvoering en verkrachting van Tawana Brawley.

Loudmouth richt zich vrijwel volledig op ’s mans politieke activisme, waarvan met geladen muziek de urgentie wordt benadrukt. Over zijn persoonlijk leven laat de onversaagde strijder nauwelijks iets los. Het is waarschijnlijk zoals hij zijn leven ziet: als een willekeurig breekijzer om Amerika’s verhaal open te wrikken, zodat de zwarte gemeenschap er zijn eigen hoofdstukken aan kan toevoegen.

Dear Mama: The Saga Of Afeni And Tupac Shakur

FX

Zijn naam is voor eeuwig verbonden met het alter ego van die andere vermaarde hiphopper, Christopher Wallace. Tupac Shakur versus The Notorious B.I.G. De Amerikaanse westkust tegenover de oostkust. Een gangsterrapoorlog, die hen allebei het leven kostte. Eerst ‘2Pac’, op 23 september 1996. Ruim een half jaar later ‘Biggie’.

Het is een tragische geschiedenis, die zijn weg ook al heeft gevonden naar diverse documentaires. Na Biggie And Tupac (2002) maakte de Britse filmmaker Nick Broomfield een kleine twintig jaar later bijvoorbeeld ook Last Man Standing: Suge Knight And The Murders Of Biggie & Tupac. En Suge Knight, de platenbaas van Death Row Records die wordt gezien als de aanstichter van de ontspoorde oorlog, kreeg in 2018 ook zijn eigen podium in American Dream / American Knightmare.

Nadat regisseur Emmett Malloy in 2021 al Christopher Wallace achter de zwaarIijvige gangsterrapper vandaan probeerde te halen in Biggie: I Got A Story To Tell, neemt filmmaker Allen Hughes nu bijna vijf uur de tijd om de enige echte Tupac Amaru Shakur te vinden in de patser, die het boegbeeld van ‘thug life’ was geworden. En het duurt in de vijfdelige serie Dear Mama: The Saga Of Afeni And Tupac Shakur (298 min.) ruim twee uur voordat de naam Biggie voor het eerst valt – en nog een stuk langer voordat de strijd oplaait.

Hughes en Shakur gaan ver terug. Ze werkten samen voor enkele videoclips, maar kregen ruzie over Tupacs bijdrage aan de speelfilm Menace II Society. De rol stond hem niet aan. Het conflict liep hoog op. Geruchten dat hij in elkaar is geslagen door de rapper/acteur verwijst Allen Hughes, die noodgedwongen ook even vóór de camera verschijnt, echter direct naar het rijk der fabelen. Shakur had wel een stuk of tien hardhandige ‘vrienden’ die dat voor hun rekening namen.

Tupac was ‘de intelligentste idioot die ik ooit heb ontmoet’, stelt zijn manager Watani. Zijn latere gedrag is ook nauwelijks te rijmen met de beelden van de zeventienjarige Shakur. Hoe kon deze gevoelige en welbespraakte scholier uitgroeien tot een rapper die steeds verder ontspoorde? Allen Hughes legt in deze miniserie de link met het woelige bestaan van zijn moeder Afeni Shakur. Zij was een prominent lid van The Black Panther Party, zat een hele tijd vast en ontwikkelde een ernstige verslaving.

In Dear Mama, tevens de titel van een song van Tupac over de vrouw die hem in haar eentje opvoedde, alterneert Hughes voortdurend tussen deze twee verhaallijnen. Afeni‘s leven in en rond de militante Panther-beweging, die in de jaren zestig en zeventig in een loopgravenoorlog was verwikkeld met de Amerikaanse overheid, claimt vrijwel net zoveel ruimte als de lotgevallen van haar zoon. Het is alsof ze allebei vast zijn gelopen in een permanente vechtmodus, die hen weinig goeds brengt.

Met familieleden, vrienden en medestrijders van moeder en zoon, alsmede geestverwanten van Tupac zoals Dr. Dre, Snoop Dogg en Mike Tyson, kleurt Allen Hughes die twee getormenteerde, onlosmakelijk met elkaar verbonden levens, vereeuwigd in een overvloedige hoeveelheid fraai beeldmateriaal, verder in tot een dubbelportret van epische proporties. Alleen het gezwollen eind, waarin de betreurde Tupac tot een halve heilige wordt uitgeroepen, is wat veel van het goede.

Als de rapper/acteur – die zijn biologische vader nauwelijks heeft gekend, al draaft de man wél op in deze miniserie – op slechts 25-jarige leeftijd zijn laatste adem heeft uitgeblazen, leeft zijn moeder nog twintig jaar verder. Afeni zal Tupacs woordvoerder, zaakwaarnemer en martelaar worden. Strijdbaar, zoals altijd – net als haar zoon. Maar met een zwaar hart.

The Murder Of Fred Hampton

MGA

‘Je kunt een revolutionair opsluiten, maar je kunt de revolutie zelf niet opsluiten’, houdt Fred Hampton zijn gehoor voor tijdens een speech. Even later gevolgd door een variant op die strijdleus: ‘Je kunt een vrijheidsstrijder doden, maar je kunt de vrijheidsstrijd zelf niet doden.’

Daarvan is hij zelf een schrijnend voorbeeld geworden. Hampton, leider van het Illinois Chapter van The Black Panther Party, werd in december 1969 op 21-jarige leeftijd, naar verluidt in zijn slaap, tijdens een inval van de politie van Chicago gedood. Net als andere prominente Afro-Amerikaanse stemmen van zijn tijd, zoals Malcolm X, Medgar Evers en Martin Luther King, moest hij zijn bijdrage aan de strijd om burgerrechten op jeugdige leeftijd met de dood bekopen. Hij zou daardoor bijvoorbeeld nooit meemaken hoe een zwarte man ruim dertig jaar later president van zijn land werd. Hampton en zijn strijdmakkers van The Black Panthers hadden dat waarschijnlijk voor onmogelijk gehouden.

Deze observerende zwart-wit film van Howard Alk begint als een collageachtige impressie van ‘s mans strijd, maar wordt gaandeweg een exploratie van The Murder Of Fred Hampton (89 min.). Die heeft als zoveelste scharnierpunt gefunctioneerd in een tijd waarin het Afro-Amerikaanse verzet steeds militanter en openlijk socialistisch wordt, mannen als Bobby Rush, Huey P. Newton en Bobby Seale de harten van Jong Zwart Amerika veroveren en de regering Nixon en het lokale gezag hen maar al te graag een kopje kleiner maken. In het geval van Fred Hampton, een charismatische leider met de gave des woords, gebeurt dit eerst met min of meer legale middelen, in de rechtbank via The Ice Cream Trial, en worden later, in de woorden van de Panthers, talloze ‘pigs’ ingezet om hem definitief het woord te ontnemen.

Intussen nemen zij zelf ook de wapens op en beginnen zich met hand en tand te verdedigen. Moet de dood van Fred Hampton in dat verband worden gezien als – de officiële lezing van de autoriteiten, verwoord door Cook’s County’s officier van justitie Edward Hanrahan – het logische gevolg van een schietpartij tussen zwaarbewapende Black Panthers en de politie van Chicago? Of toch – de haaks daarop staande visie van Hamptons medestanders – als een door het gezag, J. Edgar Hoovers FBI in het bijzonder, slinks georkestreerde moordpartij van een man die de strijd aanbond met de hegemonie van de witte man? Regisseur Alk laat er geen misverstand over bestaan welke mening hij is toegedaan – en het kost een buitenstaander weinig moeite om hem daarin te volgen.

Music For Black Pigeons

Anorak Films

Deze film gaat niet over succes, roem of – God betere ‘t – de seks, drugs en rock & roll. En ook niet over de seks, drugs én jazz. Want dat is de muzieksoort die centraal staat in Music For Black Pigeons (92 min.), een kalme, bespiegelende film waarmee Jørgen Leth en Andreas Koefoed het wezen van de muziek en z’n vertolkers proberen te doorgronden.

Waarnaar ben je op zoek? vragen de Deense documentairemakers bijvoorbeeld aan Mark Turner. Dan volgt er een hele lange stilte. En nog één. Hij is op zoek naar een thuis, concludeert de Amerikaanse jazzsaxofonist. Naar focus, een middelpunt. Hij is eigenlijk altijd bezig met ontwikkeling, zegt Turner, te vergelijken met een cirkel die naar binnen beweegt. Met elke noot komt hij dichter bij zichzelf en bij de mensen – mannen – waarmee hij speelt.

‘Elke keer als ik mijn instrument pakt, lijkt het alsof ik weer helemaal opnieuw begin’, vertelt gitarist Bill Frisell dan weer, terwijl hij zich verliest en ook weer vindt op het instrument dat een verlengstuk van zijn lichaam lijkt te zijn geworden. ‘Ik speel al zo’n vijftig jaar, maar diep van binnen voelt ’t hetzelfde als aan het begin. Wat er voor me ligt is nog altijd even groot als toen. Soms kost het me moeite om me met die gedachte te verzoenen.’

Hoe voel je je als je speelt? vragen Leth en Koefoed aan contrabassist Thomas Morgan. Ook nu volgt weer een hele lange stilte. Intussen gaat er duidelijk van alles door Morgan heen, maar hij kan de juiste woorden maar niet vinden. En dan komen ze alsnog. ‘Muziek spelen is zoveel tegelijk. Het is net een meditatie waarin je je helemaal kunt verliezen. Tegelijkertijd kun je ook heel erg gefocust op één specifiek ding. En het kan je ook helpen bij het oplossen van problemen.’

Net als de muzikanten die ze portretteren, concentreren de filmmakers zich niet alleen op de muziek zelf, maar gebruiken ze ook de stilte, de ruimte tussen de noten, en proberen ze de ontmoeting tussen deze gelijkgestemden te vangen. De licht ongemakkelijke en toch vertrouwde knuffel bij de ontmoeting. Bloedsbroeders, zoveel is duidelijk. En dan moet het musiceren nog beginnen. Het verbinding zoeken, aftasten en afstemmen – en soms de confrontatie.

Intussen opent Music For Black Pigeons de ziel van deze rechtgeaarde musici. In hen zijn hun inspiratiebronnen verankerd en klinken ook de mannen waarmee ze ooit speelden door. Ze zijn er jong door gebleven en kunnen er vaak – dat lukt in de jazz doorgaans beter dan in de rock & roll – ook oud mee worden. Zoals saxofonist Lee Konitz. Die is al 89. Zegt hij. Of nee: 87. Ach, hij roept ook maar wat. Zoals elke (levens)kunstenaar houdt hij van improviseren

En net als zijn muzikale broeders speelt hij zich in deze sensibele film moeiteloos het hart in.

Wattstax

Stax Films

‘Ik ben iemand’, laat Jesse Jackson zijn gehoor scanderen, nadat hij alle aanwezigen heeft gevraagd om een gebalde vuist in de lucht te steken. ‘Ik mag dan arm zijn, maar ik ben iemand. Ik mag dan een uitkering hebben, maar ik ben iemand. Ik mag dan ongeschoold zijn, maar ik ben iemand. Ik ben zwart, mooi en trots en moet gerespecteerd worden.’

De vlammende voordracht van het gedicht I Am Somebody door de Amerikaanse burgerrechtenleider illustreert dat Wattstax (99 min.), het benefietconcert dat op 20 augustus 1972 plaatsvindt in het Los Angeles Memorial Coliseum, meer is dan zomaar een popfestival. Zeven jaar na de rellen in de zwarte wijk Watts in 1965 wordt het festival een ongegeneerde viering van de Afro-Amerikaanse cultuur, waarbij ook voortdurend oog is voor de emancipatiestrijd van de gemeenschap en de tol die deze inmiddels op alle mogelijke manier heeft geëist.

In dat opzicht doet deze film denken aan een andere documentaire over een festival dat met het predicaat Black Woodstock is opgezadeld: Summer Of Soul (2021), Questlove’s film over het Harlem Cultural Festival in 1969 die een kleine halve eeuw later een Oscar zal winnen. Regisseur Mel Stuart alterneert tussen performances van artiesten uit de stal van het vermaarde soullabel Stax Records uit Memphis, waaraan al de documentaires Respect Yourself: The Stax Records Story en Stax: Soulsville U.S.A. werden gewijd, en gesprekken met gewone Afro-Amerikanen uit Watts over hun/het leven. 

Tussen alle onbekende Amerikanen die hun hart luchten of gewoon lekker babbelen, waarbij het de vraag is of die gesprekjes geënsceneerd zijn, is ook Ted Lange. De acteur zal later furore maken als barman Isaac in de suikerzoete tv-serie Love Boat. Hij vertelt bijvoorbeeld over zijn broer die een lichtere huid heeft. ‘Hij zei tegen me dat ik een nikker was’, vertelt Ted. ‘Ik wist helemaal niet wat dat was.’ Toen ging Lange’s broer naar hun moeder en zei dat hij een witte jongen was en Ted een zwarte nikker. ‘Waarop mijn moeder zei: dan kan ik niet je moeder zijn. Want al mijn kinderen zijn nikkers.’

De comedian Richard Pryor houdt Wattstax bij elkaar met een verzameling scherpe en grappige monologen. Het hart van de film wordt evenwel gevormd door zinderende performances van Stax-acts als Kim Weston, The Staple Singers, Carla Thomas, Albert King, The Bar-Kays, Luther Ingram en Rufus Thomas, die er een ongekend swingfestijn van maakt met zijn Do The Funky Chicken. Het slotakkoord is voor de übercoole Isaac Hayes, nadrukkelijk gepromoot als ‘Black Moses’, die lekker de blits kan maken met zijn titelsong voor de blaxploitation-hitfilm Shaft.

Gezamenlijk zetten deze soul brothers en -sisters ‘The Black Experience’ van begin jaren zeventig nog eens goed in de verf. In een film waarin naar hedendaagse maatstaven misschien tamelijk weinig (verhaal)lijn is te ontdekken, maar die wel een geweldig tijdsbeeld schetst.

Fight The Power: How Hip Hop Changed The World

PBS

De titel Fight The Power: How Hip Hop Changed The World (234 min.) doet wellicht vermoeden dat deze vierdelige docuserie nog eens in geuren en kleuren het succesverhaal van de muziekstroming gaat vertellen. In werkelijkheid gebruikt regisseur Yemi Bamiro hiphop vooral als voertuig om de recente Afro-Amerikaanse historie te belichten; van de strijd om burgerrechten in de jaren zestig via de ‘war on drugs’, hardvochtige Reagan-jaren, crack-epidemie, bendeoorlogen, Rodney King-rellen, ‘mass incarceration’, woede na orkaan Katrina en eerste zwarte president Barack Obama naar de massale Black Lives Matter-protesten van de afgelopen jaren.

Hiphop als weerslag, aanjager en richtpunt van de emancipatiestrijd van zwarte Amerikanen en de aanpalende maatschappelijke kwesties. Hoewel de serie natuurlijk allerlei kopstukken van het genre aan het woord laat – Chuck D (Public Enemy), KRS-One, Abiodun Oyewole (The Last Poets), Melle Mel (Grandmaster Flash And The Furious Five), LL Cool J, Darryl McDaniels (Run-DMC), Fat Joe, John Forté, Ice-T, Killer Mike, Eminem, B-Real (Cypress Hill), Warren G, Will.i.am (Black Eyed Peas), Roxanne Shanté en Monie Love bijvoorbeeld – wordt Fight The Power nooit een platte aaneenschakeling van raphits en sterke verhalen.

Samen met prominente schrijvers, juristen, historici, journalisten en activisten blijven zij doorgaans weg bij de gebruikelijke clichés en schetsen een indringend beeld van de ontwikkeling van een geheel eigen cultuur, waarbij ook thema’s als de verheerlijking van het gangsterleven, misogynie en poenerigheid niet worden geschuwd. Deze miniserie ontwikkelt zich daarmee tot een portret van het moderne Amerika, verteld door zwarte Amerikanen die zich al generaties lang gerepresenteerd voelen door hiphoppers. ‘Hiphops grootste prestatie is dat het ervoor heeft gezorgd dat wij gehoord worden’, zegt Chuck D, één van de belangrijkste pleitbezorgers en tevens een centrale figuur in deze serie. ‘We zijn zo lang gedwongen geweest tot stilte.’

Bad Axe

David Siev

Als het Coronavirus in maart 2020 het leven in de Verenigde Staten platlegt, komt ook het restaurant Rachel’s Food & Spirits van de familie Siev in Bad Axe (101 min.), een stadje in Michigan, in zwaar weer terecht. Alle volwassen kinderen van het Aziatisch-Amerikaanse gezin melden zich weer thuis, om een handje te helpen. Onder hen is ook zoon David Siev, een inmiddels in New York woonachtige filmmaker. Hij doet wat filmmakers in zo’n situatie doen en pakt zijn camera erbij.

In eerste instantie legt David vooral de innerlijke dynamiek in het familierestaurant vast. Tussen zijn ouders Chun en Rachel, zussen Jaclyn, Raquel en Michelle en hun partners. Als enkele zussen zich, in de nasleep van de dood van George Floyd, aansluiten bij een plaatselijk Black Lives Matter-protest en daarbij de degens kruisen met onherkenbaar vermomde en zwaarbewapende neonazi’s, komen er duistere krachten los in de kleine gemeenschap in Huron County.

Ineens voelen de Sievs zich niet meer veilig binnen de omgeving waarin ze altijd een centrale rol leken te spelen. Voor vader Chun is dit heel herkenbaar: tijdens het schrikbewind van de Rode Khmer, die eindeloze ‘killing fields’ veroorzaakte in Cambodja, was hij zijn leven ook niet zeker. Chun vluchtte uiteindelijk naar het vrije westen en bouwde daar met keihard werken een nieuw bestaan op, niet wetende dat hij ruim veertig jaar later met ‘Asian hate’ te maken zou krijgen.

David Sievs film krijgt zijn eigen rol binnen die dynamiek. Hij confronteert Bad Axe ongenadig met zijn lelijke kanten, maar laat tevens de meningsverschillen binnen zijn eigen familie zien. Als de vrucht van hun gezamenlijke arbeid, Rachel’s, in zijn voortbestaan wordt bedreigd, lopen de spanningen flink op. Het resultaat is een aardige egodocu over hoe COVID-19, door president Trump regelmatig ‘the China virus’ genoemd, zomaar de verhoudingen in ‘smalltown America’ op scherp kan zetten.

Easy Riders, Raging Bulls: How The Sex, Drugs And Rock ‘N’ Roll Generation Saved Hollywood

BBC

Vraag een willekeurige kenner van de Amerikaanse cinema om z’n favoriete periode te noemen en dikke kans dat ie met de seventies op de proppen komt, de jaren waarin regisseurs de macht grepen in Hollywood. Peter Biskind schreef daarover in 1998 een machtig interessant boekEasy Riders, Raging Bulls: How The Sex, Drugs And Rock ‘N’ Roll Generation Saved Hollywood (113 min.). Vijf jaar later volgde de bijbehorende documentaire van Kenneth Bowser.

Met de generatie die destijds de ommekeer bewerkstelligde in de filmwereld schetst Bowser hoe grote studio’s zoals Warner Brothers, Paramount en 20th Century Fox halverwege de jaren zestig de concurrentiestrijd met televisie leken te hebben verloren en op omvallen stonden. Uit pure noodzaak ontstond er vervolgens ruimte voor eigenzinnige filmmakers die, gevoed door Europese cinema en opgegroeid binnen het B-film circuit, de vastgelopen industrie daarna een gigantische opdonder verkochten.

Kaskrakers zoals Bonnie And Clyde, Easy Rider, Midnight Cowboy, The Wild Bunch, The Last Picture Show, The Godfather, American Graffiti, Mean Streets, The Exorcist, Chinatown, Taxi Driver en Raging Bull weerspiegelden perfect de tijdgeest en toonden aan dat eigenzinnige films, waarbij de regisseur ‘final cut’ had bedongen, wel degelijk een groot publiek konden bereiken. Met het succes kwamen echter ook de enorme ego’s, neuroses en verslavingen.

Verteller William H. Macy loopt dit interessante stuk filmgeschiedenis netjes door met anti-establishment filmmakers zoals Peter Bogdanovich, Dennis Hopper, Arthur Penn, Paul Schrader en John Milius (waarbij opvalt dat Francis Ford Coppola, Martin Scorsese, William Friedkin en Robert Altman ontbreken; zij zijn wél van de partij in een documentaire uit hetzelfde jaar over precies hetzelfde thema, A Decade Under The Influence). Verder laat hij de acteurs Cybill Shepherd, Peter Fonda, Ellen Burstyn, Richard Dreyfuss en Karen Black aan het woord over hun ervaringen en lardeert hun herinneringen met een stortvloed aan filmfragmenten.

Zo ontstaat een levendig beeld van de jaren waarin de filmgekken voor heel even het gesticht konden overnemen. Totdat Steven Spielberg en George Lucas – zo wil althans de Hollywood-versie van de gebeurtenissen – met respectievelijk Jaws en Star Wars korte metten maakten met de hoogtijdagen van de Amerikaanse auteurscinema en de tijd inluidden van de blockbuster, een nieuwe variant op de aloude B-film die met een gigantisch budget mocht worden gemaakt én gepromoot.

Fourteen Days In May

BBC

Hij zit al acht jaar in een dodencel in Mississippi en is altijd blijven volhouden dat hij onschuldig is. Edward Earl Johnson werd in 1979 als achttienjarige veroordeeld vanwege moord op een politieman en poging tot verkrachting van een zestigjarige vrouw. Als deze film begint, op donderdag 7 mei 1987, heeft de 26-jarige Afro-Amerikaanse man nog welgeteld Fourteen Days In May (85 min.). Op zijn kalender is een zwarte cirkel getekend rond de datum 20 mei.

Directeur Donald Cabana van de Parchman Penitentiary staat erop dat de executie van Johnson straks ordentelijk verloopt. Zeker ook voor de familie van de ter dood veroordeelde. ‘Iedereen kan in deze situatie belanden’, houdt hij zijn medewerkers voor. ‘Door een verkeerde combinatie van drank en drugs en een moment van onachtzaamheid zou ook mijn zoon of jullie zoon of dochter in een dodencel terecht kunnen komen. Dat zegt niets over de ouders.’

De ter dood veroordeelde kijkt intussen met een schuin oog naar zijn allerlaatste beroepszaken en een verzoek om clementie aan de gouverneur van Mississippi. Ze zien toch wel dat hij als jonge Afro-Amerikaanse man, in een staat met een uiterst beladen historie, op basis van erg schamel bewijs is veroordeeld? Uit onderzoek blijkt dat zwarte mannen, die een witte Amerikaan hebben gedood, meer dan vier keer zo vaak de doodstraf krijgen als witte mannen die een zwarte Amerikaan doden.

De Britse filmmaker Paul Hamann spreekt in deze sobere, maar uiterst doeltreffende documentaire uit 1987 met Edward Earl Johnson zelf, andere gedetineerden en enkele bewaarders over de doodstraf, de achtergronden en implicaties daarvan en het dagelijks leven in de Mississippi State Penitentiary. ‘Slavernij, gemodificeerd voor de hedendaagse wereld’, noemt één van de langgestraften dat. ‘Dit is gewoon een plantage, waarvan ze de naam hebben veranderd in boerderij.’

Terwijl de bedachtzame Johnson zijn finale tijd spendeert met directe familie, nog maar eens overlegt met zijn advocaat en de psycholoog en geestelijk verzorgers van de gevangenis ontvangt, worden de laatste voorbereidingen getroffen voor de executie van de modelgevangene. Niets wordt aan het toeval overgelaten. Zo wordt de gaskamer bijvoorbeeld nog even getest. Zodat Johnsons levenseinde in elk geval professioneel en geheel volgens de regels kan worden afgewikkeld.

De bedachtzame man die zijn lot in handen van de Heer heeft gelegd, is in werkelijkheid afhankelijk geworden van een bureaucratisch systeem, dat gedachten- en harteloos doordraait als het eenmaal in gang is gezet – hoeveel sympathie Johnsons medegedetineerden en de gevangenismedewerkers ook voor hem hebben en hoezeer ze ook stuk voor stuk twijfelen aan zijn schuld. Fourteen Days In May heeft zich dan allang ontwikkeld tot een bijzonder indringend pleidooi tegen de doodstraf.

Ga Terug En Haal Het

Tomtit Films / VPRO

Wat is de erfenis van de grootschalige Black Live Matters-demonstraties in de zomer van 2020? Die vraag wil Clarice Gargard exploreren in deze intuïtieve ontdekkingstocht. ‘Staan we nu op een kantelpunt?’ vraagt ze zich af. ‘Is dit hoe verandering ontstaat?’

Ga Terug En Haal Het’ (53 min.), start een soort stationsomroepster vervolgens de reis langs verzetsverhalen – van het verleden via het heden naar de toekomst – die op het punt staat om te beginnen. ‘Herinner wat u vergeten bent.’ Is deze steeds terugkerende stem, begeleid door beelden van voorbijrazende nachtelijke treinstations, een metafoor voor hoe zwarte mensen zichzelf moeten vinden, binnen een wereld waarin wit al sinds jaar en dag dominant is? Want, zo werpt de omroepstem nog op, ‘hoe reis je verder als je niet weet waar je vandaan komt?

Gargard gaat in Nederland, Suriname en Curaçao op zoek naar alledaags verzet van zwarte Nederlanders. Dat heeft zich door de jaren in allerlei gedaanten gemanifesteerd. Ze spreekt bijvoorbeeld André Reeder, ooit lid van de links-marxistische Surinaamse studentenvereniging. In 1982 maakte hij een film over de abominabele huisvesting van Surinaamse studenten in Nederland. Lulu Helder organiseerde in 1996 de allereerste anti-Zwarte Piet-actie ‘Zwarte Piet is zwart verdriet’. ‘Hoe lang moeten we wachten op een gelijkwaardige positie in deze samenleving?’ verzucht zij.

Deze voorbeelden weerspreken in elk geval het hardnekkige beeld dat zwarte Nederlanders hun achtergestelde positie al die tijd lijdzaam zouden hebben ondergaan. In Curaçao ontmoet Gargard verder Jeanne Henriquez, de conservator van het Tula museum. Als je je eigen geschiedenis niet kent, dan wordt het moeilijk om te geloven in jezelf, stelt zij. ‘Want je hebt niet geleerd wie je bent.’ Het pleidooi van al Gargards gesprekspartners komt in essentie neer op het herschrijven van de geschiedenis: loskomen van het kolonialisme en onderdrukking en het (h)erkennen van jezelf.

Dat proces krijgt gaandeweg voor de maakster zelf een steeds persoonlijker karakter en mondt tijdens een Winti-ritueel, tevens het eindstation van deze wat grillige en breed uitwaaierende film, uit in een emotionele climax. ‘Wij creëren zelf, steeds opnieuw, de kantelpunten die voor verandering zorgen’, concludeert Clarice Gargard daarna. ‘Wanneer we ons herinneren wie we zijn, waar we vandaan komen én besluiten actie te ondernemen.’