Biggie: I Got A Story To Tell

Netflix

‘Fuck the world, fuck my moms and my girl’, rapte Christopher ‘Biggie’ Wallace in het titelnummer van zijn debuutalbum Ready To Die (1994). ‘My life is played out like a jheri curl. I’m ready to die.’ Zijn producer Easy Mo Bee kan zich nog goed herinneren hoe de zwaarlijvige rapper na afloop uit het opnamehokje stapte. ‘Weet je dat je zei: fuck je moeder?’ vroeg hij hem verbaasd. ‘Hij antwoordde dat hij niet klaar was om te sterven. Het was gewoon hoe hij zich voelde. Hoe serieus het destijds was voor hem.’

Christopher Wallace, die zichzelf gaandeweg The Notorious B.I.G. ging noemen, vult zelf aan: ‘Als ik dood was, zou ik me nergens meer zorgen over maken. Ik kon gewoon rusten. In de hemel of in de hel.’ Niet veel later zou de New Yorkse rapper inderdaad in het hiernamaals terechtkomen. Op 9 maart 1997, op slechts 24-jarige leeftijd, werd hij neergeschoten. Als tweede prominente slachtoffer van de ‘oorlog’ tussen hiphoppers van de Amerikaanse west- en oostkust, die eerder al zijn Californische tegenpool Tupac Shakur het leven had gekost.

Regisseur Emmett Malloy besteedt in Biggie: I Got A Story To Tell (98 min.) relatief weinig aandacht aan die volledig uit de hand gelopen rivaliteit, maar richt zich vooral op Wallace’s jeugd als kind van een alleenstaande lerares uit Jamaica, dagelijkse werk als dealer in Brooklyn en opkomst als rapper met meer dan genoeg ‘street credibility’. Een uitgesproken troef daarbij ís het beeldmateriaal van zijn vriend Damion ‘D Roc’ Butler. Hij hield al die jaren een videodagboek bij en voorziet dat nu van commentaar. In een T-shirt met daarop de tekst ‘ready to live’.

Met de gastenlijst van deze film is verder weinig mis: behalve jeugd- en straatvrienden, een bevriende hiphopjournalist en zijn producer Puff Daddy worden ook Biggies moeder Voletta, echtgenote Faith Evans en Jamaicaanse oom Dave en 96-jarige oma Gwendolyn opgevoerd. Zij geven dit gedegen portret, waarin de straffe songteksten van de rapper prominent in beeld worden gebracht, sjeu en kunnen bovendien Biggies opkomst van binnenuit schetsen. Zodat de hiphopheld, die de tijd niet kreeg om de straat in te ruilen voor een blingbling-villa, weer even tot leven komt.

Zoals dat gaat: ready to live, destined to die.

Can’t Get You Out Of My Head

BBC

De ‘Illuminatie’, die volgens een deel van de mensheid nog altijd vanuit de coulissen een groot deel van de ontwikkelingen op het wereldtoneel bestieren, zouden een verzinsel zijn van schrijver Kerry Thornley en zijn vriend Greg Hill. Het was de belachelijkste complottheorie die de twee representanten van de Amerikaanse tegencultuur in de jaren zestig konden bedenken. Wie zou er nu werkelijk kunnen geloven in het geheime genootschap van een achttiende eeuwse professor uit Beieren? Hun ‘Operation Mindfuck’ zou echter een doorslaand succes worden – of een gigantisch fiasco – dat tot op de dag van vandaag doorwerkt.

Een bezopen samenzweringstheorie die voor werkelijkheid wordt aangezien, in een wereld waar wel degelijk ook echte complotten worden gesmeed. Het is maar één van de vele kleine verhalen die Adam Curtis in zijn zoveelste ambitieuze project Can’t Get You Out Of My Head (473 min.) verbindt aan de grote verhalen van onze tijd, zoals individualisering, consumentisme en technologie als ideaal middel om (het onderbewuste van) de grote massa te bespelen. Als een ouderwetse schoolmeester, met zijn eigen tics en preoccupaties, wandelt hij met veel bravoure door het doolhof van de moderne geschiedenis. Het resultaat is een ontzagwekkend labyrint op zichzelf: een wirwar van lange, korte en losse verhaallijntjes die op gezaghebbende toon aan elkaar worden geknoopt. Orde in de chaos, die op zichzelf ook weer net zo goed voor verwarring zou kunnen zorgen.

Typisch Curtis, de Britse homo universalis die met zijn wijdlopige video-essays een genre op zichzelf is geworden. In zijn beschouwingen op de hedendaagse maatschappij maakt hij gebruik van inzichten uit de moderne psychologie, economie, filosofie, geschiedenis, sociologie en politiek. Hij hangt die ditmaal op aan enkele hoofdpersonen (zoals bijvoorbeeld Mao Zedongs militante vierde vrouw Jiang Qing, valium-propagator Arthur Sackler, Artsen Zonder Grenzen-oprichter Bernard Kouchner, transgender-activist Julia Grant en Afeni Shakur, lid van The Black Panthers, crack-verslaafde én moeder van een wereldberoemde rapper). Curtis illustreert zijn betoog zoals gebruikelijk met een uitbundige collectie archiefmateriaal en zet daarbij treffende accenten met een edgy soundtrack.

Noem het gerust pompeus, tendentieus en hier en daar zelfs incoherent (of gewoon niet helemaal te bevatten; probeer de Franse revolutie bijvoorbeeld maar eens te verbinden met Tupac Shakur en de chaostheorie). Ook deze nieuwe Adam Curtis-productie probeert echter een net over de aardbol te gooien en zo de psyche van onze tijd te vangen. Alsof je in hartje winter de luiken eens goed tegen elkaar openzet. In de laatste van de zes afleveringen culmineert dit in vragen over de vermeende machinaties achter het Brexit en de verkiezing van Donald Trump en of zulke samenzweringstheorieën niet gewoon pogingen zijn om vat te krijgen op een voor ons allen onbegrijpelijk wereld.

Uiteindelijk ging zelfs Kerry Thornley twijfelen over Operation Mindfuck. Niet zozeer over de ‘Illuminati’, maar over zijn eigen rol in het satirisch bedoelde complot: was hij misschien, zonder dat hij het wist of wilde, toch ingezet als een werktuig van de CIA?

Vader

Jacinto (l) en Shakur (r)

Een heel mensenleven heeft hij hem niet gezien. Zo voelt het tenminste. In werkelijkheid waren het zes jaar. En nu neemt Jacinto Marie zijn tienerzoon Shakur mee op een roadtrip door eigen land. Zoals vaders dat doen. Ook als ze uit beeld zijn geweest.

In Vader (23 min.), genomineerd voor een Gouden Kalf voor beste korte documentaire, kijkt Isabel Lamberti mee hoe vader en zoon hun band proberen te hernieuwen. Jacinto geeft Shakur zijn eerste rijles, laat de jongen zien hoe je een strike gooit bij het bowlen en neemt hem mee naar een Chinees restaurant. Tussendoor belt de man steeds met zijn vriendin om haar te vertellen hoe het hem vergaat met het kind dat hij opnieuw moet leren kennen.

Die telefoongesprekken fungeren als verbindend element voor deze observerende film en voorzien de lotgevallen van het tweetal van context. Terwijl de camera nauwelijks beweegt en vader en zoon steeds vanaf een vast standpunt gadeslaat, sijpelt langzaam hun gezamenlijke historie, of het ontbreken daarvan, de reis binnen. Intussen maakt Jacinto de verlies- en winstrekening op van zijn bestaan als ouder.

Heel veel context geeft Lamberti daarbij niet. Uit de spaarzame informatie kan de kijker zich echter moeiteloos een voorstelling maken van de achtergronden van Jacinto en Shakur. En uit de liefdevolle blikken van vader naar zoon en de onverholen bewondering waarmee die reageert, valt af te leiden dat ze nog altijd onvoorwaardelijk van elkaar willen houden.

Hoe dat in de praktijk vorm moet gaan krijgen, laat zich alleen bezien ná de reis (en deze innemende momentopname van een broze ouder-kindrelatie).

Vader is hier te bekijken.

American Dream / American Knightmare

‘Ik ben Scarface zonder de drugs’, zegt Marion ‘Suge’ Knight. ‘En zonder dat ik aan het eind kapotgeschoten word.’ In gesprek met regisseur Antoine Fuqua blijkt de beruchte baas van het vermaarde hiphoplabel Death Row Records opmerkelijk rolvast. Je wilde een gangster? Dan krijg je een gangster. Flirtend met de Cubaanse supercrimineel Tony Montana, op onvergetelijke wijze vereeuwigd door Al Pacino in de bij (wannabe) criminelen immens populaire speelfilm Scarface. En pochend over zijn verleden in de grimmige achterstandswijk Compton in Los Angeles, waar hij net als zijn ontdekkingen Dr. Dre en Snoop Dogg opgroeide.

American Dream / American Knightmare (85 min.) is een wat eendimensionaal portret van de man die een sleutelrol speelde in de ontwikkeling van gangsterrap, de commerciële exploitatie ervan én de vete tussen rappers van de Oostkust en de Westkust van Amerika, die tot de gewelddadige dood van sterren als Tupac Shakur en The Notorious B.I.G. leidde. Dit is Knights kant van het verhaal, opgetekend tijdens een serie tweegesprekken met Fuqua in 2011 en 2012. Erg veel weerwoord krijgt de ‘low-life thug’ niet. Hij kan zijn imago van hiphop-maffiabaas, compleet met zonnebril en sigaar, zonder al te veel moeite ophouden. Vrijwel elke zin die met veel bravoure uit zijn mond komt is gelardeerd met krachttermen als fuck, bitch of motherfucker.

Alleen de dood van Tupac, waarbij hijzelf gewond raakte, laat hem zo’n vijftien jaar na dato nog altijd niet koud. Zodra Fuqua daarop doorvraagt, moet Suge zijn auto aan de kant van de weg zetten. Het is één van de weinige keren dat hij even de regie kwijt lijkt te raken in deze semi-autobiografie, waarin ook zijn ouders en ooms aan het woord komen. Ook al probeert Fuqua hem soms iets kritischer te bevragen en plaatst hij met archiefbeelden, nieuwsberichten en fragmenten uit zijn strafblad zo nu en dan kanttekeningen bij Knights grootspraak en ontkenningen. American Dream / American Knightmare is echter geen film waarmee je aan Suge Knights binnenkant komt, om te zien waarvoor het hart van de man achter Death Row Records, die inmiddels voor 28 jaar achter de tralies is verdwenen, werkelijk klopt.