Spaceship Earth

Het is een ongelooflijk spektakel, dat rechtstreeks afkomstig lijkt uit Star Trek en tevens herinneringen oproept aan hoe de eerste lichting bewoners het Big Brother-huis inging: acht speciaal geselecteerde mannen en vrouwen in hetzelfde uniform maken zich op voor hun intrede in een gigantisch terrarium van glas en staal, waar ze de komende twee jaar zullen verblijven.

Een mensenmenigte kijkt in 1991 ademloos toe als ze via een soort loper daadwerkelijk Biosphere 2 betreden, de door gewone stervelingen samengestelde Hof van Eden met een afgewogen mixture van flora en fauna. ‘The future is here’, declameren de ‘bionauts’ na binnenkomst tegen de camera. Dit kon wel eens de opvolger worden van ‘Biosphere 1’, ofwel moeder aarde.

Het project is een geesteskind van het Amerikaanse ‘genie’ John Allen en zijn discipelen. Een groep wetenschappers, entrepreneurs en theatermakers – een commune of sekte, zeggen critici – die zich zorgen maakt over de toekomst van de aarde en daarom een geheel eigen ecosysteem heeft opgezet, dat straks ook op de maan of mars moet kunnen functioneren.

Op die volledig afgezonderde plek – zichtbaar voor publiek, dat wel – voeren de bionauts tests uit: kun je een boerderij runnen die niet schadelijk is voor het milieu of zoiets als een eigen koraalrif onderhouden? Is dat nu grensverleggende wetenschap? Of toch ‘trendy ecologisch entertainment’? Daarover lopen de meningen uiteen in de documentaire Spaceship Earth (114 min.).

In deze fascinerende film van Matt Wolf, thematisch verwant aan The Raft (over een menselijk experiment uit de jaren zeventig, op een soort Big Brother-boot), blikken enkele voormalige participanten en medewerkers van hun regieruimte, Biosphere 2’s ‘mission control room’, terug op de ambitieuze onderneming, die onder een levensgroot vergrootglas moest worden uitgevoerd.

Met een krachtige montage en dwingende klassieke muziek wekt Wolf het nét iets te mediagenieke project overtuigend tot leven. Hij schetst tevens het veredelde hippiegedachtegoed dat daarachter schuilgaat. En de onvermijdelijke kritiek. Waarbij elk foutje wordt uitvergroot en elk conflict breed uitgemeten. Totdat er weinig meer over lijkt van de grootse idealen waarmee het ooit begon.

Als het team in de identieke uniformen na afloop, opgewacht door opnieuw een enorme mensenmassa, Biosphere 2 weer verlaat, rest de vraag of de proef ook bruikbare kennis heeft opgeleverd. Het project drukte in elk geval een diep doorvoelde zorg over klimaatverandering uit. En een oprecht verlangen naar die betere wereld, waar we nu nog altijd op zitten te wachten.

The Biggest Little Farm

Het klinkt als de premisse voor een doldwaze aflevering van Ik Vertrek: stadskoppel uit Los Angeles zoekt vanwege hun dwangmatig blaffende hond een nieuwe woonplek en begint op een afgelegen stuk dode grond in Californië een ouderwetse boerderij, volledig in harmonie met de natuur. Filmmaker John Chester en zijn vrouw Molly, kok en culinair blogger, laten zich daarbij adviseren door een deskundige op het gebied van biodiversiteit, ene Alan York, die het koppel zo authentiek mogelijk wil laten boeren

Deze goeroe houdt het echtpaar voor om zich vooral niet te laten ontmoedigen. Zodra je de natuur zijn gang laat gaan, heeft die de ene na de andere uitdaging in petto. Van een ziek varken en vogels die al het fruit kapot vreten tot hevige regenval en kippen verslindende coyotes. Die ‘plagen’ worden door Chester, die zelf de voice-over verzorgt voor The Biggest Little Farm (93 min.), echter héél slim uitgeserveerd, zodat er levenslessen uit zijn trekken en het verhaal helemaal klopt. Of het dat in werkelijkheid nu deed of niet.

Op Apricot Lane Farms, een boerderij zoals we die kennen van vergeelde plaatjes, wordt gedurende acht intensieve jaren de natuurlijke orde der dingen hersteld. Met nieuw leven. En de dood, die ook. Prachtig vastgelegd. Als in de beste natuurfilms. Het dorre land komt tot leven in deze idyllische ode aan de voedselketen, die enkele vragen onbeantwoord laat (waar betalen de Chesters bijvoorbeeld al die dieren, planten en mensen van?), soms té zoetsappig dreigt te worden en tóch over de hele linie blijft boeien.

Don’t F**K With Cats: Hunting An Internet Killer

Netflix

Elke seriemoordenaar begint met het mishandelen van dieren. Los daarvan: je blijft met je poten van katten af, vindt Deanna Thompson (alias Baudi Moovan, op Facebook). En dus slaat de data-analiste uit Las Vegas direct aan als ze het filmpje ‘1 boy, 2 kittens’ spot. Een jongen stopt daarin twee poezen in een luchtdichte zak, die hij daarna vacuüm zuigt.

Als een soort dierenbeschermingsdependance van het online-onderzoekscollectief Bellingcat gaat ze met enkele andere computernerds uit haar speciale Facebook-groep, onder wie een geek met de schuilnaam John Green, op zoek naar de geheimzinnige dierenbeul, die steeds sadistische filmpjes en aanwijzingen over zijn eigen identiteit achterlaat.

Voor hun online-speurtocht – die zich laat bekijken als een handleiding voor bijdetijdse amateurdetectives of -journalisten – stuiten ze al snel op een clip uit Catch Me If You Can, een speelfilm met Leonardo DiCaprio over een meesteroplichter die zijn achtervolgers steeds te slim af probeert te zijn. Als dat geen uitdaging is…

Hun queeste zal hen in de driedelige serie Don’t F**k With Cats: Hunting An Internet Killer (186 min.) van Mark Lewis naar de engste uithoeken van het internet en de menselijke geest leiden, in het spoor van bizarre personages als Jamsey Cramsalot Inhisass en Luka Magnotta. En dan moeten ze het lugubere filmpje ‘1 lunatic, 1 ice pick’ nog ontdekken…

Zo ontvouwt zich een superieur verteld true crime-verhaal, waarin verontruste burgers vanachter hun computer een hypermoderne klopjacht naar een gewelddadige narcist opzetten. Een soort Catfish 3.0, de spannendste docuserie van het jaar én een ongemakkelijk exposé over het huidige tijdsgewricht, waarin privacy eigenlijk niet meer lijkt te bestaan.

The John Dalli Mystery

VPRO

Afgelopen week maakte de premier van Malta bekend dat hij in januari aftreedt. Hij is de zoveelste lokale functionaris die in de nasleep van de moord op de onderzoeksjournaliste Daphne Caruana Galizia in 2017 het veld moet ruimen.

Galizia speelt ook een prominente rol in The John Dalli Mystery (59 min.) van Jesper Rønde. In deze documentaire onderzoekt het kekke journalistenduo Mads Brügger en Mikael Bertelsen de achtergronden van het corruptieschandaal rond de Maltese politicus John Dalli, die in 2012 moest aftreden als eurocommissaris.

Is Dalli het slachtoffer van een complot of smeedt hij deze complotten juist zelf? Die vraag drijft deze bijzonder vermakelijke film, waarin ook nog de nodige tegels worden gelicht. Gedegen onderzoeksjournalistiek dus, vermomd als absurd theater.

Het is een vorm die Mads Brügger dit jaar ook gebruikte in Cold Case Hammarskjöld, zijn overrompelende zoektocht naar wat er toch is gebeurd met Dag Hammarskjöld. De secretaris-generaal van de Verenigde Naties kwam in 1961 om bij een mysterieus vliegtuigongeluk.

The John Dalli Mystery kan met terugwerkende kracht worden beschouwd als een fijne voorstudie.

The Devil Next Door

Netflix

Voor menige Israëliër was eind jaren tachtig een proces eigenlijk overbodig. John Demjanjuk, een voormalige medewerker van de Ford-fabriek in Cleveland, moest wel de beul zijn die in het nazi-vernietigingskamp Treblinka eigenhandig tienduizenden Joden had vermoord. Daarover kon – en mocht – geen discussie zijn. ‘Ik was er honderd procent van overtuigd dat Demjanjuk niet Iwan de Verschrikkelijke was’, zegt zijn flamboyante Israëlische advocaat Yoram Sheftel. ‘En ik was er honderd procent van overtuigd dat hij schuldig bevonden en ter dood veroordeeld zou worden.’

Sheftel is één van de blikvangers van de puike vijfdelige documentaireserie The Devil Next Door (222 min.) van Yossi Bloch en Daniel Sivan. ‘Ik heb van elke seconde genoten’, stelt de onvoorstelbaar pedante advocaat zelfs over de geruchtmakende rechtszaak tegen de vermeende oorlogsmisdadiger. En, inderdaad, het ‘showproces’ is nog niet afgerond of Sheftel heeft al een boek in de winkel liggen. Ruim dertig jaar na dato spugen zijn voormalige opponenten nog altijd op de man die duidelijk garen heeft gesponnen bij de kwestie John Demjanjuk, die in de Joodse gemeenschap zo ontzettend veel emotie losmaakte.

Vrijspraak zou een ongelooflijke klap in het gezicht zijn van de mensen die hem zeggen te herkennen als Iwan de Verschrikkelijke, de man die hele families uitmoordde en henzelf voor het leven tekende. Maar hoe betrouwbaar zijn ooggetuigen eigenlijk? Zeker als ze zwaar getraumatiseerd zijn en er sinds de gruwelijke daden bovendien meer dan veertig jaar is verstreken? Zulke godsonmogelijke dilemma’s maken van The Devil Next Door, waarin zowel Demjanjuks kleinzoon, schoonzoon en advocaten als de toenmalige aanklagers en rechters participeren, een fascinerende, aangrijpende en nog altijd actuele serie.

Wrinkles The Clown

Als je een vervelend kind de stuipen op het lijf wilt jagen, bel dan Wrinkles The Clown (78 min.). Hij roept ongehoorzame zoons of dochters genadeloos tot de orde, op een manier die ze nooit meer vergeten. Deze film openbaart wie er schuil gaat achter de beruchte horrorclown: een nurkse en morsige ouwe vent die alleen in een camper woont, zo nu en dan een stripclub bezoekt en beslist niet herkenbaar in beeld wil. Hij krijgt nu namelijk al continu telefoontjes, waaronder een hele zwik doodsbedreigingen. En je weet nooit zeker hoe serieus je die moet nemen.

Wrinkles appelleert aan de aloude angst voor clowns, die ook al in talloze griezelfilms is geëxploiteerd en in de jaren zeventig via seriemoordenaar John Wayne Gacy een gruwelijke real life-variant heeft gekregen. Er is zelfs een speciale webplek waarop sightings kunnen worden gemeld: HvUseenWrinkles? Met video’s van Wrinkles die door een beveiligingscamera wordt gesnapt als hij onder het bed van een meisje vandaan kruipt. Of van Wrinkles als hij op een schemerige parkeerplaats wordt gespot, sjokkend achter een winkelwagen met daarin zijn hele leven. De naargeestige clown is intussen een enorme hype geworden. Amerikaanse media krijgen geen genoeg van de engerd, die natuurlijk perfect aansluit bij de sensationele verhalen die zij het liefst vertellen.

Filmmaker Michael Beach Nichols zet de mythe rond de ‘terrorclown’ in deze slim opgebouwde documentaire nog eens flink in de steigers, haalt daarbij alle denkbare horror-clichés van stal en onderzoekt tegelijk met kinderen, hun ouders, clowns en deskundigen de aantrekkingskracht van griezelverhalen en urban legends in het algemeen. En uiteindelijk weet hij in deze, jawel, spannende film de echte Wrinkles The Clown tóch in beeld te krijgen.

The Accountant Of Auschwitz

Vrolijke marsmuziek klinkt in de openingsscène van deze film. In beeld verschijnt de zwart-wit foto van een jonge militair. Rond brilletje, melancholiek gezicht. De stem van deze Oskar Gröning zorgt voor de herinneringen bij archiefbeelden van een concentratiekamp. ‘Het hoofdkamp van Auschwitz was net een klein dorp, met veel geroddel en geklets. Er was een kantine, een bioscoop.’ Intussen zien we hoe gezellig de medewerkers van het beruchte kamp ‘t hadden met elkaar. De opgewekte muziek zwelt weer aan: ‘Links um die Ecke…’ In het kader van de vrijetijdsbesteding wordt er enthousiast gesport. De atleten hebben ook mooie trainingspakjes aan, met een SS-embleem erop.

‘Het was een plek waar je vriendschappen voor het leven opdeed en waar ik met veel plezier op terugkijk’, blikt Gröning bij de start van The Accountant Of Auschwitz (75 min.) met weemoedige stem terug. Inmiddels wordt het archiefmateriaal van de levenslustige jongelingen afgewisseld met de huiveringwekkende beelden die we doorgaans associëren met het vernietigingskamp. ‘We waren ervan overtuigd dat we verraden waren door de hele wereld en dat er een grote samenzwering van Joden tegen ons was’, zegt de kampmedewerker nu, op zoek naar een verklaring en rechtvaardiging voor zijn eigen gedrag in de Tweede Wereldoorlog.

‘Maar je moet je toch hebben gerealiseerd dat zeker die kinderen je helemaal niets misdaan kunnen hebben?’ werpt de interviewer van dienst tegen, terwijl de alomtegenwoordige marsmuziek gaandeweg helemaal vastloopt en de openingsscène aan zijn einde komt. ‘Die kinderen zijn op het moment zelf natuurlijk niet de vijand’, stelt Gröning. ‘De vijand is het bloed dat door hun aderen stroomt.’ Die gedachtegang maakte het voor de Duitser (blijkbaar) mogelijk om te werken bij Auschwitz. Zijn werk in het kamp was voor hem een normale baan. De één werkt nu eenmaal bij Philips of Volkswagen, een ander bij de Firma Endlösung.

Oskar Gröning verzamelde bijvoorbeeld de spullen van Joden die aankwamen in het vernietigingskamp. Zij hadden die immers toch niet meer nodig – waaruit je overigens meteen kunt afleiden dat hij er wel degelijk van op de hoogte was wat er met de nieuwe kampgasten zou gaan gebeuren. Maar is de man, die zelf ogenschijnlijk verder geen geweldsdaden pleegde, daarmee ook (mede)verantwoordelijk voor de genocide die in zijn directe werkomgeving plaatsvond?

Die principiële vraag drijft deze film van Matthew Shoychet, waarin De Zaak Gröning wordt geplaatst tegen de achtergrond van rechtszaken tegen oorlogsmisdadigers (die verdacht vaak met een heel beperkte straf zijn weggekomen). Van beruchte beulen als John Demjanjuk lijkt het logisch dat ze tot in lengte van dagen worden vervolgd, maar kun je ook iemand veroordelen die zelf geen mens heeft vermoord en daartoe ook niet de opdracht heeft gegeven? En: wanneer houdt iemands schuld op?

Blue Note Records: Beyond The Notes

Een Duitse leeuw en wolf stonden ooit aan de basis van het vermaarde Amerikaanse platenlabel Blue Note Records. De jeugdvrienden Alfred Lion en Francis Wolff ontvluchtten in de jaren dertig de Jodenvervolging in nazi-Duitsland. In hun nieuwe vaderland focusten de twee outsiders zich op hun grote passie, jazz, en richtten in 1939 Blue Note op, een onderneming waarmee waarschijnlijk geen rooie rotcent was te verdienen. Een grotendeels zwart label bovendien, in een veelal witte industrie. Het zou niettemin een groot succes worden.

In Blue Note Records: Beyond The Notes (54 min.) blikken kopstukken als Herbie Hancock, Terrace Martin, Derrick Hodge en de huidige directeur van Blue Note, Don Was, terug op de hoogtijdagen van ‘de Cadillac onder de jazzlabels’, toen grootheden als Miles Davis, Thelonious Monk, John Coltrane, Art Blakey, Lee Morgan, Horace Silver en Sonny Rollins van Lion en Wolff volledige artistieke vrijheid kregen en met speels gemak muzikale grenzen verlegden. In een nieuwe studiosessie zoeken The Blue Note All-Stars intussen de magie van Blue Notes gouden jaren op.

Regisseur Sophie Huber richt zich in deze gedegen televisiedocumentaire compleet op de kunst: de muziek zelf natuurlijk, de bijbehorende coole zwart-wit foto’s en het stijlvolle artwork. Ze tekent ook de revival van het label in de tweede helft van de jaren tachtig op, als Blue Notes onmiskenbare sound wordt opgepikt door hiphoppers, opnieuw in de belangstelling komt te staan en nieuwe sterren als Norah Jones in de vaart der volkeren opstuwt.

Life Overtakes Me

De kinderen stoppen met praten. Ze gaan gewoon liggen. En daarna willen ze steeds minder eten en drinken. Totdat ze er helemaal mee ophouden. In catatonische toestand vervolgen ze hun leven. Doods liggend in een rolstoel. Of gewoon op bed. In een soort coma. Voor enkele maanden. Een compleet jaar. Of… En hun ouders denken dat ze doodgaan.

De korte documentaire Life Overtakes Me (40 min.) belicht het zogenaamde berustingssyndroom, waaraan maar liefst honderden vluchtelingenkinderen in Zweden zouden lijden. De filmmakers John Haptas en Kristine Samuelson portretteren bijvoorbeeld een Oekraïense familie, die zich in eigen land bedreigd voelde en is gevlucht. Als de asielaanvraag van het gezin wordt afgewezen, begint hun ooit zo actieve dochter Daria zich terug te trekken in haar eigen wereld. Al acht maanden oogt ze als Sneeuwwitje, die nodig wakker gekust moet worden.

Ook de andere ‘afwezige’ kinderen in deze sobere film, die in leven moeten worden gehouden met sondevoeding, hebben hun eigen verhaal. Getuige van een moord, aanwezig bij een verkrachting. Getraumatiseerd, dat zeker. Tegenslagen in hun nieuwe vaderland zetten hun lijf vervolgens helemaal op slot. Is het zelfbescherming? Of belazeren deze kinderen en ouders de kluit, zoals sommige criticasters beweren, om zo een verblijfsvergunning voor hun familie af te dwingen?

De psychologen die in Life Overtakes Me aan het woord komen twijfelen niet aan het Resignation Syndrome, maar waarom juist vluchtelingen uit de Balkan of de voormalig Sovjet-republieken deze problemen hebben en waarom die zich vrijwel uitsluitend in Zweden manifesteren? Daarover tast eigenlijk iedereen in het duister. Intussen is het pijnlijk om te zien hoe de ouders, in afwachting van een definitief besluit over hun asielaanvraag, moeten hannessen met kinderen, die bevangen lijken te zijn door pure angst.

At The Heart Of Gold: Inside The USA Gymnastics Scandal

Deze ‘good cop’- en ‘bad cop’-combinatie bleek toch echt uit twee bad cops te bestaan. Turncoach John Geddert, een doorgewinterde ijzervreter, en zijn teamarts Larry Nassar, het prototype aimabele vertrouwenspersoon. Als Geddert ze weer eens ongenadig had afgeblaft of volledig door de pijngrens had laten gaan, konden de piepjonge atletes altijd terecht bij de nerdy arts die ze dan weer oplapte en… misbruikte. Sinds 1992 zou Nassar zich hebben vergrepen aan meer dan driehonderd turnster(tje)s, waaronder diverse medaillewinnaressen op de Olympische Spelen. En Geddert moet ervan hebben geweten. Zolang de resultaten, die natuurlijk te allen tijde heilig bleven, goed waren, zag hij echter geen reden om in te grijpen. Net als Nassars werkgever Michigan State University, de Amerikaanse turnbond en het Olympisch comité.

In At The Heart Of Gold: Inside The USA Gymnastics Scandal (89 min.) zijn het, net als in thematisch verwante films zoals Surving R. Kelly en Leaving Neverland, de slachtoffers die aan het woord komen. Hun getuigenissen zijn door regisseur Erin Lee Carr omlijst met beelden van de bikkelharde trainingen, topprestaties van de meiden in wedstrijden én de zorgzame arts Nassar in actie. Liefdevol behandelt hij piepjonge, onherkenbaar gemaakte meisjes. De bijbehorende verhalen hebben een onwerkelijk karakter. Over Nassars signatuurbehandeling bijvoorbeeld. Waarbij de teamarts via drukpunten in de vagina elk pijntje, waar dan ook in het lichaam, zei te kunnen verhelpen. De eerste, relatief onschuldige sessies vonden vaak plaats met de ouders van de turnster erbij, zodat Nassar daarna zonder enige terughoudendheid en met erectie ‘de behandeling’ verder kon uitbouwen.

Uiteindelijk, zo’n 25 jaar na de eerste beschuldigingen aan zijn adres, loopt de man toch tegen de lamp en wordt de gewaardeerde sportarts, op het moment dat ook de #metoo-affaires rond Harvey Weinstein, Bill Cosby en Kevin Spacey losbarsten, ontmaskerd als een onverbeterlijke pedofiel. Via bijzonder indringende beelden uit de rechtszaal plaatst Carr hem aan het eind van de film recht tegenover zijn slachtoffers. Zij krijgen spreekrecht en vertellen, omringd door al dan niet schuldbewuste verwanten, hun schokkende verhalen. Nassar moet die aanhoren – of hij nu wil of niet. ’May God bless your dark, broken soul’, voegt één van zijn slachtoffers de inmiddels bevende teamarts toe, waarna mevrouw de rechter hem als een onvervalste wraakengel een loodzware straf oplegt.

Die apotheose is bijna niet om aan te zien. Talloze vrouwen, meisjes, die nog eenmaal de man onder ogen moeten komen die hun lichaam onteerde. En Larry Nassar zelf, een wolf die oogt (of probeert te ogen) als een lammetje. Met in het achterhoofd de wetenschap dat diverse mensen in hun directe omgeving deze malheur (grotendeels) hadden kunnen voorkomen. Voor hen krijgt dit verhaal nog een juridisch staartje. Deze aangrijpende film is dus geen definitief sluitstuk, maar een voorlopige samenvatting van één van de vele misbruikzaken die in de afgelopen uit de riolen van de sportwereld zijn opgediept.

Primary

Elke campagnedocu is eigenlijk schatplichtig aan één film: Primary (53 min.) van Robert Drew, een documentaire uit 1960 die ook wel wordt beschouwd als de allereerste representant van een nieuwe stroming, direct cinema. Deze tintelfrisse benadering van documentaire, waarbij het echte leven als het ware kon worden geobserveerd en geregistreerd, werd mogelijk gemaakt door de ontwikkeling van mobiele camera- en geluidsapparatuur en zou ook zijn eigen helden opleveren.

In Primary werkten drie toekomstige iconen van de observerende documentaire samen. Regisseur Robert Drew zelf natuurlijk, die in de jaren zestig nog enkele andere belangrijke politieke films zou afleveren. En cameraman Albert Maysles. Met zijn broer David maakte hij in de navolgende decennia klassieke films als SalesmanGimme Shelter en Grey Gardens. En ook editor D.A. Pennebaker leverde nog een gestage stroom aan belangwekkende films af, waaronder klassiekers als Don’t Look Back, The War Room en Kings Of Pastry. Stuk voor stuk zouden ze bovendien tot op zeer hoge leeftijd actief blijven. Sterker: Pennebaker, 93 inmiddels, maakte samen met zijn vrouw en samenwerkingspartner Chris Hegedus in 2016 nog een film: Unlocking The Cage.

Primary leverde nóg een held op. Nee, niet de Democratische presidentskandidaat Hubert Humphrey (aan wie hier het liedje Vote For Hubert is gewijd). Maar zijn tegenstrever in de voorverkiezing van de Amerikaanse staat Wisconsin. Die van de Frank Sinatra-kraker High Hopes. Een relatief onbekende senator uit Massachusetts die, samen met zijn lieftallige echtgenote, zal uitgroeien tot een icoon van zijn tijd. Dat is in deze documentaire al zichtbaar: zodra de man zich op straat begeeft, wordt hij belaagd door (vrouwelijke) handtekeningenjagers. Voor hem zullen drie letters uiteindelijk genoeg zijn: JFK. Hij moet er wel jong voor sterven, op gruwelijke wijze bovendien.

Deze film slaagt er als nooit tevoren in om dicht bij zijn subjecten te komen en hún perspectief te laten zien. De politieke kandidaten zijn in die tijd nog opvallend benaderbaar. Iets wat in de navolgende decennia, mede als gevolg van de toenemende druk vanuit de media, flink onder druk komt te staan. Al zal het, ook in Amerika, mogelijk blijven om politieke kandidaten in de nek te blijven hijgen, getuige recente campagnefilms als Running With Beto en Knock Down The House. En altijd resulteert dat weer in de clichématige verkiezingstaferelen, die ook in Primary al zijn te zien: ‘spontane’ praatjes op straat met gewone burgers, eindeloze reizen door alle uithoeken van het land en gelikte verkiezingsspeeches, die zelfs toen al soms op matige cabaretvoorstellingen leken.

En die overbekende mixture van vaste rituelen mondt dan steevast, ook in Primary, uit in een enerverende verkiezingsdag, waarbij winst en verlies dicht bij elkaar liggen – en uiteindelijk toch iedereen zegt te hebben gewonnen.

Dirty John: The Dirty Truth

Eerst was er de succesvolle Dirty John-podcast van Los Angeles Times-journalist Christopher Goffard. Toen verscheen de gelijknamige Netflix-miniserie met Eric Bana als de charmante psychopaat John Meehan en Connie Britton in de rol van binnenhuisarchitecte Debra Newell, die volledig in diens macht belandt. En nu levert datzelfde platform een bijsluiter in documentairevorm: Dirty John: The Dirty Truth (86 min.).

De echte Debra Newell en haar dochters worden daarin vergezeld door diverse andere vrouwen, die hun ervaringen delen met de kwaadaardige charmeur, die een spoor van gedupeerde en ernstig beschadigde vrouwen heeft achtergelaten. Achter de aantrekkelijke arts met de tandpastasmile bleek een duistere figuur met een serieuze drugsverslaving, hele verzameling contactverboden en gewelddadige inslag schuil te gaan.

Hoewel de hoofdpersoon in principe alles heeft om uit te groeien tot een gelaagd documentaire-personage, wordt hij in deze televisiedocu van Sara Mast nooit meer dan een standaard Hollywood-slechterik. Hetzelfde geldt voor Dirty John: The Dirty Truth zelf: dertien-in-een-dozijn true crime. Een rechttoe rechtaan ‘good woman loves bad man’-tragedie, met veel interviewquotes, ‘spannende’ beelden en donkere muziekjes, die geen moment écht enerverend wil worden.

Lorena

Ze werd een soort archetype van de wraakzuchtige echtgenote. Tenminste, als je alleen afging op de chocoladeletters in de roddelbladen. Tegelijkertijd groeide Lorena Bobbitt in 1993 uit tot een symbool voor alle Amerikaanse vrouwen die zich tegen hun gewelddadige mannen moesten verdedigen. De Ecuadoriaanse immigrante belandde in de schmutzige tabloid-historie als de vrouw die de penis van haar echtgenoot John afsneed.

Op het moment dat de hulpdiensten in huize Bobbitt arriveren, is het geslachtdeel, zoals een opmerkelijk goedgeluimde uroloog het treffend uitdrukt, zelfs nog ‘lost in action’. Zou ze hem ingeslikt hebben? vraagt een politieagente die de plaats delict moet onderzoeken zich af. Het gebruikte mes vinden ze uiteindelijk in een vuilnisbak, de vermiste penis op een nabij gelegen veldje. ‘Een brandweerman heeft ‘m uiteindelijk gevonden en opgepakt’, vertelt Lorena zelf 25 jaar na dato. Waarna ze haar handen voor de mond slaat en beschaamd begint te lachen. ‘Oh, mijn god!’

Het was doodeng, zegt haar ontmande ex-echtgenoot John Wayne Bobbitt, die volgens eigen zeggen bedwelmd was toen zijn vrouw het mes in zijn edele delen zette. ‘Alsof Freddy Kruegers hand door de muur kwam.’ De eerste aflevering van de vierdelige serie Lorena (253 min.) is dan pas tien minuten onderweg. De ‘castratie’, die nog een uitbundig vervolg zal krijgen in de rechtszaal en de (roddel)pers, vormt de opmaat naar een boeiend exposé over huiselijk geweld, mediahypes en de kwetsbare positie van immigranten.

De voormalige geliefden Lorena en John Wayne Bobbitt dreigen ondertussen volledig vermalen te worden door de onverkwikkelijke kwestie, die hen in de navolgende jaren nog in een psychiatrisch ziekenhuis, de porno-industrie en Hollywood zal brengen. Dat verhaal wordt kundig uit de doeken gedaan in deze krachtige miniserie van Joshua Rofé (die alleen wel wat lang is uitgevallen). Waarbij Lorena’s wanhoopsdaad, waarover elke mishandelde vrouw wel eens zal hebben gefantaseerd, niet meer is dan het kwartje dat in een automaat wordt gegooid, die vervolgens een continue stroom blunders, gênante situaties en tegenslagen uitspuugt.

Wat je niet doodt, stelt een (ongetwijfeld Amerikaans) spreekwoord, maakt je sterker. Dat geldt zeker voor één van de twee Bobbitts, die zich helemaal van de ander lijkt te hebben losgemaakt. Díe kan echter maar moeilijk afstand nemen van het verleden. Het is natuurlijk ook geen sinecure, een vrouw die het mes in haar mans penis zet. Al valt zelfs dat te relativeren. ‘In Afrika kunnen ze miljoenen vrouwen besnijden, zonder dat je er ooit iets over hoort’, zegt een vrouw, die een bijrol speelt in deze docuserie, aan het slot ervan. ‘Maar snijd één pik eraf en het land is te klein.’ Ze begint te lachen: ‘it’s a man’s world.’

John & Yoko: Above Us Only Sky

Hoeveel documentaires zitten er in één enkel mensenleven? Willekeurig voorbeeld: Lennon, J.W. Geboren op 9 oktober 1940 in Liverpool, Engeland. Zanger, gitarist, acteur en – vooruit – liedjesschrijver. Gestorven op veertigjarige leeftijd op 8 december 1980 te New York, Verenigde Staten. Laten we eens kijken…

The Beatles: Destination Hamburg concentreert zich op de Duitse puberjaren van zijn popgroepje, The Beatles: Eight Days A Week – The Touring Years brengt daarna de eerste succesjaren in beeld en How The Beatles Changed The World buigt zich over de invloed die dat gezelschap zou hebben gehad. Zo ongeveer elke langspeler van deze muzikanten kreeg natuurlijk eveneens een eigen documentaire: Rubber SoulRevolverThe White Album en – natuurlijk! – Sergeant Pepper’s Lonely Hearts Club Band. Zelfs de trouwe secretaresse van de groep, Good Ol’ Freda, werd tot heldin van haar eigen film gebombardeerd.

Na het verscheiden van zijn band leefde Lennon, J.W. overigens nog even door. Zijn periode in New Yorkactiviteiten als anti-oorlogsactivistde moordaanslag die hem het leven kostte en ’s mans allerlaatste interview zijn allemaal geboekstaafd voor de eeuwigheid. Voor de zekerheid verschenen er ook biografieën zoals Imagine over de man die anders, natuurlijk, al lang en breed vergeten zou zijn. U begrijpt dat dit bepaald geen uitputtend overzicht is. Hooguit een zeer willekeurige selectie. Één aspect verdiende in elk geval nog verdere uitwerking volgens regisseur Michael Epstein, die in 2011 al LennoNYC maakte: de totstandkoming van het soloalbum Imagine uit 1971 en de samenwerking met Lennons toenmalige echtgenote. Het resultaat luistert naar de naam John & Yoko: Above Us Only Sky (88 min.).

Met direct betrokkenen en Ono, Y. zelf worden de opnames in Lennons thuisstudio op Tittenhurst Park, onder leiding van producer Spector, H.P., gereconstrueerd, met bijzondere aandacht voor individuele liedjes over een jaloerse vent, het inmiddels best wel bekende titelnummer en een later uitgebracht klassiek kerstliedje. De invloed van zijn Japanse echtgenote mag daarbij niet worden onderschat, betogen diverse intimi die het wel eens zouden kunnen weten. Dat wordt ook zichtbaar. Het gehele proces is door een alerte cameraploeg en fotograaf vastgelegd. Als Lennon, J.W. een scheet zou hebben gelaten – wat bij een man van zijn kaliber nauwelijks is voor te stellen – dan was die beslist voor het nageslacht vastgelegd.

Zo is ook in beeld gevangen hoe Lennon, J.W. uitgebreid in gesprek gaat met een door hem geobsedeerde Vietnam-veteraan met PTSS, die plotseling aan de poort van zijn landgoed op het Britse platteland staat. ‘Verwar de songs niet met je eigen leven’, houdt Lennon hem voor. Deze Claudio laat zich echter niet zomaar uit het veld slaan: ‘Weet je nog dat je schreef: je kunt uitstralen en penetreren wat je wilt? Syndiceren wat je wilt.’ J.W. blijft nuchter: ‘toen speelde ik wat met woorden.’ Sterker: het was Ono, Y. die ooit met de termen ‘radiate’ en ‘syndicate’ op de proppen kwam. De verwarde jongen mag naderhand echter gewoon mee-eten in huize Lennon. De innemende scène tekent het oog voor detail waarmee ook dit tamelijk belangwekkende hoofdstuk uit J.W. Lennons bestaan, en daarmee ook de wereldwijde popgeschiedenis, nu is gedocumenteerd.

Hoeveel documentaires zouden er overigens gaan in de mensenlevens van pak ’m beet J.F. KennedyC.M. Clay of E.A. Presley?

Van Verlies Kun Je Niet Betalen

KRO-NCRV

‘Het is maar stilletjes hier in de straat, hè?’ zegt Adrie Trimpe, vanachter de toonbank van zijn Vlissingse groentewinkel, in de openingsscène van de documentaire Van Verlies Kun Je Niet Betalen (63 min.) uit 2018. ‘Dat is achteruitgegaan, hoor, in vergelijking met vroeger.’ Terwijl Adrie met vaste klant Paul keuvelt, duwt zijn vrouw Francien met onvaste hand enkele boontjes door een snijmachine. ‘Twee stuntelaars, hoor’, zegt ze. Als haar echtgenoot de snijboontjes vervolgens verkoopt, begint zij alvast aardappelen te jassen voor hun eigen maaltijd. Hollandse pot, natuurlijk.

Het echtpaar Trimpe is dik in de tachtig en runt al meer dan een halve eeuw een winkel in de binnenstad van Vlissingen. Dat wordt door hun eigen broze gezondheid steeds moeilijker. Het businessmodel van de Trimpes is sowieso al jaren, decennia misschien wel, over de datum, maar wordt met aandoenlijk kunst- en vliegwerk, en de dagelijkse hulp van Adries jongere zus Ada, ternauwernood overeind gehouden. Nu wil Ada er alleen voor drie maanden tussenuit, naar de camping in Frankrijk, en blijven haar broer en diens echtgenote, beiden slecht ter been, alleen achter in hun winkel.

Daarmee komt het relatieve evenwicht in deze fijne kleine film van Helge Prinsen en John Albert Jansen op de tocht te staan. Ondanks hun voorbeeldige arbeidsethos redden de echtelieden Trimpe, de verpersoonlijking van het Zeeuwse cliché ‘ons bin zuunig’, het eigenlijk niet meer. Stoppen blijft echter een brug te ver. ‘Ik kan niet zonder’, bekent Adrie op een kwetsbaar moment. Hij ziet geen andere optie dan sterven in het harnas. Dat heeft iets tragisch – een man die de lenigheid van geest mist om zichzelf los van zijn zaak te zien – maar is tegelijkertijd ontroerend. Met die groentezaak, zo realiseert Trimpe zich, gaat hij. Dat moment kun je dus alleen maar zo lang mogelijk uitstellen.

The Innocent Man

Twee strafzaken die ogenschijnlijk niets met elkaar van doen hebben: de verkrachting van en moord op Debbie Carter in 1982 en de verdwijning van een andere jonge vrouw, Denice Haraway, anderhalf jaar later. Beide misdrijven vonden plaats in Ada, een slaperig stadje in Oklahoma. En in beide zaken werden twee mannen aangeklaagd en veroordeeld. Maar zijn deze vier langgestraften ook werkelijk schuldig? En (wat) hebben de twee verontrustende delicten met elkaar te maken?

De startpositie van de zesdelige documentaireserie The Innocent Man (282 min.), gebaseerd op de enige non fictie-thriller van bestsellerauteur John Grisham, voelt direct vertrouwd: true crime, zoals Amerikaanse documentaireproducenten die tegenwoordig per strekkende meter afleveren. Een enerverende achtbaanrit door het plaatselijke justitiesysteem met bizarre personages, straffe gedramatiseerde scènes en duizelingwekkende plotwendingen en cliffhangers. En, als het enigszins kan: een of meerdere ten onrechte veroordeelden en snode lieden die hen er doelbewust in hebben geluisd.

In dit specifieke geval: mannen die zelf een schuldbekentenis hebben afgelegd en een vrouwelijke getuige met de gave om aan anderen bekentenissen te ontlokken. En ook nu komt het betrokken politiekorps, uit Pontotoc County ditmaal, onder het vergrootglas te liggen. In die zin doet deze serie van Clay Tweel sterk denken aan het in Manitowac County gesitueerde Making A Murderer en moeten er ook vergelijkbare vragen worden beantwoord: zijn er andere verdachten? Hebben zij een logisch motief? En: is de (verplichte) complottheorie geloofwaardig?

Terwijl de successerie over de (onterechte) veroordeling van Steven Avery en Brendan Dassey, die in 2015 uitgroeide tot de standaard voor hedendaagse true crime, erg prekerig en langdradig wordt in het onlangs verschenen tweede seizoen, blijft The Innocent Man behoorlijk op koers en tempo. Het verhaal is wel erg gecompliceerd. Filmmaker Tweel probeert de chronologie en verbanden tussen de twee moordzaken te verduidelijken met een tijdlijn en heeft de ontwikkelingen zoveel mogelijk ondergebracht in afgebakende hoofdstukken. Kijkers moeten niettemin goed bij de les blijven. Na bijna vijf uur moord laat het overkoepelende verhaal zich niet zomaar in enkele zinnen samenvatten.

Aan het eind zet Tweel ‘gelukkig’ de voornaamste argumenten uit het pleidooi van het advocatenteam van de (ten onrechte) veroordeelden nog maar eens netjes op een rij, waarna amateurdetectives in de huiskamer zelf op zoek mogen naar gaten en losse eindjes in dat betoog.

The King

‘Oh, mán!’ Hij schiet helemaal vol als hij instapt. Een Rolls Royce uit 1963. De auto van Elvis Presley. The King (108 min.). ‘Oh, shit’, herpakt singer-songwriter John Hiatt zich. ‘Sorry.’ ‘Kwam het door iets wat ik zei?’ wil regisseur en bestuurder Eugene Jarecki weten. ‘Nee. Als je in deze auto gaat zitten, voel je gewoon hoe gevangen hij zat. Helemaal gevangen.’

Elvis was volgens John Hiatt een ‘poor mama’s boy from Mississippi’, die vast kwam te zitten bij een ‘kermistype’. Manager Colonel Parker heeft hem schaamteloos heeft geëxploiteerd en intussen zijn ziel afgenomen. Hoogstpersoonlijk zorgde Parker, de Nederlander Dries van Kuijk, ervoor dat Presley transformeerde van onbedorven – of zéér verdorven; tis maar hoe je het bekijkt – rock & roller tot volledig bedorven entertainer.

Elvis was de verpersoonlijking van de American Dream, zo betoogt deze caleidoscopische road trip door het hedendaagse Amerika met de ‘hot wheels’ van The King. En dus ook van de teloorgang van diezelfde droom. Waar Presley zijn ziel op Faustiaanse wijze aan de Duivel verkocht, veranderde het land van hoop en dromen gaandeweg in een soort megalomane versie van Las Vegas, de plek waar Elvis roemloos aan zijn einde kwam.

Ooit een baken van vrijheid, maar inmiddels allang verworden tot een symbool voor het ultieme kapitalisme. Al valt er op die droom, volgens de rapper Immortal Technique niet meer dan ‘de nachtmerrie van een dronkenlap’, ook wel één en ander af te dingen. Want dat was natuurlijk vooral een blank ideaalbeeld. Dat werd gepersonifieerd door Elvis, de zanger die zwarte muziek toegankelijk maakte voor wit Amerika.

‘Elvis was a hero to most, but he never meant shit to me’, rapte Chuck D. al in de Public Enemy-hit Fight The Power. ‘Straight up racist that sucker was.’ Hij mag ook zijn licht laten schijnen over The King, in de ogen van de rapper het symbool van hoe Wit Amerika Zwart Amerika ringeloorde, in deze lappendeken van een documentaire, waarin een hele stoet landgenoten het lot van Elvis met dat van zijn land verknoopt.

Van acteurs als Alec Baldwin, Ethan Hawke en Ashton Kutscher tot spin doctor James Carville, The Wire-bedenker David Simon en oud-anchorman Dan Rather. Intussen wordt er ook nog gloedvol gemusiceerd in die Rolls Royce, die vanuit de stilaan Vernederde Staten van Amerika linea recta ons collectieve hart binnenrijdt met deze eigenzinnige en ambitieuze film.

Sprekend Nederland

‘Dat verklaar ik en beloof ik’, verklaren de nieuwe Nederlanders aan het begin van John Appels nieuwe film Sprekend Nederland (82 min.). Tijdens de naturalisatieceremonie wordt natuurlijk ook het Wilhelmus gezongen. Na afloop wil menigeen bovendien op de foto met de Nederlandse vlag. In al hun verscheidenheid zijn die mensen bij ons gaan horen. Of wij dat nu willen of niet. Maar wie zijn wij eigenlijk?

Deze veelkleurige film, die is opgebouwd rond openbare toespraken, geeft daarop geen eenduidig antwoord. Zijn we de boze mannen van Pegida die ‘we zijn niet bang voor de Islam’ zingen en één van hen hebben uitgedost als Mohammed, die rond paradeert met een afgehakt hoofd in zijn hand? Of juist het Amsterdamse moslimmeisje dat op een manifestatie voor diversiteit alle grote mensen voorhoudt om voortaan vooral te denken met hun hart?

John Appel zelf omschrijft Sprekend Nederland als een soort hedendaagse variant op Alleman, de legendarische film waarmee Bert Haanstra in 1963 het toenmalige Nederland portretteerde. Een wit land, dat de jaren vijftig nog definitief van zich af moest zien te schudden. Het land dat Appel ruim een halve eeuw later heeft aangetroffen heeft duidelijk meer kleur op de wangen gekregen. Van opwinding, boosheid of gewoon omdat de roots van de bijbehorende mensen buiten Nederland liggen.

De Amsterdamse filmer vindt ‘de Nederlander’ in alle soorten en maten. Bij allerlei verschillende openbare gelegenheden: de publieke doop van nieuwe christenen, het eerste kampioenschap van Feyenoord in bijna twintig jaar of een feestje voor succesvolle beleggers, waar saxofonist Hans Dulfer lustig staat te toeteren en een soort van rapper de legendarische straathit The Message  (‘don’t push me, cause I’m close to the edge’) vernachelt. Iedereen koestert zijn eigen biotoop en gebruikt zijn eigen taal.

Echte hoofdpersonen heeft Sprekend Nederland niet – of het moet de honderdjarige vrouw zijn, die op dezelfde dag is geboren als koning Willem-Alexander en net als een selecte groep andere 27 aprillers wordt uitgenodigd voor zijn verjaardagsfeestje. Je zou kunnen zeggen dat wij allen, gewone en toch bijzondere Nederlanders, centraal staan. Met deze film laat John Appel ons met andere ogen kijken naar het land, dat we al van binnen en van buiten dachten te kennen.

Het caleidoscopische karakter van Sprekend Nederland deed me denken aan de korte docu De Spelende Mens van Sanne Rovers, een ‘speel’-film over hobbyend Nederland, en Michiel van Erps meest recente documentaire Leve de Vrijwilliger!, waarin hij ons land portretteert aan de hand van de vele vrijwilligers en waarin onze koning zich ook al van zijn beste kant laat zien.

School Life

 

Hij lijkt een volledig verzuurde knorrepot, zij oogt als een wereldvreemde boekenwurm. Het echtpaar Leyden geeft al 46 jaar les op Headfort School, de enige Ierse kostschool voor kinderen van zeven tot en met twaalf jaar. Daarbij kun je je direct allerlei schrijnende taferelen voorstellen. Van kadaverdiscipline, volstrekte liefdeloosheid en rücksichtslose tucht. Om over het onvermijdelijke misbruik nog maar te zwijgen.

Niets van dat al! De amodieuze John mag dan voortdurend zogenaamde verwijten om zich heen strooien (‘dat waren alle goede noten, maar niet noodzakelijk in de juiste volgorde’) en Amanda kan volledig in vervoering raken van bepaalde poëzie, maar uit alles wat ze doen en zeggen spreekt oprechte betrokkenheid bij ‘hun’ pupillen. Om over de bijbehorende onderkoelde humor nog maar te zwijgen.

Het kettingrokende echtpaar Leyden maakt van de observerende documentaire School Life (97 min.), originele titel In Loco Parentis, een hartverwarmende film. De filmmakers Neasa Ní Chianáin en David Rane portretteren Headfort als een liefdevol tweede thuis, waar de Leydens zich als pedagogisch verantwoorde pseudo-ouders bekommeren om kinderen die vanuit alle windstreken naar het idyllische dorp Kells in County Meath zijn gekomen. Om van de extra aandacht die ze schenken aan enkele kids met uitdagingen nog maar te zwijgen.

Intussen nadert het afscheid voor John en Amanda Leyden, die in 1972 zijn getrouwd en sindsdien altijd hebben gewoond in de voormalige butlerwoning op het Headfort-terrein. Het moment waarop hun welverdiende ouwe dag begint komt zienderogen dichterbij. Om over het afscheid van al die opgroeiende jongens en meisjes nog maar te zwijgen.

John McCain: For Whom The Bells Toll

 

Zijn dagen waren al geteld toen deze documentaire werd gefilmd. De Republikeinse senator John McCain blijft niettemin strijdbaar tot zijn allerlaatste ademtocht. Zo kreeg partijgenoot Trump onlangs nog te horen dat hij wel mocht wegblijven bij McCains uitvaart. Niet veel later werd hij met gelijke munt terug betaald. Nadat McCain protesteerde tegen de benoeming van Gina Haspel als directeur van de CIA, omdat ze ooit verantwoordelijk zou zijn geweest voor martelingen, merkte een medewerkster van de president op: ‘He’s dying anyway’.

Het kan elk moment daadwerkelijk zover zijn: het einde van de ‘maverick’ John McCain, na een veelbewogen leven dat hem over de hoogste toppen en door de diepste dalen voerde. In John McCain: For Whom The Bells Toll (103 min.), een titel die verwijst naar zijn favoriete boek van Ernest Hemingway, leidt de hoofdpersoon zelf de kijker, zonder al te veel schroom of voorbehoud, door de ruim tachtig tropenjaren van zijn leven. Hij laat daarbij ook zijn flaters niet onbenoemd, zoals bijvoorbeeld zijn betrokkenheid bij het financiële schandaal rond de zogenaamde Keating Five, het feit dat hij het gebruik van de vlag van de Geconfedereerden vergoelijkte tijdens de presidentscampagne van 2000 en zijn selectie van Sarah Palin als vice-presidentskandidaat tijdens zijn campagne in 2008.

Na al die jaren overheersen echter ‘s mans verrichtingen: zijn positie als onafhankelijke stem binnen de Republikeinse partij. McCain was afgelopen week bijvoorbeeld zo’n beetje de eerste partijgenoot die keihard afstand nam van Trumps statements na de top met Poetin. Een ronduit heroïsche periode als krijgsgevangene in Vietnam heeft ervoor gezorgd dat zijn patriottisme nooit ter discussie kan worden gesteld. Als zoon van een opperbevelhebber van het Amerikaanse leger en kleinzoon van een andere admiraal weigerde hij een voorkeursbehandeling en vervroegde vrijlating. Hij zou uiteindelijk ruim 5,5 jaar gevangen worden gehouden, waarvan ruim twee jaar in eenzame opsluiting. Donald Trump, die zelf vanwege hielspoor nooit in militaire dienst is geweest, merkte na weer een meningsverschil met de eigenzinnige McCain eens op dat hij de voorkeur gaf aan mannen die zich niet gevangen laten nemen.

McCains periode in het Hanoi Hilton, die hem levenslange fysieke klachten bezorgde, heeft desondanks een prominente plek gekregen in zijn politieke biografie – en dus ook in deze oerdegelijke, uiteindelijk positief geframede film van Peter W. Kunhardt die lijkt te zijn bedoeld als een soort testament. In het traditioneel opgezette portret komen zowel politieke vrienden van beide partijen (zoals Bill en Hillary Clinton, George W. Bush, Barack Obama, Henry Kissinger en Joe Biden) als zijn kinderen en beide echtgenotes aan het woord, waarbij ook zijn pijnlijke echtscheiding gewoon aan de orde komt. Het past bij de ‘straight talking’ politicus McCain, een onafhankelijke geest die meestal zonder meel in de mond sprak. Deze politieke biografie doet hem zeker recht.