Requiem For Auschwitz

Pink Moon

Ruim twintig jaar heeft componist Roger Moreno-Rathgeb gewerkt aan zijn Requiem For Auschwitz (64 min.). Binnen drie weken had hij de eerste zes delen, bijna drie kwartier muziek, min of meer klaar. En toen stokte zijn dadendrang, vertelt hij in Bob Entrops documentaire Een Stukje Blauw In De Lucht uit 2008. Hij voelde zich helemaal leeg en besloot om zelf een kijkje te gaan nemen bij het vernietigingskamp, waar meer dan een half miljoen leden van zijn gemeenschap, de Sinti en Roma, werden vermoord. ‘En toen was het helemaal voorbij met de inspiratie.’

Uiteindelijk heeft Moreno-Rathgeb de draad toch weer opgepakt, zo blijkt uit deze vervolgfilm van Bob Entrop, de Bredase filmmaker die zich in de afgelopen jaren heeft opgeworpen als chroniqueur van de Nederlandse zigeunergemeenschap. Entrop heeft op die manier een belangrijke rol gespeeld bij zowel de emancipatie van de Nederlandse Sinti en Roma als de erkenning dat ook zij tot de belangrijkste slachtoffers van het verderfelijke naziregime behoren. Ook al wilden – of konden – ze daar in eerste instantie vaak nauwelijks over praten.

In deze documentaire mag natuurlijk ook dat ene hartverscheurende beeld van Settela Steinbach, het meisje dat na de oorlog was uitgegroeid tot hét symbool van de vervolging van Nederlandse Joden, niet ontbreken. Vanuit een treinwagon op Kamp Westerbork kijkt de tiener, die op weg moet naar Auschwitz, desolaat de wereld in. Pas in 1994, vijftig jaar na dato, ontdekte de journalist Aad Wagenaar dat het in werkelijkheid om een Limburgs Sinti-meisje ging. Settela werd opnieuw een symbool: voor de afgevoerde Nederlandse zigeuners en hoe weinig aandacht daarvoor tot dan toe was geweest.

Die tragedie – het verwoesten van een complete gemeenschap en het zwijgen daarover – komt in deze film indringend tot uiting in scènes waarin jonge Sinti en Roma worden geconfronteerd met de herinneringen van vertegenwoordigers van een eerdere generatie zigeuners die de vernietigingskampen overleefden. Intussen is het muziekstuk van Roger Moreno-Rathgeb dan toch klaar om uitgevoerd te worden. Ter voorbereiding daarop brengt de componist met leden van het Nederlands Begeleidingsorkest een bezoek aan Auschwitz-Birkenau. Zodat ze weten en voelen wat ze gaan musiceren.

De beelden van overlevenden die afdalen in het diepste van hun zwartgeblakerde ziel en anderen die zich bij de plekken des onheils en bijbehorende monumenten proberen in te leven hoe het geweest moet zijn om volledig overgeleverd te raken aan een moorddadig regime, mogen dan inmiddels overbekend zijn, echt wennen doen ze nooit. Deze documentaire benadrukt nog maar eens het belang van dat herinneren en herdenken en voegt daar de helende kracht die muziek, hopelijk, kan hebben aan toe. Als balsem voor de gebutste ziel.

Yo No Me Llamo Rubén Blades

Gema Films

‘Rubén, waarom deze documentaire? Waarom is die belangrijk voor je?’ vraagt regisseur Abner Benaim als salsaster Rubén Blades hem thuis zijn collectie strips heeft laten zien. ‘Ik zal je eerlijk zeggen: ik heb meer verleden dan toekomst’, antwoordt zijn protagonist. ‘Heb je gezien wat er is gebeurd met Prince? Hij stierf op 57-jarige leeftijd, zonder testament.’

Dat wil de begenadigde vertolker van geëngageerde Latijns-Amerikaanse muziek onder geen beding laten gebeuren. Vandaar Yo No Me Llamo Rubén Blades (Engelse titel: Rubén Blades Is Not My Name, 84 min.), een biografie uit 2018. ‘Dit hier is onderdeel van mijn nalatenschap’, stelt de zanger. ‘Ik wil de dingen zeggen die belangrijk voor me zijn. Want als ík ze nu niet zeg en uitleg wat ik bedoel, zullen andere mensen er straks hun interpretatie op loslaten.’

Tegelijkertijd wil hij zijn carrière als artiest zo langzamerhand afsluiten. Er is nog zoveel meer in het leven voor de man die ook jurist is, in talloze films speelde en ooit kandidaat was voor het presidentschap van zijn geboorteland Panama. In dit (zelf)portret loopt hij letterlijk door zijn leven, langs de plekken en mensen die hem hebben gevormd: San Felipe (de stad van zijn jeugd), New York (de plek waar hij carrière maakte) en Cambridge (waar hij studeerde aan Harvard University).

De vermaarde schrijver Gabriel García Márquez noemde Blades ooit ‘de populairste onbekende persoon’. In deze film kijkt die nu terug op een veelbewogen leven en loopbaan, samen met zijn echtgenote Luba Mason, de zoon die hij pas op latere leeftijd leerde kennen en muzikale collega’s zoals Paul Simon, Sting en Andy Montañez. ‘De carrière van een zanger eindigt nooit’, zegt die laatste, bijgenaamd The Godfather Of Salsa. ‘Totdat God Onze Vader de kaars uitblaast.’

‘Ik ben de zanger, populair overal waar ik ga, zingt Rubén Blades tenslotte zelf aan het eind van dit gedegen portret, terwijl hij een aanstekelijk ritme klapt. ‘Maar als de show voorbij is ben ik gewoon maar een mens. En leef ik mijn leven van plezier en verdriet, goede en slechte tijden.’

Ennio

Periscoop

Voor een man die zoveel succes heeft gehad, die tot de absolute top binnen zijn métier behoort, oogt hij opvallend nederig in Ennio (156 min.). De Italiaanse componist Ennio Morricone (1928-2020) was dan ook van eenvoudige komaf. Volgens medestudenten ging hij op het conservatorium zelfs gebukt onder een minderwaardigheidscomplex, dat hij maar moeilijk van zich kon afschudden. Nadat Morricone begin jaren zestig muziek had geschreven voor enkele westerns werd hij gevraagd door regisseur Sergio Leone. Ze bleken bij elkaar in de klas te hebben gezeten op de lagere school. Samen zouden de oude schoolmakkers filmgeschiedenis schrijven en met de zogenaamde Dollars-trilogie de spaghettiwestern uitvinden, niet in het minst door Morricone’s geweldige opera-achtige muziek.

Zijn vroegere leermeester op het conservatorium, Goffredo Petrassi, en Morricone’s traditionelere oud-studiegenoten zagen er alleen weinig in. Daar begon je toch niet aan als componist, zo’n ‘anti-artistieke’ samenwerking met een filmmaker? Voor een academisch geschoolde musicus was dat zo ongeveer vergelijkbaar met prostitutie. ‘Schuldig’, bekent de componist in kwestie. ‘In het begin voelde ik me ook schuldig, maar langzamerhand werd dat minder. Ik wilde met het schrijven wraak nemen.’ De stem en lippen van de oude meester beginnen te trillen. Zoals wel vaker tijdens het centrale interview voor deze definitieve biografie raakt hij overmand door emoties. ‘Ik wilde het overwinnen, dit schuldgevoel.’

Met de man zelf, allerlei Italiaanse componisten en musici, zijn vakbroeders John Williams en Hans Zimmer en kopstukken uit de film- en muziekwereld zoals Bernardo Bertolucci, Quincy Jones, Wong Kar-Wai, Bruce Springsteen, Clint Eastwood, Joan Baez, Barry Levinson, Pat Metheny, Oliver Stone en James Hetfield loopt Giuseppe Tornatore Morricone’s bijna 75-jarige carrière door. In die periode werkte hij met toonaangevende regisseurs zoals Terrence Malick, Brian De Palma en Quentin Tarantino. Alleen voor Stanley Kubrick moest hij passen. Die had hem gebeld voor A Clockwork Orange. Sergio Leone overtuigde zijn collega er echter van dat Ennio te druk was met zíjn film. Morricone heeft er nog altijd hartzeer van.

Intussen liet de waardering vanuit de serieuze Italiaanse musici nog altijd op zich wachten. Zij hadden volgens componist Nicola Piovani moeite om het talent van Ennio Morricone te (h)erkennen. Het duurde enkele decennia voordat ze eindelijk ‘wilden buigen voor zijn genialiteit.’ ‘s Mans laatste samenwerking met Leone, voor de klassieker Once Upon A Time In America (1984), bracht uiteindelijk de ommekeer. ‘Die muziek kan alleen maar geschreven zijn door een musicus in hart en nieren’, stelt zijn oud-studiegenoot Boris Porena in dit epische portret. Hij schreef, als een soort publieke boetedoening, zelfs een excuusbrief aan zijn vakbroeder.

En daarna resteert in Ennio, dat natuurlijk prachtige filmscènes en werkelijk majestueuze muziek bevat, alleen nog de jacht op een Oscar. Want verder heeft Morricone echt alles bereikt wat hij in zijn stoutste dromen had kunnen bedenken.

Johnny Par Johnny

Netflix

Johnny Hallyday? Een nep-Elvis, de Franse evenknie van Rob de Nijs, een halfbakken Jean-Paul Belmondo. Zoiets. Niet geïnteresseerd. En dan start de vijfdelige docuserie Johnny Par Johnny (172 min.), een portret van de Franse zanger/acteur. ‘Was er ooit een dag dat je trots op jezelf was?’ wil een interviewer, te midden van een flashy montage van hoogtepunten uit ‘s mans lange loopbaan, weten in de openingsscène. ‘Weet ik niet. Nooit over nagedacht.’

De interviewer vraagt door: ‘Een dag waarop je van jezelf walgde?’ Johnny Hallyday (1943-2017) denkt even na terwijl zijn gesprekspartner hem een ontboezeming probeert te ontlokken. ‘Ja’, zegt hij te langen leste, ogenschijnlijk schuldbewust. ‘Daar baal je vast van’, houdt de interviewer aan. ‘Nee’, antwoordt Hallyday ferm. Hij laat vervolgens zijn tanden zien. Een glimlach. Soort van. En dan is het zover: ook de niet Hallyday-fan is helemaal verkocht.

Nog bijna drie uur te gaan. Van dat ongenaakbare gelaat. De onmiskenbare oerkracht daarachter. En, niet te vergeten, als spiegel van een getormenteerde ziel: die ogen. Helblauw. Hard. Dodelijk, als het moet. In deze serie snijden de makers Alexandre Danchin en Jonathan Gallaud interviewfragmenten uit allerlei tijdsgewrichten dwars door elkaar heen. Zoveel verschillende incarnaties van Johnny. Elke keer nét anders. En toch precies hetzelfde. Onweerstaanbaar.

James Dean, Herman Brood, Elvis in Vegas, Mad Max en Johnny Cash ineen. Een onverbeterlijke meidengek, drinkebroer, cokesnuiver, brokkenpiloot, tabloidster, potsenmaker, has-been, rijpe man, pseudo-Hells Angel en megalomane rockster. In een groter dan grootst leven kreeg hij, tussen alle optredens, affaires en drinkgelagen door, ook nog te maken met belastingontduiking, een zelfmoordpoging, Russische roulette, een auto-ongeluk en een mislukte Amerikaanse droom.

Alle hoogte- en dieptepunten hebben hun plek gevonden binnen een hallucinante, bombastische en opwindende vertelling, ingekaderd met off screen-quotes van mensen die de man achter de ster hebben leren kennen. Het turbulente leven van Jean-Philippe Smet, alias Johnny Hallyday, dat doortrokken lijkt te zijn geweest van pure doodsverachting of -drift – tis maar hoe je ernaar kijkt – en dat hier met ontzettend veel bravoure wordt opgediend.

Sisters With Transistors

Wat we weten van het verleden, wordt bepaald door wie de geschiedschrijving mocht doen. Mannen, over het algemeen. Niet vreemd dus dat de rol van vrouwen in die geschiedenis, ook bij het ontstaan van de elektronische muziek, meestal wordt omgeven door stilte. In Sisters With Transistors (85 min.) schetst Lisa Rovner de ontstaansgeschiedenis van de elektronische muziek voor de verandering eens aan de hand van de vrouwen die daarin een essentiële rol hebben gespeeld. Mannen spelen hooguit een bijrol.

Voor de pionierende vrouwen fungeerde technologie daadwerkelijk als grote bevrijder – al zijn hun namen tegenwoordig alleen bij een selecte groep insiders bekend. Daphne Oram bijvoorbeeld, een Britse componist/musicus die al in de jaren vijftig een eigen elektronische opnamestudio had. Of de Litouwse Clara Rockmore. Behalve op de viool excelleerde ze tevens op dat ongrijpbare instrument, de theremin. Delia Derbyshire dan. Deze voortrekker van de Engelse elektronische muziek maakte de themamuziek voor de roemruchte televisieserie Doctor Who. Onvervalst monnikenwerk. En de Amerikaanse componist/sounddesigner Suzanne Ciani sleet baanbrekende muziek aan commercials en Hollywood-films.

Deze namen vormen slechts het topje van de ijsberg. Sisters With Transistors ontrukt allerlei vrouwelijke wegbereiders alsnog/weer aan de vergetelheid, waarbij de nadruk ligt op hun artistieke prestaties, niet zozeer op het gebrek aan publieke erkenning. De experimentele performancekunstenaar en muzikant Laurie Anderson fungeert als verteller bij deze met veel intrigerend archiefmateriaal omklede ontdekkingstocht door de krochten van de elektronische muziek. De prikkelende, futuristische en arty wereld die zo wordt blootgelegd verrijkt het verhaal zoals we dat tot dusver kenden – al blijft dit, eerlijk is eerlijk, met name interessant voor een selecte groep insiders.

Gustav Mahler – Zanger Voor De Aarde

AVROTROS

‘Die Erde atmet voll von Ruh und Schlaf’, klinkt ‘t in Der Abschied, het slot van Das Lied von der Erde. ‘Alle Sehnsucht will nun träumen.’ Met de symfonische liederencyclus wilde componist Gustav Mahler (1860-1911) harmonie met de wereld uitdrukken. Hij baseerde zich daarbij op Chinese poëzie uit de Tangdynastie, in dit geval Der Abschied Des Freundes van Wang Wei. ‘Die müden Menschen gehn heimwärts’, vervolgt het muziekstuk. ‘Im Schlaf vergeßnes Glück. Und Jugend neu zu lernen!’

De jonge Britse dirigent John Warner (27) voelt een verwantschap met Mahler. Ze delen een passie voor muziek en natuur. De Oostenrijkse componist is volgens hem zelfs een milieuactivist avant la lettre. Met zijn Orchestra For The Earth wil Warner diens muziek nu ten gehore brengen, liefst buiten een stedelijke omgeving. Op een plek ook, die bereikbaar is met het openbaar vervoer. Want de idealistische musici zijn het natuurlijk aan zichzelf verplicht om klimaatneutraal te reizen.

In de sfeervolle roadmovie Gustav Mahler – Zanger Voor De Aarde (52 min.) volgt de Nederlandse documentairemaker Frank Scheffer het kamerensemble naar Oostenrijk, waar het ook Mahlers huis aandoet. Daar zou hij, zo wil in elk het verhaal, elke ochtend vanaf het balkon van zijn villa in het meertje zijn gesprongen. Het duurt natuurlijk niet lang of ook de jonge muzikanten liggen er in het water, in één van de scènes die het ‘bloedserieuze’ karakter van de onderneming doorbreekt.

In gedragen sequenties laat Scheffer verder Mahlers majestueuze muziek en al even machtige natuurbeelden samenvloeien. Alsof ze onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. Das Lied von der Erde is volgens John Warner ook echt een muziekstuk voor onze tijd. ‘Een symfonie die duidelijk maakt dat je alleen in harmonie komt met de wereld als je de koers van de natuur volgt.’

Licht

Witfilm

Ze heeft er vast jaren aan gewerkt, maar nu is het dan ook oogsttijd voor Oeke Hoogendijk. Binnen enkele maanden brengt de Nederlandse filmmaakster drie verschillende documentaires uit. Eerst gingen in het najaar zowel de persoonlijke productie Housewitz als de kunstthriller De Schatten Van De Krim in première tijdens het International Documentary Festival Amsterdam, films die dit jaar ook in de bioscoop zijn te zien.

Nu vertelt Hoogendijk in Licht (122 min.) het levensverhaal van de befaamde componist Karlheinz Stockhausen (1928-2007) en volgt ze bovendien een bijzonder ambitieuze poging om diens onuitvoerbare magnum opus – de operacyclus Licht met een speelduur van 29 uur, bestaande uit een opera voor elke dag van de week – voor het eerst uit te voeren. Regisseur Pierre Audi, die een eigentijdse versie wil maken van het epische werk waaraan Stockhausen van 1977 tot 2003 werkte, clasht daarbij regelmatig met Suzanne Stephens en Kathinka Pasveer.

Deze twee vrouwen werkten en leefden tientallen jaren samen met de eigenzinnige Duitser. Als respectievelijk muzikaal/dramaturgisch adviseur en muzikaal leider van de ambitieuze productie Aus Licht, die in 2019 op drie dagen moet worden uitgevoerd, willen zij juist dat de composities van Karlheinz Stockhausen, die wordt beschouwd als één van de belangrijkste componisten van de twintigste eeuw en aan de wieg stond van de elektronische muziek, héél precies wordt uitgevoerd. Zoals het genie het destijds had bedoeld.

Stephens en Pasveer belichten ook het turbulente persoonlijk leven van deze hoekige man die leefde voor/door zijn muziek, in allerlei vrouwen de liefde zocht die hij miste voor zichzelf en gaandeweg gebrouilleerd raakte met het merendeel van zijn kinderen. Zij kijken in deze ruim bemeten film, die een al even episch karakter heeft als de opera waaraan ie is opgehangen, logischerwijs met ‘mixed feelings’ terug op het leven van hun vader, een man met wie het soms echt moeilijk leven (en musiceren) was.

Al is een groot ego ongetwijfeld ook onontbeerlijk om de grensverleggende kunst te kunnen maken waarmee Karlheinz Stockhausen furore heeft gemaakt.

Atardi – Het Leven Van De Curaçaose Muzieklegende Rudy Plaate

Selwyn de Wind / VPRO

Rudy Plaate zingt en juicht enthousiast mee en houdt het ternauwernood droog als zijn eigen werk in 2016 door het Metropole Orkest en vocalisten zoals Izaline Calister en Maruja Bogaard wordt uitgevoerd in het Concertgebouw in Amsterdam. De 79-jarige componist uit Curaçao, bijgenaamd De Zingende Groenteboer, scoorde lokaal zestig jaar lang de ene na de andere hit, maar kampt op zijn oude dag met dementie.

Het had een prachtige openingsscène kunnen zijn voor de documentaire Atardi – Het Leven Van De Curaçaose Muzieklegende Rudy Plaate (120 min.). Filmer en deejay Selwyn de Wind neemt alleen eerst bijna twee minuten de tijd om uit te leggen wie hij zelf is en wat Plaate voor hem betekent. Daarna is de documentairemaker overigens bijna twee uur vrijwel geheel afwezig en krijgen Rudy (vooral via archiefbeelden) en zijn familieleden, vrienden en collega’s alle ruimte.

Zij alterneren tussen Plaates uitbundige muzikale carrière en zijn beslommeringen als familiemens/ladiesman, ondernemer en opinieleider. Zijn creativiteit, eigenzinnigheid en ego waren nauwelijks in te tomen. De Wind heeft intussen alle mogelijke archieven geplunderd en illustreert daarmee Rudy Plaates sleutelrol in de plaatselijke gemeenschap en cultuur. De film slalomt zo soepeltjes door een rijk, veelzijdig en altijd muzikaal leven, maar is wel een beetje overcompleet.

In het vierde kwart neemt Atardi ineens een dramatische wending als de hoofdpersoon, overmand door pijn, een rigoureus besluit neemt, dat hij live op de radio met de rest van het eiland wil delen. En daarna stevent de man die meer dan een halve eeuw letterlijk de toon zette op Curaçao onvermijdelijk af op de laatste fase van zijn swingende bestaan. ‘Hij kan zelf niet altijd bij ons blijven’, zegt een familielid dat voor hem mantelzorgt. ‘Maar zelfs nadat hij ons heeft verlaten, leeft hij voort in zijn liedjes.’

En anders moeten ze, daar zijn enkele sprekers het ook wel over eens, maar snel een straat of rotonde naar hem vernoemen…

Herr Bachmann Und Seine Klasse

Elk kind heeft (hopelijk) op zijn minst één leraar of lerares die ‘m z’n leven lang bij blijft. Dieter Bachmann, een onderwijzer op leeftijd uit de Duitse industriestad Stadtallendorf, is voor menigeen zo’n leerkracht. Een onconventionele man met hart voor de kinderen in zijn klas.

Die zijn doorgaans tussen twaalf en veertien jaar oud en stuk voor stuk van buitenlandse komaf. Als kinderen van gastarbeiders moeten ze zich hun nieuwe land en taal eigen maken. Daarbij vinden ze Bachmann, en zijn geheel eigen onderwijsmethodes, altijd aan hun zijde. Hij leert hen bijvoorbeeld de Duitse taal via een onnavolgbaar verhaal over de relatie tussen een tafel en een gitaar, gaat met enkele jongens beeldhouwen of daagt een meisje tijdens een gesprek met haar vader uit om eens een liedje te zingen.

Muziek beschouwt de charismatische hoofdpersoon van Herr Bachmann Und Seine Klasse (217 min.) sowieso als een ideaal smeermiddel voor zijn leerlingen. Samen oefenen ze bijvoorbeeld de gitaarriff van Smoke On The Water, zingen Jolene of spelen het door hemzelf, tamelijk onvast, gezongen Knockin’ On Heaven’s Door. Hij creëert zo een prettig en veilig leerklimaat, waarin ruimte is voor elk kind om zich fijn te voelen, de taal te leren en zich te ontwikkelen. Onderwijs lijkt voor hem eerst en vooral te draaien om ‘bildung’: de tieners moeten kunnen worden wie ze in potentie zijn. 

Het personage Dieter Bachmann, die steevast een beanie en lekker relaxte kleding draagt, staat daarmee in een mooie documentaire-traditie van inspirerende leerkrachten. Hij oogt als een soort oudere jongere-mixture van Kiet Engels (De Kinderen Van Juf Kiet), Georges Lopez (Être Et Avoir) en de juffen Astrid Brugman en Jolanda Rietel (Klassen). Als oude rot heeft hij altijd wijze raad of bemoedigende woorden bij de hand, maar Bachmann durft soms ook stevig in te grijpen. Onder zijn bezielende (bege)leiding komen enkele leerlingen dan ook echt tot volle wasdom.

Regisseur Maria Speth observeert de leraar zowel in klassensituaties als tijdens gesprekken met individuele leerlingen. Zonder verdere toevoegingen – geen muziek dus of interviews – bouwt ze daarmee haar vertelling. Speth neemt haar tijd. Deze documentaire heeft daardoor een aanzienlijke lengte gekregen. Ruim drieënhalf uur is wel erg veel van het goede, hoewel Herr Bachmann beslist een personage is dat onder de huid kruipt en daar echt van geen wijken wil weten. En niet alleen bij de pupillen, die hij aan het einde van de film los zal moeten laten in de wijde wereld.

Maarten van Roozendaal – Ik Ben De Man Die Naast Mij Staat

c: Eric Steensma / NTR

De kopstukken van kleinkunstminnend Nederland hadden in dit postume portret ongetwijfeld graag hun zorgvuldig gekozen superlatieven willen debiteren over Maarten van Roozendaal (1962-2013). Ze krijgen alleen het woord niet. Dat is aan de veel te jong overleden zanger, liedschrijver en theatermaker zelf – ook al behoort hij al acht jaar niet meer tot de levenden. Met zijn welbekende bravoure leidt Van Roozendaal ons door zijn eigen leven, op weg naar een volgens eigen zeggen heel spectaculaire sterfscène. ‘Ik ben als de dood en ik ren ernaartoe.’

Al die anderen zijn overigens al aan het woord gekomen in de biografie Het Leven Heeft Geen Zin, Maar Ik Wel van Patrick van den Hanenberg en de hommage Op Maarten, met bijdragen van Marcel de Groot, Paul de Munnik en Hans Sibbel. Documentairemaker Josefien Hendriks reserveert Maarten van Roozendaal – Ik Ben De Man Die Naast Mij Staat (45 min.) dus volledig voor de kleinkunstenaar zelf, die nu eenmaal de gave van het woord had. Hij kon recht praten wat krom was. En wat recht was weer hartstikke krom.

Die opzet houdt automatisch in dat deze (auto)biografie geen nieuwe details of onthullingen bevat over dit volwassen kind van de defaitistische jaren tachtig. De film bestaat immers volledig uit bestaand materiaal: liederen, interviews en geschriften. Met een delicieuze selectie daaruit, gemonteerd met een fraaie collectie associatieve beelden, dringt Hendriks overigens wel degelijk door tot het wezen van de persoon, kleinkunstenaar en kettingroker Maarten van Roozendaal.

Daarin gaat hij zijn wankele geestesgesteldheid en overmatige drankgebruik niet uit de weg. ‘Ik ben natuurlijk vreselijk bang om dood te gaan’ zegt Van Roozendaal bijvoorbeeld tijdens een televisie-interview. ‘En dat zie je wel meer bij mensen die daar zo bang voor zijn, dat ze juist dat lot gaan tarten. Van: mij krijg je niet.’ Zover zou het natuurlijk tóch komen. Of zijn sterfscène, zoals beloofd, spectaculair was? Dat is zo’n beetje het enige waarover de hoofdpersoon zelf niet wil (of kan) getuigen.

De dikke halve eeuw daarvóór biedt echter meer dan genoeg stof voor een bruisende film.

The Quest For Tonewood

Cinema Delicatessen

Bij de Triënnale in Cremona, ‘de Olympische Spelen voor vioolbouwers’, viel hij buiten de prijzen. Geen gouden medaille voor Gaspar Borchardt (en zijn vrouw en secondant Sybille). Überhaupt geen medaille, zelfs. Dat vraagt om een andere benadering van de Italiaanse instrumentmaker. The Quest For Tonewood (83 min.), het esdoornhout waarvan de beste Stradivarius-violen zijn gemaakt, kan beginnen. In bossen in het voormalige Joegoslavië zou het te vinden zijn.

En wie zou het geweldige instrument dat Borchardt met dit hout wil fabriceren dan moeten gaan bespelen? Zijn oog valt op de Nederlandse violiste Janine Jansen, de hoofdpersoon van de gevierde documentaire Janine (2010). Maar wil zij wel? En is het veilig om een boom van toch al gauw 35.000 euro te gaan kopen in een land waar sinds de oorlog overal landmijnen kunnen liggen, elke activiteit begint met een flinke slok slivovitsj en allerlei figuren rondlopen die graag gemakkelijk geld verdienen?

Gaspar heeft er bij aanvang geen idee van dat hij aan een jarenlange queeste is begonnen, die in deze verrukkelijke film fraai is vereeuwigd door de Noorse regisseur Hans Lukas Hansen. Hij maakt van Borchardts zelfopgelegde zoektocht een even spannend als grappig avontuur, waarin de vioolbouwer zich beurtelings een dromer, vakidioot en bomenknuffelaar toont. Intussen moet de man ook zijn beoogde bespeelster warm houden voor het magische instrument dat hij (ooit) voor haar hoopt te bouwen.

Dit aanstekelijke eerbetoon aan lekkere gekte en de wonderen die daaruit kunnen voortvloeien is vanzelfsprekend gelardeerd met weelderige klassieke muziek en werkt gestaag toe naar de verplichte (anti)climax. Waarbij het natuurlijk de vraag is of Borchardt zichzelf met een stuk hout helemaal kan verwerkelijken of het toch beter kan gebruiken om zich na jaren van nutteloze inspanning eens goed voor zijn kop te slaan.

The Sparks Brothers

allsparks.com

De stem van de één – vaak ergens tussen lyrisch en hysterisch – werkt bij menigeen gigantisch op de zenuwen. De aanblik van de ander – ondoorgrondelijk gezicht, met Hitler/Charlie Chaplin-snor – kan voor echt ongemak zorgen. Samen vormen de Amerikaanse broers Russell en Ron Mael al ruim een halve eeuw de band Sparks. Ze begonnen met een soort over the top-glamrock, plaveiden daarna de weg voor Kraftwerks elektromuziek, snoepten even van punk, inspireerden de synthpop van de eighties, verloren zich in disco, sloten aan bij dance, probeerden uit hoe Queen in het kwadraat zou klinken en versmolten even letterlijk met Franz Ferdinand. Enzovoorts.

Altijd in beweging. Excentriek. Filmisch. Potsierlijk. Hyperactief. Grappig. Excessief. Creatief. Provocerend. Grillig. Bloedirritant. Net als deze voluptueuze documentaire van Edgar WrightThe Spark Brothers (141 min.), waarin de complete carrière van de gebroeders wordt doorlopen met de freaks zelf, hun voormalige bandleden, medewerkers, fans en een hele stoet hele en halve beroemdheden die gezamenlijk zo’n beetje de complete Sparks-invloedssfeer belichamen: comedian Mike Myers, presentator Jonathan Ross, producer Giorgio Moroder, lolbroek Weird Al Yankovic, supergroupie Pamela des Barres en schrijver Neil Gaiman.

En natuurlijk ontbreken de acts die op de één of andere verwrongen manier schatplichtig zijn aan de flamboyante frontman/mooibooi Russell en sociaal onhandige songschrijver Ron ook niet. Beck en leden van New Order, Sex Pistols, Erasure, Franz Ferdinand, Faith No More, Human League, Red Hot Chili Peppers, Heaven 17, Suede, The Go-Go’s, Sonic Youth en Duran Duran bewijzen het volstrekt eigenzinnige duo alle eer. De documentaire is met bijna tweeënhalf uur speeltijd al net zo overdadig als de gastenlijst en eclectisch van opzet bovendien: een bijzonder vermakelijke potpourri van videoclips, animatie, filmfragmenten, beeldgrapjes, concertbeelden en al wat ze verder nog konden bedenken.

Daarvan kun je zeggen: het had allemaal wel een tandje minder gekund, maar dan zou deze film eigenlijk geen recht hebben gedaan aan Sparks, een muzikale exploratie van zowat alle uithoeken van de popmuziek. Waarin spot en zelfspot gelukkig nooit hebben ontbroken. In die categorie behoren vast ook de weetjes, stuk voor stuk ‘honderd procent waar’, waarop de gebroeders hun publiek nog vergasten tijdens de aftiteling. ‘Russell heeft als anonieme stemacteur aan meegewerkt aan 27 animatiefilms uit Hollywood’, beweert Ron. ’26 Dagen voor elke tour begint Ron aan het alfabet-dieet’, stelt Russell op zijn beurt. ‘Hij eet dan gerechten op alfabetische volgorde. Van avocado op de eerste dag tot zucchini op de laatste.‘ Waarvan akte.

Moby Doc

‘Ik realiseer me dat we nu al een tijdje in een tamelijk conventioneel narratief zitten’, zingt Moby, terwijl hij zichzelf begeleidt op de banjo. ‘Maar nu gaan we weer lekker vreemd doen.’ In het navolgende shot – zijn eigen Moby Doc (92. min.) is inmiddels ruim twintig minuten onderweg – loopt de kale muzikant als een typische goeroe in gewaad chantend over straat. Hij wordt begeleid door een groep lieden in een wit laken, met een dierenmasker op. Op zoek naar een denkbeeldig bos, waar hij zijn volgers/kijkers met liefde en plezier instuurt.

Deze verfilmde autobiografie moet, zoveel is duidelijk, méér worden dan zomaar een verhaal over een ongelukkig jongetje dat zich alleen bij dieren op zijn gemak voelde, via muziek uit zijn eigen kleine leventje wist te breken en zo, met de verplichte horten en stoten, toch een connectie tot stand kon brengen met de rest van de wereld. Alle gekkigheid ten spijt is dat tóch wat deze persoonlijke film van/over Richard Melville Hall, die natuurlijk ook de nodige muziek- en concertfragmenten bevat, in essentie is.

Ondanks die (geacteerde) scènes tegenover een aantrekkelijke therapeute met een nét iets te grote bril op, die later ook heel behoorlijk blijkt te kunnen zingen (*). Ondanks de zelfgemaakte poppetjes, dramatische landschappen en cartoons waarmee Moby taferelen uit zijn eigen leven terughaalt. En ondanks de tweegesprekken met regisseur David Lynch (van wie hij een stukje Twin Peaks leende om er zijn eerste wereldhit Go mee te scoren), illustrator Gary Baseman en een hond die één en al oor is. Over, vooruit, de zin van het/Moby’s leven.

Op zoek dus naar, zoals hij in het begin van dit kleurrijke zelfportret uitspreekt, het waarom van alles: waarom doen we wat we doen? Slalommend langs navelstaarderij, zelfspot en oprechte reflectie belandt hij zo ook bij zijn sleutelalbum Play, dat rond de eeuwwisseling een enorm succes werd. ‘Het heeft me uiteindelijk totaal gecorrumpeerd en geruïneerd, maar op het moment zelf was het geweldig’, vertelt Moby daarover, terwijl hij met een telefoon aan het oor door een soort nachtwinkel ijsbeert. ‘Van een uitgerangeerde has-been was ik ineens iemand geworden die filmsterren ging daten, welkom was op elk feestje en bakken met geld verdiende.’

Totdat – zo gaat dat ook/zelfs in het bestaan van een doorgewinterde buitenbeen – ‘drank, drugs en mijn eigen narcisme’ hem helemaal boven het hoofd begonnen te groeien. Met zichtbare makerslol plaatst Moby zijn eigen leven in perspectief, waarbij ook zijn vriendschap met idool David Bowie natuurlijk nog een comfortabel plekje heeft gekregen. In een film die met evenveel gemak origineel, irritant of vermakelijk is te noemen.

(*) Ze treedt zelfs op onder de naam Julie Mintz.

De Gert & Hermien Story

De twee hoofdrolspelers zijn inmiddels overleden. Gert Timmerman verwisselde in 2017 het tijdelijke voor het eeuwige. Zijn voormalige echtgenote Hermien van der Weijde ging veertien jaar eerder hemelen.

Als het artiestenduo Gert en Hermien hadden ze een lange en veelbewogen carrière. Terwijl Amsterdam in mei 1969 nog bijkwam van de befaamde Maagdenhuisbezetting, gaven zij bijvoorbeeld het allereerste Nederlandse stadionconcert. Het leidde volgens hun producer Eddy Ouwens tot krantenkoppen als: ‘File in Amsterdam in verband met het concert van Gert en Hermien in het Olympisch Stadion’. De twee hadden toen al een tiental gouden platen op hun palmares staan. Ouwens: ‘Terwijl ze dus, als je de harde waarheid neemt, vijftien of twintig jaar later nog geen café vulden.’

Want samen gingen ze over hoge toppen en door diepe dalen. Zakelijk én privé. Gert en Hermien hadden ogenschijnlijk zo’n perfect huwelijk dat eigenlijk niemand het kon geloven. Thuis vlogen in werkelijkheid de asbakken regelmatig door de kamers, vertelt dochter Sandra Timmerman in De Gert & Hermien Story (106 min.). Het zou, na 35 jaar, zowaar tot een in de roddelbladen breed uitgemeten echtscheiding komen. Met die informatie in het achterhoofd is Hermiens ongemak in zowat elke afzonderlijke scène te zien. Alleen op het podium weet ze de schijn behoorlijk op te houden. Gert is intussen gewoon zijn roestvrijstalen zelf, inclusief kamerbrede glimlach.

Hoewel er ook andere mensen uit de directe entourage van het koppel aan het woord komen in deze documentaire van Hans Heijnen, is dit toch eerst en vooral het verhaal van dochter Sandra Timmerman, die eerder al een theatervoorstelling en boek wijdde aan haar leven als kind van Gert en Hermien. Het zal haar ongetwijfeld niet in dank worden afgenomen door zus Sheila, met wie ze (daarom) al enige tijd gebrouilleerd is. Ook broer Gert Jr., die enkele jaren geleden op een bijzonder ongemakkelijke manier in het nieuws kwam, ontbreekt in dit tamelijk scandaleuze portret.

Rond Gert en Hermien zijn desondanks, hoe godvruchtig ze jarenlang ook voor de dag probeerden te komen, genoeg smeuïge verhalen te vinden. Over huiselijk geweld, geldproblemen, een pornoplaat, flirten met drank en drugs, Playboy-dochters én incest. Want diezelfde Sandra stelt ook dat haar vader zich aan haar heeft vergrepen. Had Gert daarna God nodig? Feit is dat hij even later volledig in de Here raakte, volgens eigen zeggen letterlijk na een donderslag bij heldere hemel. Die ervoer Gert als een teken van boven. Het zou tot een langdurige evangelische episode van het roemruchte duo leiden.

Zo gebeurt er altijd wel wat in het leven van het duo, dat tot elkaar veroordeeld was en – vanwege die ene enorme hit, Alle Duiven Op De Dam – ook nog wel even zal blijven. Het laatste woord in dit dubbelportret is wederom voor hun oudste dochter Sandra, die gaandeweg vervreemd was geraakt van haar vader en door Heijnen toch nog eenmaal met hem wordt geconfronteerd. Ze kan het nauwelijks aanzien. Zoals ook menige kijker zich zal afvragen of dat ongemakkelijke slotakkoord niet beter achterwege had kunnen blijven in deze vermakelijke tv-film.

1971: The Year That Music Changed Everything

Apple TV+

Voor wie vijftig jaar na dato nog altijd niet elke bocht, zijweg en afslag van ‘the trip down memory lane’ richting Boomerland kent, is 1971: The Year That Music Changed Everything (363 min.) zonder enige twijfel een traktatie. De achtdelige reeks van Asif Kapadia (Senna, Amy en Diego Maradona) buigt zich diepgaand over het muziekjaar 1971.

Alle oude favorieten komen weer langs: John Lennon, The Rolling Stones, Alice Cooper, The Doors, T. Rex, The Who, Joni Mitchell, Elton John, Bob Marley, Kraftwerk en Lou Reed. Ze worden gepresenteerd onder een motto dat is ontleend aan David Bowie: ‘We begonnen met de 21e eeuw in 1971.’ Daarbinnen is er ook opvallend veel aandacht voor de zwarte inbreng, middels korte portretten van Marvin Gaye, Sly & The Family Stone, Aretha Franklin, Curtis Mayfield, Ike & Tina Turner, James Brown, The Staple Singers en Bill Withers.

Deze momentopnames van belangwekkende artiesten worden afgezet tegen belangrijke ontwikkelingen in diezelfde periode; van de oorlog in Vietnam en burgerrechtenbeweging tot de seksuele revolutie en opkomst van heroïne en cocaïne. Waarbij ook beeldbepalende figuren zoals Muhammad Ali, Hunter S. Thompson, Charlie Manson, Angela Davis en James Baldwin, die stuk voor stuk al veel vaker in beeld zijn gebracht, natuurlijk niet ontbreken.

De muziek wordt intussen een belangrijke maatschappelijke rol toegedicht – of op zijn minst beschouwd als een wezenlijke weerslag van wat er destijds, met name in de Verenigde Staten, gaande was. Deze reeks is verder vanzelfsprekend gelardeerd met fraaie concertfragmenten, waarbij de songteksten in beeld worden vertoond. Talloze insiders, met quotes die uit de archieven zijn gehaald en nu off screen worden gepresenteerd, voorzien het geheel van commentaar.

Het terrein dat 1971 probeert te bestrijken is natuurlijk al lang en breed afgegraasd. Sterker: de meeste verhalen zijn, ook in documentaires, al eerder en diepgaander verteld. Deze serie – zonder enige twijfel knap gemaakt, maar ook zonder enige urgentie – is daardoor vooral interessant voor muziekliefhebbers die zich nog nooit in dit tijdsgewricht hebben verdiept. Of er altijd in willen blijven hangen.

Zouden die zich volgend jaar in 1972 mogen verlustigen?

Truth To Power

Nee, tactisch was het niet om direct na de aanslagen van 11 september 2001 aandacht te vragen voor de beweegredenen van de terroristen en kritische vragen te stellen bij het Amerikaanse Midden-Oosten beleid. De rest van System Of A Down stond in elk geval bepaald niet te juichen toen frontman Serj Tankian zijn essay daarover, zonder overleg vooraf, op de bandwebsite plaatste. Toxicity, het tweede album van de Armeens-Amerikaanse metalgroep, was net uit en leek een enorme hit te gaan worden. Nu dreigde de band in de ban te worden gedaan.

Volgens Rick Rubin, die deze langspeler had geproduceerd, pakte de zanger simpelweg zijn rol als kunstenaar en maakte hij gebruik van het podium dat hij nu eenmaal had. En toen had Tankian nog niet eens stelling genomen tegen de Amerikaanse inval in Irak. ‘Why must we kill our own kind?’ zong hij op de van hem welbekende lyrische manier in Boom!, waarvoor een videoclip was gemaakt door de linkse stokebrand Michael Moore. Met de al even radicale Rage Against The Machine-gitarist Tom Morello richtte Serj Tankian vervolgens de ideële non-profitorganisatie Axis Of Justice op.

De andere bandleden van System Of A Down zouden zich liever vooral op de muziek hebben gericht, bekennen ze in Truth To Power (79 min.), een portret van de bevlogen artiest en opiniemaker Serj Tankian. Over één ding waren ze het wél roerend eens: de Armeense genocide van 1915. Die traumatische gebeurtenis, waardoor hun voorouders ooit de wijk hadden moeten nemen naar de Verenigde Staten, moest nu eindelijk eens officieel erkend worden. Met die stellingname zouden ze in aanvaring komen met hun eigen platenbaas, de Turkse Amerikaan Ahmet Ertegun die allerlei initiatieven had gefinancierd om die erkenning juist te ontmoedigen.

En daarna sloot Tankian zich ook nog aan bij het verzet tegen de huidige Armeense regering. Niet zonder resultaat overigens. Dat lijkt ook het verhaal van zijn leven. De zanger (en componist en dichter en kunstenaar) heeft blijkbaar altijd wel een zaak waarvoor hij zich sterk wil maken. Van regisseur Garin Hovannisian krijgt hij in deze wat brave policor-docu alle ruimte om zijn idealen uit te dragen. Weerwoord of kritische noten blijven uit. Daarmee wordt Truth To Power eerder een soort monumentje voor de oerkracht Serj Tankian dan een afgewogen film die ook voor buitenstaanders of zelfs tegenstanders interessant is.

Demi Lovato: Dancing With The Devil

YouTube

Nu gaan ze, zangeres Demi Lovato en de mensen uit haar directe omgeving, wél de waarheid vertellen. Hand op het hart. Niet zoals in die nooit uitgebrachte documentaire, waarin Demi werd gefilmd tijdens haar wereldtournee van 2018 en iedereen nog netjes de schijn ophield. Totdat dit – doordat Demi op 23 juli wereldnieuws werd via een bijna fatale overdosis – met geen mogelijkheid meer was vol te houden en het filmen rigoureus werd gestopt. Einde tourfilm.

Welkom échte documentaire: Demi Lovato: Dancing With The Devil (88 min.). Alhoewel, écht? Deze serie van regisseur Michael D. Ratner, bestaande uit vier handzame delen, komt gewoon uit de koker van Team Demi. We mogen nu toch wél over de heroïne vertellen? vraagt één van de sprekers halverwege de eerste aflevering voor de zekerheid. Het antwoord luidt bevestigend. Welke verhalen echter niet in het gekozen narratief passen en dus toch nog binnenskamers worden gehouden, zullen we waarschijnlijk nooit weten. Als we dat al zouden willen.

Niet dat er op het eerste oog veel onbesproken blijft in dit onthullende portret: seksueel misbruik, eetstoornissen, verslaving, automutilatie en psychiatrische problematiek. Behalve de hoofdpersoon zelf komt ook Demi’s complete entourage aan het woord: haar moeder, zussen, stiefvader, beste vrienden en een hele zwik medewerkers: een personal assistent, business manager, hoofd beveiliging/stafchef, case manager, choreograaf/creatief directeur en ook nog een ‘gewone’ manager. Voor de zekerheid komt Demi er nog wel even naast zitten of spoort ze hen vooraf aan om vooral de complete waarheid te vertellen – en, waar nodig, hun eigen naam te zuiveren.

Dat voelt allemaal heel Amerikaans: elk dieptepunt blijkt uiteindelijk vooral een aanloop naar een moment van diep inzicht. Het probleem is alleen: die diepere inzichten, zo blijkt uit archiefmateriaal, heeft ze al eerder gehad. En die hebben uiteindelijk dan toch weinig effect gesorteerd. In dat verband zou het interessant zijn geweest als ook Lovato’s vorige management, dat haar ten tijde van die overdosis in 2018 aan strikte regels onderwierp en dat sindsdien aan de kant is geschoven, spreektijd had gekregen. Wat zou dit voor effect hebben gehad op dat roestvrijstalen narratief van in de diepste put vallen en er weer geheel gelouterd uitklimmen?

Échte reflectie – op hoe een leven in de spotlights, vanaf heel jonge leeftijd, jou en je omgeving tekent – ontbreekt evenwel in deze échte documentaire, die uiteindelijk toch eerst en vooral weer een promotool lijkt. Want Demi Lovato: Dancing With The Devil wordt natuurlijk opgeleverd met een gelijknamige hitsingle. En in de bijbehorende videoclip speelt ze, ter leering ende vermaeck, haar eigen overdosis nog eens vol overgave na. Dat kun je dapper noemen. Of smakeloos.

Ara Malikian, Una Vida Entre Las Cuerdas

In zijn instrument weerklinkt het lot van zijn volk. Ruim honderd jaar na dato speelt de Armeense genocide van 1915, waarbij zo’n anderhalf miljoen mensen zijn omgebracht, nog altijd een dominante rol in het leven van violist Ara Malikian. Zijn grootvader Krikor ontsnapte toen als vijftienjarige jongen aan een gruwelijk lot. Hij deed zich voor als violist en ontvluchtte met een orkest het land dat we tegenwoordig kennen als Turkije. ‘s Mans nazaten zouden in Libanon terechtkomen, een land dat vrijwel permanent in oorlog was verwikkeld.

Toen Ara als muzikant veelvuldig begon te reizen, merkte de Armeense Libanees – of Libanese Armeen – pas wat die identiteit losmaakte. ‘Wat zit er in die koffer: een viool of een Kalasjnikov?’, vroegen ze hem bij een grens of op het vliegveld. Hij oogt tegenwoordig, met zijn ruwe baard, weelderige haardos en tatoeages, ook eerder als een lid van de Armeens-Amerikaanse metalband System Of A Down dan als een meesterviolist. Of beter: als een soort ‘Jimi Hendrix van de viool’, een bijnaam die zijn collega Warren Ellis eens ten deel viel.

In Ara Malikian, Una Vida Entre Las Cuerdas (89 min.) vertelt de goedlachse muzikant, ondersteund door vrienden en collega’s, zijn levensverhaal en kijkt hij terug op zijn carrière die hem langs allerlei verschillende muzieksoorten – van vioolpop, gipsy en klezmer tot jazz, flamenco en tango – heeft gebracht. Regisseur Nata Moreno vervat dat in fraaie montages van concertbeelden uit heden en verleden, die illustreren hoe Malikian zich uit het korset van de klassieke muziek heeft gewrongen en nu als een muzikale nomade op zijn eigen voorwaarden de wereld rondreist. Als een echte performer, in directe interactie met zijn publiek.

Hij is niet gericht op het bereiken van perfectie, maar op het delen van de ervaring. Dat komt ook tot uiting in de gedragen slotscène van deze gesmeerd lopende (auto)biografie, waarin Ara Malikian als een vioolvorst door zijn publiek schrijdt terwijl hij Aria de Bach vertolkt. ‘Uit de slechtste omstandigheden kun je goud halen’, constateert hij tot besluit. ‘Als je het wilt, kun je het.’

The Agony And Ecstacy Of Phil Spector

Over dat hele proces maak ik me geen seconde druk, zet de hoofdpersoon aan het begin van The Agony And Ecstacy of Phil Spector (100 min.) een geheel eigen redenering op. ‘Alleen het vonnis boezemt me angst in.’ De legendarische producer staat in het voorjaar van 2007 terecht voor de moord op de actrice Lana Clarkson. Phil Spector zou haar dood hebben geschoten in zijn eigen huis in Los Angeles.

Nou had Spector, om het mild uit te drukken, al een reputatie. Zo zou hij, volgens hardnekkige verhalen, de punkband The Ramones tijdens de opnames van hun album End Of The Century onder schot hebben gehouden met een pistool uit zijn uitbundige wapenverzameling. Waar Phil Spector was, zoveel werd steeds weer duidelijk, kwam gedoe. Altijd en overal. En geweldige muziek, dat ook. Altijd en overal.

Zijn geheel eigen stijl kreeg zelfs een aparte naam: de Wall Of Sound. Tegen de achtergrond van de rechtszaak gaat het megalomane enfant terrible in deze hele fijne film van Vikram Jayanti uit 2009 openhartig, lekker dwars en met ontzettend veel humor in op zijn eigen leven en carrière, die hem in de studio en achter de mixtafel bracht bij een ongelooflijke rij hitartiesten: The Crystals, The Righteous Brothers, The Ronettes, Leonard Cohen, Ike & Tina Turner en, jawel, The Beatles.

Spectors signatuursongs, in z’n geheel in de film opgenomen en bovendien voorzien van hele fijne citaten uit de biografie Tearing Down The Wall Of Sound van Mick Brown, gaan een bijzonder fijn huwelijk aan met de verwikkelingen tijdens het proces tegen de omstreden dwingeland. Op een gegeven moment meen je zelfs in de gesuikerdste pophits de psychopaat Spector te kunnen ontwaren. Een geduchte prestatie. En op een vreemde manier ook een perfect eerbetoon aan één van de gekste en geniaalste geesten uit de pophistorie.

Amazing Grace

Paradiso Films

Bijna een halve eeuw lag het beeldmateriaal dat regisseur Sydney Pollack in 1972 maakte van de opnames voor het Aretha Franklin-album Amazing Grace, achter slot en grendel. Eerst wilde het maar geen eenheid vormen met het opgenomen geluid, dat inmiddels was uitgegroeid tot het best verkochte gospelalbum aller tijden. Later, toen producer Alan Elliott er alsnog in slaagde om beeld en geluid met elkaar te verbinden, begon de zangeres zelf dwars te liggen. Ze startte allerlei juridische procedures om het uitbrengen van deze documentaire te verbieden.

Pas toen Franklin in augustus 2018 was overleden, en haar nabestaanden bereid bleken om alsnog een deal te sluiten, kon Amazing Grace (89 min.) het licht zien. De film, opgenomen in de New Temple Missionary Baptist Church in Los Angeles, toont een artiest in topvorm. De Amerikaanse soulzangeres heeft zich in de voorgaande jaren met een indrukwekkende stroom hits opgeworpen als de ‘First Lady of music’ en wil nu terug naar haar basis: de gospelmuziek die ze thuis met de paplepel ingegoten heeft gekregen van dominee C.L. Franklin. Op de tweede avond van de opnames komt Aretha’s vader ook nog even het podium op, om de loftrompet over haar te steken. ‘Ze is niet alleen mijn dochter. Ze is gewoon een geweldige zangeres.’

De bewierookte zangeres laat het zich aanleunen en luistert bescheiden toe. Het betrekken van haar publiek bij de opnames en weldadige muziek laat ze over aan dominee James Cleveland, de spreekstalmeester en pianist van The Southern California Community Choir dat haar glansrijk terzijde staat. Totdat ze haar strot opentrekt, zou de verlegen Aretha zomaar kunnen doorgaan voor een backbencher van het koor. Eenmaal op gang brengt ze alle aanwezigen, onder wie Mick Jagger en Charlie Watts (die op dat moment werken aan het Rolling Stones-album Exile On Main Street), echter helemaal in vervoering. Menigeen pinkt een traantje weg of begint oncontroleerbaar mee te bewegen.

Deze weerslag van twee gedenkwaardige opnamedagen en de repetities daarvoor is bewust sober gehouden: geen commentaar, interviews of montagetrucs (behalve spaarzaam gebruik van split screen). Let the music do the preachin’. In die zin is Amazing Grace een aardige tegenhanger van het eveneens dit jaar verschenen Homecoming, waarin Beyoncé als een echte diva haar eigen interpretatie van de Amerikaanse zwarte muziekgeschiedenis geeft. De benadering van beide dames is zowat tegengesteld, maar wat ze beogen lijkt min of meer hetzelfde: de muziek die henzelf heeft gevormd naar een hoger plan tillen, zodat iedereen, Afro-Amerikaans of niet, lid wil worden van De Zwarte Kerk.