Iemand verleiden. Ook als hij/zij niet op jouw geslacht valt. Dat is de uitdaging voor de zogenaamde Sex Sirens (25 min.). Want, aldus Mariah Vineyard, iedereen kan sexy zijn op zijn of haar manier. ‘It’s all about confidence’, zegt ze, alsof ze de essentie van haar Vogue-huis, het Rotterdamse House Of Vineyard, in een pakkende slogan heeft vervat. ‘It’s all about you.’
In deze korte docu van Max Kutschenreuter en Cholena de Koningh, voortgekomen uit de Vice x IDFA-documentaire-pitch van 2018, staat de vaderlandse Ballroom-cultuur centraal, extravagante dans- en schoonheidswedstrijden waaraan vooral donkere LGBT-ers deelnemen. Diezelfde subcultuur is in de afgelopen jaren al geportretteerd in de films Mother’s Balls en Father Figure, waarbij onvermijdelijk ook thema’s als zelfacceptatie, seksuele expressie en genderdiversiteit aan de orde kwamen.
Deze docu bestrijkt grotendeels hetzelfde terrein en concentreert zich in het bijzonder op deelnemers aan de balls die de zogenaamde Sex Siren lopen, een act die op het eerste gezicht draait om pure verleiding, maar uiteindelijk natuurlijk gaat om zelfrespect en de (sensuele) expressie daarvan, die zowel een heel vrouwelijke als een heel mannelijke kant op kan gaan. Dit resulteert in heel wat uiterlijk vertoon, dat door Amber Vineyard, de ‘moeder’ van House Of Vineyard, met veel bravoure aan elkaar wordt gepraat.
Bijna 35 jaar geleden voorvoelde ze blijkbaar al perfect wat de belangrijke thema’s van de huidige tijd zouden worden. De dystopische roman die Margaret Atwood schreef in 1985 vormt de basis voor één van de meest gewaardeerde series van dit moment: The Handmaid’s Tale. En dit jaar bracht de inmiddels tachtigjarige schrijfster zowaar een vervolg uit: The Testaments, een bestseller die onlangs werd bekroond met de prestigieuze Booker Prize.
Margaret Atwood: A Word After A Word After A Word Is Power (92 min.) volgt de lekker pinnige Canadese, die het bestaan beziet met een onderkoeld gevoel voor humor, gedurende een jaar ‘on the road’. In die periode bezoekt ze diverse plekken in de wereld, te beginnen met Amsterdam. Intussen blikt Atwood, samen met mensen uit haar directe omgeving of verleden, terug op een veelbewogen leven, waarin ze zowaar, tegen haar eigen verwachtingen in, een gevierde auteur werd.
Voor haar werk, hier over het voetlicht gebracht met voorgelezen passages, kon ze putten uit eigen ervaringen. In de jaren dat Margaret Atwood opgroeide, moesten vrouwen hun maatschappelijke positie nu eenmaal echt bevechten. Deze interessante film van Nancy Lang en Peter Raymont maakt inzichtelijk hoe die strijd in haar geval wel moest leiden tot een dystopisch boek vanuit vrouwelijk perspectief, een werk dat ze volgens eigen zeggen eng vond om te schrijven.
Zeker omdat het zwartgallige verhaal over vrouwen die niet meer zijn dan geknevelde broedkippen was gestoeld op werkelijke gebeurtenissen. In The Handmaid’s Tale blijkt véél minder verzonnen dan je in eerste instantie misschien zou denken. Waarschijnlijk schuilt daarin ook de kracht van Atwoods literaire klassieker die, getuige dit gedegen eerbetoon, met de jaren alleen maar relevanter lijkt te worden.
Hoe een jongen die nooit ergens bij hoorde – omdat hij toevallig een witte vader had – hét symbool van zijn land en cultuur werd. Voor zijn veertigste was de verweesde halfbloed Robbie uitgegroeid tot niemand minder dan Bob Marley, het boegbeeld van reggaemuziek, Jamaica en de rastafari-levensfilosofie.
Dat verhaal wordt in de biopic Marley (144 min.) uit 2012 virtuoos verteld. Met zijn vrouw, kinderen en andere familieleden legt regisseur Kevin Macdonald echt de ziel van de man bloot. En kleurrijke collega’s als Bunny Wailer, Lee ‘Scratch’ Perry en Jimmy Cliff plaatsen hem overtuigend binnen de Jamaicaanse cultuur en levensstijl. Het fenomeen Bob Marley, zoveel wordt duidelijk, was voorbestemd, de sublimering van alles wat het Caribische eiland exceptioneel maakt.
En uiteindelijk belandt Macdonald binnen dit mythische verhaal weer bij dat elementaire gevoel: van een bastaardzoon die niet wordt geaccepteerd door zijn eigen vader. In één van de mooiste scènes van deze meeslepende film laat hij Marleys halfzus Constance en blanke halfbroer Peter voor het eerst Cornerstone horen, het lied dat Bob schreef nadat hij als jonge man werd afgewezen door zijn biologische vader, ‘captain’ Norval Marley.
‘The stone that the builder refused will always be the head cornerstone’, zingt de reggaeheld daarin trots. ‘Hoe waar is dat?’, constateert Constance niet zonder wrevel. ‘Bob heeft de naam Marley op de kaart gezet.’ Al die anderen, de ‘white Marleys’ die zichzelf altijd zo belangrijk vonden, zijn al lang en breed vergeten, wil ze maar zeggen. Terwijl haar halfbroer lééft. En juist doordat hij zo gekwetst was, meent zijn halfzus, kon Bob zoveel mensen raken.
Tot een erg stabiel gezinsleven leidde dat dan weer niet. Hoewel hij netjes getrouwd was, slaagde de womanizer Marley er toch in om maar liefst elf kinderen te verwekken bij zeven verschillende vrouwen. Voordat zijn onstuimige leven, op slechts 36-jarige leeftijd, tot een dramatisch einde kwam. Waarna hij, nu al bijna veertig jaar, tóch is blijven voortleven, zoals is te zien in de ontroerende slotscène van deze grootse documentaire.
Nee, het is geen probleem hoor als Ben filmt dat hij speed rookt. Johnathan heeft twintig jaar coke gebruikt, maar daarmee is hij nu gestopt. En het is trouwens geen speed, maar crystal meth. Net als de gebruiker en de documentairemaker er helemaal klaar voor zijn om een ongetwijfeld spraakmakende scène te filmen, gaat de telefoon.
Het is John Edward Szeles alias The Amazing Johnathan zelf, die na de opnames toch zijn bedenkingen heeft gekregen. ‘Je kunt beter geen materiaal laten zien waarin ik drugs gebruik’, zegt hij tegen regisseur Ben Berman. Een zwart vierkantje erover, dat is misschien beter. Dan kunnen we het alleen horen en niet zien. En zo zal inderdaad geschieden. Voila!
Inmiddels is dan al wel duidelijk dat The Amazing Johnathan Documentary (92 min.) bepaald geen standaarddocumentaire is, waarin een prangende maatschappelijke kwestie vanuit een artistiek bijzonder verantwoorde visie wordt benaderd. Welnee, dit is pure lol! Makerslol ook. Zo heeft Johnathan bijvoorbeeld nog een figurant nodig voor zijn comebacktournee. Of Bermans geluidsman even wil meewerken? Geen probleem, natuurlijk.
Enne…. comebacktournee, zegt u? Ja, dat komt doordat Johnathan eigenlijk was gestopt als goochelende comedian. Omdat hij doodgaat. Oh, was dat nog niet duidelijk? Nou ja, zelfs dat mag de pret niet drukken. Het overlijden van de hoofdpersoon zou toch ook wel een natuurlijk einde zijn voor de film, niet? Dan is er alleen nog die andere cameraploeg waarmee de man blijkbaar in zee is gegaan. Van de producer van Oscar-winnende documentaires als Man On Wire en Searching For Sugar Man, dat ook nog.
Dan lijkt de lol er héél even af bij Berman. Maar ook die hobbel kunnen de filmmaker en zijn onberekenbare protagonist uiteindelijk nemen in deze dolkomische docu, die qua toon en inhoud perfect aansluit bij de Andy Kaufman-achtige pranks die Johnathan al z’n hele leven uithaalt met zijn publiek (lees: iedereen). Intussen steekt The Amazing Johnathan Documentary ook lekker de draak met de stijlvorm documentaire en de wereld waarbinnen die wordt geproduceerd.
Zelden zal het Droste-effect met meer plezier en – laten we dat alstjeblieft ook niet vergeten – kunde zijn ingezet. Dit portret van Amazing Johnathan, deze documentaire dus, is niets minder dan een verademing. Te midden van al die films die gemaakt móésten worden, mág deze er beslist ook zijn. Beslist!
In Walk The Line, de Hollywood-versie van zijn turbulente bestaan, zijn er in het leven van zanger Johnny Cash twee fasen te onderscheiden: de tijd vóór en nádat hij een relatie kreeg met June Carter, halverwege de jaren zestig. Van tevoren was hij de spreekwoordelijke Man In Black, een getroebleerde, met drugs en woede worstelende figuur. En daarna manifesteerde hij zich als de allemansvriend Johnny, een goedlachse en sociaal geëngageerde vent met het hart op de goede plek.
De werkelijkheid was, natuurlijk, oneindig veel gecompliceerder, zo toont The Gift: The Journey Of Johnny Cash (94 min.). Johnny’s diepste dal kwam volgens zijn zoon John Carter Cash pas in de jaren tachtig. ‘In de relatie van mijn ouders ontstonden enorme problemen door de drugsverslaving van mijn vader. Als kind heb ik daarvan veel meegekregen. Ze zijn bijna uit elkaar gegaan. Er bestaan heel veel misverstanden over hun relatie. Alsof ze na hun huwelijk gewoon nog lang en gelukkig leefden. Dat was bepaald niet het geval.’
De mythe van het ideale stel Johnny en June wordt door zijn kinderen netjes doorgeprikt in deze complete, overtuigende en aangrijpende documentaire van Thom Zimny, die al jaren dienst doet als de huisfilmer van Bruce Springsteen en vorig jaar de fijne Elvis-biopic The Searcher afleverde. Cash wordt weer een man van vlees en bloed in plaats van de verdoemde broodzanger die via de liefde van zijn leven een metershoge held werd. En dat doet ook zijn zwaar dooraderde muziek, die sinds zijn dood in 2003 nóg populairder lijkt te zijn geworden, alleen maar goed.
The Gift: The Journey Of Johnny Cash is gemaakt volgens een inmiddels vertrouwd procédé: de film bestaat volledig uit archiefmateriaal, waardoor de aandacht te allen tijde bij de hoofdpersoon blijft liggen. De prachtige beelden worden verlevendigd en ingekaderd met offscreen quotes van Cash zelf (via audio-interviews uit 1995-1997 voor een autobiografie), mensen uit zijn directe entourage en artiesten die door hem zijn beïnvloed. Het resultaat ontstijgt het niveau van de gemiddelde, routineuze popdocu met gemak en kan tot nader order worden geboekstaafd als het definitieve portret van één van de interessantste muzikanten van de twintigste eeuw.
In een volledig gesegregeerde wereld gaf The Apollo in Harlem, New York een thuis aan de Afro-Amerikaanse cultuur. Sinds 1934 kreeg vrijwel elke zwarte muzikant, comedian of theatermaker wel eens de vloer in het roemruchte theater. Het was de plek waar ‘black is beautiful’ daadwerkelijk gestalte kreeg. Of zoals James Brown, die er meer dan tweehonderd keer op het podium stond en in 1963 een absolute klassieker opnam met Live At The Apollo, het verwoordde: ‘Say it loud! I’m black and I’m proud!’
In de collageachtige documentaire The Apollo (102 min.) roept Roger Ross Williams de hoogtijdagen van het kleine theater (ruim 1500 plekken) op met beeldbepalende figuren als Pharrell Williams, Smokey Robinson, Gladys Knight, Aretha Franklin, Jamie Foxx, Angela Bassett en Paul McCartney (die met de roomblanke Beatles optrad in het zwarte bolwerk). Het portretteren van een gebouw en z’n historie blijft echter een lastig verhaal, want de stenen zelf léven natuurlijk niet.
Williams vervlecht hedendaagse activiteiten in het theater, zoals repetities voor een eerbetoon aan Ella Fitzgerald en een rondleiding door de historicus van dienst, met hoogte- en dieptepunten uit de lange historie van het podium. De film krijgt daardoor een anekdotisch karakter. Als er al een duidelijke lijn is te ontdekken, dan zit die in de voortdurende emancipatoire strijd die zwart Amerika heeft moeten voeren en de manier waarop die werd en wordt uitgedrukt in kunst.
Dat levert overigens wel mooie verhalen op, bijvoorbeeld over het notitiesysteem van Frank Schiffman, die decennialang de scepter zwaaide in het Apollo-theater. Op 7 juni 1946 maakte hij bijvoorbeeld een cataloguskaartje aan voor Billie Holiday. ‘Vocalist. Zingt smartlappen’. Vijf jaar later: ‘Gaf een goede show. Zeer behulpzaam in de finale. Zong behoorlijk goed. Geen wangedrag.’ Op 14 augustus 1953 noteerde hij echter: ‘Verschrikkelijk! Ze was ziek, maar leek ook onder invloed van stimulerende middelen. Alleen een wonder kan dit meisje nog redden.’
Ook fraai: de bikkelharde competitie tijdens de zogenaamde ‘amateur nights’. In een, achteraf bezien, dolkomische scène wordt een piepjonge Lauryn Hill tijdens één van deze talentenavonden genadeloos uitgejouwd. Niet erg, lijkt de redenering. Daar wordt ze hard van. Als volgroeid artiest steelt Hill enkele jaren later inderdaad de show in een volgepakte zaal. De ongegeneerde kritiek heeft haar boven zichzelf doen uitstijgen.
Zo worden de mores van dit stukje heilige grond voor zwart Amerika aardig in beeld gebracht, waarbij ook de eerste Afro-Amerikaanse president natuurlijk niet mag ontbreken. In 2012, tijdens zijn herverkiezingscampagne, zong Barack Obama er een stukje van Al Greens Let’s Stay Together. Een grotere erkenning van en voor de zwarte cultuur was nauwelijks denkbaar.
In de parade van Apollo-sterren ontbreekt overigens comedian/presentator Bill Cosby, die diverse keren optrad in het kleine theater. Sinds hij in 2018 werd veroordeeld vanwege zedendelicten, is ‘Amerika’s favoriete zwarte huisvader’ echter geen man meer waarmee je als gemeenschap of podium wil pronken.
Ze is niet ‘big in Japan’, maar groot in Colombia. De Nederlandse trompettiste Maite Hontelé begon ooit in een plaatselijke fanfare, maar is als ‘lange blonde Nederlandse’ toonaangevend geworden in Colombia. Toen ze er ruim vijftien jaar geleden voor het eerst optrad, verloor ze haar hart. Aan de salsamuziek, het land én een lokale muzikant/producer.
In Nederland staat ze aan de zijlijn, zegt ze in deze documentaire van Marlou van den Berge, maar hier – en dat is sinds acht jaar Colombia – kan ze topsport bedrijven. Met die sterstatus komen ook verantwoordelijkheden. Naar haar eigen carrière en band, maar ook als het gaat om het heersende schoonheidsideaal voor en de positie van vrouwen in Colombia.
En juist daar zit inmiddels ook persoonlijke thematiek, die botst met de conservatieve normen en waarden van haar nieuwe landgenoten. Kan en mag Maite (openlijk) zichzelf zijn in een omgeving die conservatiever blijkt dan haar lief is? Van den Berge verleidt haar hoofdpersoon in Ademtocht, De Vele Gevechten Van Maite Hontelé (60 min.) om het gordijn stukje bij beetje tóch open te doen.
En daarachter blijkt een kwetsbare vrouw verscholen te gaan, die steeds meer begint te verlangen naar een leven naast de muziek. Big in Colombia is in elk geval niet meer genoeg. Dat intense gevecht van enkele jaren, gevoegd bij Hontelés vloeiende muziek, stuwt dit portret voort, naar een onverwachte en persoonlijke ontknoping.
Taco Dibbits zal toch ook nooit vermoed hebben dat hij, als kunsthistoricus, een heus filmpersonage zou worden. Toch is dit alweer de derde documentaire van Oeke Hoogendijk waarin de huidige directeur van het Rijksmuseum een prominente rol vertolkt.
Nadat hij eerder figureerde in het jarenlange proces dat moest leiden tot een nieuwe locatie voor het Amsterdamse museum (Het Nieuwe Rijksmuseum) en een centrale rol speelde bij de aankoop van een schilderij van Rembrandt (Marten & Oopjen: Portret Van Een Huwelijk) volgt de documentairemaakster Dibbits in Mijn Rembrandt (95 min.) naar Schotland waar de puissant rijke Duke of Buccleuch nog gewoon een authentiek schilderij van Rembrandt van Rijn aan de muur heeft hangen.
Net als in haar eerdere films ontsluit Hoogendijk
met gevoel voor stijl, humor en drama een wereld die normaal verborgen blijft
voor buitenstaanders. Een subcultuur waarin hertogen, museumdirecteuren,
kunsthistorici, handelaren en verzamelaars zich vergapen aan Rembrandts
schilderijen en met elkaar bakkeleien of een bepaald werk nu wel of niet van de
grote meester is. Met illustere personages als de nét iets te happige
kunsthandelaar Jan Six, een aalgladde verzamelaar met echt te veel geld en de bloedserieuze
Rembrandt-kenner Ernst van de Wetering.
Het decor waarin alle intriges zich afspelen voelt inmiddels vertrouwd: van de barokke huizen van de oude adel en werkplaatsen van kunstenaars of restaurateurs tot musea en veilinghuizen waar de kunst naar het publiek wordt gebracht. Deze locaties vormen het toneel voor enorme ambities, groot geld én oprechte passie voor een grote kunstenaar. Want daarin schuilt eveneens de meerwaarde van deze liefdevolle film (waarin de verhaallijn van de Marten & Oopjen-docu deels is geïncorporeerd): Mijn Rembrandt dwingt ook de niet-kenner om héél aandachtig te kijken naar de Hollandse meester.
Geen mens slaagde er
overtuigender in om de gruwelen van La Cosa Nostra te
vereeuwigen dan de inmiddels 84-jarige fotografe Letizia Battaglia. Met gevaar voor eigen leven maakte ze een
indrukwekkende collectie zwart-wit foto’s, waar het bloed bijkans van afdruipt.
Onontkoombare weerslagen van de decennia dat de Siciliaanse maffia onder
leiding van illustere ‘mannen van eer’ als Luciano Liggio, Toto ‘Het Beest’ Riina en Bernardo Provenzano haar geboortegrond
terroriseerde.
In Shooting
The Mafia (93 min.) portretteert Kim Longinotto de vrouw achter de onverschrokken fotografe,
die nog altijd getraumatiseerd is door de ellende die de plaatselijke
georganiseerde misdaad over haar gemeenschap heeft uitgestort. Met als absoluut
dieptepunt de moorden op de onderzoeksrechters Giovanni Falcone en Paolo Borsellino, begin
jaren negentig, die elke vorm van hoop op een maffiavrij Italië de bodem
insloegen. ‘Je kunt nooit meer helemaal gelukkig worden als je die horror
doorstaan hebt’, zegt ze er zelf over.
Longinotto belicht daarnaast ook het turbulente persoonlijk leven van haar ferme protagoniste, die met de spreekwoordelijke filtersigaret tussen de vingers van de ene naar de andere (jongere) minnaar paradeerde. Dat rusteloze bestaan, van een iconische en uiteindelijk onbereikbare schoonheid, verbeeldt de filmmaakster met stijlvolle zwart-wit fragmenten uit Italiaanse speelfilms, die met weemoedig stemmende klassieke muziek zijn verfraaid. De optelsom is ook in dit geval meer dan de som der delen: een mooie en aangrijpende film. Over een symbool van menselijk verzet tegen een volledig onmenselijk systeem.
Toen zij ‘de jeugd van tegenwoordig’ waren en nergens voor leken te willen deugen – behalve dan voor hersenloos hakken – hadden gabbers waarschijnlijk ook niet kunnen bevroeden dat ze ooit nog eens salonfähig zouden worden. Nadat hun muziek vorig jaar al een prominente plek kreeg in het drieluik 30 Jaar Dutch Dance, is er nu een groots opgezette film over het toonaangevende hardcorefeest Thunderdome.
De filmmakers Vera Holland en Ted Alkemade gebruiken het 25-jarige jubileum in 2017 als rode draad voor Thunderdome Never Dies (83 min.). Dat is tevens een prima gelegenheid om het ontstaan en de ontwikkeling van het Nederlandse feest te reconstrueren met de voornaamste spelers: de oprichters Irfan van Ewijk en Duncan Stutterheim, de deejays die de heftige dancevariant destijds op de kaart zetten en de huidige brand manager Francois Maas, een oudgediende die het Thunderdome-gevoel nog altijd perfect belichaamt.
De nadruk ligt op het
pionierswerk van de jonge honden die hun eigen feesten gingen organiseren, niet
zozeer op de muziek of de al zo vaak besproken excessen met drugs, geweld of
nationalisme. Dit jongensboekverhaal van pure liefhebbers die zich (moeten)
ontwikkelen tot ondernemers wordt natuurlijk ondersteund met een karrenvracht
aan beelden van strakke, kale koppen in de onvermijdelijke aussies, die
collectief helemaal uit hun plaat gaan op basale beukbeats.
Via het aanstekelijke relaas van hun voorhoede zet Thunderdome Never Dies zo de schijnwerper op misschien wel de enige unieke jeugdcultuur die Nederland ooit heeft voortgebracht – en waarbij menigeen, en dat is ook precies de bedoeling, nog altijd horen en zien vergaat.
Wat moest er gebeuren met de nalatenschap van Edvard Munch? Toen de vermaarde Noorse expressionistische kunstenaar op tachtigjarige leeftijd overleed in 1944, op een moment dat zijn land nog volop verwikkeld was in de Tweede Wereldoorlog, liet hij zijn volledige collectie van ruim 20.000 prints en schetsen en meer dan duizend schilderijen na aan de gemeente Oslo. Na de oorlog ontstond er onmiddellijk een verhit debat over hoe Munch’s erfenis moest worden beheerd.
Inmiddels, 75 jaar later, is er na heel veel gesteggel eindelijk het nieuwe Munch-museum Lambda, 150 jaar nadat de kunstenaar werd geboren in een gezin dat werd geteisterd door ziekte en dood. Die achtergrond sijpelde door in zijn werk, waarmee hij volgens Munch In Hell (53 min.) mensen wilde laten zien zoals ze zijn, niet zoals ze eruit zien. Munch was op zoek naar de natuur van de menselijke soort, de relatie tussen man en vrouw in het bijzonder, en spaarde zichzelf en zijn directe omgeving daarbij niet. Het maakte hem tot een veelbesproken en omstreden kunstenaar.
Deze fraaie en stemmige film van Stig Andersen hinkstapt door de tijd voor en na Munch’s dood: tussen zijn (liefdes)leven, carrière en werk enerzijds en de eindeloze stroom incidenten en conflicten rond z’n nalatenschap anderzijds. Die parallelle vertelwijze, bijeengehouden door een prikkelende voice-over en vergezeld door een spannende synthesizersoundtrack, zorgt ervoor dat deze film meer wordt dan een chronologisch opgemaakte winst- en verliesrekening van een turbulent, ten volle geleefd leven, vol drankzucht, fatale liefdes, psychische inzinkingen en baanbrekende kunst.
Daar staan ze dan. Zes jongens.
Latino’s. Broers. In pak en stropdas, met een donkere zonnebril op. Ze richten
hun pistolen op de camera. The Wolfpack
(89 min.). Zojuist hebben ze met zichtbaar plezier enkele scènes uit de Quentin
Tarantino-speelfilm Reservoir
Dogs nagespeeld. Ze blijken zeer rolvast. Opererend vanuit hun eigen
appartement. In een verloederd New Yorks flatgebouw in de Lower East Side.
Crystal Moselle kwam de wereldvreemde gebroeders Angulo tegen in het park toen ze net bezig waren om de buitenwereld te leren kennen. Het was alsof ze een verdwenen gewaande indianenstam uit de Amazone ontdekte, vertelde de debuterende filmmaakster toentertijd tijdens interviews. De jongens waren jarenlang nauwelijks buiten geweest. Negenmaal in één jaar, op zijn hoogst. Soms slechts eenmaal. En in één specifiek jaar helemaal niet. Vader Oscar hield ze binnen. Wilde ze beschermen tegen het gevaarlijke New York. En moeder Susanne gaf thuis les.
Via films hielden de Angulo’s –
gezegend met namen als Govinda, Jagadisa en Narayana – contact met de
buitenwereld. 5000 VHS-banden en dvd’s stonden er inmiddels thuis. En menige
film werd tot in detail nagespeeld. The Dark Knight, Pulp
Fiction en Nightmare On Elm Street. Papa Oscar, aanhanger van Hare Krishna,
vond het allemaal best. Zolang zijn kinderen maar binnen bleven. Hij maakte van
hen zijn eigen sekte. Een volledig naar binnen gerichte enclave, midden in één
van de drukste steden van de wereld.
Samen vormden ze tevens een tikkende tijdbom, stelt zijn zoon Mukunda. Het was volgens hem een kwestie van tijd totdat de boel ontplofte. Uiteindelijk was hij het zelf, die op vijftienjarige leeftijd de stap naar die onbekende buitenwereld waagde. Met een Michael Myers-masker op. Niet veel later volgden zijn broers. De Angulo’s ontdekten dat de echte wereld zowaar behoorlijk leek op het universum dat ze al van het witte doek kenden. En dat het thuis waar ze al die jaren hadden vertoefd met verbazing werd bekeken door de rest van de wereld.
Filmmaakster Moselle heeft zich jarenlang als een soort extra huisgenoot in het bizarre huishouden verschanst en registreerde van binnenuit hoe de keuzes van de dictatoriale vader Oscar uitpakten voor zijn vrouw en kinderen. Met haar rommelige gefilmde beelden, op een collageachtige manier gecombineerd met vreemde (familie)filmpjes, ving ze het onwerkelijke verhaal van een zonderling gezin. Het resultaat is een ronduit unheimische film, die in 2015 op het Sundance Film Festival werd bekroond met de Grand Jury Prize.
Als werkende vrouw plaveide ze de weg voor een generatie vrouwelijke theatermakers. Tegenwoordig zit Jasperina de Jong (81) met veel plezier achter de geraniums. ‘Ik wou zo graag de schemerlamp aandoen als het donker werd’, zei ze daarover toen het langzamerhand tijd werd om afscheid te gaan nemen.
Jasperina: Op Eenzame Hoogte (88 min.) is een vakkundig gemaakt portret, waarin de kleinkunstenaar
zelf, zonder inbreng van concullega’s of kenners, terugblikt op haar lange
carrière. Ze leerde het vak bij Wim Kan en Wim Sonneveld, floreerde in de jaren
zestig bij het satirische cabaretgezelschap Lurelei en trok uiteindelijk als eerste vrouw met een
onewomanshow langs de Nederlandse theaters.
Deze documentaire van Simone de Vries is eerder een carrièreoverzicht dan een psychologisch profiel. De film is volgestouwd met alleraardigst beeldmateriaal van De Jongs voorstellingen, (televisie)optredens en musicals, maar scheert een beetje vluchtig langs de dieptepunten in haar leven, zoals bijvoorbeeld het langdurige ziekbed van haar echtgenoot Eric Herfst.
De Vries vraagt op zulke momenten niet door en lijkt daarom geen moment écht onder de waterlijn te komen bij haar verbaal begaafde hoofdpersoon die – hoe kan het ook anders? – met gevoel voor theater haar levensverhaal doet. Wat rest is een vermakelijk portret van een expressieve vrouw die een eigen plek veroverde in een wereld die tot dan toe was gedomineerd door mannen.
Het zijn doodgewone kinderen. Na de Dode Zee willen ze ook wel eens een echte zee zien: de Noordzee. Waarin je echt ongegeneerd lol kunt maken. Het is sowieso een opwindende tijd voor de Little Stars Of Bethlehem (48 min.). De Palestijnse kinderen zijn uitgenodigd om tijdens de Cello Biënnale van 2018 op te komen treden in het verre Amsterdam. De meesten zijn nog nooit buiten Bethlehem geweest. Laat staan in het buitenland.
De acht kleine cellisten zijn geboren en getogen in een Palestijns vluchtelingenkamp, waar de tenten inmiddels zijn vervangen door min of meer normale woningen. De meeste ouders bewaren echter nog steeds de sleutel van het huis dat ze ooit moesten achterlaten, vertelt Fabienne van Eck, de Nederlandse artistiek directeur van het plaatselijke muziekproject Sounds Of Palestine.
Zulke families hebben doorgaans wel wat anders aan hun hoofd dan muziekles voor hun kinderen. Juist daarom, betoogt Van Eck, is het zo belangrijk dat deze vaak getraumatiseerde jongens en meisjes in contact worden gebracht met muziek. Het werken met lokale kinderen is voor haar echt een soort roeping. Nadat ze was afgestudeerd aan het Nederlandse conservatorium, reisde Van Eck af naar Bethlehem om daar werk te gaan doen dat haar uiteindelijk veel belangrijker leek dan het spelen in een Nederlands orkest.
Regisseur Shariff Nasr portretteert de protegés van Fabienne van Eck eerst in hun eigen omgeving en volgt hen vervolgens tijdens hun muzikale trip naar het vrije Westen. Dat levert innemende taferelen op, van kinderen die even loskomen van hun beladen leefomgeving en weer, juist, kind mogen zijn. Het is ontroerend om te zien hoe ze bijvoorbeeld met grote ogen in de trein naar buiten zitten te kijken, zich wagen aan haring happen of, in het ouderlijk huis van Fabienne, hagelslag op hun boterham strooien.
Wat voor ons, westerlingen uit een land dat al decennia vrede kent, volstrekt normale activiteiten zijn, is voor deze oorlogskinderen een heuse belevenis. Daarmee krijgt het tweede deel van deze televisiedocu wel een hoog toeristisch gehalte. Pas zodra de Palestijnse kinderen, als onderdeel van een veel groter kinderorkest, aan het eind van deze observerende film het podium op mogen, komt ook de muziek, die hen deze trip heeft bezorgd en die hen nog altijd een kans op een ander leven zou kunnen geven, weer echt centraal te staan.
Acht Palestijnse kinderen uit Bethlehem worden uitgenodigd om op te treden op de Cello Biënnale in Amsterdam. Regisseur Shariff Nasr observeert hoe zij de kennismaking met een vrije wereld ervaren. Little stars of Bethlehem, donderdag 31 oktober om 23.00 uur op NPO 2. pic.twitter.com/xy0BAtkHRp
Bijna een halve eeuw lag het
beeldmateriaal dat regisseur Sydney Pollack in 1972 maakte van de opnames voor
het Aretha Franklin-album Amazing
Grace, achter slot en grendel. Eerst wilde het maar geen eenheid vormen met het
opgenomen geluid, dat inmiddels was uitgegroeid tot het best verkochte
gospelalbum aller tijden. Later, toen producer Alan Elliott er alsnog in
slaagde om beeld en geluid met elkaar te verbinden, begon de zangeres zelf
dwars te liggen. Ze startte allerlei juridische procedures om het uitbrengen
van deze documentaire te verbieden.
Pas toen Franklin in augustus 2018 was overleden, en haar nabestaanden bereid bleken om alsnog een deal te sluiten, kon Amazing Grace (89 min.) het licht zien. De film, opgenomen in de New Temple Missionary Baptist Church in Los Angeles, toont een artiest in topvorm. De Amerikaanse soulzangeres heeft zich in de voorgaande jaren met een indrukwekkende stroom hits opgeworpen als de ‘First Lady of music’ en wil nu terug naar haar basis: de gospelmuziek die ze thuis met de paplepel ingegoten heeft gekregen van dominee C.L. Franklin. Op de tweede avond van de opnames komt Aretha’s vader ook nog even het podium op, om de loftrompet over haar te steken. ‘Ze is niet alleen mijn dochter. Ze is gewoon een geweldige zangeres.’
De bewierookte zangeres laat het zich aanleunen en luistert bescheiden toe. Het betrekken van haar publiek bij de opnames en weldadige muziek laat ze over aan dominee James Cleveland, de spreekstalmeester en pianist van The Southern California Community Choir dat haar glansrijk terzijde staat. Totdat ze haar strot opentrekt, zou de verlegen Aretha zomaar kunnen doorgaan voor een backbencher van het koor. Eenmaal op gang brengt ze alle aanwezigen, onder wie Mick Jagger en Charlie Watts (die op dat moment werken aan het Rolling Stones-album Exile On Main Street), echter helemaal in vervoering. Menigeen pinkt een traantje weg of begint oncontroleerbaar mee te bewegen.
Deze weerslag van twee gedenkwaardige opnamedagen en de repetities daarvoor is bewust sober gehouden: geen commentaar, interviews of montagetrucs (behalve spaarzaam gebruik van split screen). Let the music do the preachin’. In die zin is Amazing Grace een aardige tegenhanger van het eveneens dit jaar verschenen Homecoming, waarin Beyoncé als een echte diva haar eigen interpretatie van de Amerikaanse zwarte muziekgeschiedenis geeft. De benadering van beide dames is zowat tegengesteld, maar wat ze beogen lijkt min of meer hetzelfde: de muziek die henzelf heeft gevormd naar een hoger plan tillen, zodat iedereen, Afro-Amerikaans of niet, lid wil worden van De Zwarte Kerk.
Met een toorts in de opgeheven rechterhand waakt Lady Liberty sinds 1886 over New York. Ze is de verbeelding van vrijheid die de wereld verlicht. Het Vrijheidsbeeld was eeuwenlang ook zo’n beetje het eerste wat immigranten te zien kregen als ze via Ellis Island in hun nieuwe vaderland arriveerden. De boodschap was duidelijk: hier, in het land van de onbegrensde dromen, zouden ze zichzelf kunnen zijn. Vrij van de zorgen, armoede en vervolging die hen huis en haard hadden doen verlaten.
Liberty: Mother Of Exiles (81 min.) is een ode aan de geest van dat Amerika, een land van en voor immigranten. Deze aardige mozaïekfilm van Randy Barbato en Fenton Bailey belicht de ontstaansgeschiedenis van het door de Franse beeldhouwer Frédéric Bartholdi ontworpen icoon, mensen die nu op de één of andere manier hun brood verdienen met het maken, verkopen of nabootsen van het Vrijheidsbeeld en hedendaagse pogingen om op geheel eigen wijze, of het nu via een kunstwerk is of via een goocheltruc, betekenis te geven aan het begrip vrijheid.
Als verbindende factor fungeert de van oorsprong Belgische modeontwerpster Diane von Furstenberg. Zij beijvert zich voor een nieuw, groots opgezet museum, waarmee de aan het Vrijheidsbeeld gelieerde idealen kunnen worden uitgedragen. Deze documentaire wil daar duidelijk ook aan bijdragen. Van elke persoon die aan het woord komt wordt expliciet het land van herkomst vermeld. Zonder dat het heel nadrukkelijk ter sprake komt, voelt dit als kritiek op het hedendaagse Amerika, dat met zijn rug naar de rest van de wereld dreigt te gaan staan en zich letterlijk wil afsluiten voor een nieuwe generatie nieuwkomers.
De ondertitel van dit portret van platenhoncho Clive Davis luidt: de soundtrack van onze levens. Dat lijkt een boude bewering. Totdat je een overzicht ziet van de acts die hij voor achtereenvolgens Columbia Records, zijn eigen Arista Records, allerlei afsplitsingen daarvan en platengigant BMG vastlegde:
Probeer dan nog maar eens te beweren dat die gewiekste gladjanus géén rol heeft gespeeld in jouw leven. Of je dat nu wilt of niet. Want hoewel Davis een goed stel oren aan zijn kale kop heeft zitten, is hij altijd heel nadrukkelijk op zoek geweest naar hits. Niet zozeer naar muziek die door merg en been gaat of de tijdgeest helemaal te pakken heeft. Nee: hits! Scoren!!
Clive Davis: The Soundtrack Of Our Lives (124 min.) is precies de documentaire die past bij zo’n carrière: een ongegeneerde lofzang op de man en zijn muziek. Met allerlei andere hotshots uit de muziekbusiness en een rode loper-lange stoet celebrities: Puff Daddy, Carlos Santana, Paul Simon, Patti Smith, Aretha Franklin en Alicia Keys. Waarbij een hele platenkast omvalt en de ene hyperbool de andere opvolgt. Totdat je er pijn in je oren van krijgt.
Het dramatische persoonlijke verhaal van de man (die op zeer jonge leeftijd beide ouders kwijtraakte), zijn turbulente relationele leven en de kritische vragen die óók bij zijn imposante loopbaan zijn te stellen, verdwijnen in de volledig plastic wereld die hij om zich heeft opgetrokken en die hier nog eens van alle kanten wordt uitgelicht. Alleen de vroegtijdige dood van de door hem gelanceerde zangeres Whitney Houston zorgt voor enig drama. Dat kan en mag evenwel niet verhullen dat Clive Davis letterlijk een halve eeuw toonaangevend was.
Zijn geruchtmakende dood leek een logisch
uitroepteken achter een turbulent leven. Van een man die als een archetypische
rockgod – compleet met mysterieuze blik, lange manen en structureel ontbloot
bovenlijf – het collectieve geheugen zou ingaan. Michael
Hutchence, frontman van de Australische rockband
INXS. Zanger van wereldhits als Original
Sin, Never Tear
Us Apart en Need You
Tonight. Gestorven op 22 november 1997, op
37-jarige leeftijd. Een dood die werd omgeven door roddel en achterklap. Was
het zelfdoding? Of toch zoiets sinisters als wurgseks?
In Mystify: Michael Hutchence (102 min.) probeert regisseur Richard Lowenstein, die diverse INXS-clips maakte en voor deze documentaire toegang kreeg tot het privé-archief van zijn hoofdpersoon, met Hutchences familie, management en bandleden, ex-vriendinnen als zangeres Kylie Minogue en topmodel Helena Christensen en ’s mans beroemde vriend/collega Bono het leven en de carrière van het idool uit te diepen. Lowensteins bronnen leveren (off screen) allerlei anekdotes, maar tot een coherente of diepgravende narratief leidt dit uiteindelijk niet. Hutchence blijft de klassieke getormenteerde zanger – zoals elke muziekgeneratie lijkt voort te brengen – die met gezwinde spoed op zijn onvermijdelijke dramatische einde afkoerst.
De filmmaker kent speciale waarde toe aan
een gewelddadig incident in Denemarken, waarbij de zanger een
hersenbeschadiging zou hebben opgelopen. Daarna werd alles anders bij Michael
Hutchence, die tot dan volstrekt toe ongenaakbaar had geleken. Tekenend is een
pijnlijk tafereel bij de Brit Awards van 1996. Nadat de INXS-voorman een
prijs heeft overhandigd aan Oasis, wordt hij publiekelijk afgeserveerd door de
gitarist van die band, Noel
Gallagher: ‘Has-beens shouldn’t present awards to
gonna-beens’. Hutchence druipt vernederd af.
Hij was toen al in een veelbesproken relatie met Bob Geldofs ex-vrouw Paula Yates beland en zou met haar in een duizelingwekkende spiraal van drugs en depressie terechtkomen, die beiden fataal werd. Uiteindelijk was er geen redden meer aan voor Michael Hutchence, luidt dan de conclusie. En in wezen kon hij daar zelf dus ook niet al te veel aan doen. Die ene knal voor zijn hoofd had hem voorgoed veranderd.
Ging het werkelijk zo? Of is dit hoe van elk groots geleefd leven een verhaal met kop en staart wordt gemaakt en een duidelijke oorzaak automatisch tot een onontkoombaar gevolg leidt? Deze film, hoe meeslepend die soms ook wordt, slaagt er in elk geval niet helemaal in om de mens achter het fenomeen Michael Hutchence te pakken te krijgen.
Noel Gallagher mag natuurlijk ook al enige tijd een has-been worden genoemd. Niet dat hij dat zelf doorheeft, overigens.
In de filmindustrie had niemand ooit van
Red Granite Pictures gehoord.
Toch investeert het bedrijf ettelijke honderden miljoenen dollars in de
Hollywood-blockbuster The Wolf
Of Wall Street uit 2013, een film van Martin Scorsese
met in de hoofdrol Leonardo DiCaprio als überkapitalistisch roofdier. Op het Filmfestival
van Cannes organiseert Red Granite bovendien een groots, zéér exclusief feest,
waarbij sterren als Pharrell Williams, Jamie Foxx en Kanye West optreden. Dat
kan niet kloppen, zou je zeggen. En dat doet het dus ook niet.
Het spoor in de boeiende financiële thriller The Kleptocrats (86 min.) leidt naar Najib Razak, de minister-president van Maleisië. Via het geheime fonds 1MDB zou op grote schaal publiek geld zijn weggesluisd om zijn herverkiezingscampagne te financieren. Gelukkig bleven er ook nog wat dollars over voor de man zelf en zijn lieftallige echtgenote Rosmah Mansor. Van die ene diamant van 27 miljoen dollar die Razak aan zijn vrouw gaf, hadden 3.333 leraren een jaar kunnen worden betaald, becijfert oppositielid Tony Pua. Zelfs Nazir Razak, de broer van de Maleisische premier, verbaast zich in deze documentaire over de welig tierende corruptie onder het bewind van zijn broer, die tot massale protesten leidt in de straten van Kuala Lumpur.
Een deel van het gestolen geld is ook
in Hollywood beland. En dus gaan de filmmakers Sam
Hobkinson en Havana
Marking, in het kielzog van enkele onderzoeksjournalisten, op zoek naar de investeerder
Jho Low, een omhoog
gevallen sjacheraar die het breed laat hangen in het Amerikaanse uitgaansleven
en zich probeert op te houden in de directe omgeving van sterren als Leonardo
DiCaprio, Paris Hilton en Robert De
Niro (die overigens lekker nijdig wordt, als hij telefonisch wordt bevraagd
over zijn connectie met Low en diens plannen om te investeren in de nieuwe
Scorsese-film The
Irishman). Die speurtocht naar witteboordencriminelen levert een smakelijke
film op, die aantoont dat de wereld van het grote geld inmiddels echt
grenzeloos is geworden.
‘De echte vraag is: was dit allemaal legaal?’ vraagt Leonardo DiCaprio, als Jordan Belfort in The Wolf Of Wall Street, demonstratief aan de kijker. Hij antwoordt zelf: ‘Absoluut niet!’
Zelden zal de spanning tussen de hoofdpersoon en maker van een documentaire zo treffend zijn uitgedrukt als in de openingsscène van Beware Of Mr. Baker (92 min.). Na een hoog opgelopen meningsverschil over wie er hun zegje over hem mogen doen in ‘zijn’ film mept meesterdrummer Ginger Baker Jay Bulger met zijn wandelstok tegen het hoofd. De documentairemaker blijft letterlijk bloedend achter. Hij had het kunnen weten: waar Ginger komt, komt ruzie.
Onder het voorwendsel dat hij een journalist van het tijdschrift Rolling Stone is, volgens hemzelf een totale leugen, trekt Bulger in 2009 tijdelijk in bij Baker in Zuid-Afrika en schrijft, inderdaad, een artikel voor Rolling Stone over De Doldrieste Drummer. En daarna, in 2012, volgt deze messcherpe, dolkomische en opwindende film over de man die furore maakte bij uiteenlopende acts als Cream, Blind Faith, Fela Kuti, Hawkwind, Public Image Ltd en Masters Of Reality en wordt beschouwd als één van de beste drummers van de twintigste eeuw. Of het nu gaat om rock, jazz of afrobeat.
Voor lieden als Baker is tegelijkertijd het begrip ‘enfant terrible’ uitgevonden. Als hij Bulger zijn levensverhaal vertelt, dreigt er dan ook voortdurend onenigheid. ‘En toen besloot Alexis om Graham bij de band te vragen’, vertelt de slagwerker bijvoorbeeld over het begin van zijn carrière in Alexis Korner’s Blues Incorporated. ‘Kun je iets meer context geven over wie je het dan hebt?, vraagt Jay Bulger. ‘Dat heb ik net gezegd, for fuck’s sake.’ Bulger laat zich de kaas echter niet van het brood eten: ‘Je zei alleen: Graham. Niemand weet wie Graham is.’ Baker, met zichtbare tegenzin: ‘Graham Bond was een vette kerel.’
Tussen de boude statements, middelvingers en cynische rokerslachjes door heeft de hork eerste klas natuurlijk wel degelijk een fascinerend verhaal te vertellen. Zijn zus, echtgenoten en kinderen, directe collega’s als Eric Clapton, Jack Bruce en Steve Winwood, en zijn vakbroeders Nick Mason (Pink Floyd), Stewart Copeland (The Police), Lars Ulrich (Metallica), Tony Allen (Fela Kuti) en Chad Smith (Red Hot Chili Peppers) kaderen dat verder in. En Bulger kleedt het aan met prachtig archiefmateriaal, treffende animaties en – natuurlijk! – dampende muziek, die de film een opwindend ritme geeft.
’Beschouw je jezelf als een tragische held?’ wil Jay Bulger op een gegeven moment weten van zijn volledig losgeslagen protagonist. ‘Ga door met het interview’, reageert die geïrriteerd. ‘Stop met je pogingen om een intellectuele eikel te zijn.’ Gaandeweg komt de filmmaker in deze kostelijke film echter toch vervaarlijk dicht in de buurt van de enige echte Ginger Baker: maniak, dopehead én absolute werelddrummer.