Kleinkinderen Van De Oost

The Searchers

Als ratten tijdens een wetenschappelijk experiment kersenbloesem ruiken en vervolgens stroomstoten krijgen toegediend, dan blijkt dat zowaar ook z’n weerslag te hebben op hun nakomelingen. ‘Alleen al bij de geur van kersenbloesem piepten zij het uit.’

Het is een krachtige metafoor, vervat in de openingsscène van deze documentaire, voor Nederlands koloniale geschiedenis. Die mag dan officieel al enige tijd achter ons liggen, dat verleden werpt nog altijd zijn schaduw over het heden. Het is in elk geval alomtegenwoordig in Kleinkinderen Van De Oost (73 min.), een geladen roadmovie van Daan van Citters, met Joenoes Polnaija. De twee raakten bevriend tijdens de opnames van Jim Taihuttu’s speelfilm De Oost, waarbij ze werden geconfronteerd met hun eigen familiehistorie. Hun opa’s, van respectievelijk Nederlandse en Molukse origine, dienden allebei in het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL).

‘Het is een geschiedenis waar de generaties voor mij over zwegen’, vertelt ‘jonkheer’ Van Citters. Zijn familie speelde een prominente rol bij de omstreden Verenigde Oost-Indische Compagnie en tijdens de zogenaamde Gouden Eeuw. ‘En waarover de generaties voor mij het zwijgen is opgelegd’, vult Polnaija aan. Zijn volk droomt, bijna 75 jaar na de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog, nog altijd van een Molukse staat, de Republik Maluku Selatan. Die werd hen destijds beloofd, maar is er nooit gekomen. Samen gaan de twee nu op reis naar Indonesië, naar de plekken waar hun opa’s verzeild raakten in die oorlog en betrokken waren bij de beruchte politionele acties.

Vanuit hun eigen perspectief belichten ze die beladen historie en de rol van hun voorouders daarin. ‘Mijn opa deed wat hem werd opgedragen’, constateert Daan van Citters. ‘En oorlog is zwart-wit. Het is jij of ik. Maar met de kennis van nu voel ik schaamte. Schaamte wat Nederlanders hier gedaan hebben.’ Bij Joenoes Polnaija is er tevens bitterheid over dat verleden. Over hoe de eerste generatie Molukkers, die zich had ingezet voor ‘de koloniale onderdrukker’, in Nederland werd behandeld. Ze hadden niet eens al hun kinderen mogen meenemen. Die kinderen, de generatie van zijn ouders, vonden daarna hun eigen middelen om aandacht te vragen voor de Molukse zaak.

Tijdens deze weldadig vastgelegde, met archiefbeelden gelardeerde reis langs de gebeurtenissen die hun grootvaders en de nazaten daarvan op tragische wijze hebben verbonden, blijven de twee vrienden de dialoog met elkaar aangaan. Via bespiegelende voice-overs en persoonlijke gesprekken. Een heel enkele keer geïrriteerd, als ze even overvallen worden door de kijk van de ander, maar meestal invoelend en respectvol. Zij representeren allebei een derde generatie, die behalve met het daderschap ook met slachtofferschap binnen hun familie in het reine moet zien te komen en vinden elkaar in dat intieme proces. Alsof ze samen kersenbloesem leren ruiken.

Paved Paradise

Amstelfilm

Nadat hij in de openingsscène van Paved Paradise (92 min.) enthousiast is begonnen om de pracht en praal van de natuur te bezingen, schakelt bioloog Hidde Boersma al snel, en ogenschijnlijk automatisch, door naar een alarmerend betoog over de zesde extinctiegolf. Want daar zitten we blijkbaar middenin. Driekwart van de dieren en planten zou daarbij wel eens kunnen uitsterven. ‘En de oorzaak?’ doceert Boersma. ‘Dat zijn wij. Dat is de mens…’

‘Hee, droeftoeter’, onderbreekt regisseur Karsten de Vreugd zijn vriend die net lekker op stoom begint te komen. ‘Gaan we nou weer een depressieve film maken, waarmee we mensen een kutgevoel geven?’ Nee, daarvan zijn er al genoeg, concluderen ze gezamenlijk. Tegelijkertijd blijft Hidde van mening dat ze het moeten hebben over de voornaamste oorzaak voor die extinctiegolf. ‘En nee, dat is dus niet klimaatverandering.’ Dat is namelijk ons voedselsysteem.

En daarover gaan ze het dus hebben in deze film, die is opgetrokken rond de permanente dialoog tussen Boersma en De Vreugd en de gesprekken die ze tussendoor voeren met deskundigen zoals schrijver/zoöloog George Monbiot, hoogleraar landgebruiksplanning Martha Bakker en GroenLinks-Europarlementariër Bas Eickhout. Met hen wil het Nederlandse tweetal onderzoeken hoe (en of) biodiversiteit en voedselproductie met elkaar kunnen worden gecombineerd.

Is de biologische landbouw, die wordt gepropageerd vanuit Europa, wel de oplossing voor de huidige problematiek? Zulke ‘land sharing’ heeft voor dezelfde opbrengst immers meer grond nodig. En juist daaraan is een tekort. Samen komen ze tot een in eerste instantie contra-intuïtieve conclusie: de biodiversiteit is juist gebaat bij intensivering, meer voedsel produceren op minder land. Daarnaast moet er meer ruimte komen voor landschapsbeheer. Ofwel, met een Engelse vakterm: ‘land sparing’.

Met veel tongue-in-cheek humor, straffe muziekjes en montagegrapjes baant het druk pratende duo zich vlot een weg langs allerlei mensen en initiatieven. In eigen land, maar ook in Engeland, Portugal én Costa Rica, het enige land ter wereld dat, in de jaren tachtig, van ‘land sparing’ officieel beleid heeft gemaakt. Door de toenmalige minister van milieu Alvaro Umana laten Boersma en De Vreugd zich nu bijpraten over dit revolutionaire beleid dat een succesverhaal lijkt te zijn geworden.

Intussen waken de twee Nederlanders er wel voor dat ze geen depressieve film maken – al dreigt Paved Paradise daardoor soms wel een beetje De Hidde & Karsten Show te worden. Al met al heeft deze documentaire ook voor de stoïcijnse en sceptische kijker echter genoeg te vertellen, een boodschap te verkondigen zelfs, om het denken over de toekomst van de Nederlandse landbouw verder op gang te brengen en wellicht zelfs een beetje te kantelen.

Daarvoor moeten alle landbouwministers van Europa dan wel eerst op vakantie naar Costa Rica.

Klaas de Jonge, De Prijs Van Vrijheid

Moondocs

Niet de wereld zelf of het leven van een personage als decor, maar echt, daadwerkelijk, een decor. Het is opvallend hoe vaak Nederlandse documentairemakers de laatste tijd een eigen arena of theater creëren voor hun films. Van de huiskamer van Johannes Post (in Geertjan Lassches De Erfenis Van Een Verzetsheld) en de uitgeleefde woning van een drankzuchtige vader (Kelly Klingenbergs Alleen Met Jenever) tot de vervreemdende grijze kamers voor nieuwkomers in Nederland (Al Wat Je Ziet van Niki Padidar) en een oude fabriekshal als passende entourage voor een vluchtverhaal in de familie (Biserka Surans Scènes Met Mijn Vader).

En als er eenmaal een decor is ontworpen, volgen het acteren vanzelf, zoals in Vincent Boy Kars’ Drama Girl, voor Abdiwahab Ali’s nagespeelde herinneringen in een door oorlog verscheurd Mogadishu (Douwe Dijkstra’s Buurman Abdi) en bij Het Zit In Mijn Hart, waarin Saskia Boddeke via een aantal spelers van KamaK, een theatergroep bestaande uit acteurs met een beperking, de ruimte tussen fictie en non-fictie verkent. Noem het een hybride tussen docu en drama of kruisbestuiving van documentaire en theater. Feit is dat deze makers de werkelijkheid graag een handje helpen en zo de grenzen van het genre documentaire opzoeken.

In de openingsscène van Klaas de Jonge, De Prijs Van Vrijheid (66 min.) laat Marlou van den Berge letterlijk zien hoe dat decor wordt gefabriceerd. En als alle stukken op hun plek staan, kan de hoofdrolspeler z’n entree maken. ‘Hier heb ik dus zesentwintig maanden in gewoond’, zegt De Jonge, oud-strijder tegen Apartheid, als hij zich achter de typemachine aan zijn bureau heeft geïnstalleerd. ‘Zonder die machine had ik het vast veel moeilijker gehad.’ Hij leest voor: ‘Vandaag, vrijdag 19 juli 1985, om precies vier uur, ben ik door de Zuid-Afrikaanse veiligheidspolitie bij de Nederlandse ambassade in Pretoria afgeleverd. De ambassadestaf heeft een kamer voor me vrijgemaakt.’

En in die kamer is Klaas de Jonge, een kleine veertig jaar later, opnieuw verzeild geraakt, althans in een replica daarvan, om het verleden te herbeleven. Door het Apartheidsregime beschuldigd van verboden wapenbezit en terrorisme, min of meer veilig op dat kleine stukje Nederlands grondgebied. Daar ontvangt hij nu zijn zoons, voormalige stiefkinderen en de vrouw en dochter van een gesneuvelde medestrijder. Samen onderzoeken zij hun geschiedenis. De clandestiene activiteiten en gewapende strijd van Klaas en zijn ex-vrouw Hélène Passtoors, die nog een tijd in de gevangenis doorbracht, hebben gevolgen gehad voor het leven van alle betrokkenen.

Tussen de gesprekken door neemt De Jonge plaats op de hometrainer, worden er aardappels gejast en is er ook gelegenheid voor een dansje bij de transistorradio. Dan blijkt ook meteen het gevaar van deze hybride aanpak: dat die enscenering tot een soort toneelstuk leidt – of, erger, tot toneelstukjes. Daar tegenover staan De Jonge’s confrontaties met een bewaker van de Nederlandse marechaussee, officier van de Zuid-Afrikaanse veiligheidspolitie en slachtoffer van een autobom van zijn organisatie. Dan wordt hij gedwongen tot (zelf)reflectie – al had de navolgende bedscène, waarin hij tijdens zijn slaap wordt belaagd door boze stemmen, achterwege mogen blijven.

De vraag of het doel, hoe nobel dat streven ook is, werkelijk alle middelen heiligt ligt dan al lang en breed op tafel in die geïmproviseerde kamer en zal in de venijnige climax van deze film nog tot schrijnende confrontaties leiden.

Mijn Vader, Nour En Ik

Witfilm / Een Van De Jongens

‘Wat wil jij allemaal weten over vroeger? Over hoe papa is opgegroeid en hoe Dudu is opgegroeid?’ vraagt Wiam Al-Zabari, halverwege zijn film over hun familiegeschiedenis, aan z’n negenjarige zoontje. Nour denkt diep na. ‘Wie vond jij heel goed in voetballen?’ Wiam zucht eens diep. ‘Mijn beste vriend, Anmar, die kon wel heel goed voetballen.’ Dan ziet hij dat het jongetje moet huilen. Terwijl hij zijn zoon liefdevol knuffelt, vertelt hij Nour, in de aan hem gerichte voice-over waarmee hij de hele documentaire aanstuurt en er soms ook lucht inblaast, over het gevoel dat hij zelf maar al te graag wil kwijtspelen. ‘Ááh, habibi, dit is hem, hè? Dit is diezelfde zwaarte die ik bij mijn vader voelde. Die voel jij nu bij mij.’

Al-Zabari probeert de toon luchtig te houden in Mijn Vader, Nour En Ik (56 min.). Dat lukt alleen niet helemaal. Want zijn jeugd in en vlucht uit Irak zijn nu eenmaal beladen. Samen met zijn moeder Bibi, broer Ammu en zus Besma vertrok hij in 1994 naar Nederland, een land dat hij alleen kende van de voetballers Gullit, Koeman en Van Basten en waar zijn vader, Dudu, al eerder was beland. Naar een stad die bovendien op geen enkele kaart stond: Oetrecht. Als Wiam zijn zoontje vertelt dat hij bij vertrek al z’n detectiveboekjes moest achtergelaten, vindt Nour dat best jammer. ‘Maar je kan toch vragen als Dudu een keer weer naar Arik gaat, naar het land waar jij geboren was, of hij een paar spulletjes meeneemt?’

In gesprek met z’n kind en de rest van het gezin – waaronder ook zijn vader, een diplomaat die uit de gratie raakte bij de Iraakse leider Saddam Hoessein – herontdekt de filmmaker zijn eigen verleden, zodat hij het onschadelijk kan maken. Voor zichzelf en zijn zoon, een vertegenwoordiger van de volgende generatie Al-Zabari-mannen die ‘een geschiedenis van heel lang heel moeilijk kijken’ hebben. Die gesprekken worden gevoerd in het Nederlands. Tenminste, totdat hij de confrontatie aangaat met Dudu. Dan verliest de film even al z’n onschuld en verwordt tot een pijnlijke exercitie tussen ouder en kind, uitgevoerd voor een draaiende camera. Aan het eind geeft Dudu Wiam een welgemeende tip: draag niet je vaders djellaba.

Het is een aansporing om het verleden in Arik los te laten en een nieuw verhaal te schrijven. Als vader van een kind, opgegroeid in het land van Van Basten, dat z’n eigen djellaba moet dragen. Daarmee krijgt deze slim opgebouwde en ontwapenende persoonlijke queeste, die twintig jaar na de Amerikaanse inval in zijn geboorteland wordt uitgebracht, het hoopvolle einde dat Wiam Al-Zabari nodig heeft. Al is het alleen voor Nour.

Daughters Of The Sun

Amstelfilm

Hun gezichten, vervat in indringende close-ups, verraden hoeveel ze moeten meetorsen. Ze vertellen elkaar hun verhaal. Over hoe ze werden ontvoerd, verhandeld en uitgehuwelijkt. Gedwongen om zich te bekeren tot de Islam, afstand te doen van hun eigen taal en behandeld als (seks)slaaf. De vrouwen, meisjes vaak nog, zijn inmiddels bevrijd, maar of ze zich ooit nog helemaal los kunnen maken van de verschrikkingen van Islamitische Staat?

Vanuit de Iraakse stad Mosul drongen de barbaren op 3 augustus 2014 de Koerdische provincie Sinjar binnen en richtten daar een ravage aan binnen de Jezidi-gemeenschap. Oudere mannen en vrouwen werden ter plekke afgemaakt, jonge meisjes op de meest grove wijze buitgemaakt. Eenmaal bevrijd uit de klauwen van IS, onder elkaar in een vluchtelingenkamp, moeten zij in het reine komen met welk lot hen is overkomen, wat ze hebben moeten aanschouwen en wie ze daardoor zijn geworden. Ze zijn vaak niet alleen allerlei dierbaren verloren, maar ook een wezenlijk deel van zichzelf.

Deze Daughters Of The Sun (75 min.) worden begeleid door een man die liefdevol ‘oom Hussein’ wordt genoemd. Hij spoort hen aan om hun hart te luchten. ‘Wie kan me vertellen wat het gewicht van dit glas water is?’ vraagt hij. En nadat ze een schatting hebben gedaan – veertig gram, of toch misschien vijftig? – legt hij uit dat ‘t vooral gaat om hoe lang je dit glas moet vasthouden. Een minuut lukt zonder probleem. Een uur wordt al lastiger. En de hele dag is bijna onmogelijk. Intussen blijft het feitelijke gewicht natuurlijk hetzelfde, het wordt alleen steeds moeilijker te dragen.

‘De slachtoffers sterven één keer, maar zij die achterblijven sterven elke dag’, zegt de vrouwenstem waarmee regisseur Reber Dosky (Sidik En De Panter) deze serene film verbindt. Terwijl de Jezidi-vrouwen samen het leven proberen terug te vinden, blijft oom Hussein druk doende met het redden van levens. Als het hem al lukt om met ingezameld geld een vrouw vrij te kopen van smokkelaars, zijn er vaak nog kinderen die zij, beslist niet altijd uit vrije wil, met een IS-man heeft gekregen. In hoeverre zijn die welkom binnen de ernstig gewonde Jezidi-gemeenschap?

Waar het enerverende Sabaya, een andere documentaire over ontvoerde Jezidi-vrouwen, zich richt op de heldenmoed van het team dat hen probeert te bevrijden uit IS-territorium, concentreert Dosky zich op de periode daarna: op het uitdrijven van de IS-duivels en de zusterschap die daarbij bijna als vanzelf ontstaat. Geduldig kijkt hij eerst mee hoe de vrouwen dolen door een nacht waaraan maar geen eind lijkt te komen en ziet daarna toe als ze langzaam, geheel volgens een oud Jezidi-gezegde, de zon weer laten opkomen. Totdat ze daadwerkelijk aan een nieuwe dag kunnen beginnen.

Shangri-La, Paradise Under Construction

Mokum

Misschien werkt het zo: dat als je maar tradities verzint, ze vanzelf ook ontstaan. Dat als je, nu zo’n jaar of vijftien geleden, een ‘Ancient City’ bouwt, dat dit automatisch, ooit, een levend monument wordt – en tot die tijd kan doen alsof. Zoals die pleindansers in Shangri-La City: ze zwieren er elke dag rond, steeds voor een nieuwe groep toeristen. Alsof ze dat al eeuwenlang doen.

Misschien werkt het zo: dat het paradijselijke oord, dat de Britse romanschrijver James Hilton in 1933 verzon, werkelijkheid kan worden. Zomaar in Zhongdian, in het Tibetaanse deel van China. Ze hebben er zelfs wetenschappelijk bewijs voor gevonden. En bovendien een replica van het neergestorte vliegtuig gemaakt, waarmee de auteur van de bestseller Lost Horizon, in zijn fantasie tenminste, op deze hemel op aarde, ergens tussen tot de verbeelding sprekende bergen, kloosters en Tibetanen, is aanbeland.

Misschien werkt het zo: dat de Nederlandse documentairemaakster Mirka Duijn, buiten beeld ondersteund door Nina Spiering, struinend door een willekeurig archief een willekeurige pagina van een al even willekeurige krant openslaat en daar de krantenkop ‘Shangri-La is found’ aantreft. Waarna haar reizigersbloed begint te kriebelen en Shangri-La, Paradise Under Construction (91 min.) in gang wordt gezet. ‘Hoe dichter bij Shangri-la ik kwam, hoe meer ik me afvroeg: wat gebeurt er eigenlijk met een plek die voorbestemd is om het paradijs te zijn?’

Misschien werkt het zo: dat de plaatselijke bevolking is gaan geloven in de droom van Shangri-La en dat sommigen van hen zich daadwerkelijk herinneren hoe er een vliegtuig neerstortte – of het verhaal via de overlevering hebben meegekregen van hun ouders of grootouders. Van de brokstukken hebben ze ooit een scheermes gemaakt. En in het dorp Jie Di zijn zelfs nog onderdelen van het toestel te vinden. ‘Op dat moment wist ik: dit verhaal wordt een detective’, stelt Duijn. ‘Het is tenslotte een zoektocht naar bewijs.’

Misschien werkt het zo: dat je door een auto met een kapotte band een essentiële getuige op het spoor komt. Dat je, grasduinend in je eigen en andermans fantasie, en ondertussen alsmaar archieven uitpluizend, steeds weer op nieuwe verhaallijnen stuit. En dat je via allerlei dwaalsporen tóch iets waarachtigs kunt vinden. Voorbij Tibetaanse kloosters, de verloren horizon of het aardse paradijs: ‘Shangri-La, whatever you imagine it to be!’ Want ook al is de waarheid nog zo snel, de leugen achterhaalt hem wel. Of was het andersom?

Hoe dan ook: dat werkt (wonder)wel.

Ga Terug En Haal Het

Tomtit Films / VPRO

Wat is de erfenis van de grootschalige Black Live Matters-demonstraties in de zomer van 2020? Die vraag wil Clarice Gargard exploreren in deze intuïtieve ontdekkingstocht. ‘Staan we nu op een kantelpunt?’ vraagt ze zich af. ‘Is dit hoe verandering ontstaat?’

Ga Terug En Haal Het’ (53 min.), start een soort stationsomroepster vervolgens de reis langs verzetsverhalen – van het verleden via het heden naar de toekomst – die op het punt staat om te beginnen. ‘Herinner wat u vergeten bent.’ Is deze steeds terugkerende stem, begeleid door beelden van voorbijrazende nachtelijke treinstations, een metafoor voor hoe zwarte mensen zichzelf moeten vinden, binnen een wereld waarin wit al sinds jaar en dag dominant is? Want, zo werpt de omroepstem nog op, ‘hoe reis je verder als je niet weet waar je vandaan komt?

Gargard gaat in Nederland, Suriname en Curaçao op zoek naar alledaags verzet van zwarte Nederlanders. Dat heeft zich door de jaren in allerlei gedaanten gemanifesteerd. Ze spreekt bijvoorbeeld André Reeder, ooit lid van de links-marxistische Surinaamse studentenvereniging. In 1982 maakte hij een film over de abominabele huisvesting van Surinaamse studenten in Nederland. Lulu Helder organiseerde in 1996 de allereerste anti-Zwarte Piet-actie ‘Zwarte Piet is zwart verdriet’. ‘Hoe lang moeten we wachten op een gelijkwaardige positie in deze samenleving?’ verzucht zij.

Deze voorbeelden weerspreken in elk geval het hardnekkige beeld dat zwarte Nederlanders hun achtergestelde positie al die tijd lijdzaam zouden hebben ondergaan. In Curaçao ontmoet Gargard verder Jeanne Henriquez, de conservator van het Tula museum. Als je je eigen geschiedenis niet kent, dan wordt het moeilijk om te geloven in jezelf, stelt zij. ‘Want je hebt niet geleerd wie je bent.’ Het pleidooi van al Gargards gesprekspartners komt in essentie neer op het herschrijven van de geschiedenis: loskomen van het kolonialisme en onderdrukking en het (h)erkennen van jezelf.

Dat proces krijgt gaandeweg voor de maakster zelf een steeds persoonlijker karakter en mondt tijdens een Winti-ritueel, tevens het eindstation van deze wat grillige en breed uitwaaierende film, uit in een emotionele climax. ‘Wij creëren zelf, steeds opnieuw, de kantelpunten die voor verandering zorgen’, concludeert Clarice Gargard daarna. ‘Wanneer we ons herinneren wie we zijn, waar we vandaan komen én besluiten actie te ondernemen.’

A Way To B

Doxy

Even voor de helderheid, stelt Xavi Duacastilla, één van de leden van het Catalaanse danscollectief Liant la Troca: ‘We zijn niet uit op medelijden, we maken kunst. Als je moet huilen door de kunst, huil dan vooral. Maar als je huilt omdat je iemand in een rolstoel ziet dansen, dan: fuck off!’

Want Liant la Troca mag dan voor een belangrijk deel bestaan uit dansers met een lichamelijke beperking, hun performances doen qua kracht, intensiteit en emotionele zeggingskracht voor geen gezelschap onder. Jos de Putter en Clara van Gool geven de creaties van choreograaf Jordi Cortès Molina, vaak uitgevoerd in de openbare ruimte van Barcelona, dan ook een prominente plek in de film A Way To B (98 min.), een vlammende hybride van dans en documentaire.

Achter de imposante dansers gaan aangrijpende verhalen schuil, van mensen die op hun levenspad echt meer drempels moeten nemen dan veel anderen. Neem bijvoorbeeld Jaume Girbau, een man zonder onderlijf. Jaren na zijn geboorte vertelde zijn moeder dat de artsen hem in eerste instantie niet aan haar wilden laten zien. ‘Hij is geboren met een bepaalde handicap, vertelden ze haar. “Het is maar beter dan u hem nog niet ziet.” Alsof ik één of ander verschrikkelijk monster was.’

Of Dessi Cascales, die in de openingsscène van deze film een moeilijk te vatten en desondanks zeer indringende monoloog afsteekt. Deze vrouw met cerebrale parese kan zich bijna alleen met behulp van haar man Philip Heinrich verstaanbaar maken en wordt mede daardoor regelmatig veel te laag ingeschat. Philip heeft echter een degeneratieve ziekte, waardoor Dessi bang is dat hij straks alleen nog zijn moedertaal Duits kan spreken. Daarom besluit ze om zelf op taalles te gaan. 

Via fraai gestileerde, gepassioneerd uitgevoerde en gloedvol geregistreerde performances, collectief te scharen onder de noemer ‘Danza Integrada’, leggen de leden van Liant la Troca hun ziel bloot. Kwetsbaar en krachtig tegelijk. Gewone mensen die, ondanks/dankzij hun imperfecte lichaam, komen tot volwaardige kunst. A Way To B wordt daarmee automatisch een hartveroverend pleidooi voor inclusiviteit, zonder dat die boodschap er verder opzichtig in hoeft te worden gehamerd.

Scènes Met Mijn Vader

IDFA

In een fraai uitgelichte, oude fabriekshal nemen Vinko en zijn volwassen dochter Biserka, nadat ze de stoelen nog even hebben schoongepoetst, naast elkaar plaats voor een persoonlijk gesprek. Filmmaakster Biserka Suran heeft allerlei vragen voor Vinko over zijn verleden in het voormalige Joegoslavië en hoe hij daar haar Nederlandse moeder ontmoette en met haar een gezin begon. Ze ontdekt ook meer over hun liefdesverhaal in een briefwisseling die de twee er op nahielden.

Toen de Joegoslavische leider Tito overleed, die bijna dertig jaar aan de macht was geweest in het communistische land, viel de door hem bijeen gehouden natie – hier tot leven gewekt met fraaie archiefbeelden – langzaam uit elkaar. Biserka’s familie besloot om naar Nederland te vluchten. Het land dat ze toen halsoverkop moesten verlaten bestaat inmiddels niet meer en is uiteengereten in verschillende naties, waaronder het land dat ze nu als moederland beschouwen: Kroatië.

Biserka en Vinko maken in de gestileerde documentaire Scènes Met Mijn Vader (46 min.), via enkele verschillende decors, een symbolische reis door het verleden, waarbij hun conversatie zich vooral richt op hoe ze hun land van oorsprong hebben moeten verlaten en wat ze vervolgens onderweg hebben opgepikt of zijn kwijtgeraakt. Dat is een persoonlijk gesprek over identiteit, land en familie, dat zo nu en dan wordt aangevuld door andere familieleden.

De zorgvuldige enscenering vergemakkelijkt de uitwisseling van gedachten en gevoelens en maakt de toegang naar herinneringen ook eenvoudiger, maar geeft de dialoog tevens een wat opgeprikt karakter. En wat er zoal te berde wordt gebracht voelt al bekend en is eerder een smaakvol opgediende reprise van dan een wezenlijke toevoeging aan het universele vluchtverhaal, dat inmiddels in alle mogelijke bewoordingen, talen en beelden is uitgedrukt.

Het Zit In Mijn Hart

Witfilm

‘Het is toneel, hè’, zegt één van de acteurs van het theatergezelschap KamaK uit Hengelo tijdens de opnames van een dramatische scène uit de voorstelling Furia, waarbij er een lijk in het water wordt gedumpt. De bevestiging volgt direct: ‘Het is niet allemaal echt. Het is allemaal toneel.’

Zo evident als dat misschien lijkt, is het echter bepaald niet in Het Zit In Mijn Hart (Engelse titel: Inside My Heart, 87 min.), Saskia Boddeke’s barokke verfilming van een voorstelling over de zeven hoofdzonden, door een Nederlandse theatergroep met louter professionele acteurs met een verstandelijke beperking. ‘Ik weet dat ik anders ben, maar bij KamaK zijn we allemaal gelijk’, vertelt Patrick ‘Pitt’ ten Arve, terwijl hij naast hoofdrolspeelster Marian Jansen heeft plaatsgenomen voor een interview. De jongeling, die zich in de navolgende anderhalf uur zal laten kennen als een rasacteur, legt uit: ‘Ik ben blij dat ik gehandicapt ben, anders had ik hier niet kunnen werken.’

De acteurs van het ensemble verliezen zich tijdens de opnames zo nu en dan in de fictie of wantrouwen de werkelijkheid, maar datzelfde geldt voor de kijker van deze voortdurend tussen uitvoering, repetitie en backstagescènes laverende vertelling. Waar eindigt de waarheid en begint het spel (of andersom)? ‘Ik vind dit geweldig’, zegt Tim Assen bijvoorbeeld, nadat hij tijdens de repetities een geïmproviseerde liefdesscène met Rijk Sietsma heeft gespeeld. ‘Mijn droom is eindelijk uitgekomen’, stelt de homoseksuele acteur. ‘Vrijen met anderen.’

KamaKs nieuwe actrice Anne Aalderink, die helemaal verkikkerd is op Rijk, zit zich ondertussen te verbijten. ‘Ik heb dit eigenlijk nooit meegemaakt, dat Rijk en Tim zitten te kleffen’, zegt ze. ‘Dat vind ik echt niet zo. Ik schaam me er echt voor.’ Tijdens het doen van haar haren vertelt Anne even later dat ze Rijk knap vindt. Ze is jaloers. ‘Goede Tijden doet het ook’, probeert hij haar vervolgens weer gerust te stellen. ‘Is de seks daar ook gefaket?’, vraagt Anne. ‘Ja, die is niet echt’, bevestigt Rijk. ‘Jeetje!’ slaakt zij een zucht van verlichting. Ze concludeert: ‘Dat heet toneelspelen.’

Daarmee is de kous echter nog helemaal niet af. Want Rijk wil filmmaker Saskia in vertrouwen nog wel even meegeven dat Tim weliswaar een goede kameraad is, maar dat hij beslist niet verliefd is op hem. Dát is Rijk namelijk op Anne. En zo zwerft Boddeke, die tevens laat zien hoe ze de spelers regisseert, continu tussen realiteit en fantasie in deze theatrale, liederlijke en ravissant vormgegeven vertelling, waarin de diverse acteurs, zowel binnen als buiten hun rol, beurtelings de show en het hart stelen. Totdat elk onderscheid is verdwenen – en iedere kijker helemaal overstag is.

Al Wat Je Ziet

VPRO

Het begint vaak met: Waar kom jij vandaan? Hoe lang woon je al in Nederland? Spreek je Nederlands?

En, als het ijs eenmaal is gebroken en het allereerste contact gelegd, kunnen er volgens de Rotterdamse verpleegkundige Khadija Sabriye, die oorspronkelijk uit Somalië komt, nog veel meer vragen volgen: ben je besneden? Mag je seks hebben? Ben je uitgehuwelijkt? En daarna volgen, als vanzelf, de meningen: wat kun jij goed fietsen! Wat een mooie naam! Je bent zeker dankbaar dat je hier bent. Je bent zo exotisch.

Welkom in Nederland, een nieuwe wereld. Een wereld waarin buitenstaanders, of ze het nu willen of niet, een nieuwe versie van zichzelf moeten worden. Of zoals zij ‘t in Al Wat Je Ziet (72 min) zelf uitdrukken: niemand kan zien wie ik was. De van origine Iraanse filmmaakster Niki Padidar woont vanaf haar zevende in Nederland en weet dus uit eigen ervaring hoe dat voelt. Ze vergelijkt het met een ‘eeuwig durende auditie’.

Padidar onderzoekt in deze film hoe ‘t is om wakker te worden in zo’n vreemde wereld en daar onderworpen te worden aan de blikken van vreemden, die vooral jou als een vreemde ervaren. Vanuit dat perspectief kijkt ze, met vier meisjes/vrouwen die haar eigen ervaringen lijken te weerspiegelen, naar ‘ons’ Nederland, een aangeharkt land dat er voor iemand van buitenaf zomaar steriel, onnozel en levenloos kan uitzien.

De documentairemaakster vervat die ervaring tevens in theatrale beelden. Ze plaatst haar hoofdpersonen bijvoorbeeld in een vervreemdend decor: ieder z’n eigen kale, grijze kamer – naast elkaar op een podium – die ze zich met wat persoonlijke bezittingen eigen proberen te maken. Deze uitgesproken vormkeuze werkt als een spiegel voor de buitenstaanders, die ook ‘gewone’ Nederlanders gaandeweg worden in Al Wat Je Ziet.

Zodat de boodschap van deze prikkelende en geraffineerde film, onlosmakelijk verbonden met het persoonlijke levensverhaal van de maakster, uiteindelijk kan worden gecondenseerd tot één kernachtige vraag: wat als je van de ene op de andere dag niet meer wordt gezien, maar wel  wordt bekeken? Gevolgd door gedachten als: wie ben je dan (nog)? Wat zie je? Kun je erdoorheen breken? En: zou het ergens anders werkelijk anders zijn?

Puinhoop

Selfmade Films

Nadat Allard Detiger de deur van zijn moeders woning heeft geopend en een stapeltje post bij elkaar heeft gegrist, stapt hij de wereld van zijn jeugd binnen. De stapels rommel lijken hoger dan ooit. Het was vroeger al een hoardershuis, maar is sindsdien alleen maar verder dichtgegroeid. De vrouw die hem heeft opgevoed is ondertussen een menselijk wrak geworden. Een boze vrouw ook, naar verluidt gediagnosticeerd met borderline. ‘Jullie hebben me allemaal naar de knoppen geholpen’, sneert ze naar Allard en andere mensen die haar proberen te helpen.

Allards bejaarde moeder laat ook een eindeloze stroom boze, wanhopige of verwarde berichten achter op zijn antwoordapparaat. Hij kan zich nauwelijks een ogenblik van haar losmaken. Deze film lijkt een poging om die Puinhoop (84 min.) te documenteren, in de hoop er op de één of andere manier vat op te kunnen krijgen. In familiefilmpjes kan hij terugzien hoe ze vroeger was: een zorgzame alleenstaande moeder. Te zorgzaam. ‘Ik mocht alles van haar’, herinnert Allard zich. ‘Zolang ik maar dichtbij haar bleef.’ En thuis was het dus, ook toen de kinderen er nog woonden, al een flinke bende. Alle vriendjes die ooit eens bij hen thuis waren geweest, hadden volgens jeugdvriend Daniel naderhand dezelfde droom: ze gingen dat huis opruimen.

Met sleutelfiguren uit zijn leven – zijn eigen partner Kristina, oudere broer Mathijs (die op jonge leeftijd de wijk nam naar Amerika), tennisleraar Tom, enkele therapeuten bij wie hij in behandeling was en de zus van zijn moeder, Sonja – probeert hij zicht te krijgen op de vrouw die zijn leven regelmatig tot een hel (heeft ge)maakt. Wie of wat is hij daardoor geworden? In gestileerde symbolische sequenties drukt Allard, die sinds enkele jaren zelf ook een kind heeft, in deze pijnlijk persoonlijke documentaire bovendien zijn eigen kwetsbaarheid, woede en machteloosheid uit. Over de (soms verwrongen) loyaliteit tussen ouder en kind en hoe ondraaglijk mantelzorg kan worden.

Het resultaat is een beklemmende, knarsetandende en uiteindelijk ook wel weer liefdevolle film over een vrouw die zichzelf volledig verliest in haar fixaties en haar directe omgeving daarin voortdurend probeert mee te trekken. En over een zoon die de storm die zij ontketent steeds weer moet trotseren en heeft besloten om de menselijke ravage die zo wordt aangericht voor eens en altijd te documenteren. Het is een puinhoop, in de loop van tien jaar verzameld, om niet snel te vergeten.