Nick Cave’s Veiled World

Sky

In zijn werk gaat Nick Cave onbevreesd de confrontatie aan met het onderbewuste. ‘Hij is op zoek naar de menselijke ziel’, stelt filmmaker Wim Wenders bij de start van Nick Cave’s Veiled World (65 min.). ‘Nick wil weten waarom hij op aarde is. Niet veel mensen willen dat weten.’ Schrijver Irvine Welsh vult aan: ‘We krijgen allemaal met pijn en verlies te maken, met vreugde en euforie. Deze elementen zijn voortdurend met ons in gevecht. En voor mij is dat de plek waar grootse dingen ontstaan.’

Het is helder: in dit associatieve portret probeert Mike Christie de Australische zanger, songschrijver, componist en auteur psychologisch te duiden. In plaats van een ‘en toen en toen en toen’-doorloop van zijn carrière neemt hij een kijkje achter de façade bij de man en kunstenaar, die in z’n oeuvre zo vaak de donkere kanten van het bestaan opzoekt. Hij vervat de ontwikkeling die Cave heeft doorgemaakt in vijf archetypen: de bandiet, de schaduw, de pelgrim, het goddelijke kind en de profeet. Nick Cave zelf komt daarover overigens slechts beperkt – en volledig buiten beeld – aan het woord.

Christie verlaat zich liever op intimi, zoals Warren Ellis, Thomas Wydler en Colin Greenwood (zijn band The Bad Seeds), producer Nick Launay (The Birthday Party), fotograaf Polly Borland, schrijver Seán O’Hagan (co-auteur van het boek Faith, Hope And Carnage), modeontwerper Bella Freud, aartsbisschop Rowan Williams en de filmmakers John Hillcoat, Isabella Eklöf en Pete Jackson (de tv-serie The Death Of Bunny Munro, gebaseerd op Caves gelijknamige roman), Andrew Dominik (One More Time With Feeling en This Much I Know To Be True) en Iain Forsyth & Jane Pollard (20.000 Days On Earth).

Deze insiders worden stuk voor stuk geïnterviewd in een spaarzaam ingerichte ruimte, waarin één of meerdere meubelstukken zijn afgedekt – als de kanten van de menselijke psyche die verborgen (willen) blijven. In Caves songs krijgen die de kans om zich alsnog in al hun lelijke schoonheid te tonen. Terwijl ze z’n teksten lezen vanaf een typemachine laten Cave-fans zoals Florence + The Machine-voorvrouw Florence Welch (The Mercy Seat) en Red Hot Chili Peppers-bassist Flea (Bright Horses) en de bevriende kunstenaar Thomas Houseago (White Elephant) zijn woorden bovendien op zich inwerken.

Samen schetsen zij een kunstenaar, die al enige tijd boven elke kritiek verheven lijkt te zijn – niet zonder reden overigens. Vraag is wel: waar houdt de man op en begint de mythevorming? Daarop geeft deze boeiende exegese van de kunstenaar Nick Cave geen eenduidig antwoord. Duidelijk is dat hij een enorme ontwikkeling – met de dood van zijn vijftienjarige zoon Arthur in 2015 als scharnierpunt – heeft doorgemaakt: van een losgeslagen podiumbeest dat zijn publiek bijna vijandig tegemoet trad naar een ‘wilde God’ die van zijn concerten zowat een plek voor geloof, hoop en liefde heeft gemaakt.

Jodorowsky’s Dune

Sony Pictures Classics

Aan grote ideeën bepaald geen gebrek. De Chileens-Franse filmmaker, striptekenaar en acteur Alejandro Jodorowsky wil halverwege de jaren zeventig een film maken met een hallucinerend effect, vertelt hij een kleine dertig jaar later begeesterd. Hij wil een profeet creëren die alle jonge mensen in de wereld kan veranderen. Iets heiligs, iets vrijs. Waarmee de geest kan worden geopend. ‘Voor mij’, benadrukt Jodorowsky nog maar eens, ‘wordt Dune niets minder dan de komst van een God. Een artistieke, cinematografische God!’

Tot zover de theorie, de praktijk blijkt weer eens verdomd weerbarstig. Na het succes van de cultfilms El Topo (1970) en The Holy Mountain (1973) ligt de wereld aan Jodorowsky’s voeten. De (over)ambitieuze regisseur voelt nochtans de drang om zich te bevrijden uit zijn ‘eigen gevangenis’. Hij stapt echter regelrecht de kerker van de Amerikaanse filmindustrie in. ‘En toen begon ik het gevecht om Dune te maken’, trapt hij de documentaire Jodorowsky’s Dune (88 min.) van Frank Pavich uit 2013 definitief af. En een gevecht zal het worden om de befaamde sciencefictionroman van Frank Herbert te verfilmen!

In eerste instantie verloopt alles crescendo. Voor het storyboard vraagt Jodorowsky de befaamde Franse striptekenaar Jean Giraud (Blueberry), alias kunstenaar Moebius. Hij gaat in zee met de special effects-expert Dan O’Bannon en weet zelfs de Britse superband Pink Floyd te verleiden om de soundtrack te maken. En nadat de regisseur de Amerikaanse acteur David Carradine (Kung Fu) heeft gestrikt voor een belangrijke rol, volgen er nog enkele andere héle grote namen, zoals de befaamde Spaanse kunstenaar Salvador Dali, met zijn muze Amanda Lear. Mick Jagger. En, jawel, Orson Welles.

Totdat de machine plotsklaps tot stilstand komt. De filmstudio’s in Hollywood zijn eensgezind: het plan is super, maar ze hebben hun twijfels over de regisseur. ‘Dit systeem maakt slaven van ons’, reageert die venijnig. ‘Zonder waardigheid, zonder diepte. Met een duivel in onze zak.’ Waarna Alejandro Jodorowsky theatraal een stapeltje geldbiljetten tevoorschijn haalt. Einde verhaal! Regisseur Nicolas Winding Refn is de enige die de film ooit heeft gezien. In zijn hoofd, op bezoek bij Jodorowsky. Die liet hem z’n eigen Dune-boek zien en schetste daarbij de film. ‘En ik kan je vertellen: hij is geweldig!’

Sterker: Dune is waarschijnlijk de beste film die nooit is gemaakt. Dat wordt tenminste gezegd door Richard Stanley. Hij stond zelf ook aan het roer bij een gedoemde film, die uiteindelijk overigens wél is gemaakt: The Island Of Dr. Moreau (1996). En aan het rampzalige productieproces daarvan is ook weer een docu gewijd: Lost Soul: The Damned Journey Of Richard Stanley’s Island Of Dr. Moreau (2014). Vergeleken daarmee heeft Jodorowsky’s Dune echter een heel andere toon. Deze documentaire is vooral een ode aan wat had kunnen zijn – en aan een maker die z’n tijd nét iets te ver vooruit was.

Een groot kunstwerk dat altijd in het hoofd van de maker is blijven steken – en waarvan de ideeën, zo toont Pavich feilloos aan in de apotheose van deze terugblik, hun weg hebben gevonden naar andere Hollywood-hits. Dune wordt zelf overigens ook nog verfilmd. Door niemand minder dan David Lynch. ‘Het is een totale mislukking!’ constateert Jodorowsky met onverholen ‘schadenfreude’. Zeker niet de sciencefiction-klassieker die hij voor ogen had. Die wordt in 1977 wél gemaakt door George Lucas. En ook in Star Wars zijn onmiskenbaar ideeën van Jodorowsky te herkennen. Op Dune is ‘t dan nog wachten tot 2021, als het eerste deel van Denis Villeneuves epos verschijnt.

David Bowie: The Final Act

Kevin Cummins / VPRO

‘We kunnen eerst eens beginnen met alles noemen wat er mis was met Bowie in de afgelopen tien jaar: zijn pakken, zijn teint, zijn schoenen, zijn shirts, zijn nep Cockney-accent’, begint Jon Wilde voor te lezen uit zijn eigen recensie van het tweede Tin Machine-album. ‘Dit is de man die zich zijn halve leven opnieuw wist uit te vinden en nu op z’n 44e onverwacht het wereldwijde lachertje is geworden’, schrijft hij in 1991 in het Britse muziekblad Melody Maker. Wilde moet zelf even naar adem happen en vervolgt daarna. ‘De dwaas maakt zichzelf wijs dat wij op deze veredelde pubrock zitten te wachten.’ Hij eindigt zijn bespreking met een keiharde boodschap aan de ‘Starman’ zelf: you’re a f***ing disgrace.

Ook voor David Bowie (1947-2016) is het duidelijk: hij zit nu toch echt in een midlifecrisis. Zijn poging om na jaren als een internationale ster, die steeds nieuwe ruimte heeft verkend, zomaar weer één van de jongens in een band te worden, is glorieus mislukt. (Hoe) kan hij, de artiest/kunstenaar die zijn tijd altijd ver vooruit leek, zichzelf nog eenmaal opnieuw uitvinden? Voordat deze documentaire van Jonathan Stiasny daadwerkelijk toekomt aan David Bowie: The Final Act (91 min.), die tot een climax wordt gebracht op zijn allerlaatste album Blackstar, worden eerst vaste Bowie-mijlpalen zoals Space Oddity, Changes, Ziggy Stardust, Life On Mars, Young Americans en Let’s Dance aangedaan.

En partners in crime als gitarist Earl Slick, producer Tony Visconti, zangeres Dana Gillespie, de pianisten Mike Garson en Rick Wakeman, touragent John Giddings, Tin Machine-gitarist Reeves Gabrels, deejay Goldie, schrijver Hanif Kureishi en het muzikale duizenddingendoekje Moby krijgen dan alle gelegenheid om hun indrukken en herinneringen te delen. Gezamenlijk schetsen zij ook de periode waarin David Bowie doorgaat voor irrelevant – niets ergers dan dat voor een pionier zoals hij. Na een periode van hit & miss, waarin ie behalve Tin Machine ook een Pepsi-commercial met Tina Turner uitbrengt en krampachtig aansluiting zoekt bij de nieuwste dance-stromingen, hervindt hij zichzelf op het Glastonbury-festival van 2000.

Een nieuw millennium is aangebroken. Bowie’s leven en loopbaan staan nog eenmaal op een keerpunt. ‘Rocks grootste kameleon’ omarmt het verleden dat hij zo lang links heeft laten liggen en richt zich vervolgens, omdat dit nu eenmaal in zijn aard zit, op de toekomst. Óók als duidelijk wordt, in elk geval bij hemzelf, dat die zelfs bij hem eindig is. Bij de mensen met wie hij aan zijn laatste meesterzet werkt wil dat in eerste instantie nog niet doordringen, vertellen ze in dit postume portret van de man die altijd een fascinatie had voor de ruimte. Met het treffend getitelde Blackstar, uitgebracht op zijn 69e verjaardag en slechts twee dagen voor zijn dood op 10 januari 2016, claimt David Bowie zijn eigen plek in de sterrenhemel.

Mondri(a)an – En Route To New York

Cinema Delicatessen / Mokum

Dear Holtzman, begint Piet Mondriaan (1872-1944) zijn post aan de Amerikaanse kunstenaar Harry Holtzman, met wie hij in Parijs bevriend is geraakt. Vanaf 1937 stuurt de Nederlandse schilder regelmatig brieven aan zijn geestverwant, die nu als onderlegger fungeren voor de documentaire Mondri(a)an– En Route To New York (72 min.) van regisseur Pim Zwier, die eerder films maakte met een vergelijkbare opzet: O, Eieren Verzamelen In Weerwil Van De Tijd (2021) en Metamofose (2023).

Mondri(a)aan bevat opnieuw een persoonlijke voice-over van het hoofdpersonage, ditmaal ingesproken door de acteur Peter Bolhuis, maar heeft verder wel een geheel eigen toonzetting, ritme en kleurstelling en is eerder te vergelijken met een recente archieffilm zoals Nesjomme. Het dagelijks leven van eind jaren dertig en de grote gebeurtenissen van die tijd, vervat in ‘found footage’ dat geheel in (de) stijl wordt uitgespeeld, lekken door naar de persoonlijke geschriften van de kunstenaar.

‘Dear Holtzman, until now I was able to work quietly in Paris, but now I will probably be chased away from here when war breaks out’, schrijft Piet Mondriaan op 9 september 1938 bijvoorbeeld tamelijk vormelijk aan zijn Amerikaanse vriend. ‘I should like to come to New York and rent a room. A studio would be too expensive. In order to enter America it is necessary for me to have an invitation from a friend there. Therefore I’m asking you to send me this invitation, so that I can show this invitation on entry.’ 

Holtzmans antwoorden ontbreken in deze documentaire. Uit Mondriaans brieven spreekt echter dat hij nog altijd volledig wordt opgeslokt door zijn werk. Dat vertrek naar Amerika wordt dus steeds uitgesteld en zal uiteindelijk pas na een tussenstop in het door de nazi’s geteisterde Londen alsnog gestalte krijgen. Tot 1 februari 1944 werkt Piet Mondriaan in zijn New Yorkse studio. Nadat hij aan een longontsteking overlijdt, fotografeert Harry Holzman daar zijn laatste werk, Victory Boogie Woogie.

Voor Zwier is vorm inhoud in deze gestileerde film. Mondriaans kunst vormt dus een integraal onderdeel van de vertelling, met veel gebruik van split screen, een straffe vlakverdeling en uitgekiend gebruik van lijnen en vlakken in primaire kleuren. Tegelijkertijd is deze film, ondanks ’s Mondriaans opspelende gezondheidsproblemen en de wild om zich heen grijpende Tweede Wereldoorlog, eerder een intellectuele en artistieke exercitie geworden dan een hartveroverend persoonlijk verhaal.

Love-22-Love

Periscoop

Toen hij enkele jaren geleden aan deze zeer persoonlijke film begon, had videokunstenaar Jeroen Kooijmans lange, zware jaren achter de rug. Met Love-22-Love (84 min.) wilde hij zich weer concentreren op het licht dat al die tijd op hem was blijven schijnen: zijn geliefde Elspeth Diederix. Kooijmans besloot haar een liefdesbrief te sturen. Die is uiteindelijk heel anders uitgepakt dan ie oorspronkelijk had bedacht.

Zijn film gaat terug naar 1992 als ze allebei op de Rietveld Academie zitten. Hoewel hij zich had voorgenomen om dat nooit te laten gebeuren, begint Kooijmans een relatie met zijn medestudent. Samen zullen ze in de navolgende jaren de halve wereld zien en grote successen boeken. Hij krijgt in 1998 bijvoorbeeld de NPS Cultuur Prijs uitgereikt door Oboema, zij wint enkele jaren later met haar fotografie de prestigieuze Prix de Rome.

In zijn hoofd rommelt ’t dan al enige tijd. Dat is overigens al vanaf het begin duidelijk. Deze egodocu start met een indringende video waarin Jeroen Kooijmans zichzelf filmt als hij in 2002 is opgenomen in het ‘gekkenhuis’. Zulke selfies avant la lettre, waarin hij soms ook tegen de camera spreekt, keren steeds terug in Love-22-Love. Kooijmans laat ermee in zijn hoofd kijken en ordent het bijbehorende leven vervolgens met een persoonlijke voice-over.

Hij maakt z’n gevoelsleven tevens zichtbaar met brieven die zijn pessimistische zelf in die jaren, in het Engels, aan zijn optimistische zelf heeft geschreven. Deze dagboekteksten werken tevens als structurerend element. Als hij spreekt over ‘overthinking’, ‘losing my mind’ of ‘nothing in life makes sense’, reageert zijn alter ego bijvoorbeeld met het advies om het denken over te laten aan de denkers. Tegen zichzelf: ‘I’m actually doing really well.’ 

‘s Mans onbehagen sijpelt natuurlijk ook door in zijn videokunst en homevideo’s, het hart van deze associatieve film. Die beeldenstroom laveert voortdurend tussen artistieke uitspattingen – als jager met geweer achtervolgt hij zijn geliefde, in een Roodkapje-rood jurkje, bijvoorbeeld in het bos – en voor de camera beleefde inzinkingen. Zoals een onvergetelijke naakte dans voor het open raam, terwijl hij de schaar in zijn haren zet.

Dat werk lijkt alomtegenwoordig in zijn leven. Het zorgt voor inspiratie, levert druk op en staat soms ook al het andere in de weg – inclusief de relatie met Elspeth. ‘Ik moet stoppen met kunst’, constateert Jeroen Kooijmans onderweg, in een grillig persoonlijk relaas dat ruim dertig jaar leven samenbalt in nog geen anderhalf uur. ‘Dat is de enige oplossing.’ Een leven als echtgenoot en vader van drie dochters wacht. Maar het bloed kruipt toch…

Zou hij zijn demonen, de depressies en psychoses, misschien kunnen verfilmen? En is dat dan verstandig? Wat zou Zij ervan vinden? Moet ze er überhaupt van weten? De vragen stellen…

Mohammed & Paul – Once Upon A Time In Tangier

Dieptescherpte

De twee tegenpolen vormden een onwaarschijnlijk duo. De gevierde Amerikaanse beatnik-schrijver Paul Bowles (The Sheltering Sky) en de eenvoudige Marokkaanse straatjongen Mohammed Mrabet. Ze ontmoetten elkaar in de jaren zestig te Tanger, destijds een vrijhaven voor westerse schrijvers en kunstenaars. Bowles begon daar de verhalen die Mrabet zo zwierig vertelde vast te leggen op papier. Zo maakte hij van de Marokkaanse visserszoon de eerste analfabeet met veertien boeken op zijn naam.

Voor de Marokkaans-Nederlandse documentairemaker Nordin Lasfar, in Amsterdam opgegroeid in ‘een huis zonder boeken’, veranderden die boeken zijn leven. Net als andere Bowles-adepten ondernam hij als jongeling de reis naar Tanger, om zijn favoriete auteur met een bezoek te vereren. Lasfar leerde toen tevens Mohammed Mrabet kennen, die hij nu voor de documentaire Mohammed & Paul – Once Upon A Time In Tangier (93 min.) opnieuw opzoekt in een kamer vol cassettebandjes met verhalen.

En de oude verteller kan ook nog altijd gewoon uit zijn hoofd putten. Zijn magisch-realistische verhalen zijn voor deze film bovendien met behulp van AI vertaald naar zinnenprikkelende beelden. Van een sprekende vis van wel 150 kilo tot een kolossale watermeloen met een deur erin. ‘Of zijn verhalen waar zijn’, vraagt Lasfar hem onderweg. ‘Wie erin wil geloven, zal erin geloven’, antwoordt de verteller. ‘En wie dat niet doet, zal worden meegenomen door de wind.’ Waarna hij demonstratief zijn handen afklopt.

De vriendschap van Mrabet en Bowles kon floreren op de grens van twee culturen: de traditionele westerse literatuur versus de mondelinge Marokkaanse traditie. De Amerikaanse schrijver kon zich daarmee volzuigen, terwijl de jongen uit Tanger via hem de rest van de wereld kon bereiken. Tegelijkertijd had hun verhouding onmiskenbaar een koloniaal karakter. ‘Hij hield niet van Marokko of Marokkaanse mensen’, vertelt de plaatselijke café-eigenaar Karim Ghailam over Bowles. ‘Hij hield alleen van zichzelf.’

Paul Bowles noemde Mohammed Mrabet zelfs eens ‘the evil one’. En die heeft zelf ook zo z’n grieven, blijkt als Lasfars film vordert. ‘Die westerling ontwikkelde zich tot mijn grootste vijand’, zegt hij bitter. Bowles zou zijn verhalen hebben gestolen en nooit royalty’s aan hem hebben betaald. Andere leden van de kunstenaarskolonie in Tanger weerspreken dit en betitelen Mrabet als onbetrouwbaar. En dat verbinden ze meteen aan de cultuur waaruit hij voortkomt. Die zou van leugens en fantasie aan elkaar hangen.

Geduldig pelt Nordin Lasfar de gecompliceerde relatie tussen Bowles en Mrabet af, schetst zo de botsende werelden waarvan zij een representant zijn en belicht ook de schrijnende ongelijkheid die daarbij voortdurend een rol speelt. Één vraag hangt intussen voortdurend boven de markt: van wie zijn die verhalen eigenlijk? ‘Wat betekent ’t als een stem gehoord wordt, maar via de pen van een ander?’ vraagt Lasfar zich hardop af. ‘Wat betekent ’t als je niet gehoord wordt zonder de pen van de ander?’

Secret Mall Apartment

Secret Mall Apartment

Een kunstproject, protestactie, sociaal initiatief en uit de hand gelopen grap ineen. Het idee van Michael Townsend en enkele andere kunstenaars om in 2003 een Secret Mall Appartment (91 min.) te openen krijgt al snel de contouren van een onvervalst en onweerstaanbaar jongensboekverhaal.

De komst van een kolossaal winkelcentrum in het hart van de Amerikaanse stad Providence is hen een doorn in het oog geweest. Providence Place, geopend in augustus 1999, moet de stad weer aantrekkelijk maken voor een koopkrachtig publiek, maar is ook ten koste gegaan van de culturele enclave Fort Thunder, waar jonge kunstenaars en alternatieve muzikanten een thuis hadden gevonden. Een projectontwikkelaar koopt de vrijhaven op en laat die in 2002 slopen.

Een jaar later nemen Townsend en de zijnen wraak. Ze vinden een tussenruimte van zo’n 75 vierkante meter in het protserige winkelcentrum en beginnen daarin te verblijven. Het is zomaar een onbezonnen idee. Langer dan een week zal ‘t niet duren. Dat is echter buiten hun eigen vindingrijkheid gerekend – en het volstrekt onpersoonlijke karakter van zo’n winkelkolos. Het wilde plan wordt gekker en gekker. Ze documenteren de hele onderneming met kleine consumentencameraatjes.

Die totaal onwerkelijke beelden vormen de basis voor deze heerlijke documentaire van Jeremy Workman, waarin de direct betrokkenen met overduidelijk plezier terugkijken op het bizarre avontuur dat ze met elkaar zijn aangegaan. Om dit verhelderen hebben ze zowel een maquette van het winkelcentrum als een levensechte replica van het appartement gemaakt. De ruimte waar ze zo’n vier jaar hebben vertoefd, wordt zo weer tastbaar gemaakt. Want in gelul kan je nu eenmaal niet wonen.

Secret Mall Appartment wordt intussen ook een portret van Michael Townsend, een bevlogen kunstenaar en docent die in de periode van het appartement tevens sociale projecten met tapekunst opzet in zorginstellingen en de dragende kracht van een 911-kunstproject is. Het geheime appartement lijkt zijn meesterzet, een kunstwerk dat is opgebouwd uit allerlei kringloopspullen, een zelfgemaakte muur van betonblokken en de dringende behoefte om een punt te maken.

Tegen gentrificatie en de vercommercialisering van de hedendaagse maatschappij. Voor creativiteit, doorzettingsvermogen en eigenzinnigheid. En over de waarde van kunst.

Plastic Dromen

KRO-NCRV

Hij wil gewoon ‘shit fiksen’. De 23-jarige Nederlandse kunstenaar Pablo Cantatore is niet van de kleine dromen. Zijn werk dient maatschappelijk relevant te zijn. Het moet verbinden en verscheuren. En het gaat nu de basis vormen voor niets minder dan een miljoenenbedrijf. Nee, dan heeft Pablo ‘t niet over de ‘Cantatoren’ die hij wil bouwen van opgestapelde invalidenauto’s van het merk Canta. Hij wil de wereld veroveren met statiegeldbakken. Daarmee kunnen mensen hun statiegeld doneren aan daklozen en Nederlanders in armoede.

Ze willen de hele afvalketen ‘revolutionisen’, aldus Pablo’s compagnon Antonius Janssen, die veel zakelijker is ingesteld en er duidelijk ‘tantoe’ veel vertrouwen in heeft. Filmmaker Max Ploeg volgt de twee een jaar lang terwijl ze hun Plastic Dromen (33 min.) uit proberen te laten komen. Pablo lijkt zeker van zijn zaak. Dit is meteen de oplossing voor al dat plastic afval. ‘Je kan niet om me heen als je dit wilt oplossen’, zegt hij stellig. Maar ook deze dromer zal ondervinden dat de weg naar succes bezaaid is met gevaarlijke bochten, kuilen en wegversperringen.

Gaandeweg begint de onderneming van Pablo en Antonius toch wel heel erg op een reguliere startup te lijken. ‘Het klinkt ineens een soort van alsof we niet meer fucks geven om daklozen, maar we still do’, zegt Pablo dan, ook tegen zichzelf. ‘Dat is de hele kern van het verhaal’, vult zijn partner dan ook nog trouw aan. ‘Dat is de hele kern.’ Pablo’s artistieke ambities beginnen vanaf dat moment steeds opzichtiger te botsen met het zakelijk instinct van zijn partner. Totdat de neuzen helemaal niet meer dezelfde kant op lijken te staan en er zowaar een crisis dreigt.

Ploeg belandt in de tweede helft van deze fijne korte docu steeds nadrukkelijker aan de zijde van Cantatore. De tragikomische toon waarmee hij de pogingen van het olijke duo om steun, aandacht en geld voor hun bak te krijgen tot dan toe heeft begeleid, maakt plaats voor een grimmigere sfeer als Janssen uit beeld verdwijnt en hun gezamenlijke droom uiteen spat. Althans, zo lijkt ‘t. Want het geladen einde van Plastic Dromen, opgetekend tijdens een huiskamerconcert waarin de hoofdpersoon zijn gemoed ziet weerspiegeld, voelt vooral als het opmaken van de tussenbalans.

Of de statiegeldbak de wereld gaat veroveren en vervolgens zowel Pablo als Antonius, als ‘de impactmakers voor de circulaire economie’ die ze in zichzelf zagen, daadwerkelijk miljoenen zal bezorgen, is dan nog ongewis.

De Wolkenfietsers – Erfenis Van Een Droom

NTR

Ze behoren tot de tweede generatie wolkenfietsers. De broers Ruud en Gijs van de Wint beheren en exploiteren De Nollen, een voormalige vuilnisbelt in de duinen bij Den Helder die door hun vader Rudi gedurende ruim 25 jaar werd omgeturnd tot een levend kunstwerk. In de natuur bij zijn geboortestad maakte hij met bunkers, sculpturen en andere kunstwerken een klein paradijs. In het onderhoud daarvan gaat alleen enorm veel werk inzitten. Bovendien is de boel in z’n huidige vorm nauwelijks rendabel te krijgen.

‘Zorg ervoor dat je ‘t afmaakt!’ hield de kunstenaar zijn zoons voor, voordat hij in 2006 plotseling overleed. En daarvan hebben zij een levensopdracht gemaakt. In de woorden van oudste zoon Ruud: ‘Je boetseert door waar hij gestopt is.’ Buitenmens Ruud fungeert als geweten van De Nollen, de representant van zijn lekker dwarse vader die niets moest hebben van de reguliere kunstwereld. Zijn jongere broer Gijs, een echt mensenmens, zet daar realisme naast. Om te kunnen overleven moet De Nollen ook worden vernieuwd.

In de zeer fraaie documentaire De Wolkenfietsers – Erfenis Van Een Droom (67 min.) volgt Gülsah Dogan de missie van de twee broers, die zelf met hun gezinnen ook in De Nollen zijn neergestreken. Zij leven letterlijk de droom van hun vader. Die wordt, al naar gelang je gezichtspunt, verrijkt/bedreigd door plannen om ook een R.W. van de Wint-museum te starten in de groene oase. Daar zouden de honderden schilderijen, die nu in Van de Wints opslag liggen te verstoffen, toegankelijk kunnen worden gemaakt.

Beoogd directeur Ralph Keuning wil van het museum in wording echter ‘geen mausoleum voor Rudi van de Wint’ maken, maar een bruisende plek waar ook ruimte is voor ‘de Rothko van 28 van nu’. Zo hoopt hij de 7.000 mensen die De Nollen nu per jaar ontvangen op te krikken naar zo’n 50.000 bezoekers. En dat roept bij de conservatoren van de droom van ‘de grootste kosmische kunstenaar’ Rudi van de Wind (1942-2006), zijn zoons Ruud en Gijs, serieuze vragen op. Gaat dit niet in tegen alles waar hun vader voor stond?

Want hun landschap mag dan een levend organisme zijn – bijzonder fraai vastgelegd met (drone)shots – het moet wel een eigen universum blijven. Cultuurclash verzekerd – ook, indirect, tussen de broertjes. Dogan vangt intussen de passie van de twee mannen, die altijd een kind van hun vader zullen blijven. Dit is wat ze zijn. Wat ze waren. En wat ze (willen) blijven. Ook als de meningen uiteenlopen over hoe precies. En ze mogen dan moeilijke tijden hebben gekend, in al die jaren is er nooit ook maar één schilderij verkocht.

Met parallellen tussen heden en verleden, door het vermengen van actuele scènes met de zoons en archiefbeelden van hun vader, laat Gülsah Dogan bovendien zien hoe zij daadwerkelijk een eenheid vormen met de oorsprong van De Nollen. En het ‘buitenlaboratorium’ voor Van de Wints kunst en de verheven vaderliefde van zijn zoons vormt meteen een idyllisch decor voor deze intrigerende parabel over de strijd tegen institutionalisering en het behouden van je idealen. Zonder daarbij te bevriezen in de tijd.

Always Looking – Titus Brooks Heagins

PBS

Het is niet moeilijk om de overeenkomst te zien tussen de mensen die de tegendraadse Afro-Amerikaanse fotograaf Titus Brooks Heagins in zijn werk portretteert. Ze staan er, net als hijzelf, allemaal een beetje buiten. Ze hebben bijvoorbeeld tatoeages, dragen een hoodie of zijn trans – en ze zijn doorgaans ook niet wit. Met zijn portretfotografie probeert Titus gemarginaliseerde groepen de erkenning te geven die hen toekomt.

Ze is zwart, somt Nikki, een model dat hij al jaren fotografeert, bijvoorbeeld op in de documentaire Always Looking: Titus Brooks Heagins (55 min.). Vrouw. Albino. Blind. En Queer. Op zijn foto’s vervagen al die predicaten echter snel. Nikki is en wordt simpelweg een mens. Gewoon en bijzonder tegelijk. Mensen zoals zij zijn ook niet anders dan hij zelf is, legt Titus uit in deze verzorgde film van Olympia Stone.

Hij werd als kleine jongen regelmatig uitgescholden voor homo. Zo ontwikkelde ie affiniteit met ‘communities of otherness’. Hij wil nu bijdragen aan hun emancipatie. Zolang zij niet vrij zijn, kan hij zelf ook niet vrij zijn. ‘Dat is het doel van mijn fotografie.’ Maar is hij, als cisgender, wel de aangewezen persoon om bijvoorbeeld het verhaal van transpersonen te vertellen? vraagt een enkeling zich af. Wanneer wordt dat exploitatie?

Intussen wil Stone van Brooks weten wat hij ervan vindt dat zij, als witte vrouw, nu een portret maakt van hem, de zwarte kunstenaar. Hij vindt ’t een beladen vraag. Zit zij zwarte filmmakers in de weg? ‘Voordat jij me belde, was ik nog door niemand benaderd’ herstelt hij zich al snel. ‘En daarna heeft ook niemand op mijn deur geklopt met de boodschap dat ik die witte griet aan de kant moet zetten, zodat ie ’t kan overnemen.’

Zo sijpelt een hedendaags maatschappelijk debat door in het gesprek over een fotograaf, die tegelijkertijd ook nogal eens is gekwalificeerd als een boze zwarte man en die zelf ook vaak het gevoel heeft gehad dat hij niet werd begrepen of zelfs tegengewerkt. Deze film toont hem via zijn werk en z’n nalatenschap – in de vorm van de beelden van een aantal jonge zwarte fotografen die Titus onder z’n hoede heeft genomen.

Zijn eigen werk spreekt intussen nog voor zichzelf. Soms letterlijk. ‘I didn’t choose to be black’, vertelt het T-shirt van een vrouw met een afrokapsel, op een typische Titus Brooks Heagins-portretfoto bijvoorbeeld. ‘I just got lucky.’

Dogtown And Z-Boys

Alliance Atlantis

In 1975 verschijnt in het tijdschrift Skateboarder het artikel Aspects Of The Downhill Slide, het eerste van wat de Dogtown-serie van de 26-jarige kunstenaar en fotojournalist Craig Stecyk zal worden. Hij verhaalt daarin over de skatecultuur van Los Angeles, die ruim 25 jaar later nog eens, met beelden die Stecyk in deze gloriejaren heeft gemaakt, zal herleven in de klassieke documentaire Dogtown And Z-Boys (90 min.).

Skateboarder/filmmaker Stacy Peralta blikt terug op de scene waarvan hij zelf een product is. Bij de Pacific Ocean Park-pier, op de grens van Venice en Santa Monica, bevindt zich begin jaren zeventig het centrum van Dogtown, een niemandsland bij het strand dat een thuis is geworden voor buitenbeentjes. Daar, bij die met graffiti afgebakende betonnen wereld, surft de alternatieve jeugd over verraderlijke golven.

In de scene rond de surfwinkel Zephyr begint een groepje durfals bovendien, in de dode uurtjes waarin er geen golven zijn om te bedwingen, op het asfalt in de directe omgeving de wildste trucs uit te halen op hun skateboards. Vooral veronachtzaamde zwembaden zijn in trek en blijken ideale skateramps. Als echte haantjes proberen de Zephyr-skaters elkaar daar voortdurend af te troeven. Samen stijgen ze naar aanzienlijke hoogte.

Deze ‘Z-Boys’ ontwikkelen ook een geheel eigen stijl, gedragen zich als punkrockers avant la lettre en spreken dus tot de verbeelding van alternatieve muzikanten, zoals Henry Rollins (Black Flag), Ian Mackaye (Fugazi) en Jeff Ament (Pearl Jam). En Tony Hawk en Steve Caballero, skateboardcracks van een volgende generatie, kunnen zich eveneens laven aan de prestaties van de Zephyr-iconen Jay Adams en Tony Alva.

Deze energieke film, die op het Sundance-festival van 2001 twee Awards in de wacht sleepte, laat de oorspronkelijke opwinding, kameraadschap en onderlinge rivaliteit van de Z-Boys herleven met een levendige mixture van skatebeelden en terugblikinterviews, die op smaak en tempo wordt gehouden met een hele zwik onweerstaanbare rocklicks en -riffs van onder anderen Jimi Hendrix, The Stooges en Ted Nugent.

En verteller Sean Penn fungeert als verbindende factor in een zwierig gemonteerde, tussen kleur- en zwart-wit jumpende film, waarin vorm en inhoud soepel samenvloeien en de onstuimige beginjaren van de skatecultuur, -esthetiek en -sport uitstekend zijn gedocumenteerd.

In 2005 zou Stacy Peralta met regisseur Catherine Hardwicke overigens ook nog een speelfilm over ‘zijn’ skatescene maken: Lords Of Dogtown, met hoofdrollen voor de acteurs Emile Hirsch (Jay Adams), Victor Rasuk (Tony Alva) en John Robinson (Peralta zelf). En Heath Ledger speelt Zephyr-mede-eigenaar Skip Engblom.

The Pilgrimage Of Gilbert And George

Gilbert & George

Twee mensen, één kunstenaar. Al ruim een halve eeuw onafscheidelijk: George Passmore en Gilbert Prousch. Ze zijn hun eigen kunst. Samen dus. Ze ontmoetten elkaar in 1967 tijdens de opleiding beeldhouwen op de Saint Martin’s School Of Art in Londen. Hij, uit het Engelse graafschap Devon. En hij, uit de Italiaanse Dolomieten. Ze vormden subiet een duo. Voor het leven. Met als motto: kunst voor allen.

Getweeën lopen ze in The Pilgrimage Of Gilbert & George (88 min.), statig en liefst volstrekt synchroon, door hun eigen carrière, op weg naar het onvermijdelijke einde. Strak in het pak. Met een uitgestreken gezicht ook. En volstrekt onverstoorbaar. Al hun hele leven willen ze niet tot de gevestigde orde behoren – of erdoor geaccepteerd worden. Bijgestaan door enkele intimi en kenners doen ze in dit dubbelportret van Mike Christie zo hun verhaal. Twee monden, één vertelling.

Over levende standbeelden, ‘eeuwenoude’ houtskooltekeningen, The Dirty Words Pictures, schreeuwerige spandoeken en, jawel, The Naked Shit Pictures. En een kunstenaar met twee hoofden en Iijven, maar slechts één hart. Één idee. Om werk te maken voor een breed publiek, voorbij de linkse kunstelite. ‘We proberen kunst te maken waarmee we de straat op kunnen’, zeggen Gilbert & George. ‘Niet voor de ingewijden, maar voor elke taxichauffeur en elke drugsverslaafde.’

En deze joyeuze film, waarin het symbiotische tweemanschap alle ruimte krijgt én neemt, zet vol de schijnwerper op die directe, kleurrijke en soms ook provocatieve kunst, waarin thema’s als straatcultuur, de AIDS-crisis en religie hun plek hebben gevonden. ‘Veel mensen vragen ons of de werken over onze sterfelijkheid gaan’, zeggen de twee tachtigers, die al bijna zestig jaar met één stem spreken, bepaald niet zonder zelfspot. ‘We vinden het echter nog te vroeg om daar werk over te maken.’

En ook dat lijkt dan weer een sprekend voorbeeld van twee zielen, één gedachte. Als het inmiddels niet gewoon om één ziel gaat….

Welcome To Babel

Mayfan / AVROTROS

Vanuit zijn huidige domicilie, Bundeena in Australië, heeft de Chinese kunstenaar Jiawei Shen ruim tien jaar gewerkt aan een kunstwerk dat zijn pièce de résistance moet worden: de Toren van Babel, een episch vierluik van zo’n 130 vierkante meter, dat is geïnspireerd door zowel de Bijbel als kunstwerken van Bruegel en Tatlin. Het gigantische schilderij bestaat uit vier enorme panelen (Utopia, Internationale, Saturnus en Gulag) en beslaat zijn hele werkruimte. Het kunstwerk belicht het communisme in al z’n facetten.

In Welcome To Babel (99 min.) volgt regisseur James Bradley de ontstaansgeschiedenis van dit ambitieuze werk, waarin Jiawei Shen de geschiedenis van de ideologie van pak ‘m beet Marx, Lenin, Stalin, Mao en Deng Xiaoping probeert te vatten. Hij is zelf ook een kind van dat gedachtengoed. De kunstenaar werd in 1948 geboren in Shanghai en kreeg een communistische opvoeding. Volgens eigen zeggen groeide hij op tot een modelburger, met het beeld van de mensheid als één grote familie.

Zulke herinneringen staan op gespannen voet met de manier waarop zijn vrouw Lan Wang terugdenkt aan haar jeugd. Haar ‘rechtse’ vader werd tot vijand van het volk gebombardeerd. En zij was, zo bezien, dus een kind van de vijand. Als Lan Wang haar man begin jaren zeventig zou hebben gekend, had ze waarschijnlijk ook niets met hem te maken willen hebben. In de hoogtijdagen van Mao’s Culturele Revolutie maakte die immers het ultieme patriottische schilderij ‘Standing Guard For Our Great Motherland’.

Pas toen de Chinese regime in 1989 een demonstratie op het Plein van de Hemelse Vrede hardhandig neersloeg, besloot Jiawei, die toevallig in Australië verbleef, dat het genoeg was. Zijn echtgenote bevond zich toen nog in Beijing en slaagde er pas twee jaar later om ook ‘down under’ te komen. Daar bouwden ze samen een nieuw leven op, als gezin en als individuele kunstenaars. Jiawei Shen ontwikkelde zich in die periode tot een veelgevraagd portretschilder en begon vervolgens te dromen van zijn levenswerk.

Deze fraaie film toont dat kunstwerk in al z’n glorie. Het is beslist groter dan één enkele man. De Chinese schilder heeft er bijvoorbeeld werken van talloze communistische kunstenaars uit de twintigste eeuw en beeltenissen van toonaangevende intellectuelen van linkse snit in verwerkt. Jiawei heeft het schilderij kunnen maken omdat hij zelf niet is blootgesteld aan het lijden, meent zijn vrouw. ‘Daardoor is hij in staat om deze historische tragedie opnieuw op te roepen. Ik kan de gedachte daaraan niet verdragen.’

Intussen beschouwt Jiawei Shen, blijkens dit portret dat hem en zijn monnikenwerk recht doet, zichzelf nog steeds als een communist. Maar niet zoals dat in zijn geboorteland in de praktijk wordt gebracht – en zoals dat op zijn eigen magnum opus, in oktober 2023 aan de wereld toevertrouwd, in al z’n glorie, wreedheid en tragiek is geopenbaard.

Caravaggio: The Vanished Masterpiece

Terranoa

Is het een echte ‘Caravaggio’, de originele versie van het schilderij Maria Magdalena In Extase dat in 1610 na de dood van de Italiaanse kunstenaar verdween uit Napels? Het kunstwerk werd enkele jaren geleden aangetroffen in een privécollectie en wordt nu gereinigd en in oude glorie hersteld door de restaurateur Cinzia Pasquali. De eigenaars, woonachtig in Umbrië, willen graag anoniem blijven.

In Caravaggio: The Vanished Masterpiece (92 min.) neemt Frédéric Wilner de tijd om te ontdekken of het een authentieke Caravaggio is – of toch één van de vele kopieën of het werk van een navolger. De restauratie dwingt eenieder in elk geval om héél goed te kijken naar het schilderij en de werkwijze van de kunstenaar. De Caravaggio-kenner Mina Gregori is alvast overtuigd geraakt van de echtheid, maar nader onderzoek is gewenst.

Daarvoor probeert Wilner allereerst zicht te krijgen op het leven van Michelangelo Merisi da Caravaggio (1571-1610) zelf, één van de meest invloedrijke kunstenaars van zijn tijd en een inspiratiebron voor zijn Nederlandse vakbroeder Rembrandt van Rijn. Volgens de overlevering was Caravaggio ook een zeer sterke persoonlijkheid met een dwars karakter. Een donkere man, in alle opzichten. Hij schilderde vanuit zijn onderbuik.

En nadat hij overdag maniakaal had gewerkt, in opdracht van de kerk of een gefortuneerde kunstverzamelaar, dook hij de nacht in. In duistere kroegen zocht hij het gezelschap op van dubieuze figuren, vechtersbazen en dames van lichte zeden. Hij toonde zich dan een provocateur die nogal eens in vechtpartijen verzeild raakte. Toen hij daarbij in 1606 ene Ranuccio Tomassoni doodde, moest Caravaggio Rome ontvluchten.

De omstreden kunstenaar nam de wijk naar Napels, op een tocht die hem in de laatste jaren van zijn leven ook nog naar Sicilië en Malta zou brengen. En overal werkte hij zich flink in de nesten. Waar Caravaggio kwam, kwam ruzie. Met kunstwerken probeerde de schilder de schade dan weer te repareren. Frédéric Wilner vervat al die verwikkelingen in gedramatiseerde scènes, die zijn vormgegeven als tot leven gewekte schilderijen.

Door de scandaleuze levenswandel van zijn protagonist is het lastig om zicht te krijgen op diens oeuvre. De kunsthistorici Orietta Verda en Francesca Curti duiken allerlei archieven in, om te ontdekken hoe Maria Magdalena In Extase bij z’n huidige eigenaren terecht is gekomen. Op hun zoektocht stuiten ze bijvoorbeeld op de markiezin Colonna, Caravaggio’s levenslange beschermvrouwe, en de machtige kardinaal Borghese.

En wellicht is het schilderij, als het al authentiek is, ook nog in handen gekomen van een magistraat, die ’s mans erfenis moest afhandelen en die zich het kunstwerk toen zou hebben toegeëigend. Het korte, tumultueuze leven van de schilder en de eeuwenlange nasleep daarvan wordt in Caravaggio: The Vanished Masterpiece in elk geval gepresenteerd als een gigantisch doolhof, dat vervolgens zeer omzichtig wordt verkend.

Trailer Caravaggio: The Vanished Masterpiece

Art Vs War: Banksy And C215 In Borodianka, Ukraine

3D Produzioni srl

Er zit een zekere tegenstrijdigheid in het conserveren van straatkunst. Hoort die niet gegeseld te worden door weer en wind en vervolgens met de tijd op te gaan in z’n natuurlijke omgeving? Toch is een team van restaurateurs vanuit Italië afgereisd naar Borodianka, een Oekraïense stadje op bijna zestig kilometer van de hoofdstad Kyiv, om de kunstwerken van twee buitenlandse kunstenaars veilig te stellen.

‘Straatkunst leeft en sterft doorgaans op de muur’, constateert ook kunstconservator Maria Colonna in deze aardige documentaire over een andere kant van de oorlog in Oekraïne. ‘Als het in verval raakt, komt dat doordat het nu eenmaal bedoeld was als een tijdelijk werk. Maar in dit specifieke geval is het logisch om de kunstwerken los te maken. Ze vormen nu eenmaal een belangrijke en krachtige getuigenis.’ Want de werken die in Borodianka in bewaring worden genomen komen uit de koker van ’s werelds toonaangevende straatkunstenaar Banksy en zijn Franse vakbroeder C215.

Op een muur liet Banksy een graffiti achter van een gymnaste, die een balanceeroefening doet op de ruïne van een gebombardeerd huis. Het meisje zou geïnspireerd kunnen zijn op Kateryna Dyachenko, speculeren plaatselijke bewoners. De elfjarige gymnaste kwam om het leven bij het Russische bombardement van Marioepol. Elders creëerde de Britse kunstenaar, die zijn eigen identiteit zorgvuldig afschermt, een jongetje dat een volwassen judoka (Vladimir Poetin?) over zijn schouder werpt. Zo liet Banksy in totaal zeven kunstwerken achter in het door oorlog verteerde land.

Waar regisseur Michele Pinto en zijn bronnen in Art Vs War: Banksy And C215 In Borodianka, Ukraine (54 min.) moeten gissen naar Banksy’s motieven, staat de Franse kunstenaar Christian Guémy, alias C215, hem gewoon te woord. Hij maakte een aantal muurportretten van standvastige Oekraïners, zoals de jonge bataljonscommandant Dmytro Kotsiubailo. De voormalige schilder, bijgenaamd Da Vinci, werd in december 2021 tot nationale held uitgeroepen door president Volodymyr Zelensky en kwam anderhalf jaar later op 27-jarige leeftijd om het leven.

Guémy vereeuwigde ook het oudere, van oorsprong Russische (!) koppel Mykola en Nina Kupriienko, dat ondanks het oorlogsgeweld weigert om Borodianka te verlaten. C215 heeft van hen een symbool van de Oekraïense onverzettelijkheid gemaakt. Met zijn werk steekt hij, net als Banksy, het belaagde land een hart onder de riem. Tegelijkertijd vertegenwoordigt hun kunst ook een aanzienlijke waarde. Ooit, na de oorlog, kan die misschien de basis vormen voor een museum, stelt cultuurkenner Valentyn Moiseienko in deze interessante film. Een nieuwe start voor het Borodianka van na de oorlog.

The Trouble With Mr Doodle

Acme Films

Als het aan Sam Cox ligt, is de hele wereld niet meer dan een canvas voor zijn ‘doodles’, de lijntekeningen die de meeste mensen vooral maken om hun gedachten te verzetten. Als kind wilde de jonge Brit al obsessief tekenen, liefst vijftien uur per dag. Gedachteloos de stift ter hand nemen en dan letterlijk elk papier vullen waar je de hand op kunt leggen. Zo blijft de echte wereld ook op afstand. En dat is wel zo prettig, want Sam is nu niet direct een sociale jongen.

Hij ontwikkelt een alter ego: Mr Doodle, een slapstickachtige figuur met een doodlepak aan, die alles voltekent wat hij op zijn pad treft en die via foto’s en filmpjes op social media al snel een populair personage en een gewaardeerde kunstenaar wordt. Sams grote doom is een volledig wit geschilderd huis, dat hij vervolgens, van binnen en van buiten, he-le-maal kan voltekenen met zijn kenmerkende naïeve figuurtjes, voorwerpen en vormen. Tegen die tijd hebben zijn enthousiast ontvangen ‘droedels’ alleen al een behoorlijk ongezond trekje gekregen.

The Trouble With Mr Doodle (88 min.) is een aangrijpend portret van een jonge getalenteerde tekenaar die stilaan volledig doordraait. Totdat Sam Cox zichzelf dood verklaart en daadwerkelijk verder wil als Mr Doodle, een tragische figuur die z’n levensdagen slijt in het nachtmerrieachtige Doodleland. ‘Ik dacht dat ik bevriend was geraakt met Banksy en heel close was met Kanye West’, vertelt hij daarover. ‘Donald Trump vroeg me om te doodelen op de muur tussen de Verenigde Staten en Mexico. Wij gingen samen de hele wereld doodelen!’

Deze film van Jamie D’Cruz, Ed Perkins en Alex Nott maakt alvast een ferme start met die wereld en is volkomen volgedoodeld. Zodat het intimiderende karakter van dat tekenen in Sams leven bijna fysiek voelbaar wordt. De documentaire begon ooit bij het witte huis – wat een project om te documenteren! – maar ontwikkelde zich gaandeweg tot een portret van de wankele man daarachter. De doodles spatten daarin zowat van het scherm af en overweldigen elke plek waarin ze terecht zijn gekomen. Cox zit gevangen in zijn eigen kunst en het manisch vervaardigen daarvan.

The Trouble With Mr Doodle maakt zichtbaar hoe dun en fragiel de lijn kan worden tussen genie en gekte. Het kunstenaarschap wordt voor Sam Cox, zonder dat hij daar zelf vat op krijgt of ’t zelfs maar door heeft, een juk om onder te bezwijken. Sams mentale staat baart natuurlijk ook zijn ouders Andrea en Neill en Oekraïense vriendin Alena ernstige zorgen. Maar hoe red je iemand van zijn zelfverkozen levensmissie?

One To One: John & Yoko

Magnolia Pictures

Eind 1971 verhuizen John Lennon en Yoko Ono van Londen naar New York, waar ze anderhalf jaar lang in een klein appartement in Greenwich Valley wonen, kunstenaars en politieke activisten ontvangen en héél véél televisie kijken. Ze zijn zelf overigens ook vaak op de buis, getuige de documentaire One To One: John & Yoko (100 min.) van Kevin Macdonald en Sam Rice-Edwards, in één van de vele Amerikaanse nieuws-, entertainment- of praatprogramma’s.

Want dat kennen ze dan nog niet buiten de Verenigde Staten: de hele dag door televisie, een permanent venster op de wereld, gewoon in je eigen huiskamer. Waarop bijvoorbeeld is te zien hoe een lid van The Ray Conniff Singers in het Witte Huis de Amerikaanse president Richard Nixon de mantel uitveegt over de Vietnamoorlog, leden van de tegencultuur zoals Jerry Rubin ongegeneerd hun kans grijpen in talkshows en een opstand in de Attica-gevangenis met brute kracht wordt neergeslagen.

John en Yoko’s Greenwich-periode culmineert in One To One, het énige volledige optreden dat Lennon heeft gegeven ná het einde van The Beatles. Macdonald en Rice-Edwards matchen fragmenten van dit benefietconcert voor kinderen met een lichamelijke of verstandelijke beperking, op 30 augustus 1972 in Madison Square Garden, met andere activiteiten van de Britse zanger/gitarist en de Japanse kunstenares, die elkaar hebben gevonden in zowel de liefde als een alomvattend activisme.

Deze archieffilm bevat ook talloze telefoongesprekken van het tweetal. Met vrienden, managers, journalisten en allerlei andere lieden die iets van hen willen. Lennons echtgenote moet zich bijvoorbeeld de vele Yoko-haters van het lijf houden, die haar het einde van Johns eerste huwelijk en van The Beatles verwijten, en probeert zelf, ook via de televisie overigens, de relatie met Kyoko, de dochter uit haar relatie met kunstpromotor Anthony Cox, te herstellen. Haar ex is spoorloos verdwenen met het meisje.

Terwijl de camera zwerft over een replica van het voormalige appartement van Lennon en Ono, komt via de beeldbuis de rest van de wereld binnen. Zowel het segregatie-boegbeeld George Wallace als zijn absolute tegenpool, de zwarte vrouw Shirley Chisholm, stellen zich bijvoorbeeld namens de Democratische Partij kandidaat voor de presidentsverkiezingen van 1972. Het Watergateschandaal rond de Republikeinse president Nixon komt op gang. En intussen zijn er tv-reclames in alle soorten en maten.

Via het iconische duo John en Yoko – en hun optredens, opgenomen belletjes en televisietoestel – brengen Macdonald en Rice-Edwards haarscherp een getroebleerde natie in beeld. Een land dat aan het begin van de jaren zeventig wordt verscheurd door Vietnam, raciale spanningen en maatschappelijke tegenstellingen. Waar Richard Nixon in 1972 een gigantische verkiezingsoverwinning kan boeken, om nog geen twee jaar later, als gevolg van Watergate, roemloos af te druipen als niets meer dan een ‘crook’.

John Lennon en Yoko Ono zijn dan al enige tijd weg uit Greenwich Valley en hebben elders in New York een appartement betrokken.

I Am Martin Parr

Dogwoof

Gniffelen mag. Om de openingssequentie van I Am Martin Parr (52 min.), met iconische beelden van de Britse fotograaf. Om het friet etende gezin op een rood bankje, bij een vuilnisbak die niet op z’n taak is berekend. Om het oudere echtpaar dat elkaar nauwelijks een blik waardig gunt in een sfeerloos restaurant. Om de helblonde hanenkam voor een typisch Britse telefooncel. Om de groep nette heren met een zwarte bolhoed, die ogen als overjarige Daltons. En om de baby die er nog nét bij past in de helemaal volgestouwde winkelwagen.

Typisch Martin Parr. Door regisseur Lee Shulman bovendien opgediend met een snuifje punk: White Riot van The Clash. ‘Hij heeft gedaan wat Charlie Chaplin in de stomme film deed’, stelt Parrs collega Mimi Mollica. ‘Komedie en tragedie ineen. Dat bestond nog niet in de fotografie.’ Martin Parr ziet zichzelf echter niet als een humoristische fotograaf. ‘Het leven is gewoon vreemd en grappig.’ En dus zit zijn werk vol met zowel de schoonheid als de lulligheid van het bestaan. Het duurde alleen even voordat dit op waarde werd geschat: anderen verdachten de fotograaf ervan dat hij gewone mensen te kijk zette.

Dat werd pijnlijk duidelijk toen hij in de jaren negentig lid wilde worden van Magnum Photos, het toonaangevende fotografencollectief. De helft van de leden zou ermee stoppen als Martin Parr werd toegelaten, de andere helft als er géén plek voor hem zou zijn. ‘Cultuur heeft iets tegen humor, terwijl humor de cultuur juist tempert’, schampert kunstenaar Grayson Perry daarover. ‘Dat wordt zo onderschat. Er zit zoveel performatieve ernst in de kunst. Mensen denken dat ellende belangrijker is in de kunst dan humor. Humor houdt gewichtigdoenerij en fanatisme binnen de perken.’

Terwijl zijn echtgenote Susie Parr, kunstkenners en collega’s zoals Bruce Gilden, Kavi Pujara en Harry Gruyaert hun licht over hem laten schijnen, toont Shulman hoe Parr, die ernstig ziek is geweest en zich geregeld voortbeweegt met een rollator, onvermoeibaar aan het werk blijft. Hij lijkt overal in de publieke ruimte wel wat van zijn gading te kunnen vinden: in restaurants, op de dansvloer, aan het strand, in een speelhal, achter het stuur of op de markt. ‘Niet lachen, normaal kijken’, zegt hij dan tegen de mensen voor zijn camera en legt hen vervolgens op hun paasbest, allergewoonst of ongemakkelijkst vast.

Volgens eigen zeggen wil Parr ‘de vrijetijdsbesteding van diverse klassen in de westerse wereld vereeuwigen’. Zo heeft hij meteen de wegkwijnende arbeidersklasse in Thatchers Engeland te pakken gekregen en later ook de consumptiemaatschappij en het internationale toerisme van onvergetelijke beelden voorzien. Op die manier heeft de onverzadigbare fotograaf, in de woorden van bassist Mark Bedford van de Britse skaband Madness (die natuurlijk niet ontbreekt in de lekker rafelige soundtrack van I Am Martin Parr), de wereld vastgelegd zoals die was. ‘En niet zoals hij ‘m wilde hebben.’

De bonte kermis aan beelden in dit joyeuze portret zorgt er zelfs voor dat het gewone leven, zoals eenieder van ons dat elke dag aantreft als ie z’n huis verlaat, verdacht veel op een Martin Parr-foto begint te lijken.

Minted

PBS

Zijn NFT’s simpelweg een hype, die inmiddels alweer is overgewaaid? Of hebben ze een blijvende impact op de kunstwereld?

Toen Mike Winkelmann, alias Beeple, in 2007 dagelijks tekeningen begon te maken op zijn computer, had hij in elk geval nooit kunnen vermoeden dat die ooit zouden worden erkend als serieuze kunst – en dat hij daarmee bij het befaamde veilinghuis Christie’s zou belanden. Beeple’s digitale kunstwerk Everydays: The First 5000 Days – een Non-Fungible Token (NFT), met een unieke digitale handtekening – wordt in 2021 verkocht. Tot zijn eigen verbazing verwisselt de collage van eigenaar voor maar liefst 69 miljoen dollar. Tegenwoordig heeft Winkelmann z‘n eigen studio, waarmee hij probeert te doen wat elke toonaangevende kunstenaar volgens hem ooit deed: het vernieuwen van de kunst zoals we die kennen.

En het begon ooit zo aandoenlijk en klein. Met behulp van een floppy disk en personal computer kan Kevin McCoy in Minted (80 min.) nog steeds de originele digitale kunstwerken laten zien die hij in de jaren negentig maakte. Samen met zijn partner Jennifer stond hij destijds voor een enorme uitdaging: hoe maak je unieke werken, die niet eindeloos kunnen worden gekopieerd? De Blockchain-techniek bood uiteindelijk uitkomst. Daardoor konden NFT’s ook het levenslicht zien – al was daar in eerste instantie nog altijd geen droog brood mee te verdienen. Cars (2014), het digitale kunstwerk van Jennifer en Kevin McCoy dat geldt als de allereerste verkochte Non-Fungible Token, bracht bijvoorbeeld slechts twintig dollar op.

Sindsdien is er veel veranderd: NFT’s groeiden uit tot een hype, zowel in de kunstwereld als daarbuiten, en werden daarna onderdeel van een zogenaamde ‘crypto clash’. Nicholas Bruckman verwerkt die ontwikkeling op een toegankelijke manier in deze vlotte, interessante en speels vormgegeven film. Hij doet dat aan de hand van enkele hoofdpersonen. Fotograaf Justin Aversano begon de foto’s van zijn tweelingenproject Twin Flames enkele jaren geleden bijvoorbeeld als NFT te verkopen, kan zichzelf daardoor nu onderhouden en hoeft dus geen commerciële klussen meer aan te nemen. En de Cubaanse kunstenares Kina Matahari, die in eigen land te maken krijgt met censuur, heeft er ook creatieve vrijheid in gevonden.

Verder hebben NFT’s ook hun eigen kwetsbaarheden. Want wie zorgt ervoor dat anderen jouw werk niet als NFT gaan verkopen, zoals de Nederlandse kunstenares Loish gebeurde? Wie treedt er op als je wordt gehackt? Wat te denken van celebrities, zoals Paris Hilton met haar ‘Bored Apes’ bij de talkshow Jimmy Fallon, die een verdienmodel creëren met NFT’s, waarvan de artistieke waarde mag worden betwijfeld? En hoe wordt de markt beïnvloed, of zelfs verziekt, door allerlei lieden die snel rijk denken te kunnen worden met de handel in NFT’s? Wanneer het mis gaat en de markt crasht, is één ding in elk geval duidelijk: niet alleen gewone investeerders gaan het schip in, kunstenaars zoals Justin Aversano en Kina Matahari kunnen zomaar hun (enige) inkomstenbron verliezen.