Dertig jaar later zijn ze nog altijd spoorloos. Zes jonge vrouwen, in de loop van de jaren negentig verdwenen in The Wicklow Mountains bij Dublin. Zonder duidelijk reden of verdachte. Geraldine Niland, een voormalige misdaadjournalist van de Ierse krant The Sunday Independent, vraagt zich nog altijd af: waar zijn ze? En, natuurlijk, wat is er met hen gebeurd? Was er misschien een seriemoordenaar actief in de zogenaamde ‘Verdwijndriehoek’, een naam die Niland zelf muntte als journalist?
De Garda, de Ierse politie, behandelde de verdwijningen oorspronkelijk als reguliere vermissingszaken. De kans dat de jonge vrouwen, die ook wel eens niet van onbesproken gedrag konden zijn geweest, zich vanzelf wel weer zouden melden was volgens hen aanzienlijk. Hun families waren zeer gefrustreerd dat de Gardaí niet gewoon een moordonderzoek startten. Zij gingen direct uit van een misdrijf. Hun dierbaren hadden geen reden om zich zomaar uit de voeten te maken.
De Ierse politie had volgens Geraldine Niland meteen moeten zoeken naar verbanden tussen de zaken in ‘de Verdwijndriehoek’. ‘Ben je blij dat je het zo noemde?’ vraagt Colette Camden, de maker van de tweedelige truecrime-docu Six Silent Killings: Ireland’s Vanishing Triangle (97 min.) aan haar. ‘Ja, dat ben ik’, zegt de journaliste. Het ging volgens Niland beslist niet om losse gevallen. En zo’n smeuïge term zou misschien kunnen helpen om de zaken in samenhang te gaan zien.
En als de speciaal opgerichte taskforce Operation Trace eindelijk gaat zoeken naar dwarsverbanden tussen de zes zaken en bovendien hulp krijgt van profilers van de FBI, omdat één van de verdwenen vrouwen Amerikaans is, wordt een vrouw uit Carlow bruut aangevallen. Zo komt er in 2000 zowaar een verdachte in beeld. ‘Hij is een jager’, stelt Niland. ‘Hij jaagt niet alleen op dieren, maar ook op vrouwen.’ De man krijgt een tot de (ergste) verbeelding sprekende bijnaam: The Beast Of Baltinglass.
Dit gedegen tweeluik, dat zich nauwelijks schuldig maakt aan effectbejag, zaait echter meteen ook weer twijfel: is deze voor zichzelf werkende timmerman, ogenschijnlijk een brave huisvader, verantwoordelijk voor alle verdwijningen? Zo ja, (hoe) kan dat dan worden bewezen? En, natuurlijk, de vraag der vragen die Geraldine Niland, de misdaadjournalist die zich al een half leven lang heeft vastgebeten in de zaak, al bij aanvang op tafel legde: wáár zijn ze?
Wat wisten we pakweg vijftien jaar eigenlijk over Donald Trump? Behalve dat hij een succesvolle Amerikaanse ondernemer, bekende tv-persoonlijkheid en ideale belichaming van nouveau riche was. Van Don Jr. had sowieso nog geen mens gehoord. En dan wordt in 2011 You’ve Been Trumped (100 min.) uitgebracht en krijgt The Donald ineens de rol van schurk toebedeeld – en zoonlief die van rechterhand en dommekracht.
Deze typische David & Goliath-docu van Anthony Baxter wordt verteld vanuit het perspectief van enkele bewoners van het Schotse graafschap Aberdeenshire. Sinds enkele jaren beijvert Trump zich om daar, op het ongerepte platteland, een golfbaan met luxehotel te bouwen. En de plaatselijke bevolking moet dan maar gaan wieberen. Die leiden toch slechts een ‘slumlife’, aldus de Amerikaanse projectontwikkelaar, die speciaal met zijn Trump-privéjet is ingevlogen en voor de verzamelde pers poseert met een golfclub in de aanslag en twee doedelzakspelers in vol ornaat op de achtergrond. Hij heeft ’t in het bijzonder over ‘buurman’ Michael Forbes. De bonkige boer en visser leeft volgens Donald Trump in een zwijnenstal. ‘Disgusting!’
Bij mensen zoals Forbes, die weigert om zijn land aan Trump te verkopen en samen met zijn moeder Molly het gezicht wordt van het verzet tegen de flamboyante bullebak, worden dus gewoon plotseling het water en de elektriciteit afgesloten of melden zich lieden die de grens van hun land betwisten. En de autoriteiten kijken de andere kant op of lijken zelfs aan de zijde te staan van de Amerikaanse entrepreneur die de Schotse economie een impuls moet geven. Trump krijgt in deze activistische film intussen een Roger Smith-achtige rol toebedeeld, de General Motors-topman die documentairemaker Michael Moore in z’n debuutfilm Roger & Me tevergeefs aan de tand probeert te voelen over de ontslagronde die hij heeft doorgevoerd in zijn woonplaats Flint, Michigan.
Als Anthony Baxter in 2016 de opvolger You’ve Been Trumped Too (79 min.), die overigens ook los van zijn voorganger is te bekijken, het levenslicht laat zien, is Donald Trump al hard op weg om president van de Verenigde Staten te worden en behoort zijn golfresort Menie Estate, waarvoor een groot deel van het traditionele duinlandschap heeft moeten wijken, inmiddels tot het vaste decor van het Schotse graafschap Aberdeenshire. Van de beloofde werkgelegenheid is weinig terechtgekomen. En Molly Forbes, dik in de negentig inmiddels, heeft al jaren niet of nauwelijks stromend water meer, omdat een medewerker van de Trump-organisatie ooit ‘per ongeluk’ de leiding heeft beschadigd en sindsdien nooit meer kans heeft gezien om die te repareren.
Baxter gaat verhaal halen aan de andere kant van de Atlantische oceaan, als de verkiezingscampagne van 2016 op gang komt en er in Michael Moore’s thuishaven Flint zowaar ook een watercrisis is ontstaan, die door de schurk van dit verhaal al even nadrukkelijk wordt genegeerd (en die het onderwerp zal worden van één van Baxters volgende films, Flint). De Britse documentairemaker confronteert gewone Amerikanen nu met wat hun beoogde leider in Schotland heeft aangericht. Die geven niet al te veel sjoege. Ze zijn druk genoeg met hun eigen sores, waarvan de duizenddingenman Trump hen zal gaan verlossen. Zelfs Michael Forbes maakt nog de oversteek, gekleed in Schotse rok, om Cleveland te bezoeken voor de Republikeinse conventie.
Dat Amerikaanse deel van Baxters tweede docu voelt enigszins gekunsteld. De verwikkelingen in Schotland waar de bewoners nog altijd met nieuwe complicaties rond dat prestigieuze golfproject worden geconfronteerd zeggen méér dan genoeg. You’ve Been Trumped (Too), een Michael Moore-achtige actiefilm zonder diens ontwapenende humor, toont nog maar eens aan dat de Donald Trump die we sinds de presidentscampagne van 2016 in de hele wereld hebben leren kennen eigenlijk een logische voortzetting is van de egocentrische patser die zich eerder als zakenman deed geleden. En allebei belijden ze vooral met de (grote) mond dat ze het beste voorhebben met de gewone Schot/Amerikaan.
Hoe begin je een film over bomen? Met een citaat van de Bengaalse dichter en wijsgeer Rabindranath Tagore bijvoorbeeld: ‘The woodcutter’s axe begged for it’s handle from the tree. The tree gave it.’ Met daarna beelden van een bos, in de omgeving van Portland, begeleid door het geluid van tsjilpende vogeltjes. En dan introduceer je jezelf, filmmaker Irene Taylor. Deze boom leeft al langer, vertel je vervolgens aan je zoon, dan iedereen die jij kent en hun grootouders.
Maar hoe leg je daarna uit waarom die documentaire over bomen zo nodig moest worden gemaakt? Een voice-over misschien? ‘Bomen spreken de waarheid’, begint die. ‘En ze vertellen verhalen. Over een man die een zaadje plant in een donkere periode, een jongen die verstopt is in het bos, een andere jongen die verliefd wordt en een vrouw die bomen onsterfelijk maakt.’ Je vat het nog even samen: ‘Wij bewegen door de tijd, maar bomen staan stil.’
En dan kan Trees And Other Entanglements (109 min.), jouw associatieve tocht langs deze en andere personages en hun bomen, wel zo’n beetje beginnen. Over de verhouding tussen mens en natuur. Richard Furuzawa vertelt z’n zoon Matthew bijvoorbeeld over zijn eigen vader, die als Japanse Amerikaan tijdens de Tweede Wereldoorlog naar een interneringskamp werd gestuurd. Daar plantte hij een zaadje, dat de basis vormde voor een weldadige bonsaiboom.
De hoogbejaarde George Weyerhaeuser, die een houtkapbedrijf runde dat al zeker vier generaties in de familie zit, werd als negenjarige jongen ontvoerd en verstopt in, juist, een bos. Ryan Neil ging in Japan in de leer bij een echte bonsaimeester en kwam uiteindelijk van een koude kermis thuis, maar is de kunstvorm toch altijd trouw gebleven. En de fotografe Beth Moon maakt overal in de wereld portretten van bomen, die nogal eens ten dode opgeschreven blijken te zijn.
Het is een bont gezelschap dat voor jou vanuit allerlei verschillende gezichtspunten de relatie tussen mens en boom kan optekenen. En soms krijgt zo’n persoonlijk verhaal ineens een heel ruw randje, zoals bij de zwarte schrijfster Carolyn Finney. Haar ouders beheerden bijna vijftig jaar een landgoed van vijf hectare. Nadat ze waren vertrokken, werd het gebied tot erfgoed uitgeroepen. Alleen met de kersenboom die Carolyns vader aan haar moeder had gegeven liep ’t niet goed af.
En dat is dan weer de link met je eigen vader. De man die jarenlang als een enorme eik boven jou uittorende, waarover je eerder de persoonlijke films Hear And Now en Moonlight Sonata hebt gemaakt, begint nu door dementie het contact met zijn wortels te verliezen. De man kan ieder moment worden geveld. Waar wordt gehakt, moet echter dringend worden herbouwd. Dat vindt tenminste bomenplanter Dirk Brinkman die al bijna een miljoen bomen op z’n naam heeft staan.
Zo ongeveer, maar toch heel anders, meandert Trees And Other Entanglement langs allerlei bewegende mensen, stilstaande bomen en adembenemende vergezichten, in een film die gaandeweg, bijna tot je eigen verbazing, menig hart verovert.
Sinds ze toen hij een peuter was zijn rechtgezet, hebben de voeten van Jørgen Mykløen nooit meer stilgestaan. Dik in de tachtig is hij nu. Talloze stappen hebben ze achtergelaten in de West-Noorse vallei Oldedalen in Vestland. En dat geldt voor zijn volledige familie: Jørgens opa heeft er, naar verluidt nog vóór 1900, een spar geplant. De zogenaamde ‘Weide Spar ‘ torent inmiddels boven alle andere bomen in het glooiende landschap uit en neemt ook een bijzondere plek in binnen de familiegeschiedenis. Zijn oom deed Jørgens tante bijvoorbeeld een huwelijksaanzoek onder die spar.
En Jørgens dochter Margreth Olin heeft de geliefde boom nu voor de rest van de wereld vereeuwigd in de documentaire Songs Of Earth (originele titel: Fedrelandet, 91 min.), een aubade aan haar ouders en de ontzagwekkende wereld die hen, en haarzelf, heeft voortgebracht. Zij woont al dertig jaar niet meer op het Nordfjord, maar kan en wil zich niet losmaken van wat ze nog altijd als thuis beschouwt en grijpt haar kans, de allerlaatste waarschijnlijk, om zich een jaar lang onder te dompelen in de imposante omgeving waarin haar familie thuishoort en de mens zich wel nietig moet voelen.
Terwijl Jørgen door de bergen trekt, gletsjers aanschouwt of aanbelandt bij blauwgroene meren, klinkt steeds het getik van zijn wandelstokken, als de hartslag van een leven dat stilaan zijn einde nadert. Hij vertelt intussen over hun voorouders en hoe zij waren overgeleverd aan de elementen, indringende verhalen die zo nu en dan worden verlevendigd met oude foto’s en zwart-wit beelden. Zijn tocht, die hem ook langs allerlei verschillende dieren voert, wordt begeleid door een immersieve soundtrack van het London Contemporary Orchestra.
Naarmate de jaargetijden voorbijglijden, te midden van al dat natuurschoon, kruipt het leven stiekem naar zijn einde. Margreths moeder Magnhild denkt dat ‘t het beste is als zij eerst gaat. ‘Het idee alleen al Jørgen te verliezen is ondraaglijk.’ Hij denkt er niet al te veel aan. ‘Het leven loopt uiteindelijk af voor ons allebei. Het is niet aan ons wie als eerste gaat.’ Jørgen Mykløens bestaan, dat zich volledig heeft afgespeeld in het adembenemende decor van het Nordfjord, is het particuliere dan allang ontstegen. Met zijn leven drukt hij tot het eind zijn eerste liefde uit: de natuur.
Over honderd jaar zijn jullie allemaal dood. En ik ook. Dat besef, van de onvermijdelijke eindigheid van het leven, is voor kinderen, zo mogelijk, nog moeilijker te bevatten, dan voor ons, door de wol geverfde volwassenen.
Sara Kolster verloor als kind haar driejarige zusje Anna en werd zo al jong met de neus op de feiten gedrukt: ooit zijn we allemaal, juist, Zo Dood Als Een Pier (60 min.). Dit thema heeft ze eerder al eens aangeraakt in de bekroonde radiodocumentaire Toen Ik 5 Was (2017) en de prachtige jeugddocu Wolkenzusje (2020), over het Limburgse meisje Kess dat zich afvraagt of en hoe ze haar overleden zusje Bo moet meenemen naar de middelbare school.
Nu volgt een vierdelige serie waarin kinderen van de 7e Montessori-school in Amsterdam vertellen over van wie ze zoal afscheid hebben moeten nemen. Van de juffen Tineke en Pleun om te beginnen – en nu is er ook nog een andere juf ongeneeslijk ziek. Van oma ook. En van enkele huisdieren. En net als in Wolkenzusje vloeien fly on the wall-documentairescènes en zwierige animaties, die de belevingswereld van de schoolkinderen verbeelden, daarbij op een wonderschone manier samen.
De kinderen krijgen hun eigen plek in de schooltuin toegewezen en worden gevolgd tijdens één complete cyclus, van het zaaien tot het oogsten. Van leven naar dood naar weer leven. ‘Je wordt geboren uit niks en je gaat weer terug naar de aarde uiteindelijk’, legt hun vlotte meester Thijs uit. ‘En dan eten beestjes en plantjes je op en je komt terug in de aarde en wordt weer deel van de natuur.’ En daar wordt ieder van ons, stelt hij samen met zijn gehoor vast, ‘wormenpoep’.
Want, nee, in het leven kun je niet, zoals in een willekeurige game, weer ‘rejoinen’ als je dood bent geweest, constateren de vriendjes Mo en Anthony. Kolster vangt zulke terloopse gesprekjes tussen de kinderen terwijl ze druk bezig zijn met, lekker vlot gemonteerde, andere dingen. Ze laat hen daarnaast ook nadenken over de dood: wat dat eigenlijk is, hoe je dood kunt gaan en wat er daarna met je gebeurt. Hoe ziet de hemel er bijvoorbeeld uit en kun je die hier, gewoon op aarde, alvast maken?
Sara Kolster vervat al die bespiegelingen in ronduit joyeuze beeldtaal. Haar aanpak kenmerkt zich sowieso door lichtvoetigheid. Met humor en, jawel, levenslust gaat ze samen met de kinderen de dood te lijf. Want het leven mag dan niet kunnen bestaan zonder de dood, zonder Moeder Natuur heeft die dekselse Magere Hein ook geen emplooi. Zo legt Zo Dood Als Een Pier voor jong en oud zowel de onverbiddelijkheid van de natuur als het troostrijke karakter ervan bloot.
Want over honderd jaar… juist. Ja, jij ook.
Wat als twee van je juffen overlijden? Juf Pleun stierf aan een hartaanval, juf Tineke aan kanker. In de serie 'Zo dood als een Pier' spreken de leerlingen in de schooltuin over zaaien en oogsten, leven en dood.
Is het een natuurdocumentaire? Ja, als de menselijke natuur daar ook toe wordt gerekend. Diens geestdrift, creativiteit en doorzettingsvermogen bijvoorbeeld. Beter: van Zoe Lucas. In 1971 kwam ze voor het eerst op Sable Island, een eiland in het noordelijke deel van de Atlantische Oceaan, 160 km van de kust van Nova Scotia. Dertig kilometer lang, twee breed. Als kunstacademiestudent kwam Lucas er in eerste instantie vooral voor de paarden. En toen werd ze verliefd op dat eiland.
Inmiddels heeft ze er volgens haar eigen berekeningen zo’n negenduizend dagen gespendeerd. Al het andere heeft ze uit het oog verloren. Ze kan nog altijd bevangen raken door de schoonheid ervan. De prachtige luchten, waterspiegelingen en sterrenhemels. De zeehonden, pissebedden, jan-van-gents, kevers en – natuurlijk! – wilde paarden. Toen Zoe Lucas voor het eerst op het eiland kwam waren dat er ruim honderdvijftig. Inmiddels zijn er al gauw vijfhonderd van de edele dieren.
Ze leven er in volledige vrijheid. Net als hun beschermvrouwe. Die koestert het ontbreken van andere exemplaren van de menselijke soort. Alhoewel, voor Geographies Of Solitude (104 min.) heeft ze gezelschap gekregen van documentairemaker Jacquelyn Mills. Die laaft zich aan de manier waarop Lucas leeft voor, door en met haar omgeving, die ze secuur bestudeert, verzamelt, documenteert in spreadsheets en vereeuwigt met beeld- en geluidsopnames.
Over het persoonlijke leven van Zoe Lucas, haar achtergrond en of ze er ook een sociaal bestaan op nahoudt komt de kijker uiteindelijk betrekkelijk weinig te weten. Over haar oneindige fascinatie voor al wat leeft en sterft – hoe dan, wat blijft er achter en hoe zorgt dit weer voor nieuw leven? – des te meer. En ze weidt tevens uit over het afval – kabels, ballonnen, flesjes, afkomstig uit de halve wereld – dat het strand en de duinen van Sable Island bereikt. Dit dreigt de harmonie te verstoren.
‘Hou je van dit eiland?’ vroeg Jacques Cousteau, de man die ooit de wereldzeeën toegankelijk maakte voor een tv-publiek, haar nu alweer zo’n veertig jaar geleden. ‘Jazeker’, antwoordde zij toen. ‘Het is mijn thuis, eigenlijk.’ Deze contemplatieve film, doorsneden met stukjes 16mm-film die Mills en Lucas met behulp van paardenmest, zeewier en planten hebben ontwikkeld en muziek gemaakt door insecten (!), maakt die weelderige wereld inzichtelijk, maar vraagt wel serieuze aandacht en geduld.
Hoe kan ze hun gezamenlijke leven het beste eren? Door te blijven rouwen om haar plotseling overleden echtgenoot Doug? Of door hun gezamenlijke levenswerk voort te zetten? Uiteindelijk is het geen keuze voor Kris Tompkins: de Amerikaanse klimaatactiviste blijft zich inzetten voor het behoud van het natuurgebied in Patagonië, dat ze sinds begin jaren negentig in bezit hebben. Als eerbetoon aan haar overleden echtgenoot, ooit een fervente bergbeklimmer, wil Kris bovendien ’hun’ bergtop beklimmen in dit gebied, dat zich uitstrekt over de landen Chili en Argentinië.
En daarbij krijgt ze hulp van Jimmy Chin, die samen met Elizabeth Chai Vasarhelyi bekende klimfilms als Meru en Free Solo heeft gemaakt. Tussendoor vertellen ze in Wild Life (92 min.) het verhaal van Kristine’s leven met Douglas Tompkins (1943-2015). Als ze elkaar ontmoeten, hebben de twee al een heel leven, dat hen in andere relaties en bij de kledingmerken Patagonia en Esprit heeft gebracht, achter de rug. De lokale autoriteiten kunnen intussen maar niet geloven dat die ‘lelijke’ Amerikanen werkelijk land opkopen voor een nationaal park. Er moet wel een addertje onder het gras zitten.
Chin en Chai Vasarhelyi tonen hoe Kris en Doug hun gezamenlijke droom, een beschermd natuurgebied met een hernieuwde biodiversiteit, desondanks blijven najagen. Óók als het noodlot toeslaat en hij bij een tragisch ongeluk om het leven komt. Het is een optimistische vertelling. Over hoe ieder mens, met een lumineus idee en een goedgevulde portemonnee, een positieve bijdrage kan leveren aan de wereld. Dat resulteert alleen niet per definitie ook in een héél spannende film – al maken het verdriet en de wanhoop van Kris na het overlijden van haar zielsverwant beslist indruk.
Net als de vastberadenheid waarmee ze zich daarna toch weer aan hun gedeelde ideaal wijdt in deze degelijke documentaire, die de uitbundige flora en fauna van Patagonië in de etalage zet – en zo meteen de noodzaak van het behoud daarvan nog eens onderstreept.
Ze borduurt haar eigen wereld. In de grootse en kleurrijke werken van textielkunstenares Britta Marakatt-Labba is moeiteloos te herkennen wie zij is en waar ze vandaan komt: een vrouw die begaan is met (het voortbestaan van) de wereld, een kind van een uitgestrekt en adembenemend mooi gebied dat zich uitstrekt over meerdere Scandinavische landen en Lapland wordt genoemd en een vertegenwoordiger van de Sami, het nomadenvolk dat daar sinds jaar en dag leeft en rondtrekt met rendierkuddes.
In Historjá: Stygn För Sápmi (Engelse titel: Historjá: Stitches For Sápmi, 59 min.) laat Marakatt-Labba het verstilde, doorgaans met een laag sneeuw of ijs bedekte land van haar voorvaderen zien, dat via prachtige, weidse beelden en droneshots is vereeuwigd door regisseur Thomas Jackson. Intussen dwaalt ze met herinneringen, observaties en verhalen door de inheemse historie, mythologie en cultuur, waarvan zij zelf inmiddels een prominente vertegenwoordiger is geworden.
Haar volk zit al jaren in de verdrukking en moet voortdurend zijn eigen positie bevechten, soms letterlijk. Op grote, cinematische doeken maakt ze ook die strijd inzichtelijk. ‘Ik wil geloven dat onze cultuur zal overleven’, zegt ze over de clash, die in haar jonge jaren tot een climax kwam tijdens massale protesten tegen de komst van een fabriek bij de Alta-rivier. ‘Dat we kunnen behouden wat van ons is, de taal en het land, de dieren en het Arctische klimaat dat we altijd hebben gehad. Dat is altijd met elkaar verweven.’
Want haar wereld wordt eveneens bedreigd door klimaatverandering. De rendieren waarvan en waarmee de Sami van oudsher leven hebben het moeilijk. De natuur spreekt tot ons, zegt Marakatt-Labba ferm. Als we maar luisteren. Ook haar kunst, inmiddels doorgedrongen tot collecties en exposities in de hele wereld, spreekt in dat opzicht boekdelen. En deze film, fraai en bespiegelend, brengt haar centrale boodschap – zorg goed voor de wereld en dus ook voor ons – helder over het voetlicht.
Nadat hij in de openingsscène van Paved Paradise (92 min.) enthousiast is begonnen om de pracht en praal van de natuur te bezingen, schakelt bioloog Hidde Boersma al snel, en ogenschijnlijk automatisch, door naar een alarmerend betoog over de zesde extinctiegolf. Want daar zitten we blijkbaar middenin. Driekwart van de dieren en planten zou daarbij wel eens kunnen uitsterven. ‘En de oorzaak?’ doceert Boersma. ‘Dat zijn wij. Dat is de mens…’
‘Hee, droeftoeter’, onderbreekt regisseur Karsten de Vreugd zijn vriend die net lekker op stoom begint te komen. ‘Gaan we nou weer een depressieve film maken, waarmee we mensen een kutgevoel geven?’ Nee, daarvan zijn er al genoeg, concluderen ze gezamenlijk. Tegelijkertijd blijft Hidde van mening dat ze het moeten hebben over de voornaamste oorzaak voor die extinctiegolf. ‘En nee, dat is dus niet klimaatverandering.’ Dat is namelijk ons voedselsysteem.
En daarover gaan ze het dus hebben in deze film, die is opgetrokken rond de permanente dialoog tussen Boersma en De Vreugd en de gesprekken die ze tussendoor voeren met deskundigen zoals schrijver/zoöloog George Monbiot, hoogleraar landgebruiksplanning Martha Bakker en GroenLinks-Europarlementariër Bas Eickhout. Met hen wil het Nederlandse tweetal onderzoeken hoe (en of) biodiversiteit en voedselproductie met elkaar kunnen worden gecombineerd.
Is de biologische landbouw, die wordt gepropageerd vanuit Europa, wel de oplossing voor de huidige problematiek? Zulke ‘land sharing’ heeft voor dezelfde opbrengst immers meer grond nodig. En juist daaraan is een tekort. Samen komen ze tot een in eerste instantie contra-intuïtieve conclusie: de biodiversiteit is juist gebaat bij intensivering, meer voedsel produceren op minder land. Daarnaast moet er meer ruimte komen voor landschapsbeheer. Ofwel, met een Engelse vakterm: ‘land sparing’.
Met veel tongue-in-cheek humor, straffe muziekjes en montagegrapjes baant het druk pratende duo zich vlot een weg langs allerlei mensen en initiatieven. In eigen land, maar ook in Engeland, Portugal én Costa Rica, het enige land ter wereld dat, in de jaren tachtig, van ‘land sparing’ officieel beleid heeft gemaakt. Door de toenmalige minister van milieu Alvaro Umana laten Boersma en De Vreugd zich nu bijpraten over dit revolutionaire beleid dat een succesverhaal lijkt te zijn geworden.
Intussen waken de twee Nederlanders er wel voor dat ze geen depressieve film maken – al dreigt Paved Paradise daardoor soms wel een beetje De Hidde & Karsten Show te worden. Al met al heeft deze documentaire ook voor de stoïcijnse en sceptische kijker echter genoeg te vertellen, een boodschap te verkondigen zelfs, om het denken over de toekomst van de Nederlandse landbouw verder op gang te brengen en wellicht zelfs een beetje te kantelen.
Daarvoor moeten alle landbouwministers van Europa dan wel eerst op vakantie naar Costa Rica.
Het verhaal is te mooi om niet opnieuw te worden verteld.
Over de armlastige Duitse edelman die in 1937 ‘omhoog trouwde’ en een Nederlandse prins werd. Een onverzadigbare charmeur die er in de hele wereld liefjes – en kinderen – op nahield. De ritselaar die het z’n hele leven niet al te nauw nam met de regeltjes. Een man van de wereld met oog voor het goede leven en een gigantisch gat in zijn hand. De oorlogsheld die na de Lockheed-affaire geen uniform meer mocht dragen. Een fervente jager die het boegbeeld van het Wereld Natuur Fonds werd. En – niet te vergeten – de bon vivant die (op z’n minst een beetje) model zou hebben gestaan voor het personage James Bond.
Als één Nederlander zich leent voor zijn eigen documentaire, dan is het Prins Bernhard (132 min.). Zoals er ook al talloze biografieën en series zijn gewijd aan Bernhard van Lippe-Biesterfeld (1911-2004) en zijn echtgenote, koningin Juliana. De schrijvers daarvan – Annejet van der Zijl, Jolande Withuis, Gerard Aalders, Marc van der Linden en Jutta Chorus – leveren ook stuk voor stuk een bijdrage aan deze driedelige serie van Joost van Ginkel, die met oud-premier Dries van Agt, Bernards nooit erkende dochter Mildred Zijlstra en allerlei intimi sowieso sterk is bezet. Al schittert de Koninklijke familie zelf natuurlijk door afwezigheid.
De documentairemaker serveert alle smeuïge anekdotes, scherpe observaties en ferme conclusies in hoog tempo uit in hapklare hoofdstukjes en stut die met heerlijk archiefmateriaal, illustratieve scènes en tekeningen uit de aan Bernhard gewijde strip Agent Orange. Van Ginkels toon is over het algemeen kritisch, maar hij heeft ook oog voor ‘s mans charmes en verdiensten. Met een wel erg frivole soundtrack – waarin het ene op het andere voor de hand liggende hitje volgt, liefst met een héél toepasselijke tekst – maakt hij het larger than life van zijn hoofdpersonage bovendien toegankelijk voor een groot publiek.
Al die input over een eeuwige kwajongen, netjes op een rijtje gezet en ingekaderd, resulteert weliswaar niet in nieuwe inzichten over de man die in zijn eigen avonturenroman leefde, maar brengt hem, een kleine twintig jaar na zijn dood op 93-jarige leeftijd, wel weer helder in het vizier. Als de belichaming van prinsheerlijk leven – en het mooie verhaal dat nodig weer eens verteld moest worden.
Begin 2025 bracht Videoland Beatrix uit, een driedelige serie van Joost van Ginkel over Bernhards dochter, koningin Beatrix.
Wat eens vertrouwd was, heeft nu al zijn herkenbaarheid verloren. Filmmaker Marleen van der Werf gaat in de natuur van haar directe omgeving op zoek naar beelden die haar gevoel voor verlies en vergankelijkheid kunnen uitdrukken.
Het beeldessay Rouw (31 min.) blijft bijna volledig woordloos – wellicht omdat letters, in welke volgorde je ze ook zet, toch altijd tekort schieten – en is ook vrijwel ontdaan van kleur – zoals dat kan gebeuren als iets of iemand een krater in je bestaan slaat. Geluiden zijn eveneens nauwelijks te ontwaren.
Traag zinkt Van der Werf weg in die grauwe en onherbergzame wereld, waarin ze niettemin soms een teken van leven ontwaart. Een slak die stilletjes uit zijn huisje kruipt, het zwarte paard dat roerloos de regen trotseert en een os die tegen de gure wind in een besneeuwde heuvel oploopt. Tekenen van hoop of juist accentuering van wat was en nooit meer is?
Rouw is geen lineair proces. Zoals deze korte documentaire ook geen verhaal met een duidelijke kop en staart bevat. De goede verstaander zal zelf zin moeten geven aan de stelselmatig tussen donker en licht laverende ontdekkingstocht, die gaandeweg wel – of is dat de schijn die bedriegt? – iets aan kleur lijkt te winnen.
De pijn verbijten, de tijd vergeten en nooit twijfelen of je krijgt wat je verlangt. Dat is kortweg, in de woorden van de Franse romanschrijver en rasavonturier Sylvain Tesson, de attitude van zijn reisgenoot in The Velvet Queen (originele titel Les Panthère Des Neiges, 92 min.). Natuurfotograaf Vincent Munier heeft Tesson meegenomen naar het Tibetaanse hoogland. In dat adembenemende decor, op duizenden meters hoogte en in ijzige kou, hopen ze samen een sneeuwluipaard te betrappen.
Tijdens hun wekenlange voettocht praat de fotograaf zijn metgezel fluisterend bij over de dieren die ze ontwaren: antilopen, blauwschapen, yaks, Tibetaanse vossen of blauwe beren. Samen verbazen ze zich over deze majestueuze wereld, waarin de mens niet meer is dan een voetboot. De heilige graal, zo’n ongrijpbaar luipaard, blijft vooralsnog echter buiten (camera)bereik. ‘Waar is mijn kameraad naar op zoek?’ vraagt Tesson, die als verteller fungeert, zich ondertussen af. ‘Rondsnuffelend tussen de rotsen met zijn verrekijker.’ Munier zegt dat hij vooral de schoonheid van de natuur wil vieren. Hij is er niet op uit om de onvolkomenheden daarvan bloot te leggen.
Die houding, vervat in een ontzag voor al wat leeft of geleefd heeft, geeft hun queeste – en daarmee ook deze film – een groots en filosofisch karakter. Waarbij de twee mannen steeds die ene zin in hun achterhoofd houden: Big Brother is watching you. Misschien zien wij het dier dat we zoeken niet, maar dat ziet ons wel degelijk. Illustratief daarvoor is de intrigerende foto van een valk die de Franse fotograaf tijdens een eerdere reis naar Tibet heeft gemaakt. Is dat werkelijk een sneeuwluipaard dat hem vanachter die rotspartij gadeslaat? Of is het toch een zinsbegoocheling?
Munier en Tesson gebruiken alles wat ze hebben om het mythische dier alsnog te vangen. Ze plaatsen bijvoorbeeld op strategische plekken kleine, gecamoufleerde cameraatjes, in de hoop zo een glimp van een sneeuwluipaard te kunnen opvangen. Dat streven naar een ogenschijnlijk vrijwel onbereikbaar doel drijft deze magnifieke documentaire van Marie Amiguet, waarin de vergezichten van Tesson en Munier, het weldadige decor en de prachtige soundtrack van Warren Ellis, gemaakt in samenwerking met Nick Cave, op een glorieuze manier versmelten. Via deze ontzagwekkende wereld laat The Velvet Queen de mens zien zoals hij werkelijk is: een nietig wezen, dat ongegeneerd begeesterd en ontroerd kan, mag én moet raken door al wat hem omgeeft.
Het vergt weinig inlevingsvermogen om de nietigheid van de mens – en van bijna al wat leeft – te ervaren tijdens het bekijken van Berg (79 min.). De verstilde documentaire van Joke Olthaar, geschoten in expressief zwartwit, bestaat vrijwel volledig uit berglandschappen, vereeuwigd in het Triglav National Park in Slovenië. Als op die stillevens al mensen zijn te ontwaren, dan is het in de vorm van minuscule kleine poppetjes die bijna wegvallen tegen het indrukwekkende decor. Figuren met het formaat van een vlieg of insect, die dus ook in een oogwenk kunnen worden verdelgd door Moeder Natuur.
Gesproken wordt er alleen in de begin- en slotscène. Enkele zinnetjes maar. En dan ook nog off screen. Berg biedt verder geen enkel menselijk gezicht als houvast. Olthaar volgt weliswaar drie bergwandelaars, maar ook zij blijven figuranten in een spel dat hen – en ons allen – ontstijgt. Wind, onweer of simpelweg de ondergaande zon begeleiden hen tijdens hun tocht door een wereld die voortdurend van kleur verschiet en die mens en dier op alle mogelijke manieren en op elk ogenblik kan overweldigen. De documentairemaakster ondersteunt dit met een minimalistisch geluidsdecor.
De scope van de film en de precisie waarmee Joke Olthaar, tevens actief als theatermaakster, tegelijkertijd kijkt naar de ontwikkelingen die zich voltrekken in haar kader, behoren zonder twijfel tot de zegeningen van deze immersieve film, die in de tweede helft even wordt onderbroken door de komst van een helikopter en oude beelden in kleur van een reddingsactie. Voor wie doorgaans steun zoekt bij personages of wil worden meegenomen door een verhaal blijft Berg nochtans precies wat de titel al belooft: een uitdaging die slechts voor een select gezelschap is weggelegd.
De aarde kan zich natuurlijk geen betere pleitbezorger wensen dan Sir David Attenborough. In de driedelige serie Life In Color (144 min.) buigt de hoogbejaarde Britse bioloog zich over de rol van kleur in de natuur. Kleuren waaraan we ons al sinds jaar en dag vergapen. En kleuren die wij, als mensen, helemaal niet kunnen zien en die nu met behulp van ‘speciaal voor deze serie ontwikkelde camera’s’ toch zichtbaar worden gemaakt.‘
Geheime communicatiekanalen voor de meest persoonlijke berichten’, oreert Attenborough daarover dat het weer een lieve lust is bij het begin van de serie, die natuurlijk ook weer een lust voor het oog is. ‘En zulke krachtige en prachtige kleuren dat ze onze zintuigen overrompelen. Om een partner te vinden, een rivaal te verslaan, een vijand te waarschuwen of je ervoor te verstoppen.’
In aflevering 1 exploreert de serie dieren die met kleuren proberen te imponeren. De pauw natuurlijk, maar ook ara’s, mandrils, kolibries en paradijsvogels. In de tweede episode duiken David Attenborough en zijn team in camouflagekleuren. Dit resulteert bijvoorbeeld in een enerverende scène waarin een Bengaalse tijger een groepje axisherten, dat hem door zijn schutkleuren nauwelijks kan waarnemen, probeert te besluipen. Uiteindelijk slaan enkele langoer-apen alarm.
De casus van de tijger wordt verder uitgewerkt in de laatste aflevering van Life In Color, waarbij de ‘kleurenblindheid’ van zijn prooien met een speciale bril wordt nagebootst. Zo wordt zichtbaar waarom de indrukwekkende jager zo lang onzichtbaar kan blijven. De slotaflevering concentreert zich nadrukkelijk op zulke pogingen van wetenschappers en filmers, bijvoorbeeld met een ultravioletcamera, om de alomtegenwoordige kleurenpracht te vatten.
Dat is beslist interessant, maar haalt ook de magie van al die indrukwekkende beelden uit de voorgaande twee uur, verlevendigd met een speelse soundtrack, een heel klein beetje weg.
Het is een aangrijpend tafereel. Boer Bert ter Beek uit Oene, een man die je direct in je hart sluit, bidt het Onze Vader en heft vervolgens, te midden van de loeiende koeien in zijn stal, Psalm 121 aan. Als Bert klaar is, gaat hij aan het werk met de mannen die zijn gekomen om zijn vee te ruimen. Hij pakt een touw en leidt de eerste de beste koe de vrachtwagen in. Zijn hoogbejaarde vader kan het niet aanzien. Bert slaat zijn arm om hem heen en zegt troostend: ‘Stil maar, jongen. We redden het wel.’
‘De burger begrijpt de boer niet meer’, constateert verteller Felix Meurders aan het begin van de vierdelige serie De Boerenrepubliek (200 min.) van Hans Hermans en Martin Maat. ‘En de boer snapt de overheid al helemaal niet meer.’ De Brabantse varkensboer Frans Meulenmeesters verwoordt dat gevoel perfect. ‘Het is nooit, maar dan ook nooit, maar dan ook nooit genoeg.’ ‘s Mans bittere constatering vormt de opmaat naar een breed opgezette, empathische en genuanceerde rondgang langs de permanente botsing van belangen tussen boer, natuur en overheid, aan de hand van de MKZ-crisis in het voorjaar van 2001. Die ijlt twintig jaar na dato nog altijd na in agrarisch Nederland.
Het eerste geval van mond- en klauwzeer werd aangetroffen in Oene, een dorp in het Noordoosten van Gelderland dat direct in lockdown moest – een term die toen overigens nog helemaal niet werd gebruikt. De plaatselijke melkveehouder Albert Hassink haalde destijds het NOS Journaal met een videodagboek vanuit zijn eigen bedrijf. De beelden maken nog altijd indruk. ‘Die worden allemaal afgemaakt’, zegt Hassink met een snik in zijn stem, bij de aanblik van zijn ogenschijnlijk kerngezonde koeien. ‘Daar heb je je hele leven hard voor gewerkt. Je ouders, je voorouders, om dit op te bouwen. Het wordt in één dag allemaal afgemaakt. Allemaal.’ Hij sluit zijn video af met een oproep aan de toenmalige minister van landbouw, Laurens Jan Brinkhorst: ‘Minister, dit gaat fout. Dat ziet u toch ook wel?’
‘De reactie van deze boer begrijp ik heel goed’, reageert Brinkhorst twintig jaar later. ‘De individuele boer valt niks te verwijten.’ Het is volgens de oud-minister wel tragisch: omdat Nederland zelf – met steun van belangenorganisaties van de boeren – een toonaangevende exporteur van landbouwproducten wilde worden, moest het Europese non-vaccinatiebeleid worden ingevoerd. ‘De gevolgen zijn natuurlijk dat je je export kwijt bent als je gaat vaccineren.’ En dus werd er niet geënt, zoals de betrokken boeren wilden, maar ‘geruimd’, een eufemistische term voor het doden van de dieren. ‘Koeienmoord’, volgens sommige agrariërs. Van in totaal zo’n kwart miljoen, voor het grootste deel gezonde dieren. Dat zou uiteindelijk leiden tot rellen in Kootwijkerbroek. En die waren dan weer een logisch vervolg op de boerenprotesten van de jaren negentig en een voorbode van de grootschalige acties die organisaties als Farmers Defence Force tegenwoordig opzetten.
In deze ambitieuze reeks worden al die elementen, zo nu en dan met ingrijpen van voice-over Meurders, op een logische manier met elkaar verbonden: van de uitbraak van varkenspest tot het huidige stikstofbeleid en de Coronacrisis (die in 2001 al min of meer werd voorspeld door viroloog Ab Osterhaus). Met oog voor zowel de gevoelens en belangen van de Nederlandse boer als van zijn natuurlijke opponenten, de natuur- en dierenbeschermers. Die spreken over dierenbevrijding, een klimaatcrisis en gebrek aan biodiversiteit (en als gevolg daarvan zoiets als ‘landschapspijn’). Beide partijen lijken elkaar gevangen te houden in een kansloze strijd, waarin ook hun gezamenlijke vijand, ‘de politiek’, vooralsnog het verschil niet weet te maken.
Sinds de MKZ-crisis is het aantal boeren gehalveerd en het aantal dieren gelijk gebleven. Dat lijkt vragen om problemen. Alleen een fundamentele herbezinning zou de Gordiaanse knoop die de Nederlandse landbouw gaandeweg is geworden kunnen ontwarren. De Boerenrepubliek besteedt in dat kader ook aandacht aan veelal kleinschalige initiatieven om het boeren te vernieuwen. Uiteindelijk bepaalt de consument natuurlijk welke daarvan succesvol kunnen zijn. ‘Drie keer per dag hebben wij als mensen een stem in wat voor voedselsysteem wij willen’, stelt varkenshouder Jeffrey Korsmit uit Sint Willebrord. Hij houdt zijn Magalitza varkens gewoon buiten, waar ze lekker in de modder kunnen rollen. Voor hem en het welslagen van zijn bedrijf is het vanzelfsprekend essentieel dat de kwaliteit van het product (weer) voorop komt te staan.
Op een respectvolle manier belicht deze verzorgde serie zo, aan de hand van een crisis die diepe sporen heeft getrokken door de boerengemeenschap, alle verschillende posities en perspectieven rond de Nederlandse landbouw en hoe de toekomst daarvan eruit zou kunnen zien.
Boze boeren op het Malieveld; het is een beeld dat we nu geregeld zien. Hoe kon het zo ver komen? In de vierdelige docuserie 'De Boerenrepubliek' wordt de MKZ-crisis van 20 jaar geleden en het verband tussen de huidige protesten. Kijk om 20:30u op @NPO2https://t.co/HUGEYI5nBRpic.twitter.com/N0OFWJQWqF
Bijna een halve eeuw geleden waarschuwde een groep prominente wetenschappers, verzameld in de Club van Rome, al dat de aarde de oneindige behoefte aan beter, groter en meer van de mens nooit aan zou kunnen. Het rapport De Grenzen Aan De Groei fungeerde in 1972 als een wake-up call voor een complete generatie: het moest en zou anders met de wereld. Renée Scheltema was één van hen. Ze herinnert zich nog goed hoe ze tijdens de oliecrisis ging rolschaatsen op autoloze zondagen. Tegelijkertijd zag ze dat er uiteindelijk (te) weinig veranderde. Economische groei bleef leidend.
Sinds begin jaren negentig woont de Nederlandse met haar gezin in Zuid-Afrika. Gaandeweg groeide bij haar behoefte om de staat van de aarde op te maken in een persoonlijke film en te bekijken hoe de klimaatverandering, milieuverontreiniging en de massale uitroeiing van allerlei diersoorten tot staan kan worden gebracht. Want het roer moet om volgens haar en, zoals wiskundige/filosoof Charles Eisenstein het uitdrukt, Normal Is Over (102 min.). Dat uitgangspunt brengt haar gedurende enkele jaren naar alle uithoeken van de wereld, waar ze in gesprek gaat met wetenschappers, deskundigen en activisten.
De teneur van de film is beurtelings idealistisch, alarmistisch én hoopvol. Want initiatieven om de zaak ten goede te keren zijn er ook volop. Al blijft het vigerende maatschappijmodel, en de daarmee verbonden economische mores en verhoudingen, erg hardnekkig. Een enkele keer stuit Scheltema tevens op een luchtig tafereel, zoals wanneer de enorme koe van dierenactiviste Marina Rust-Evans in de keuken belandt en het halve interieur dreigt te verpletteren. Knuffelend krijgt de ‘cowgirl’ hem uiteindelijk toch weer naar buiten.
Door zijn inhoud en toonzetting zal Normal Is Over, dat ongegeneerd ijvert voor een betere wereld, niettemin vooral aftrek vinden bij een kijkersgroep, die zich sowieso al bekommert om de toekomst van de aarde en haar bewoners. Want om de (meeste) ideeën in de documentaire te omarmen, zal ieder van ons ook zijn eigen streven naar economische groei moeten loslaten. En dat lukt vermoedelijk pas als we in ons eigen leven de absolute noodzaak daartoe zien.
Wellicht dat de Coronacrisis daarin nog als vliegwiel gaat fungeren…
Dit verhaal zou zich kunnen afspelen op een onontgonnen stuk wildernis in Zuid-Amerika. Of op een nagenoeg verlaten Indonesisch eiland. Met ontblote bast peddelt een groepje verwilderde jongens in een bootje door het water. Op zoek naar vis, een zwaan achtervolgend. Volledig één met de natuur. Op de achtergrond prijkt alleen een rijtje grauwe flats. De Roemeense hoofdstad Boekarest bevindt zich op nauwelijks een steenworp afstand.
Twintig jaar geleden nam de gypsy Gica Enache, teleurgesteld in de reguliere maatschappij, zijn vrouw Niculina mee naar Vacaresti, een verwaarloosd natuurgebied met meren en wilde dieren vlakbij de stad. Daar voedden ze samen maar liefst negen kinderen op. De pater familias doet denken aan het Viggo Mortensen-personage uit de fraaie speelfilm Captain Fantastic, een vader die zijn kroost in de bossen probeert te behoeden voor de consumptiemaatschappij. Tagline: he prepared them for everything except the outside world.
Zoals ook de vergelijking met de documentaire The Wolfpack, over de zes broers Angulo die van hun dominante vader jarenlang hun New Yorkse appartement nauwelijks mochten verlaten, zich onvermijdelijk aandient bij Acasă, My Home (86 min.). Zeker omdat ook hier de buitenwereld zich steeds nadrukkelijker meldt in de wereld van de Enaches, in de vorm van ambtenaren die van Vacaresti een beschermd natuurpark willen maken en de kinderbescherming die zich zorgen maakt over het welzijn van de kinderen.
Dat kan niet goed gaan. En dat doet het dus ook niet. ‘Wil je zien hoe ik mezelf in brand steek?’ roept de patriarch theatraal als zo’n groepje bemoeials zich meldt op het vervuilde erf bij zijn hut. ‘Gewoon voor de show.’ Voordat hij, met een peuk in de hand, de daad bij het woord kan voegen, wordt de boel gesust. De Enaches zullen moeten terugkeren naar de maatschappij die ze de rug toe hadden gekeerd. En vader Gica, die kampt met gezondheidsproblemen en mede daardoor de controle verliest, gaat mee. Of hij dat nu wil of niet.
De kinderen worden daar eens goed gewassen, gaan naar de kapper en stromen ook in op school, waar ze lezen, schrijven en rekenen kunnen leren. De domesticatie van de zigeuners, een bevolkingsgroep waarop menige Roemeen neerkijkt, verloopt desondanks niet zonder strubbelingen. In deze fraaie debuutfilm van onderzoeksjournalist Radu Ciorniciuc blijven twee totaal verschillende ideeën over het leven met elkaar botsen. Aarden in de nieuwe wereld gaat dus bepaald niet vanzelf, terwijl terugkeren naar de oude eveneens onmogelijk is.
Het is het centrale dilemma van de familie Enache – en vrijbuiters in het algemeen – dat Ciorniciuc vervat in een beeldende vertelling, waarin vissen en het eten of verkopen daarvan een symbolische lading krijgt. Als manier van in contact blijven met de natuur, als product om in het eigen levensonderhoud te kunnen voorzien en als activiteit die in de bewoonde wereld alleen op afgesproken plekken geoorloofd is. Het komt allemaal samen in een film die inmiddels diverse filmprijzen won, waaronder de Cinematography Award op het Amerikaanse Sundance Film Festival.
Als iemand liefde voor de aarde verpersoonlijkt, dan is het David Attenborough. De Britse bioloog en televisiemaker mag vanwege zijn vele natuurdocumentaires en -boeken tegenwoordig zelfs ‘sir’ voor zijn naam zetten. Hij is inmiddels dik in de negentig en nog even bevlogen als altijd. ‘Dit is mijn getuigenverklaring en mijn visie voor de toekomst’, zegt de geboren verteller bij aanvang van David Attenborough: A Life On Our Planet (83 min.).
Deze film kan worden beschouwd als de aanbiedingsbrief bij zijn nalatenschap, gericht aan de wereld waarvan hij binnen afzienbare tijd toch afscheid zal moeten nemen. Het is een ontdekkingsreis door zijn eigen leven, de ontwikkeling van de aarde en de impact van de mens daarop, elementen die samenkomen in ‘s mans grenzeloze liefde voor mens, plant en dier en zijn zorgen over hun toekomst. Er zijn geen restricties, concludeert hij droef. ‘We kunnen blijven consumeren. Totdat de aarde op is.’
In zekere zin is deze documentaire van Alastair Fothergill, Jonnie Hughes en Keith Scholey herkenbaar als een typische Attenborough-productie: de imposante beelden van de aarde als habitat voor al wat leeft en de uit duizenden herkenbare stem waarmee hij die op weergaloze wijze toegankelijk maakt voor een groot publiek hebben nog niets aan kracht ingeboet. De toonzetting is alleen somberder. Hier spreekt een man die alles wat hem lief is door zijn handen ziet glippen.
‘De wereld is echt niet meer zo wild als ie ooit was’, lamenteert hij over de biodiversiteit die hij zijn hele leven lang heeft bezongen en die nu rücksichtslos dreigt te worden vertrapt. ‘Dat hebben we vernietigd.’ Attenborough zou echter Attenborough niet zijn als hij geen uitweg zag uit de misère. Deze persoonlijke getuigenis wordt afgesloten met een plan de campagne voor een behouden toekomst. ‘Als wij voor de natuur zorgen’, klinkt het vol vertrouwen, ‘zal de natuur voor ons zorgen.’
Bekentenis: er zijn dagen dat ik niet aan koraalriffen denk. Of aan de verschraling en verdwijning ervan, die het gevolg zou zijn van klimaatverandering (of onderdeel is – dat zou natuurlijk ook kunnen – van een concept dat door de Chinezen werd bedacht om de Amerikaanse industrie te ontwrichten).
De documentaire Chasing Coral (89 min.), opvolger van het voor een Oscar genomineerde Chasing Ice, is niet minder dan een manifest, een oproep om het tij te keren. Koralen zijn essentieel voor het ecosysteem, zo betoogt regisseur Jeff Orlowski, ondersteund door een hele trits deskundigen. Je kunt tenslotte ook de bomen niet uit het bos weghalen.
De pogingen van wetenschappers en activisten om op allerlei exotische plekken onder water (prachtig) bewijsmateriaal te verzamelen, waarin letterlijk is te zien hoe de koralen afsterven, vormen het hart van deze documentaire. Die beelden geven deze groots opgezette film zelfs, als je er gevoelig voor bent, een emotionele climax.