I Used To Be Normal: A Boyband Fangirl Story

Mad Man

‘Welkom bij boyband-theorie’, zegt Dara terwijl ze met een stift op een whiteboard begint te schrijven. De Australische Take That-fan wijst op een foto van vier okselfrisse jongens met bloempotkapsels. ‘Dit zal sommige mensen misschien verbazen, maar het fenomeen begon met The Beatles. De vroege Beatles.’ Ze verduidelijkt: hun manager zorgde voor op elkaar afgestemde kleren en liet ze liefdesliedjes en enkele covers spelen. ‘De marketing en hysterie, alles was op en top boyband.’

Dara probeert het fenomeen boybands, het thema van de documentaire I Used To Be Normal: A Boyband Fangirl Story (94 min.), verder te plaatsen. Leeftijd: tussen 17 en 21 jaar oud. ‘Een boyband is een groep jongens. Idealiter drie tot vijf, maar vier is zeker ook mogelijk. En dan hebben we de songthema’s. De voornaamste is, natuurlijk, liefde. Omdat de meisjes die naar de liedjes luisteren moeten geloven dat de jongens die voor hen zingen.’ En seks? wil filmmaakster Jessica Leski weten. ‘Zolang het niet openlijk is.’

Dara, inmiddels een 33-jarige merkstrategist, ontleedt vervolgens nauwgezet de samenstelling van de groepen. Allereerst De Mysterieuze. Ze wijst enkele concrete voorbeelden aan op haar bord: Robbie Williams (Take That), Zayn (One Direction), John Lennon (The Beatles) en AJ (Backstreet Boys) van de groepen die centraal staan in deze film. En dan heeft een beetje boyband nog nodig: Het Schatje, De (Gevoelige) Oudere Broer en Het Sexy Ventje. ‘Daarvan is de kans het grootst dat-ie zijn shirt uitheeft.’ En tenslotte is er volgens Dara – we zouden hem bijna over het hoofd zien – Degene Die Je Altijd Vergeet.

Tenminste eentje van hen moet een instrument kunnen bespelen, stelt de nog altijd overtuigde Take That-fan. ‘Iemand die bij een radio-interview zijn instrument pakt, zodat ze een a capella-liedje kunnen doen.’ Belangrijk is tevens dat de bandleden goed zijn gestyled, in kleren die goed met elkaar matchen. Ook evident: géén baarden, wél gezichtsbeharing. Dara heeft nog meer regels: de groepsleden mogen zichzelf niet te serieus nemen. En vriendinnetjes zijn natuurlijk ook uit den boze! Zelf had ze, net als de andere boybandfans in deze vermakelijke documentaire, een crush op één specifiek lid: Gary Barlow. En dat is achteraf bezien best vreemd: Dara wist als tiener al dat ze op vrouwen viel.

De gemiddelde boyband gaat zo’n vijf jaar mee, constateert de dertiger uit Sidney tot besluit. ‘De hele reden dat dit fenomeen bestaat, los van wereldvrede, is dat het een commerciële onderneming is.’ Waarmee ze haar voornaamste punt heeft gemaakt. Tevreden kijkt Dara nog eens op het bord. In ruim twee minuten, één enkele documentairescène, heeft ze de complete film, die ruim anderhalf uur gebruikt om de impact van boybands op enkele fans te duiden, glashelder uiteen gezet.

David Bowie: Finding Fame

BBC

The Konrads, Davie Jones And The King Bees en The Lower Third. Ooit hadden deze popbands stuk voor stuk de pretentie om de wereld te veranderen. Ze stierven echter een stille dood, als willekeurige hobbygroepjes die het lokale jeugdhonk nooit ontstegen. De enige reden dat we ze, ruim een halve eeuw na dato, überhaupt zouden kunnen kennen is omdat één bandlid later alsnog wereldberoemd zou worden.

David Jones, een bijzonder ambitieuze jongeman uit Brixton, versleet negen bands in elf jaar. Op achttienjarige leeftijd had hij zichzelf bovendien een andere achternaam gegeven: Bowie. En daarmee zou het in 1973 ein-de-lijk lukken: met Ziggy Stardust werd David Bowie een ster en kregen bandjes als The Konrads, Davie Jones And The King Bees en The Lower Third alsnog een plek in de pophistorie toebedeeld. Net als bijvoorbeeld – popquizzz!!! – The Golliwogs, On A Friday of The Quarrymen.

De televisiedocumentaire David Bowie: Finding Fame (90 min.), ook wel The First Five Years getiteld, graast het terrein af dat Five Years en The Last Five Years, de twee andere Bowie-films van filmmaker Francis Whately, braak hadden laten liggen: de jaren waarin de Britse zanger nog gewoon één van die would be-popsterren was, met véél meer ambitie dan succes. ‘Amateuristisch klinkende zanger die de verkeerde noten en vals zingt’, noteerde een jurylid van het BBC-programma Pick Of The Pops over één van zijn bandjes. Een andere criticaster: ‘Een tandeloos, nietszeggend ensemble dat een zanger zonder karakter begeleidt.’

Met voormalige bandleden, producers, managers, jeugdvrienden en familieleden schetst Whately, die ook de hoofdpersoon zelf veelvuldig aan het woord laat, vaardig de turbulente jonge jaren van de zoeker die er nog geen idee van heeft dat hij een fenomeen zal worden: het liefdeloze gezin dat hem voortbracht, de klotebaantjes, zijn (mislukte) experimenten met andere kunstvormen, al die naamloze bandjes en projectjes én zijn eerste grote liefdes. Zo werd met veel pijn en moeite de bedding gelegd, waar de veelkleurige rivier David Bowie in de navolgende dikke veertig jaar doorheen kon stromen.

Leaving Neverland

Amos Pictures / HBO

‘Jij en ik zijn samengebracht door God’, zou Michael volgens Wade hebben gezegd. ‘We zijn gewoon voorbestemd voor elkaar.’ Wade ‘Little One’ Robson, een Australische Jackson-fan en -imitator, was zeven. Ze waren voor het eerst intiem met elkaar. Er was niks engs aan. Gewoon twee kinderen die elkaar ontdekten – ook al was die ander, in theorie dan, al rond de dertig. Michael beschouwde zichzelf echter als Peter Pan, de jongen die nooit wilde opgroeien. Ze bevonden zich niet voor niets in Neverland. En misschien hoorde daar ook wel orale seks bij.

Jimmy Safechuck had soortgelijke ervaringen. Het Amerikaanse jongetje, dat met Michael in een commercial voor een colamerk had gespeeld, lichtte op onder de blik van het ultieme popicoon en beschouwde alles wat daarna kwam eigenlijk als normaal. En zijn ouders lieten zich, net als de familie van Wade, kinderlijk eenvoudig buitenspel zetten. Verblind als ze waren door Michaels sterrenstatus. Zodat de vriendschap met hun kind, die zelfs uitmondde in een soort van ‘huwelijk’, uitbundig kon bloeien.

Eenmaal uit elkaar, toen de muziek en het tourleven Michael weer riepen, floreerde hun omgang als nooit tevoren met urenlange telefoongesprekken, stapels faxen en logeerpartijtjes. En nog steeds greep er niemand in. Tenminste, als we Robson, Safechuck en hun families moeten geloven. Want Leaving Neverland (244 min.) is hún getuigenis. Ongefilterd, zonder weerwoord. De erven Jackson is niets gevraagd – en Michael zelf ligt alweer bijna tien jaar in zijn graf (waar hij zich nu wellicht omdraait).

Vanaf het moment dat de epische film van de Britse filmmaker Dan Reed eind januari in première ging op het Amerikaanse Sundance Film Festival werd de documentaire genadeloos onder vuur genomen door Michael Jackson-fans. De verklaringen van Robson en Safechuck, die hun relaas volgens Reed volledig los van elkaar hebben gedaan, zouden volstrekt ongeloofwaardig zijn en puur voor de poen. Echte Jacksonites bleven volledig overtuigd van Michaels onschuld en riepen dat van de hoogste toren – zónder overigens dat ze de film hadden gezien.

En nu is de gewraakte documentaire dan eindelijk toegankelijk gemaakt voor de ganse wereld. Met twee mannen, en hun directe verwanten, die helemaal tot de bodem gaan. En een regisseur die hun schokkende ervaringen, ondersteund door bijzonder archiefmateriaal van het in opspraak geraakte idool en de jongetjes die zij ooit geweest moeten zijn, met grootse (overzichts)shots en weelderige muziek heeft ingekleurd. Hij geeft ze bovendien alle tijd van de wereld: meer dan vier uur zuivere speeltijd.

Uit die (te) uitputtende interviews valt een verontrustende narratief te destilleren. Van een eeuwig (en beschadigd) kind, dat elk jaar een jeugdig object zoekt – een afspiegeling van zijn jonge, onschuldige zelf wellicht – waarop hij zijn liefde en lust kan projecteren. Totdat er een nieuw liefdeskind langskomt en z’n huidige protegé wordt afgedankt (of zich althans zo voelt). Voor wat het waard is: de andere jongensnamen die in dat verband vallen, waaronder de vermaarde kinderster Macaulay Culkin, houden (tot dusver) vol dat ze nooit een seksuele relatie hebben gehad met Jackson.

Waarmee je zou kunnen concluderen dat de nee- of nikszeggers het betoog van de ja-sprekers in deze interviewfilm vakkundig neutraliseren. Gezien de mate van detail in de belastende verklaringen van Robson en Safechuck, en het indirecte ondersteunende bewijsmateriaal, laten die zich echter niet zomaar wegredeneren. Het zijn aangrijpende, van schuld en schaamte doortrokken verhalen die blijven resoneren. Hetzelfde geldt voor deze krachtige, hoewel wat overcomplete documentaire, die het beeld van Michael Jackson wel eens definitief zou kunnen doen kantelen.

Binnen enkele uren is Neverland niet alleen voor Jacksons voormalige oogappels een plek geworden die je, als je er eenmaal geweest bent, nooit meer helemaal kunt verlaten.

In het voorjaar van 2026 verscheen er een update van de zaak tegen Michael Jackson: Leaving Neverland II: Surviving Michael Jackson.

The Devil And Daniel Johnston

Ik herinner het me als de dag van gisteren: ‘I heard the Jews are having a pyjama party at the concentration camp.’ Hij zei ’t echt, tijdens een optreden op het Take Root-festival in Tilburg in 2002. De Amerikaanse singer-songwriter Daniel Johnston. Een dikkige wereldvreemde kerel, die zich met onvaste stem en onbeholpen gitaarspel door zijn eigen oeuvre worstelde. De Holocaust-grap vormde de anticlimax van een sowieso erg ongemakkelijk optreden, waarin hij ook nog verhaalde over een man die de doodstraf had gekregen vanwege een zelfmoordpoging.

Helemaal verbaasd over zijn ontregel(en)de gedrag konden concertgangers niet zijn. De wilde verhalen waren Johnston al vooruitgesneld. En die werden drie jaar later, in 2005, allemaal nog eens bevestigd, van een zeer persoonlijke context voorzien en met ongelooflijk veel verve uitgeserveerd in de overrompelende documentaire The Devil And Daniel Johnston (110 min.) van Jeff Feuerzeig. Het is een portret waarin de hoofdpersoon op alle mogelijke manieren aanwezig is (via zijn muziek, kunstprojecten, familiefilmpjes en archiefmateriaal), maar zelf niet wordt bevraagd. Dat is ook nauwelijks mogelijk.

Behalve een hele stoet liefhebbers en fans komen wel zijn betrokken vader, moeder, broer en zus aan het woord. Daniel zelf laat van zich horen via talloze audiocassettes die hij gedurende de jaren heeft gemaakt. Daarop stort hij zijn hart uit, gaat als een gek tekeer over Satan en legt tevens stiekem situaties in familiekring vast. ’Ik wil niet dat mijn zoon het lachertje wordt’, hoor je zijn moeder Mabel bijvoorbeeld tegen de jonge Daniel tieren. ‘Maar dat is wat je bent.’ De instabiele artistiekeling, gediagnosticeerd met een bipolaire stoornis, blijkt al van jongs af aan het zorgenkindje van een gelovig gezin. Volgens zijn beste vriend David Thornberry noemde zijn moeder hem regelmatig een ‘unprofitable servant of the Lord’. Daniel zelf verbasterde dat op geheel eigen wijze dan tot ‘an unservicable prophet’.

Daniels beeld van de wereld komt gaandeweg steeds meer op gespannen voet te staan met de werkelijkheid van anderen. Op de plaatselijke kunstacademie ontmoet hij bijvoorbeeld de liefde van zijn leven Laurie Allen, die hij op camera braaf ‘I love you, Danny’ laat zeggen. Zij heeft echter geen idee van zijn gevoelens en al wel een vriendje. Meer heeft Daniel niet nodig om in een diepe depressie te raken. In zekere zin geniet hij, volgens zijn vriend David, echter ook van de ontstane situatie: met haar afwijzing heeft hij iets om zich diep ongelukkig over te voelen. Er zullen nog vele inzinkingen volgen, met de bijbehorende waanbeelden, paranoia en verplichte opnames – en onnavolgbare muziek en tekeningen.

Illustratief is een bizar optreden in de New Yorkse undergroundclub Piers Platter, waarbij Daniel het publiek laat meezingen met het bijzonder macabere lied Funeral Home: ‘Funeral home. Funeral home. Going to the funeral home. Got me a coffin, shiny and black. I’m going to the funeral and I’m never coming back.’ Met zulke ziel snijdende performances verwerft hij begin jaren negentig een cultstatus, zeker nadat Nirvana-zanger Kurt Cobain zich laat vereeuwigen met een Daniel Johnston T-shirt. Vanuit een psychiatrisch ziekenhuis onderhandelt de man zelf intussen met platenmaatschappijen. Tot een succesvolle carrière zal het echter nooit komen. Johnston blijft een figuur in de marge, die vanuit zijn ouderlijk huis een gestage stroom songs en tekeningen (die ook worden geëxposeerd en verkocht) op gang houdt.

‘Ik weet zeker dat Daniel straks naar de hemel gaat’, zegt één van de sprekers in deze bijzonder aangrijpende film. ‘Want in de hel is hij al geweest.’

In 2015 verscheen er nog een lekker speelse korte film met de singer-songwriter, getiteld Hi, How Are You Daniel Johnston?, waarin geanimeerde versies van de jeugdige en oudere Daniel met elkaar in gesprek gaan en de filmmaker zelf, Gabriel Sunday, in enkele scènes een jonge Johnston speelt. Met bovendien een fraai nummer van Lana del Rey, Some Things Last A Long Time.

The Two Killings Of Sam Cooke

Netflix

Als één zwarte soulzanger zich grondig heeft laten ‘whitewashen’, dan is het Sam Cooke. Hij leeft voort als de man van gladgestreken popsoulsongs als Wonderful World, Cupid en You Send Me. Een zwarte Sinatra. Zijn vader waarschuwde hem al: ‘Je kunt de wereld winnen en je ziel verliezen.’ Maar Sam wilde van jongs af aan wereldberoemd worden. Pas na zijn vroegtijdige dood in 1964 werd A Change Is Gonna Come uitgebracht, een lijflied van de Amerikaanse burgerrechtenbeweging.

In de geoliede popdocu The Two Killings Of Sam Cooke (74 min.) schetsen voormalige vrienden en medewerkers van de zakelijk ingestelde zanger en tijdgenoten als Smokey Robinson, Dionne Warwick en Quincy Jones de opkomst van Cooke, die gaandeweg steeds nadrukkelijker voor zichzelf opkwam en gelijkgestemden vond in politiek activist Malcolm X, acteur Jim Brown en bokser Mohammed Ali. Gezamenlijk stonden ze aan de basis van een nieuw zwart zelfbewustzijn dat Black Power zou gaan heten. Tegen de tijd dat de burgerrechtenbeweging goed op gang kwam, was Sam Cooke echter al dood.

Hij stierf als de eerste de beste ‘nikker’. Onder mysterieuze omstandigheden doodgeschoten in het haveloze Hacienda Motel in de beruchte Watts-wijk van Los Angeles. Theorieën over wat zich daar heeft afgespeeld waren er te over. Had de vrouw die de trekker waarschijnlijk overhaalde zich moeten verdedigen tegen de agressieve dronkenlap Cooke? Was de succesvolle zanger op slinkse wijze beroofd? Of ging het toch om een samenzwering tegen een zwarte artiest die zijn plaats niet wist in een industrie, die van oudsher wordt gerund door louter witte mannen?

Een serieus onderzoek naar zijn gewelddadige dood is er volgens deze documentaire van Kelly Duane nooit gekomen. Als zoiets al met de grote Sam Cooke kon gebeuren, wat had een gewone afro-Amerikaan in de roerige tijden van Martin Luther King, Malcolm X en Medgar Evers dan van de autoriteiten te verwachten? Die vraag is, getuige de Black Lives Matter-beweging, verrassend actueel. En zoals er nu grootschalige protesten ontstonden na de gewelddadige dood van Freddie Gray, Eric Garner en Mike Brown, zou het na Cookes dood blijven broeien in Watts, dat in 1965 het toneel werd van serieuze rassenrellen.

The Price Of Everything

Trigon Film

‘Er zijn veel mensen die alles van de prijs weten’, zegt Stefan Edlis. ‘Maar niets van de waarde.’ Het is een opmerkelijke tekst voor een man die fortuin heeft gemaakt met de aan- en verkoop van kunst. Edlis is inmiddels dik in de negentig, plaatst met de nodige zelfspot kanttekeningen bij de kunstwereld en denkt na over de toekomst van zijn eigen indrukwekkende collectie, die werk van toonaangevende kunstenaars als Andy Warhol, Gerhard Richter en Jeff Koons bevat.

In de uiterst vermakelijke documentaire The Price Of Everything (98 min.) belicht regisseur Nathaniel Kahn de musea, galeries en veilinghuizen waar moderne kunst en het grote geld elkaar ontmoeten. De jacht en de deal, daar gaat het om, aldus Amy Capellazzo van Sotheby. ‘Kunst en geld hebben altijd hand in hand gegaan’, stelt veilingmeester Simon de Pury zelfs. ‘Het is belangrijk dat goede kunst ook duur is. Je beschermt alleen iets wat ook waarde vertegenwoordigt. Als iets geen enkele financiële waarde heeft, kan het niemand schelen wat ermee gebeurt.’

Tegenover die benadering plaatst Kahn de traditionele Amerikaanse schilder Larry Poons, die sinds 1971 in zijn eigen atelier werkt aan grote en abstracte doeken, die verdomd lastig zijn te verhandelen. Poons is volgens eigen zeggen kunstenaar tegen wil en dank. Uit pure noodzaak. Geld speelt daarin geen enkele rol. ‘Je kunt ook je ouders niet uitkiezen’, zegt hij uitdagend. ‘Zoals je ook niet kunt bepalen wie je zelf bent.’ In de jaren zestig had Poons rijk en beroemd kunnen worden. Nu leeft en werkt hij in de schaduw van tijd- en vakgenoten.

Kunst is intussen een soort luxeartikel geworden, constateert historica Barbara Rose met een vies gezicht. Puur effectbejag. Neem dat gouden toilet van de Italiaanse kunstenaar Maurizio Cattelan. Dat is toch een belediging voor de goede smaak? Net als dat ‘sensationalisme’ van hedendaagse grootheden als Damien Hirst en Jeff Koons. ‘Ik heb nagedacht over waarom ik maak wat ik maak’, constateert Koons zelf nochtans droog in deze film. ‘Het enige wat ik heb is mijn eigen interesse.’

Met kunstenaars, historici, handelaren, critici en verzamelaars schildert The Price Of Everything, dat is aangekleed met ravissante kunstwerken en weelderige klassieke muziek, zo een gelaagd beeld van de contemporaine kunstwereld, die (vanuit economische motieven) zijn eigen popsterren heeft gecreëerd. Moderne kunst lijkt soms niet meer dan handelswaar, waarbij vraag en aanbod bepalen of de kunstenaar er nog toe doet of niet. Hoe voorkom je als individuele maker dat je wordt verzwolgen door je eigen hype?

Kunstcriticus Jerry Saltz ziet in die economische benadering van moderne kunst nog een ander bezwaar. Al die veilingen vormen in zijn ogen een soort afscheid. Als een kunstwerk voor een enorm bedrag is verkocht, belandt het aan de muur bij een puissant rijke verzamelaar. Waardoor de kunst die oorspronkelijk was bedoeld voor een groot publiek, zo toont deze levendige film feilloos aan, toch weer gewoon bij de elite terecht komt.

John McEnroe: In The Realm Of Perfection

Je zou kunnen denken dat John McEnroe: In The Realm Of Perfection (94 min.) een standaard portret is van het voormalige enfant terrible van het Amerikaanse tennis. Een overmatig getalenteerd ettertje met krullenkop, vaak in toom gehouden door een zweetband, dat briljante dropshots en vlijmscherpe passeerslagen afwisselde met rondvliegende rackets. Als geen ander kon McEnroe fulmineren naar scheids- en lijnrechters.

Het kutmenneke, inmiddels alweer jaren een gewaardeerd commentator en analist, was echter ook een begenadigde stilist, de ideale uitdager voor het ijskonijn dat tennis in de tweede helft van de jaren zeventig had gedomineerd, de Zweed Björn Borg. Uitgelezen materiaal voor een meeslepende sportdocumentaire, zou je zeggen. Voor een psychologisch portret van een artistieke linkshander, die verdwaald raakte in topsport. Of voor een meeslepende reconstructie van een heroïsche grand slam-finale. Deze film beoogt echter iets anders. En dat weet je binnen enkele seconden.

Trage zwart-wit beelden van een man met een tennisracket, die mechanisch verschillende slagen voordoet. Gevolgd door een curieus muziekje. En een quote van nouvelle vague-held Jean-Luc Godard: ‘Cinema lies, sport doesn’t’. Een enigmatische voice-over mengt zich in de strijd en duidt de man en zijn racket als onderdeel van een instructiefilm uit 1966, A Study In The Basic Techniques Of Tennis. Theorie die weinig met de praktijk van doen had. De maker ervan, Gil de Kermadec, zou zich later specialiseren in portretten van tennishelden van vlees en bloed. Daarvoor filmde hij elk jaar tijdens de Open Franse Tenniskampioenschappen. Zo kreeg hij ook John McEnroe in het vizier.

Terwijl hij het ruwe materiaal van die portretten bekeek, had filmcriticus én tennisliefhebber Serge Daney, die door documentairemaker Julien Farnaut wordt ingezet als verteller, een authentieke brainwave: ‘We waren niet naar John McEnroe aan het kijken. We keken ook niet naar een film over John McEnroe. We waren als de cameramannen op de set van een film die daar werd gemaakt.’ Die filosofische inslag, waarin steeds de raakvlakken tussen cinema en sport wordt gezocht, zorgt voor een atypische en contemplatieve film, die rust, aandacht en een subtiel gevoel voor humor vraagt van de kijker.

McEnroe zelf wordt bijvoorbeeld niets gevraagd. Hij is slechts een object om te observeren. Liefst in slow-motion en begeleid door lekker tegendraadse muziek van Sonic Youth en Black Flag: als hij die gefühlvolle linkerarm laat neerdalen voor een venijnige service. Als hij zijn tegenstander alle hoeken van het centre court laat zien. Of – iconisch beeld – als hij met een ontevreden kop, één hand op het net en de andere wijzend naar een afdruk in het gravel, met veel misbaar verhaal gaat halen bij de wedstrijdleiding. ‘Doe je zonnebril af’, bijt hij een lijnrechter bijvoorbeeld toe. ‘Dan zie je die bal tenminste.’

McEnroe is een absolute winnaar, meent sportschrijver Cédric Quignon-Fleuret. Het gevoel dat iedereen tegen hem is, werkt als een soort drug voor hem. Hij heeft een (imaginaire) vijand nodig. Via een omweg komt Farnaut zo uiteindelijk toch min of meer uit bij dat psychologische portret en dat heroïsche titelgevecht. Niet met Borg overigens, maar met een andere rivaal: het Tsjechoslowaakse krachtmens Ivan Lendl, die de umpire zelf trouwens ook niet spaart. ‘Ben je soms bang voor hem?’, vraagt hij de ref verontwaardigd, terwijl hij naar zijn norse nemesis aan de andere kant van het net kijkt.

Net als zijn hoofdpersoon heeft Jean Farnaut zijn publiek gedurig tegen de haren ingestreken. Ruim een uur. Te langen leste geeft zijn film de toeschouwer met de finale van Roland Garros in 1984 echter tóch wat die wil: een zinderende climax, waarbij de ene matador echt niet onder de andere door wil gaan.

De documentaire McEnroe (2022) is een wat traditioneler portret van de voormalige toptennisser.

Matangi / Maya / M.I.A

‘All I wanna do is bang bang bang bang’, rapt M.I.A., terwijl er geweerschoten klinken in haar wereldhit Paper Planes uit 2007. Een kassa rinkelt: ‘And take your money.’ Zo kijken veel westerlingen toch tegen immigranten aan? Nou, dan kunnen ze het krijgen ook, moet de Britse rapper van Sri Lankaanse origine (echte naam: Maya Arulpragasam) hebben gedacht. In 1985 vluchtte ze als tienjarige Aziatische meisje naar een volledig vreemde wereld, Europa. Die verscheurdheid klinkt door in alles wat ze sindsdien heeft gemaakt.

Dat perspectief – van de buitenstaander die bij ‘ons’ en haar eigen moederland naar binnen kijkt – maakt van de biopic Matangi / Maya / M.I.A. (96 min.) méér dan het zoveelste portret van een succesvolle artiest, die nog eens goed in de markt moet worden gezet of wel een extra veer in zijn reet kan gebruiken. M.I.A.’s venijnige songs kunnen niet los worden gezien van hun maatschappelijke context. Dat betekent overigens niet dat filmmaker Steve Loveridge ook kritisch naar de controversiële rapper kijkt. Daarvoor verblijft hij (blijkbaar) al te lang in haar entourage. Hij filmt Maya sinds halverwege de jaren negentig, toen ze allebei op de kunstacademie zaten.

Onplezierige vragen over de aard van M.I.A.’s activisme of haar omstreden vader, een prominent lid van de verzetsbeweging/terreurgroep de Tamil Tijgers, blijven achterwege. ‘Waarom ben je zo’n problematische popster?’, vraagt Loveridge nog wel aan zijn hoofdpersoon. ‘Waarom…’ Ze maakt de zin zelf af: ‘houd je niet gewoon je bek?’. Waarmee de relatie tussen maker en subject aardig is neergezet. Deze film moet het duidelijk niet hebben van kritische distantie, maar van de nabijheid tussen vrager en bevraagde. De documentaire bestaat voor het leeuwendeel uit B-roll video’s die in huiselijke kring, backstage en tijdens reizen naar Sri Lanka zijn gemaakt.

M.I.A.’s leven en dit spannende portret van een strijdbare jonge vrouw komen tot een climax in 2009 als ze, zwanger van haar eerste kind en genomineerd voor zowel een Oscar als een Grammy Award, ziet hoe de oorlog in haar moederland escaleert. Als ‘enige Tamil in de westerse media’ voelt ze zich geroepen om zich uit te spreken over wat zij de genocide op haar volk noemt. Zo komt Maya zelf ernstig onder vuur te liggen, bijvoorbeeld via een venijnig profiel in New York Times Magazine, waarin ze wordt neergezet als een verwend kind, dat flinterdunne politieke statements maakt. Sleutelquote: ‘”I kind of want to be an outsider”, she said, eating a truffle-flavoured French frie.’

M.I.A. (ofwel: Missing In Action) reageert in stijl met een slicke videoclip, waarin ze zogenaamd met een grote zonnebril op aan een zonovergoten buitenzwembad zit. ‘All I wanna do is check my Monet’, concludeert ze, om met de nodige zelfspot te verduidelijken: ‘M.I.A. investing in third world democracy. These shades were made in Sri Lanka. Don’t you dare write anything else funny about me.’ Waarna de geboren provocateur ostentatief een vliegtuigje vouwt van een dollarbiljet en het door de lucht laat dwarrelen…

Robert Jan Stips – De Tovenaar Van De Nederpop

Bart Chabot leidt de hoofdpersoon van deze documentaire op geheel eigen wijze in: nee, hij is niet zo bekend als Barry Hay of Herman Brood, maar hij is de beste muzikant van de Nederlandse popscene, iedereen wil met hem werken en toch wordt-ie niet herkend op straat. Heeft u al door over welke Onbekende Nederlander de inmiddels dolenthousiaste Chabot het heeft? Gelukkig worden nu de usual suspects voorgesteld die de man in kwestie verder zullen duiden: Cesar Zuiderwijk, Henk Hofstede, Anton Corbijn, Rinus Gerritsen en Freek de Jonge. Stuk voor stuk hebben ze gewerkt met – tromgeroffel, doodse stilte, trompetgeschal! – Robert Jan Stips – De Tovenaar Van De Nederpop (59 min.).

In strandpaviljoen De Fuut in zijn thuisstad Den Haag tovert Stips aan een nieuwe plaat, waarmee hij wil voortborduren op het magische werk van zijn eerste bandje Supersister. Hij laat zich daarbij tevens ondersteunen door vroegere vrienden uit die vermaarde progrockgroep uit de sixties. Ook de ‘simpele rock & roll-muzikanten’ van enkele vooraanstaande vaderlandse bands melden zich voor de opnamesessies. Terwijl de oude kameraden elkaar begroeten en onder leiding van Stips samen gaan musiceren, loopt regisseur Marcel Goedhart de carrière van de multi-instrumentalist door: van Supersister via Golden Earring, Gruppo Sportivo, Sweet D’ Buster en The Nits naar Freek de Jonge.

Het bevalt Robert Jan Stips wel, die rol in ‘de subtop’. Op die manier heb je als muzikant een langer leven, meent hij. Misschien is het ook een manier om enigszins op afstand te blijven, ga je als kijker denken. Zeker als je vervolgens zijn dramatische familieverhaal krijgt te horen (dat Goedhart ondersteunt met enkele fraaie geanimeerde scènes). Met name de relatie met zijn vader, die in zijn hart misschien ook kunstenaar had willen zijn, maar zijn dagen sleet als ambtenaar, speelt Stips nog altijd parten. ‘Het vaderschap heb ik zelf moeten uitvinden. En daar ben ik ook niet altijd even goed in’, zegt hij. ‘Ik vind het lastig om heel warm te zijn naar het gezin toe. Dat zou wel warmer kunnen.’ Zelfs in de muziek is dat zo, constateert hij. ‘Misschien maak ik daarom ook wel andersoortige muziek dan blues of liefdesliedjes.’

Met die muziek heeft hij niettemin vrienden voor het leven gemaakt, in de Nederlandse muzikantenscene, maar ook ver daarbuiten. Met de internationaal vermaarde fotograaf en filmregisseur Anton Corbijn bijvoorbeeld, die zich nog goed kan herinneren hoe hij in 1973 als middelbare scholier een fotoshoot mocht doen met de band waarvan hij al enkele jaren fan was. Als tegenprestatie, vertelt hij met hartverwarmend enthousiasme, stelde Corbijn alles in het werk om vele jaren later de Supersister-evergreen She Was Naked een plek te geven in zijn debuutfilm Control. En dat viel weer in goede aarde binnen de internationale progrockscene, waarbinnen de eerste band van Stips – Arjay voor zijn Amerikaanse fans – nog altijd een cultstatus heeft.

Zo ontvouwt zich een liefdevol portret van een gewaardeerde muzikant, die op een gracieuze manier ouder en grijzer is geworden (al zijn die strakblauwe kijkers gebleven). En daarbij neem je de wat gekunstelde barscène met Bart Chabot, die natuurlijk ook op gedragen toon een punt mag zetten achter de film, over waarom die nederpoptovenaar nooit een Bekende Nederlander is geworden maar voor lief. Zou het misschien kunnen – in de oren van Hay- en Brood-adepten klinkt dat wellicht ongeloofwaardig – dat Robert Jan Stips ‘gewoon’ prettig bescheiden is (gebleven) en ervoor kiest om vooral via zijn instrumentarium te spreken?

Paris Is Burning

Janus Films

’Voguing is hetzelfde als twee messen tegen elkaar slijpen, maar dan in dansvorm.’ Voguen, later gepopulariseerd door Madonna, houdt weer verband met shade. ‘Dat is een dans door twee mensen die elkaar niet mogen. In plaats van vechten dans je het uit op de dansvloer. En diegene met de beste moves heeft de beste shade.’ Shade is op zijn beurt dan weer een vorm van reading, de kunstvorm van het beledigen. Zo kun je bijvoorbeeld tegen een ander zeggen: ‘Jij bent niet meer dan een uit de kluiten gewassen orang-oetan.’ Nog erger is echter wat onuitgesproken blijft: ik zeg niet dat je lelijk bent maar dat hoef ik ook niet te zeggen, want je weet dat je lelijk bent.

De wereld die in de documentaire Paris Is Burning (76 min.) uit 1990 wordt geportretteerd bestaat bij de gratie van codes, regels en competitie. Als buitenstaander heb je er niets te zoeken. Toch zou je kunnen betogen dat deze wereld zelf door louter buitenstaanders wordt bevolkt. In het New York van de jaren tachtig hebben homo’s, travestieten en transgenders, veelal afkomstig uit minderheidsgroeperingen, hun geheel eigen subcultuur ontwikkeld. Die wordt gekenmerkt door de zogenaamde ‘balls’, extravagante travestie-feesten waarbij allerlei huizen, met illustere namen als Saint Laurent, LaBeija en Ninja, voor het oog van een lekker vileine jury de strijd met elkaar aanbinden.

Het lijkt allemaal bedrieglijke oppervlakkig. Achter al dat uiterlijke vertoon gaan echter kwetsbare mensen schuil die al heel wat hobbels hebben moeten nemen in hun leven en nog de nodige obstakels op hun pad zullen treffen. De ballroom-scene biedt hen een veilige setting waarbinnen ze hun fantasie kunnen uitleven. Want uiteindelijk lijkt deze klassieke film van Jennie Livingston vooral te gaan over zelfacceptatie en zelfrespect. ’Ik heb drie dingen tegen’, zegt één van de hoofdpersonen nuchter. ‘Ik ben zwart, man en homo.’ Een ander, al even slecht bedeeld, houdt er heel traditionele toekomstdromen op na, over trouwen in het wit met de prins op het witte paard. Tot die tijd verricht het blonde tienermeisje van mannelijke origine, dat zich Venus Xtravaganza noemt, echter escortwerk en wacht ergens in een achterafsteegje het noodlot op haar. Want heeft elke klant door met wie hij te maken heeft?.

Deze documentaire, die werd bedolven onder de prijzen en in 2016 werd opgenomen in de National Film Registry van de Library Of Congress omdat-ie ‘culturally, historically, or aesthetically significant’ is, schildert op treffende wijze de flamboyante New Yorkse ‘drag queen’-cultuur van de jaren tachtig, waarbinnen allerlei veelkleurige paradijsvogels op hun eigen manier, soms met behulp van plastische chirurgie en geslachtsoperaties, hun eigen bereik verkennen en zichzelf proberen te vinden.

In de zomer van 2024 werd I’m Your Venus uitgebracht. In deze fijne nabrander van Paris Is Burning, gaan de broers van Venus Xtravaganza op zoek naar wat er is gebeurd met hun zus.

Fyre: The Greatest Party That Never Happened

Het had een soort Woodstock voor millennials moeten worden. Een zéér exclusief festival op Norman’s Cay, het voormalige eiland van drugsbaron Pablo Escobar op de Bahama’s, waar je een luxueuze villa kon huren, de beschikking zou krijgen over een eigen jacht of speedboot en he-le-maal uit je plaat kon gaan bij wereldberoemde artiesten als Major Lazer en Blink-182. En, o ja, je zou er zo’n beetje non-stop worden gefêteerd door topmodellen als Bella Hadid, Emily Ratajkowski en Rose Bertram.

‘We verkopen een droom aan gewone sukkels’, aldus organisator Billy McFarland, die nooit eerder een festival uit de grond had gestampt. De marketingcampagne voor het Fyre Festival, met al die modellen en de dikbetaalde steun van influencers als Kendall Jenner, was alvast een doorslaand succes. McFarland en zijn zakenpartner, hiphopper Ja Rule, zagen het al helemaal voor zich als ze samen het glas hieven: ‘Leven als filmsterren, feesten als rocksterren en… neuken als pornosterren.’

De snelle jongens hebben maar één probleem: nu moet er ook nog zoiets als een festival komen. Die klus wordt op zijn minst schromelijk onderschat (en is in het slechtste geval onderdeel van een serieus geval van list & bedrog). In de navolgende maanden voltrekt zich een organisatorische ramp, die tot een enorme anticlimax komt in het weekend dat het festival had moeten plaatsvinden. Chris Smith reconstrueert in Fyre: The Greatest Party That Never Happened (97 min.) met zowel medewerkers als festivalgangers hoe eerst een gigantische marketingzeepbel wordt gecreëerd, die vervolgens en plein publique uit elkaar spat.

‘Fyre was instagram dat tot leven kwam’, zegt Jillionaire, deejay van Major Lazer, erover. En daarmee is het festival meteen een uithangbord voor onze tijd, waarin imago regelmatig voor identiteit wordt versleten. Die attitude heeft Fyre eerst op de kaart gezet en vervolgens ten gronde gericht. Want toen het fiasco op de Bahama’s zich aftekende waren dezelfde influencers, die een enorme smak dollars hadden neergeteld om zich bij de happy few van het festival te voegen, er natuurlijk als de kippen bij om het evenement via de sociale media helemaal af te maken. En dat zorgde online natuurlijk weer voor het nodige leedvermaak.

Organisator Billy McFarland, die wordt beschuldigd van oplichting, komt zelf niet aan het woord in de Fyre-documentaire. Enkele dagen voordat de film afgelopen week werd uitgebracht door Netflix, pakte concurrent Hulu echter uit met een andere documentaire over hetzelfde thema (die ik overigens nog niet heb gezien): Fyre Fraud. En wie verschijnt daar wél voor de camera? Juist. De grote vraag daarbij: is McFarland betaald voor zijn bijdrage?

John & Yoko: Above Us Only Sky

Hoeveel documentaires zitten er in één enkel mensenleven? Willekeurig voorbeeld: Lennon, J.W. Geboren op 9 oktober 1940 in Liverpool, Engeland. Zanger, gitarist, acteur en – vooruit – liedjesschrijver. Gestorven op veertigjarige leeftijd op 8 december 1980 te New York, Verenigde Staten. Laten we eens kijken…

The Beatles: Destination Hamburg concentreert zich op de Duitse puberjaren van zijn popgroepje, The Beatles: Eight Days A Week – The Touring Years brengt daarna de eerste succesjaren in beeld en How The Beatles Changed The World buigt zich over de invloed die dat gezelschap zou hebben gehad. Zo ongeveer elke langspeler van deze muzikanten kreeg natuurlijk eveneens een eigen documentaire: Rubber Soul, Revolver, The White Album en – natuurlijk! – Sergeant Pepper’s Lonely Hearts Club Band. Zelfs de trouwe secretaresse van de groep, Good Ol’ Freda, werd tot heldin van haar eigen film gebombardeerd.

Na het verscheiden van zijn band leefde Lennon, J.W. overigens nog even door. Zijn periode in New York, activiteiten als anti-oorlogsactivist, de moordaanslag die hem het leven kostte en ’s mans allerlaatste interview zijn allemaal geboekstaafd voor de eeuwigheid. Voor de zekerheid verschenen er ook biografieën zoals Imagine over de man die anders, natuurlijk, al lang en breed vergeten zou zijn. U begrijpt dat dit bepaald geen uitputtend overzicht is. Hooguit een zeer willekeurige selectie. Één aspect verdiende in elk geval nog verdere uitwerking volgens regisseur Michael Epstein, die in 2011 al LennoNYC maakte: de totstandkoming van het soloalbum Imagine uit 1971 en de samenwerking met Lennons toenmalige echtgenote. Het resultaat luistert naar de naam John & Yoko: Above Us Only Sky (88 min.).

Met direct betrokkenen en Ono, Y. zelf worden de opnames in Lennons thuisstudio op Tittenhurst Park, onder leiding van producer Spector, H.P., gereconstrueerd, met bijzondere aandacht voor dat liedje over die jaloerse vent, het inmiddels best wel bekende titelnummer en een later uitgebracht klassiek kerstliedje. De invloed van zijn Japanse echtgenote mag daarbij niet worden onderschat, betogen diverse intimi die het wel eens zouden kunnen weten. Dat wordt ook zichtbaar. Het gehele proces is door een alerte cameraploeg en fotograaf vastgelegd. Als Lennon, J.W. een scheet zou hebben gelaten – wat bij een man van zijn kaliber nauwelijks is voor te stellen – dan was die beslist voor het nageslacht vastgelegd.

Zo is ook in beeld gevangen hoe Lennon, J.W. uitgebreid in gesprek gaat met een door hem geobsedeerde Vietnam-veteraan met PTSS, die plotseling aan de poort van zijn landgoed op het Britse platteland staat. ‘Verwar de songs niet met je eigen leven’, houdt Lennon hem voor. Deze Claudio laat zich echter niet zomaar uit het veld slaan: ‘Weet je nog dat je schreef: je kunt uitstralen en penetreren wat je wilt? Syndiceren wat je wilt.’ J.W. blijft nuchter: ‘Toen speelde ik wat met woorden.’ Sterker: het was Ono, Y. die ooit met de termen ‘radiate’ en ‘syndicate’ op de proppen kwam. De verwarde jongen mag naderhand echter gewoon mee-eten in huize Lennon. De innemende scène tekent het oog voor detail waarmee ook dit tamelijk belangwekkende hoofdstuk uit J.W. Lennons bestaan, en daarmee ook de wereldwijde popgeschiedenis, nu is gedocumenteerd.

Hoeveel documentaires zouden er overigens gaan in de mensenlevens van pak ’m beet J.F. Kennedy, C.M. Clay of E.A. Presley?

The Mother Of Beauty

Voordat ze hét sekssymbool van de twintigste eeuw werd, Andy Warhol haar beeltenis gebruikte voor een befaamde popart-serie en Marlene Dumas vervolgens van het icoon weer een kwetsbaar mens maakte in het ontluisterende schilderij Dead Marilyn, was Marilyn Monroe zomaar een ontheemd 19-jarige meisje dat roem en succes zocht. Op 2 augustus 1945 meldde ze zich bij het Blue Book Modeling Agency, een modellenbureau uit Hollywood dat ook de ‘blonde bombshell’ Jayne Mansfield zou voortbrengen.

‘Dougherty, Norma Jeane. Getrouwd’, noteerde eigenaresse Emmeline Snively over het toekomstige idool in haar Models Bluebook. ‘1,71 meter, 54 kilo, 91-61-86 cm, maat 42.’ Het aspirant-model betaalde Blue Book 25 dollar als inschrijfgeld, een flinke som geld in die tijd. ‘Ze droeg geen make-up, maar had een goede huid, mooie ogen en een mooi gebit. Zo zag ze eruit: haar haar was moeilijk in bedwang te houden. Haar gezicht wat te rond, maar ze zag er wel gezond uit. Opmerking: blonderen en permanenten aanbevolen.’

De tragische schoonheid Monroe is van een zekere afstand permanent aanwezig in documentaire The Mother Of Beauty (60 min.). Als de onbereikbare schoonheid die ze gaandeweg werd. Óók voor – en tot grote frustratie van – haar voormalige mentor Emmeline Snively. Deze film van Frank van Osch portretteert enkele andere Blue Book-glamourgirls van weleer, inmiddels dames van respectabele leeftijd. Ze zien er ‘voor hun leeftijd’ nog goed uit, constateren ze zelf. En dat willen ze weten ook.

Alles was gebaseerd op uiterlijk, zegt één van de mannelijke modellen uit de documentaire over de glamourwereld waarin hij opgroeide. ‘Als ik dik, klein en lelijk zou zijn geweest, had je me nu niet gefilmd.’ De man is inmiddels 86 en doet er alles aan om ‘handsome’ te blijven. ‘Mijn doel is om op mijn honderdste verjaardag nog steeds gewichten te heffen. Zou dat niet geweldig zijn?’ Hij herhaalt het, alsof hij opnieuw verrukt wordt door het idee, nog maar eens: ‘zou dat niet geweldig zijn?’

De wijsheid dat de werkelijke schoonheid toch echt van binnen zit komt dus niet per definitie met de jaren. Intussen schetst deze fraaie film met verve een wereld die bestaat bij de gratie van uiterlijk vertoon én de vergankelijkheid van schoonheid – van het leven in het algemeen.

Boom For Real: The Late Teenage Years of Jean-Michel Basquiat

Op weg naar een expositie moest je bij wijze van spreken over de lijken heen stappen. Intussen behandelde de kunst in de galerie die je daarna bezocht dan onderwerpen uit een wereld die je volledig wezensvreemd voorkwam. De politieke situatie in een Midden-Amerikaans land. Of de beslommeringen van mensen van middelbare leeftijd.

Het is een herkenbaar beeld dat één van de sprekers in Boom For Real: The Late Teenage Years Of Jean-Michel Basquiat (75 min.) oproept: de kunst van de gevestigde orde representeert op geen enkele manier meer de wereld waarin de volgende generatie leeft en jaagt daarmee automatisch een nieuwe kunststroming aan. Omdat ouwe lullen nu eenmaal weg moeten.

Deze documentaire van Sara Driver zoomt in op het New York van de jaren zeventig, dat met enorme hoeveelheden drugsgebruikers, daklozen en moorden nieuwe dimensies gaf aan het begrip stedelijk verval. De stad zou een ideale voedingsbodem blijken voor punkrock en de bakermat worden voor hiphop, met aanverwante uitingsvormen als breakdance en graffiti.

Binnen die laatste stijlvorm zou ook de neo-expressionistische kunstenaar Basquiat opkomen, dan nog als onderdeel van het duo SAMO, een verwijzing naar ‘same old shit’. Met zijn enigmatische straatpoëzie zou hij zich gaandeweg ontwikkelen tot één van de toonaangevende kunstenaars van het einde van de twintigste eeuw. Voordat heroïne hem definitief in zijn greep zou krijgen…

Deze film concentreert zich evenwel op de jaren dat Basquiat als een getalenteerde krabbelaar op zoek was naar zijn ideale uitingsvorm. Nog meer is het echter een documentaire over de underground-scene waarbinnen hij opgroeide. Filmmaker Jim Jarmusch, kunstenaar/hiphopper Fab 5 Freddy en talloze andere insiders belichten de wereld waarin zij hun stiel vonden.

De kunstenaar waaraan deze documentaire is opgehangen delft daarbij het onderspit. Jean-Michel Basquiat is na vijf kwartier nog altijd een vreemde voor de kijker. En ook zijn kunst en biotoop hebben geen nieuwe dimensie gekregen. Dat is al met al een teleurstellende conclusie. Boom For Real is daardoor vooral interessant voor mensen die sowieso al interesse hadden in de New Yorkse artscene.

Vrienten & Vrienten In Basmannen

Doxy

Henny ontvangt zijn zoon. Xander heeft een nieuwe bas meegebracht. Vader speelt het kenmerkende basloopje van Doris Day en constateert: ‘Ik mis bas.’ Hij probeert nog een stukje. Pesterig: ‘Nou, dan ga ik even een bas pakken.’ Even later, als Henny zijn eigen instrument bespeelt: ‘Hoor je hem? Dit is bas.’ Nu is het de beurt aan Xander om te stangen. ‘Dat is toch totaal over de top’, zegt hij tegen zijn vader. ‘Jij doet alsof het daarom gaat.’ Henny legt het nog één keer uit: ‘B.A.S.’ Hij laat een stilte vallen: ‘Bas.’

Ze lijken lijnrecht tegenover elkaar te staan, vader en zoon Vrienten. Kort door de bocht: Henny is van het gevoel, Xander van de techniek. Wat hen bindt is dat ene snaarinstrument. Vader werd er met Doe Maar een Nederlandse wereldster mee, zoon speelt de exemplarische dienende rol bij Jett Rebel. Want dat kleeft er aan de door hen zo geliefde basgitaar: hij wordt bespeeld door waterdragers, kleurloze types die nu eenmaal niets anders kunnen. Zoals je alleen keeper wordt als je niet kunt voetballen, gelden bassisten als mislukte gitaristen.

De delicieuze documentaire Vrienten & Vrienten In: Basmannen (54 min.), waarin Henny en Xander collega-bassisten zoals Rinus Gerritsen (Golden Earring; men neme bijvoorbeeld de signatuur-baslijn van Radar Love), Herman Deinum (Cuby And The Blizzards), Michel van Schie (Trijntje Oosterhuis), Glen Gaddum Jr. (Anouk), Gino Cochise (Sarah-Jane) en Hein Offermans (Guus Meeuwis) en zijn dochter Jasja (India Askin) bezoeken en met hen spreken over het vak, bewijst het tegendeel. Dit zijn rasmuzikanten. Als kinderen in een zéér exclusieve snoepwinkel bewonderen ze elkaars instrumenten. Soms mogen ze het zelfs vasthouden en eventjes bespelen.

Hoewel ze zich wel eens verliezen in name dropping en vakjargon is de liefde en trots (t-shirt: ‘like most musicians you’re following the bass player’) waarmee deze bassisten van verschillende muziekgeneraties over hun stiel vertellen onweerstaanbaar. Net als de blikken die ze in deze film van Joris Postema uitwisselen tijdens het samen spelen – of de irritatie als dat niet helemaal lekker loopt. Vakmanschap is meesterschap, vat Henny Vrienten, die de afgelopen jaren al in diverse fijne muziekdocumentaires floreerde, het gloedvol samen. Geschraagd door pure liefde voor het vak.

Deze muziekfilm, die thematisch een vervolg lijkt op de documentaire Gitaarjongens van Erik de Bruyn uit 2013, heeft in de wisselwerking tussen vader en zoon Vrienten een sterke troef. Xander had vroeger last van een soort Jordi Cruijff-complex, waardoor hij zich aanvankelijk puur op gitaar richtte. Niet vreemd: zijn vader geldt als één van Neerlands toonaangevende bassisten. Tot overmaat van ramp schreef hij ook nog eens de enorme hit Pa. De puber Xander speelde een bij voorbaat verloren wedstrijd. ‘Kap nou eens met die dad-issues en pak die bas aan’, beet een vriend hem uiteindelijk toe. En zo geschiedde.

Nu kan zoon zich als bassist moeiteloos meten met vader. Al zijn de verschillen gebleven. Als Xander aan Henny een jazzimprovisatie van een bassist en drummer laat luisteren, vraagt die na enige bedenktijd: ‘zouden ze elkaar horen?’ Ook voor zijn zoon heeft pa Vrienten nog wel wat vaderlijk advies: Xander moet gewoon de ‘noodzakelijke basnoten’ spelen, in plaats van ‘snarenfietsen’. En zo steggelen deze gezworen Basmannen vrolijk verder. Met elkaar, hun instrument (de b.a.s.) én de kijker, die onbedaarlijk zit te smullen.

Surviving R. Kelly

Lifetime

‘Age ain’t nothing but a number’, zong de vijftienjarige zangeres Aaliyah in 1994. ‘Take my hand and come with me. Let me show you to ecstacy. Boy be brave, don’t be afraid. Cause tonight we’re gonna go all the way.’ De hitsingle Age Ain’t Nothing But A Number werd geschreven door de twaalf jaar oudere Robert Sylvester Kelly, oftewel R&B-superster R. Kelly, met wie ze later dat jaar, zogenaamd als achttienjarige, kortstondig in het huwelijk zou treden. De affaire werd een flinke mediahype, die voor de man in kwestie verder geen serieuze consequenties had.

Een voorliefde voor jonge meisjes hoeft geen onoverkomelijke kwestie te zijn voor popsterren of rock & rollers. ‘I’ll do anything for my sweet sixteen, zong Billy Idol niet voor niets. Jerry Lee Lewis zag er ook geen kwaad in en trouwde zijn dertienjarige nichtje. ‘I can see that you’re fifteen years old’, sneerde Mick Jagger enige tijd later in de Rolling Stones-evergreen Stray Cat Blues. ‘No, I don’t want your ID.’ Zijn bandmaatje Bill Wyman, tegen de vijftig inmiddels, zou later de daad bij het woord voegen en werd verliefd op de dertienjarige Mandy Smith. Toen ze achttien was, konden ze trouwen. Net voordat het huwelijk stuk liep, trouwde Wymans oudste zoon nog met Smiths moeder.

Het tienersterretje Aaliyah is inmiddels al achttien jaar dood, in 2001 gestorven tijdens een vliegtuigongeluk. Haar voormalige echtgenoot R. Kelly kan zich zo langzamerhand gaan opmaken voor een bestaan als Robert K. De man, toepasselijke ‘survivor’-tattoo op de onderarm, waant zich al decennia onaantastbaar, maar het net begint zich nu toch echt te sluiten rond de glibber die een miljoenenpubliek wijs heeft gemaakt dat hij kan vliegen. De zesdelige televisiedocu Surviving R. Kelly (297 min.), waarvan Kelly uitzending heeft proberen te voorkomen, is een nieuwe nagel aan de doodskist van het seksuele roofdier, dat zich tot dusver door niets of niemand heeft laten kooien.

Sinds hij begin jaren negentig carrière begon te maken als zanger en songschrijver wordt R. Kelly omgeven door hardnekkige geruchten over seksueel misbruik. Volgens diverse getuigen in deze vet aangezette serie, volgepompt met slicke shots en dreigende muziekjes, hing hij als twintiger al geregeld rond op middelbare scholen, hongerig naar nieuw tienervlees. Sindsdien heeft Kelly zijn modus operandi alleen maar geprofessionaliseerd. Als een volledig oversekste rattenvanger van Hamelen, een imago dat hem ook als artiest wel past, is hij altijd op zoek gebleven naar ambitieuze zangeresjes, die goedschiks dan wel kwaadschiks hun carrière een zetje in de goede richting willen geven.

Ook z’n fans zijn niet veilig voor R. Kelly. Jerhonda Pace bijvoorbeeld is veertien als ze haar held in 2008 ontmoet bij de rechtbank, waar hij zich moet verdedigen vanwege het bezit van kinderporno, in het bijzonder een videotape waarop hij seks zou hebben met een minderjarig meisje. Jerhonda wordt bij hem thuis uitgenodigd. Ze is nog maagd. ‘Dat komt goed uit’, zou Kelly hebben gezegd. ‘Dan kan ik je zelf trainen en van je maagdelijkheid verlossen.’ Als het zover komt, is de zanger nog in de veronderstelling dat ze meerderjarig is. Hij laat zich echter niet ontmoedigen door haar identiteitsbewijs. ‘Blijf tegen iedereen zeggen dat je achttien ben’, zou hij haar hebben geadviseerd. ‘En gedraag je als 21.’

Alle getuigenissen in deze serie tezamen – van familieleden, medewerkers, journalisten, deskundigen, familieleden en talloze misbruikte meisjes, waaronder zijn ex-vrouw Andrea – schetsen een onthutsend beeld van R. Kelly als een ongelooflijke machtswellusteling, die jarenlang vrijelijk zijn gang mocht gaan en zijn eigen sekssekte kon stichten. Omdat zijn hele entourage, die wel degelijk op de hoogte was van Kellys lopende band met véél te jonge meisjes en de gretige afname daarvan door ‘daddy’ zelf, besloot om niet in te grijpen, de lippen stijf op elkaar te houden en eventuele geruchten erover de kop in te drukken. Ook toen er geweld, videocamera’s en gevangenschap aan te pas kwamen.

Die attitude is in zekere zin nog altijd in Surviving R. Kelly te herkennen. Waar in vrijwel elke muziekdocu een hele trits popsterren zijn licht over de hoofdpersoon laat schijnen, telt deze er welgeteld één: John Legend. Anderen wilden (of durfden) blijkbaar hun vingers nog altijd niet te branden aan de dirty old man van de zwarte Amerikaanse muziek, die een volledig verknipte relatie met seksualiteit lijkt te hebben (gekregen). Het gevolg is een #metoo-kwestie in het kwadraat, waarvoor deze gelikte en erg lange documentaireserie, inclusief bevrijdingsactie met verborgen camera, een enorme berg bewijsmateriaal overlegt aan het grote publiek, dat nu voor ‘judge’ en ‘jury’ mag fungeren.

Robert K. ontkent, natuurlijk, alles. Ook in Surviving R. Kelly Part II: The Reckoning.

Struggle: The Life And Lost Art Of Szukalski

In 1971 stuit de Amerikaanse kunstverzamelaar Glenn Bray op een expressionistische tekening van Copernicus, gemaakt door een onbekende kunstenaar waarvan hij enkele jaren eerder toevallig al eens een indrukwekkend boek heeft gekocht. Stanislav Szukalski, de naam is hem verder onbekend. De man, dik in de tachtig inmiddels, blijkt enkele kilometers verderop te wonen. Bray neemt contact op en raakt bevriend met de hoogbejaarde excentriekeling, die hij al snel begint te zien als een vergeten genie. Hij besluit ‘Stas’ te gaan filmen.

‘Szukalski was de Michelangelo van de twintigste eeuw’, zegt Ernst Fuchs, oprichter van de Weense School Van Fantastisch Realisme in Struggle: The Life And Lost Art of Szukalski (105 min.). Schrijver en uitgever George DiCaprio (ja, de vader van) noemt hem ‘de grootste autodidact van onze tijd’. En schilderes Natalia Fabia zegt: ‘Hij was een soort punkrocker die het niets kon schelen wat anderen dachten.’ In de jaren zeventig leeft deze belangrijke kunstenaar echter in totale anonimiteit in een klein huisje in Californië. Gaandeweg verzamelt zich rond hem een groepje devote kunstliefhebbers, dat zich afvraagt wat er in hemelsnaam mis is gegaan met Szukalski.

Stapsgewijs, met cliffhangers en valkuilen, doet regisseur Irek Dobrowolski uit de doeken wat er is gebeurd met de dwarse beeldhouwer, schilder en tekenaar (die er nog altijd niet voor terugdeinst om andere kunstenaars uit te maken voor ‘fartist’). In dat opzicht doet de film denken aan succesvolle documentaires als Finding Vivian Maier en Searching For Sugar Man, die een kunstenaar en zijn werk toegankelijk maken via een spannende vertelling. Bij Szukalski ligt de crux van zijn verhaal in vaderland Polen, zo betoogt historicus Timothy Snyder (On Tyranny/The Road To Unfreedom), waar de kunstenaar enkele zwarte bladzijden aan zijn oeuvre toevoegde – en waar hij tegenwoordig, in bepaalde kringen, weer opvallend populair is.

The Kinks: Echoes Of A World

The Kinks / Alamy

Volgens Ray Davies is het album ‘de meest succesvolle flop aller tijden’. Het duurde in elk geval een halve eeuw voordat er 100.000 exemplaren waren verkocht van The Kinks Are The Village Green Preservation Society, de zesde studioplaat van zijn band uit 1968. Zanger en songschrijver Ray, zijn gitarende broer Dave en drummer Mick Avory blikken in The Kinks: Echoes Of A World (71 min.) terug op het laatste album dat ze in de originele bezetting van de band maakten.

Ze worden vergezeld door het gebruikelijke contingent aan musicerende bewonderaars, zoals Paul Weller (The Jam), Suggs (Madness) en Graham Coxon (Blur), dat zich, ook al zoals gebruikelijk, in louter superlatieven uitlaat over The Kinks en dit conceptalbum in het bijzonder, dat toentertijd desondanks geen enkele hitsingle opleverde. ‘Het is net zo belangrijk als Sergeant Pepper’, stelt Oasis-spil Noel Gallagher, die de plaat vergelijkt met de Beatles-klassieker. ‘Voor mij is het een soort vervolg.’ En stuk voor stuk zouden deze beroemde fans zich zelf ook schuldig maken aan eigen ‘vervolgen’ op het Kinks-oeuvre.

‘We waren niet de beste band die er ooit bestond’, blijft de bewierookte songschrijver Ray Davies nochtans bescheiden. ‘Maar we hadden momenten waarop we de hele wereld aankonden.’ Deze eikenhouten televisiedocumentaire van Charlie Thomas gebruikt het welbekende Classic Albums-stramien, waarin een klassieke popplaat track voor track wordt doorgenomen, om de schijnwerper te zetten op één van die momenten. Toen de wereld nog niet klaar leek voor wat de typisch Britse Kinks hadden te bieden.

Thomas’ enige echt opmerkelijke keuze komt in de gedaante van acteur Danny Horn, die in de succesvolle musical Sunny Afternoon een jonge Ray Davies vertolkte en nu op camera diens herinneringen verwoordt aan de langspeler waarmee hij de (imaginaire) wereld van zijn jeugd opnieuw tot leven wekte. Die toevoeging voelt uiteindelijk wat als een fremdkörper in een verder heel traditioneel opgezette popdocu.

McQueen

Alexander. Alexander McQueen. Niet: Lee. Lee McQueen. Eigenlijk zit alles daar al in. Lee, de wat dikkige jongen uit de Londense volkswijk Stratford, werd de gevierde modeontwerper Alexander. Een punker die de modewereld op zijn grondvesten deed schudden met macabere/intrigerende/smakeloze (*) shows als Jack The Ripper Stalks His Victims en Highland Rape. Zijn werk was persoonlijker dan menigeen toen vermoedde. Alexander probeerde simpelweg het bloeden van Lees hart te stelpen.

Bij televisie-interviews wilde diezelfde McQueen (de c is in het bijbehorende logo als een copyrightsymbool in de Q verstopt) intussen niet met zijn gezicht in beeld. Terwijl hij de modewereld vol in het kruis schopte had de modehooligan, getuige een treffende anekdote uit de barokke biopic McQueen (111 min.), vaak geen cent te makken. Hij leefde enige tijd zelfs van een uitkering. En die kon hij wel eens kwijtraken als ze erachter kwamen dat hij zich met zijn hele ziel en zaligheid op mode had gestort.

Alexander McQueen maakte stormachtig carrière. Op 26-jarige leeftijd werd hij hoofdontwerper bij het Franse modehuis Givenchy, zes jaar later volgde een overstap naar Gucci. ‘Hij was de koningin, met heel veel werkbijen die op zijn signalen reageerden’, zegt zijn neef daarover. ‘En iedereen voelde dat.’ Maar gelukkig werd hij er niet van. En ook met een liposuctie en overdadige hoeveelheden coke kreeg hij de razernij in zijn lijf niet beteugeld. Die zat te diep en zou hem naar zijn onvermijdelijke ondergang drijven. Op veertigjarige leeftijd, een zelfverkozen einde.

Het is een verhaal dat al duizenden malen eerder is verteld – het getroebleerde talent dat zichzelf willens en wetens naar de verdommenis helpt – maar niet heel vaak beter of meeslepender. De filmmakers Ian Bonhôte en Peter Ettedgui zetten Alexanders levenswerk vol in het licht en versnijden dat met archiefmateriaal en interviews met de man zelf en intieme gesprekken met de mensen die ertoe deden in zijn turbulente bestaan.

De vlekkeloze vertelling, een soort modevariant op Amy, is vervolgens aangekleed met de heerlijk overdadige muziek van Lees favoriete filmcomponist Michael Nyman. Het is een film die je na bijna twee uur leeg en toch volledig verzadigd achterlaat.

(*) doorhalen wat niet van toepassing is

Hearts Of Darkness: A Filmmaker’s Apocalypse

Zoetrope

‘Mijn film is geen film. Hij gaat niet over Vietnam, hij ís Vietnam’, zegt regisseur Francis Ford Coppola met gevoel voor drama bij de persconferentie voor zijn film Apocalypse Now op het festival van Cannes in 1979. ‘Zo was het echt. Het was gekkenwerk. De manier waarop we hem maakten is vergelijkbaar met de manier waarop de Amerikanen zich gedroegen in Vietnam. We waren in de jungle, we waren met te veel en we hadden te veel geld en apparatuur. En langzaam maar zeker werden we gierend gek.’

Orson Welles beet zich al eens stuk op het boek Heart Of Darkness van Joseph Conrad. Coppola, helemaal vol van zichzelf na het immense succes van zijn twee Godfather-films, liet zich daardoor niet weerhouden. Hij zag in de aardedonkere klassieker een prima gelegenheid om zijn bedrijf Zoetrope nieuw leven in te blazen. John Milius had het onverfilmbare verhaal enkele jaren daarvoor al in een scenario gegoten. Gesitueerd in een actueel decor bovendien, de Vietnam-oorlog. En dus vertrok de sterregisseur met zijn crew naar de Filipijnen voor wat zijn grootste film moest worden. Coppolas vrouw Eleanor mocht mee om een making of-docu te maken. Ze weet nog altijd niet of haar echtgenoot geen zin had in nóg een professionele filmcrew of haar gewoon bezig wilde houden.

Hoogmoed komt voor de… triomf. Uiteindelijk, tenminste. Eleanor Coppola legde de voorafgaande val van haar man echter genadeloos vast. Ze nam zelfs stiekem privégesprekken met hem op, oorspronkelijk bedoeld voor een productiedagboek. De documentaire-opnamen en interviews zouden jarenlang ongebruikt blijven totdat Eleanor ze overhandigde aan Fax Bahr en George Hickenlooper. Zij strikten de voornaamste hoofdrolspelers voor een interview, onder wie het echtpaar Coppola en de acteurs Martin Sheen, Robert Duvall, Frederic Forrest, Dennis Hopper en Sam Bottoms (die bekent dat hij tijdens de filmopnames hasj, LSD en speed heeft gebruikt en regelmatig onder invloed voor de camera stond) en lieten mevrouw Coppola een verbindende voice-over inspreken. Het resulteerde in 1991, vijftien jaar na de start van de filmopnames voor Apocalypse Now, in de klassieker Hearts Of Darkness: A Filmmaker’s Apocalypse (96 min).

De documentaire brengt de desastreuze filmopnames en het onttakelingsproces bij Coppola zelf haarscherp in beeld. Na slechts een week filmen besluit de regisseur bijvoorbeeld al zijn hoofdrolspeler te vervangen. Harvey Keitel blijkt niet zijn gedroomde captain Willard, Martin Sheen des te meer. Zoals hij tijdens een bloederige scène, stomdronken opgenomen op diens 36e verjaardag, feilloos aantoont. Maar Sheen brengt ook problemen met zich mee. En die heeft Francis Ford Coppola al zoveel: een rammelend script, door tropische regens verwoeste filmlocaties en een peperdure ster, die voor drie weken werk een honorarium van maar liefst drie miljoen dollar heeft bedongen. Ondanks een voorschot van een miljoen weigert Marlon Brando echter mee te denken over wanneer hij naar de Filipijnse jungle afreist. En als hij uiteindelijk toch arriveert in Coppola’s creatieve chaos, blijkt de man zijn tekst niet te kennen. Sterker: heeft de zwaarlijvige acteur Heart Of Darkness eigenlijk wel gelezen?

‘Deze film is een ramp van twintig miljoen dollar’, vertrouwt de regisseur zijn vrouw toe als hij de wanhoop allang voorbij is. ‘Ik denk erover om mezelf dood te schieten.’ Apocalypse Now, een ‘journey into self’ voor Coppola, een confrontatie met zijn eigen ambities en angsten, dreigt een ongelooflijk debacle te worden. ‘Apocalypse When?’ en ‘Apocalypse Forever’, koppen de media al als de draaiperiode, achteraf bezien, nog maar halverwege is. Coppola zinkt intussen zienderogen weg in zijn eigen moeras. Hij zal uiteindelijk 238 filmdagen nodig hebben. Tegen alle verwachtingen in is het resultaat er echter naar: een zinnenprikkelende filmklassieker die de complete gekte van oorlog belichaamt en die bovendien een intrigerende documentaire heeft opgeleverd, die perfect past in de prachtige traditie van films over geniale gekken aan het werk, die eerder docu-evergreens over Werner Herzog (Burden Of Dreams), Terry Gilliam (Lost In La Mancha) en – juist – Orson Welles (They’ll Love Me When I’m Dead) heeft opgeleverd.