Skip danst. Dat is leuk. Erg leuk zelfs. Maar ook lastig. Want Skip is een jongen. En veertien. Hij wil stoer zijn. En toch dansen. Met zijn vrienden. De Rhythm Rangers. Geen mietjes hoor. Gewoon dansende jongens.
Nu moeten ze voguen. Vo-gu-en. Wie heeft dat nu weer bedacht? Ze zijn toch geen mietjes? Gewoon jongens hoor. Die toevallig willen dansen. En stoer zijn. En veertien. En Skip heten. Ja, rare naam, hè?
Gepest is-ie ermee. Skip. Wie verzint zoiets? Het maakt hem niks uit. Echt niet. Ze krijgen hem niet klein. Beslist niet. Voguen zal hij! Wat ze er ook van zeggen. Want dat zullen ze. Vast en zeker. Hij lijkt zo net een meisje.
In deze fijne jeugddocu. Van Olivier Garcia. Vlot en filmisch. En toch met inhoud. Veertien jaar in veertien minuten. Bijna vijftien. De belangrijke dingen. Over zelfvertrouwen. Pesten. En desondanks gewoon dansen. Stoer zijn. Een jongen. Skip.
Als je hem ziet staan hakken op dat hardcorefeest, te midden van al die strakke koppen, doet niets vermoeden dat Matthijs Wognum over een onvermoed muzikaal talent beschikt. Hij oogt als een archetypische gabber: kaalgeschoren kop met staartje, een flinke tribal-tattoo op de rechterschouder en gekleed in dat typische hardcore-uniform (een Australian-pet, Lonsdale-shirt en Thunderdome-jas).
In een muziekwinkel wordt de veertiger ineens een ander mens. Hij bespeelt de vacante vleugel alsof zijn leven ervan afhangt – en dat zou ook zomaar het geval kunnen zijn. Zijn jongere vriend René ziet alleen weinig in zo’n bakbeest in de kamer. En hij weet als geen ander hoe gefrustreerd Matthijs kan raken tijdens het piano spelen. ‘Max, hou je bek dicht!’, schreeuwt hij even later tegen zijn huisdier als het niet wil lukken. ‘Godverdomme, kuthond!’ Het komt uit de grond van zijn hart. Want de oudere jongere wil niet zomaar spelen. Hij jaagt zijn jeugddroom na.
In de observerende documentaire Wognum (54 min.) zit de 27-jarige Tim Bary de aspirant-pianist negen maanden lang héél dicht op de hielen. Als een zeer opmerkzame vlieg op de muur legt hij vast hoe Matthijs rücksichtslos voor zichzelf kiest. Eindelijk!, vindt hij zelf. ‘Iedereen kan even de touwtyfus genieten, om het heel egoïstisch te zeggen’, beweert de aspirant-pianist als hij heeft besloten om de vleugel tóch aan te schaffen. Terwijl hij ongeduldig staat te wachten totdat het ding wordt afgeleverd, komt René aangelopen. ’Ah, daar hebben we de directie’, klinkt het vijandig.
Matthijs laat zich deze tweede kans beslist niet afnemen – of hem dat nu zijn geliefde kost of niet. In deze fraaie, persoonlijke film, waarmee Bary afstudeerde aan de Hogeschool voor de Kunsten Utrecht, is te zien hoe hij zichzelf heruitvindt als concertpianist en alle schroom van zich afspeelt. Intussen worden de vooroordelen, die serieuze muziekliefhebbers wellicht hadden over de overjarige gabber die zonodig klassiek piano moet spelen, kneiterhard verpulverd, maar kan zijn relatie elk moment onder de druk bezwijken.
De oudere man die zij kende als haar zorgzame en grappige vader, kreeg nauwelijks meer erkenning voor zijn werk. In vroeger tijden was hij echter een belangrijk man geweest. Hij schreef het baanbrekende toneelstuk Death Of A Salesman, leverde dapper strijd met het McCarthyisme en trouwde met de meest begeerde vrouw van zijn tijd, Marilyn Monroe. En dus besloot Rebecca Miller een postuum portret te maken van Arthur Miller – Writer (100 min.).
Als dochter had de filmmaakster natuurlijk ongelimiteerd toegang tot de vermaarde (toneel)schrijver, die in 2005 op 89-jarige leeftijd is overleden. Gedurende de laatste jaren van zijn leven heeft Rebecca Miller haar vader uitgebreid geïnterviewd. Daarin bevraagt ze hem echter zoals een reguliere interviewer, die is geïnteresseerd in zijn opmerkelijke levenswandel en loopbaan. Pas later in de film volgt een meer persoonlijke insteek – de olifant in de kamer van de familie Miller bijvoorbeeld, waar ook deze film grotendeels omheen loopt. Een gemiste kans, letterlijk.
Het boeiendst wordt de film als Arthur Miller vertelt over zijn ervaring met The House Committee On Un-American Activities. Nadat zijn vriend, de befaamde filmregisseur Elia Kazan, ervoor kiest om onder druk namen te noemen van mensen die hij ontmoette bij de Communistische Partij, besluit Miller een toneelstuk te schrijven over de jacht op heksen In het zeventiende eeuwse Salem, The Crucible. De analogie ontgaat ook de ultieme communistenjager Joe McCarthy niet en Miller moet eveneens voor de commissie verschijnen om zijn (voormalige) vrienden te verraden.
Inmiddels is hij gehuwd met de getormenteerde Marilyn Monroe, die eigenlijk niet met zichzelf kan leven – laat staan met een ander – en daarom haar toevlucht zoekt tot allerlei verdovende middelen. ‘Zo iemand valt niet te begrijpen’, stelt Miller somber tegen zijn dochter. Hij valt even stil. ‘Verschrikkelijk!’ De met raadselen omgeven dood van de blonde femme fatale laat hem enkele decennia later nog altijd niet koud. Hij heeft haar niet kunnen redden. Wat hij ook heeft geprobeerd.
Gewond heeft hij zich daarna op een nieuw toneelstuk en een nieuwe relatie gestort, met de moeder van Rebecca. Zijn dochter uit dat huwelijk beschikt duidelijk niet over zo’n karakteristieke stem als Arthur Miller zelf. In deze tamelijk conventionele film houdt ze zich veelal op de vlakte en laat ze andere familieleden en Arthur zelf, via stukken uit zijn door hemzelf ingesproken autobiografie, het werk doen. Een persoonlijkere benadering, van dochter tot vader, had deze wat veilige documentaire beslist goed gedaan.
Bill Murray heeft de afwas gedaan tijdens ons huisfeest. Bill Murray nam me mee naar een belangrijke honkbalwedstrijd. Bill Murray stond vanavond achter de bar in mijn stamkroeg. De Amerikaanse acteur, ster van klassieke Hollywood-comedy’s als Stripes, Ghostbusters en Groundhog Day, is onderwerp van tal van zogenaamde ‘urban legends’. Hij duikt overal op, in het leven van gewone Amerikanen, en steelt dan de show, zonder ook maar iemand tekort te doen.
Er zijn talloze filmpjes van aanstekelijke Murray-sightings. Die inspireerden regisseur Tommy Avallone tot The Bill Murray Stories: Life Lessons Learned From A Mythical Man (71 min.), een zoektocht naar de ziel van de dolkomische droogkloot, die met Lost In Translation aantoonde dat hij ook een geweldige acteur is. In contact komen met Murray is nog niet zo eenvoudig. Hij heeft naar verluidt geen management of een belangenvertegenwoordiger. De enige ingang die Avallone vindt is een voicemail, maar welke boodschap spreek je dan in?
De pogingen van de filmmaker om de juiste toon te vinden voor het benaderen van de enigmatische acteur/komiek vormen de rode draad van deze documentaire, die verder volledig bestaat uit gesprekken met ‘average Americans’ over hun ontmoeting met de aimabele beroemdheid. ‘Hij is als een kandelaar’, probeert een man, die erbij was toen de zo gewoon gebleven Bekende Amerikaan de tamboerijn ter hand nam tijdens het optreden van een lokaal bandje, het fenomeen Bill Murray te duiden. ‘Als je de kaars aansteekt, licht de hele ruimte op.’
En als Murray het toevallige toneel dat hij zojuist met pure levensvreugde heeft vervuld na verloop van tijd weer verlaat, schijnt hij de verblufte omstanders snaaks toe te vertrouwen: ‘No one will ever believe you.’ Écht wel, het bewijs staat binnen de kortste keren op YouTube. Wat de man zijn gevolg met al die gastoptredens wil meegeven, blijft evenwel ongewis. Zijn het inderdaad diepmenselijke pleidooien om ‘het moment’ te grijpen? Of blijken al die filmpjes – en wellicht ook deze documentaire – straks gewoon doorgestoken kaart? Ze zorgen in elk geval voor een heuse Bill Murray-cultus.
Het idee voor deze film over de man en de mythe Bill Murray is echter beter dan de uitwerking ervan. Want waar leiden al die gesprekken met Murray-omstanders nu werkelijk toe? Is het meer dan heldenverering of een vermakelijke uiting van de Amerikaanse celebrity-cultuur, waarbij elke toevallige ontmoeting met een bekendheid direct tot een Hosanna-stemming leidt en moet worden vastgelegd voor het nageslacht? Ik ben geneigd te zeggen: nee.
Daar komt bij dat Avallones pogingen om met de bewierookte acteur in contact te komen weinig geloofwaardig zijn en het geheel is overgoten met een typisch Amerikaans sausje. Want van The Bill Murray Stories: Life Lessons Learned From A Mythical Man moet natuurlijk ook – de titel zegt het al – een les worden geleerd. De moraal van dat verhaal? Vraag jezelf voortdurend af: wat zou Bill Murray doen in deze situatie?
De film vroegtijdig afzetten, vermoedelijk. En vervolgens direct op zoek gaan naar een nieuwe party om te crashen…
Hij behoort zonder twijfel tot de grootste filmmakers aller tijden. Voor cinefielen is Stanley Kubrick zowat een halve godheid. Hij gedroeg zich op de filmset en daarbuiten ook regelmatig als zodanig. De man kon een ongelofelijke charmeur zijn, maar boezemde tevens angst in en verlangde van zijn medewerkers, onderdanen bijna, totale overgave. Voor Kubrick telde elk detail. En dat zou zijn omgeving weten. Goedschiks dan wel kwaadschiks.
‘Het leek alsof hij erop wachtte totdat je iets verknalde’, vertelt actrice/regisseuse Lisa Leone. ‘Hoeveel je ook gaf, hij wilde altijd meer en meer en meer. En zo werd Leon uiteindelijk helemaal opgevreten.’ Leon is Leon Vitali, een verdienstelijke Britse acteur die halverwege de jaren zeventig een rol scoorde in Kubricks film Barry Lyndon en vervolgens als een soort rechterhand, manusje van alles en allround-voetveeg in diens entourage bleef hangen. Samen werkten ze aan filmklassiekers als The Shining,Full Metal Jacket en Eyes Wide Shut.
In de documentaire Filmworker (94 min.) stapt Vitali, die na zijn ontmoeting met Kubrick vreemd genoeg nog maar zelden acteerde, uit de schaduw van de al bijna twintig jaar geleden overleden regisseur. In zekere zin, tenminste. Want hoewel deze film van Tony Zierra officieel een portret is van ‘s mans favoriete waterdrager, de centrale figuur is en blijft Stanley Kubrick zelf. Vitali lijkt er vrede mee te hebben. Hij vindt het nog altijd een ongelofelijke eer dat hij heeft mogen werken voor ‘de meest briljante en fantastische filmmaker van de twintigste eeuw’.
Dat is ook een beetje de makke van deze anekdotische documentaire. Ondanks talloze verhalen van medewerkers aan Kubricks film over hoe de regisseur maniakaal aan zijn films werkte en Vitali zich ondertussen volledig wegcijferde, krijgt het hoofdpersonage nooit echt kleur op de wangen. Filmworker doet geen serieuze poging om te begrijpen waarom hij zijn eigen ambities aan de kant heeft geschoven ten faveure van zijn heer en meester, maar beperkt zich grotendeels tot alleraardigste inkijkjes bij de films die ze samen hebben gemaakt – en het werk dat dit vervolgens opleverde voor Vitali.
Enigszins oneerbiedig zou je American Dharma (98 min.) een Doomsday-variant op Zomergasten kunnen noemen. Steve Bannon is de gast en heeft de fragmenten uitgezocht. Interviewer Errol Morris probeert het achterliggende verhaal te vinden. En wij, de argeloze kijkers, vergapen ons aan het zinderende steekspel dat zich intussen ontvouwt tussen de mastodonten. Met die vergelijking wordt dit tweegesprek, dat op glorieuze wijze is aangekleed, echter schromelijk tekort gedaan.
Nadat hij eerder de architecten van de Vietnam-oorlog (Robert McNamara in The Fog Of War) en de Irak-oorlog (Donald Rumsfeld in The Unknown Known) portretteerde, neemt Morris nu de ontwerper van de oorlog om de ziel van het hedendaagse Amerika onder vuur. De man die als geen ander het Trumpisme en de (fatale) filosofieën daarachter kan verwoorden. Bannon put daarvoor ongegeneerd uit klassieke Amerikaanse heldenverhalen en plaatst zichzelf en passant ook in die traditie.
American Dharma is gelardeerd met fragmenten uit zijn favoriete speelfilms, zoals Twelve O’Clock High, The Searchers en Bridge On The River Kwai. Over rechtschapen mannen, die vanuit puur plichtsgevoel en zonder al te veel woorden recht proberen te doen. Dharma, volgens Bannon. De oud-hoofdredacteur van Breitbart, het Amerikaanse voorbeeld van GeenStijl, en voormalige topadviseur/ideoloog van Donald Trump spiegelt zich aan ‘all American heroes’ als John Wayne en Gregory Peck. Al lijkt zijn eigen ambitie, de totale destructie van het huidige maatschappijmodel, haaks te staan op de nobele doeleinden van deze iconen.
Morris geeft Bannon de ruimte om zijn ideeën uit de doeken doen – een platform, volgens critici – en zet hem slechts een enkele keer de duimschroeven aan. Als de filmmaker bekent dat hijzelf op Hillary Clinton heeft gestemd bijvoorbeeld, om te voorkomen dat gekken zoals Bannon aan de macht komen. Of als hij Trump provocerend de ‘fuck you’-president noemt. In de trant van: jij wilde gezondheidszorg? Fuck you. Je wilde schoon drinkwater? Fuck you. Bannon lacht de beschuldigingen minzaam weg – en lijkt ook daarmee weg te komen. Je zou bijna gaan denken dat er inderdaad, zoals Morris stelt in de film, een ‘good Bannon’ achter de inmiddels welbekende ‘bad Bannon’ zit.
Zoals inmiddels gebruikelijk heeft Errol Morris het gesprek lekker tegendraads gekadreerd en gemonteerd, waardoor het nooit voelt als een normaal huis-, tuin- en keukeninterview. Ook de dramatische setting ervan, een duistere vliegtuigloods die rechtstreeks uit Bannons favoriete oorlogsfilm Twelve O’Clock High afkomstig lijkt te zijn, en de lekker bombastische muziek dragen bij aan de unheimische sfeer van deze urgente film. Die culmineert uiteindelijk in een apocalyptische eindscène, waarmee de politiek van de verschroeide aarde die Bannon propageert overweldigend wordt verbeeld.
In de observerende documentaire The Brink volgt Alison Klayman Steve Bannon naar achterafkamertjes in de Verenigde Staten, waar de populistische revolte (verder) gestalte moet krijgen. Ze reist ook mee naar Europa, waar Bannon vergaande samenwerking tussen nationalistische partijen uit verschillende landen hoopt te bewerkstelligen.
Ze veroordeelden zichzelf tot elkaar. Werner Herzog en Klaus Kinski, de regisseur en zijn muze. Twee metershoge ego’s die elkaar over de hoogste toppen trokken en door de diepste dalen sleurden. Voor grote kunst was werkelijk alles geoorloofd. Samen maakten de Duitse geweldenaars vijf speelfilms, met Fitzcarraldo uit 1982 als absoluut hoogtepunt. Over een man die (bijna) net zo bezeten is als Herzog en Kinski zelf.
Het loodzware opnameproces van die film, waarbij Herzog niet alleen met Kinski maar ook met Murphy en zijn vermaledijde wet van doen kreeg, werd door regisseur Les Blank vereeuwigd in de making of-documentaire Burden Of Dreams. Herzog en zijn crew raken verzeild in een grensoorlog tussen Peru en Ecuador, krijgen te maken met weerbarstige natuurpracht en, oh ja, moeten ook nog een gigantische boot over een berg zien te slepen. Tot overmaat van ramp wordt hoofdrolspeler Jason Robards ziek. Hij moet, net als zijn beoogde sidekick Mick Jagger, afhaken. ’Ik leef mijn leven of beëindig mijn leven met dit project’, zet Herzog tijdens de opnames zijn hakken ferm in het zand.
Enter de helblonde ridder in het witte pak: Klaus Kinski. Volgens eigen zeggen – tenminste in de versie van sein Freund Werner – wist Klaus altijd al dat Hij de enige echte Fitzcarraldo was. Als een goedlachse redder in nood arriveert hij in de afgelegen Zuid-Amerikaanse jungle die Herzog in een optimistische bui heeft uitgezocht voor zijn film. En waar Klaus komt, komen problemen. Toch? Het is echter vooral de gekte van Herzog zelf die Les Blanks observerende documentaire domineert. Hij jaagt zijn eigen droom na. Ten koste van alles en iedereen. Vier jaar lang. Het neurotische gedrag van de acteur valt daarbij volledig in het niet.
Na Kinskis dood in 1991 schetste Herzog in 1999 in de documentaire Mein Liebster Feind (95 min.), evenwel een heel ander beeld van het enfant terrible Klaus Kinski – en daarmee en passant ook van zichzelf. Want Werner Herzog is natuurlijk een man die zichzelf héél erg graag hoort praten. Dat hebben vrijwel al zijn documentaires met elkaar gemeen. In deze ode aan zijn geliefde Nemesis bezondigt hij zich nu eens niet aan Engels met een Duitse tongval, maar houdt hij het bij zijn moedertaal. De regisseur is nochtans erg lang van stof, ook als hij andere medewerkers aan zijn films over Kinski interviewt, en zit de voortgang van de docu soms in de weg. Hij heeft wel oorspronkelijke gedachten.
Erg positief is Herzog verder niet over zijn favoriete leading man. Een egomaniak was het, die bij het minste of geringste gigantisch kon uitvallen. Buiten elke proportie. Dat laat hij ook met liefde en plezier zien. Bijvoorbeeld als Klaus Kinski tijdens de opnames voor Fitzcarraldo een wezenloze woedeaanval krijgt en een lid van de filmcrew helemaal stijf scheldt omdat het eten niet te vreten zou zijn. Die scène heeft Burden Of Dreams vreemd genoeg niet gehaald. Naderhand hebben enkele indiaanse figuranten hem nog aangeboden om Kinski van kant te maken, beweert Herzog. De filmmaker liep volgens eigen zeggen zelf ook een tijdje met moordplannen rond, bekent hij in deze intrigerende documentaire. Of hij daarmee de onbetwiste waarheid vertelt of op zijn eigen verknipte wijze aan mythevorming doet? Wie zal het zeggen?
En is Mein Liebster Feind een eerbetoon of juist een afrekening? Beide waarschijnlijk. In zijn autobiografie had Kinski op zijn beurt ook weinig positiefs te melden over Herzog (die nu beweert dat hij de acteur daarvoor hoogstpersoonlijk enkele scheldwoorden heeft ingefluisterd). Uiteindelijk, hun gezamenlijke werk overziend, overheerst echter een zekere mildheid. Elke grijze haar op mijn hoofd noem ik Kinski, vertelt Herzog tijdens een gesprek met zijn voormalige cameraman. De filmmaker lacht erbij. Ondanks alles mist hij zijn dierbare vijand…
Ah nee, moet ik echt over Amerika vertellen? The Sex Pistols? Niet weer! Dat kun je toch wel uit de archieven halen? Ex-echtgenoot Malcolm McLaren? Daarvan raakte ik ‘intellectueel verveeld’. Met zichtbare tegenzin laat Vivienne Westwood zich door regisseur Lorna Tucker door haar eigen leven en werk leiden. Voor de Britse modeontwerpster, inmiddels dik in de zeventig, blijft het adagium ‘the best is yet to come’. Steeds weer.
Westwood: Punk, Icon, Activist (80 min.) is een snedig portret van een vrouw met allerlei weerhaakjes. Gepassioneerd, eigenzinnig en compromisloos. Kritisch op anderen én zichzelf. Als ze kort voor de officiële presentatie ervan haar nieuwe collectie inspecteert, maakt ze van haar hart bepaald geen moordkuil. ‘Nee, dat vind ik dus helemaal niet mooi’, zegt ze bits tegen een model. ‘Doe maar uit.’ Even later: ‘Het is rotzooi. Ik vind het helemaal niks. Ik weet eigenlijk niet of ik iets van deze troep wil laten zien.’
Deze film kijkt mee terwijl Westwood samen met haar veel jongere geliefde Andreas Kronthaler, met wie ze een symbiotische (werk)relatie onderhoudt, toewerkt naar de presentatie van haar nieuwe collectie. Intussen vertelt ze, afwisselend gedreven en snibbig, over haar inmiddels zo’n vijftig jaar omspannende loopbaan, die haar vanuit de rafelranden naar het epicentrum van de modewereld heeft gebracht. En daar blijft ze zich, geheel indachtig haar punkroots, als een overjarige rebel gedragen.
Als hij uitkijkt over de skyline van Hollywood en een prachtige regenboog ontwaart, claimt de inmiddels hoogbejaarde Scotty Bowers dat hij daar hoogstpersoonlijk voor heeft gezorgd. Dat is geen grootspraak, maar beeldspraak. Bij het benzinestation dat hij jarenlang runde op 5777 Hollywood Boulevard vonden heel wat celebrities in het geheim de spreekwoordelijke pot goud: (betaalde) sex met iemand van dezelfde sekse. Twintig dollar, veel meer rekende Scotty doorgaans niet.
Na de tweede wereldoorlog zette de voormalige marinier een florerende escortservice op voor Hollywood-sterren die hun hele leven en carrière lang in de kast zouden blijven. In 2012 besloot de souteneur van de celebrities zijn levensverhaal op papier te zetten in het boek Full Service: My Adventures In Hollywood And The Secret Sex Lives Of The Stars. Daarin outte hij zonder scrupules beroemdheden als acteur Cary Grant, FBI-directeur J. Edgar Hoover en actrice Katherine Hepburn.
Zelf ziet hij daarin nog altijd weinig kwaad, getuige Scotty AndThe Secret History Of Hollywood (97 min.). Deze sterren flonkeren immers alleen nog op de Hollywood Walk Of Fame. Bovendien was hun seksuele geaardheid een publiek geheim in de stad van de sterren. En een hedendaagse homoseksuele acteur zoals Stephen Fry kan er ook wel mee leven, zegt hij in deze documentaire. Het maakt die onaanraakbare sterren weer mens en laat ze zien voor wie ze waren: kwetsbare zielen, gevangen in hun eigen imago.
Regisseur Matt Tyrnauer portretteert Bowers, die tegenwoordig is getrouwd met een vrouw die geen weet had van zijn achtergrond en die ook nog altijd weigert om zijn boek te lezen, als een seksuele vrijbuiter. Volgens eigen zeggen heeft hij werkelijk met Jan en alleman het bed gedeeld, waaronder een triootje met Ava Gardner en Lana Turner. Hij zou bovendien een prominente rol hebben gespeeld in de aantekeningen van dokter Kinsey, die puriteins Amerika shockeerde met zijn wetenschappelijke onderzoek naar menselijke seksualiteit.
Seks lijkt bijna negentig jaar lang Scotty Bowers’ voornaamste raison d’être te zijn geweest. En dat komt, zo blijkt later in dit vermakelijke portret van zowel de flamboyante man zelf als de achterkant van zijn natuurlijke biotoop, niet helemaal uit de lucht vallen en zorgt later, indirect, ook nog voor één van de grootste drama’s van zijn enerverende bestaan. Net als in de film, zogezegd. En perfect in lijn met Scottys onvervalste Hollywood-leven.
De succesvolste Nederlandse rapper Ronnie Flex wordt vader, maar wil niet zeggen wie de moeder van het kind is. De afgelopen tijd stonden de roddelbladen er vol mee. Enkele weken eerder werden diezelfde pagina’s gevuld met het verhaal dat Flex en YouTube-ster Famke Louise een setje zouden zijn. Zij is echter niet zwanger.
Vanuit marketingtechnisch oogpunt zou je zulke reuring de ideale opmaat kunnen noemen voor deze vierdelige documentaireserie over Famke Louise, het negentienjarige meisje uit Hoogezand dat ineens wereldberoemd werd. En supergehaat, dat ook. Met een fanatisme dat in Nederland, voor zover ik het kan overzien, tot dusver was voorbehouden aan Dinand Woesthoff, de voormalige zanger van Kane.
Met een geheel eigen mengeling van verbazing, lol en ingehouden vrees leest de hoofdpersoon in de eerste aflevering van Famke Louise, De Documentaire (97 min.) voor waar ze online zoal voor wordt uitgemaakt. Het leeuwendeel is het herhalen echt niet waard. Veel ziektes, scheldwoorden en slechtbedoelde adviezen. En tijdens optredens is er altijd wel iemand die ‘hoer’ roept, zijn middelvinger opsteekt of een lading bier over haar heen probeert te kieperen. Het is, blijkbaar, de tol van de roem.
Famke Louise speelt zelf opzichtig met haar imago van ‘the babe you love to hate’ en maakt van haar hart bepaald geen moordkuil. ‘Neem die oorbellen mee van die slet’, sneert ze in de hitsingle Zonder Jou naar haar (foute?) ex-vriend Tim van Teunenbroek, alias vlogger Gameking, met wie ze een in het openbaar geconsumeerde en beëindigde relatie had. ‘Ik hoef die shit niet meer te vinden in mijn bed.’
Bij een zo publiek geleefd bestaan is het natuurlijk de vraag wat een documentaire nog kan toevoegen. Deze vierdelige serie van Elza Jo Tratlehner levert in elk geval extra achterkant bij het fenomeen Famke Louise: clipopnames, een schrijverskamp om liedjes te fabriceren en de bezichtiging van een nieuwe woning. En daarnaast – verplicht, want haar management heeft grootse plannen – zangles, dansles, mediatraining en een mental coach. Die laatste helpt haar met losgaan bij optredens, want dat wil nog niet helemaal lukken.
Stilistisch sluit deze ‘allereerste documentaireserie over de veelbesproken Famke Louise’ (aldus Videoland, dat blijkbaar nog meer series voorziet) perfect aan bij de vlogcultuur. Het camerawerk en de montage zijn erg hoekig. Bovendien zijn de afleveringen zeer rudimentair gestructureerd; ze schakelen tussen het gebruikelijke achter de schermen-werk en Famke Louises getroebleerde achtergrond, die met name in wisselwerking met haar moeder Marja reliëf krijgt.
Zij dwingt haar dochter met zachte hand om echt de luiken te openen en zo nu en dan de kwetsbare negentienjarige te laten zien die nog altijd schuilgaat achter de ongenaakbare Famke Louise, waarvan we alles allang dachten te hebben gezien.
‘China is niet vrij’, roept een groepje opgeschoten jongeren stoer naar de camera. ‘Maar hiphop kan dat veranderen.’ Heel even denk je dat ze het zelf geloven. Als de Chinese rappers in de korte documentaire Trapped In The City Of A Thousand Mountains (23 min.) wat serieuzer worden bevraagd, schetsen ze echter een subtieler beeld: ’In China weet je nooit precies wat er verboden is. Dat is een hele slimme tactiek; het maakt iedereen nog voorzichtiger.’
De onlangs aangescherpte regels van de Chinese autoriteiten, die netjes in openbare gelegenheden worden omgeroepen, laten aan duidelijkheid evenwel niets te wensen over. Als je je hebt afgekeerd van de partij mag je niet meer in het openbaar spreken, klinkt het dreigend. Net als figuren met een dubieuze reputatie. Smakeloze of vulgaire optreden mogen ook niet meer. Improvisatie is niet toegestaan. En de subcultuur van hiphop en tatoeages wordt op geen enkele manier meer gepromoot.
Zo probeert de overheid een ontluikende jeugdcultuur de kop in te drukken. Met die Chinese hiphop moest het maar eens afgelopen zijn, hebben de partijbonzen binnenskamers, ongetwijfeld opvallend eensgezind, besloten. De betrokken jongeren, met inderdaad kekke tattoos, proberen intussen hun weg te vinden binnen het labyrint van do’s en don’t dat rondom hen wordt opgetrokken. Ze laten zich vooralsnog in elk geval niet de mond snoeren.
David Verbeek volgt hen in nachtelijk Chongqing dat in deze gestileerde film, die is genomineerd voor de IDFA Award voor beste korte documentaire, oogt als een futuristische metropool. Het zinnenprikkelende geluidsdecor dat de regisseur daaraan toevoegt versterkt de vervreemdende kijkervaring nog eens. Chongqing, gelegen aan de rivier de Yangtze, wordt een overweldigende stad, waarin staatstoezicht aan de orde van de dag is. Het ideale toneel voor een vitale muziekscene, die zich vanuit de underground naar boven probeert te worstelen.
Wie had de Amerikaanse president Richard Nixon eigenlijk uitgenodigd in het Witte Huis? Johnny Cash, de rebel van Folsom Prison Blues, die zich identificeerde met bajesklanten en Amerikaanse indianen? Of de godvrezende man met dezelfde naam, die in 1970 op het punt stond om opnieuw vader te worden en die zich afficheerde met de befaamde televisiedominee Billy Graham?
Tricky Dick dacht in elk geval een typische zoon van het zuiden te hebben binnengehaald, een authentieke country & western-zanger die hem wel even de electorale steun van de zogenaamde ‘silent majority’ kon bezorgen. De Republikeinse president had Cash zelfs gevraagd om de patriottische redneck-song Okie From Muskogee, een aanklacht tegen zo’n beetje alles wat met de toenmalige Tegencultuur had te maken, en het vileine Welfare Cadillac, over een man die zijn uitkering ophaalt in een patserbak, te zingen.
Nixon, die later nog met een pijnlijk protest (‘Stop the killing’) kreeg te maken tijdens een optreden van The Ray Conniff Singers in het Witte Huis, had eigenlijk beter moeten weten. Johnny Cash leek de gevraagde verzoeknummers inderdaad te gaan zingen, maar besloot uiteindelijk toch anders. Zijn optreden, voor een ongemakkelijke president en zijn eerste rij van getrouwen, vormt de apotheose van Tricky Dick And The Man In Black (58 min.), een boeiende documentaire van Barbara Kopple en Sara Dosa.
Dit tweede deel van Netflix’s nieuwe serie ReMastered, een reeks historische muziekdocumentaires, zoomt net als zijn voorganger over Bob Marley in op een voetnoot uit de popgeschiedenis, waarmee een groter maatschappelijk verhaal kan worden verteld. Ditmaal over muziek als politiek verleidings- dan wel drukmiddel. Aan het woord komen een broer, zus en zoon van Cash, terwijl Nixons communicatiemedewerker Pat Buchanan en medewerker Alexander Butterfield de kant van de omstreden president voor hun rekening nemen.
Tricky Dick And Johnny Cash zet twee mastodonten tegenover elkaar, die elk vanuit hun eigen invalshoek het Amerika van na de Tweede Wereldoorlog kleur hebben gegeven. Zwart, om precies te zijn. In zekere zin leken ze ook op elkaar. Nixon en Cash groeiden allebei op in diepe armoe en verloren op jonge leeftijd een broer, een ervaring die hen voor het leven zou tekenen en voor even, heel even, in Washington zou samenbrengen op een broeierige dag in april 1970.
Ook het bezoek van Elvis Presley aan de omstreden Richard Nixon, de enige Amerikaanse president die ooit is afgetreden, spreekt overigens tot de verbeelding. Er is zelfs al een speelfilm aan gewijd.
Ruim dertig jaar na zijn dood staat Orson Welles weer vol in de schijnwerpers, die hem niet altijd even goed gezind zijn geweest. Tijdens het komende International Documentary Festival Amsterdam beleeft The Eyes Of Orson Welles, een essayistische filmbrief aan Welles van Mark Cousins, zijn Nederlandse première. En nu presenteert Netflix een documentaire over de laatste speelfilm die de mastodont maakte – een film die hij nooit kon afronden.
The Other Side Of The Wind zou nooit het uitroepteken achter het veelbewogen publieke leven worden dat Welles eigenlijk verdiende. Een leven dat begon met het hoorspel War Of The Worlds, dat in 1938 met een aanval van buitenaardse wezens blinde paniek veroorzaakte, en daarna (veel te vroeg) piekte met wat ook wel de beste film aller tijden wordt genoemd. Gedurende de rest van zijn bestaan zou die klassieker de regisseur/acteur lastig blijven vallen. Of zoals regisseur Peter Bogdanovich het in deze documentaire formuleert: ‘Telkens als je zijn naam noemt, vraagt men: “Wat deed hij na Citizen Kane?”’
De titel They’ll Love Me When I’m Dead (98 min.) refereert aan een beroemde uitspraak van Orson Welles. Al is het de vraag of die zin daadwerkelijk over zijn lippen is gekomen. Diverse betrokkenen in deze documentaire van Morgan Neville ontkennen dat in elk geval. En daarmee hebben we meteen één van de centrale thema’s te pakken van deze speelse film: wat is waar en wat is mythe? ‘Bijna elk verhaal is vrijwel zeker een soort leugen’, aldus Welles zelf. Óók deze virtuoze weerslag van zijn tot mislukken gedoemde poging om nog één meesterwerk uit zijn grootse leven te persen.
Want wilde hij die film eigenlijk wel afronden? Daarover verschillen de meningen. Orson dacht dat hij zou sterven als The Other Side Of The Wind klaar was, volgens de één. Onzin!, meent een ander. Hij deed er álles aan om dit levenswerk – was het stiekem een zelfportret of toch een afrekening met het Hollywood dat hem had verstoten? – tot een goed einde te brengen. Feit is dat Welles, of een groteske karikatuur van de man die hij ooit was, zou sterven vóórdat de apotheose van zijn indrukwekkende carrière eindelijk het licht zou zien.
Deze zwierig gefilmde en gemonteerde documentaire, die tevens dient als karakterschets van het ‘larger than life’-fenomeen Welles en een ode inhoudt aan zijn films, gaat op Netflix namelijk vergezeld van …tromgeroffel, klaroengeschal, doodse stilte…The Other Side Of The Wind. Uit bijna honderd uur beeldmateriaal is postuum alsnog ‘de grootste film die nooit is uitgebracht’ samengesteld. Uitroepteken.
De wereld van onze jeugd is allang verdwenen. Met elk jaar raken we verder verwijderd van wie we ooit waren en wat we ooit deden. Sandi Tan heeft tenminste de film nog. Althans, had de film nog moeten hebben…
De dwarse tiener uit Singapore liep begin jaren negentig met een wild idee rond. Samen met haar hartsvriendinnen Jasmine Ng (montage) en Sophie Siddique (productie) wilde ze een speelfilm maken. Over een meisje zoals zij. Sterker: ze schreef zelf het script en nam natuurlijk ook de hoofdrol op zich. Shirkers zou de eerste Singaporese indiefilm worden. Een Aziatische zusterfilm van Rushmore en Ghost World, Hollywood-klassiekers die pas jaaaren later zouden worden gemaakt. Maar ergens onderweg viel de droom van Sandi Tan in duigen.
Ruim 25 jaar later is de speelfilm die nooit de bioscoop zou halen uitgelopen op een documentaire. Via de wonderlijke, spannende en uiteindelijk ook tragische verwikkelingen rond Shirkers (97 min.) reconstrueert de kunstzinnige veertiger de wereld van haar jeugd. Het meisje waarvan ze nu denkt dat ze toen was, maar ook de schilderachtige omgeving waarin ze zich toen bewoog. Het Singapore dat is ingehaald door economische voorspoed en voorgoed van gedaante is veranderd.
Daarvoor trekt Tan, die later carrière zou maken als filmcriticus, schrijfster en filmer, alle lades van haar jonge jaren helemaal open: schrijfsels, tekeningen, filmpjes, knipsels, brieven, knutselwerkjes… En de bijbehorende mensen, surrealistische taferelen en overgesatureerde kleuren. Relikwieën van een verloren tijd, die hier op een bijzonder joyeuze manier, met een overdaad aan liefde voor cinema met een rafelrandje, tot leven wordt gewekt.
Al die afzonderlijke brokstukken van een onbezonnen leven worden door Sandi Tan zelf aaneen gepraat tot een boeiend coming of age-drama, waarin ze tevens het geheim probeert te ontrafelen van de enigmatische vaderfiguur Georges Cardona, die haar film destijds slinks de nek omdraaide – en Shirkers, op het Sundance-festival bekroond met de World Cinema Documentary Directing Award, nu indirect een tweede leven en een véél groter publiek heeft bezorgd.
Hillary Clinton had de eerste vrouwelijke president van de Verenigde Staten moeten worden. In 2008 dolf ze echter het onderspit tegen de eerste zwarte president Barack Obama. Acht jaar later zette Donald Trump de hoop van vrouwelijk Amerika de voet dwars, een man die het land het liefst terug zou willen brengen naar de jaren vijftig. Een man ook, die een beetje feminist associeert met patserpraat van het kaliber ‘grab ‘em by the pussy’.
Het moet onwerkelijk zijn voor de vrouwen die aan het woord komen in de documentaire Feminists: What Were They Thinking? (86 min.). De persoonlijke en maatschappelijke strijd die zij in de jaren zestig en zeventig hebben uitgevochten, lijkt helemaal voor niets te zijn geweest. De onvervalste mucho machoman is terug van nooit weggeweest. Zou God dan toch een hij zijn? vraag je je af – vrij naar een feministisch spandoek uit die tijd.
Uitgangspunt voor deze film is een fotoserie die Cynthia MacAdams halverwege de jaren zeventig maakte van prominente feministes. Enkele van deze vrouwen, onder wie comédienne Lili Tomlin, actrice Jane Fonda, kunstenares Laurie Anderson en zangeres Michelle Philips (The Mamas And The Papas), blikken nu terug op de periode waarin ze zich los probeerden te maken van de rolpatronen die ze kregen ingeprent in hun jeugd.
Meer dan afzonderlijke levensverhalen, die tezamen een aardig tijdsbeeld schetsen, wordt deze documentaire van hun zielsverwant en generatiegenoot Johanna Demetrakas echter nooit. De verhalen achter de foto’s, die vaak wel erg naar de achtergrond verdwijnen, gaan nooit echt leven. Ook de kijk van enkele representanten van de huidige generatie feministen op de afbeeldingen van hun voorgangers brengt daarin geen verandering.
Feminists: What They Thinking blijft te veel een braaf geschiedenislesje, ondersteund door tamelijk particuliere getuigenissen, en wordt nooit dat meeslepende verhaal waarmee ook toekomstige generaties strijdbare vrouwen, die de Women’s Marches tegen Trump en zijn geestverwanten kunnen bevolken, zullen worden veroverd.
In de pophistorie zitten nog talloze documentaires verstopt, zo blijkt steeds weer. Als een soort Ander Tijden Muziek gaat de achtdelige Netflix-serie ReMastered van Jeff en Michael Zimbalist nu maandelijks een nieuw vergeten verhaal opdiepen. Deel 1 Who Shot The Sheriff? (57 min.), waarmee de reeks onlangs werd gestart, richt zich op de moordaanslag die reggaezanger Bob Marley bijna het leven kostte in 1976.
Marley was toen al uitgegroeid tot een Jamaicaanse volksheld, die zich steeds nadrukkelijker begon uit te spreken over sociale kwesties. Intussen dreigde hij vermalen te worden tussen twee politieke partijen die elkaar in de aanloop naar de verkiezingen naar het leven stonden. Aan de vooravond van het Smile Jamaica Concert, waarna de stembussen zo’n beetje direct werden geopend, mondde dat uit in bot geweld, gericht tegen de zanger en zijn directe omgeving.
De schietpartij zou Marleys leven en carrière volledig op zijn kop zetten en meer dan ooit tevoren een politieke figuur van hem maken. In de nasleep van de aanslag vertrok hij voor bijna anderhalf jaar naar Londen en werkte daar aan zijn klassieke album Exodus, waarop de sporen van de aanslag moeiteloos zijn terug te vinden. Maar wie er nu precies achter die kogelregel zat en wat daarvan de bedoeling was?
Ruim veertig jaar na dato probeert regisseur Kief Davidson via getuigenissen van mensen uit Marleys directe entourage, ingewijden in Jamaica’s turbulente politiek van destijds en een enkele anonieme getuige het antwoord op die vragen te vinden. Bob Marley’s weldadige muziek is intussen niet meer dan een voertuig om bij dat verhaal te komen.
Voor het volledige levensverhaal van de reggaezanger, die in 1981 op 36-jarige leeftijd overleed, kun je overigens terecht bij de meeslepende biopic Marley van Kevin Macdonald.
Komende maand is ReMastered gewijd aan het spraakmakende bezoek vanJohnny Cash aan president Richard Nixon, een documentaire die is gemaakt door de vermaarde regisseur Barbara Kopple. Daarna volgen nog uitzendingen over onder anderen de mysterieuze dood van soulzanger Sam Cooke, bluesgitarist Robert Johnson die zijn ziel aan de duivel zou hebben verkocht en de moord op Jam Master Jay van de invloedrijke hiphopgroep Run DMC.
Het moet niet gemakkelijk zijn geweest voor Kevin Macdonald; werken aan een documentaire over zangeres Whitney Houston en dan merken dat een concurrent je voor is. Ruim een jaar geleden verscheen Whitney: Can I Be Me, een aangrijpende film van Nick Broomfield over een vrouw die helemaal vast kwam te zitten in haar rol van popster en roemloos ten onder ging aan drugs.
Wat kan Macdonald, die eerder een prachtige biopic maakte van de Jamaicaanse reggaeheld Bob Marley, daar nog aan toevoegen? En dan heeft hij ook nog eens de schijn tegen; waar Broomfield geheel onafhankelijk kon opereren, presenteert zijn Schotse collega nu een geautoriseerde biografie. Zodat je je direct afvraagt wat de erven Houston eruit hebben laten halen en welke plooien zorgvuldig zijn gladgestreken.
Geen zorgen daarover. Whitney (120 min.) is bepaald geen afgevlakte biografie, maar pelt nog een aantal lagen extra af van het fenomeen Whitney Houston en komt zo nóg dichter bij het kwetsbare meisje Nippy dat daarachter verscholen bleef. De film komt zelfs met een pijnlijke onthulling, die de tragische neergang van de zangeres zou kunnen verklaren. Houstons moeder Cissy en tante Dionne Warwick hebben daar overigens meteen afstand van genomen. ‘Geruchten, verdachtmakingen en roddels’, stelden zij in een gezamenlijke verklaring.
Verder had Macdonald de beschikking over prachtig archiefmateriaal van de zangeres en kreeg hij toegang tot Houstons directe omgeving. Behalve haar zingende moeder Cissy, die overigens een zeer beperkte rol speelt in deze film, verschijnen ook haar broers Michael en Garland, enkele persoonlijke huisvrienden en ex-echtgenoot Bobby Brown voor de camera. Tezamen leggen ze de puzzel Whitney – door criticasters overigens stelselmatig Whitey genoemd, omdat ze haar zwarte roots zou hebben verkwanseld.
Macdonald zet bovendien andere accenten dan Broomfield: Whitneys al dan niet lesbische verhouding tot haar personal assistant Robyn Crawford krijgt bijvoorbeeld minder gewicht en wordt ook in een andere context geplaatst. Al met al is dus ook deze Whitney-biopic zéér de moeite waard. Als losstaand portret, maar ook als vervolg op die andere visie op de geplaagde zangeres. In sommige levens zitten nu eenmaal meerdere films.
Zouden ze Nederlandse deejays als Tiësto, Armin van Buuren en Martin Garrix ook ooit gaan beschouwen als onderdeel van de zogenaamde ‘Hollandse school’? Die benaming werd eerder gebruikt voor de schilders Rembrandt, Frans Hals en Vermeer, documentairemakers zoals Bert Haanstra, Joris Ivens en Herman van der Horst en de voetbalgeneratie van Cruijff & co. De wegbereiders van de Nederlandse dancemuziek verdienen een soortgelijke status.
Wat nu één van Neerlands voornaamste exportproducten lijkt, begon ooit klein en werd toen door weinigen begrepen. DJ Eddy de Clercq had de Amsterdamse club Roxy, de plek waar de Nederlandse dance echt zou ontstaan, in de tweede helft van de jaren tachtig bijna helemaal leeg gedraaid. De eigenaren vaardigden een ultimatum uit: De Clercq kreeg nog twee maanden de tijd om zijn deejay-avonden aan de praat te krijgen. Anders was het over en uit.
En toen barstte ineens de bom, zo vertellen de wegbereiders van het muziekgenre in het eerste deel Pionieren (46 min.) van het drieluik 30 Jaar Dutch Dance. Niet veel later waren de Roxy en een extravagante club die enige tijd later zijn deuren zou openen, de veelbesproken It, ‘the talk of town’. De verafschuwde nieuwe muziekstroming house was plotseling de lijfmuziek van een nieuwe generatie jongeren geworden.
De beginjaren van de dance worden door regisseur Sacha Vermeulen vlot en aanstekelijk gereconstrueerd. Vrijwel alle kopstukken uit die tijd verschijnen voor de camera. Alleen voor een interview, dat wel. Waardoor deze driedelige televisiedocumentaire, naast een dominante voice-over, ook veel pratende hoofden bevat. Dit wordt gecompenseerd met een hoog verteltempo en een overdaad aan heerlijk archiefmateriaal.
In deel 2 Harder, Harder, Harder (45 min.) worden de opkomst van de grote Thunderdome-, Mysteryland- en Dancevalley-feesten, het wereldwijde succes van 2Unlimited en de ontwikkeling van techno en hardcore uit de doeken gedaan, waarna 30 Jaar Dutch Dance onvermijdelijk aanbelandt bij het roemruchte subgenre gabber. Met verve wordt de wereld geopend van strakke koppen in Aussie-trainingspakken, die zich op een ongenadig aantal beats per minute als bezetenen door de nacht heen hakken.
Uiteindelijk groeide gabber uit tot het enige Nederlandse muziekgenre ooit, dat echt in de hele wereld is gekopieerd. Waar een klein land óók groot in kan zijn – behalve schilderkunst, documentaires en voetbal – zou je nu met de nodige wijsheid achteraf kunnen zeggen.
In het afsluitende deel van het drieluik, De Wijde Wereld, staan de Nederlandse deejays centraal, die in de afgelopen jaren de aardbol hebben veroverd.
Rond het thema 30 Jaar Dutch Dance is overigens ook een interactieve website opgetuigd, waarop je urenlang ongegeneerd kunt grasduinen. Een aanrader.
Aan de Nederlandse gabbercultuur wijdde filmmaker Wim van der Aar bovendien enkele jaren geleden al eens de documentaire Gabbers, die nog steeds online is te bekijken.
‘Oh, mán!’ Hij schiet helemaal vol als hij instapt. Een Rolls Royce uit 1963. De auto van Elvis Presley. The King (108 min.). ‘Oh, shit’, herpakt singer-songwriter John Hiatt zich. ‘Sorry.’ ‘Kwam het door iets wat ik zei?’ wil regisseur en bestuurder Eugene Jarecki weten. ‘Nee. Als je in deze auto gaat zitten, voel je gewoon hoe gevangen hij zat. Helemaal gevangen.’
Elvis was volgens John Hiatt een ‘poor mama’s boy from Mississippi’, die vast kwam te zitten bij een ‘kermistype’. Manager Colonel Parker heeft hem schaamteloos heeft geëxploiteerd en intussen zijn ziel afgenomen. Hoogstpersoonlijk zorgde Parker, de Nederlander Dries van Kuijk, ervoor dat Presley transformeerde van onbedorven – of zéér verdorven; tis maar hoe je het bekijkt – rock & roller tot volledig bedorven entertainer.
Elvis was de verpersoonlijking van de American Dream, zo betoogt deze caleidoscopische road trip door het hedendaagse Amerika met de ‘hot wheels’ van The King. En dus ook van de teloorgang van diezelfde droom. Waar Presley zijn ziel op Faustiaanse wijze aan de Duivel verkocht, veranderde het land van hoop en dromen gaandeweg in een soort megalomane versie van Las Vegas, de plek waar Elvis roemloos aan zijn einde kwam.
Ooit een baken van vrijheid, maar inmiddels allang verworden tot een symbool voor het ultieme kapitalisme. Al valt er op die droom, volgens de rapper Immortal Technique niet meer dan ‘de nachtmerrie van een dronkenlap’, ook wel één en ander af te dingen. Want dat was natuurlijk vooral een blank ideaalbeeld. Dat werd gepersonifieerd door Elvis, de zanger die zwarte muziek toegankelijk maakte voor wit Amerika.
‘Elvis was a hero to most, but he never meant shit to me’, rapte Chuck D. al in de Public Enemy-hit Fight The Power. ‘Straight up racist that sucker was.’ Hij mag ook zijn licht laten schijnen over The King, in de ogen van de rapper het symbool van hoe Wit Amerika Zwart Amerika ringeloorde, in deze lappendeken van een documentaire, waarin een hele stoet landgenoten het lot van Elvis met dat van zijn land verknoopt.
Van acteurs als Alec Baldwin, Ethan Hawke en Ashton Kutscher tot spin doctor James Carville, The Wire-bedenker David Simon en oud-anchorman Dan Rather. Intussen wordt er ook nog gloedvol gemusiceerd in die Rolls Royce, die vanuit de stilaan Vernederde Staten van Amerika linea recta ons collectieve hart binnenrijdt met deze eigenzinnige en ambitieuze film.
Je kunt hem punker noemen. Performancekunstenaar. Of gewoon: volledig gestoord. De openingstekst van deze geruchtmakende documentaire uit 1993 over het gewezen punkicoon laat er echter geen misverstand over bestaan. ’GG Allin is een entertainer met een boodschap voor een zieke samenleving. Hij laat ons daarnaar kijken, zodat we kunnen zien wie we zelf zijn.’
De schrijver concludeert: ‘Vergis je niet, achter wat hij doet zit beslist een brein.’ Was getekend niet minder dan John Wayne Gacy, succesvol aannemer, de ideale clown voor uw kinderfeestje en, o ja, berucht seriemoordenaar. Welkom in de verknipte wereld van GG Allin, de ideale representant van punk die nog oprecht gevaarlijk kon en wilde zijn.
Todd Philips, die later Hollywood-comedy’s als The Hangover zou regisseren, probeert het fenomeen te vatten in de ronduit onsmakelijke film Hated: GG Allin And The Murder Junkies (52 min.). Hij gaat met de ‘zanger’ en zijn band op tour door Amerika en spreekt met mensen uit zijn heden en verleden. GG zelf heeft hem verder weinig te melden. Het is met name zijn broer Merle, getooid met een uit de hand gelopen Hitlersnor, die voor duiding van deze geboren provocateur moet zorgen.
GG doet vooral van zich spreken met zijn spraakmakende performances. Wat een optreden van de held zoal inhoudt? GG schreeuwt. Slikt van alles. Spuugt. Draagt een nazihelm. Scheldt. Vecht. Dreigt met zelfmoord. Kotst. Verwondt zichzelf. Schijt. En eet dat weer op. Intussen probeert hij uit de cel te blijven. Een gemiddeld optreden beëindigt Allin helemaal buiten zinnen, zwaar bebloed en piemelnaakt. Een trouwe schare devote fans achterlatend.
Een ideale vent kortom, om te laten opdraven in de schreeuwerige talkshows waar de Amerikaanse televisie al decennia het patent op heeft. En laat het maar aan, een bijkans kwijlende, presentator Geraldo Rivera over om Allin vervolgens vakkundig ten toon stellen voor zijn kijkerspubliek van ‘average Americans’. Waarmee de punkscene reden te meer heeft om GG Allin, die later aan de verplichte heroïne-overdosis zou bezwijken, op het schild te hijsen als een vleesgeworden middelvinger.
En dat is precies wat deze film doet.
In de korte documentaire Live Fast Die: The GG Allin Story uit 2008 probeert Jay McBeth met GG’s moeder, broer en liefhebbers ene Kevin Michael Allin te vinden, de man achter deze punkvariant op een bezopen circusact.