They Shall Not Grow Old

Van gezichtsloze mannen uit een lang vervlogen tijd, stom en zwart-wit, worden ze jongens van nu. Vitaal, goedlachs en jong, verrassend jong. They Shall Not Grow Old (99 min.), Peter Jacksons epische film over de Eerste Wereldoorlog (1914-1918), is dan al ruim 25 minuten onderweg. De oorlog tussen Groot-Brittannië en Duitsland is verklaard. Met een uitgebreide campagne zijn mankrachten geworven. En talloze Britse jongelingen, vaak nog minderjarig, hebben zich gemeld. Al hebben ze geen idee waarvoor ze hebben ingetekend.

De geluidloze, grofkorrelige zwart-wit beelden, begeleid door quotes van een eindeloze stroom veteranen, brengen de aanloop naar de Grote Oorlog treffend in beeld, maar er is tegelijkertijd geen twijfel mogelijk: hun nét iets te vlot opgestapelde verhalen spelen zich af in een andere wereld, ruim honderd jaar geleden. Waar we onze (over)grootvaders vroeger, ook alweer lang geleden, wel eens over hebben horen vertellen. En waar Peter Jacksons opa William gewond raakte, bij de Slag aan de Somme in 1916.

En dan, na een klein half uur, krijgen die naamloze mannen ineens letterlijk kleur en beginnen ze zowaar ook met elkaar te kletsen. Een enkeling roept zelfs ‘hoi mam’ naar de camera. Met liplezers en stemacteurs heeft Peter Jackson de soldaten een stem gegeven. Ook het decor waarin ze zich begeven, de loopgraven, komt tot leven. De geluiden van mannen onder elkaar, onderbroken door artillerievuur en ontploffende granaten. Het is een geweldige zet: een historische documentaire wordt nu een actuele film, die zich qua beleving (bijna) kan meten met een recente speelfilm over diezelfde oorlog, 1917.

Gesprekken met veteranen uit de jaren zeventig en tachtig en de prachtig gerestaureerde en ingekleurde beelden gaan daarbij een glorieus verband aan met elkaar – al hadden ze in werkelijkheid natuurlijk weinig met elkaar van doen. De militairen die je ziet kunnen niet de mannen zijn die je hoort. Toch slaagt Jackson erin om hen met elkaar te verbinden en hun collectieve ervaring, die honderd jaar later nog altijd actueel en urgent voelt, over te brengen: de kameraadschap, het respect voor de opponent (‘de Jerries’) en de onderbroekenlol, maar ook de gruwelen van de strijd, zoals gangreen, frostbite en – natuurlijk – de eervolle dan wel roemloze dood.

Één van zijn collega’s was geraakt, vertelt een anonieme soldaat bijvoorbeeld. ‘Zijn linkerarm en linkerbeen waren afgerukt. Zijn linkeroog hing op zijn wang. En hij riep om zijn moeder’, herinnert hij zich. ‘Dus heb ik hem doodgeschoten.’ De militair probeert zich te verontschuldigen: ‘Dat moest wel. Ik moest hem doodschieten. Hij zou sowieso zijn gestorven. Ik heb hem alleen uit zijn lijden verlost.’ Snikkend: ‘Dat deed zo’n pijn.’

Het zijn zulke kleine, indrukwekkende verhalen, van een jongen die je niet kent over een jongen die je ook niet kent, waarmee Peter Jackson de beleving van al die Jan Soldaten tijdens Die Andere Wereldoorlog weer tastbaar maakt. Een niet te onderschatten prestatie.

Why We Hate

Haat valt af te leren. Is logisch. Beschermt ons. Wordt doelbewust ingezet. Kan besmettelijk zijn. Én maakt héél veel kapot.

Aan de hand van zes subthema’s en een daarbij behorende wetenschapper schetst de docuserie Why We Hate (264 min.), geregisseerd door Geeta Gandbir en Sam Pollard en geproduceerd door Steven Spielberg en Alex Gibney, de psychologische, genetische, sociologische, juridische, neurologische en biologische achtergronden van de menselijke behoefte om De Ander te wantrouwen, beschimpen of zelfs bestrijden. Dit levert interessante inzichten en dwarsverbanden op, die met soms schokkende beelden worden geïllustreerd.

Over tribalisme bijvoorbeeld, een fenomeen dat zowel zichtbaar is in de rivaliteit tussen voetbalclubs als de permanente stammenstrijd tussen de Democratische en Republikeinse partij in de Verenigde Staten en de steeds weer oplaaiende oorlog tussen Israël en de Palestijnen. Hopeloze kwesties ogenschijnlijk, waarbij ‘de psychologie van het slachtofferschap’ (ook al behoor je tot de bovenliggende partij) een dominante rol lijkt te spelen. Wetenschappelijke experimenten tonen echter aan dat die verhoudingen wel degelijk zijn te reframen – al leidt dat helaas niet per definitie ook tot betere verhoudingen.

Het blijft tevens pijnlijk hoe effectief propaganda kan zijn als middel om een andere bevolkingsgroep te dehumaniseren. De bijbehorende weerzinwekkende beelden – de Obama’s als apen, moslims als vleesgeworden bommen en Joden als afgezanten van de Duivel – mogen dan bekend zijn, het blijft nauwelijks te bevatten dat mensen bereid zijn om dit soort vuiligheid te produceren en consumeren. En de gevolgen daarvan zijn onmiskenbaar. In Rwanda werden de Tutsi’s in de jaren negentig bijvoorbeeld stelselmatig door kranten en radiostations van de Hutu-meerderheid uitgemaakt voor ‘kakkerlakken’. En wat doe je met zulke beesten? Juist: kapot maken.

Met verve slalomt de zesdelige serie Why We Hate verder langs de burgeroorlog in het voormalige Joegoslavië, Pol Pots Cambodja en het Hongarije van Viktor Orbán, zoomt in op het Internationaal Strafhof in Den Haag, de Charleston Church Shooting en de beruchte Milgram– en Stanford Prison- experimenten (en de rol van instructie daarbij) en introduceert haatzaaiers die tot inkeer zijn gekomen, zoals een voormalige neonazi, ex-extremistische moslim en oud-lid van de omstreden Westboro Baptist Church. Uit hun gezamenlijke relaas kan tóch hoop worden geput. Als voorbeelden daarvan focussen Gandbir en Pollard op hoe Zuid-Afrika Apartheid en Duitsland het Derde Rijk achter zich hebben gelaten.

Er is uiteindelijk ook geen alternatief voor het loslaten van de haat, zo wordt glashelder. Met het ontmenselijken van de ander, stelt mensenrechtenadvocaat Patricia Viseur Sellers bijvoorbeeld, doen we ook onze eigen humaniteit geweld aan.

Door De Ogen Van Arna: Architect Van Verbinding

BNNVARA

Vanuit de architectuur wil Arna Mackic de sociale cohesie bevorderen. In dat opzicht kan haar huidige thuisbasis Amsterdam, volgens haar een gesegregeerde gemeenschap, nog wel wat leren van de stad waar ze werd geboren: Mostar in Bosnië-Herzegovina. Mackic was vier toen er in 1992 oorlog uitbrak in het voormalig Joegoslavië. Een jaar later moest ze vluchten. Ze zou uiteindelijk in Zoetermeer terecht komen.

Intussen werd in haar geboorteland het idee van een inclusieve stad aan flarden geschoten: de oude brug, van waar stadsbewoners vroeger de Neretva-rivier indoken. Het was niets minder dan ‘een aanval op de multi-etniciteit van de stad’, aldus Mackic. De ziel moest kapot. In het huidige Mostar heeft ze nu plannen voor een duikmonument, waarmee het oude ritueel nieuw leven kan worden ingeblazen. ‘De meest logische manier om mensen weer met elkaar in contact te brengen.’

Nu is er juist op die plek echter een Kroatisch nationaal theater verrezen, een symbool van alles wat ze wil bestrijden. En dus zal Arna vooral in Nederland bruggen moeten bouwen. Letterlijk. In Groningen bijvoorbeeld, waar ze meedingt naar een prestigieuze opdracht. Deze documentaire van Frederick Mansell en Laurens Samsom kijkt mee Door De Ogen Van Arna: Architect Van Verbinding (55 min.) en laat zien wat zij (voor haar geestesoog) ziet.

Dan worden de tralies van de allang gesloten Bijlmerbajes in Amsterdam, waar de ambitieuze architecte kantoor houdt, bijvoorbeeld ineens veel meer dan een geprononceerd stukje stadsgeschiedenis. Zeker als je bedenkt dat de voormalige gevangeniscellen duidelijk zichtbaar zijn voor de bewoners van een nabijgelegen asielzoekerscentrum. Welke boodschap geef je nieuwkomers in Nederland op deze manier mee?

Mansell en Samsom volgen Mackic terwijl ze stedenbouwkundige plannen ontwikkelt, steden in Nederland en Bosnië bezoekt en op allerlei plekken lezingen geeft. Dat levert zeker interessante observaties op, maar maakt de film ook wel wat praterig. Waarbij het aansprekende persoonlijke verhaal van hun protagoniste bovendien tamelijk rationeel wordt afgehandeld. Haar persoonlijk leven blijft sowieso grotendeels buiten beeld. Door De Ogen Van Arna wordt daardoor een portret, dat vooral aan het hoofd appelleert en slechts een enkele keer het hart beroert.

S21: The Khmer Rouge Killing Machine

‘Als we uit vrije wil mensen hadden gedood – en ik heb persoonlijk inderdaad mensen gedood – dan zou dat natuurlijk slecht zijn geweest’, legt een voormalige bewaarder in de S21-gevangenis uit aan enkele van zijn familieleden. ‘Maar we volgden alleen bevelen op. Ze dwongen ons.’ Het kwaad zat volgens hem in de leiders van het Rode Khmer-bewind, dat in de jaren zeventig ongenadig huishield in Cambodja. Zij gaven tenslotte de bevelen. ‘Diep van binnen was ik bang voor de slechtheid. Ik was ook bang om zelf te sterven. Ik ben nog altijd bang.’

Regisseur Rithy Panh laat de ‘bekentenis’ van de S21-medewerker direct volgen door de getuigenis van een man, die de horrorplek als één van de weinigen overleefde. ‘Ik werd gearresteerd in Battambang’, vertelt Vann Nath, terwijl hij een schilderij van identieke, geblinddoekte gedetineerden maakt. ‘Ze verhoorden me en martelden me met stroomstoten.’ De man wist niet wat hij verkeerd had gedaan. Na een week gevangenschap werd hij echter samen met een dertigtal anderen geboeid, in een truck gegooid en naar een andere plek vervoerd: Tuol Sleng, een voormalige school in Phnom Penh, die was omgedoopt tot Bureau S21.

Als de schilder en mensenrechtenactivist, een oude man inmiddels, in de prijswinnende documentaire S21: The Khmer Rouge Killing Machine (101 min.) uit 2003 opnieuw op de plek des onheils arriveert, komt hij daar oog in oog te staan met voormalige bewaarders. Zij waren destijds, in de tweede helft van de jaren zeventig, hooguit begin twintig. Jongens nog. Het wordt een bijzonder unheimische ontmoeting, want ook zij voelen zich slachtoffer van de gevreesde Rode Khmer van broeder nummer één, Pol Pot. ‘Als de mensen die hier gewerkt hebben slachtoffer zijn’, wil Nath weten, ‘hoe zit het dan met gevangenen zoals ik?’ De ongemakkelijke stilte wordt snel doorbroken. ‘Dat zijn secundaire slachtoffers’, antwoordt één van de cipiers. ‘Want als je hier niet gehoorzaamde, ging je er zeker aan.’

Het gesprek vormt de aanloop naar een minutieuze ontleding van de wandaden bij Bureau S21. In de administratie ontdekt Vann Nath de veelal Kafkaëske beschuldigingen waartegen de ‘ondervraagden’ zich moesten verdedigen en de grotendeels verzonnen bekentenissen die ze uiteindelijk deden. Hij stuit tevens op de bijzonder bureaucratische geweldsinstructies voor de S12-medewerkers en de gedetailleerde verslagen die zij maakten van hun martelpraktijken. Gezamenlijk vormen ze de bloedeloze weerslag van een ongekend bloedige periode, die met diepgravende interviews en naargeestige re-enactments, een stijlvorm die later in de thematisch verwante gruwelfilm The Act Of Killing naar bijna onverdraaglijke hoogte werd gebracht, nog eens nauwgezet wordt gereconstrueerd.

The devil is in the detail. Letterlijk, in dit geval. Stapvoets werkt S21: The Khmer Rouge Killing Machine zich door de hel die S21 werd voor alle betrokkenen. Zo maakt Rithy Panh (die de Rode Khmer-tijd in 2013 nog met kleipoppetjes zou reconstrueren in The Missing Picture) de verschrikkingen inzichtelijk en invoelbaar van een onmenselijke regime, dat tot oneindige ‘Killing Fields’ zou leiden.

Intent To Destroy: Death, Denial & Depiction

Het is ondenkbaar dat The Promise (2016), de speelfilm van de Noord-Ierse schrijver/regisseur Terry George (In The Name Of The Father, Hotel Rwanda en Reservation Road) met Christian Bale in de hoofdrol, kon worden opgenomen in Turkije, het land waar het verhaal zich eigenlijk afspeelt. De film behandelt namelijk de Armeense genocide in 1915, die honderd jaar na dato nog altijd erg gevoelig ligt in de Turkse gemeenschap. De officiële lezing is zelfs heel simpel: de volkerenmoord op zo’n anderhalf miljoen Armeense inwoners van het Ottomaanse rijk heeft nooit plaatsgevonden.

Duitsland zou bij die operatie hand- en spandiensten hebben verleend, leren officiële documenten. Als naargeestige vingeroefening voor de latere Endlösung. Vlak voor de invasie van Polen in 1939 benoemde Adolf Hitler de genocide, een woord dat overigens pas enkele jaren later zou worden gemunt door de Joods-Poolse jurist Raphael Lemkin, zelfs in zijn Obersalzberg-speech: ‘Wie heeft het tegenwoordig nog over de Armeense massamoord?’ Want daarmee kon je blijkbaar wegkomen.

De documentaire Intent To Destroy: Death, Denial & Depiction (114 min.) vertelt het complete verhaal van de eerste genocide van de twintigste eeuw, die dus nog gruwelijke reprises zou krijgen in het Derde Rijk, maar ook op desolate plekken als Cambodja, Rwanda en Bosnië. De bewogen filmopnames voor The Promise, die bij alle (Armeense) betrokkenen heel wat emotie losmaken, leveren daarbij het bewijsmateriaal, dat in werkelijkheid bijna niet kon worden gemaakt. Daar zagen de Turkse autoriteiten toentertijd wel op toe, in een poging om hun sporen zorgvuldig te wissen.

Documentairemaker Joe Berlinger richt zich in de tweede helft van zijn interessante film op de navolgende pogingen van het land om ‘de zogenaamde genocide‘ stil te zwijgen en iedereen die zich daar tóch over wil uitspreken rigoureus de mond te snoeren. Deskundigen noemen dat overigens de laatste fase van genocide: dat de schuld uiteindelijk wordt gelegd bij de slachtoffers. Intent To Destroy geeft hen het podium dat hen toekomt, maar laat ook enkele criticasters die vraagtekens zetten bij de kwalificatie genocide aan het woord. Berlingers boodschap is echter duidelijk: dit onrecht dient nog altijd te worden rechtgezet.

This Is Not A Movie

VPRO

Dit is geen speelfilm.

‘Je kunt een Hollywood-crew hiernaartoe brengen en een film maken’, zegt de Britse oorlogsjournalist Robert Fisk terwijl hij in 2018 door de volledig verwoeste Syrische stad Homs loopt. ‘Alleen kunnen de doden niet praten en zijn de levenden allemaal weg.’ Op deze plek, zo realiseerde hij zich enkele jaren geleden, begint het verhaal van de mensen die uiteindelijk als vluchteling in Griekenland, Hongarije en Duitsland zijn beland. ‘Hier is de lont naar het kruitvat aangestoken.’

Nogmaals: This Is Not A Movie (108 min.).

Regisseur Yung Chang volgt de vermaarde Midden-Oosten correspondent naar conflictgebieden als Syrië, Libanon en Bosnië en laat Fisk aan het woord over de ervaringen die hem nog altijd achtervolgen. Zoals de slachting onder Palestijnse burgers bij Sabra & Shatila, volgens Fisk het hedendaagse equivalent van nazi-oorlogsmisdaden. Die traumatische gebeurtenis in 1982, onder het oog van Israëlische militairen, bevrijdde hem van elke vorm van schroom om te berichten over de werkelijkheid zoals hij die zag. Gewoon de ongemakkelijke feiten. Zonder de behoefte om daarbij beide partijen aan het woord te laten en een soort (vals) evenwicht te creëren.

Dit is immers geen speelfilm.

Fisks parool is en blijft: challenge authority. Teneinde, ergens, de waarheid te vinden. Dit gedegen portret van de strijdbare correspondent, die zich al een halve eeuw in ‘s werelds voornaamste brandhaard bevindt en liefst zelf ter plekke, met pen en papier in de hand, poolshoogte gaat nemen als er iets gebeurt, werkt tevens als een aanklacht tegen oorlog in het algemeen en het allereerste slachtoffer daarbij: diezelfde waarheid. En die zal de inmiddels 73-jarige Robert Fisk, met alles wat hij in zich heeft, tot zijn allerlaatste ademtocht blijven zoeken. Wat anderen – of het nu gaat om de autoriteiten of zijn eigen eindredacteuren – daar ook van vinden…

Dit. Is. Echt.

This Is Not A Movie is hier te bekijken.

Lamentations Of Judas

Witfilm

‘Wanneer hoorde je voor de eerste keer het woord ‘Apartheid’?’ wil de interviewer weten van Domingos Carlos. ‘Toen ik dat woord voor het eerst hoorde, was ik geschokt’, antwoordt het voormalige lid van Bataljon 32, een eenheid van zwarte huurlingen die in de jaren zeventig door Zuid-Afrika werd ingezet om de prille communistische volksrepubliek Angola te destabiliseren. ‘Dat was niet goed.’

‘Had je niet het gevoel dat je zelf het witte Apartheidsregime hielp tegen de zwarte bevolking?’ vraagt de interviewer door. ‘Dat gevoel had ik wel’, bekent Domingos tijdens het gesprek, dat plaatsvindt terwijl hij participeert in een re-enactment van het lijdensverhaal van Jezus Christus.  ‘Maar ik was aan het werk. Ik probeerde mijn kost te verdienen.’

Volgende vraag dan maar: ‘Toen we daarnet Jezus filmden, was jij één van zijn Apostelen. Wat ging er toen door je heen?’ De man gaat eens verzitten. ‘Ik dacht dat we iets goeds deden.’ De interviewer duwt door: ‘Waar dacht je aan toen die Romeinse soldaten Jezus arresteerden?’ Domingos: ‘Ik vond het vervelend voor Jezus, want hij kwam om goede dingen te doen voor de mensen. De bewakers die hem pakten waren bezeten door de Duivel.’

‘Welke straf zouden ze die bewakers moeten geven?’ probeert de interviewer het nog eens. Het kwartje wil echter niet vallen bij Domingos. Of waarschijnlijker: hij wil het niet laten vallen. Wat zijn gesprekspartner ook doet, hij weigert het verband te leggen tussen het verraad van Judas Iskariot en zijn rol bij Bataljon 32, bijgenaamd ‘The Terrible Ones’. Verder dan zijn eigen variant op ‘Befehl ist Befehl’ komt hij niet.

Het ongemakkelijke gesprek raakt aan het hart van Lamentations Of Judas (98 min.), waarin filmmaker Boris Gerrets de strijders die zijn achtergebleven in het Zuid-Afrikaanse woestijndorp Pomfret in de juiste geestestoestand probeert te brengen om écht te reflecteren op hun dubieuze rol in Angola: in hoeverre hebben zij zich destijds als verraders gedragen? En hebben ze daarover nu schuldgevoelens?

Deze gestileerde documentaire, waarin Gerrets alterneert tussen een sfeervolle verfilming van het lijdensverhaal van Jezus en indringende zitinterviews met figuranten daaruit, vraagt even tijd en investering, maar kruipt stilaan onder de huid als enkele mannen hun schild laten zakken en de confrontatie met het verleden aangaan.

Sidik En De Panter

IDFA

Als de Perzische panter terugkeert, meent de vastberaden Koerdische man Sidik Barzani, dan betekent dit dat ons geboorteland weer beschermd is. Dan kunnen de bergen van Noord-Irak tot nationaal park worden uitgeroepen – en zou niemand het nog in zijn hoofd halen om dit land opnieuw te bombarderen of in brand te steken.

Sidik onderneemt zijn zoektocht naar de panter dus puur uit lijfsbehoud. Gewapend met verrekijker, notitieblok en wandelstok trekt hij er nu al 25 jaar op uit, op zoek naar een mythisch dier dat al decennia niet meer is gespot in deze streek. Op zoek ook naar betere tijden voor zijn volk, dat veel te vaak in z’n voortbestaan is bedreigd.

Terwijl hij door het land trekt, landgenoten ontmoet en met hen in gesprek gaat over hun plannen voor de toekomst, herinnert de Koerd zich de ontberingen die hij, z’n familie en zijn volk hebben moeten doorstaan. De panter is voor hem een symbool geworden van hoop en wedergeboorte, van vrede en stabiliteit.

Regisseur Reber Dosky, zelf van Koerdische afkomst, legt ‘s mans weemoedige queeste in Sidik En De Panter (83 min.) sereen vast. Hij beziet het landschap van zijn jeugd bovendien uiterst liefdevol. Dosky verschijnt zelf ook nog in beeld als hij het graf bezoekt van zijn grootvader, die tijdens het bewind van de dictator Saddam Hoessein is vermoord.

Met deze ode aan zijn geboortegrond, op het IDFA gekozen tot beste vaderlandse documentaire, roept de vanuit Nederland opererende filmmaker een vergeten land op, dat desondanks nooit is of wordt vergeten. Een verstilde wereld ook, om even volledig in weg te zinken en tegelijk ongegeneerd naar te verlangen.

Once The Dust Settles

VPRO

Het slagveld of rampgebied van nu is de toeristische attractie van straks. Wat gebeurt er als het stof is neergedaald? vraagt documentairemaker John Appel zich af. (Hoe) kun je je bestaan weer oppakken nadat de storm is uitgeraasd of de laatste kogel is afgevuurd en jouw leven, blijkbaar, nog niet is beëindigd?

Appel onderzocht eerder de rol van het toeval bij calamiteiten in zijn film Wrong Time Wrong Place uit 2012, waarvoor hij mensen portretteerde die betrokken raakten bij de massamoord van Anders Breivik op het Noorse eiland Utoya. In Once The Dust Settles (87 min.) bezoekt hij drie voormalige rampplekken en onderzoekt wat de situatie en mensen daar met elkaar gemeen hebben: Amatrice (getroffen door een verwoestende aardbeving), Tsjernobyl (van de kernreactorontploffing) en Aleppo (strijdtoneel van de Syrische burgeroorlog).

Appel presenteert zijn bevindingen als losse blokken. Het zijn eigenlijk drie films in één, met elk hun eigen hoofdpersonen. Een Italiaanse pastor die zijn thuis is kwijtgeraakt, de operator van unit 4 van de beruchte Russische kernreactor die ooit een zwijgcontract moest ondertekenen van de KGB en een Syrische hoteleigenaar en reisgids die jarenlang hun werk niet konden uitoefenen en hun stiel nu weer proberen op te pakken. Terwijl ze hun weg vinden in een nieuwe werkelijkheid, proberen ze zich tevens te verzoenen met hun ervaringen uit het verleden.

Once The Dust Settles is een verzorgde, bespiegelende en soms ook wat trage documentaire geworden over menselijke veerkracht. Vanuit de gedachte dat op de puinhopen van toen nu iets nieuws kan ontstaan. Hopelijk iets beters…

De Puinhopen Van Irak

VPRO

’Ik eet geen vlees en tomatensoep meer’, zegt een grafdelver in de Iraakse hoofdstad Bagdad. ‘Die doen me denken aan de gruwelijkheden. Al die ellende. Onze kleren zaten altijd onder het bloed.’ De man leeft volgens eigen zeggen van brood en thee. En als hij aan al die verminkte lichamen denkt, krijgt-ie helemaal geen hap meer door zijn keel. Hij is helemaal kapot. ‘Ik drink elke dag om te kunnen slapen.’

In de vijfdelige documentaireserie De puinhopen van Irak (125 min.) neemt Sakir Khader de menselijke schade op van de oorlog in het verscheurde land, dat generaties lang met ijzeren vuist werd geregeerd door Saddam Hoessein. De voormalige dictator, in 2003 afgezet door de Amerikanen, is in bepaalde contreien nog altijd populair, constateert de Palestijns Nederlandse filmmaker in één van zijn bespiegelende voice-overs.

En de Amerikanen kunnen bij veel Irakezen nog altijd weinig goed doen. Effenden zij niet gewoon het pad voor Islamitische Staat? ‘We gaan je zo eerst te eten geven’, grapt een man bijvoorbeeld, die door een Amerikaanse scherpschutter een broer verloor, als hij van Khader hoort dat Nederland participeerde in de invasie van Irak door de Verenigde Staten. ‘Daarna maken we je af.’

Hoe dichter hij naar zijn Arabische roots reist, constateert Sakir Khader, hoe groter de conflicten worden. In elke aflevering probeert hij, soms enigszins geforceerd, zijn eigen geschiedenis te verbinden met z’n riskante trips door Irak. Met zijn persoonlijke betrokkenheid, lef en doorzettingsvermogen slaagt hij erin om de tegenstellingen in het land, en het brute geweld dat daaruit voortvloeit, in kaart te brengen via gewone Irakezen.

Net als Sinan Can maakt Khader zo een wereld toegankelijk die we vooral kennen van mistroostige berichten in de media. De boodschap is overigens niet per definitie optimistischer. ‘Misschien ben ik dood wel beter af dan in leven’, stelt de mijnenruimer Hassan bijvoorbeeld mismoedig. Net als veel landgenoten is hij het leven, in elk geval dít leven, moe. Maar hoe kan deze cyclus van geweld worden doorbroken?

Little Dieter Needs To Fly

Werner Herzog Filmproduktion

Ik ben geen held. De mannen die zijn gestorven, dat waren pas helden. Het klinkt als een platitude, maar oorlogsveteranen zoals Dieter Dengler voelen het blijkbaar echt zo: pas in de dood kan een doodgewone strijder voor de goede zaak uitgroeien tot een symbool van heldenmoed.

De hoofdpersoon van de documentaire Little Dieter Needs To Fly (77 min.) werd in 1966 als Amerikaanse gevechtspiloot naar Vietnam gestuurd en kwam daar in een gevangenenkamp terecht. Nadat hij enkele maanden onder erbarmelijke omstandigheden had vastgezeten, wist hij op heroïsche wijze te ontsnappen.

Regisseur Werner Herzog tekent het levensverhaal van Dengler op kenmerkende wijze op: met gevoel voor drama, vervat in gedragen klassieke muziek en begeleid door lekker hoogdravende voice-overs, in Engels met onmiskenbaar Duitse tongval. Waarbij de grens tussen docu en drama lang niet altijd duidelijk is te trekken.

Opent en sluit de hoofdpersoon bijvoorbeeld werkelijk elke deur voordat hij een ruimte betreedt? Of is dat, zoals sindsdien talloze malen is gesuggereerd, een idee van Herzog zelf om Denglers behoefte aan bewegingsvrijheid te verbeelden? En hoe zit het met de enorme voorraad van de hoofdpersoon? Écht, of ook een dramatisering van wat had kunnen zijn?

De scènes waarin de praatgrage protagonist met lokale bewoners herinneringen ophaalt en naspeelt, zijn in elk geval duidelijk geregisseerd. Een even effectieve als opzichtige poging om de man terug te brengen naar de gebeurtenissen en emoties van toen. Die verraadt tevens de hand van de man die zichzelf ongetwijfeld als een meester ziet – en niet eens onterecht.

Werner Herzog was na deze fascinerende documentaire uit 1997 overigens nog lang niet klaar met de lotgevallen van Dieter Dengler. Tien jaar later maakte hij Rescue Dawn, een speelfilm waarin acteur Christian Bale zich helemaal mag uitleven als de ontsnapte oorlogsvetera… eh.. held.

Ze Noemen Me Baboe

Cinema Delicatessen

‘Ba’ betekent juffrouw, ‘boe’ moeder. Ze noemen haar dus Baboe. Juffrouwmoeder. Oftewel: kindermeisje. Haar echte naam doet er niet toe. Het is zelfs maar de vraag of de ‘Belandas’ die kennen: Alima. Op de vlucht voor een gearrangeerd huwelijk is de Javaanse vrouw bij het Nederlandse gezin beland. Niet veel later zit ze zelfs met hen op de boot naar Holland. ‘Baboe’ draagt voortaan zorg voor de aandoenlijke peuter Jantje.

Eenmaal terug in Nederlands Indië worden zij en haar bijna-familie eerst geconfronteerd met de Japanse bezetting en daarna met de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd, die voor Alima een heel persoonlijke dimensie krijgt via de onweerstaanbare revolutionair Riboet. Het is een tijd waarin haar loyaliteiten, en die van vele andere lokale gezinshulpen, danig op de proef worden gesteld.

Het kindermeisje doet in Ze Noemen Me Baboe (78 min.) zelf haar verhaal. Althans, regisseur Sandra Beerends heeft op basis van getuigenissen van (kinderen en kleinkinderen van) voormalige baboes en Nederlandse kinderen die een baboe hadden een poëtische voice-over tekst geschreven. Vanuit het perspectief van een fictief kindermeisje, Alima dus, dat zich richt tot haar jong gestorven moeder.

De filmmaakster heeft dit persoonlijke relaas – van een gewone vrouw die op een scharnierpunt in de Nederlandse koloniale historie belandt – verbeeld met een vloeiende combinatie van privé-video’s en (nooit eerder vertoond) beeldmateriaal uit Nederlandse en Indonesische archieven. Een subtiel geluidsdecor en zorgvuldig samengestelde soundtrack kleuren de zwart-wit beelden verder in.

Met deze absolute tour de force brengt Beerends zo op een klein en menselijk niveau, via de empowerment van een kindermeisje, een pregnant stuk Nederlandse historie tot leven.

In 2024 heeft Beerends op een soortgelijke manier de Joodse gemeenschap van Amsterdam tijdens het Interbellum geportretteerd in Nesjomme.

The Sea Between Us

IDFA

Bijna dertig jaar na het officiële einde van de burgeroorlog in Libanon ijlt de strijd nog altijd na. In The Sea Between Us (102 min.) volgt filmmaakster Marlene Edoyan, die zelf in Libanon opgroeide, twee vrouwen die op een heel verschillende manier omgaan met de erfenis van hun verscheurde land, waar sjiieten, christenen en soennieten vreedzaam samen proberen te leven.

De blonde Falangiste Wafaa Khayrallah lijkt nog steeds achter elke boom een vijand te zien. Ze wapent zichzelf en haar onwillige tienerzoon, die echt geen zin heeft om te oefenen met die luchtbuks, tegen een mogelijke nieuwe oorlog. De islamitische Hayat Fakhereldine lijkt een verzoenendere toon te hebben gevonden. Zij zoekt verbinding met de mensen om haar heen.

Edoyan alterneert in deze stemmige film tussen de twee vrouwen. Zij kijkt en luistert bijvoorbeeld mee als ze een oud-strijder of de ouders van een martelaar ontmoeten. Lange gesprekken over oorlog, de wonden die deze heeft geslagen en of – en zo ja: hoe – die kunnen worden geheeld. Tussendoor is er ook nog het gewone leven, bijvoorbeeld als Wafaa haar hulp in huis, die illegaal in het land verblijft, probeert te bewegen om tóch bij haar te blijven werken.

Ook op die momenten is en blijven de politieke verhoudingen in het land en de regio, Syrië in het bijzonder, te allen tijde op de achtergrond aanwezig. Via de twee parallel vertelde levens belicht Edoyan zo de actuele situatie in deze voormalige brandhaard van het Midden-Oosten, waar in de aanloop naar parlementsverkiezingen de tegenstellingen weer eens ouderwets worden vergroot.

For Sama

Het is een scène die je nooit meer vergeet. Een gewonde vrouw wordt binnengebracht in een noodhospitaal in Aleppo. Ze is hoogzwanger. Het is onduidelijk of de aanstaande moeder kan overleven. De artsen besluiten tot een spoedkeizersnede. Het grijze jongetje dat zo ter wereld wordt gebracht oogt levenloos.

Ze beginnen het kind te reanimeren, schudden hem door elkaar en wrijven zijn ruggetje warm. Wat ze ook doen, het jongetje wil de geest maar niet krijgen. Burgerjournalist Waad al-Kateab staat er met haar camera bovenop en vangt zo een sleutelscène voor haar film: nieuw leven in het hart van de oorlog. Heeft het een kans?

In de persoonlijke film For Sama (95 min.), die de ene na de andere filmprijs wint en op het IDFA nog werd gekozen tot dé publieksfavoriet, richt de jonge Syrische filmmaakster zich in haar verbindende voice-over tot het kind dat in haar eigen buik tot volle wasdom is gekomen. Ze vertelt Sama haar levensverhaal en toont het werk van haar activistische echtgenoot Hamza, die als arts in het hospitaal werkt.

Intussen probeert al-Kateab, samen met co-regisseur Edward Watts, bewijsmateriaal te verzamelen van de vernietigende burgeroorlog in Syrië, die ook haar prille gezin steeds verder in het nauw brengt. Ze stelt zichzelf daarbij pijnlijke vragen: heeft een kind een kans op een normaal leven als rondom haar een bloedige burgeroorlog woedt? En: ben je een egoïst of zelfs een lafaard als je in die omstandigheden je huis ontvlucht?

Het zijn de elementaire dilemma’s die oorlog losmaakt in gewone mensen en die ook al in talloze andere documentaires over Syrië aan de orde zijn gesteld. Het decor voelt ook vertrouwd: een belegerde en inmiddels volkomen kapot geschoten stad, die van alle kanten wordt aangevallen. Totdat er écht geen leven meer inzit. Toch went de bijbehorende mengeling van (wan)hoop, paniek en galgenhumor nooit.

Zeker niet als de bijbehorende mensen echt tot leven komen en hun relaas van binnenuit wordt verteld. Zoals in het verpletterende For Sama, een documentaire die – naast Last Men In Aleppo, City Of Ghosts en The Cave – een plek verwerft in het rijtje essentiële Syrië-films, dat eigenlijk verplicht moet worden gesteld voor iedereen met een gemakkelijke mening over oorlogsslachtoffers en vluchtelingen.

The Cave

Als reusachtige roofvogels cirkelen Assads en Poetins bommenwerpers boven Damascus. Hun bommen zaaien dood en verderf op de grond, waar de wijk Oost-Ghouta al ruim vijf jaar wordt belegerd. Meer dan 400.000 inwoners zitten als ratten in de val. Ze zijn gereduceerd tot bommenvoer en leven van de ene naar de andere verpletterende inslag.

Onder de stad is een netwerk van grotten aangelegd. Er wonen mensen, hele gezinnen zelfs, en er is een klein noodhospitaal. Daar zwaait de 29-jarige Amani Ballour de scepter. De jonge, idealistische vrouw stuurt in The Cave (107 min.) enkele doctoren en verpleegsters aan, die in barbaarse omstandigheden werk verrichten dat letterlijk van levensbelang is. Intussen proberen ze iets van menselijkheid te behouden.

De oudere arts Salim zweert tijdens het opereren bijvoorbeeld bij klassieke muziek, terwijl kokkin Samaher altijd in is voor een geintje. Tijdens het bereiden van de maaltijd moet ze alleen regelmatig even bij haar pannen weg om een veilig plekje op te zoeken. Amani luistert ondertussen naar voicemail-berichtjes van haar vader. Hij is trots op zijn dochter, maar wat zou haar leven eenvoudig zijn als ze een jongen was geweest! Vrouwen horen volgens veel Syrische mannen nu eenmaal thuis, achter het aanrecht.

Tegelijkertijd worden er steeds nieuwe slachtoffers binnengebracht, soms zelfs per kruiwagen. Ernstig gewonden, mensen die helemaal in de war zijn en – niet alleen Amani’s hart breekt – beschadigde kleine kinderen. De ellende is met geen mogelijkheid te bezweren, zelfs niet door Amani en haar dappere team. Angst, gevaar en pure chaos nemen het hospitaal langzaam maar zeker over. Totdat ook de artsen zelf de wanhoop nabij zijn en een beslissing moeten nemen over hun eigen lot.

Nadat hij eerder in het bijzonder aangrijpende, voor een Oscar genomineerde Last Men in Aleppo (2017) een groepje hulpverleners portretteerde, dat na gevechten en bombardementen slachtoffers vanonder het puin probeerde te halen, heeft filmmaker Feras Fayyad opnieuw een ontzettend urgente film gemaakt over een klein groepje Syriërs, dat de gekmakende oorlog in hun land – tegen beter weten in – het hoofd blijft bieden.

Het resultaat is niets minder dan een eerbetoon aan menselijke moed. Een blijk van vertrouwen in de elementaire goedheid van de mens – of, op zijn minst, van sommige mensen. En een even onontkoombare als verpletterende film. The Cave is zonder enige twijfel één van de beste documentaires van het jaar 2019.

Settela, Gezicht Van Het Verleden

Hij noemde haar Esther. Een nette Joodse naam. Journalist Aad Wagenaar wist in 1994 natuurlijk niet hoe ze echt heette, dat desolate meisje met de witte hoofddoek. In het voorjaar van 1944 stond ze in de deuropening van een treinwagon, die elk ogenblik kon vertrekken naar het vernietigingskamp Auschwitz. Datzelfde meisje werd na de Tweede Wereldoorlog het gezicht van de (Nederlandse) Jodenvervolging. De vermoorde onschuld, letterlijk. En Wagenaar wilde een halve eeuw na dato beslist weten hoe ze écht heette.

De beelden werden onlangs ingekleurd, voor de Nederlandse speelfilm Gemmeker van regisseur Robert Schinkel. Ze zijn afkomstig uit een Westerbork-film die de Joodse fotograaf Rudolf Breslauer in opdracht van de Duitse kampcommandant Gemmeker maakte. Te midden van beelden van het dagelijks leven in het Drentse Durchgangslager is er ineens die ‘documentaire van zeven seconden’ waarin de Endlösung heel tastbaar wordt. Via een kwetsbaar meisje in een treinbarak, waarop pontificaal ‘74 pers’ staat geschreven. Zoveel mensen pasten er blijkbaar in de veewagen. De meesten van hen zouden nooit meer terugkeren naar huis.

In de documentaire Settela, Gezicht Van Het Verleden (55 min.) uit 1994 gaat filmmaker Cherry Duyns op zoek naar het verhaal achter de iconische beelden. Hij bevraagt de editor van de Westerbork-film, laat historici de precieze datum van het transport vaststellen (19 mei 1944) en spreekt overlevenden van de helletocht naar het vernietigingskamp. Zij bevestigen de opzienbarende conclusie die de speurder Wagenaar even daarvoor al had getrokken: het ‘gezicht van de Nederlandse Jodenvervolging’, de gestorven kinderen in het bijzonder, blijkt helemaal geen Joods meisje. Het is een Zigeunerin.

Ze heet Settela Steinbach, is een jaar of tien oud en komt uit het Limburgse Susteren, vertellen inmiddels bejaarde ooggetuigen als Crasa Wagner en het echtpaar Kercha en Leitji Rosenberg. Stukje bij beetje dringt Duyns met hen steeds dieper door in Steinbachs familieverhaal in deze serene, voor hedendaagse begrippen wat trage film. Via Settela, die bij de burgerlijke stand overigens stond geregistreerd onder haar Nederlandse naam Anna Maria, vertelt hij zo ook het verhaal van de Nazi-vervolging van de Nederlandse Sinti en Roma, een menselijke tragedie die tot dat moment onderbelicht was gebleven.

Is de scène met Settela inderdaad stiekem in de Duitse promotiefilm gefrommeld door Rudolf Breslauer, zoals Wagenaar veronderstelt? Als daad van verzet tegen de Shoah, die hij zelf ook niet zou overleven? Of is de wens hier toch de vader van de gedachte? Feit is dat Breslauer in zeven luttele seconden de onverdraaglijke waarheid van de transporten naar de vernietigingskampen op een indrukwekkende manier wist te vereeuwigen.

Madam Prime Minister

Golda Meir / EO

Was ze wel opgewassen tegen haar taak? Kon ze dat, als vrouw, überhaupt zijn volgens sommige mannen in haar omgeving? Als compromiskandidaat werd Golda Meir in 1969 op 71-jarige leeftijd de eerste en enige vrouwelijke premier van Israël (en de derde vrouwelijke leider in de wereldgeschiedenis). Tijdens haar vijfjarige ambtstermijn loodste ze haar land door crises als de Uitputtingsoorlog, ‘het bloedbad van München’ en de Jom Kippoer-oorlog, maar ze bleef omstreden. ‘IJzeren Dame’ of toch ‘Moeder Van Israël’?

In het traditionele portret Madam Prime Minister (52 min.), volledig opgebouwd uit zitinterviews en archiefmateriaal, zijn voor- en tegenstanders (kleinzoon Gideon, medewerkers, politici, journalisten en vertegenwoordigers van de Mossad) het nog altijd niet eens of ze nu een vloek of een zegen voor het land was. Israëls slechtste premier ooit, zegt de één in deze degelijke film van Sagi BornsteinUdi Nir en Shani Rozanes. Een ander is dan weer van mening dat ze een belangrijke bijdrage aan haar land heeft geleverd en tegenwoordig niet voldoende op waarde wordt geschat.’

Als u er nu zo op terugkijkt’, vraagt een journalist de hoofdpersoon aan het eind van haar leven, ‘had u de baan dan moeten aannemen?’ Golda Meir aarzelt geen moment: ‘Ik heb in elk geval alles gegeven wat ik in me had. Of dat genoeg was of niet, kan ik zelf niet beoordelen.’ Verklaard tegenstander Uri Avnery, een journalist en voormalig lid van de Knesset die in de hele documentaire geen goed woord voor haar over heeft gehad, verwoordt het zo: ‘Vergeleken met haar opvolgers was ze een geweldige vrouw.’

Kabul, City In The Wind

Ooit, nog niet eens zo lang geleden, moet de Afghaanse hoofdstad Kabul een bruisend en vooruitstrevend oord zijn geweest. Een plek waar alleen vliegers met elkaar vochten, zo beschreef Khaled Hosseini de stad waar hij opgroeide in zijn bestseller De Vliegeraar (2003). Totdat halverwege de jaren zeventig een eindeloos gevecht begon, dat tot op de dag vandaag voortduurt.

De tiener Afshin Amiri en zijn kleine broertje Benjamin groeien op in dezelfde stad, een slordige halve eeuw later. Het is een totaal andere plek geworden. Kabul, een stoffige stad die leeft onder de schaduw van oorlog. De vader van de jongens, een voormalige militair, neemt hen mee naar een gedenkplaats voor slachtoffers van een vernietigende bomaanslag. Niet veel later vertrekt hij voor werk naar het buitenland en krijgt zijn zoon Afshin ineens de rol van gezinshoofd toebedeeld.

‘Waar ik bang voor ben?’, vraagt hij tijdens één van de indringende interviews, waarmee de lotgevallen van de achtergebleven broers zo nu en dan worden doorsneden. Hij kijkt recht in de camera van de Nederlands-Afghaanse filmmaker Aboozar Amini, die hem in de gesprekken zeer dicht op de huid zit, en laat een ongemakkelijk lange stilte vallen. ‘Zelfmoordaanslagen. Want mijn vader is erbij gewond geraakt en z’n vriend Reza is omgekomen.’

Hoewel Amini ervoor past om zulk geweld expliciet in beeld te brengen, is de dreiging ervan permanent op de achtergrond aanwezig in Kabul, City In The Wind (89 min.). Als zijn derde hoofdpersoon, de sjacherende buschauffeur Abbas Tanay die voortdurend malheur heeft met zijn gammele voertuig, bijvoorbeeld gezellig met zijn vrienden in het theehuis zit te kletsen, komt net het nieuws binnen dat er weer een bomaanslag is gepleegd. De Taliban is nog niet verslagen, constateren de mannen gezamenlijk, of IS steekt alweer zijn lelijke kop op.

‘Ze zeggen dat het morgen gaat sneeuwen’, vervolgt een goedlachse man met baard het gesprek. Alsof die bom alweer is vergeten. ‘President Ashraf Ghani zegt dat we moeten bidden om regen’, reageert een ander. ‘En wat doen we voor bomaanslagen?’ Ook naar de moskee, constateert de eerste man glunderend. ‘Dan stuur ik de zelfmoordterrorist, die jullie allemaal afmaakt.’

De mannen gieren het uit van het lachen en houden de ellende om hen heen zo even op afstand. Galgenhumor als overlevingsstrategie. Net als de hasjpijp. Een larmoyant lied. Of gewoon doen wat papa van je verwacht. Deze subtiele film toont hoe gewone mensen ondanks alles hun leven vervolgen. Zelfs in een Kabul, vereeuwigd met fraaie panoramashots, dat nog maar een schim lijkt van de plek waar ooit vooral vliegers met elkaar vochten.

I, Dolours

‘If you hate the British army, clap your hands’, zingt een groep schoolkinderen op straat enthousiast, terwijl de gemoederen in Belfast begin jaren zeventig oplopen. ‘If you hate the British army…’ In diezelfde tijd mengt ook Dolours Price, de hoofdpersoon van deze documentaire, zich in het Noord-Ierse conflict: ze wordt lid van het Irish Republican Army (IRA) en begint een bloedige strijd met de Britse overheersers en de aan hen gelieerde loyalisten.

In I, Dolours (82 min.) construeert filmmaker Maurice Sweeney haar levensverhaal, via een serie interviews die Price in 2010 gaf aan journalist Ed Moloney. Ze oogt daarin als een doorsnee vrouw van middelbare leeftijd, die je eerder op naailes verwacht dan in de gewelddadige tak van een bevrijdingsbeweging/terreurgroep. Geen persoon in elk geval waaraan je bankovervallen, verdwijningen, bomaanslagen en liquidaties zou toeschrijven.

Achter Dolours’ conventionele uiterlijk gaat echter een geharde vrouw schuil, die volledig is gevormd door The Troubles, het gevecht om Ulster. Als ze in 1973, na een bomaanslag in Londen, voor jaren in een Engelse gevangenis belandt, zet ze daar samen met haar eveneens geradicaliseerde zus Marian meteen een hongerstaking op. Die wordt door de Britten rigoureus de kop ingedrukt. Dolours zal er de rest van haar leven mee blijven worstelen.

De traumatische gebeurtenis is indringend verfilmd in deze solide film, waarin Sweeney een overtuigende middenweg tussen documentaire en drama vindt en zijn hoofdpersonage zich zo nu en dan laat verleiden om héél voorzichtig haar kwetsbare kant, en zowaar iets van wroeging, te laten zien.

Dichter Bij Tanja

Leo de Boer wil Dichter Bij Tanja (90 min.) komen. Uiteindelijk komt de filmmaker echter vooral dichter bij een andere Nederlandse vrouw in Colombia, Liduine Zumpolle. Als vertegenwoordiger van de organisatie Handen Voor De Vrede probeert zij, met gevaar voor lijf en leden, guerrillero’s los te weken uit de FARC. En bij die revolutionaire beweging heeft Tanja Nijmeijer zich aangesloten, een Overijssels meisje met een sterk rechtvaardigheidsgevoel. Zo is ze in het hart van de bloedige burgeroorlog beland, die al een halve eeuw woedt in het Zuid-Amerikaanse land.

‘Een zeer onzeker, emotioneel zwabberend meisje’, zegt Liduine over Tanja in deze documentaire uit 2010. ‘A rebel without a cause.’ Ze heeft in eerste instantie weinig goeds te melden over de studente die in het ‘suffe Groningen’ al bezig was met de dierenbescherming en veganistisch at en in Colombia de wapens opnam. ‘Er kwamen een paar linkse, ongetwijfeld goed salsa dansende, muziek makende en hash rokende Colombianen langs en daar is ze aan verslingerd geraakt.’ Tegelijkertijd herkent Liduine zich ook in Tanja. Zij arriveerde ooit met soortgelijke idealen in Zuid-Amerika.

De struise FARC-kenner lijkt Leo de Boers enige kans om in contact te komen met de hoofdpersoon van zijn film. De familie van Tanja wil niets van hem weten, bang om wéér gebruikt te worden door journalisten die maar geen genoeg krijgen van hun iconische dochter. De Nederlandse filmmaker moet zich dus verlaten op Liduine, die net als Tanja door roeien en ruiten gaat om haar doelen te verwezenlijken. Het publiceren van uitgelekte Nijmeijers dagboeken bijvoorbeeld. Zonder dat ze het zelf echt doorheeft, groeit zij uit tot het belangrijkste personage van De Boers documentaire.

Via Liduine brengt hij zijn zoektocht naar de mythische revolutionair Tanja Nijmeijer in beeld. Dat gaat niet zonder slag of stoot. Het knettert regelmatig tussen de vrouw die Tanja wakker wil maken uit haar boze droom en de man die diezelfde droom ook wel romantisch vindt. Allebei hebben ze bovendien hun eigen motieven om ‘de Hollandse’ op te sporen. Hij een film. Zij, zo blijkt later, een boek. Intussen probeert De Boer ook de contacten met Tanjas moeder warm te houden. Als zij ervan overtuigd raakt dat zijn queeste een brug naar haar dochter kan leggen, wil ze wellicht tóch meewerken.

Stukje bij beetje komt Leo de Boer zo steeds dichter bij het subject van zijn film. Al heeft hij geen idee waar hij haar moet zoeken. Of Tanja überhaupt nog in leven is.