Tinkebell. – Who Killed The Blue Bird?

Blackframe

Kunstenaars zoals zij zijn verhalenvertellers, vertelt Tinkebell bij herhaling in dit psychologische portret dat Judith de Leeuw van haar maakte. En dat is heel verantwoordelijk werk, beweert ze eveneens meerdere malen. Zij stelt dat ze daarmee de wereld wil redden, ook nét iets te vaak. Zoals iedereen zichzelf wel eens heeft horen praten en dan denkt: daar ga ik weer! Altijd dezelfde riedel. Bijna woordelijk hetzelfde als de vorige keer en de keer daarvoor. Het is een idee dat De Leeuw ten volle uitnut in deze collageachtige film over een kunstenaar die haar leven omvormt tot een verhaal.

‘Deze filmmaker en haar team hebben in de afgelopen drie jaar al het bewegende beeld dat ooit van mij is gemaakt verzameld en bekeken’, schrijft Katinka Simonse, alias Tinkebell, daarover in 2022 in een column voor het Parool. ‘Ze haalden mijn oude computers leeg, telefoons, oude video 8-tapes, televisiemateriaal en alles wat vrienden en familie van mij hebben. Ik geloof dat Judith de Leeuw daardoor inmiddels meer van mij weet dan ikzelf.’ En dat laatste heeft ze even daarvoor in Tinkebell. – Who Killed The Blue Bird? (70 min.) in min of meer dezelfde bewoordingen ook al eens beweerd.

Die film wordt daardoor nooit een routineus portret van de omstreden kunstenaar, die er voor heeft gezorgd dat ze uit duizenden herkenbaar is (met kleurrijke kleding en opvallende brillen), van zich deed spreken met een bizar kunstwerk (een handtas, gemaakt van haar eigen kat) en een sleutelrol speelde in de #metoo-kwestie rond een bekende politicus (waarover ze in een zoomcall nog stoom afblaast tegenover de filmmaakster). Al deze verhaalelementen komen wel degelijk langs in deze docu, maar niet netjes geordend. Eerder als willekeurig op tafel gedropte puzzelstukjes. Zoek ’t maar uit.

En dan is er nog het jeugdtrauma, dat alles zou kunnen hebben aangevuurd, maar voor hetzelfde geld ook gewoon een verhaal is waarmee Tinkebell de wereld wil redden – en waarmee zij, en vrijwel dezelfde woorden natuurlijk, ook op het podium belandt. Dat schuurt, irriteert en fascineert. En doet helemaal niet en toch ook weer wel denken aan De Leeuws knarsende film Ruut Weissman – De Hoofdpersoon (2020), waarin de theaterregisseur probeert te dealen met #metoo-beschuldigingen. Ook het levende kunstwerk Tinkebell is een hoofdpersonage ‘you hate to love’ (of precies andersom).

Waar Katinka Simonse continu een verhaal maakt van haar werk en leven – en daarbij steeds weer in verhaallijnen belandt, die ze zelf ook nauwelijks de baas lijkt te kunnen – zoomt Judith de Leeuw in op de persoon achter de woordenvloed. Zonder die het vuur aan de schenen te leggen of juist al te zeer mee te gaan in haar gedachtenspinsels. Een typisch voorbeeld van: show don’t tell – dat doet de hoofdpersoon zelf wel. De kijker mag en kan dan zelf bepalen wie ie wil zien: de kunstenaar, activiste, boze vrouw, verhalenverteller, hysterica, dromer of aandachtsjunk. Of allemaal tegelijk.z

Trailer Tinkebell. – Who Killed The Blue Bird?

JDL – Behind The Wall

AVROTROS

‘Ze vertrouwt ons voor geen meter’, zegt één van de Italianen, in zijn eigen taal, over Judith de Leeuw tegen een collega. ‘Klopt’, zegt die, terwijl zij, de Nederlandse straatkunstenaar JDL, er gewoon naast staat. Ze heeft haar lokale medewerkers zojuist de wacht aan gezegd. Één van hen had zich vergist met de markeringen op de wand van een flat in Zuid-Italië. En daardoor dreigt de muurschildering die ze daarop gaat aanbrengen, nummer 4 uit de serie Love Is Stronger Than Death, nu helemaal de mist in te gaan. ‘Daar zakt mijn broek van af’, reageert Judith boos. ‘Hoe dan?’

Het project in de arbeiderswijk Paolo VI in Taranto lijkt niet onder een gelukkig gesternte geboren. De Leeuw heeft al in 62 verschillende landen enorme ‘murals’ gemaakt, realistische muurschilderingen over een maatschappelijk onderwerp. Deze grauwe flat, waarop een vrouw die wordt vastgehouden door onbekende handen moet verschijnen, blijkt echter een flinke uitdaging. Ze wil nu een projector laten komen, om het probleem te verhelpen en ook verdere tijdsdruk te voorkomen. Maar zie zo’n ding maar eens te vinden op een willekeurige zondagmiddag…

De moeizame totstandkoming van het kolossale werk in Taranto fungeert als rode draad voor de documentaire JDL – Behind The Wall (52 min.), waarin regisseur Deborah Faraone Mennella tevens de achtergrond van Judith de Leeuw uitdiept. De twintiger heeft al een woelig leven achter de rug, waarin ze gedurig met jeugdzorg in aanraking is gekomen en ook een tijdje heeft rond gezworven op straat. Toen De Leeuw ontdekte dat ze kon tekenen, heeft zij al haar kaarten daarop gezet. En haar kunst is inderdaad een uitweg gebleken uit een tamelijk uitzichtloze situatie.

Met dat werk wil JDL nu een stem geven aan mensen zoals ze zelf ooit was: zij die niet worden gezien of gehoord. Inmiddels weerklinkt dit geluid, dat wel een beetje doet denken aan vakbroeders als JR en Banksy, in de openbare ruimte van pak ‘m beet Rome, Tblisi en Athene en wordt ze zelfs gevraagd om TedX Talks te geven. Dit succes kan evenwel niet verhullen – en dat maakt dit persoonlijke portret alleen maar interessanter – dat in de succesvolle kunstenaar ook nog altijd een boze en verdrietige dochter en zoekende jonge vrouw verscholen zit.

Want zoals dat gaat: voor de goede kijker toont Judith de Leeuw via haar imposante werk ook zichzelf aan de wereld.

De Vereniging Rembrandt, Een Uitzonderlijk Jaar

NTR

Die naam roept verwarring op: De Vereniging Rembrandt. Alsof de vereniging, in 1883 opgericht door particuliere kunstliefhebbers, zich alleen met Rembrandt van Rijn zou bezighouden. Het ‘collectief mecenaat’ telt tegenwoordig 18.000 leden en heeft inmiddels meer dan 2500 Nederlandse kunstaankopen gesteund. Zonder De Vereniging Rembrandt zou er in eigen land nauwelijks een Hollandse meester zijn te zien, maar de leden ontfermen zich net zo goed over moderne kunst. ‘Elke aankoop is een wonder’, stelt directeur Fusien Bijl de Vroe.

En dan komt er zowaar toch een aanvraag voor de aankoop van een Rembrandt binnen. Van één van de bestuursleden nota bene. Directeur Taco Dibbits van het Rijksmuseum in Amsterdam vraagt een aanzienlijke bijdrage voor de aankoop van De Vaandeldrager, een schilderij uit 1636 dat wellicht kan worden aangekocht van de familie De Rothschild. Zij vragen tweehonderd miljoen voor het kunstwerk, dat zijn dagen al sinds jaar en dag in een kluis te Monte Carlo slijt en niet toegankelijk is voor het publiek. Niet elk bestuurslid is op voorhand even enthousiast.

Terwijl het bestuur onder leiding van voorzitter Arent Fock begint te delibreren over of steun aan het Rijksmuseum nu wel of niet opportuun is, bivakkeert Dibbits op de gang. En als hij terugkeert in de vergadering, laat geen van zijn collega’s iets los. Er kan nog geen knipoogje vanaf, verzucht hij in De Vereniging Rembrandt, Een Uitzonderlijk Jaar (55 min.) van Oeke Hoogendijk, die na Het Nieuwe RijksmuseumMarten & Oopjen: Portret Van Een Huwelijk en Mijn Rembrandt dus monter verder is gegaan met het ontsluiten van het beheer van (inter)nationale kunst door de gegoede burgerij.

De documentairemaakster slaagt er opnieuw in om van een op zichzelf tamelijk elitair onderwerp een toegankelijke film te maken, die bovendien actuele vragen stelt over de manier waarop musea hun collecties samenstellen. Kiezen die bijvoorbeeld niet veel te gemakkelijk voor de grootmeesters van De Gouden Eeuw, die door een gebrek aan interesse van de Nederlandse overheid in de achttiende en negentiende eeuw veelal in buitenlandse handen zijn beland? En souperen die dan niet veel te veel van het beschikbare budget voor kunst en cultuur op?

Fusien Bijl de Vroe laat zich door zulke discussies niet meer van de wijs brengen. ‘Dat is één van de dingen die ik prachtig vind van naar het museum gaan: er hangen geen prijskaartjes meer aan’, stelt ze. ‘Je mag gewoon kijken.’

(…)

Karina Beumer

‘Heb je nog een identiteit als je geen geheugen meer hebt?’ vraagt de Brabantse kunstenaar Ron Beumer zich hardop af. ‘Een identiteit heb je als je jezelf kunt onderscheiden van je omgeving’, luidt het antwoord in (…) (24 min.). ‘Als je geen geheugen hebt en je bent alleen maar hier en nu, heb je eigenlijk volgens mij geen ik-besef. Dus dan is er ook niks waar je herinneringen aan kunt ophangen.’

Rons vrouw Inge constateert dat zij samen geen herinneringen meer kunnen maken. Haar man heeft Niet-Aangeboren Hersenletsel (NAH), verdwaalt en vergeet van alles en legt zijn leven daarom vast in dagboeken. En op basis daarvan heeft zijn dochter, kunstenaar Karina Beumer, nu weer deze korte docu gemaakt. Ook omdat hij, met zijn haperende kortetermijngeheugen haar anders misschien vergeet. Die film is geen lineaire of logische vertelling geworden, maar een associatieve en kolderieke tocht door Rons brein en de wereld die daaruit voortkomt, waarbij ook Karina’s decors, papier-maché poppen en gevoel voor humor nog goed van pas komen.

Een verspreking of verschrijving – ontvoering in plaats van ontroering – in een betoog over bomen, die wel eens als metafoor voor onze wijdvertakte hersenen zouden kunnen dienen, is bijvoorbeeld de aanleiding voor een doldwaze kidnapscène door lieden met een Ron-masker op. Je zou immers kunnen betogen dat een deel van Karina’s vader is ontvoerd. Toch? En een andere scène met allerlei open- en dichtslaande deuren staat ongetwijfeld voor de verwarring in Rons hoofd – hij kan de juiste ruimte maar niet vinden – maar zou ook in een gemiddelde klucht van John Lanting bepaald niet hebben misstaan.

Zo slalomt Karina Beumer in dit surrealistische videodagboek over hersenletsel tussen tragedie en komedie door, in de hoop zo tot het hoofd van haar vader door te dringen. Dat lukt haar uiteindelijk zelfs letterlijk. Tenminste, in de kolossale versie die ze daarvan heeft gemaakt met papier-maché. En ook Ron kruipt in zijn eigen hoofd, waar hij in het lange, verstilde eindshot toch wat verweesd oogt. Zoals hij dat tegenwoordig ook een beetje in zijn echte hoofd is.

Barbara Stok – Hoe Goed Te Leven

c: Barbara Stok

Later heeft ze er een nacht wakker van gelegen, vertelt ze aan documentairemaker Frank Wiering. Nadat Barbara Stok de Stripschapprijs 2023 in ontvangst heeft genomen, doet ze – in lijn met de Griekse filosofe Hipparchia, de heldin van haar bekroonde graphic novel De Filosoof, De Hond En De Bruiloft – iets ongepasts: ze gaat als een hond op het podium liggen. Naderhand, als pas echt is doorgedrongen dat ze die prijs heeft gewonnen, voelt ze zich daar toch wat ongemakkelijk bij. Die twijfel past ook wel bij Stok, haar/het leven is niet altijd eenvoudig. 

In de alleraardigste tv-film Barbara Stok – Hoe Goed Te Leven (47 min.) portretteert Wiering de Groningse stripmaakster, die gaandeweg pas heeft ontdekt hoeveel ze eigenlijk van zichzelf in het boek over Hipparchia van Maroneia heeft gestopt. Zij zou best willen zijn zoals de Griekse filosofe, die geldt als vertegenwoordiger van de filosofische stroming De Cynici. Zij zwoer samen met haar grote liefde Crates elke vorm van luxe af en wilde gewoon een eenvoudig en zinvol leven leiden. Als een hond, juist. ‘Wie genoeg heeft aan het minimum is werkelijk vrij.’

Barbara Stok staat iets soortgelijks voor: ze deed haar auto de deur uit, werd vegetarisch en sloot zich ook aan bij Extinction Rebellion. Toch blijft het zoeken: tussen wat je wilt en hoe je vindt dat het moet. Stok is ervan overtuigd dat we allemaal onderdeel zijn van een systeem dat niet deugt, vertelt ze aan Wiering. Zelf lijkt ze een typisch kind van het linkse bolwerk Groningen, dat ook een geduchte reputatie heeft als rockstad. In de plaatselijke concertzaal Vera zag ze talloze concerten die ook haar eigen groep inspireerden: het garagebandje De Straaljagers

Ontspannen vragen stellend wandelt Frank Wiering zo door Stoks leven, dat hij natuurlijk illustreert met haar tekeningen en begeleidt met een smakelijke soundtrack, die klinkt als de omgevallen platenkast van de betere muziekliefhebber (van Barbara Stok zelf?): The Dead South, The Beatles, Madness, The Rolling Stones, The Who, Bikini Kill, Ramones en The Verve. Zo toont dit sympathieke portret wie de tekenares is en wie ze wil zijn. Om Stoks lijfspreuk – als ze die al heeft, nuanceert ze meteen – te citeren: niets is genoeg voor wie wat genoeg is weinig. (Epicurus).

En Barbara Stok lijkt nog lang niet klaar met filosofie. Naar verluidt zit er een kinderboek over Socrates in de pen.

Alreadymade

Tomtit Film

Het begint met een urinoir. In 1917 is dat object, een pispot dus, om in te plassen, anoniem ingestuurd voor een expositie in New York. Een gebruiksvoorwerp, gepresenteerd als conceptuele kunst. Readymeade, juist. Niet geaccepteerd door ‘The Society Of Independent Artists’, overigens. Tenminste, volgens de officiële lezing. Het object zelf is verdwenen. En het verhaal eromheen niet meer te controleren. Het object dat in de openingsscène van Barbara Vissers lekker onnavolgbare documentaire Alreadymade (86 min.) wordt gepresenteerd is een replica van achttien jaar later. Het is gesigneerd door ene R. Mutt en geldt inmiddels als één van de belangrijkste kunstwerken van de twintigste eeuw.

Het kunstwerk, vereeuwigd op een foto van Alfred Stieglitz (waarvan het negatief toevallig ook is verdwenen), wordt doorgaans toegeschreven aan Marcel Duchamp, één van de vaders van het Dadaïsme. Een man die volgens sommige kenners zijn tijd ver vooruit was. Hij liet het schilderen al snel achter zich. Kunst moest volgens hem méér zijn dan een lust voor het oog. Een stimulans voor het brein. Maar was ‘Fountain’ eigenlijk wel de schepping van Duchamp? Kwam het werk niet eigenlijk uit het brein van barones Elsa von Freytag-Loringhoven, een vrouw die altijd was weggezet als excentriek en gek? En was zij dan de moeder van de moderne kunst, waarvan iedereen altijd voetstoots had aangenomen dat die was geconcipieerd door een man?

Het is een discussie waarvan diezelfde kenners, die door Visser binnen een onwezenlijke virtual reality-omgeving zijn geplaatst, maar geen genoeg krijgen. Met zichtbaar plezier baant de documentairemaker zich samen met haar editor Tim Roza intussen een weg door het doolhof dat door (één van) de betrokken kunstenaars is opgetrokken en dat zij nu als een readymeade aan een niets- (of juist alles-)vermoedend 21e eeuws publiek offreert: verdwalen of verdwalen, wat gaat het worden? Want deze joyeuze, oorspronkelijke en filosofische film, over het wezen van kunst en auteurschap, is als een kamer met drie deuren. Zodra je de juiste hebt gevonden, stap je opnieuw een kamer met drie deuren binnen.

Is het niet door de inhoud, dan wel door de vorm van deze film – al ís vorm natuurlijk inhoud, zeker bij deze film. Visser probeert haar tot de verbeelding sprekende barones, de verpersoonlijking van de veronachtzaamde rol van vrouwen binnen de kunst, met onlangs opgeduikelde bewegende beelden, audio-opnamen, een androgyne actrice en allerhande visual effects een nieuw digitaal leven te geven. De vrouw die de mens zelf (ook) als kunstwerk zag. En dan is het uiteindelijk alleen nog de vraag of Fountain haar grote feministische, anti-oorlogsstatement was? Een ‘readymade staaltje misogynie, inclusief nep-handtekening’, van Duchamp? Of toch het geesteskind van onze eigen verbeelding? Al doet het antwoord er in wezen niet toe.

Het gaat weer eens niet om de eindbestemming, maar om de reis ernaartoe.

Stamped From The Beginning

Netflix

Het is een ongelijke strijd. Zwarte Amerikanen zijn Stamped From The Beginning (91 min.), volgens schrijver en historicus Ibram X. Kendi in zijn gelijknamige bestseller, die nu door de toonaangevende Afro-Amerikaanse documentairemaker Roger Ross Williams op virtuoze wijze is verfilmd. Ze zijn vanaf hun aankomst in de Verenigde Staten, op één van die vermaledijde slavenschepen op de Transatlantische route, geframed als nauwelijks te onderscheiden van beesten.

In die periode is volgens Kendi sowieso het concept ‘zwart’ ontstaan. Van tevoren beschouwden de tot slaaf gemaakten zichzelf nog gewoon als lid van een bepaalde Afrikaanse stam. Zij voelden zich helemaal geen onderdeel van één en hetzelfde ras. Hun slavenhouder kon zijn handel, naar zichzelf en de rest van de wereld, echter alleen verantwoorden als hij aannemelijk kon maken dat het om een minderwaardige mensensoort ging. Zwart dus. Als roet, de nacht en al wat sowieso het daglicht niet kan velen. En al die verschillende mensen hadden zich maar naar dat idee te voegen.

Het concept ‘wit’, zo betogen Kendi en de andere zwarte denkers die Williams in zijn puntige filmessay aan het woord laat, stamt zelfs van nog later datum. Toen ze zich wilden onderscheiden van arbeiders met een kleurtje konden Polen, Italianen en Ieren lekker schuilen onder wat activiste Brittany Packett Cunningham ‘een paraplu van witheid’ noemt. De twee bevolkingsgroepen zaten allebei onder de knoet bij een kleine, natuurlijk witte, elite en werden daardoor lekker tegen elkaar uitgespeeld. Drie keer raden welke groep zich uiteindelijk van dit juk wist te bevrijden.

Zulke inzichten hadden gemakkelijk tot een dor en tamelijk breedsprakig vertoog kunnen leiden waarin de witmens met allerlei, nauwelijks te betwisten, feiten om de oren wordt geslagen en intussen ook de ‘Black is beautiful’-gedachte wordt uitgedragen. Roger Ross Williams richt zich echter vooral op het wild kloppende hart uit Kendi’s boek en dient dit nu op met een caleidoscopische mixture van speelfilmfragmenten, animatie, nieuwsreportages, literatuur en kunst, waarbij een stuwende soundtrack er wel voor zorgt dat het tempo en de schwung erin blijven.

Te midden van Afro-Amerikaanse iconen zoals Frederick Douglass, Maya Angelou en Barack Obama houdt Williams echt even halt bij de baanbrekende vrouwen Harriet Jacobs (die als eerste haar eigen slavenverhaal op papier zette), Ida B. Wells (een burgerrechtenactiviste die het aantal lynchpartijen in kaart bracht) en Phillis Wheatley (de eerste zwarte vrouw met een dichtbundel). Na de publicatie van Wheatleys boek werd er overigens een commissie van wijze mannen – herstel: witte mannen – ingesteld. Want zulke poëzie kon toch niet zijn geschreven door ‘slechts een zwarte vrouw’? 

Zwierig slalomt Roger Ross Williams, aan de hand van het onderzoek van Dr. Ibram X. Kendi, zo door de historie van Zwart Amerika. Met prominente vertegenwoordigers als schrijfster Angela Davis, influencer Lynae Vanee en congreslid Cori Bush, langs de pijnlijke symbolen Willie Horton, Rodney King en King Kong (!), via zwarte hyperseksualiteit en -criminaliteit, dwars door witte iconen zoals Thomas Jefferson, Jefferson Davis en ‘white savior’ Abraham Lincoln, op weg naar George Floyd. Want Black Lives Matter blijkbaar nog altijd niet evenveel als die van witte Amerikanen.

Er is niets mis met zwarte mensen, concludeert Kendi. Maar alles met hoe we naar zwarte mensen kijken.

Tehachapi

IDFA

Rechtvaardigt de magie van JR’s kunst nóg een documentaire? Ná de weldadige roadmovie Visages Villages (2017), waarin de fotograaf met nouvelle vague-pionier Agnès Varda door het Franse platteland reisde, gewone mensen tot iconische proporties opblies en vervolgens in en aan hun directe omgeving liet zien. En ná het joyeuze portret Paper & Glue (2022) waarin de opkomst van die biculturele jongen uit een Parijse achterstandswijk als alom gevierd straatkunstenaar werd gedocumenteerd en enkele signatuurprojecten, bijvoorbeeld in een Braziliaanse favela en op de Amerikaans-Mexicaanse grens, nog eens goed werden uitgelicht.

In die film was ook al te zien hoe JR met veertig langgestraften van de Californische gevangenis Tehachapi  (93 min.) in de weer ging om de binnenplaats te bedekken met een enorm groepsportret. Deze vervolgfilm concentreert zich volledig op dit hartveroverende project, dat natuurlijk nog verder wordt uitgebouwd en uitgediept. JR zoomt tevens in op enkele gedetineerden – bendeleden, ‘white supremacists’ en huurmoordenaars – die hun persoonlijke relaas delen en de beschadigde relatie met hun achterban proberen te herstellen. Zijn initiatief doet hen allen duidelijk goed.

En daar zit hem ook meteen de kneep bij deze film, die wel heel nadrukkelijk de zegeningen van JR’s (inderdaad onweerstaanbare) kunst telt. Tehachapi dreigt in de tweede helft soms nét iets te vaak een ongebreidelde goed nieuwsshow of verlengstuk van JR’s promocampagne te worden, die alleen nog even flink dwars wordt gezeten door het Coronavirus. Iets meer duiding, distantie en wellicht ook gewoon tijd – om te zien hoe ‘t zijn protagonisten op de wat langere termijn vergaat – hadden deze derde JR-docu beslist goed gedaan.

Dit laat onverlet dat ook Tehachapi weer ‘gewoon’ een onweerstaanbaar pleidooi voor (mede)menselijkheid is geworden, waar droefsnoeten, zwartkijkers en treurwilgen even moed uit kunnen putten. Zo bezien: graag elk jaar een nieuw JR-project met film – al mag ie die dan ook door een ander laten regisseren.

Sur L’Adamant

Cherry Pickers

In een boot in hartje Parijs is Dagcentrum Adamant gevestigd, het decor voor de nieuwe film van Nicolas Philibert, de Franse documentairemaker die in 2002 met Être Et Avoir, een hartveroverend portret van een plattelandsschool, een absolute voltreffer afleverde. Deze boot op de Seine, onderdeel van de afdeling psychiatrie van het Saint Maurice-ziekenhuis, blijkt eveneens een geschikte locatie voor een kalme, observerende film, boordevol liefde voor de mens en zijn kwetsbaarheden. Philibert beziet de bezoekers van die boot met geduld en compassie, geeft hen de gelegenheid om hun verhaal te doen en luistert mee tijdens de gesprekjes die ze hebben met elkaar of een begeleider. Bijna ongemerkt ontstaat zo een teder portret van een veilige wereld, waar iedereen zichzelf mag zijn.

‘Geesteszieken hebben vaak geen familie of hebben er een slechte band mee’, zegt François bijvoorbeeld, terwijl hij een sigaretje staat te roken op het dek van de Adamant. ‘Ik wil niet generaliseren, maar dat is zo.’ Is dat bij jou ook zo? wil zijn gesprekspartner Guillaume weten. ‘Ja’, beaamt François, een man van middelbare leeftijd met een opvallend slecht gebit. ‘Ik wilde op mijn krachtige vader lijken, maar ging op m’n bek. Hij was de regisseur Gérard Gozlan.’ Op een gegeven moment heeft François, die vanaf zijn achttiende psychische problemen heeft, ‘t maar gewoon uitgesproken: ‘Pa, ik weet dat ik de mislukking van jouw leven ben. Hij zei: hou op. Straks maak je je moeder weer aan het huilen.’

François is één van de terugkerende personages in Sur L’Adamant (105 min.). In de openingsscène heeft hij al indruk gemaakt met een hartverscheurende versie van het lied La Bombe Humaine van de groep Téléphone. ‘Het kon hem niet rotten dat ik ziek was. Hij wilde dat ik gelukkig was’, vervolgt hij het gesprek met Guillaume over zijn vader. ‘Was je ziek toen je dat zei?’ vraagt die. ‘Ik bén ziek’, corrigeert François, terwijl hij zo nu en dan zenuwachtig aan zijn peuk trekt en het verleden aan hem voorbij lijkt te trekken. ‘Nog steeds. Alleen dankzij zware medicatie flip ik niet en kan ik met je praten, Guillaume. Anders zou ik denken dat ik Jezus was, omgeven door vogeltjes in de hemel.’

Uit ‘s mans woorden en houding spreekt berusting: dit is wie hij nu eenmaal is. Elke bezoeker van het dagcentrum heeft met zulke thema’s te dealen. Ondanks allerlei pogingen om te veranderen, zijn ze nog steeds wie ze zijn. Of ze zijn niet meer – en worden ook nooit meer –  degene die ze ooit waren. Met schilderen, fotografie, musiceren, schrijven of gewoon een spelletje krijgen de bezoekers van de Adamant de gelegenheid om zich op hun eigen wijze uit te drukken. ‘In een wereld waarin men geacht wordt aan de norm te voldoen en afwijkend gedrag onderdrukt wordt’, stelt Nicolas Philibert daarover aan het eind van zijn liefdevolle film, ‘zijn er nog plekken waar de poëtische kant van mens en taal mag bestaan.’

Zo’n plek, betoogt hij, zou er voor iedereen moeten zijn.

In 2024 bracht Nicolas Philibert maar liefst twee vervolgen uit op Sur L’Adamant. Averroès & Rosa Parks, nog niet gezien, lijkt een volwaardige opvolger. La Machine A Écrire Et Autres Sources De Tracas heeft echter weinig om het lijf. Daarin bezoekt de Franse filmmaker, in het spoor van enkele klusjesmannen van de instelling, bekende personages van de eerste film. Het wordt uiteindelijk niet meer dan een verzameling lange deleted scenes, die weinig toevoegen aan Sur L’Adamant.

F For Fake

Janus Films

Deze film wordt opgeleverd met een disclaimer: ‘Everything in this film is strictly based on the available facts’. En daarvan is geen woord gelogen – of elk woord. In deze klassieke hybride van docu en drama uit 1973 exploreert Orson Welles de schijn van het zijn. Of het zijn van de schijn, dat kan ook. Fakery, zoals de filmlegende ’t zelf noemt. Een hoax. Alles in deze film is spel. Fake. Ofwel: F For Fake (88 min.)

Centraal in deze film staat de Hongaarse meestervervalser Elmyr de Hory. Een schilder die zo goed anderen kan kopiëren dat zelfs de schilders zelf beginnen te twijfelen. Het leidde, volgens Orson Welles, tot een geinige situatie met de Nederlandse kunstenaar Kees van Dongen. ‘Van Dongen bestudeerde het schilderij nauwkeurig,’ aldus Welles. ‘En bezwoer toen dat hij ’t zelf had geschilderd.’

‘Als je ze in een museum hangt, in een collectie met andere geweldige schilderijen, en ze hangen er maar lang genoeg, dan worden ze vanzelf echt’, stelt De Hory. Volgens zijn biograaf Clifford Irving kan de man zelf desondanks feilloos zijn eigen schilderijen onderscheiden van de echte kunstwerken – als er al zoiets als een verschil bestaat. Alleen kun je Irving niet op zijn woord geloven. Tenminste, volgens Welles.

Trots laat Irving in een catalogus een verkochte Modigliani zien. Gemaakt door De Hory, natuurlijk. Die reageert met een omtrekkende beweging. ‘Hij werkte vrij weinig, hij stierf op jonge leeftijd’, zegt hij over de Italiaanse schilder. ‘Dus als er een paar schilderijen of tekeningen worden toegevoegd, verknalt dat zijn oeuvre heus niet.’ En, voegt er dan aan toe: ‘Ik vind ’t niet vervelend voor Modigliani, het is vooral fijn voor mij.’

En als Elmyr de Hory daarmee wegkomt, wie houdt dan eigenlijk wie voor de gek? De vervalser of de kunstkenner die zich in de luren laat leggen? Zo speelt deze film voortdurend met wat waar/niet waar is en speelt Orson Welles intussen met, welja, Orson Welles. Met veel bombast, theater en tongue-in-cheek humor laat de geboren verhalenverteller eenieder via een lachspiegel naar de (kunst)wereld kijken.

Dit was trouwens ook in 1973 al geen nieuwe documentaire over De Hory en zijn – had ik dat al verteld? – gevallen biograaf. Toen Clifford Irving vanwege een gefingeerde biografie van de verknipte biljonair Howard Hughes in opspraak raakte, nam Welles het beeldmateriaal van de kunstenaar en zijn biograaf, dat hij eerder samen met François Reichenbach had gemaakt, nog eens grondig onder handen voor deze docu.

Binnen zo’n vertelling – noem het gerust een filmessay – passen ook Welles’ eigen omzwervingen rond de waarheid. Hoe hij zichzelf de kunst- en filmwereld inloog, bijvoorbeeld. En ook het hoorspel The War Of The Worlds, waarmee hij Amerika de stuipen op het lijf jaagde, en de speelfilmklassieker Citizen Kane – over een gefictionaliseerde versie van, jawel, Howard Hughes – dealen natuurlijk met bedrog.

En dan brengt Welles met een verborgen camera ook de ‘buitensport meisjekijken’ nog in beeld en schudt hij en passant tevens een smakelijk verhaal over Pablo Picasso uit zijn mouw in deze joyeuze, virtuoos gemonteerde verhandeling die langs tegenstellingen als nep en echt, kunst en kopie en de waarheid en een leugen slalomt.

En, jawel mensen, toeschouwers (o)verbluft achterlaat.

AKA Mr. Chow

HBO Max

‘In het westen stond China helemaal onderaan de ladder’, vertelt Mr. Chow. ‘Je kunt geen schilder worden, zeiden ze. Je kunt niks. Alleen in een restaurant of wasserij werken.’ Zhou Yinghua alias Michael Chow zegt dat laatste, of varianten op hetzelfde thema, zo vaak in het portret AKA Mr. Chow (87 min.) dat ’t bijna een gimmick wordt. Het gevoel zit blijkbaar heel diep en sijpelt steeds weer door in zijn levensverhaal, dat op het eerste oog toch bijna op een Hollywood-film lijkt.

Nadat de twaalfjarige Chow, zoon van de beroemde Chinese operaster Zhou Xinfang, in 1952 door zijn moeder naar het westen is gestuurd, stapelen de successen zich al snel op: hij bemachtigt enkele filmrollen (waaronder een bijrolletje in een James Bond-film), start een wereldwijde restaurantketen, begint tot de kunstkliek rond Andy Warhol te behoren, trouwt enkele begeerlijke vrouwen en beleeft in zijn derde jeugd, dik in de tachtig inmiddels, als ‘M’ alsnog een carrière als succesvolle kunstenaar.

Daarachter zit dus nog een andere wereld, toont deze film van Nick Hooker, waarin Chow zelf overigens het leeuwendeel van de tijd aan het woord is. De wereld van een man die zich altijd bewust blijft van wie hij werkelijk is. Simpel gesteld: ‘Als je mijn bril, mijn gulle fooien en m’n Rolls Royce wegneemt, dan ben ik niet goed genoeg.’ En van een man die altijd de zoon is gebleven van een levende legende, die hij beslist niet mag teleurstellen. ‘Vanaf jonge leeftijd wist ik dat ik geweldig moest worden.’

Behalve familie, vrienden en kenners laat Hooker ook de nodige celebs aan het woord, die stuk voor een stuk een aspect van Michael Chows leven en loopbaan weerspiegelen: schrijfster Fran Leibowitz, filmproducent Brian Grazer, rapper LL Cool J., kunstenaar Julian Schnabel, acteur Steve Coogan en model Grace Coddington, tevens Chows eerste vrouw. Tezamen schilderen zij een levenskunstenaar die nooit lang bij de pakken neer gaat zitten – ook al is daartoe soms wel degelijk aanleiding geweest.

Want als de man die je als geen ander bewondert één van de eerste slachtoffers wordt van Mao’s Culturele Revolutie en de hele familie daardoor wordt ontwricht, vreet dit zich natuurlijk naar binnen. Bij mannen zoals Zhou Yinghua lijkt zulke malheur echter direct te worden omgezet in daadkracht. Zodat elke tegenslag zijn eigen succes oplevert. Zo is het hem zelfs gelukt om eindelijk zijn ambities als kunstenaar te verwezenlijken. Met kleurrijke collagekunst, gemaakt met ‘veel kungfu’.

Een beetje zoals de man zelf, zou je op basis van deze even vlotte als vluchtige film kunnen constateren.

Anselm

Cherry Pickers

Hij is nog nét een oorlogskind. Op 8 maart 1945 had Anselm Kiefers vaderland Duitsland zich nog altijd niet officieel gewonnen gegeven. Met zijn werk zou de kunstenaar later rücksichtslos in het Duitse verleden peuren. In een land waar het liefst werd gezwegen over de Tweede Wereldoorlog kwam hem dat op zowel lof als kritiek te staan.

Voor de fotoreeks Besetzungen (1969) maakte Anselm Kiefer in landen die ooit waren bezet door de nazi’s bijvoorbeeld naargeestige zelfportretten, waarvoor hij op allerlei plekken in het Wehrmacht-uniform van zijn vader de Hitlergroet bracht. ‘Ik deed wat ik dacht wat toentertijd absoluut nodig was’, vertelde hij er later over. Het zwijgen moest volgens Kiefer worden doorbroken. ‘Ik weet ook niet wie of wat ik was geweest in 1930 of 1939. Ik weet ook niet wat ik zou hebben gedaan. Veel intellectuelen vinden echter dat ik zulke vragen niet moet stellen.’

Regisseur Wim Wenders neemt in het immersieve portret Anselm (93 min.), gefilmd in 3D, de tijd voordat hij deze omstreden episode uit Kiefers loopbaan en oeuvre aanroert. Eerst introduceert hij diens monumentale atelier van ruim 81 hectare in Croissy-Beaubourg, nabij Parijs. Een gigantische ruimte waar de kunstenaar in eerste instantie niet meer dan een nietige figuur te midden van zijn eigen kolossale kunstwerken lijkt. Hij rijdt er fluitend langs op zijn bakfiets, alsof hij is verdwaald in een autonoom opererend magazijn dat zich allang heeft losgemaakt van een dubieuze multinational. 

Daar wordt een geheel eigen wereld opgeroepen, die Wenders nog eens extra kleur geeft met gefluisterde gedachtespinsels van zijn hoofdpersoon en barokke klassieke muziek. Later toont hij de schilder en beeldhouwer aan het werk. Kiefer werkt op zulke enorme schaal dat er soms ook een hoogwerker of vorkheftruck aan te pas moet komen. Samen met een assistent speelt hij tevens een spel met vuur en water. Anselm Kiefer zorgt voor vlammen, zijn medewerker blust die weer. Zo kleuren ze een gigantisch kunstwerk verder in en scheppen een wereld die is getekend door het vuur.

Interviews blijven intussen vrijwel volledig achterwege. Wim Wenders vertelt liever met beeld. Hij roept Kiefers jeugd op met een fraaie animatiescène, zijn latere leven krijgt gestalte met sfeervolle impressies van zijn werk en inzichtelijke televisiereportages. Wenders heeft bovendien enkele sleutelmomenten uit Anselm Kiefers leven gereconstrueerd. Zijn neefje Anton Wenders speelt hem als kind, terwijl Kiefers eigen zoon Daniel de kunstenaar op latere leeftijd vertolkt. (Net) als zijn vader maakt hij bijna halverwege de film, op het één of andere schuldige landschap, de omstreden groet.

Anselm heeft zich dan allang gepositioneerd als een imposante, eigenzinnige en bespiegelende film over één van de grootste (na)oorlogse kunstenaars, die zich stelselmatig verzet tegen ‘the unbearable lightness of being’.

Brieven Aan Vincent

NTR

‘Weet je, Vincent, ik heb nooit geschilderd’, begint Françoise Boissonat haar brief aan Vincent van Gogh, bij wie ze troost vindt. ‘Toch heb ik het gevoel dat we heel wat gemeen hebben. De gevoeligheid voor licht en kleur, de mooie dingen die de natuur ons zo schaamteloos heeft gegeven. Zoals we ons kunnen verliezen in een landschap, de oogst of de wind in de tarwe. Alle kleine dingen waardoor ons kapotte brein zich toch zo sterk voelt.’

Van Gogh verbleef een belangrijk deel van zijn laatste levensjaar – van mei 1889 tot mei 1890 – in het psychiatrische ziekenhuis Saint-Paul-De-Mausole te Frankrijk. Van daaruit schreef hij persoonlijke brieven aan zijn moeder, zussen en broer Theo. In deze kliniek, gevestigd in een voormalig klooster, worden nog altijd kwetsbare mensen opgevangen. En ook zij schilderen en schrijven hun persoonlijke malheur van zich af.

In de gestileerde korte documentaire Brieven Aan Vincent (25 min.) richten enkele vrouwen zich tot hun illustere voorganger. In hun eigen woorden, recht op camera uitgesproken, vertellen ze hem over hun verdriet, verslavingen en somberte. En hij, de dan nog miskende kunstenaar, ‘antwoordt’ hen, met de gedachten en gevoelens die hij zelf ooit aan het papier heeft toevertrouwd – en die nu door acteur Valentijn Dhaenens zijn ingesproken.

Via deze zielsverwanten, hun geschriften en de idyllische omgeving waarvan die een weerspiegeling zijn onderzoekt documentairemaker Hannah van Tassel zo het schemergebied tussen creativiteit en gekte. Schilderen werkt heilzaam voor hen. Net als zingen. ‘Beste Vincent, ik heb ervan genoten om in het klooster te zijn, waar jij een jaar hebt verbleven’, vervolgt Françoise aan het eind van deze fraaie, verstilde film haar persoonlijke brief.

‘Misschien is het je subtiele aanwezigheid – of beter: je subtiele afwezigheid – die deze plek zo bijzonder maakt. Je bent hier zonder hier te zijn, zo donker dwalend over de wegen als je schilderijen licht geven.’ Ze heeft ook bemoedigende woorden gevonden voor hem, de man die pas na zijn dood erkenning heeft gekregen als schilder. ‘Weet je, Vincent, dat alle schilderijen die je hier hebt gemaakt nu in de hele wereld bekend zijn? Al het beste, Françoise.’

Ze kijkt recht in de camera, laat een stilte vallen en slikt met moeite haar emotie weg.

DEPOT – Reflecting Boijmans

Sjarel Ex (l) & Winy Maas (r) / NTR

Eerst wordt de film opgedragen aan ‘de ziel van Museum Boijmans Van Beuningen’. Daarna volgt een tamelijk overcomplete voice-over over ‘het Louvre aan de Maas’ (‘iconische schilderijen en beeldhouwwerken’, ‘zware regenval’, ‘propvol asbest’, ‘totale renovatie’, ‘bouw groot publiekelijk toegankelijk depot’, ‘ark van Noach’, ‘bewaren voor de eeuwigheid’). En tenslotte volgt een lied annex leader waarin het met de adjectieven ‘wonderlijk’, ‘eigenwijs’ en ‘onvoorstelbaar prachtig’ omschreven gebouw alsmede de voornaamste spelers in deze documentaire (directeur Sjarel Ex, architect Winy Maas en regisseur Sonia Herman Dolz en haar crew) worden gepresenteerd. En dan ben je als kijker wel binnen bij DEPOT – Reflecting Boijmans (86 min.) – of niet, natuurlijk.

Ex en Maas leiden de kijker als ervaren gidsen rond door de totale vernieuwing van het Rotterdamse museum; van de ontmanteling van het oude gebouw en het inpakken en verhuizen van de collectie tot de ontwikkeling van James Bond-achtige plannen voor het depot, een gigantisch spiegelpaleis in het hart van de stad, en de vrijwel onvermijdelijke protesten daartegen vanuit de directe omgeving, waarover de rechter dan weer moet oordelen. Parallel daaraan toont Dolz, via fragmenten uit de film Bouw Van Boymans (1935), de geschiedenis van het oorspronkelijke museumgebouw, dat geen opslagruimte heeft voor de snel groeiende collectie. Dit pand is sinds 2019 gesloten, voor een renovatie die naar verwachting zeker zo’n tien jaar zal duren.

‘Wat is nou belangrijk?’ vraagt Ex. ‘De veiligheid of dat het kunstwerk kan worden genoten? Dan zal ik altijd zeggen dat een kunstwerk moet worden genoten. Natuurlijk, op een veilige manier. Maar het is onzin om te zeggen: het is gevaarlijk om het te laten zien. Dat kan toch niet? Want dan zouden we de kunst helemaal niet meer kunnen genieten.’ In de opslag krijgt elk van de ruim 150.000 kunstwerken bovendien een gelijke kans en valt er steeds weer iets nieuws te ontdekken. DEPOT biedt ook echt gelegenheid om, begeleid door de expressieve muziek en liederen van Paul M. van Brugge, aandachtig te kijken. Naar de (inmiddels ruim 150.000) kunstwerken, het ‘naakte’ oude gebouw, dat imposante depot, de feestelijke opening daarvan met de koning én de betrokken personages.

Als de lyrische beeldenpracht en krachtige soundtrack samensmelten is deze film, waarin Dolz’s vertelstem een beetje een fremdkörper blijft, op zijn sterkst. In zulke sequenties wordt voel- en zichtbaar wat Ex, die in 2022 na achttien jaar is gestopt als directeur, bedoelt als hij zegt dat het met zestienhonderd spiegels behangen depot, niet zomaar een gebouw is, maar een stukje stad. Een weerspiegeling van al, de mensen, gebouwen en activiteiten, waardoor het wordt omringd.

The Thief Collector

HBO

Routineus beginnen ze aan het leegruimen van de woning in het kleine Amerikaanse plaatsje Cliff. It’s all in a day’s job voor Dave Van Auker en zijn collega’s van Manzanita Ridge Antiques in Silver City, New Mexico. Ditmaal is alles echter anders. Op een augustusdag in 2017 treffen ze op de slaapkamer van het huis een schilderij aan, dat verdacht veel lijkt op Woman-Ochre, een belangwekkend werk van de befaamde Nederlands-Amerikaanse schilder Willem de Kooning.

Het schilderij is al ruim dertig jaar spoorloos. Op 29 november 1985, de dag na Thanksgiving, werd het door een man en een vrouw gestolen uit het University Of Arizona Museum of Art in Tucson. Toen was het ‘slechts’ drie á vier ton waard. Inmiddels wordt het op een slordige 160 miljoen dollar ingeschat. Ter plaatse, in Nowhereville, USA , hebben ze desondanks weinig op met het schilderij. Dat kan hun kleine broertje ook – of een bonobo, heb je die wel eens zien schilderen?

In de woning van de pensionado’s Jerry en Rita Alter worden tevens manuscripten aangetroffen van de man des huizes. In het korte verhaal The Thrill Seekers beschrijft Jerry bijvoorbeeld hoe de adrenalinejunkies ‘Georges’ en ‘Suzie’ een schilderij stelen. Ze beschouwen zichzelf als ‘masters of victimless crimes’. Moet dit worden opgevat als een bekentenis? Regisseur Allison Otto heeft hun lotgevallen in elk geval met acteurs en een vette knipoog verfilmd voor The Thief Collector (96 min.). 

Er zijn drie soorten kunstdieven volgens Bob Cauthorn, voormalig kunstmedewerker van The Arizona Daily Star. De types die simpelweg de gelegenheid aangrijpen, zij die er dik geld mee willen verdienen en lieden die puur en alleen voor zichzelf stelen. Die laatsten zijn volgens hem het gevaarlijkst. Zij verbergen het ontvreemde werk angstvallig voor de wereld. Behoren de Alters tot die categorie? Of hadden ze misschien een appeltje met De Kooning te schillen? En hebben ze wellicht nog meer op hun kerfstok?

Met familieleden, kennissen, medewerkers van de plaatselijke kringloopwinkel, vertegenwoordigers van het museum, kunstkenners en een agent van het FBI Art Crime Team ontleedt Otto in deze vermakelijke kunstcrime-docu het dubbelleven van Jerry en Rita Alter. Hebben ze al die tijd iedereen in het ootje genomen? Of doelbewust een mythe rond hun eigen levensverhaal gecreëerd? Maar als dat laatste waar is: hoe komen ze dan in Godsnaam aan Woman-Ochre?

Patti Smith: Electric Poet

Arte

Na een concert met Bruce Springsteen & The E Street Band voelde gitarist Steven van Zandt onlangs de behoefte om met een tweet een recensent te corrigeren: nee, Bruce speelde geen cover van Patti Smith, het was zijn eigen compositie!

Vreemd is het overigens niet dat Because The Night door menigeen vooral wordt geassocieerd met de zangeres, dichter en kunstenares uit New York. Zij eigende zich het prijsnummer volledig toe en maakte er een absolute wereldhit van, haar enige overigens. Smith zelf werd intussen in het collectieve geheugen opgeslagen als een performer die floreerde op het braakliggende terrein tussen poëzie en rock & roll. Ze stond daarbij op de schouders van giganten als Arthur Rimbaud, Brian Jones, James Dean, Albert Camus en Bob Dylan en werd volgens eigen zeggen regelmatig verrast door de kracht van haar eigen verbeelding.

Als outsider had ze haar plek gevonden in het illustere Chelsea Hotel, een bastion van de tegencultuur waar je in de lobby zomaar bohémiens als Janis Joplin, William Burroughs of Allen Ginsberg tegen het lijf kon lopen. En even verderop huisde Andy Warhol’s The Factory, waar The Velvet Underground kind aan huis was. Gedragen door de eerste punkgolf van halverwege de jaren zeventig, waarbinnen ze helemaal op haar plek was, werd Smith zelf ook een icoon van die scene: oorspronkelijk, eigenzinnig en androgyn. Gaat het te ver om haar ‘non-binair avant la lettre’ te dubben? Feit is dat ze speelde met de traditionele man- en vrouwrollen.

Het gedegen portret Patti Smith: Electric Poet (53 min.) van Anne Cutaia en Sophie Peyrard richt zich vooral op het decennium waarin de geboren performer zich openbaarde aan de wereld. Zoals wel vaker wordt de periode daarna, waarin ze ook nog eens bijna tien jaar uit het publieke leven verdween om zich samen met haar echtgenoot Fred ‘Sonic’ Smith (oud-gitarist van The MC5) te wijden aan haar gezinsleven, bijna behandeld als een soort epiloog. Alsof dat latere leven simpelweg kan worden gereduceerd tot de comeback, na Freds vroegtijdige overlijden in 1994, en de blijvende artistieke waardering die haar sindsdien, ook als fotograaf, ten deel is gevallen.

‘Ik ben nooit normaal geweest’, stelt ze zelf, na een leven lang liefdevol laveren tussen punk en poëzie. ‘Maar ik ben een normale excentriekeling.’

Kim Novak: Hollywood’s Golden Age Rebel

Arte

Als een klassieke ‘blonde bombshell’, aan de man gebracht onder de noemer ‘The Lavender Blonde’, werd Kim Novak begin jaren vijftig door Hollywood in de markt gezet. Als de opvolgster bij filmstudio Columbia Pictures van Rita Hayworth en een geduchte rivale van Marilyn Monroe, de ster van de concurrerende studio 20th Century Fox. In Alfred Hitchcocks klassieker Vertigo (1958) zou de Amerikaanse actrice tot grote hoogte stijgen met een ijzingwekkende dubbelrol.

Tegelijkertijd werd ze behandeld zoals vrouwen nu eenmaal werden behandeld in het mannenbolwerk dat Hollywood zeker in die tijd was. Haar schoonheid voelde daardoor eerder als een juk dan als een zegen. ‘Ik herinner me nog goed dat het hoofd publiciteit van een filmstudio ooit tegen me zei: vergeet nooit dat je niet meer bent dan een stuk vlees’, stelde ze toentertijd verontwaardigd tijdens een tv-interview. ‘Net als in een slagerij. En het erge is: zo word je ook behandeld.’

Daarmee slaat Kim Novak: Hollywood’s Golden Age Rebel (52 min.) een vergelijkbare toon aan als de recente portretten van klassieke ‘sekssymbolen’ zoals Mae West, Marilyn Monroe en Anita Ekberg. Zij mochten stuk voor stuk nooit meer worden dan de vleesgeworden mannelijke fantasie. Novak voelde zich bepaald niet senang bij deze rol, die haar automatisch was toebedeeld. ‘Ik wilde mijn ziel laten zien op het scherm’, vertelde ze op latere leeftijd. ‘Niet mijn borsten.’

Volgens dit klassiek gemaakte portret van Jessica Menéndez was zij sowieso een ster tegen wil en dank. Novak wilde eigenlijk kunstenares worden en liep voortdurend tegen de beperkingen op die ze als eigenzinnige vrouw kreeg opgelegd. Dat werd nog eens pijnlijk duidelijk toen in de media het verhaal rondging dat ze een relatie had met Sammy Davis Jr. Een witte ster die zich inliet met een zwarte man. Dat was vragen om problemen in de oerconservatieve filmindustrie.

Bezien vanuit het #metoo-tijdperk lijkt het Hollywood uit deze degelijke tv-docu, waarin een verteller de kijker langs allerlei filmfragmenten, archiefmateriaal en enkele filmhistorici loodst, één grote vleesfabriek en ‘casting couch’. Zo bekeken is het helemaal niet vreemd dat één van de grootste sterren van de fifties al na een kleine vijftien jaar besloot om zich voortaan vooral op schilderen te gaan richten.

Hopper: An American Love Story

Exhibition On Screen

Misschien is dit het verhaal. Van Edward Hopper (1882-1967), één van de grootste Amerikaanse kunstenaars van de twintigste eeuw. Een schilder die, vanuit zijn eigen bubbel, de ziel van zijn land op het canvas wist te krijgen. Een verdwenen Amerika, nog nét niet vergeten. Waar geen zwarte Amerikanen schijnen te bestaan. Net als groepen mensen. ‘s Mans wereld wordt vrijwel alleen bevolkt door eenlingen. Zijn iconische schilderijen lijken doortrokken van een gevoel van opperste eenzaamheid.

Een verhaal – over een man, een kunstenaar, een oeuvre – dat wordt verteld door biografen, connaisseurs en curatoren. Exact de ‘high brow’-kenners die je in een portret van een belangwekkende kunstenaar verwacht. Hun zorgvuldig geformuleerde observaties en conclusies worden, natuurlijk, geïllustreerd met ’s mans filmische schilderijen. Die in Hopper: An American Love Story (52 min.) natuurlijk ook zeer accuraat worden geduid, vergeleken en geprezen. 

De persoon Edward Hopper, een man die volgens mensen die het kunnen weten was ‘geboren om kunstenaar te worden’, komt zelf aan het woord via een enkel bewaard gebleven interview op beeld en de gedachten die hij ooit op papier zette en die nu zijn ingesproken door stemacteur Glen McCready. ‘Ik wou dat ik nog meer kon schilderen’, verzucht die bijvoorbeeld. ‘Ik word doodmoe van lezen en naar de film gaan. Ik zou veel liever de hele tijd schilderen.’

Het was geen vrolijke man, zoveel wordt uit alle verhalen wel duidelijk. Een eenzaat en brompot zelfs. Zijn echtgenote Josephine Nivison Hopper, zelf ook kunstenaar, had getuige haar eveneens voorgelezen dagboeken heel wat te stellen met haar ‘E.’, die ze op goede momenten ook nog wel eens ‘Eddy’ noemde. Hopper was nu eenmaal geen mensenmens. Hij verdween liever in zijn werk, zoals één van de sprekers in deze tv-docu van Phil Grabsky het formuleert.

Misschien is dit inderdaad het verhaal: van een man die leeft voor en door zijn kunst. Het wordt in dit portret alleen wel erg braaf verteld, een tikkeltje saai zelfs – al kan de Hopper-veteraan of -novice vanzelfsprekend zijn ogen uitkijken bij zijn tijdgebonden en toch tijdloze oeuvre.

Normaal – Ik Kom Altied Weer Terug – Ja Dat Was… Høken! 40 Jaar Normaal

VPRO

Mensen zoals hij – of beter: de mensen die hij tot zijn natuurlijke achterban mag rekenen – doen de laatste tijd duchtig van zich spreken. Bennie Jolink, voorman van de Nederlandse rockgroep Normaal, was echter nooit een reguliere boer. En dus zat dat ene zinnetje in de single De Boer Is Troef (‘De EEG trapt ons weer terug’) uit 1983 hem altijd dwars. ‘Hoe krijg je het uit je pen?’ toonde de Achterhoeker zich deze week, veertig jaar later, zelfkritisch tijdens een interview met het Algemeen Dagblad. ‘Al die mensen die tegenwoordig Europa afwijzen – de boeren van Farmers Defence Force, Wilders en die idioot van Baudet voorop – zouden de globe er eens bij moeten pakken. Denk je nou dat het kleine Nederland het alleen redt in deze wereld?’

Iedereen die zijn ongegeneerde lofzang op de boer aanhoort bij de start van Normaal – Ik Kom Altied Weer Terug (80 min.), de documentaire die Frank van den Engel in 2001 maakte over de helden van het platteland, wordt alleen toch even op het verkeerde been gezet. Bennie Jolink oogt dan als een aan rock & roll verslingerd bastaardkind van Boer Koekoek en Caroline van der Plas. Even later in deze wat onevenwichtige, afwisselend uitzinnig rockende en melancholieke film – uitgebracht in de slipstream van Zij Gelooft In Mij, John Appels baanbrekende portret van André Hazes uit 1999 – werkt de rouwdouwer in alle rust aan een portretschilderij. Want ook dat is Jolink, een in Amsterdam opgeleide beeldend kunstenaar, een onverbeterlijke hardkop, een overtuigde eenzaat en een vermakelijke brompot. Een man van middelbare leeftijd bovendien die het optreden met zijn band fysiek nauwelijks meer trekt. Na de met bier, zweet en boer’nrock doordrenkte Normaal-shows is hij volledig buiten adem en moet hij echt weer opgelapt worden.

Ja Dat Was… Høken! 40 Jaar Normaal (85 min.), constateert Jolink in 2015, als de groep z’n afscheid aankondigt. De film van Frank Wiering begint met een uitvoering van de Normaal-klassieker Vrouw Haverkamp, opgebouwd rond enkele tekstregels die tegenwoordig vast niet meer door de beugel zouden kunnen: ‘Vrouw Haverkamp / Wa he-j toch grote tieten / Hoe we’die da? / Ik heb ze zelf in d’handen gehad’. In deze deurdonderdocu passeert nog wel meer de revue wat met de ogen van nu tamelijk lomp en macho overkomt. Met zichtbaar plezier verhaalt Bennie Jolink bijvoorbeeld over een bezoek aan het televisieprogramma Toppop, dat voor heel wat ophef en schade zorgt en ‘de kannibalen uit de Achterhoek’ definitief bombardeert tot superboeren. In die hoedanigheid zullen ze vier roerige decennia volmaken, die volledig in het teken staan van dat ondefinieerbare en toch uit duizenden herkenbare begrip ‘høken’. ‘Alles wat woest, onbenullig en lekker is’, aldus Jolink zelf. ‘Zolang het maar niks met seks of geweld te maken heeft.’

Als geen ander heeft hij, laat ook deze lekkere bandjesdocu weer zien, in de voorbije halve eeuw de ziel van het Nederlandse platteland weten te vertolken en raken. Ofwel, in vakjargon: ‘Wat de lul is voor de hoeren, is Normaal voor de boeren.’ Als één man dus het verschil tussen platteland en stad kan duiden, dan is hij het. Dat zit hem volgens Bennie Jolink in één enkel woord: assertiviteit. ‘De randstedeling, zeg ik altijd, adoreert assertief gedrag’, doceert hij in Ja Dat Was… Høken!. ‘Een normaal mens, een plattelander, vindt assertiviteit onbeschoft, egoïstisch, brutaal en opschepperig.’ En die heeft afgelopen week, na de enorme verkiezingsoverwinning van de BoerBurgerBeweging, nu eens onbekommerd zijn eigen feestje mogen vieren. Daarbij klonk, en dat zal geen verbazing wekken, ook Normaals allergrootste hit: Oerend Hard.

Dicht Bij Vermeer

Cinema Delicatessen

Gregor Weber maakt buiten even een ommetje. De conservator van de grootste Vermeer-expositie ooit, in het Rijksmuseum te Amsterdam, moet laten bezinken wat hij zojuist te horen heeft gekregen. ‘Ik was zo onder de indruk van dit schilderij en nu hoor ik dat jullie twijfelen’, zegt Weber even later, als hij weer wat is bedaard, tegen conservator Betsy Wieseman van The National Gallery Of Arts in Washington D.C. Met haar team heeft zij die dag een presentatie gehouden over het schilderij ‘Meisje met de fluit’. Dat is volgens hen niet van Vermeer. ‘Dit is iets nieuws en dat moet ik slikken’, bekent Weber. Hij maakt er maar een grapje van: ‘Als een grote kikker.’

De Duitse conservator, een kunstwetenschapper die overduidelijk ook met hart en ziel van deze specifieke kunstenaar houdt, fungeert als kloppend hart voor de documentaire Dicht Bij Vermeer (78 min.), waarin Suzanne Raes de aanloop naar de onlangs geopende en direct uitverkochte Vermeer-expositie vereeuwigt. Behalve het verzamelen van zoveel mogelijk werken van de enigmatische Delftse kunstenaar Johannes Vermeer (1632-1675), aan wie in totaal slechts zo’n 37 schilderijen worden toegeschreven, en het inrichten van de tentoonstelling behoort daartoe ook het gesprek over wat een ‘Vermeer’ kenmerkt en hoe zo’n kunstwerk is te herkennen.

Dat vereist in eerste en laatste instantie héél goed kijken. En dat is precies wat Raes in deze kalme, ingetogen en oogstrelende film ook doet: ze laat liefhebbers en kenners met een timmermansoog naar het werk van Vermeer kijken en dit inhoudelijk duiden. En ze daagt haar publiek vervolgens uit om met behulp van die kijkwijzer volledig op te gaan in wereldberoemde kunstwerken, die toch steeds weer nieuwe geheimen prijsgeven. Daarmee ontstaat ongetwijfeld ook meteen iets van begrip voor het feit dat kenners zoals Gregor Weber en schilder Jonathan Janson zomaar kunnen volschieten als ze Vermeers schilderijen zien of de impact daarvan proberen te beschrijven. 

Én dat ze ’t ook niet zomaar willen en kunnen accepteren als een ‘Vermeer’ ter discussie wordt gesteld, dat ook. De twee komen los van elkaar tot dezelfde conclusie: dat ‘Meisje met de fluit’ is wél van Vermeer. Binnen hun omgeving lijkt – nee: is – dat een zaak van levensbelang. Via gedreven kunstminnaars zoals zij legt Dicht Bij Vermeer, net als eerder bijvoorbeeld Oeke Hoogendijks Mijn Rembrandt, de mores bloot van een wereld, die zich volledig lijkt te onttrekken aan de waan van de dag en van nature op zoek is naar een stukje eeuwigheid.