
‘In ieder leven zit wel iets bijzonders’, houdt de Joods-Amerikaanse documentairemaker Alan Berliner z’n vader Oscar voor bij de start van zijn film over hem. ‘Nee’, antwoordt die gedecideerd. ‘Jij probeert van niets iets te maken.’ Terwijl de titel van die film in beeld komt – Nobody’s Business (55 min.) – is nog net te horen hoe Alan reageert: ‘Maar Jij bent mijn vader!’
Hij begeleidt hun permanente gekibbel met zwartwit-beelden van een bokswedstrijd. De ene uppercut volgt op de andere maagstoot. Geen van beiden weigeren ze echter knock-out te gaan. Zoonlief wil terug naar het begin. De oorsprong van de Berliners. Die ligt in Rusland en Polen, maar waar precies? Alans neven en nichten weten het ook niet. Alsof hun geschiedenis pas in Amerika is begonnen. Uiteindelijk weet hij toch een precieze locatie vast te stellen: Rajgrod, een dorp dat afwisselend Pools en Russisch was. ‘Dit kan overal zijn’, reageert Oscar, geheel in stijl. ‘Big fucking deal!’
In zijn voorouders is vader Berliner al even weinig geïnteresseerd. Ich bin ein Berliner, so what? Zijn zoon vraagt zich intussen af hoe zijn vader is gevormd door zijn eigen vader Benjamin, naar verluidt een harde en koude man. Samen met zijn echtgenote, volgens de overlevering wél een warme vrouw, zette hij elf kinderen op de wereld, waarvan Oscar de laatste is. Een knappe en charmante man, zo wil het verhaal. Een geboren verkoper ook. Hij weet zichzelf aan een veel jongere vrouw te verkopen, Alans moeder Regina Cassuto, en graaft daarmee, figuurlijk gezien, zijn eigen graf.
Het huwelijk, dat de jeugd van Alan en zijn zus Lynn heeft getekend, mondt uit in een echtscheiding. Het is de grootste teleurstelling in Oscars leven – en de meest traumatische ervaring in het leven van zijn zoon. Alan wil daarover in gesprek, maar treft ook dan een onwillige participant in zijn vader. Ondanks alle tegenwerking weet de filmmaker hem toch het een en ander te ontfutselen. En voor de rest gaat hij te rade bij andere familieleden. Over waarom Oscar altijd alleen is gebleven en ook weinig vriendschappen heeft opgebouwd – en hoe het kan dat de tijd blijkbaar niet alle wonden heelt.
Oscar wil zelf ook nog wel het één en ander kwijt. ‘Je had accountant, jurist of ingenieur kunnen zijn’, zegt hij, nét iets te scherp, tegen z’n zoon, die in zijn ogen maar een armzalige filmmaker is geworden. Ondanks zulke stekeligheden laten Oscar en Elkaar elkaar niet los. Ze kunnen samen wel wat hebben en beschikken allebei over meer dan genoeg zelfspot. Nobody’s Business (1996) ontwikkelt zich intussen tot een prikkelende exploratie van familiebanden, ingenieus aangekleed met messcherpe beeldsequenties en typografie, aan de hand van de vraag of je jezelf beter leert kennen als je weet waar je vandaan komt.
Een gedachte over “Nobody’s Business”