Ooit stond er het Berliner Stadtschloss. Het Pruisische paleis werd echter zwaar beschadigd in de Tweede Wereldoorlog en in 1950 op instigatie van DDR-leider Walter Ulbricht zelfs opgeblazen. Op diezelfde plek, in het hart van Berlijn, is nu een moderne replica herrezen: het Humboldt Forum. Voor het samenstellen van een permanente expositie aldaar over de relatie van Berlijn tot de wereld wordt in 2016 zowaar een Nederlander gevraagd: kunsthistoricus Paul Spies, de directeur van het Amsterdam Museum.
‘Bewonderenswaardig’ vindt die het, dat een buitenlander zo’n belangrijke klus krijgt toebedeeld. In Verhalen Van Berlijn – Paul Spies In Het Humboldt Forum (91 min.) volgt Sonia Herman Dolz de Nederlandse chef-curator gedurende enkele jaren tijdens zijn poging om de moderne geschiedenis van de Duitse hoofdstad samen te ballen in de permanente expositie Berlin Global, een ‘omstreden prestigeproject’ aldus verteller Huub Stapel. Spies richt zich daarbij op verhalen van de Berlijners zelf en hun beleving van de wereldstad.
Een mooi voorbeeld daarvan is de massieve deur van een kluis uit het befaamde Joodse warenhuis Wertheim, die in de jaren negentig onderdak bood aan de ondergrondse technoclub Tresor. Nadat de club in 2005 werd gesloten, bevond de loodzware roestige deur zich jarenlang in een kraakpand. Van daaruit heeft hij nu zijn weg gevonden naar de expositie, waar de deur allerlei aspecten van de stadsgeschiedenis representeert; van de Jodenvervolging tot de periode dat Berlijn de technohoofdstad van de wereld was.
Herman Dolz zet haar film breed op. Ze concentreert zich natuurlijk op de totstandkoming van de expositie, maar belicht ook het gezinsleven van Paul Spies en ruimt tijd in voor het werk van zijn vrouw Meike Ziegler, die een kunstwerk over de Muur maakt. Daarnaast waaiert ze uit naar de persoonlijke verhalen van gewone Berlijners die verschillende elementen van de stad weerspiegelen, zoals het leven in de DDR, de Turkse gemeenschap van Berlijn en het voormalige Niemandsland rond de Muur, waar tegenwoordig een levendig ‘Mauerpark’ is.
Dat is een ambitieuze opzet, waarbinnen niet alle verhaallijnen tot volle wasdom komen. Tegelijkertijd doet die grootse aanpak recht aan de wereldstad Berlijn, waarin allerlei uiteenlopende verhalen samen proberen te komen tot één enkele vertelling, die voortdurend van kleur verschiet.
Paul Spies wordt in 2016 benaderd om een grote tentoonstelling te maken over de roerige geschiedenis van Berlijn.
Hoe dit ging en wat erbij kwam kijken zie je in deze documentaire. 👇
‘Er zat altijd een bepaalde kwetsbaarheid in hem’, zegt zijn biografe Elena Oumano. ‘Ook als hij een slechterik speelde, werden vrouwen verliefd op hem en wilden ze “die stoute jongen” redden.’ Met die gevoelige onderstroom voorkwam acteur Paul Newman (1925-2008) volgens haar dat hij overkwam als de eerste de beste bordkartonnen versie van mannelijkheid. ‘Hij was zo aantrekkelijk en verleidelijk’, vult regisseur Ron Shelton aan, ‘omdat je hem nooit helemaal te pakken kreeg.
In Paul Newman: Behind Blue Eyes (52 min) akkert regisseur Pierre-Francois Gaudry Newmans complete filmografie door, met een hele zwik fraaie speelfilmfragmenten, enkele oude interviews met de ster zelf, een bescheiden hoeveelheid backstage-beelden en quotes van acteurs die samen met hem op het witte doek belandden, zoals Ellen Burstyn, James Naughton, Brigitte Fossey, Mary Elizabeth Mastrantonio en Lolita Davidovich.
Zoals dat gaat in dit soort tv-portretten schetsen zij een aansprekend beeld van de Amerikaanse acteur die ruim een halve eeuw een beeldbepalende figuur was in Hollywood en schitterde in bioscoophits als Cat On A Hot Tin Roof, The Hustler, Cool Hand Luke, Butch Cassidy And The Sundance Kid, The Sting en The Color Of Money. Tegelijkertijd was er de man achter de filmster: verlegen, progressief en zéér op zijn privéleven gesteld.
Deze film, waarin een alwetende verteller de boel soepel aan elkaar praat, brengt die elementen netjes bij elkaar en werkt toe naar het einde van Newmans leven op 83-jarige leeftijd, als eindelijk het grafschrift kan worden geopenbaard dat hij zich al in de jaren vijftig had ingebeeld: ‘Hier ligt Paul Newman. Zijn acteercarrière eindigde toen zijn blauwe ogen bruin werden.’
Hij kan doorgaan voor de Dinand Woesthoff van de Amerikaanse jazz. Net als de zanger van de Nederlandse rockband Kane weet saxofonist Kenny G als geen ander het grote publiek te behagen én alle critici en ‘serieuze liefhebbers’ serieus tegen de haren in te strijken. Waar Woesthoff en zijn groep voortdurend met weerstand hadden te maken – men neme bijvoorbeeld de Facebook-groep Bij Een Miljoen Likes Stopt Kane – is in de Verenigde Staten het ridiculiseren van de toeterende krullenbol uitgegroeid tot een soort volkssport.
De verzamelde jazzkenners aan het begin van Listening To Kenny G (96 min.) bijten dan ook op hun lip om niet al te laatdunkend over de man en zijn instrumentale muziek te spreken. ‘Hij maakt “leuke” muziek voor “leuke” mensen’, zegt criticus Will Layman van Popmatters bijvoorbeeld. ‘Ik maak mezelf alleen wijs dat ik beter ben dan dat.’ Wat jazz interessant maakt is de dialoog tussen verschillende muzikanten, stelt hij even later. ‘En wat je in Kenny G’s muziek hoort is totaal geen gesprek. Dat is een soloproject. Dit is geen seks, dit is masturbatie.’
Toch zijn er hele volksstammen bereid om ook buiten de wachtkamer, lift of slaapkamer naar Kenny Gorelick te luisteren. En zelf snapt hij dat wel. Hij heeft nu eenmaal een geweldig oor voor melodieën. Logisch. ‘s Mans ontwapenende eerlijkheid is een belangrijke troef van deze film. Net als de speelse manier waarop regisseur en interviewer Penny Lane hem tegemoet treedt. De twee hebben duidelijk chemie. En dat maakt deze documentaire – ook al verafschuw je Kenny G’s smooth jazz – tot een hartstikke aardige traktatie.
Behalve de muziek van die ene omstreden saxofonist – en vader, golfer, piloot en investeerder – behandelt Lane ook de vraag wat nu eigenlijk goede kunst is en wie dat dan bepaalt. Kenny wil zich intussen buigen over/vergrijpen aan het oeuvre van erkende jazzhelden zoals John Coltrane en Stan Getz. Net als Dinand weet hij dat de strontkar sowieso over hem wordt uitgereden. Hij maakt zich echter allang niet meer zo druk om de jazzpolitie. Zegt ie. En als Kenny G dat met een ontspannen glimlach beweert, is het lastig om dat niet te geloven.
Toen hij groot ‘69’ op zijn voorhoofd liet tatoeëren, was er geen weg meer terug voor Daniel Hernandez, een latino-tiener uit Bushwick, Brooklyn. Hij zou het moeten gaan maken als Tekashi69 (ofwel: 6ix9ine). Als rapper met regenbooghaar, diverse gezichtstatoeages en tanden in allerlei verschillende kleuren. Ophef werd z’n handelsmerk. Zijn videoclips hadden zogezegd een enorme ‘shock value’: seks, coke en geweld. En op Instagram schopte hij wild om zich heen. Succes verzekerd: een bepaalde categorie jongeren identificeert zich maar wat graag met een straatwijze gangster.
In 69: The Saga Of Danny Hernandez (102 min.) wil regisseur Vikram Gandhi, bekend van zijn hoofdrol als nep-goeroe in de documentaire Kumaré, vat krijgen op de omstreden rapper, die zich uiteindelijk helemaal vastdraait in zijn eigen shit. Dat wordt de filmmaker niet door iedereen in dank afgenomen. Een buurtbewoner die hem te woord wil staan wordt ter plaatse luidkeels ter verantwoording geroepen. In dat opzicht doet Gandhi’s queeste denken aan Nick Broomfields pogingen om klaarheid te krijgen in de moorden op Tupac en Biggie, helden van een eerdere hiphopgeneratie.
Ook Gandhi krijgt vooral belangrijke bijfiguren te spreken: Danny Hernandez zelf wil hem niet te woord staan. En dus meldt de filmmaker zich bij diens tatoeëerder, geluidstechnicus, chauffeur, haarstylist en collega’s (waarmee hij tegenwoordig soms op gespannen voet staat). Sara Molina, Hernandez’s ex-vriendin en moeder van zijn dochter, probeert de jongen achter het personage te schetsen. Al heeft ook zij nooit echt aan de binnenkant mogen kijken bij dit typische product van een New Yorkse achterbuurt, dat heeft geleerd dat hij moet vechten om te overleven.
Met zijn bronnen, geïllustreerd met clips en social media-uitingen van zijn hoofdpersonage, probeert Vikram Gandhi de opmars van Hernandez te vangen. Eerst begon hij zijn eigen kledinglijn, met teksten als Nigger, HIV of Pussy Eater erop. Daarna was er de rel rond een filmpje van groepsseks met een dertienjarig meisje, dat hij ongegeneerd deelde via social media. En toen volgde ook nog de ‘beef’ met rapper Trippie Redd, waarbij hij zich ter zijde liet staan door de beruchte Nine Trey Bloods Gang. Waar Tekashi69 kwam, zo was toen wel duidelijk, kwam gedonder.
Daarbij was het altijd weer de vraag of Danny Hernandez echt kwaad in de zin had of vooral uit was op goedkope publiciteit. Wat zijn motivatie ook mocht zijn, al die commotie legde hem bepaald geen windeieren: met hits als Gummo, Trollz en Gooba werd Tekashi69 een mondiaal fenomeen. Totdat hij dus werd ingehaald door zijn eigen Bad Boy-imago en zich serieus in de nesten werkte. Daar zit ook de aantrekkingskracht van deze scandaleuze documentaire, die een toxische wereld blootlegt waarin zo’n beetje alles wat fout is zowel de weg naar roem en geld als de levende hel kan plaveien.
Terwijl het ene bandlid probeert uit te leggen wat dat nu is, punk, laat het andere zijn ontblote achterwerk zien voor de camera. Die wil de boodschap – schijt aan alles? – blijkbaar nog even kracht bij zetten in Punk In London (90 min.) een documentaire van Wolfgang Büld uit 1977. Hij bezocht destijds cruciale plekken in de Britse hoofdstad en portretteerde daar de eerste generatie punkbands. Illustere namen als The Adverts, X-Ray-Specs, Wayne County And The Electric Chairs en The Killjoys
Tijdens zijn omzwervingen langs de pleisterplaatsen van de punkhype komt de Duitse filmmaker ook terecht bij Arturo Bassick. Deze negentienjarige jongeling (echte naam: Arthur Billingsley) speelt sinds enkele maanden bas bij The Lurkers, die net een bescheiden hitje hebben met Shadow. In de woonkamer van zijn ouderlijk huis, omringd door z’n vader en moeder die gezellig rond het tv-toestel zijn gaan zitten, geeft hij uitgebreid tekst en uitleg over onder meer het politieke karakter van punkmuziek.
Dan verschijnen ineens The Boomtown Rats, die later ook nog in de film zelf zullen opduiken, op de televisie in het programma Top Of The Pops. ‘Waardeloos!’ reageert Bassick direct in stijl. ‘Lang niet zo goed als The Lurkers.’ Hij legt uit: ‘Zij hebben een groot label achter zich dat er geld in pompt. Alleen zo word je beroemd. Corrupt. Uitverkoop!’ Gelukkig voor de nieuwbakken Lurker vindt zijn vader Bassicks band ‘beter dan gemiddeld’ en moet zijn moeder zelfs aan The Rolling Stones denken.
Büld laat zich regelmatig met een kluitje in het riet sturen door zelfbewuste punkers met een gemeenplaats over waarom zij wél punk zijn, anderen juist niet of het genre in de uitverkoop wordt gedaan, maar intussen dringt hij wel degelijk tot het binnenste door van een jeugdcultuur die zich voor even het middelpunt van de wereld waant, met zijn eigen platenwinkels, poptijdschriften en rivalen (de gevreesde Teddy Boys, vetkuiven die hun territorium maar wat graag verdedigen).
Alleen The Stranglers, op dat moment één van de grootste en meest omstreden groepen van de subcultuur, weigeren categorisch om aan Bülds film mee te werken. Al valt ook dat leed te overzien, omdat enkele bandleden hem nog wel even hoogmoedig te woord staan als hij daarover verhaal gaat halen bij hen. The Jam en The Clash, twee van de interessantste bands van de eerste Britse punkgolf, zijn gelukkig wel van de partij en krijgen tegen het einde van dit vermakelijke tijdsbeeld ook nog eens uitgebreid het podium.
Barry Gibb, 75 jaar inmiddels, is de laatste der Bee Gees. De andere twee broers, de tweeling Robin en Maurice, zijn al enige tijd overleden. Met de soundtrack voor de film Saturday Night Fever maakten ze in 1977 het best verkochte album aller tijden. Totdat Michael Jackson hen met Thriller van de troon stootte. Hun muziek leeft echter voort, zoals dat dan zo mooi heet.
Frank Marshall stoft de roerige geschiedenis van de drie gebroeders vakkundig af in The Bee Gees: How Can You Mend A Broken Heart (111 min.). Via interviews met Barry, oude vraaggesprekken met zijn broers, herinneringen van intimi en de verplichte loftuitingen van collega’s (zoals Eric Clapton, Noel Gallagher, Chris Martin en Justin Timberlake; hun bijdragen passen overigens zo in dit hilarische Twitterdraadje) tekent hij hun opkomst, ondergang én wederopstanding op.
Het verhaal moge bekend zijn: hoe de Gibb-broers in de sixties, als een soort Australische surrogaat-Beatles, eerst uiterst succesvol werden, vervolgens ernstig gebrouilleerd raakten en daarna, via het ontdekken van hun eigen falsetstem, de weg omhoog terugvonden in de hoogtijdagen van disco. Met kneiterhits als Stayin’ Alive, How Deep Is Your Love en Night Fever als gevolg – en een positie als pispaal voor alle discohaters.
Intussen raakte hun jongere broer Andy Gibb, die op eigen kracht een tieneridool was geworden, steeds verder in de problemen en begonnen de Bee Gees zich toe te leggen op het produceren van collega’s als Barbra Streisand, Diana Ross en Celine Dion. Totdat de tijd hen definitief inhaalde. Het is een tamelijk stereotiep popverhaal, dat nochtans met veel plezier wordt verteld en natuurlijk helemaal is volgestort met hits.
Voor mij, voor Hem, voor Haar. Ofwel: LiLaLo, het Jiddische theater dat de echtelieden Jacques en Jossy Halland in 1959 openden in Amsterdam. Het huiskamertheater zou tot 1982 een podium bieden aan typisch Jiddisch repertoire en mocht in die periode gasten uit binnen- en buitenland ontvangen, waaronder grootheden als Fellini en Picasso.
Het was de grote droom van de Hallands om hun liedjes en verhalen naar een groot publiek te brengen. In de documentaire Negen Koffers (57 min.) vertolkt Ellen ten Damme hun repertoire voor het eerst in Carré. Regisseur Marieke Rodenburg volgt de Nederlandse zangeres terwijl ze op de weg daarnaartoe het leven en werk van de zangeres en pianist ontdekt.
Ten Damme volgt het spoor van het echtpaar, dat elkaar in de Jiddische theaterwereld heeft leren kennen, naar Frankrijk. Ze arriveren daar voor aanvang van de Tweede Wereldoorlog, sluiten zich aan bij het verzet tegen de Duitsers en treden na de oorlog op met Franse grootheden als Juliette Greco en Fernandel. Intussen dromen ze van een eigen theater.
Met oude beelden van optredens van Jacques en Jossy Halland en gesprekken die zij hadden met interviewers als Berend Boudewijn en Ischa Meijer slaagt Rodenburg erin om de mensen achter de podiumpersoonlijkheden en hun gezamenlijke missie over het voetlicht te brengen. Samen met pianist Ringo Maurer eigent Ellen ten Damme zich intussen overtuigend hun oeuvre toe.
Negen Koffers doet daarmee enigszins denken aan de documentaire Claudia de Breij – Hier Zijn Wij, waarin documentairemaakster Suzanne Raes eerder dit jaar de Nederlandse kleinkunstenares en enkele getrouwen volgde toen ze zich verdiepten in het leven en de carrière van Heintje Davids, de Joodse rasartieste die maar geen afscheid kon nemen.
Waar Claudia de Breij nadrukkelijk de verbinding zocht met haar eigen leven en thema’s, lijkt Ellen ten Damme het Jiddische theater van Jacques en Jossy Halland vooral een interessante uitdaging te vinden, die mooi aansluit bij haar eerdere uitstapjes naar ‘Paris’, ‘Berlin’ en Casablanca. Maar of er ook een innerlijke noodzaak is om juist dit repertoire te omarmen?
Negen koffers weet nochtans doeltreffend het werk van de Hallands, de Jiddische cultuur en de charme daarvan in de spotlights te zetten.
Mijn column over Jossy en Jacques Halland, in de Varagids. ( uitzending 5 dec, 15.25u “9 Koffers”) pic.twitter.com/Joh9C3Cozp
‘Zonder de docu gezien te hebben: nee’, tweette Kirsten Verdel deze week. De opiniemaakster reageerde op een Twitter-vraag van het radio 1-programma De Nieuws BV. ‘De Beatles-documentaireserie Get Back is vanaf vandaag te zien. Regisseur Peter Jackson dook in de archieven en maakte er een film van 8 uur van. Is dat niet te lang?’
Dat is eigenlijk de attitude waarmee elke nieuwe release van/rond The Beatles – of Bob Dylan of David Bowie of (zelfs) Queen – wordt ontvangen. Daar kan geen serieuze beschouwing tegenop. Als elke scheet van John, Paul, George en Ringo interessant is – en daar lijkt het op, ik heb me daar hier al eens over uitgelaten – dan doet het er niet meer toe hoe die feitelijk ruikt.
Ik waag toch een poging. Even vooraf: ik ben geen Beatles-fan (en was dit, om dat onderwerp ook maar meteen te tackelen, ooit wél van The Stones), maar heb zowel de rode als de blauwe verzamelaar in huis staan en wil op geen enkele manier het belang van The Beatles voor de popgeschiedenis ondermijnen. Ik wil alleen wel frank en vrij over deze serie oordelen.
De voorgaande alinea’s schreef ik zonder dat ik ook maar een seconde van Get Back (468 min.) had gezien. En daarna ben ik gaan kijken, gewoon zoals ik altijd doe: het bestand openen, linksonder op dat driehoekje klikken en dan maar zien wat er gebeurt. Als het goed is, schuif ik ongemerkt naar het puntje van mijn stoel. En anders zak ik langzaam maar zeker onderuit.
Terzake: Peter Jackson start met een disclaimer. Hij wil ‘een accuraat portret van de gebeurtenissen en personen’ schetsen. Het lijkt een verwijzing naar de docu Let It Be die regisseur Michael Lindsay-Hogg in 1970 maakte van de live-opnamen voor de laatste Beatles-elpee. De band was daarover zo ontevreden dat het materiaal voor een halve eeuw in een kluis verdween.
Het beeld dat met die zestig uur beeldmateriaal en honderdvijftig uur audio-opnamen was gecreëerd – van een band die tijdens zijn allerlaatste verrichtingen al volop in ontbinding is, met Paul McCartney als verlichte despoot en John Lennons geliefde Yoko Ono als een soort vleesgeworden splijtzwam – zou zich echter vastzetten in het collectieve geheugen.
Aan Beatles-fan Jackson, een filmmaker die zowel de gigantische speelfilmtrilogie The Lord Of The Rings als de indrukwekkende WOI-docu They Shall Not Grow Old op zijn naam heeft staan, valt nu de eer ten deel om dat beeld te corrigeren. Hij neemt eerst in vogelvlucht de bandcarrière door en stoomt daarna door naar de sessies in de Londense Twickenham Studio’s.
Zijn die interessant? Tis maar hoe je het bekijkt: als je vindt dat elk woord dat de vier met elkaar wisselen, elke riedel die ze samen spelen en elke fase van hun songschrijfproces het documenteren, bewaren en aanzien waard is, dan zeker. Dan is Get Back niets minder dan essentiële geschiedschrijving. Klinkt goed, ziet er geweldig uit en laat ook nog de mensen achter de iconen zien.
Neem bijvoorbeeld het moment waarop George Harrison, met de gemompelde zin ‘I’m leaving the band’, bijna ongemerkt uit The Beatles vertrekt. ‘Als hij dinsdag nog niet terug is, regelen we Clapton’, zegt John Lennon, wanneer ze de dag erop zonder hem repeteren. De navolgende verzoeningspoging, die diverse dagen in beslag neemt, is al even fascinerend.
Ook fraai: de komst van keyboardspeler Billy Preston, als de band inmiddels is verkast naar hun knussere kantoor in Londen. Hij geeft het haperende creatieve proces nieuw elan. De serie bevat alleen ook véél ruis: kleine gesprekjes, groepsoverleg en veel grappen en grollen. Op zich aardig als sfeertekening, maar Jackson had hier echt scherper moeten selecteren.
Zonder het ontzag waarmee ook het koningshuis vaak wordt benaderd – en zijn The Beatles niet gewoon de koninklijke familie van de popmuziek? – is de conclusie zelfs onvermijdelijk: interessante inkijkjes in de groepsdynamiek, geniale muzikale oprispingen en scharnierpunten uit de bandhistorie, maar echt véél te lang. Verteltijd en vertelde tijd lijken bijna één op één te lopen.
Get Back wordt een beetje de docu-variant op wat in de popwereld gemeengoed is geworden. Van belangwekkende artistieke prestaties wordt ook het restmateriaal aan de wereld toevertrouwd: B-kantjes, covers en gesneuvelde tracks. Waarbij de oorspronkelijke magie, afhankelijk van je gezichtspunt, wordt gesmoord in overdaad of juist in context gezet.
Tijdens het bekijken van dit epische werk bekroop mij gaandeweg het gevoel dat ik, in de woorden van muziekjournalist Atze de Vrieze op Twitter, ‘in een boomerfuik gezwommen ben’. Waarin anderen dus het liefst hun halve leven zouden ronddrijven. Zelf zak ik echter langzaam maar zeker onderuit in mijn stoel, terwijl de verwikkelingen rond The Beatles behang dreigen te worden…
En dan gaat het viertal dat dak op voor wat een legendarisch laatste concert zal worden, dat hier voor het eerst integraal, met veel gebruik van split screen (zodat er veel is te kijken) en reacties van omstanders (die het optreden over het algemeen wel kunnen waarderen, al krijgt de politie ook klachten over geluidsoverlast) wordt vertoond.
De pijn verbijten, de tijd vergeten en nooit twijfelen of je krijgt wat je verlangt. Dat is kortweg, in de woorden van de Franse romanschrijver en rasavonturier Sylvain Tesson, de attitude van zijn reisgenoot in The Velvet Queen (originele titel Les Panthère Des Neiges, 92 min.). Natuurfotograaf Vincent Munier heeft Tesson meegenomen naar het Tibetaanse hoogland. In dat adembenemende decor, op duizenden meters hoogte en in ijzige kou, hopen ze samen een sneeuwluipaard te betrappen.
Tijdens hun wekenlange voettocht praat de fotograaf zijn metgezel fluisterend bij over de dieren die ze ontwaren: antilopen, blauwschapen, yaks, Tibetaanse vossen of blauwe beren. Samen verbazen ze zich over deze majestueuze wereld, waarin de mens niet meer is dan een voetboot. De heilige graal, zo’n ongrijpbaar luipaard, blijft vooralsnog echter buiten (camera)bereik. ‘Waar is mijn kameraad naar op zoek?’ vraagt Tesson, die als verteller fungeert, zich ondertussen af. ‘Rondsnuffelend tussen de rotsen met zijn verrekijker.’ Munier zegt dat hij vooral de schoonheid van de natuur wil vieren. Hij is er niet op uit om de onvolkomenheden daarvan bloot te leggen.
Die houding, vervat in een ontzag voor al wat leeft of geleefd heeft, geeft hun queeste – en daarmee ook deze film – een groots en filosofisch karakter. Waarbij de twee mannen steeds die ene zin in hun achterhoofd houden: Big Brother is watching you. Misschien zien wij het dier dat we zoeken niet, maar dat ziet ons wel degelijk. Illustratief daarvoor is de intrigerende foto van een valk die de Franse fotograaf tijdens een eerdere reis naar Tibet heeft gemaakt. Is dat werkelijk een sneeuwluipaard dat hem vanachter die rotspartij gadeslaat? Of is het toch een zinsbegoocheling?
Munier en Tesson gebruiken alles wat ze hebben om het mythische dier alsnog te vangen. Ze plaatsen bijvoorbeeld op strategische plekken kleine, gecamoufleerde cameraatjes, in de hoop zo een glimp van een sneeuwluipaard te kunnen opvangen. Dat streven naar een ogenschijnlijk vrijwel onbereikbaar doel drijft deze magnifieke documentaire van Marie Amiguet, waarin de vergezichten van Tesson en Munier, het weldadige decor en de prachtige soundtrack van Warren Ellis, gemaakt in samenwerking met Nick Cave, op een glorieuze manier versmelten. Via deze ontzagwekkende wereld laat The Velvet Queen de mens zien zoals hij werkelijk is: een nietig wezen, dat ongegeneerd begeesterd en ontroerd kan, mag én moet raken door al wat hem omgeeft.
Op voorhand waren er de berichten: Alanis Morissette distantieert zich van deze documentaire over het enorme succes van haar debuut als volwassen artiest, Jagged Little Pill (1995). Morissette voelt zich verraden door maakster Alison Klayman, verklaarde ze aan Variety. Die zou misbruik hebben gemaakt van een kwetsbare periode in haar leven, de postnatale depressie waarin ze belandde na de geboorte van haar derde kind. De film zou ook enkele pertinente onwaarheden bevatten.
Het is niet moeilijk om te bedenken met welke passages uit Jagged (99 min.) Morissette achteraf bezien moeite zou kunnen hebben. Ze hint bijvoorbeeld duidelijk naar seksueel misbruik in haar jaren als prille tiener, vóórdat ze Jagged Little Pill maakte. En verhaalt over die keer dat ze werd uitgenodigd door haar producer om enkele zangpartijen opnieuw in te zingen. In werkelijkheid wilde die het eens over haar gewicht hebben. Het was in zo’n omgeving, wil ze maar zeggen, slechts een kwestie voordat ze een eetstoornis ontwikkelde.
Waarom ze al die tijd heeft gewacht om zulke ontboezemingen te doen? Vrouwen wachten helemaal niet, zegt ze scherp. Er was gewoon een cultuur van niet (willen) luisteren. En dat is het dan wel zo’n beetje. Verder is Jagged ‘gewoon’ een popdocu over een artiest die boven zichzelf uitstijgt en een onwaarschijnlijk succesverhaal wordt. Verteld door de hoofdpersoon zelf, enkele getrouwen (producer en mede-songschrijver Glen Ballard, drummer Taylor Hawkins en haar vriendinnen Steph Gibson en Johanna Stein) en enkele ‘kenners’ (waarvan je je kunt afvragen wat ze nu werkelijk toevoegen).
Het uitgangspunt is intrigerend: tienerster wordt gedumpt door haar platenmaatschappij (en door een nog altijd onbekend vriendje, aan wie ze de vlijmscherpe wereldhit You Oughta Know zal wijden) en neemt op de best mogelijke manier wraak: met een collectie onweerstaanbare hart-op-de-tong liedjes, die zich halverwege de jaren negentig ontwikkelen tot de lijfliederen van een nieuwe generatie (vrouwen). Die songs – waarvan de teksten typografisch worden afgebeeld – hebben in de tussentijd nauwelijks aan kracht ingeboet. En ook Morissettes performances met haar band – waarvan sommige leden zich overigens, ondanks haar, gewoon als rockbeesten gedroegen – staan 25 jaar na dato nog altijd fier overeind.
Leuk, dat zeker. En voor generatiegenoten van de Canadese zangeres zonder enige twijfel ook een feest van herkenning. Méér wordt Jagged evenwel nooit: een alleraardigste terugblik op de formatieve jaren van een toonaangevende artiest, die de wereld van de popmuziek definitief zou hebben opengebroken voor vrouwen. Géén diep persoonlijk verhaal van een vrouw die al haar halve leven in therapie zegt te zitten en nu in het openbaar het achterste van haar tong laat zien.
John Cale, Jeff Buckley en zelfs Shrek moesten eraan te pas komen, maar toen werd Leonard Cohens Hallelujah dan toch echt een absolute evergreen, die via televisieprogramma’s als The Voice, X Factor en – pak ‘m beet – Matthijs Gaat Door definitief zijn weg naar het grote publiek zou vinden. Het zorgde voor ‘een mild gevoel van wraak’ bij de Canadese zanger-songschrijver. Zijn eigen platenmaatschappij Columbia Records had de bijbehorende langspeler Various Positions, kant en klaar en dus allang betaald, in 1984 niet willen uitbrengen. Columbia’s baas Walter Yetnikoff vond het een waardeloze plaat en wilde er geen cent meer aan uitgeven.
Via een glorieuze omweg zou de wereld Hallejujah dus alsnog ontdekken. Het betekende ook eerherstel voor producer/arranger John Lissauer. Zijn bemoeienis met Various Positions leek enige tijd de nekslag voor zijn florerende opnamecarrière. Hij is één van de ‘helden’ van Hallelujah: Leonard Cohen, A Journey, A Song (118 min.) – in zoverre een documentaire over zo’n uitgesproken persoonlijkheid als Cohen nog andere helden toelaat. Als dat zo is, dan verdient natuurlijk ook Jeff Buckley een eervolle vermelding. De begenadigde zanger, zoon van singer-songwriter Tim Buckley, leek de ideale vertolker van het Hallelujah-gevoel. Totdat hij in 1997 op slechts dertigjarige leeftijd een fatale duik in de Mississippi-rivier nam.
Deze film van Dan Geller en Dayna Goldfein start bij Cohens laatste uitvoering van Hallelujah op 21 december 2013, reconstrueert daarna met insiders als journalist Larry ‘Ratso’ Sloman, zangeres Judy Collins, ’s mans rabbi Mordecai Finley, samenwerkingspartner Sharon Robinson en ex-vriendin Dominique Isserman de loopbaan van de zwaarmoedige bard en werkt zo toe naar de conceptie en wedergeboorte van het lied, waaraan hij jaaaaaren werkte, dat wel 180 verschillende coupletten zou hebben gehad en waarvan sommige zinnen maar liefst 250 keer zouden zijn herschreven. Maar dan, zo wil de mythe, heb je ook wat.
Al heeft Bob Dylan zijn vrind Leonard naar verluidt wel eens ingewreven dat hij zijn eigen songs soms binnen een kwartier schrijft, gewoon achter in een taxi. Grootspraak meent de Ierse zanger Glen Hansard, die samen met vakbroeders zoals Brandi Carlile, Eric Church en Rufus Wainwright enthousiast de zegeningen van Cohens songschrijverschap telt in deze krachtige documentaire. Die vindt een slimme middenweg tussen een portret van de zanger/poëet en het verhaal van zijn signatuursong, waarin ‘s mans ‘holiness’ en ‘horniness’ perfect samenkomen. Één van de beste muziekfilms van het jaar.
In de documentaire Judges Under Pressure zit, voor de liefhebber, ook nog een heerlijke versie van Hallelujah. De woorden Andrzej en Duda, die samen de naam van de Poolse president vormen, blijken perfect in de melodie van Hallelujah te passen. En dan is er snel een zangeres gevonden…
Zijn eigen zaak moet nog voor de rechter komen. Daarom heeft Tom Viviano, een Amerikaan van halverwege de zestig, zijn verhaal nog niet in een filmscène kunnen verwerken. ‘Maar ik kan acteren voor de anderen. Ik vind het een eer en een voorrecht om dit te mogen doen.’
Viviano heeft niet de gemakkelijkste rol toebedeeld gekregen. Hij kijkt naar zijn priestergewaad, het uniform van de dader in alle afzonderlijke verhalen die ze gaan verfilmen. ‘Het was niet gemakkelijk om dit aan te trekken, om er zo bij te zitten’, zegt hij geëmotioneerd. ‘Maar op deze manier kan ik bijdragen.’ Even later speelt de gezette Amerikaan een angstaanjagende priester, een representatie van de man die zijn lotgenoot Joe Eldred sinds z’n jeugd bezoekt in nachtmerries. Eldred kijkt toe hoe een traumatische gebeurtenis uit zijn leven wordt nagespeeld en mag bijsturen of ingrijpen als hij dat nodig vindt.
In de documentaires Actress, Kate Plays Christine en Bisbee ‘17 werkte regisseur Robert Greene al eerder met gedramatiseerde scènes. Nadat hij in 2018 een persconferentie zag van zes slachtoffers van seksueel misbruik door katholieke priesters besloot hij hun advocate Rebecca Randles te benaderen, met het voorstel om samen met hen een film te maken. Procession (118 min.) is de aangrijpende weerslag van een intensief proces, dat uiteindelijk drie jaar in beslag zou nemen. In die periode zijn de mannen, onder begeleiding van een dramatherapeute, stuk voor stuk de confrontatie met hun verleden aangegaan.
Via het bezoeken van cruciale plekken in Missouri, de staat waar het misbruik plaatsvond en stelselmatig werd afgedekt, en het ter plaatse (laten) uitspelen van pijnlijke ervaringen proberen ze hun angsten te overwinnen. Als vanzelf ontstaat er zo ook een broederschap tussen de mannen, die elkaar helpen om het contact met hun vroegere zelf te herstellen. Binnen dat kwetsbare proces is een bijzondere rol weggelegd voor de jonge lokale acteur Terrick Trobough. Hij wordt gecast om het kind in hen te vertolken, dat steeds weer, voor het oog van God, zijn onschuld verliest.
Met een combinatie van gedetailleerd uitgewerkte herbelevingsscènes en de gesprekken en activiteiten die daaromheen plaatsvinden dringt Procession door tot de schaamte, het verdriet en de woede die deze mannen al decennia in zich dragen. Die worden nog eens versterkt doordat zeker niet alle daders, van de in totaal ruim 230 verdachte priesters uit de omgeving van Kansas City, ook daadwerkelijk ter verantwoording zijn geroepen voor hun daden. Hun slachtoffers moeten de vrede dus eerst en vooral in zichzelf vinden.
Voor een artikel voor Vrij Nederland over de autolobby en Neerlands overvolle wegennetwerk zou hij halverwege de jaren zeventig de fotografie verzorgen. Enkele dagen voor de deadline overlegde Eddy de Jongh een enorme stapel foto’s op de redactie van het weekblad. ‘Er stonden bijna geen auto’s op’, herinnert een collega zich nog altijd verbaasd. ‘Doodstille straten’, vertelt een ander. Eddy haalde hulpeloos zijn schouders op: ‘Ja, ze waren er niet.’ Nog jaren later kreeg de schrijver van het artikel, Gerard Mulder, volgens eigen zeggen af en toe telefoontjes van de fotograaf. ‘Die zei dan met een soort grafstem: kijk op de klok. Ik zei: ja, het is vijf uur. Dan zei ie: en geen files! Ik zeg het je maar even: geen files!’
Zulke verhalen waren er in overvloed over Eddy de Jongh (1920-2002), die tevens jarenlang voor het NOS Journaal werkte. Was het onhandigheid of opzet, onderdeel van een soort zelfvernietiging? Zoon David gaat in de documentaire Foto-Eddy – Negatieven Van Mijn Vader (83 min.) uit 2013 met collega’s, andere kinderen en ex-vrouwen (vijf in getal, David is uit huwelijk vier) op onderzoek uit in het turbulente leven van zijn vader. De naam Foto-Eddy kreeg hij omdat er nog een andere Eddy in de familie was, een neef die internationale faam zou verwerven als kunsthistoricus. Ofwel: Kunst-Eddy. Ze waren de enige twee van hun familie, niet-gelovige Joden, die de Tweede Wereldoorlog overleefden.
Dat leek heel lang geen thema in het leven van Eddy de Jongh. Althans, er werd niet over gesproken. Er waren ook genoeg andere gespreksonderwerpen: drank, schulden en vrouwen bijvoorbeeld. Altijd weer vrouwen. ‘Bij elk opwaaiend zomerjurkje gingen de hormonen alweer de Bolero dansen’, zegt een vriendin. ‘Een rokkenjager eerste klas’, noemt een collega hem. ‘Verliefd zijn is een ziekte’, constateert Eddy zelf in één van de interviews, vastgelegd op ouderwetse audiocassettes, die David ooit met hem deed. ‘Maar een heerlijke ziekte.’ Nadat hij zich een delirium had gedronken en daarna even was opgenomen in een psychiatrische kliniek beschreef Eddy ’t aan Davids moeder Toos ooit als volgt: ‘Het neuken staat mij nader dan het lachen.’
Zo’n vent – een flierefluiter waar je nooit helemaal nooit vat op kreeg, een kerel die de oorlog de leukste tijd van zijn leven noemde en een man waarop je met geen mogelijkheid boos kon worden en die zijn laatste echtgenote tóch tot razernij dreef – is natuurlijk een tot de verbeelding sprekend filmpersonage. David de Jongh smeedt Eddys lotgevallen bovendien hoogstpersoonlijk aaneen met een nuchtere voice-over, onderkoelde humor en swingende jazzmuziek (die de man zelf ook wel had kunnen waarderen). Behalve een fijn postuum portret van zijn vader is Foto-Eddy ook een boeiend document geworden over de tijd dat Vrij Nederland nog de dienst uitmaakte in de door allerlei kleurrijke figuren bevolkte journalistiek.
En te langen leste bleken die autoloze wegen zowaar ook nog hun eigen verhaal te hebben…
Wat doe je als niet duidelijk is bij wie kostbare, in bruikleen verkregen spullen moeten worden terugbezorgd? Voor dat dilemma ziet Wim Hupperetz, directeur van het Allard Pierson Museum in Amsterdam, zich gesteld. Via de vooraanstaande archeologe Valentina Mordvintseva heeft hij kunstvoorwerpen uit de Krim betrokken voor een expositie. En dan, als die net is geopend, lijft Poetins Rusland begin 2014 ineens de Krim in…
Van wie zijn de kunstwerken nu? Van Oekraïne, dat de Russische annexatie onrechtmatig vindt, en de objecten als cultureel erfgoed beschouwt? Of toch van de Krim-musea, inmiddels gevestigd op Russisch grondgebied, die hun mooiste schatten enige tijd eerder ter beschikking hebben gesteld aan het Nederlandse museum? Het is een interessante startpositie voor de nieuwe ‘kunstthriller’ van Oeke Hoogendijk.
De Schatten Van De Krim (82 min.) is daarmee in zekere zin een logisch vervolg op haar eerdere films Het Nieuwe Rijksmuseum en Mijn Rembrandt – al lijken de belangen groter en is de context ook grimmiger. De strijd om de eeuwenoude kunstobjecten verwordt tot een jarenlang (geo)politiek en juridisch steekspel tussen de twee landen, waarbij Hoogendijk de menselijke dimensies gelukkig nooit uit het oog verliest.
Ze richt zich zowel op de betrokken advocatenteams als op de twee vrouwen, die de verpersoonlijking van de strijdende partijen zijn geworden: archeologe Valentina Mordvintseva van de Krim-musea en haar Oekraïense tegenstrever, Ljudmila Strokova van het Museum van Historische Schatten uit Kiev. In de rechtszaal keuren de dames elkaar geen blik waardig, in interviews delen ze gedurig schimpscheuten uit naar de ander.
Terwijl de belangen en daarmee verbonden partijen in deze boeiende film blijven botsen, staan de begeerde kunstobjecten te verstoffen in het depot van het Allard Pierson. Waar ze van niemand zijn en ook niemand ze kan bewonderen. In De Krim, laat Oeke Hoogendijk treffend zien, hebben ze ondertussen een gapend gat achtergelaten. Ook in het hart van de plaatselijke bevolking.
Een beeld zegt misschien meer dan duizend woorden, maar dan moet je wel weten waarnaar je kijkt. De drie minuten film die de Joodse Amerikaan David Kurtz maakte tijdens een trip door Europa in 1938 werden in elk geval níet geschoten in het geboortedorp van Kurtz’s vrouw, zo ontdekte hun kleinzoon Glenn. Hij trof de beelden in 2009 bij toeval aan in een oude kast in een familiehuis te Florida.
Toen Glenn Kurtz na maanden zoeken eindelijk een overlevende had opgespoord, hielp die hem binnen enkele ogenblikken uit de droom: nee, al die onbekommerde Joodse mensen, zich ogenschijnlijk nauwelijks bewust van wat hen boven het hoofd hing, kwamen niet uit zijn geboortedorp nabij de grens van Polen en Oekraïne. Teleurstelling. Dan moesten het wel beelden zijn van het stadje Nasielsk, ten noorden van Warschau, de plek waar zijn grootvader is geboren.
De zoektocht van Glenn Kurtz, eerder vervat in zijn boek Three Minutes In Poland (2014), vormt het uitgangspunt voor het intrigerende essay Three Minutes – A Lengthening (69 min.), waarin Bianca Stigter die drie minuten tot in detail ontleedt. In- en uitzoomen. Voor- en achteruit kijken. Speculeren over wat je denkt te zien of daarbij juist de hulp inroepen van een deskundige of getuige (zoals Maurice Chandler, ofwel Moszek Tuchendler, die als jongetje is te zien in de film).
Op zoek naar aanwijzingen voor wie of wat er in beeld is en welke informatie daaruit valt te destilleren, duikt Stigter in de Joodse gemeenschap Nasielsk. De Britse actrice Helena Bonham-Carter fungeert daarbij als verteller, die namens haar alle hoeken en gaten van het materiaal verkent. Van heel praktisch – wie, wat, waar? – tot meer filosofisch. Over de kleur rood bijvoorbeeld. In sommige talen is er voor rood en bloed maar één woord. Rood, de kleur ook die het laatst vervaagt.
De Nederlandse filmmaakster gebruikt verder geen ‘talking heads’. Ze verlaat zich volledig op die dikke drie minuten amateurfilm. Meer is er van de bewoners van het Joodse stadje ook niet bewaard gebleven. Ook niet van de plek waarnaar ze binnen afzienbare tijd vrijwel allemaal zouden verdwijnen, het vernietigingskamp Treblinka. Met die wetenschap krijgen de op zichzelf onschuldige beelden, van mensen die nieuwsgierig naar de camera kijken, onvermijdelijk een loodzware lading.
‘Mijn tante was ongeveer even oud als sommige overlevenden’, zegt Glenn Kurtz. ‘Zij groeide op in Brooklyn. De wereld waarin zij opgroeide is óók verdwenen. En toch, als je naar beelden van Brooklyn uit 1938 kijkt, is dat totaal anders dan bij materiaal uit Nasielsk uit 1938. Vanwege het gevaar dat deze mensen bedreigde en het gegeven dat de wereld waarin zij leefden snel daarna met geweld zou worden vernietigd. In plaats van langzaam, als gevolg van het verstrijken van de tijd.’
Hij maakt haar voortdurend deelgenoot van wat hij meemaakt, wat zich voor zijn camera aandient ook en hoe hij zich daar dan zelf weer toe verhoudt. In gedachten is Jon Bang Carlsen permanent bij zijn echtgenote Madeleine. Zij is enkele jaren geleden overleden. Carlsen wil en kan zich echter niet losmaken van de vrouw, met wie hij 35 jaar van zijn leven heeft gedeeld.
Terwijl hij in de Verenigde Staten werkt aan een nieuw project, wordt de Deense filmmaker constant overvallen door gevoelens en gedachten aan haar. Die vervat hij in een stream of consciousness-achtige brief, die als hart van The Banality Of Grief (70 min.) fungeert. Soms kwetsbaar en gevoelig, dan weer scherp en vol zelfspot. Vaak filosofisch ook, in een poging om de alomvattendheid van zijn verdriet en wat dit bij hem aanricht vast te grijpen en alsnog met haar te delen.
Het presidentschap van Donald Trump functioneert als metaforisch decor voor zijn somtijds deplorabele staat. Dat contrasteert met de opkomst van diens voorganger, de eerste zwarte president van de Verenigde Staten Obama, en het gevoel van hoop en geluk dat Carlsen met die periode associeert. Overmand door herinneringen aan zijn leven met Madeleine zwerft hij tevens door zijn eigen verleden als filmmaker, dat wordt geïllustreerd met treffende fragmenten.
The Banality Of Grief is een zeer particulier verhaal – en daardoor ook universeel. Rouw manifesteert zich in minutieuze details, die voor iedereen anders en toch herkenbaar zijn. Deze film is, zoals de maker het zelf omschrijft, een kleine stamelende liefdesbrief aan een vrouw waarvan het adres nog onbekend is. Jon Bang Carlsen is alleen wel een overdadige verteller. Hij vertoont zich weliswaar slechts zelden voor ‘het dodemansoog’ – de benaming die Madeleine gaf aan de cameralens, waardoor zijzelf zich ook zelden liet betrappen – maar laat de woorden intussen rijkelijk vloeien.
Hij voorkomt daarmee dat deze heel persoonlijke documentaire een gemakkelijke tearjerker wordt, maar maakt het tegelijkertijd ook lastiger voor buitenstaanders om zich écht te identificeren met zijn gevoel van verlies.
‘Eerst wilde ik er niet aan: het was te pijnlijk’, vertelt de Afro-Amerikaanse schrijfster Toni Morrison (1931-2019) aan het begin van deze documentaire over Beloved (Beminde), het boek over de gruwelen van slavernij waarvoor ze in 1988 een Pulitzer Prize kreeg. ‘Als zij er hun hele leven mee moesten leven, dan kon ik er wel enkele jaren aan besteden om een boek te schrijven’.
In Toni Morrison, Black Matter(s) (52 min.) belicht regisseur Claire Laborey met enkele kenners het werk van de schrijfster die tevens als eerste zwarte vrouw de Nobelprijs voor de Literatuur won en die in 2012 van de zwarte Amerikaanse president Barack Obama de Presidential Medal Of Freedom kreeg. Morrison zelf komt natuurlijk ook veelvuldig aan het woord via interviews en fragmenten uit haar geschriften, ingesproken door actrice Fanny Gautier.
Deze verzorgde film, die verder een treffende mixture van foto’s, filmbeelden en animaties rond de beladen geschiedenis van Zwart Amerika bevat, richt zich overigens niet zozeer op Morrisons leven en carrière, maar op de inhoud en betekenis van haar werk en hoe ze daarmee het Amerikaanse verhaal heeft proberen te herschrijven. Met haar uitgesproken visie heeft de schrijvende denker bovendien aansluiting gevonden bij actuele maatschappelijke ontwikkelingen, zoals de Black Lives Matter-beweging.
En Toni Morrison, Black Matter(s) kan worden geboekstaafd als een gedegen weerslag van de erfenis van deze trotse, intelligente en welbespraakte vrouw, die tot op hoge leeftijd een krachtig zwart zelfbewustzijn heeft uitgedragen.
Wat zou je schrijven aan een man die het regime trotseerde waaronder je nu zelf gebukt gaat? Voor deze korte film nodigden Petr Lom en Corinne van Egeraat intimi van een Birmese kunstenaar en activist uit om hem een brief te schrijven. Ze doen dat uiteindelijk anoniem in Letter To San Zaw Htway (25 min.). Sinds de nieuwste militaire coup, van begin 2021, staat de vrijheid van meningsuiting wederom ernstig onder druk in hun land Myanmar.
San Zaw Htway ervoer aan den lijve hoe ’t eraan toe kan gaan als militairen de macht overnemen. In 1996 werd hij tot 36 jaar gevangenisstraf veroordeeld. Hij kwam pas twaalf jaar later vrij. ‘Meditatie en kunst zorgden ervoor dat je niet gek werd in de gevangenis’, schrijft een vrouw hem nu. ‘Jij weigerde om je te laten vergiftigen door haat.’ Intussen tonen de documentairemakers hoe hun hoofdpersoon, ontspannen en dus ongebroken, met vrienden een geïmproviseerde bal hooghoudt.
Zo zoeken Lom en Van Egeraat steeds de verbinding tussen de woorden van hun gezichtsloze brievenschrijvers en beelden van hun protagonist – werkend aan zijn kunst, rondreizend of al lopende mediterend – of de actuele situatie in hun gezamenlijke land. Soms komen die ook mooi samen: nadat hun hoofdpersoon zich tijdens een parade bijvoorbeeld uitgelaten heeft laten natspuiten door het publiek, volgt direct een shot van de politie die de brandslang richt op een menigte demonstranten.
Het verzet tegen de machtsovername is ook ditmaal weer strijdbaar en hoopvol begonnen. ‘Stop met het werken voor de dictators’, roept een demonstrant richting de oproerpolitie. ‘Wij betalen jullie salarissen wel.’ Mensen vegen intussen demonstratief hun voeten af op de beeltenis van de militaire leider. En overal zijn protestborden; van ‘Fuck the military coup’ tot ‘I don’t need boyfriend, I just need democracy’. Met harde hand trekken de machthebbers het initiatief daarna toch weer naar zich toe.
Wat kunnen de erfgenamen van San Zaw Htway leren van hoe hij zich na jaren van gevangenschap vernieuwde en toch zijn originaliteit en levenslust behield? ‘Je hield ons altijd voor om nooit met woede te reageren’, schrijft een vertwijfelde jonge man. ‘Hoe kunnen we dat nu doen?’ Terwijl hun democratische rechten worden vertrapt, vinden burgers zoals hij misschien geen concreet antwoord in het leven en werk van San Zaw Htway. Getuige deze kleine film over een groot thema kunnen ze er zeker inspiratie aan ontlenen.
Nu de politieke situatie in Myanmar opnieuw onrustig is, nodigden documentairemakers Petr Lom en Corinne van Egeraat de naasten van kunstenaar en activist San Zaw Htway uit om hem een brief te schrijven. Kijk de docu 'Letters to San Zaw Htway' nu online: https://t.co/AIkzdMQlSUpic.twitter.com/47dYXpITAr
Niets zo erg voor een ambachtsman als wanneer zijn instrumentarium hem in de steek dreigt te laten. Een fotograaf heeft behalve een werkend toestel bijvoorbeeld ook twee goed functionerende ogen nodig. Het ene om scherp te stellen, het andere om de situatie in zich op te nemen. Zoals kunstenaar Paul Klee het verwoordt in de opening van dit portret van fotograaf Koos Breukel: ‘Het ene oog ziet, het andere voelt.’
In 1992 raakte Breukel, op weg naar een fotoshoot met zakenvrouw Sylvia Tóth, betrokken bij een ernstig auto-ongeluk. Sindsdien heeft hij in zijn rechteroog ‘mouches volantes’, stippen in zijn gezichtsveld. Er moest een staaroperatie aan te pas komen om hem weer scherp te kunnen laten zien, vertelt de fotograaf in Het Oog Dat Voelt: De Portretten Van Koos Breukel (52 min.).
Zijn werk zou er persoonlijker door worden. Hij portretteerde bijvoorbeeld slachtoffers van de vliegramp bij Faro, die kort na zijn eigen ongeluk plaatsvond. De Amerikaanse performer Michael Matthews die overleed aan AIDS. En zijn eigen zoon Casper, aan wie inmiddels een complete expositie is gewijd. Via zijn fotografie, anekdotes daarover en scènes van de vakman in actie probeert regisseur Lex Reitsma vat te krijgen op Breukel.
Het Oog Dat Voelt concentreert zich volledig op het werk van de portretfotograaf. Over hoe hij een stoel gebruikt om de essentie van de mensen voor zijn lens te vangen, zijn grote inspiratiebronnen, de zielsverwantschap met z’n Belgische collega Stephan Vanfleteren en ‘s mans enige concept: dat alles eigenlijk per ongeluk gebeurt.
In deze verstilde en fraai ogende film gebeurt verder verrassend weinig. Via zijn protagonist kijkt Reitsma zorgvuldig, zonder dat dit verder heel enerverend wordt, naar de wereld en laat zien wat Koos Breukels ogen zien en voelen.
Een carrière van bijna zestig jaar eindigde op 16 november 2019 in Rotterdam Ahoy. Met Radar Love als slotakkoord, natuurlijk. Alleen wist niemand dat dit het allerlaatste optreden van Golden Earring was geweest. Ook de Haagse band zelf niet. Bijna vijftien maanden later moest de succesvolste Nederlandse rockgroep noodgedwongen de handdoek in de ring gooien. Gitarist George Kooymans bleek de ongeneeslijke spierziekte ALS te hebben. En zonder hem kon en mocht er geen Earring meer zijn.
Dat tragische vaarwel komt natuurlijk wel aan de orde in That Day: Afscheid Van Golden Earring (108 min.), maar is uiteindelijk niet meer dan een aanleiding om chronologisch de imposante carrière van de band te doorlopen. Het tweeluik van regisseur Marcel de Vré heeft daarbij een uitgesproken handicap: de bandleden zelf schitteren door afwezigheid. Hun perspectief op de ontwikkeling van de groep en het gedwongen einde daarvan ontbreekt dus.
De Vré moet het doen met archiefmateriaal van de Earring en beelden van dat laatste concert in Ahoy. Voor de bijbehorende verhalen zoekt hij zijn toevlucht tot oud-bandleden zoals Frans Krassenburg, Fred van der Hilst en Jaap Eggermont, vaste gastmuzikanten Bertus Borgers en Robert Jan Stips, platenbaas Willem van Kooten en allerlei bekende en minder bekende medewerkers van de band. Hun bijdragen zijn veelal anekdotisch en bevatten natuurlijk ook de verplichte gemeenplaatsen over het belang van de band.
Er is tenslotte, zo wordt telkenmale benadrukt, maar één Golden Earring. Zo’n essentiële band verdient dan eerlijk gezegd wel een grondiger portret, waarin ook de interne machinerie en beleving volledig tot hun recht komen. Tot die tijd is er deze echte (ouwe) jongensfilm – waarin letterlijk niet één vrouw aan het woord komt – die als doekje voor het bloeden kan dienen voor de rouwende liefhebber die na maar liefst zestig jaar (!) afscheid heeft moeten nemen van ‘zijn‘ band.
Het turbulente leven van Golden Earring wordt in That Day gereconstrueerd aan de hand van de persoonlijke getuigenissen van direct betrokkenen uit heden en verleden. Zie hier een deleted scene met drummer Sieb Warner (1969-1970). Kijk 8 en 9 november, om 20:25 op @NPO2. pic.twitter.com/GBORNenrq5