Love It Was Not

Piece Of Magic

Ze stráált. Een vitale jonge vrouw. Met een onweerstaanbare glimlach. Alleen haar kleding, een hoofddoek en zwart-wit gestreepte jurk, verraadt waar de foto is gemaakt. Het vernietigingskamp Auschwitz. Een Oostenrijkse SS-officier legde de lachende Helena Citron vast op de gevoelige plaat. Deze Franz Wunsch was smoorverliefd op haar.

Samen met duizend andere Joodse meisjes uit Slowakije was Helena in maart 1942 naar Auschwitz gedeporteerd. Zij waren de eerste vrouwen in het kamp. Samen met overlevenden onderzoekt Maya Sarfaty in Love It Was Not (82 min ) de onmogelijke liefde van Citron en Wunsch die daar ontstond. ‘Liebe war es nicht’, zong Helena, waarna de vonk toch oversprong. ‘Denn du hast leider doch kein Herz. Liebe war es nicht. Es war ein Scherz.’

De Joodse vrouw is, net als haar voormalige geliefde, inmiddels overleden. Via archiefinterviews komen de twee alsnog aan het woord over de relatie, waarvoor met name zij met de nek werd aangekeken door sommige andere vrouwen in Auschwitz. Ook al kon ze soms wel degelijk iets voor hen betekenen. Dat wordt eens te meer duidelijk als ook haar oudere zus Roza en haar kinderen zich in het vernietigingskamp moeten melden.

Het liefdesverhaal van de kampbewaker en de Joodse gevangene leidt de Israëlische documentairemaakster, die in 2016 al een studenten-Oscar won voor de voorstudie The Most Beautiful Woman, uiteindelijk naar Wenen. Daar moet de Oostenrijkse militair Franz Wunsch begin jaren zeventig terecht staan voor oorlogsmisdaden. De voormalige SS’er polst zijn vroegere geliefde als getuige à décharge. Ze hebben elkaar sinds de oorlog niet meer gezien.

Maya Sarfaty brengt de tragische liefdesgeschiedenis tot leven met dagboekfragmenten van Franz, briefwisselingen en een uitgekiende fotomontage – geïnspireerd door de manier waarop hij, volgens zijn dochter Dagmar, foto’s van Helena’s gezicht uitknipte en vervolgens in andere situaties plakte. Zo fabriceert de filmmaakster een boeiende en gelaagde vertelling over een liefde (?) die niet mocht zijn.

Ennio

Periscoop

Voor een man die zoveel succes heeft gehad, die tot de absolute top binnen zijn métier behoort, oogt hij opvallend nederig in Ennio (156 min.). De Italiaanse componist Ennio Morricone (1928-2020) was dan ook van eenvoudige komaf. Volgens medestudenten ging hij op het conservatorium zelfs gebukt onder een minderwaardigheidscomplex, dat hij maar moeilijk van zich kon afschudden. Nadat Morricone begin jaren zestig muziek had geschreven voor enkele westerns werd hij gevraagd door regisseur Sergio Leone. Ze bleken bij elkaar in de klas te hebben gezeten op de lagere school. Samen zouden de oude schoolmakkers filmgeschiedenis schrijven en met de zogenaamde Dollars-trilogie de spaghettiwestern uitvinden, niet in het minst door Morricone’s geweldige opera-achtige muziek.

Zijn vroegere leermeester op het conservatorium, Goffredo Petrassi, en Morricone’s traditionelere oud-studiegenoten zagen er alleen weinig in. Daar begon je toch niet aan als componist, zo’n ‘anti-artistieke’ samenwerking met een filmmaker? Voor een academisch geschoolde musicus was dat zo ongeveer vergelijkbaar met prostitutie. ‘Schuldig’, bekent de componist in kwestie. ‘In het begin voelde ik me ook schuldig, maar langzamerhand werd dat minder. Ik wilde met het schrijven wraak nemen.’ De stem en lippen van de oude meester beginnen te trillen. Zoals wel vaker tijdens het centrale interview voor deze definitieve biografie raakt hij overmand door emoties. ‘Ik wilde het overwinnen, dit schuldgevoel.’

Met de man zelf, allerlei Italiaanse componisten en musici, zijn vakbroeders John Williams en Hans Zimmer en kopstukken uit de film- en muziekwereld zoals Bernardo Bertolucci, Quincy Jones, Wong Kar-Wai, Bruce Springsteen, Clint Eastwood, Joan Baez, Barry Levinson, Pat Metheny, Oliver Stone en James Hetfield loopt Giuseppe Tornatore Morricone’s bijna 75-jarige carrière door. In die periode werkte hij met toonaangevende regisseurs zoals Terrence Malick, Brian De Palma en Quentin Tarantino. Alleen voor Stanley Kubrick moest hij passen. Die had hem gebeld voor A Clockwork Orange. Sergio Leone overtuigde zijn collega er echter van dat Ennio te druk was met zíjn film. Morricone heeft er nog altijd hartzeer van.

Intussen liet de waardering vanuit de serieuze Italiaanse musici nog altijd op zich wachten. Zij hadden volgens componist Nicola Piovani moeite om het talent van Ennio Morricone te (h)erkennen. Het duurde enkele decennia voordat ze eindelijk ‘wilden buigen voor zijn genialiteit.’ ‘s Mans laatste samenwerking met Leone, voor de klassieker Once Upon A Time In America (1984), bracht uiteindelijk de ommekeer. ‘Die muziek kan alleen maar geschreven zijn door een musicus in hart en nieren’, stelt zijn oud-studiegenoot Boris Porena in dit epische portret. Hij schreef, als een soort publieke boetedoening, zelfs een excuusbrief aan zijn vakbroeder.

En daarna resteert in Ennio, dat natuurlijk prachtige filmscènes en werkelijk majestueuze muziek bevat, alleen nog de jacht op een Oscar. Want verder heeft Morricone echt alles bereikt wat hij in zijn stoutste dromen had kunnen bedenken.

Daniel Day-Lewis: The Heir

AVROTROS

Op een dag in september 1989 verlaat Daniel Day-Lewis aan het einde van de eerste akte ineens het podium. Zoals het een echte Britse karakteracteur betaamt, heeft hij de hoofdrol in Shakespeare’s Hamlet bemachtigd. Hij treedt daarmee in de voetsporen (en stapt in de schaduw) van grote theateracteurs als Laurence Olivier, Richard Burton en Christopher Plummer. Intussen moet hij elke dag ook de confrontatie aangaan met zijn overleden vader. Daniel heeft een foto van de befaamde dichter en schrijver Cecil Day-Lewis, die film maar een inferieure kunstvorm vond, opgehangen in zijn kleedkamer.

De recensies voor Day-Lewis’ Hamlet zijn niet onverdeeld positief. Plotseling knapt er iets in hem. ‘Ik was gewoon compleet uitgeput, het kon me allemaal niks meer schelen’, vertelt de acteur een kleine twintig jaar later aan talkshowhost Charlie Rose. ‘Het was genoeg geweest, ik kon het niet meer.’ En dus lonkt het witte doek, waarmee hij in de voorgaande jaren al enigszins vertrouwd is geraakt. Ten tijde van het gesprek met Rose in 2007 is hij al een gevierd filmacteur, met diverse bioscoophits op zijn naam (The Last Of The Mohicans, The Age Of Innocence en The Boxer) en zijn eerste Oscar in de achterzak (My Left Foot).

Nummer twee en drie, voor There Will Be Blood en Lincoln, moet hij dan nog ontvangen, als eerste acteur in de geschiedenis die drie Academy Awards voor de beste hoofdrol krijgt. Hij zal daarnaast overigens ook nog drie keer genomineerd worden voor diezelfde Oscar, voor zijn hoofdrollen in In The Name Of The Father, Gangs Of New York en Phantom Thread. Tóch is Daniel Day-Lewis nooit een typische Hollywood-celebrity geworden. Hij mijdt het babbeldebabbelcircuit, kiest zijn rollen altijd zéér zorgvuldig en verdwijnt tussendoor soms jaren in de anonimiteit.

In de interessante tv-biografie Daniel Day-Lewis: The Heir (52 min.) betonen Jeanne Burel en Nicolas Maupied het acteerkanon op een passende manier eer. Géen collega’s of bekendheden dus, die ongegeneerd de loftrompet over hem steken – iets wat kijkers met nét iets te veel last van plaatsvervangende schaamte, net als Day-Lewis zelf waarschijnlijk, alleen zeer gegeneerd kunnen aanzien. Maar een gedegen poging om ‘s mans leven, zijn carrière en de wisselwerking daartussen te vatten. Geïllustreerd met treffende speelfilmfragmenten, oude foto’s en de spaarzame publieke optredens van de man die zich het liefst terugtrekt op het Ierse platteland.

Totdat Daniel Day-Lewis letterlijk voelt dat hij zijn zelfverkozen kluizenaarschap weer even moet verlaten voor de volgende Oscar-waardige rol…

Alleman

‘We’ waren nog met twaalf miljoen, volledig verzuild en leefden een tempootje of drie langzamer. Alleman (82 min.), Bert Haanstra’s klassieke documentaire uit 1963, laat zien wie wij ooit waren. Dit is het Nederland waarnaar sommigen onder ons zo opzichtig terugverlangen: onschuldig, kneuterig en blank (herstel: wit). Een land van pak ‘m beet de kerk, wandelclubs, schaatsen, Carnaval, haring happen, marsmuziek en koningin Juliana. En regen, ook toen al.

De documentaire werd een enorm succes. Nederland keek graag naar zichzelf, ook toen al. Hoewel Alleman inmiddels bijna zestig jaar oud is, verveelt de film geen seconde. Ook een 21e eeuwse kijker kan zich verlustigen aan hoe ongelooflijk filmisch en ritmisch de documentaire is – en hoe ongelooflijk knap dat is, gezien de destijds beschikbare apparatuur – en de effectiviteit Haanstra waarmee bijvoorbeeld beeldrijm en muziek inzet.

Magnifieke scènes te over. Nieuwe schepen die met groot geweld voor het eerst te water gaan. Het borstbeeld van Adolf Hitler (‘hij durft je niet recht in de ogen te kijken’) dat te koop wordt aangeboden op de markt. De kostelijke montage van talloze amateuruitvoeringen van één en dezelfde theaterscène. Een enerverende sportsequentie op het Louis Davids-liedje De Voetbalmatch. En – natuurlijk! – dat overvolle strand waar Nederlanders ondanks elkaar ontspannen verpozen.

Schrijver Simon Carmiggelt verzorgt het speelse commentaar bij de veelal met een verborgen camera opgenomen zwartwit-beelden van gewone Nederlanders – en het Koninklijk Huis – tijdens hun dagelijkse bezigheden. Gezamenlijk vormen zij een wereld die de meeste landgenoten inmiddels alleen van horen zeggen kennen – en die ruim een halve eeuw later van een soort update werd voorzien door John Appel met de documentaire Sprekend Nederland.

Alleman, nog altijd de beste bezochte documentaire in de Nederlandse bioscoopgeschiedenis, werd destijds beloond met een Gouden Beer op het filmfestival van Berlijn en genomineerd voor een Oscar (een prijs die Bert Haanstra enkele jaren eerder al in de wacht had gesleept met zijn korte film Glas). In 2007 werd Alleman op het IDFA bovendien gekozen tot beste Nederlandse documentaire sinds 1945. Een parel uit de vaderlandse filmgeschiedenis, kortom.

Hannibal Hopkins & Sir Anthony

Wichita Films

Bij acteurs weet je nooit of ze een rol spelen. Neem Anthony Hopkins. Had hij in 1992, toen het grote succes dan eindelijk kwam, werkelijk de gedachte ‘nu kan ik wat slechte films gaan maken’? Toch was dat volgens Hopkins het eerste wat in hem opkwam toen hij een Oscar won voor zijn rol als de seriemoordenaar Hannibal Lecter in The Silence Of The Lambs.

Zo zegt hij in Hannibal Hopkins & Sir Anthony (52 min.) bijvoorbeeld over Hollywood: ‘Juist de oppervlakkigheid staat me wel aan’. Werkelijk? Dat zou dan wel heel erg contrasteren met zijn imago als Brits karakteracteur. ‘Hoe houd je het uit?’ vroegen vroegere vrienden hem niet voor niets over de plastic stad. ‘Het is net of je op de maan woont.’ Waarop hij dan zei: ‘Ach, dat bevalt mij wel.’ 

Terwijl de filmmakers Clara en Julia Kuperberg met de nodige bokkensprongen door zijn imposante oeuvre en carrière wandelen, heeft Anthony Hopkins zo steeds een nieuwe oneliner paraat. ‘Als ik geen acteur was geworden was ik misschien geen crimineel geworden’, stelt hij bijvoorbeeld in één van de vele archiefinterviews. ‘Maar toch ook geen aardig mens.’

Of: ‘Ik heb geen analytische geest, ik ben niet heel slim of intellectueel.’ Het is de vraag of hij dat zelf gelooft. En over het vak, dat hij nu toch al ruim zeventig jaar uitoefent: ‘Ik voel me geen acteur. Wat is een acteur? Het voelt meer alsof ik bij het circus zit.’ Over zijn riddering tenslotte: ‘Mijn vrouw belde me’, vertelt hij geamuseerd. ‘Ze zegt: Je wordt geridderd. Ik zeg: waarvoor?’

Valse bescheidenheid? Zelfrelativering als schild? Of gewoon: lekkere verhalen waarmee je voor de dag kunt komen? Sir Anthony Hopkins houdt in deze tv-docu te allen tijde iets ongrijpbaars. Ook als hij vertelt over het onbegrepen jongetje dat hij ooit was, zijn immense onvrede als toneelacteur en het titanengevecht dat hij moest leveren met koning alcohol. 

Bij topacteurs weet je nu eenmaal nooit of ze een rol spelen. De rol van hun leven.

The Last Days

Netflix

Terwijl duidelijk werd dat de oorlog verloren was, gingen de Duitsers onverminderd door met het uitroeien van Joden. ‘Als ze zes maanden voor het einde van de oorlog waren gestopt en al die energie hadden gestoken in het versterken van hun eigen verdediging, hadden ze het vast langer volgehouden’, zegt Holocaust-overlever Bill Basch aan het begin van The Last Days (87 min.). ‘Maar het doden van Joden was belangrijker voor hen dan het winnen van de oorlog.’

Het hart van deze Oscar-winnende documentaire van James Moll uit 1998 wordt gevormd door de getuigenissen van vijf Hongaarse Joden. Zij overleefden alle ontberingen, maar die domineren ruim vijftig jaar later (natuurlijk) nog altijd hun leven. ‘Ik kende niemands naam’, vertelt Basch als hij met zijn zoon Martin het vernietigingskamp bezoekt waar ze letterlijk over lijken moesten stappen. ‘Ik heb nooit iemand willen leren kennen. Ik wilde het nooit weten, voor het geval iemand die persoon kende wiens schoenen ik uittrok toen hij stierf.’

De bijbehorende beelden zijn groot en afschrikwekkend. Graatmagere, naakte mannen die lijken op wezenloze zombies. Stapels verweesde schoenen of koffers. En eindeloze lijsten, waarop mensenlevens worden gereduceerd tot zielloze gegevens. Tegelijkertijd zijn er talloze delicate details: de diamanten die Irene Zisblatt bewaarde door ze in te slikken, het badpak waaraan Renée Firestone zich vastklampte als laatste tastbare herinnering aan haar vader en de zelfgemaakte menora die de Amerikaanse militair Paul Parks kreeg van een Joodse man die hij uit Dachau bevrijdde.

De herinneringen van de overlevenden worden in deze klassieke Holocaust-film vergezeld door gesprekken met een Duitse arts die in Auschwitz werkte, een lid van het zogenaamde Sonderkommando dat in een kamp lijken moest afvoeren en enkele Amerikaanse soldaten die aan het eind van de oorlog werden geconfronteerd met de (on)menselijke catastrofe van deze plekken des doods. Ergens in die onbeschrijfelijke ellende vonden al deze gewone mensen de moed en kracht om door te gaan met hun bestaan, er in de navolgende halve eeuw zelfs nog iets van te maken.

Oscar Benton – I’m Back

KRO-NCRV

Zo gaat dat. Hoe hip of cool je ook ooit was. Hoeveel kracht er ook in je stem zat. En hoe geweldig je je instrument, de bluesgitaar, ook beheerste. Ooit valt het doek. Plotsklaps of in slow-motion. Oscar Benton viel zelf. Van de trap, in 2009. Met hersenletsel tot gevolg. Sindsdien is hij simpelweg een oudere man, die is aangewezen op mantelzorg. Van voormalige leden van zijn eigen band, dat wel. En van zijn ex-vrouw Anne de Boer en goede vriendin Ria Klomp.

De jaren na dat ongeluk brengt de Nederlandse bluesheld, die in november 2020 op 71-jarige leeftijd is overleden, noodgedwongen door in verzorgingshuis Velserduin te IJmuiden. Daar zingt hij soms een schlager, maakt hier en daar een praatje en sloft rond met zijn rollator. En daar ook probeert gitarist John Rijken (artiestennaam Johnny Laporte) zijn voormalige bandleider uit te dagen om nog eenmaal samen opnames te maken.

Natuurlijk komen allerlei ouwe getrouwen daarvoor weer opdraven in Oscar Benton – I’m Back (80 min.), een aandoenlijke film van Roel en Mees van Dalen waarin Benton (echte naam: Ferdinand van Eis) en zijn entourage gedurende enkele jaren worden gevolgd. Samen willen ze een allerlaatste plaat maken, het uitroepteken achter een fijne carrière. Optreden zit er voor hun fragiele frontman immers niet meer in. En dan blijkt Oscar, die de trofeeën van zijn carrière al heeft overgedragen aan het museum RockArt in Hoek van Holland, toch nog veel meer leven in zich te hebben dan gedacht…

Want, om met De Dijk te spreken: je kunt de blues wel willen verlaten, maar de blues verlaat jou niet. Zeker de Bensonhurst Blues niet, ‘s mans grootste hit uit 1973. De Oscar Benton Blues Band wordt voor het oog van de camera gereanimeerd en maakt vervolgens een begeesterde trip nostalgia langs het bluescircuit, waar hij al een halve eeuw op handen wordt gedragen. Niet alleen in eigen land. Ook in Rusland en Roemenië staan fans nog altijd voor hem in de rij.

En met de muziek melden ook zijn oude duivels, drank en vrouwen, zich weer in Oscar Bentons leven. Tot verdriet van sommige dames die hem in de voorgaande jaren lekker hebben vertroeteld. Zo gaat dat nu eenmaal als je ooit hip en cool was. En nu weer even bent.

The Life And Trials Of Oscar Pistorius

ESPN

De Blade Runner was in werkelijkheid een Blade Gunner, schreeuwde een krantenkop. Oscar Pistorius, de paralympische atleet uit Zuid-Afrika die als eerste sporter met een functiebeperking ook aan de reguliere Olympische Spelen deelnam, had op 14 februari 2013 zijn vriendin Reeva Steenkamp neergeschoten. Hij zou haar hebben aangezien voor een indringer. Of was er toch sprake van volledig uit de hand gelopen huiselijk geweld? De politiewoordvoerder ter plaatse leek daar in elk geval op te zinspelen, waarna er direct een enorme mediastorm opstak. Barbertje moest hangen. Of juist niet.

De zaak tegen Pistorius vertoont onmiskenbare parallellen met de enorme mediahype die een kleine dertig jaar eerder ontstond rond voormalig footballheld O.J. Simpson. Hij werd beschuldigd van de moord op zijn ex-vrouw Nicole Brown en haar vriend Ron Goldman. En net als de Oscar-winnende docuserie over die geruchtmakende zaak, O.J.: Made In America, plaatst The Life And Trials Of Oscar Pistorius (358 min.) het delict overtuigend in z’n persoonlijke, historische en maatschappelijke context. Raciale spanningen in de Verenigde Staten tegenover de Zuid-Afrikaanse Apartheid, met geweld tegen vrouwen als gemene deler.

Zelfs Mark Fuhrman, de Amerikaanse detective die een kwalijke rol in de Simpson-kwestie zou hebben gespeeld, komt nog even langs. Als ervaringsdeskundige die zijn licht laat schijnen over de schietpartij in Huize Pistorius. Die zaak heeft overigens ook gewoon zijn eigen ‘dirty cop’, hoor. Hij speelt een bijrol in deze vierdelige documentaire, die een afgewogen en genuanceerd beeld schetst van het (sport)leven van en de rechtszaak tegen de gevallen volksheld. Daarbij komen zowel directe familieleden en pleitbezorgers van Oscar als criticasters en verwanten van zijn slachtoffer uitgebreid aan het woord.

Zo ontstaat een fascinerende vertelling, die perfect past in het oeuvre van de Britse regisseur Daniel Gordon. Hij slaagt er, getuige eerdere sportdocu’s zoals 9.79The Fall en The Australian Dream, als geen ander in om via sport(ers) actuele maatschappelijke thema’s aan te snijden en daar grootse, meeslepende films van te maken. En Oscar Pistorius, die zelf niet is geïnterviewd voor dit portret, doet daarbij als (anti)held niet onder voor Gordons eerdere protagonisten Ben Johnson, Zola Budd en Adam Goodes. Een Blade Runner, natuurlijk. Een koelbloedige moordenaar of juist een enorme pechvogel. En een man die zoveel heeft te bieden en die door één enkel moment is getekend voor het leven.

In The Absence

Een kapitein verlaat als allerlaatste het zinkende schip. Dat geldt evenwel niet voor de man die de lakens uitdeelt op de Zuid-Koreaanse veerboot Sewol. Als hij op de ochtend van 16 april 2014 de boot verlaat, bevindt meer dan de helft van zijn ruim 450 passagiers zich nog gewoon aan boord. Blijf zitten waar je zit, hebben ze te horen gekregen. En die boodschap zal het leeuwendeel van hen fataal worden.

De scheepsramp wordt in de korte documentaire In The Absence (28 min.) van YI Seung-Jun gereconstrueerd met een combinatie van nieuwsbeelden, het audioverkeer van/tussen de scheepscrew, de kustwacht en het gezag aan wal, beeldmateriaal van beveiligingscamera’s en filmpjes en SMS’jes naar het thuisfront van de passagiers, waaronder een klas van ruim driehonderd studenten.

Terwijl de Sewol steeds verder overhelt naar het water – een angstaanjagend beeld – duurt het ongelofelijk lang voordat de ernst daarvan doordringt tot de plaatselijke autoriteiten, die vooral bezig lijken te zijn met hun eigen bureaucratie en beeldvorming. Zo voltrekt zich en plein publique een ramp, die nog jaren zal na-ijlen en niet zonder politieke consequenties kan blijven.

De hele tragedie van deze beklemmende film is vervat in die ene ongemakkelijke scène: van de kapitein die door reddingswerkers van het gekapseisde schip wordt geholpen en zichzelf zo in veiligheid brengt. 

Sea Of Shadows

Wie is de El Chapo van de totoaba? vraagt de Mexicaanse televisiejournalist Carlos Loret de Mora zich met gevoel voor drama af. De totoaba, een vissoort die razend populair is in China en daar helende krachten wordt toegedicht, wordt ook wel ‘de cocaïne van de zee’ genoemd en is ten prooi gevallen aan Chinese smokkelaars en Mexicaanse drugskartels.

De netten die plaatselijke vissers in de zee van Cortez droppen om totoaba te vangen hebben bovendien een treurige bijvangst: dode vaquitas. Van deze Californische bruinvissen schijnen er nog maar zo’n dertig in ’s werelds wateren te leven. In Sea Of Shadows (103 min.) volgt regisseur Richard Ladkani een boot met vrijwilligers van Sea Shepherd die netten uit de zee verwijderen en de confrontatie aangaan met hun gewapende vijand.

Tegelijkertijd spannen ze zich in om zelf vaquitas te vangen, zodat die in een beschermde omgeving kunnen voortleven. Als ze daadwerkelijk zo’n zeldzaam (ontwapenend) schepsel onderscheppen, blijkt het echter nog bepaald geen sinecure om het dier in leven te houden. Dit resulteert in één van de aangrijpendste scènes van deze activistische film, een moderne variant op de Oscar-winnende documentaire The Cove uit 2009.

Net als die film over de Japanse jacht op dolfijnen wil de spannende actiedocu Sea Of Shadows, waarvan de afkorting niet voor niets S.O.S. is, behalve entertainen ook duidelijk een boodschap kwijt: de handel in exquise vis vertoont alle tekenen van georganiseerde misdaad, met de gewelddadige Mexicaan Oscar Parra als sinistere kartelleider, en moet dus heel dringend een halt worden toegeroepen. Uitroepteken.

The Wolfpack

Daar staan ze dan. Zes jongens. Latino’s. Broers. In pak en stropdas, met een donkere zonnebril op. Ze richten hun pistolen op de camera. The Wolfpack (89 min.). Zojuist hebben ze met zichtbaar plezier enkele scènes uit de Quentin Tarantino-speelfilm Reservoir Dogs nagespeeld. Ze blijken zeer rolvast. Opererend vanuit hun eigen appartement. In een verloederd New Yorks flatgebouw in de Lower East Side.

Crystal Moselle kwam de wereldvreemde gebroeders Angulo tegen in het park toen ze net bezig waren om de buitenwereld te leren kennen. Het was alsof ze een verdwenen gewaande indianenstam uit de Amazone ontdekte, vertelde de debuterende filmmaakster toentertijd tijdens interviews. De jongens waren jarenlang nauwelijks buiten geweest. Negenmaal in één jaar, op zijn hoogst. Soms slechts eenmaal. En in één specifiek jaar helemaal niet. Vader Oscar hield ze binnen. Wilde ze beschermen tegen het gevaarlijke New York. En moeder Susanne gaf thuis les.

Via films hielden de Angulo’s – gezegend met namen als Govinda, Jagadisa en Narayana – contact met de buitenwereld. 5000 VHS-banden en dvd’s stonden er inmiddels thuis. En menige film werd tot in detail nagespeeld. The Dark Knight, Pulp Fiction en Nightmare On Elm Street. Papa Oscar, aanhanger van Hare Krishna, vond het allemaal best. Zolang zijn kinderen maar binnen bleven. Hij maakte van hen zijn eigen sekte. Een volledig naar binnen gerichte enclave, midden in één van de drukste steden van de wereld.

Samen vormden ze tevens een tikkende tijdbom, stelt zijn zoon Mukunda. Het was volgens hem een kwestie van tijd totdat de boel ontplofte. Uiteindelijk was hij het zelf, die op vijftienjarige leeftijd de stap naar die onbekende buitenwereld waagde. Met een Michael Myers-masker op. Niet veel later volgden zijn broers. De Angulo’s ontdekten dat de echte wereld zowaar behoorlijk leek op het universum dat ze al van het witte doek kenden. En dat het thuis waar ze al die jaren hadden vertoefd met verbazing werd bekeken door de rest van de wereld.

Filmmaakster Moselle heeft zich jarenlang als een soort extra huisgenoot in het bizarre huishouden verschanst en registreerde van binnenuit hoe de keuzes van de dictatoriale vader Oscar uitpakten voor zijn vrouw en kinderen. Met haar rommelige gefilmde beelden, op een collageachtige manier gecombineerd met vreemde (familie)filmpjes, ving ze het onwerkelijke verhaal van een zonderling gezin. Het resultaat is een ronduit unheimische film, die in 2015 op het Sundance Film Festival werd bekroond met de Grand Jury Prize.

Turn!

De openingsscène van het fraaie Turn! (55 min.) vertelt in wezen het complete verhaal: niet de jongens en meisjes die boven zichzelf uit proberen te stijgen in de turnzaal zijn daarin te zien, maar hun ademloos toekijkende ouders. Esther Pardijs bijvoorbeeld, de maakster van deze boeiende egodocumentaire. En de bloedfanatieke Oscar, die net thuis, midden in de huiskamer, een set ringen heeft opgehangen, zodat zijn zoon Wytze ook daar kan trainen.

Samen met de ouders van andere talentvolle turnertjes beoordelen ze de prestaties van hun en elkaars getalenteerde kinderen. Geconcentreerd kijken ze toe. Gespannen. En uiteindelijk: trots of juist teleurgesteld. ‘Ik hoop dat een ander kind een fout maakt’, zegt Pardijs daarover, in één van de openhartige voice-overs waarmee ze de gebeurtenissen in de film extra lading geeft. ‘Dan eindigt mijn zoon Roman hoger.’

Ze vraagt zich af of de ouders om haar heen, die ook in deze ‘draaikolk van trots, jaloezie en competitiedrang’ terecht zijn gekomen, hetzelfde denken. Intussen zitten Roman en zijn teamgenoot/concurrent/vriendje Wytze bij haar in de auto te geinen, op weg van of naar alweer een training of wedstrijd. Als de negenjarige jochies die ze ook nog gewoon zijn – als hun sportcarrière, waarvoor ze zo’n vijftien uur per week moeten trainen, dat toelaat.

Het is inmiddels een vertrouwd beeld dat in deze film wordt opgeroepen: van Nederlandse ouders die als coach, fan, financier, regelaar én chauffeur voor hun sportende/musicerende/acterende kind fungeren en misschien nog wel meer belang hechten aan de prestaties van hun kroost dan het jongetje of het meisje zelf. Kan hun kind bijvoorbeeld wel naar een verjaardagsfeestje als er eigenlijk een belangrijke training op het programma staat?

Pardijs stelt zich kwetsbaar op. Ze neemt de camera mee naar groepsbijeenkomsten van de ouders, maar laat hem ook toe in haar eigen huis als ze met haar zoon en echtgenoot beslissingen over Romans sportloopbaan moet nemen. Daarnaast besteedt ze speciale aandacht aan Wytze en zijn pusherige vader Oscar, die gaandeweg steeds meer in aanvaring komt met de trainers van zijn kind. Voor ‘Wyts’ is alleen het allerbeste goed genoeg. En hij moet, ook niet onbelangrijk, medailles winnen.

Turn! brengt op bijzonder treffende wijze het leven van topsportouders in beeld en stipt en passant enkele kerndilemma’s van het ouderschap aan. Terwijl hun kinderen tot het uiterste moeten gaan tijdens trainingen, floreren op allerlei turntoestellen of juist genadeloos onderuitgaan vragen hun ouders zich af of ze hen nóg nadrukkelijker moeten aansporen tot grotere prestaties of beter, en dan liefst zonder gezichtsverlies, kunnen uitstappen.

Want van al die kinderen die een groot deel van hun jeugd spenderen in de sportzaal (of op de viool of voor een camera of…) zal uiteindelijk slechts een enkeling het werkelijk redden. Dat weet elke ouder, maar wil-ie dat ook weten?

Period. End Of Sentence

Netflix

Hij maakt Huggies, zeggen de ongemakkelijk glimlachende mannen. Luiers voor kinderen. Zouden ze echt niet weten wat de maandverbandmachine van Arunachalam Muruganantham fabriceert of houden ze zich gewoon van de domme?

Feit is dat menstruatie nog altijd een enorm taboe is in het Hapur-district van India. De meisjes en vrouwen die in Period. End Of Sentence (25 min.) van Rayka Zehtabchi worden geportretteerd, wenden eveneens beschaamd hun gezicht af als het thema ‘ongesteld zijn’ aan de orde wordt gesteld. Daar praat je niet over.

Tot dusver zijn de hoofdpersonen van deze boeiende film, die vannacht (erg overdreven) de Oscar voor beste korte documentaire heeft gewonnen, aangewezen op smerige doeken, waarvan ze zich na gebruik stiekem moeten zien te ontdoen. Want menstruerende vrouwen zijn onrein – en vrouwen hebben sowieso niks te vertellen en moeten zich maar schikken in hun lot.

Enkele ondernemende feministen besluiten desondanks om maandverband te gaan maken. Daarmee gaan ze de regio in, om hun product aan de vrouw (en aan hun vaders en echtgenoten) te brengen. Met de opbrengsten kunnen ze bovendien, zo betoogt deze typische empowermentfilm, hun eigen maatschappelijke positie verstevigen.

O.J.: Made In America


Het zou een kantelpunt in de moderne Amerikaanse historie zijn geweest, het moment waarop de Verenigde Staten definitief in de greep raakten van reality-televisie. Het was 12 juli 1994, ruim drie jaar na de geruchtmakende zaak rond de zwarte taxichauffeur Rodney King die voor de camera in elkaar was getrimd door enkele kordate cops van de Los Angeles Police Department. De stad barstte bijna uit elkaar van de raciale spanningen. En toen was er ineens voormalig footballster en all american hero O.J. Simpson.

Een zwart icoon dat werd verdacht van de moord op zijn witte vrouw (Nicole Brown) en een/haar nieuwe vriend (Ron Goldman, het slachtoffer dat in deze zaak nog wel eens over het hoofd werd gezien). Live op televisie was te zien hoe O.J. er eerst in zijn witte Ford Bronco vandoor ging en zich later overgaf. Er was zelfs een helikopter ingezet voor het live-verslag op televisie. De zaak had alles om een waar mediaspektakel te worden: een celebrity als verdachte, geen onomstotelijk bewijs van zijn schuld (toch?) én een bijrol voor een familie die we later nog veel beter zouden leren kennen: de Kardashians.

Begin 2016 werd de zaak tegen O.J. helemaal uitgewerkt in de puike dramaserie The People Vs. O.J. Simpson, met glansrollen voor John Travolta, Sarah Paulson en Cuba Gooding Jr. Documentairemaker Ezra Edelman moet vloekend voor de televisie hebben gezeten. Slechts enkele maanden later zou zijn vijfdelige documentaireserie O.J.: Made In America (474 min.) worden uitgebracht. Wat kon die nog toevoegen aan de gefictionaliseerde versie van de geruchtmakende moordzaak? Veel, heel veel, zo bleek. Een klein jaar later mocht Edelman een plaatsje op zijn schouw vrijmaken voor een Oscar.

Waar de dramaserie de zaak zelf centraal stelt en inzoomt op de larger than life-personages die daarin de hoofdrol claimden, zoals de gewiekste zwarte steradvocaat Johnny Cochran, plaatst de docuserie de rechtszaak rond O.J. Simpson in zijn historische en maatschappelijke context; hoe kon het gebeuren dat juist Simpson, een zwarte man die zich in de voorgaande jaren helemaal los had gemaakt van zijn eigen gemeenschap en was opgenomen in de vrijwel volledig witte high society van Hollywood, hét symbool werd van het verzet van de zwarte gemeenschap tegen haar achtergestelde positie?

Het vonnis in de zaak tegen O.J. Simpson zou voor tweespalt zorgen in Amerika; totale ontzetting versus uitzinnige vreugde. Waarbij de kwestie uiteindelijk louter verliezers kende. Nicole, Ron en hun nabestaanden natuurlijk, maar ook de hoofdpersoon zelf, die weer gewoon zwart in Amerika werd en zich ook als zodanig ging gedragen. In 2008 verdween hij achter slot en grendel vanwege een gewapende overval. Vorig jaar kwam O.J. wegens goed gedrag vervroegd vrij. Niet lang daarna was er alweer stennis.

Heaven Is A Traffic Jam On The 405


De Oscar voor beste korte documentaire ging eerder dit jaar geheel terecht naar Heaven Is A Traffic Jam On The 405 (40 min.), een aangrijpende kleine film over de getormenteerde Amerikaanse kunstenares Mindy Alper die kampt met smetvrees, dwangneuroses en depressies en tussen de problemen door prachtige tekeningen, sculpturen en schilderijen maakt.

Ze voelt zich nooit gelukkiger dan in een file op haar vaste stukje snelweg, waar ze naar de auto’s en mensen kan kijken. Haar eigen kleine stukje hemel. In deze film van Frank Stiefel daalt ze ook regelmatig af naar haar eigen hel, waar innerlijke demonen (opgeroepen door haar vader en moeder?) een normaal leven vaak onmogelijk maken.