Selena Y Los Dinos

Netflix

Hoewel Spaans zijn eerste taal is, kent de Mexicaans-Amerikaanse zanger Abraham Quintanilla vrijwel alleen Engelstalige liedjes. Dat moet anders bij zijn kinderen, voor wie hij een soort Mexicaanse variant op The Jackson 5 in gedachten heeft: Los Dinos. Het stralende middelpunt daarvan, jongste dochter Selena, zal uitgroeien tot een absolute vedette. In 1997 wordt haar leven zelfs verwerkt tot een speelfilm, met die andere latino-superster Jennifer Lopez in de hoofdrol.

Samen met zijn echtgenote Marcella, hun andere kinderen en enkele medewerkers doet pater familias Abraham in deze documentaire nu het verhaal van Selena Y Los Dinos (117 min.), die in de jaren tachtig met hun Tejano-muziek – een mix van Mexicaanse cumbia’s en polka’s, vermengd met Amerikaanse pop, rock en country – doorbreken in de Verenigde Staten. In hun moederland Mexico kunnen ze in eerste instantie geen potten breken. Ook dat is echter een kwestie van een tijd.

De tintelfrisse Selena, vervat in fraaie jeugd-, backstage- en concertbeelden, blijkt een natuurtalent. Voor het prijsnummer Cré Creías laat ze bijvoorbeeld een man op het podium komen, liefst de plaatselijke playboy. Die mag dan het ex-vriendje spelen, voor wie ze het lied heeft bedoeld. Willekeurige mannen zingt Selena, uitdagend en nét iets te dichtbij, dan het schaamrood op de kaken. Een sterke latino-vrouw, die ogenschijnlijk elke vent aan kan – al houdt ze ‘t al snel bij haar gitarist Chris Pérez.

In eerste instantie ziet haar dominante vader niets in die relatie. Maar ook hem kan Selina aan. Als ze in 1993 een Grammy Award heeft gewonnen en zich opmaakt om ook de Engelstalige markt te gaan veroveren, slaat het noodlot echter toe en verschiet deze gedegen film van Isabel Castro ineens van kleur. Een beetje zoals ‘t echt is gegaan: zonder aankondiging of logische verklaring. De Zwarte Vrijdag van de Tejano-wereld wordt zonder uitleg afgewikkeld. Het is wat is. Een leven om te betreuren.

Deze documentaire is te vergelijken met het aan haar gewijde museum dat Selena’s familie sindsdien runt in hun uitvalsbasis Corpus Christi, Texas: een eerbetoon aan een jonge vrouw die nog zoveel had kunnen worden, maar die in nog geen 25 jaar toch ook al heel wat werd. Een latino-legende, om te beginnen.

Nora Speelt Nora

NTR

Ergens is er een kink in de kabel gekomen. Maar hoe en waar? Nora Fischer, de jonge Nederlandse zangeres die in binnen- en buitenland werd binnengehaald als een onwaarschijnlijk vocaal talent, is al enkele jaren de controle over haar stem kwijt. Ze heeft al haar verplichtingen gecanceld.

‘Ik kan ‘t gewoon niet uitleggen’, zegt ze tegen filmmaakster Lieza Röben, terwijl ze buiten de was staat op te hangen. Misschien is ze zichzelf gaan afmeten aan de kwaliteit van haar stem, de lof die ze daarmee oogst? En als het dan een keer niet lukt, speculeert Fischer verder in de documentaire Nora Speelt Nora (57 min.), bevestigt dit meteen dat ze ‘niet-lovable’ is.

Ooit was zingen volstrekt vanzelfsprekend. Op jeugdfilmpjes is te zien hoe Nora samen met haar oudere zus Paula onbekommerd het leven aanging. Toch waren er ook verwachtingen. Van hun ouders, de befaamde Hongaarse dirigent en componist Iván Fischer en de Nederlandse blokfluitiste Anneke Boeke. En: omdat zij hun dochters waren. Adel verplicht immers.

Nora Fischer viel ten prooi aan een ‘innerlijke oordeeloorlog’, waarbij ze ging invullen wat de mensen in haar directe omgeving over haar dachten, zonder dat ook bij hen te verifiëren. Voor de camera wil ze daarmee nu korte metten maken. Ze gaat zowaar zingen in een amateurkoor, brengt haar stem in bij een soort familieopstelling en begint te werken aan een persoonlijke theatervoorstelling.

Terwijl Fischer samen met een vriendin, theatermaakster Nina de la Parra, toewerkt naar de première daarvan, houdt ze Röben via audioberichtjes op de hoogte van wat er in haar omgaat. Die geven deze film een heel intiem karakter. Dapper daalt ze af in haar leven, verleden en psyche – en wat haar zou kunnen belemmeren om fris van de lever te zingen. Waar komt die faalangst vandaan?

Op een gegeven moment was ze zelfs, God betere ‘t, bang voor een hoge E. ‘Die E was het begin van het einde’, constateert Fischer nu. Haar gevoelsleven is tevens verbeeld met enkele theatrale scènes, waarvoor Boukje Schweigman de choreografie heeft gedaan: criticasters die Nora vanuit de zaal besluipen, prikkende ogen in haar rug en handen die haar langzaam de adem benemen.

‘Ooit vond ik het gewoon leuk om te zingen’, zegt Nora Fischer verbeten in haar solovoorstelling De Sprong. ‘En was ‘t zo simpel als dat.’

Ace Of Base: All That She Wants

SkyShowtime

In Zweden zit begin jaren negentig helemaal niemand op Ace Of Base te wachten en wordt de popgroep uit Göteborg geregeld afgezeken in de muziekpers. In het buitenland wordt het viertal – twee jongens, twee meisjes – juist onthaald als de nieuwe ABBA. Ulf, zijn vriend Jonas en diens zussen Jenny en Malin zullen in totaal vijftig miljoen platen verkopen en kneiterhits als All That She Wants, The Sign en Beautiful Life scoren.

Binnen de groep begint het echter al snel te broeien: nadat er keihard is gewerkt, zo hard dat ‘t ongezond wordt, trekken de songschrijvende jongens erop uit in hun privéjachten. De zingende zussen Berggren, die zijn ingezet als het uithangbord van Ace Of Base en dus voortdurend in de spotlights staan, hebben echter aanzienlijk minder verdiend. En dat begint steeds meer te steken. Zij willen ook liedjes gaan inbrengen.

Ruim dertig jaar later is meteen duidelijk dat de onderlinge verhoudingen nog altijd niet zijn hersteld. Ulf Ekberg heeft zijn voormalige partner in crime Jonas Berggren al enkele jaren niet meer gezien. Diens zus Jenny spreekt ie hooguit eenmaal per jaar. En Malin is helemaal uit beeld verdwenen. Ook in de driedelige serie Ace Of Base: All That She Wants (123 min.) zal de blonde frontvrouw schitteren door afwezigheid. Bijna dan.

Regisseur Jens von Reis moet zich voor zijn reconstructie van de Ace Of Base-tijd verlaten op Ulf Ekberg en Jenny Berggren, die later een solocarrière is begonnen. Hij stut hun herinneringen, verbeeld met (niet eerder vertoond) archiefmateriaal, met quotes van allerlei profi’s uit de muziekbusiness, waaronder tijdgenoot Wyclef Jean (Fugees) en de Joop van den Ende van de Amerikaanse popmuziek, platenhoncho Clive Davis.

Zo ontstaat een redelijk standaardverhaal over de opkomst en ondergang van een popgroep – ‘een schoolvoorbeeld van hoe je een band kapotmaakt’, aldus Ulf – dat nochtans enkele opvallende pijnpunten oplevert: ’s mans eigen dubieuze achtergrond, een mesaanval door een verwarde fan en een zangeres, Malin ‘Linn’ Berggren, die op eigen verzoek van het toneel verdwijnt – wat jarenlang slim wordt gemaskeerd.

Echt diep gaat Von Reis daar niet op in. Hij houdt zich vast aan zijn centrale verhaallijn: een groep die met enkele catchy niemendalletjes wereldhits scoort en dan langzaam desintegreert. Totdat elk nieuw album en elke nieuwe single niet meer dan een verplicht nummer zijn geworden. Zo koerst deze vlotte miniserie af op een lekker ongemakkelijke finale, waarin Ace Of Base nog een allerlaatste gouden plaat krijgt overhandigd.

Ademnood: Het Echte Verhaal Van Linda, Roos En Jessica

HBO Max

Achteraf bezien is het zo logisch als wat dat de Nederlandse meidengroep Linda, Roos & Jessica halverwege de jaren negentig een doorslaand succes werd. Van drie van de populairste sterretjes uit de langstlopende Nederlandse soap Goede Tijden, Slechte Tijden was een soort polder-Spice Girls geformeerd, die door enkele doorgewinterde muziekprofi’s vervolgens werden voorzien van een kek imago, besmettelijke liedjes en een continue stroom aandacht. Zij maakten popsterren van Katja SchuurmanBabette van Veen en Guusje Nederhorst, respectievelijk Neerlands grootste sekssymbool, de dochter van kleinkunstenaar Herman van Veen en de (latere) kinderboekenschrijfster en echtgenote van Kane-frontman Dinand Woesthoff.

Dat succes was lang niet altijd gemakkelijk, blijkt uit de driedelige serie Ademnood: Het Echte Verhaal Van Linda, Roos En Jessica (123 min.) van Linda Hakeboom en Rolf Hartogensis. Die start op het Spaanse eiland Mallorca, waar Katja Schuurman en Babette van Veen herinneringen ophalen aan de clipopnames voor hun vijfde en laatste hitsingle Druppels in 1996. Hun korte en hectische muziekcarrière begon een jaar eerder met de nummer één-hit Ademnood. Tussendoor leerden ze dus ook de keerzijden van het succes kennen. Niet in het minst omdat ze, zoals Babettes vader Herman ‘t betitelt, werden beschouwd als een ‘verdienmodel’. En toen, binnen tien jaar nadat ze desondanks een hechte drie-eenheid waren geworden, overleed Guusje Nederhorst. Ze was nog geen 35.

Haar vroegtijdige dood loopt natuurlijk ook als een rode draad door deze miniserie. Schuurman en Van Veen schetsen daarin met familie en direct betrokkenen zoals platenbaas Frank Wisse, componist Eric van Tijn, geluidsman Sander de Kruif, Goede Tijden, Slechte Tijden-producent Joop van den Ende, Babettes ex Winston Gerschtanowitz en goede vriend Johnny de Mol de achterkant van het succesverhaal, vriendinnenclubje en verdienmodel Linda, Roos & Jessica. Hakeboom en Hartogensis maken daarbij veelvuldig gebruik van parallelmontage. Ze snijden op en neer tussen de toenmalige hectiek en de problemen die daarmee gepaard gingen – stereotypering, mentale problemen en te veel drank bijvoorbeeld – en de huidige beslommeringen van de twee nog levende leden.

De meiden van toen zijn allang vrouwen geworden en ook niet geheel ongeschonden uit de strijd gekomen. Schuurman worstelt nog altijd openlijk met wie ze is, wat ze wil zijn en hoe ze overkomt, ook in deze miniserie. Van Veen kan zomaar volschieten bij de gedachte aan de collega/vriendin die hen is ontvallen. Tezamen pakken ze nu de draad weer op. Want natuurlijk is er – of ze nu een verdienmodel willen zijn of niet – ook een nieuwe single gekomen en zijn Linda & Jessica weer gaan optreden. Met deze gesmeerd lopende productie als aardig visitekaartje.

Hype!

Republic Pictures

Nee, deze film over de stormachtige opkomst en ondergang van grunge in de jaren negentig begint niet met Nirvana, Pearl Jam, Soundgarden of Alice In Chains, maar met, jawel, Crackerbash, een band waarvan ‘t de vraag is of ie de top 100 haalt als de bekendste rockbands van Seattle moeten worden opgedreund.

Vanaf de eerste seconde maakt regisseur Doug Pray zo duidelijk dat zijn documentaire Hype! (83 min.) geen lofzang wordt op de grote namen die toevallig commercieel succes peurden uit grunge, het muzikale genre dat zich comfortabel op het kruispunt van indierock, heavy metal en punk posteerde. Hij wil Seattles muzikale scene, uitgewerkt in een stamboom, als geheel portretteren – en de beurtelings opwindende, bezopen en tragische mediastorm waarin die terechtkwam.

Het duurt dus toch al gauw acht minuten voordat de eerste muzikale celeb zich in die film meldt: Soundgarden-gitarist Kim Thayil. Met alle respect: dat is géén Kurt Cobain, Eddie Vedder, Chris Cornell of Layne Staley. Van hen participeert overigens alleen Pearl Jam-zanger Vedder in Hype!. En hij meldt zich pas halverwege. Als lokale helden zoals The Monomen, The Walkabouts, The Fastbacks, Screaming Trees, The Melvins, Gas Huffer en The Posies al aan bod zijn gekomen.

Alice In Chains wordt dan weer vrijwel volledig overgeslagen in deze film. Om Nirvana kon Pray natuurlijk niet heen – al was zanger Kurt Cobain (1967-1994) reeds overleden toen Hype! werd uitgebracht. Zijn voormalige bandjes Krist Novoselic en Dave Grohl ontbreken eveneens. Vanzelfsprekend weerklinkt na ruim een half uur wel Smells Like Teen Spirit, hun signatuursong die uitgroeide tot het lijflied van de Generatie X – en waarvan hier de allereerste live-uitvoering is te zien en horen.

Aan opwindende concertimpressies sowieso geen gebrek. Cultbands zoals Dead Moon, Mudhoney en The Supersuckers laten zien waarom ook zij een (nog) groter publiek hadden verdiend. Uiteindelijk bleek het ‘Made in Seattle’-vignet – zoals wel vaker bij mediahypes, die net zo snel gaan als komen – alleen geen garantie voor succes en was bovendien De Grote Uitverkoop al op gang gekomen. Seattle bleek Seattle niet meer – en was het überhaupt ooit méér geweest dan een marketingstunt?

Lokale muzikanten, producers, managers, PR-medewerkers en platenbazen (van het vermaarde Sub Pop Records bijvoorbeeld) weten hoe dat ging. Zoals dit eerder bijvoorbeeld bij LiverpoolSan Francisco en Londen was gebeurd en enkele jaren later bij, jawel, Eindhoven, New York en Detroit nog zou gaan gebeuren: de hipsters, het journaille en de business houden even halt, om vervolgens vrolijk door te trekken, enkele nieuwe helden en een heleboel geknakte dromen achterlatend. 

Deze film over Seattle’s dagen als rockhoofdstad van de wereld zit te dicht op de bal – want: al in 1996 gemaakt – om dat volledig in perspectief te kunnen plaatsen, maar laat wel treffend zien wat het betekent als een stad in de periferie van de muziekwereld, het eindstation van menige Amerikaanse tournee, ineens in het middelpunt van de belangstelling komt te staan – en mensen die elkaar nauwelijks kennen bij elkaar gaan horen, dezelfde muziek beginnen te maken en kledingvoorschriften krijgen.

Op het gevaar af, bovendien, dat ze voor de rest van hun leven worden versleten voor sombermansen met lang haar, geruite blouses en een zwaar gemoed. Opgeslokt door de hype. Waarbij nog een allerlaatste waarschuwing op z’n plek lijkt: your town is next.

Louder Than You Think

Pink Moon

Hij speelde als drummer in 29 bands, deed zeker 375 LSD-trips en werd ontelbare malen stomdronken. En daarmee maakte Gary Young zichzelf uiteindelijk volstrekt onmogelijk in dat ene bandje dat er echt toe deed: Pavement, één van de belangrijkste Amerikaanse gitaargroepen van de jaren negentig. Lo-fi noemden ze dat toen, in de tijd van fanzines, college radio en alto’s.

Als oude hippie had Young aansluiting gevonden bij een stelletje veel jongere ‘college kids’, dat een plaat kwam opnemen in zijn studio Louder Than You Think (90 min.) in Stockton, Californië. Ze namen hem mee op sleeptouw toen de band na de release van z’n debuut Slanted And Enchanted (1992) ineens werd uitgeroepen tot de hoop van de indierockende wereld. ‘My job was to wreak fucking havoc’, zegt Young met de nadruk op die laatste, staccato uitgesproken woorden. ‘And I think I did a real good job of it.’

Al snel begon ie ook rare fratsen uit te halen: hij deelde groente uit, deed opzichtig een handstand als zanger Stephen Malkmus in z’n eentje een gevoelig liedje probeerde te spelen en viel zo nu en dan compleet laveloos van het podium. In 1993 kreeg Young de zak. Bij Pavements tweede album Crooked Rain, Crooked Rain (1994) zat zijn opvolger Steve West al achter de drumkit. Met hem zou Pavement in de navolgende jaren een stabiele plek in de subtop bemachtigen, als de band van liefhebbers en puristen.

‘Veel roem en geen fortuin’, vat Youngs echtgenote Geri Bernstein de carrière van haar man samen in deze kostelijke film van Jed I. Rosenberg. Gedurende de jaren speelde hij in bands als Fall Of Christianity, Hospital en The Drakers (een afkorting van The Drug Takers) en scoorde ie zowaar, kort na zijn gedwongen vertrek uit Pavement, een bescheiden hitje: Plantman. Wat hij ervoor of erna ook uitvrat – en daar was meestal ook drank mee gemoeid – Young zou echter altijd ‘de originele Pavement-drummer’ blijven.

Zijn voormalige maatjes Stephen Malkmus, Scott Kannberg, Bob Nastanovich en Mark Ibold zijn ook stuk voor stuk van de partij in dit portret, om hun jaren met dat drumbeest nog eens op te halen. Daarmee wordt Louder Than You Think een tijd lang min of meer de reguliere bandjesfilm die de eveneens onlangs uitgebrachte film Pavements, waarin Alex Ross Perry lekker tussen docu en mockumentary doorfietst, beslist niet wil zijn. Samen vertellen ze het complete verhaal van ‘de slacker-Rolling Stones’ van de nineties.

En nadat hij uit de band is getrapt – eigen schuld, geen wrok dus – wordt de schijnwerper weer nadrukkelijk gezet op de persoon Gary Young, zo’n typische geniale gek die een thuis heeft gevonden in rock & roll. Als kind werd hij al beschouwd als hyperactief/onhandelbaar. Daarna heeft hij zijn toevlucht genomen tot zelfmedicatie. Young drinkt nog steeds rustig een liter whisky per dag, zegt ie ferm. Hij is er niet trots op, maar heeft ook moeite om er spijt van te hebben. Hij raadt ’t anderen af. Min of meer dan.

Deze joyeuze film, opgeleukt door enkele heerlijke geanimeerde scènes met de poppen van Adrian Rose Leonard, schildert Gary Young met ferme penseelstreken en felle kleuren als een onbreekbare vrije geest, in een inmiddels broos en afgeleefd lichaam. Drummer tot in de kist.

Neil Young, The Reasons Of Wrath

NTR

Hij durft de strijd aan te binden met presidenten. Neil Young, wereldverbeteraar op zang, gitaar en mondharp. Hij geeft Richard Nixon er bijvoorbeeld van langs in Ohio, als die in 1970 de Nationale Garde afstuurt op een demonstratie op Kent State University, met vier dode studenten tot gevolg. Hij zingt Let’s Impeach The President nadat George W. Bush in 2003 Irak is binnengevallen. En hij schaart zich openlijk achter de Democraat Bernie Sanders als de Republikeinse kandidaat Donald Trump zich ongevraagd zijn hit Rockin’ In The Free World heeft toegeëigend als campagnelied.

In de tv-docu Neil Young – The Reasons Of Wrath (52 min.) loopt regisseur Thomas Boujut het leven en de loopbaan van de gedreven Canadese muzikant nog eens door, aan de hand van zijn liedjes en de sociale initiatieven die daaruit zijn voortgevloeid. Zo probeert Young bijvoorbeeld sinds halverwege de jaren tachtig, samen met Willy Nelson en John Mellencamp, Amerikaanse boeren een hart onder de riem te steken met het Farm Aid-festival. En hij verzet zich ook in woord en muziek tegen Monsanto, het dominante bedrijf in de landbouwsector dat menige boer het mes op de keel zet.

Young laat zich dan kennen als een eigenwijs en principieel man. Tegelijkertijd toont hij ook zijn zachte kant in dit rechttoe rechtaan portret, waarin een alwetende verteller links, connecties en dwarsverbanden vindt in oude interviews, concertfragmenten en ander archiefmateriaal van de protagonist. De loner Neil bijvoorbeeld die een zielsverwantschap voelt met een Old Man op het platteland. De familieman Neil die via modeltreinen contact legt met zijn ernstig gehandicapte kinderen. En de autoliefhebber Neil die zijn passie probeert te verenigen met zijn milieubewustzijn.

Het zijn niet meer dan willekeurige ijkpunten in een leven dat ten volle lijkt te zijn geleefd – en dat na tachtig jaar ogenschijnlijk nog altijd voluit wordt geleefd. Deze archieffilm, die buiten de vertelstem dus volledig uit al bestaand materiaal bestaat, werpt daarop geen nieuw licht en graaft ook niet al te diep, maar zet alles nog eens netjes achter elkaar. Neil Young, de man, muziek en missie.

Victoria Beckham

Netflix

Er is destijds al veel gezegd en geschreven over die ene scène uit de miniserie Beckham (2023), waarin oud-voetballer David Beckham zijn vrouw Victoria pesterig corrigeert tijdens een interview: nee, ze komt niet uit een arbeidersgezin. ‘Wees eerlijk’, zegt hij meermaals. ‘In welke auto bracht je vader je naar school?’ Na enig doorvragen komt schoorvoetend het antwoord: een Rolls Royce.

Nu heeft Victoria Beckham (143 min.) haar eigen docuserie op Netflix en is het dus de vraag: worden er nog ‘Rolls Royces’ weggepoetst? Ofwel: welke ruimte laat het imago dat ‘Posh Spice’, die tegenwoordig aan de weg timmert als modeontwerper, in deze reality-achtige productie van Nadia Hallgren moet ophouden voor zoiets prozaïsch als de waarheid en waarachtigheid? Of regeert toch de schone schijn?

De driedelige serie begint in elk geval met een soortgelijke ‘inside joke’ van meneer en vrouw Beckham. Als hij naar zijn werk vertrekt, vraagt David haar hoe je een beer zonder tanden noemt. ‘Een gummybear’, antwoordt hij zelf geroutineerd. Victoria blijft achter in de keuken. ‘Hij ziet dit als zijn moment in de documentaire’, maakt zij quasi-verwaand de Posh & Becks Show af. ‘Maar die gaat niet over hem. Die gaat over mij.’

Het is een treffend tafereel. Victoria Beckham lijkt zich voortdurend bewust van het feit dat de camera loopt en dat ze een documentaire maken. Háár documentaire. Die raakt natuurlijk gevoelige thema’s aan – haar imago als WAG (Wife and Girlfriend) van een bekende voetballer, de permanente kritiek in de tabloids en haar eetstoornis bijvoorbeeld – maar de hoofdpersoon lijkt altijd in controle te blijven.

Deze miniserie, waarin ze toewerkt naar een show van haar eigen modemerk in Parijs, zou ook wel eens een concreet doel kunnen hebben: Beckham definitief losweken van haar imago van Spice Girl, voetbalvrouw en influencer, zodat de ontwerper daarachter nog beter zichtbaar wordt. De gastenlijst is navenant:  Tom Ford, Donatella Versace, Eva Longoria, Roland Mouret en – verplicht! – Vogue-icoon Anna Wintour.

Met vereende kracht kunnen zij het merk en de persoon Victoria Beckham – al zijn die lastig van elkaar te scheiden – wellicht behoeden voor een nieuwe periode waarin zij diep in het rood gaan. Zoals enkele jaren geleden, toen echtgenoot David echt moest bijspringen en Victoria’s bedrijf werd gedwongen om te herstructureren. ‘Ik moest Victoria Beckham weer in Victoria Beckham stoppen’, zegt ze bloedserieus.

Intussen lijkt zowel de vrouw als het ‘brand’ gered. Zodat ook manlief zich geen zorgen meer hoeft te maken en ook haar zeer hardwerkende ouders Jackie en Tony Adams zien dat het goed is. Getuige deze zepige docuserie, met ook een wel erg cheesy einde, gedijen voorheen-Posh & Becks prima in deze wereld van zien en gezien worden. Waar Victoria Beckham weer unverfroren kan geloven in Victoria Beckham.

It’s Never Over, Jeff Buckley

Piece Of Magic

Op z’n 29e verjaardag zegt Jeff tegen z’n vriendin Rebecca: ik ben nu ouder dan mijn vader. De befaamde singer-songwriter Tim Buckley was in 1975 bezweken aan een overdosis heroïne. Zijn zoon, voor wie hij nooit een echte vader zou worden, zal alleen niet héél veel ouder worden. Jeff Buckley gaat op 27 mei 1997 zwemmen in de Mississippi-rivier in Memphis en komt nooit meer uit het water. Hij is slechts dertig jaar oud. Kort daarvoor heeft hij nog vol overtuiging verklaard: ik ga niet eindigen zoals mijn vader, met een label aan mijn teen.

Bij leven en welzijn wil ie alles zijn, behalve ‘de zoon van Tim Buckley’. Want aan de bijbehorende verwachtingen kan hij als kind toch nooit voldoen. Zo lijkt ‘t tenminste. In werkelijkheid zal Jeff zijn illustere vader al snel overvleugelen. Als een interviewer hem vraagt wat hij heeft geërfd van zijn vader, heeft hij dat alleen nog niet door. ‘Mensen die zich mijn vader herinneren’, antwoordt de jonge zanger resoluut. ‘Volgende vraag.’ Buckley zal altijd een moederskind blijven. Net voor zijn dood spreekt hij nog een liefdevolle boodschap in op haar voicemail.

Mary Guibert heeft die ongetwijfeld vaker terug gehoord. Toch raakt ze in de documentaire It’s Never Over, Jeff Buckley (106 min.) weer geëmotioneerd als ze de laatste woorden beluistert van haar zoon, de jongen die zij als tiener op de wereld zette en vervolgens grotendeels alleen opvoedde. Zoals ook die andere vrouwen in zijn leven, Jeffs ex-vriendin Rebecca Moore en zijn verloofde Joan Wasser, bijna dertig jaar na zijn plotselinge overlijden nog altijd bevangen raken door emoties als ze die even kwetsbare als krachtige jongen weer voor hun geestesoog zien.

Met dit postume portret tilt de gelauwerde Amerikaanse documentairemaakster Amy Berg (West Of MemphisThe Case Against Adnan Syed en Phoenix Rising) Buckley weer in het hier en nu. Voorbij Hallelujah, de Leonard Cohen-song waarvan hij uiteindelijk een echte evergreen maakte. Voorbij zijn gelauwerde debuut Grace (1994), het enige album dat hij bij leven uitbracht en dat inmiddels als een klassieker wordt beschouwd. En voorbij het iconische beeld van de ongrijpbare zanger met het enorme bereik, die zich in ieders ziel etste en onderweg menig hart stal en brak.

Jeff wordt weer de jongen die op de middelbare school flink werd gepest. De muzikale veelvraat, die net zo gemakkelijk Edith Piaf als Sjostakovitsj, Nina Simone, Nusrat Fateh Ali Khan of Led Zeppelin verorberde. En de kunstenaar die gedurig twijfelde aan zichzelf. Of Grace toch geen toevalstreffer was en hijzelf een bedrieger? Amy Berg roept hem op met een veelheid aan archiefbeelden en geluidsopnames, animaties die z’n gemoedstoestand verbeelden en – natuurlijk – ’s mans tijdloze composities, waarvan de teksten voor de gelegenheid ook zijn ondertiteld. Zodat eenieder recht in zijn ziel kan kijken.

Deze stemmige, geladen film blijft in elk geval ver uit de buurt van gemakzuchtige popbio’s, waarin willekeurige concullega’s superlatieven uitstrooien over de held van dienst. Berg beperkt zich tot intimi, die daadwerkelijk een kijkje achter het gordijn hebben gekregen bij Buckley en die hem als mens, kunstenaar en artiest kunnen duiden. It’s Never Over, Jeff Buckley wordt daarmee het gelaagde psychologische portret, dat je zowel de hoofdpersoon zelf als zijn achterban, gehoor en muziekliefhebbers toewenst.

Lilith Fair: Building A Mystery

Disney+

‘Never play two women back to back.’ Op de Amerikaanse radio is het tot ver in de jaren negentig goed gebruik om nooit twee liedjes van vrouwelijke artiesten achter elkaar te draaien. Dat kan het publiek helemaal niet aan. Of twee opeenvolgende vrouwelijke acts op een festival. Ook niet doen. Daar komt alleen maar ellende van.

En dat is dan weer tegen het zere been van de Canadese singer-songwriter Sarah McLachlan, die zich sowieso verbaast over het alomtegenwoordige seksisme binnen de Amerikaanse muziekindustrie. Vrouwelijke artiesten worden nog altijd keihard worden afgerekend op hun uiterlijk en moeten zich, bijvoorbeeld op festivals zoals Lollapalooza, staande houden in een vrijwel volledig mannelijke omgeving. McLachlan en haar – overigens ook volledig mannelijke – team zinnen op een alternatief: een rondreizend festival met louter vrouwelijke acts, die nu eens niet hoeven te wedijveren met macho mannen.

Ze dubben dit Lilith Fair – vernoemd naar de eerste vrouw van Adam, voordat die aan de zijde van Eva belandde – en strikken toonaangevende artiesten zoals Patti Smith, Tracy Chapman, Sinead O’Connor, Dixie Chicks en Missy Elliott. Ook de festivalcrew en het publiek bestaan voor een belangrijk deel uit vrouwen. Dat zorgt voor een enorme saamhorigheid en aandacht voor thema’s die de Lilith-gemeenschap aangaan, zoals het recht op abortus en de emancipatie van LHBTIQ+’ers (via rolmodellen zoals Indigo Girls en Brandi Carlile). Van elk festivalkaartje wordt bovendien een dollar gedoneerd aan een goed doel.

In de onvervalste trip nostalgia Lilith Fair: Building A Mystery (99 min.) blikt Ally Pankiw met Sarah McLachlan en haar team en participanten zoals Sheryl Crow, Suzanne Vega, Jewel, Liz Phair, Paula Cole, Shawn Colvin, Erykah Badu en Joan Osborne terug op de jaren 1997-1999, waarin Lilith Fair een divers en inclusief alternatief biedt voor de veelal door mannen en mannetjes gedomineerde popfestivals. Zoals bijvoorbeeld de volledig uit de hand gelopen reprise van Woodstock in 1999, waarbij lompe macho acts als Limp Bizkit en Kid Rock de toon zetten en een zeer agressieve, vrouwonvriendelijke omgeving creëren.

Tegelijkertijd is kritiek op ‘Vulvapalooza’ ook onvermijdelijk en krijgt het reizende circus zeker in het Amerikaanse hartland te maken met aanvallen uit conservatieve hoek. Die kunnen het zusterschap, waarvan uiteindelijk ook aanvankelijke kritische vrouwen zoals comedian Sarah Bernhard en Chrissie Hynde (The Pretenders) deel zijn gaan uitmaken, echter niet verstoren, blijkt uit deze liefdevolle reconstructie, die tevens tegemoet komt aan iedereen met ‘nineties nostalgia’.

Janis Ian: Breaking Silence

NTR

Janis Ian is er nog nauwelijks van bekomen dat ze halverwege de jaren zeventig ongevraagd is ge-out als biseksueel in een artikel in het tijdschrift The Village Voice of de Amerikaanse singer-songwriter krijgt de volgende klap te verwerken: haar geliefde Claire is verliefd geworden op iemand in haar band, drummer/percussionist Barry Lazarowitz. En zij is zo’n beetje de allerlaatste die dat in de gaten krijgt.

Claire en Barry zullen later trouwen en kinderen krijgen. En Janis blijft alleen achter. Met haar gitaar, dat wel. Ze schrijft een heel droevig liedje over de breuk, vertelt ze in de documentaire Janis Ian: Breaking Silence (84 min.). Een paar weken later wordt de zangeres gebeld door haar uitgever. ‘Prachtig, dat jazznummer’, schijnt hij gezegd te hebben. ‘We zijn er dolblij mee. Jij ook?’ De schrijfster ervan moet even slikken. ‘M’n hart is gebroken, maar ik voel me al iets beter.’

Het is een treffende passage – de geboren artiest die haar tranen plengt in en droogt met haar werk – op ongeveer tweederde van deze film van Varda Bar-Kar, die netjes Ians leven en loopbaan doorloopt. Die beginnen allebei in een Joodse familie in New Jersey, waar dochter Janis al op dertienjarige leeftijd doorbreekt. Het meisje met gitaar zingt Society’s Child, een lied over een interraciale relatie dat halverwege de jaren zestig heel wat commotie veroorzaakt.

En daarmee start ze een carrière op, die haar in de navolgende zestig jaar over hoge toppen en door diepe dalen zal leiden. Langs Grammy Awards, een faillissement en (verloren) liefdes, bijvoorbeeld. En altijd, soms met tussenpozen, blijven de liedjes komen, waaronder klassiekers zoals At SeventeenStars en Fly Too High. Samen met getrouwen, collega’s en bekende fans loopt Janis Ian – behalve in het intro en outro van de film: volledig buiten beeld – de hele santenkraam langs.

Bar-Kar brengt de andere sprekers overigens wél in beeld en toont dan ook meteen de setting van het interview – alsof ze de kijker eraan wil herinneren dat er achter hen een hele wereld schuilgaat, een beetje zoals bij de liedjes van haar hoofdpersoon. Behalve met oude concertbeelden en archiefinterviews omkleedt de filmmaakster Janis Ians herinneringen ook met gedramatiseerde scènes, die soms wat kluchtig aandoen, en geanimeerde clips bij enkele van haar signatuursongs.

Breaking Silence ontwikkelt zich zo tot een gedegen portret van een singer-songwriter, die op latere leeftijd definitief uit de kast komt en zich dan opwerpt als een icoon van de LHBTIQ+-beweging. En daar wijdt ze natuurlijk ook weer liedjes aan. ‘Love has no colours’, zingt ze in Married In London bijvoorbeeld van zich af. ‘And hearts have no sex. So love where you can. And fuck all the rest.’

Het Muziekmedicijn

Memphis Features / Max

Van muziek bloeit niet alleen het hart open, ook de hersenen gaan er beter van werken. Klassiek zangeres Maartje de Lint, artistiek leider van Zingen In De Zorg, maakt zich daarom sterk voor het doelbewust inzetten van zingen en dansen bij mensen met dementie. En dan niet alleen door goedbedoelende vrijwilligers, maar door professionals zoals zijzelf, die zijn getraind om de neuroplasticiteit en cognitie van ouderen met dementie in stand te houden of zelfs weer te verbeteren.

‘Dat klankgeheugen, wat diep in dat brein zit, dat is mijn materiaal’ vertelt de Lint in de documentaire Het Muziekmedicijn (58 min.) van Frénk van der Linden. ‘En dan is het mijn taak om die deur open te doen, zodat de mensen zelf ontdekken dat ze nog heel veel kunnen.’ Tijdens zogeheten Zing-Cirkels gaat ze zowel met mensen met dementie als met hun mantelzorgers aan het werk. De muziek brengt hen niet alleen troost en vreugde, maar ook zichtbaar dichter bij elkaar. Want samen zingen zorgt voor verbinding.

Eli Tuhuteru, die als zevenjarig jongetje met de boot van de Molukken naar Nederland is gekomen, is in 2016 gediagnosticeerd met dementie. Hij kan intens genieten van de muziek van zijn jeugd en het land waar hij nog altijd thuis is. Zijn dochter Shirley volgt nu de opleiding tot Zorg-Zangeres bij Maartje de Lint, waarbij ze leert om haar vader en mensen zoals hij te raken en stimuleren met muziek. Via zingen kunnen zij vasthouden wie ze zijn en welllicht zelfs weer iets terugkrijgen wat eerder verloren leek.

Theo van der Eng en zijn vrouw Nelly nemen ook deel aan zulke bijeenkomsten. Ze zijn al vijftig jaar getrouwd, maar sinds Theo frontotemporale dementie heeft is hun relatie grondig veranderd. Nelly voelt zich volgens eigen zeggen soms net een weduwvrouw. Haar man trekt vaak helemaal zijn eigen plan en zit hele dagen boven op z’n kamer Palingpop, liefst van zijn favoriete groep The Cats, te luisteren. En Theo heeft ook altijd een zakdoekje bij de hand, om de tranen van ontroering weg te vegen.

Theo van der Eng participeert tevens in een onderzoek van het Alzheimercentrum van het Amsterdam UMC, waarbij wordt nagegaan wat muziek te weeg brengt in de hersenen van mensen met verschillende dementievarianten en hoe muziek misschien kan worden ingezet om de aandoening tot stilstand te brengen of zelfs terug te dringen. Zo kunnen zij wellicht een wetenschappelijk fundament leggen onder wat zingende zorgers zoals Maartje de Lint voor het oog van de camera al heel aannemelijk maken: zingen is gezond.

En Frénk van der Linden huldigt in deze warme docu vooral het ‘show, don’t tell’-principe. Beter: sing, don’t tell. Zo zet Het Muziekmedicijn helder op de kaart dat er nauwelijks iets te bedenken is dat dieper in de mens, ook als die in de herfst of winter van zijn leven is aanbeland, reikt dan muziek.

Andrea Bocelli: Because I Believe

Piece Of Magic

‘Realiseer je je’, zegt de Italiaanse zanger Andrea Bocelli tegen zijn collega Massimo Cavalletti, ‘dat morgenavond, als ik hier sta te zingen, mijn team in de finale van de Champions League staat? Dat gebeurt maar eens in de zoveel tijd. Ik overweeg om de wedstrijd te volgen via een oortje terwijl ik sta te zingen.’

Zover zal het natuurlijk niet komen, maar de Toscaanse tenor neemt in de navolgende uren wel elke gelegenheid te baat om achter de schermen de voetbalwedstrijd van zijn favoriete club Inter Milan te kunnen volgen. Het wordt een deceptie. Zijn publiek zal echter nooit merken dat Bocelli absoluut niet tegen z’n verlies kan. Op het podium blijft hij, zoals mag worden verwacht van een gereputeerde vocalist, uiterst professioneel.

Het is één van de aardigste scènes van de documentaire Andrea Bocelli: Because I Believe (107 min.) van Cosima Spender, die werd geproduceerd door de zanger zelf en zijn vrouw en manager Veronica. Bocelli, die zich zowel in de pop- als de operawereld heeft bewezen, geeft in dit klassieke (zelf)portret een kijkje in zijn bestaan als gearriveerde artiest en blikt ondertussen terug op zijn leven en loopbaan.

Een cruciale gebeurtenis in die 67 jaar speelt zich eveneens af op een voetbalveld. Het gaat om de allerlaatste wedstrijd die Bocelli ooit zal keepen. Op z’n twaalfde krijgt hij een bal tegen zijn hoofd. Daarna gaat het licht definitief uit. De Toscaanse plattelandsjongen, die is geboren met een oogziekte en op z’n zevende naar een speciale kostschool voor blinden en slechtzienden werd gestuurd, zal nooit meer zien.

Dan is al wel duidelijk dat hij een uitgesproken talent heeft. Op de kostschool, waar ie zich zonder familie en vrienden moet zien te redden, treedt Andrea Bocelli net als thuis regelmatig op. Hij zingt er volgens de overlevering, hoe treffend, O Sole Mio. En de rest is geschiedenis, zeggen ze dan – al moet Bocelli tot z’n dertigste wachten op z’n grote doorbraak. En daarna dient hij zich nog te bewijzen in zijn grote liefde, opera.

Het relaas van zijn carrière wordt in deze film verteld met behulp van mensen die daarin een sleutelrol speelden: zanger Zucchero Fornaciare, platenbazin Caterina Caselli en producer David Foster. In die tijd moet hij afrekenen met podiumvrees, stemproblemen en ‘de eenzaamheid van succes’. Bocelli spreekt er ogenschijnlijk open over. Afgemeten. Zonder al te veel drama. Dat is hem als jongen met een beperking wel geleerd.

Hij laat zich verder seconderen door zijn vrouw Veronica, broer Alberto en enkele persoonlijke vrienden. Zij kenschetsen hem als een man die dicht bij zichzelf probeert te blijven. Zowel persoonlijk als letterlijk: in de omgeving waar hij is opgegroeid. Hij ontvangt er vrienden, treedt op in het door hemzelf gestarte openluchttheater Teatro del Silenzio en rijdt er rond op z’n paard – tot verbazing van anderen: zonder begeleiding.

‘Nul angst’, zegt Andrea Bocelli zonder omhaal van woorden, niet alleen over dat paardrijden, in deze verzorgde film, die verder fraaie jeugdbeelden bevat en natuurlijk is doorspekt met talloze zangscènes, waarin hij die imposante stem, in een operasetting of juist samen met hedendaagse pophelden zoals Ed Sheeran en Dua Lipa, z’n ontzagwekkende werk kan laten doen.

Ellis Park

Pink Moon

Als je ziet hoe hij zijn instrument nog altijd te lijf gaat, uitwringt als een vaatdoek of juist laat wenen als een troosteloze weduwe, is het niet vreemd dat Warren Ellis ooit ‘de Jimi Hendrix van de viool’ werd genoemd. De Australische multi-instrumentalist heeft met zijn favoriete instrument nooit de klassieke concertzalen opgezocht, maar is in de rock & roll beland, in rokerige zalen en op bruisende festivals.

Daar is ie in Ellis Park (105 min.), de documentaire die zijn landgenoot Justin Kurzel over hem maakte, dan overigens weer nauwelijks te zien. De Australische filmmaker heeft geen regulier popportret van Warren Ellis gemaakt, waarbij eerst diens opkomst als boegbeeld van de invloedrijke instrumentale rockband The Dirty Three uitgebreid wordt behandeld en daarna zijn entree bij Nick Cave & The Bad Seeds, waarin hij zich van één van de bandleden heeft ontwikkeld tot volwaardige partner in crime van de begenadigde frontman, nog eens goed aan de orde komt.

In de kantlijn passeren die twee groepen wel even de revue. Zoals onderweg tevens wordt vernoemd dat Warren Ellis, al dan niet met Cave, naam heeft gemaakt als maker van soundtracks. Daar blijft ’t dan ook bij. Geen obligate quotes van zijn muzikale bloedsbroeder of concullega-muzikanten dus en ook slechts een te verwaarlozen hoeveelheid concertfragmenten. Alleen een man en zijn viool (of synthesizer), op plekken waar hij zich kan overgeven aan zijn muziek. In een Parijse studio, alleen op het podium van een theaterzaal of in een lege kerk.

Musiceren als een vorm van meditatie. ‘De wereld stopt’, zegt de hoofdpersoon. ‘En je bent gewoon op die ene plek. Dat zou ik in het echte leven nooit kunnen doen.’ Kurzel volgt hem tevens naar zijn ouderlijk huis in de Australische stad, waar zijn inmiddels hoogbejaarde vader ‘Screaming Johnny’ Ellis nog altijd graag zijn liefde voor muziek met hem deelt en zijn fragiele moeder Diane inmiddels in niets meer lijkt op de labiele en onberekenbare vrouw die Warren ooit zo’n lastige jeugd bezorgde. Stukje bij beetje kleuren zulke scènes de hoofdpersoon verder in.

Het hart van deze film wordt echter gevormd door zijn verbondenheid met het Sumatra Wildlife Center, waar Femke den Haas en haar medewerkers illegaal verhandelde en mishandelde dieren oplappen. In Warren Ellis heeft de Nederlandse dierenredster een bondgenoot gevonden. Hij is alleen nog nooit op bezoek geweest bij de opvang. Als Ellis zich daar meldt, nederig en in een fleurige nieuwe blouse, sluit Justin Kurzel aan om hun eerste ontmoeting te vereeuwigen. De muzikant heeft een geschenk meegebracht: zijn persoonlijke talisman. De kauwgom van Nina Simone.

Ellis Park wordt ondertussen niet het definitieve portret van de begenadigde muzikant Warren Ellis – op dat vlak blijft er best nog het nodige te wensen over – maar een sfeervolle reis door het huidige leven van een gevoelsmens, dat zich steeds weer laat raken en ook nog steeds anderen weet te raken.

Paid In Full: The Battle For Black Music

BBC

Tekenen bij het kruisje. Daar kwam het in de afgelopen honderd jaar vaak op neer voor Amerikaanse artiesten. Pas later bleek dan wat zo’n platencontract inhield – en dat het doorgaans niet de mensen die de muziek maakten waren die er rijk van werden. Dat gold dubbel zo hard voor zwarte performers, die soms op een wel heel geniepige manier werden uitgeknepen. Hun strijd om artistieke vrijheid en financiële onafhankelijkheid duurt, getuige Paid In Full: The Battle For Black Music (180 min.), nog altijd voort.

Toonaangevende artiesten zoals Bessie SmithBillie Holiday en Nina Simone kregen in de beginjaren van de muziekbusiness vaak nog een vast bedrag per opnamedag betaald. Als daar vervolgens een hit uitrolde, werd iedereen daar rijk van – de witte mannen voorop –behalve zij. En anders was er wel een louche manager, zoals bij Louis Armstrong, die z’n cliënt op slinkse wijze helemaal leeg trok. ‘What a wonderful world’, croont de jazzgigant met een kamerbrede glimlach tijdens een optreden, als de kwestie wordt aangesneden in deze boeiende driedelige serie van Guy Evans.

Exploitatie van zwarte artiesten is van alle tijden. We zijn zo blut als maar kan, meldt de succesvolle meidengroep TLC bijvoorbeeld na de uitreiking van de Grammy Awards in 1996. De manoeuvres om geld weg te sluizen blijken eindeloos. In de jaren vijftig worden bij de composities van rock & roll-held Chuck Berry bijvoorbeeld doodleuk ook andere rechthebbenden opgevoerd, die niets te maken hebben met het ontstaan van zijn songs. Voor de man zelf blijft er nog maar een klein deel van de opbrengsten over, waarvan de gemaakte, vaak flink opgevoerde kosten dan nog worden afgetrokken.

Andere truc: maak een beschaafde witte versie van een zwarte hit, zoals Pat Boones brave versie van de Little Richard-hit Tutti Frutti, en zet die vervolgens wél goed in de markt. Dan stroomt het geld – het is in feite steeds hetzelfde liedje – weer op de juiste plek binnen. Er zijn uitzonderingen: soulzanger Sam Cooke probeert in de sixties met een eigen platenlabel financiële autonomie te verwerven. Hij krijgt navolging via de zwarte labels MotownStax en Def Jam, die echter stuk voor stuk zullen worden uitgebuit, weggeconcurreerd of overgenomen door witte mannen met diepere zakken.

Artiesten zoals Smokey RobinsonGloria GaynorNile RodgersChaka KhanIce-T en een keur aan kenners van de muziekindustrie vertellen in deze serie ‘graag’ over de misstanden waarmee ook zij zijn geconfronteerd. Paid In Full is overigens meer dan één grote klaagzang. Ook de initiatieven van eigengereide en ondernemende artiesten zoals PrinceJay-ZKendrick LamarrStormzy en Jessie Reyez, die een nieuw zelfbewustzijn hebben laten zien, komen aan de orde. Master P vat die attitude heel aardig samen. ‘Als een witte man me een miljoen dollars biedt, hoeveel zou ik dan werkelijk waard zijn?’

De meeste verhalen in deze fijne miniserie, bijeengehouden door verteller Zawe Ashton, zijn al wel eens verteld, maar hier worden ze vanuit een heldere invalshoek – wie wordt er rijk van? – verteld en in een bredere historische context geplaatst, zowel van de ontwikkeling van de muziekbusiness als de emancipatie van zwarte Amerikanen. En de vertelling is natuurlijk gelardeerd met fijne performances van baanbrekende artiesten zoals Ruth Brown, The Supremes, Sam & Dave, Public Enemy en Lil Nas X.

In de afgelopen jaren heeft zich met het streamen van muziek, laat de slotaflevering zien, overigens alweer een nieuwe manier aangediend om (zwarte) artiesten te exploiteren. Naar hoe de grote platenlabels Warner, Universal en Sony daarmee omgaan en terugkijken op het beladen verleden, blijft het overigens gissen. Want die wilden documentairemaker Evans niet te woord staan en houden ’t bij een schriftelijke verklaring.

Goldband: Tot We Breken

Pathé

Alles staat stil – en daardoor begint het voor hen te lopen. Op de golven van het Coronavirus komt Goldband bovendrijven. Met De Langste Nacht schrijft het Haagse drietal het lijflied voor een generatie jongeren die de lockdown achter zich wil laten.

Daar lijkt het in eerste instantie overigens helemaal niet op. Als de halve wereld in het voorjaar van 2020 op slot gaat, staat Goldband net op het punt om helemaal los te gaan en moet de nederpopband noodgedwongen een pas op de plaats maken. Filmmaker Olivier S. Garcia is dan al enige tijd aan het filmen, voor wat uiteindelijk de documentaire Goldband: Tot We Breken (109 min.) is geworden, een productie die werd gemaakt in samenwerking met de band zelf en hun management Unisex.

Met beeldmateriaal uit de periode 2018-2024 brengt ‘Ollie’ de opmars van zijn vrienden Karel, Boaz en Milo, stuk voor stuk jongens uit een gebroken gezin, naar de vaderlandse top van binnenuit in kaart. Zijn film begint met een absoluut hoogtepunt in de bandhistorie, het extatische optreden tijdens het Lowlands-festival van 2022. Daarna gaat de docu terug naar het begin: als ze in de thuisstudio van producer en vierde groepslid (?) Wieger werken aan liedjes die instant-klassiekers zullen worden. 

Als de film halverwege weer bij diezelfde Lowlands-show aanbelandt – voor een emotioneel hoogtepunt als Milo, samen met zijn broer Pim in het publiek, een lied voor zijn overleden moeder zingt en daarna backstage uithuilt bij zijn vader Bruno – is dat zowel de voorbode van nóg meer succes als een heleboel ellende. En Garcia houdt toegang als de druk en drugs toenemen, er onderlinge frictie ontstaat en de eerste Goldband-baby zich aandient. Ofwel: ieder voor zich en, jawel, samen tegen elkaar.

En dat is niet toevallig ook de titel van het tweede Goldband-album dat, zoals ‘t nu eenmaal hoort bij tweede albums, een ontzettend zware bevalling wordt. Tot We Breken blijkt, ondanks de betrokkenheid van de groep en z’n belangenbehartigers, echter veel meer dan een veredeld promoproduct, waarin de nieuw verworven status van de helden (Karels relatie met zangeres Maan), hun openlijke misstappen (Milo’s spontane snuif) en persoonlijke beslommeringen (Boaz’s aanstaande vaderschap) optimaal wordt uitgenut.

Garcia’s enerverende film toont de kronkelige weg naar de top, met al z’n zijwegen, wegversperringen en dwaalsporen, als de gezamenlijke droom van een groep eeuwige jochies dreigt te verwateren of zelfs te verpulveren, ogenschijnlijk zonder terughoudendheid of opsmuk en ontwikkelt zich zo tot één van de betere Nederlandse bandjesdocu’s van de afgelopen jaren.

Stans

MTV

Bij een film over de achterban van een goudeerlijke rocker, zoals Springsteen & I (2013), verwacht je ook fans van het type toffe peer. Zoals je bij Eminem nu eenmaal Stans (101 min.) veronderstelt: een variant op de obsessieve fan die hij ooit opvoerde in zijn hit Stan (2000). In deze documentaire, geproduceerd door de Amerikaanse rapper zelf, geeft Steven Leckart een aantal Stans het podium. Onder hen is een rossige Brit die verdacht veel op de singer-songwriter Ed Sheeran lijkt.

Marshall Mathers, alias Eminem, weet wat het is om een voorbeeld, spreekbuis en uitlaatklep te hebben, vertelt hij in deze film, waarin hij via zijn fans wordt geportretteerd. Als ontheemd kind van een alleenstaande moeder in Detroit, een jeugd die werd vervat in een speelfilm waarin hij zelf de hoofdrol speelde (8 Mile, 2002), hing hij aan de lippen van de rapper LL Cool J. Toen hij later zelf een ster werd en stapels fanmail begon te ontvangen, was de vraag onvermijdelijk: ‘Ben ik nu de LL Cool J van iemand anders?’

Zijn Stans blonderen hun haar, dragen witte T-shirts en sturen vol verwachting persoonlijke brieven naar 2131 Woodward Avenue in Detroit, Michigan. Ze zweren in het bijzonder bij zijn vileine alter ego Slim Shady, een vuil gebekt personage dat zo lijkt te zijn weggelopen, ongetwijfeld met veel misbaar, uit The Jerry Springer Show en met sardonisch genoegen alles en iedereen afzeikt of tegen zich in het harnas jaagt. Zoals de vrouwelijke Stan Daniyela ’t uitdrukt: ‘een psychopaat, maar dan op een goede manier’.

Voor het min of meer reguliere deel van dit artiestenportret heeft Leckart verder LL Cool J, MTV-veejay Carson Daly, producer Dr. Dre, platenbaas Jimmy Iovine, Rolling Stone-journalist Anthony Bozza en acteur Adam Sandler gecharterd. Zij plaatsen zijn ontwikkeling als witte rapper – streep door en herstel: white trash-rapper – in z’n context. Ook dan ligt de nadruk echter op Eminems positie als artiest, zijn verhouding tot z’n fanschare en de druk, ongewilde aandacht en eenzaamheid die daarmee gepaard gaan.

Intussen zetten zijn Stans een koptelefoon op om nog eens naar zijn muziek te luisteren, lezen ze voor uit ‘s mans autobiografie en bekijken zijn handgeschreven songteksten. Daarin vinden zij iets van zichzelf, bijna alles soms, en dat drukken ze dan weer op hun eigen manier uit. Katie (sinds 1999) draagt het superheldenpak dat hij in de videoclip van Without Me aanhad. Nikki (sinds 2000) heeft 22 Eminem-portretten op haar lijf getatoeëerd. En Zolt ‘Shady’ (sinds 2001) probeert al een kwart eeuw op Slim te lijken.

Samen bieden ze zowel een boeiende inkijk bij superfans, zonder het sensatierandje waarmee die vaak worden opgeleverd, als bij het object van hun aanbidding, een man die van zijn hart nog altijd geen moordkuil maakt – en zo eraan heeft bijgedragen dat mentale problemen beter bespreekbaar zijn geworden. En waar de ‘echte’ Stan uiteindelijk afknapt op de held die hij een dwingende fanbrief stuurt en zo een iconisch voorbeeld wordt van de stalkende fan, blijven zijn erfgenamen Eminem gewoon trouw.

Disco’s Revenge

Elevation Pictures / SkyShowtime

In de New Yorkse gayscene werden swingende huisfeestjes georganiseerd. Vanuit Philadelphia weerklonk de Philly Sound. En latino’s brachten hun Boogaloo-songs in. Daarmee waren begin jaren zeventig alle grondstoffen aanwezig voor het ontstaan van een inclusieve nieuwe muziekstroming: disco.

Bij een popup-disco in New York hoorde Nile Rodgers in 1977 voor het eerst de klassieke hit Love To Love You Baby van Donna Summer, vertelt hij in Disco’s Revenge (102. In.). ‘Voor een ‘brother’ zoals ik was dat als de eerste keer seks hebben en vliegen’, vertelt de slaggitarist, die met z’n muzikale partner Bernard Edwards (bas) een sleutelrol speelde in de ontwikkeling van de lekker gelikte discosound.

Binnen twee weken had hij zijn eerste hit voor z’n groep Chic geschreven, Everybody Dance. En weer enkele weken later werd hij gevraagd om naar de nachtclub The Night Owl te komen. ‘De deejay draaide ‘t – en ik zeg dit niet om dramatisch te doen – tenminste een uur achter elkaar.’ Het was een onvergelijkelijk gevoel, dat Rodgers volgens eigen zeggen z’n hele verdere muziekleven zou blijven najagen. 

Met Nile Rodgers en andere disco-kopstukken zoals Earl Young (The Trammps), Nona Hendryx (Labelle) en Kathy Sledge (Sister Sledge) en de essentiële deejays Nicky Siano en Jellybean Benitez belichten Peter Mishara en Omar Majeed in deze gedegen film de opkomst, glorieperiode en ondergang – toen op ‘disco’ automatisch ‘sucks’ leek te volgen – van de muziekstroming die aan z’n eigen succes ten onder ging.

Death to disco, kopte Punk Magazine, het tijdschrift waarin de tegenpool van disco, punk, werd bewierookt. Disco was toen al naar Jan Modaal gebracht met de film Saturday Night Fever. Iedere zichzelf respecterende artiest had z’n eigen discohit uitgebracht. En in de überhippe club Studio 54 was het zien en gezien worden met alleen de grootste sterren. Een beetje purist wilde daar niet bijhoren.

En ook Conservatief Amerika zette zich opzichtig af tegen disco. Zou die weerstand, vervat in de discoplatenverbranding van radiodeejay Steve Dahl in 1979, ook te maken met het feit dat disco in essentie de muziek van de zwarte- en homogemeenschap was? Daarover kan geen misverstand bestaan volgens de sprekers in Disco’s Revenge, voor wie de AIDS-crisis in de eighties de definitieve genadeklap vormde.

Al zou disco natuurlijk nooit echt sterven. Hiphop (hier vertegenwoordigd door Grandmaster Flash), house (licht pionier Kevin Saunderson toe) én het Coronavirus (getuige D-Nice’s Club Quarantine) zorgden elk voor hun eigen revival van die onweerstaanbare four-on-the-floor beat. En Nile Rodgers zou nog diverse keren héél dicht in de buurt komen van dat ene onvergetelijke gevoel…

Devo

Netflix

‘We zijn niet cynisch’, houden de leden van de Amerikaanse new waveband Devo (93 min.) een televisie-interviewer voor. ‘We kijken gewoon het nieuws.’

Het verval is in de jaren zeventig overal zichtbaar. De bandnaam Devo is niet voor niets een afkorting van devolution, ofwel de-evolutie. Het idee dat de mens niet meer is dan een krankzinnige erfgenaam van kannibalistische apen, die zichzelf en de aarde ten gronde zal richten. Alle reden dus om die creatuur en zijn wereld genadeloos te kijk te zetten. Als een Paard van Troje proberen de ‘spudboys’ uit Akron, Ohio, de Amerikaanse entertainmentindustrie binnen te dringen, om die van binnenuit te gaan uithollen met een subversieve combinatie van muziek, theater en filosofie.

Hun artistieke ontdekkingsreis, door henzelf treffend omschreven als ‘een muzikaal laxeermiddel voor een verstopte samenleving’, levert Devo al snel bekende fans op, zoals John Lennon, Jack Nicholson en David Bowie. Die laatste brengt hen ook in contact met Brian Eno, die hun debuutalbum wel wil produceren. De samenwerking met het stronteigenwijze gezelschap zal echter uiterst stroef verlopen. De echte ellende moet dan nog beginnen: een rechtszaak van Warner Brothers, dat een mondelinge deal heeft met de band, die echter tekent bij concurrent Virgin Records.

Toch wel opvallend voor een band die zich zo nadrukkelijk afzet tegen de uitverkoop van de Amerikaanse cultuur, muziek in het bijzonder. In het universum van Devo – en deze zeer vermakelijke documentaire die Chris Smith daarover heeft gemaakt – hoeft dat evenwel helemaal geen contradictie te zijn. Devo spot met alle regels – en zichzelf. De enige echte hit van de groep, Whip It, is daarvan een treffend voorbeeld. Menigeen is in de veronderstelling dat het nummer over SM of masturbatie gaat. Als er een videoclip moet komen, besluit de band daar smakeloos op in te spelen.

In werkelijkheid is de hitsingle, tenminste volgens Devo, bedoeld als een aansporing voor de Democratische president Jimmy Carter, die het bij de verkiezingen van 1980 moet opnemen tegen de door Devo gewantrouwde Republikeinse kandidaat Ronald Reagan. Verkeerd begrepen zijn ondertussen ook de plastic JFK-kapsels die de bandleden in die periode beginnen te dragen, de opvolgers van de rode hoedjes, de zogeheten ‘Energy Domes’, waarmee ze bekend zijn geworden. Hun keurige zijscheidingen worden aangezien voor de haardos van Ronald Reagan, die de verkiezingen natuurlijk zal winnen.

Zo wordt Devo’s permanente rebellie tegen al wat Amerikaans mag worden genoemd, die grofweg Reagans gehele regeerperiode omvat, in dit patente bandportret vlot, prikkelend en lekker speels, met een smakelijke potpourri van archiefmateriaal uit alle uithoeken van de (kunst)wereld(geschiedenis), uitgespeeld. Totdat ook deze volstrekt eigenzinnige groep in zekere zin lopendebandwerk is geworden – en, oh ironie, geen centen meer in het laatje brengt.

Songs From The Hole

Netflix

Hoewel het geloof hem van jongs af aan is ingeprent door zijn vader William, pastor bij een kerk waar ie zelf ook in het koor zat, belandt James Jacobs op het verkeerde pad. Als vijftienjarige schiet hij, volgens eigen zeggen puur om te bewijzen dat hij ‘that nigger from the hood’ is, op 16 april 2004 een man dood. Drie dagen later wordt zijn eigen oudere broer Victor, die eveneens in het bendeleven verzeild is geraakt, vermoord door, zoals Jacobs dat noemt, ‘another one of us’. Ofwel: Jamaal Smith, iemand die net als hij en zijn broer gewoon z’n rol speelt in de straatcultuur.

Sinds die tijd zit James Jacobs in de California State Prison een gevangenisstraf van veertig jaar uit. In de isoleercel, ofwel the hole, vindt ie uiteindelijk zichzelf én zijn stem, vertelt hij via de gevangenistelefoon in Songs From The Hole (97 min.), de hybride van documentaire en videoclipverzameling die Contessa Gayles in nauwe samenwerking met hem heeft gemaakt. Want daar creëert Jacobs zijn alter ego, de zanger/rapper JJ’88, en maakt hij samen met medegedetineerde Richie Reseda, die zijn leven ook weer bij elkaar heeft geraapt, het album waarvan deze film de verbeelding is.

‘Als het rechtssysteem me geen levenslang geeft, word ik neergeschoten door m’n eigen soort’, rapt JJ’88’ in één van de gestileerde videoclips, waarin met acteurs zowel zijn eigen verhaal als dat van veel ontspoorde jongens uit de Afro-Amerikaanse gemeenschap op een nogal gelikte manier wordt verteld. Gaandeweg komt James Jacobs echter tot de conclusie dat jongeren zoals hij niet voorbestemd hoeven te zijn voor dit leven. ‘Niemand dwingt je iets te doen’, galmt het in zijn hoofd als hij in de gevangenis voor een cruciale levenskeuze wordt gesteld: wraak of toch vergeving?

Als langgestrafte vindt hij in muziek de hoop die hij zo lang zocht. Inmiddels heeft Jacobs een verloofde, Indigo, die zich onvermoeibaar beijvert voor herziening van zijn straf, zodat ze samen buiten de gevangenismuren een toekomst kunnen opbouwen. Zo bezien zou deze clipdocu ook Songs From The Hope genoemd kunnen worden. Want ook James’ vader heeft altijd hoop gehouden op een ander, beter leven voor zijn enige overgebleven zoon. ‘Op een dag zal mijn zoon vrij zijn’, zegt hij stellig. ‘Dat heeft God me beloofd.’ En halverwege deze vertelling komt daar zowaar zicht op.

Met de oorspronkelijke manier waarop Gayles het persoonlijke verhaal van Jacob James, dat in wezen al door/over talloze andere zwarte Amerikanen achter de tralies is verteld, heeft vormgegeven, zorgt ze er intussen voor dat Songs From The Hole zich onderscheidt van thematisch verwante producties. Tegelijkertijd krijgen die tamelijk gladde muziekvideo’s nooit de emotionele lading die bepaalde documentairescènes wél hebben en wordt deze film nooit helemaal de mokerslag die de twee makers waarschijnlijk voor ogen hadden.