The Trouble With Mr Doodle

Acme Films

Als het aan Sam Cox ligt, is de hele wereld niet meer dan een canvas voor zijn ‘doodles’, de lijntekeningen die de meeste mensen vooral maken om hun gedachten te verzetten. Als kind wilde de jonge Brit al obsessief tekenen, liefst vijftien uur per dag. Gedachteloos de stift ter hand nemen en dan letterlijk elk papier vullen waar je de hand op kunt leggen. Zo blijft de echte wereld ook op afstand. En dat is wel zo prettig, want Sam is nu niet direct een sociale jongen.

Hij ontwikkelt een alter ego: Mr Doodle, een slapstickachtige figuur met een doodlepak aan, die alles voltekent wat hij op zijn pad treft en die via foto’s en filmpjes op social media al snel een populair personage en een gewaardeerde kunstenaar wordt. Sams grote doom is een volledig wit geschilderd huis, dat hij vervolgens, van binnen en van buiten, he-le-maal kan voltekenen met zijn kenmerkende naïeve figuurtjes, voorwerpen en vormen. Tegen die tijd hebben zijn enthousiast ontvangen ‘droedels’ alleen al een behoorlijk ongezond trekje gekregen.

The Trouble With Mr Doodle (88 min.) is een aangrijpend portret van een jonge getalenteerde tekenaar die stilaan volledig doordraait. Totdat Sam Cox zichzelf dood verklaart en daadwerkelijk verder wil als Mr Doodle, een tragische figuur die z’n levensdagen slijt in het nachtmerrieachtige Doodleland. ‘Ik dacht dat ik bevriend was geraakt met Banksy en heel close was met Kanye West’, vertelt hij daarover. ‘Donald Trump vroeg me om te doodelen op de muur tussen de Verenigde Staten en Mexico. Wij gingen samen de hele wereld doodelen!’

Deze film van Jamie D’Cruz, Ed Perkins en Alex Nott maakt alvast een ferme start met die wereld en is volkomen volgedoodeld. Zodat het intimiderende karakter van dat tekenen in Sams leven bijna fysiek voelbaar wordt. De documentaire begon ooit bij het witte huis – wat een project om te documenteren! – maar ontwikkelde zich gaandeweg tot een portret van de wankele man daarachter. De doodles spatten daarin zowat van het scherm af en overweldigen elke plek waarin ze terecht zijn gekomen. Cox zit gevangen in zijn eigen kunst en het manisch vervaardigen daarvan.

The Trouble With Mr Doodle maakt zichtbaar hoe dun en fragiel de lijn kan worden tussen genie en gekte. Het kunstenaarschap wordt voor Sam Cox, zonder dat hij daar zelf vat op krijgt of ’t zelfs maar door heeft, een juk om onder te bezwijken. Sams mentale staat baart natuurlijk ook zijn ouders Andrea en Neill en Oekraïense vriendin Alena ernstige zorgen. Maar hoe red je iemand van zijn zelfverkozen levensmissie?

One To One: John & Yoko

Magnolia Pictures

Eind 1971 verhuizen John Lennon en Yoko Ono van Londen naar New York, waar ze anderhalf jaar lang in een klein appartement in Greenwich Valley wonen, kunstenaars en politieke activisten ontvangen en héél véél televisie kijken. Ze zijn zelf overigens ook vaak op de buis, getuige de documentaire One To One: John & Yoko (100 min.) van Kevin Macdonald en Sam Rice-Edwards, in één van de vele Amerikaanse nieuws-, entertainment- of praatprogramma’s.

Want dat kennen ze dan nog niet buiten de Verenigde Staten: de hele dag door televisie, een permanent venster op de wereld, gewoon in je eigen huiskamer. Waarop bijvoorbeeld is te zien hoe een lid van The Ray Conniff Singers in het Witte Huis de Amerikaanse president Richard Nixon de mantel uitveegt over de Vietnamoorlog, leden van de tegencultuur zoals Jerry Rubin ongegeneerd hun kans grijpen in talkshows en een opstand in de Attica-gevangenis met brute kracht wordt neergeslagen.

John en Yoko’s Greenwich-periode culmineert in One To One, het énige volledige optreden dat Lennon heeft gegeven ná het einde van The Beatles. Macdonald en Rice-Edwards matchen fragmenten van dit benefietconcert voor kinderen met een lichamelijke of verstandelijke beperking, op 30 augustus 1972 in Madison Square Garden, met andere activiteiten van de Britse zanger/gitarist en de Japanse kunstenares, die elkaar hebben gevonden in zowel de liefde als een alomvattend activisme.

Deze archieffilm bevat ook talloze telefoongesprekken van het tweetal. Met vrienden, managers, journalisten en allerlei andere lieden die iets van hen willen. Lennons echtgenote moet zich bijvoorbeeld de vele Yoko-haters van het lijf houden, die haar het einde van Johns eerste huwelijk en van The Beatles verwijten, en probeert zelf, ook via de televisie overigens, de relatie met Kyoko, de dochter uit haar relatie met kunstpromotor Anthony Cox, te herstellen. Haar ex is spoorloos verdwenen met het meisje.

Terwijl de camera zwerft over een replica van het voormalige appartement van Lennon en Ono, komt via de beeldbuis de rest van de wereld binnen. Zowel het segregatie-boegbeeld George Wallace als zijn absolute tegenpool, de zwarte vrouw Shirley Chisholm, stellen zich bijvoorbeeld namens de Democratische Partij kandidaat voor de presidentsverkiezingen van 1972. Het Watergateschandaal rond de Republikeinse president Nixon komt op gang. En intussen zijn er tv-reclames in alle soorten en maten.

Via het iconische duo John en Yoko – en hun optredens, opgenomen belletjes en televisietoestel – brengen Macdonald en Rice-Edwards haarscherp een getroebleerde natie in beeld. Een land dat aan het begin van de jaren zeventig wordt verscheurd door Vietnam, raciale spanningen en maatschappelijke tegenstellingen. Waar Richard Nixon in 1972 een gigantische verkiezingsoverwinning kan boeken, om nog geen twee jaar later, als gevolg van Watergate, roemloos af te druipen als niets meer dan een ‘crook’.

John Lennon en Yoko Ono zijn dan al enige tijd weg uit Greenwich Valley en hebben elders in New York een appartement betrokken.

I Am Martin Parr

Dogwoof

Gniffelen mag. Om de openingssequentie van I Am Martin Parr (52 min.), met iconische beelden van de Britse fotograaf. Om het friet etende gezin op een rood bankje, bij een vuilnisbak die niet op z’n taak is berekend. Om het oudere echtpaar dat elkaar nauwelijks een blik waardig gunt in een sfeerloos restaurant. Om de helblonde hanenkam voor een typisch Britse telefooncel. Om de groep nette heren met een zwarte bolhoed, die ogen als overjarige Daltons. En om de baby die er nog nét bij past in de helemaal volgestouwde winkelwagen.

Typisch Martin Parr. Door regisseur Lee Shulman bovendien opgediend met een snuifje punk: White Riot van The Clash. ‘Hij heeft gedaan wat Charlie Chaplin in de stomme film deed’, stelt Parrs collega Mimi Mollica. ‘Komedie en tragedie ineen. Dat bestond nog niet in de fotografie.’ Martin Parr ziet zichzelf echter niet als een humoristische fotograaf. ‘Het leven is gewoon vreemd en grappig.’ En dus zit zijn werk vol met zowel de schoonheid als de lulligheid van het bestaan. Het duurde alleen even voordat dit op waarde werd geschat: anderen verdachten de fotograaf ervan dat hij gewone mensen te kijk zette.

Dat werd pijnlijk duidelijk toen hij in de jaren negentig lid wilde worden van Magnum Photos, het toonaangevende fotografencollectief. De helft van de leden zou ermee stoppen als Martin Parr werd toegelaten, de andere helft als er géén plek voor hem zou zijn. ‘Cultuur heeft iets tegen humor, terwijl humor de cultuur juist tempert’, schampert kunstenaar Grayson Perry daarover. ‘Dat wordt zo onderschat. Er zit zoveel performatieve ernst in de kunst. Mensen denken dat ellende belangrijker is in de kunst dan humor. Humor houdt gewichtigdoenerij en fanatisme binnen de perken.’

Terwijl zijn echtgenote Susie Parr, kunstkenners en collega’s zoals Bruce Gilden, Kavi Pujara en Harry Gruyaert hun licht over hem laten schijnen, toont Shulman hoe Parr, die ernstig ziek is geweest en zich geregeld voortbeweegt met een rollator, onvermoeibaar aan het werk blijft. Hij lijkt overal in de publieke ruimte wel wat van zijn gading te kunnen vinden: in restaurants, op de dansvloer, aan het strand, in een speelhal, achter het stuur of op de markt. ‘Niet lachen, normaal kijken’, zegt hij dan tegen de mensen voor zijn camera en legt hen vervolgens op hun paasbest, allergewoonst of ongemakkelijkst vast.

Volgens eigen zeggen wil Parr ‘de vrijetijdsbesteding van diverse klassen in de westerse wereld vereeuwigen’. Zo heeft hij meteen de wegkwijnende arbeidersklasse in Thatchers Engeland te pakken gekregen en later ook de consumptiemaatschappij en het internationale toerisme van onvergetelijke beelden voorzien. Op die manier heeft de onverzadigbare fotograaf, in de woorden van bassist Mark Bedford van de Britse skaband Madness (die natuurlijk niet ontbreekt in de lekker rafelige soundtrack van I Am Martin Parr), de wereld vastgelegd zoals die was. ‘En niet zoals hij ‘m wilde hebben.’

De bonte kermis aan beelden in dit joyeuze portret zorgt er zelfs voor dat het gewone leven, zoals eenieder van ons dat elke dag aantreft als ie z’n huis verlaat, verdacht veel op een Martin Parr-foto begint te lijken.

Minted

PBS

Zijn NFT’s simpelweg een hype, die inmiddels alweer is overgewaaid? Of hebben ze een blijvende impact op de kunstwereld?

Toen Mike Winkelmann, alias Beeple, in 2007 dagelijks tekeningen begon te maken op zijn computer, had hij in elk geval nooit kunnen vermoeden dat die ooit zouden worden erkend als serieuze kunst – en dat hij daarmee bij het befaamde veilinghuis Christie’s zou belanden. Beeple’s digitale kunstwerk Everydays: The First 5000 Days – een Non-Fungible Token (NFT), met een unieke digitale handtekening – wordt in 2021 verkocht. Tot zijn eigen verbazing verwisselt de collage van eigenaar voor maar liefst 69 miljoen dollar. Tegenwoordig heeft Winkelmann z‘n eigen studio, waarmee hij probeert te doen wat elke toonaangevende kunstenaar volgens hem ooit deed: het vernieuwen van de kunst zoals we die kennen.

En het begon ooit zo aandoenlijk en klein. Met behulp van een floppy disk en personal computer kan Kevin McCoy in Minted (80 min.) nog steeds de originele digitale kunstwerken laten zien die hij in de jaren negentig maakte. Samen met zijn partner Jennifer stond hij destijds voor een enorme uitdaging: hoe maak je unieke werken, die niet eindeloos kunnen worden gekopieerd? De Blockchain-techniek bood uiteindelijk uitkomst. Daardoor konden NFT’s ook het levenslicht zien – al was daar in eerste instantie nog altijd geen droog brood mee te verdienen. Cars (2014), het digitale kunstwerk van Jennifer en Kevin McCoy dat geldt als de allereerste verkochte Non-Fungible Token, bracht bijvoorbeeld slechts twintig dollar op.

Sindsdien is er veel veranderd: NFT’s groeiden uit tot een hype, zowel in de kunstwereld als daarbuiten, en werden daarna onderdeel van een zogenaamde ‘crypto clash’. Nicholas Bruckman verwerkt die ontwikkeling op een toegankelijke manier in deze vlotte, interessante en speels vormgegeven film. Hij doet dat aan de hand van enkele hoofdpersonen. Fotograaf Justin Aversano begon de foto’s van zijn tweelingenproject Twin Flames enkele jaren geleden bijvoorbeeld als NFT te verkopen, kan zichzelf daardoor nu onderhouden en hoeft dus geen commerciële klussen meer aan te nemen. En de Cubaanse kunstenares Kina Matahari, die in eigen land te maken krijgt met censuur, heeft er ook creatieve vrijheid in gevonden.

Verder hebben NFT’s ook hun eigen kwetsbaarheden. Want wie zorgt ervoor dat anderen jouw werk niet als NFT gaan verkopen, zoals de Nederlandse kunstenares Loish gebeurde? Wie treedt er op als je wordt gehackt? Wat te denken van celebrities, zoals Paris Hilton met haar ‘Bored Apes’ bij de talkshow Jimmy Fallon, die een verdienmodel creëren met NFT’s, waarvan de artistieke waarde mag worden betwijfeld? En hoe wordt de markt beïnvloed, of zelfs verziekt, door allerlei lieden die snel rijk denken te kunnen worden met de handel in NFT’s? Wanneer het mis gaat en de markt crasht, is één ding in elk geval duidelijk: niet alleen gewone investeerders gaan het schip in, kunstenaars zoals Justin Aversano en Kina Matahari kunnen zomaar hun (enige) inkomstenbron verliezen.

Pipe Dream

AVROTROS

Hij beschouwde zichzelf ooit als een soort god, zegt ie. Sinds 1990 houdt de Nederlandse kunstenaar Theo Jansen zich al bezig met het maken van ‘strandbeesten’. Terwijl hij, in de openingsscène van dit aan hem gewijde persoonlijke portret, over hen vertelt als ware het levende wezens, is Jansen druk bezig met een soort perpetuum mobile van PVC-buizen dat, eenmaal aangejaagd door de wind, gracieus over het strand schrijdt. ‘Na verloop van tijd werd het steeds duidelijker dat ik meer een slaaf ben dan een god.’

Op ’s mans YouTube-kanaal @strandbeestfilm zijn talloze filmpjes te vinden van Jansens beesten op het Scheveningse strand. Soms lijken ze op rudimentaire vogels of prehistorische skeletten, een andere keer op een reusachtige rups of militaire parade. De meerderheid van zijn creaties mislukt overigens, bekent hij aan het begin van de internationale documentaire Pipe Dream (47 min.). Kunst is voor hem vooral veel spelen. En dan begint het materiaal vanzelf tegen je te praten.

(Zelf)spot is de man daarbij niet vreemd. Jansen realiseert zich dat er een Don Quichot-achtige figuur in hem schuilt. Die kan helemaal opgaan in zijn eigen creaties en wordt door anderen vast regelmatig voor gek versleten. Als hij bezig is met het vervoer van een aantal beesten naar een galerie in het Japanse Osaka, kan Jansen ‘t niet laten om daar dan weer de draak mee te steken. ‘Het is kunst, weet je?’ zegt hij tegen de filmmakers Nikolay Nikolov en Zachary Alfred. Hij laat een korte stilte vallen. ‘Wisten jullie dat niet?’

‘Als ik van mensen af wil zijn, zeg ik meestal dat het kunst is’, vertelt Jansen even later in zijn atelier, nadat hij daar een geïnteresseerde man heeft afgewimpeld. ‘Dan houdt het meestal wel op. Als ik zeg dat het strandbeesten zijn, gaan ze allerlei vragen stellen. Maar als het kunst is, hebben ze medelijden met je.’ Ook hier gaat z’n humor met Jansen op de loop. Zijn werk was al in de hele wereld te zien. Nu staat er ook een tentoonstelling in zijn geboortestad Den Haag op het programma, zijn allereerste in Nederland.

Deze film geeft intussen een alleraardigst inkijkje in de parallelle wereld van Theo Jansen. Zijn strandbeesten lijken uiteindelijk een treffende uiting van ‘s mans ‘irrationeel optimisme’. En hij manifesteert zich zelf als een aimabele paradijsvogel, die helemaal één lijkt te zijn geworden met zijn eigen idee. Jansen wil dan ook dat zijn as wordt uitgestrooid op het strand als hij er niet meer is – en, houdt hij zijn eigen mythe doelbewust in stand, ‘als de beesten hier zelfstandig rondlopen’.

Het Universum Van Klaas Gubbels

AVROTROS

Bijna een halve eeuw geleden kocht filmmaker Jan Louter z’n eerste schilderij van Klaas Gubbels. In 1988 maakte hij een radiodocu over de Nederlandse kunstenaar, drie jaar later gevolgd door een televisie-item en in 20023 culminerend in de documentaire Stilleven Van Een Schilder. Ruim twintig jaar later is Louter nog altijd niet uitverteld over de inmiddels negentigjarige schilder, getuige Het Universum Van Klaas Gubbels (52 min.).

Intussen waren er gedurende de jaren ook andere documentairemakers te gast bij de aimabele en opmerkelijk vitale Gubbels, die wordt beschouwd als één van de grootste levende Nederlandse kunstenaars. Louter maakt gretig gebruik van hun werk en incorporeert treffende fragmenten in deze nieuwe film, die daardoor het karakter van een retrospectief krijgt. Van een man die overigens volledig in het heden leeft: hij blijft nog steeds dingen maken, benadrukt Gubbels, die voor hem nieuw zijn.

Klaas Gubbels heeft al zestig jaar z’n eigen atelier in een koetshuis nabij Arnhem. Daar gaat hij nog elke dag, tot vreugde van zijn echtgenote en hemzelf, aan het werk. Dat heeft maar één nadeel, vindt hij: binnen vijf minuten maakt hij er een ‘klerenzooi’ van. Tijdens de opnames van dit verzorgde portret werkt Gubbels in die werkruimte toe naar een overzichtstentoonstelling in Arnhem, de stad waarvan hij ereburger is. Schilderen is voor een ‘mierenneuker’ zoals hij overigens lang niet altijd leuk. Want als ’t niet lukt…

Dat werk ontroert z’n vriend, schrijver en documentairemaker Cherry Duyns. Die prijst de ‘ogenschijnlijke eenvoud’ ervan. Al die potten, kannen en tafels. Iets uit niets maken. Met veel meer detail dan menigeen in eerste instantie ziet. En dat blijft niet onopgemerkt. Want Gubbels mag de negentig dan bijna gepasseerd zijn, z’n werk wordt nog altijd op nieuwe plekken ontdekt. Zo meldt zich een Chinese galeriehoudster die het werk van de Nederlandse kunstenaar in Shanghai onder de aandacht wil brengen.

Alleen zijn stem, die z’n oorspronkelijke diepte heeft verloren, verraadt intussen dat Klaas Gubbels inmiddels tegen de tijd schildert. Alle reden dus om zijn werk te vieren. Met een expositie – ‘als ik zeg dat het kunst is, is het kunst’, staat er op de muur bij de tentoonstelling in Arnhem – en een film die zowel de man als de kunstenaar recht doet.

Hoe Te Verdwijnen

Doxy

Via een ander vind je jezelf – of althans een deel ervan. Via vier vrouwen portretteert Marc Schmidt in deze persoonlijke film als het ware zichzelf. De relatie tot zijn onlangs overleden vader in het bijzonder – en de leegte die hij heeft achtergelaten. Niet door zijn dood, maar juist door het leven dat hij heeft geleid. Met jou, via jou en (dwars) door jou.

In Hoe Te Verdwijnen (90 min.) richt Schmidt rechtstreeks het woord tot die man. ‘Joost, vader, ik voelde een onverwachte opluchting toen je overleed’, begint hij. ‘Niet langer jouw excessieve, alles verzwelgende, onverzadigbare honger naar kunst, drank, pijn, seks, liefde.’ Waarna hij via anderen de leegte in zijn eigen binnenste exploreert.

Via een Nederlandse vrouw die in een zeilboot helemaal alleen de Atlantische oceaan is overgestoken. Via een jonge vrouw die al een half leven leeft met een eetstoornis. Via een met deepfake onherkenbaar gemaakte vrouw met een seksverslaving. En via een bedremmelde vrouw die zich geneert voor haar ongenadige woede-uitbarstingen.

Stuk voor stuk leveren ze een gevecht met het beest dat het leven ook kan zijn. Met excessen, dwang en onverzadigbaarheid. Om een gat te dichten, niet in de afgrond te tuimelen, de parasiet in hen tevreden te stellen of zichzelf niet te laten vernederen. Want altijd seks willen hebben lijkt misschien een ‘joyride’, ‘maar dat is het natuurlijk niet.’

Daarmee wordt Hoe Te Verdwijnen – een film die ooit de werktitel De Onverzadigbaren heeft meegekregen – tevens een staalkaart voor onze tijd: de innerlijke leegte waarmee wij, moderne mensen, nogal eens hebben te dealen, de zoektocht naar zingeving die daarop kan volgen en de kwetsbaarheden die we dan op ons pad treffen.

Net als eerdere Schmidt-films zoals In De Armen Van Morpheus en Als De Nacht Maar Niet Valt is deze documentaire rijk aan beelden: iemand die zichzelf met krijt omlijst (om te bewijzen dat ie bestaat) bijvoorbeeld. Een volledig witte ruimte die het totale niets lijkt te representeren. En een uitgestrekt sneeuwlandschap om compleet in te… 

Uiteindelijk komt in dat secuur opgetrokken bouwwerk van beelden, klanken en indrukken – halverwege onderbroken door Der Atem Gottes, een muziekstuk van John Cage dat in een kerk in Halberstad zo langzaam mogelijk wordt uitgevoerd, van 5 september 2001 tot vermoedelijk 4 september 2640 – ook Marc Schmidt zelf in beeld.

Met zijn inmiddels overleden vader als spiegel laat hij, even maar, zichzelf zien in deze persoonlijke queeste, waarin geen hap-slik-weg levensverhalen worden geoffreerd om onze vermaakdwang te bevredigen. De film appelleert liever aan verbeeldingskracht en inlevingsvermogen.

Hayao Miyazaki And The Heron

Netflix

‘Misschien herrijst ie wel’, grapt Hayao Miyazaki. ‘Hij is nu alleen nog botten. Dan zegt ie: waarom ben ik in botten veranderd?’ De hoogbejaarde Japanse animatieregisseur (Spirited Away) kan er zelf wel om lachen, bij de uitvaart van zijn vriend, compagnon en aartsrivaal Isao ‘Pak-san’ Takahata. Even later, als hij officieel moet spreken, is het lachen hem wel vergaan. ’55 Jaar geleden…’ begint Miyazaki, overmand door emoties. ‘Ik zal nooit vergeten wat je zei bij die bushalte na de regen. Bedankt daarvoor.’

Geëmotioneerd zoekt hij zijn plaats in de zaal weer op. ‘Dat van die bushalte verzon ie’, beweert Toshio Suzuki, de vinnige producer die al sinds mensenheugenis met de twee animatoren samenwerkt bij Studio Ghibli, even later. ‘Ik was namelijk bij hem toen hij het zich herinnerde. Hij stopte even, keek in de verte en zei toen: een bushalte, in de regen.’ Suzuki kan wel lachen om Miyazaki ‘s strapatsen. ‘Ik dacht: dat is uit Totoro. Hij gebruikt steeds dezelfde thema’s.’ Waarna Kaku Arakawa in de documentaire Hayao Miyazaki And The Heron (120 min.) daadwerkelijk de bewuste filmscène laat zien: feit of fictie?

Hayao Miyazaki (1941) is enige tijd geleden eigenlijk al met pensioen gegaan – al meerdere keren zelfs. Die roeping blijft alleen roepen. Beter: zeuren, smeken, eisen. Hij kan helemaal niet zonder, zou in elk geval niet weten hoe. En hij heeft een opdracht meegekregen van Ghibli’s kleurontwerper Michiyo Yasuda, die al in 2016 overleed. Op zijn werkplek hangt een briefje, ter herinnering: ‘Nog eentje van Michiyo’. Deze docu documenteert de ontstaansgeschiedenis van die productie: The Boy And The Heron. Die zal in 2023 worden beloond met een Oscar, BAFTA en Golden Globe voor beste animatiefilm.

Onderweg naar dat succes is er echter constant twijfel. ‘Ik heb mijn hersenpan te ver geopend’, zegt Miyazaki somber. ‘Ik moet ‘m sluiten, maar weet niet meer hoe. Hij zit vast. Misschien is dat een teken dat je gek wordt. Ik ga naar de rand van de waanzin. Als ik de grens niet opzoek, wordt de film niet goed.’ Ook producent Suzuki lijkt zich zorgen te maken over zijn sterregisseur –  al zou dat net zo goed bij hun vaste ritueel kunnen horen. ‘Voor het eerst in zijn leven is hij de controle kwijt’, zegt hij. ‘Als ik bij hem ben, word ik doodmoe. Hij reist tussen deze wereld en de volgende. Als je dat doet, hou je ze niet meer uit elkaar.’

Realiteit en fictie lopen in elk geval permanent door elkaar heen, ook in deze vluchtig gefilmde en zeer snel en associatief gemonteerde portret. De film springt heen en weer in de tijd, floept op en neer tussen verschillende personen, activiteiten en plekken, en hopt van Miyazaki’s dagelijks leven naar fragmenten uit zijn werk – en weer terug. Arakawa filmt de animeester nu al zo’n twintig jaar en behoort inmiddels dus tot het interieur bij Studio Ghibli. De documentairemaker/cameraman fungeert als ieders praatpaal, om zorgen te delen, openlijk te twijfelen of te roddelen over één van de anderen.

Een heel enkele keer stelt Kaku Arakawa een vraag, maar meestal zwijgt ie en luistert. ‘Niet doodgaan, oké?’, zegt Miyazaki, als ze tijdens een wandeling door de regen wéér een sterfgeval in zijn directe omgeving hebben besproken. Want de dood is een vast thema in ’s mans inmiddels vergevorderde bestaan. ‘Dat is wat er gebeurt in je nadagen’, constateert de oude meester mismoedig. Hij deelt constant zulke genadeloze oneliners uit, ook aan zichzelf. En Hayao Miyazaki And The Heron markeert inderdaad het einde van een tijdperk – en daarmee ook van een fenomeen, van een kunstenaar, van een man.

Dat zeer intieme proces wordt feilloos gedocumenteerd in deze aangrijpende documentaire, die eindigt bij de première van Miyazaki’s laatste project. Alhoewel…

Ruigoord – Een Kosmisch Lek

Gusto Entertainment

Aan de vooravond van het vijftigjarig bestaan van Ruigoord, in juli 2023, is het de vraag hoe de toekomst van het kunstenaarsdorp eruit ziet. Ontwikkelingen binnen het Amsterdamse havengebied, waar wordt ingezet op vergroening, zetten de situatie in dat, ja, Asterix en Obelix-achtige dorpje behoorlijk onder druk. Voor de bewoners staat één ding als een paal boven water: Ruigoord moet en zal blijven. Een stad als Amsterdam heeft nu eenmaal – in de woorden van één van de oprichters, dichter Hans Plomp – een plek nodig waar de scharrelmens kan bestaan.

Plomp en andere mannen van het eerste uur zoals ‘burgemeester’ Rudolph Stokvis en beeldend kunstenaar Theo Kley speelden tijdens de opnames voor de documentaire Ruigoord – Een Kosmisch Lek (80 min.) van Peter Wingerder nog een prominente rol in de culturele vrijplaats, waar de verbeelding al een halve eeuw aan de macht is. Inmiddels zijn ze alle drie overleden. Het tekent de transitie waarin Ruigoord zich bevindt: hoe kan de kunstenaarsgemeenschap intussen het goede van het verleden behouden en tegelijkertijd toekomstbestendig blijven?

Deze vraag sluimert voortdurend op de achtergrond in deze oogstrelende film over de hippie-enclave en meldt zich zo nu en dan ook op de voorgrond, bijvoorbeeld als vertegenwoordigers van de Stichting Ruigoord in de weer moeten met de gemeente Amsterdam om hun toekomst veilig te stellen. Ze willen een huurcontract voor de lange termijn, een veld waarop ze in die periode evenementen mogen organiseren en – niet te vergeten – de kerk, waarmee ‘t allemaal ooit is begonnen, blijven exploiteren. Die wensen worden niet allemaal automatisch ingewilligd.

Deze documentaire fladdert ondertussen alle kanten op, langs een aantal kleurrijke figuren, de activiteiten die zij op touw zetten en Ruigoords roemruchte historie. Zonder dat Wingerder écht halthoudt. En al te veel context geeft hij doorgaans ook niet. Het bezorgt zijn film een wat fragmentarisch karakter. Er valt méér dan genoeg te kijken – van een uitbundig huwelijksfeest en een heuse Mohawk-ceremonie tot een brand in Ruigoord en een associatieve sequentie over de geschiedenis van de zogenaamde Luchtbus – maar een dwingende verhaallijn ontstaat er zo niet.

Misschien is dat ook wat Ruigoord is en wil zijn – een plek waar niets vastligt en waarvan iedereen zijn eigen beeld mag vormen – maar Ruigoord – Een Kosmisch Lek zou wel hebben gevaren bij iets meer richting en focus.

Teaches Of Peaches

Pink Moon

Het zijn bijna onwerkelijke beelden uit 1994: Merrill Nisker, een lieflijk meisje met lang krullend haar speelt met haar akoestische gitaar liedjes voor de jongens en meisjes van de kinderopvang. Slechts zes jaar later fleemt diezelfde jonge vrouw over ‘sucking on my titties like you wanted me, calling me’ in de signatuursong van haar alter ego PeachesFuck The Pain Away. Over dat Canadese meisje, die ‘t ooit probeerde als folkzangeres, laat de inmiddels 58-jarige artiest verder weinig los in Teaches Of Peaches (102 min.).

Des te meer ruimte is er voor de artiest/kunstenaar, die zich opmaakt voor een reprise van haar succesvolle debuutalbum waarnaar deze film van Philipp Fussenegger en Judy Landkammer is vernoemd. Die elektroclashplaat brengt het feministische icoon ook compleet ten gehore in haar tweede thuis Berlijn. Tijdens dat jubileumconcert komt het provocerende, theatrale en uitgesproken seksuele karakter van haar podiumact volledig tot z’n recht. ‘Ik ben niet meer vulgair dan wie dan ook’, beweert ze zelf.

En dat wordt min of meer bevestigd door haar vriend Ellison Glenn alias Black Cracker. Toen hij haar voor het eerst op het podium aan het werk zag, vast half ontkleed en tijdens (het simuleren van) de één of andere seksuele activiteit, dacht hij volgens eigen zeggen dat het elke nacht prijs zou zijn met deze dame. Dat blijkt in de praktijk alleen toch wat genuanceerder te liggen. Het is een kwestie van ‘finding moments to touch the booty’. Zoals menige komiek thuis nu eenmaal ook een sombermans schijnt te zijn.

Als Peaches exploreert ze de vrouwelijke seksualiteit. Met veel bloot of de suggestie daarvan, bijvoorbeeld in die kenmerkende, veel te kleine roze shorts, zodat haar ‘cameltoe’ goed zichtbaar is – en het schaamhaar dat ze, net als haar okselbeharing, weigert bij te werken. Al haar strapatsen worden in context geplaatst door haar modeontwerper Charlie Le Mindu, oud-sidekick Feist en haar voormalige duopartner Chilly Gonzales, die oogt als een kruising tussen Nicholas Cage en Ron Jeremy.

Naar de vrouw achter de artiest en performancekunstenaar blijft ’t ondertussen zoeken in deze uiteindelijk tamelijk conventionele popdocu. Dat ze ooit keelkanker heeft gehad, wordt bijvoorbeeld in enkele zinnen afgedaan. Een voetnoot. En als Fussenegger, naar aanleiding van haar provocerende T-shirt Thank God For Abortion, wil weten of abortus ook een persoonlijk onderwerp is voor haar, wordt ze zowaar even pinnig. Die vraag vindt Peaches ongepast. Alsof zo’n privé-ervaring nodig is om vóór het recht op abortus te zijn.

Op het podium manifesteert ze zich als een fiere vechter voor vrouwen- en LHBTIQ+-rechten, blijkt opnieuw tijdens dat geladen concert in Berlijn, waarnaar dit portret steeds weer terugkeert. Fussenegger en Landkammer snijden van daaruit ook regelmatig naar het verleden, naar performances waarin hun heldin steevast de grenzen van het betamelijke en de goede smaak opzoekt (en overschrijdt). Zoals mannelijke rocksterren ook zo vaak doen – al lopen die beslist niet zo overtuigend over hun eigen publiek.

In 2024 is er overigens nóg een documentaire over Peaches uitgebracht: Marie Losiers Peaches Goes Bananas. Wellicht dat de aandacht daarin meer uitgaat naar Merrill Nisker – al doet de trailer vermoeden dat ’t toch vooral weer heel veel Peaches wordt.

Nomade In Niemandsland

Omroep Zwart

Een leven lang heeft hij gecreëerd en verzameld. Van zijn huis een zeer persoonlijk museum gemaakt. En dan, als de gebreken van de oude dag komen, moet de hele boel ontmanteld worden en hij afscheid nemen van wie ie was. Voor ‘homo universalis’ Felix de Rooy vormt een herseninfarct de aanleiding om afstand te doen van de kunstwerken en objecten in z’n huis te Amsterdam. Black Archives ontfermt zich bijvoorbeeld over zijn Negrophilia-collectie. En het Stedelijk Museum organiseert in 2023 een speciale tentoonstelling: Felix de Rooy – Apocalypse.

‘Felix is voor ons een soort van supervoorbeeld’, vertelt hoofd onderzoek Charl Landvreugd van het Stedelijk in Nomade In Niemandsland (57 min.). Als zwarte filmmaker, beeldend kunstenaar en theatermaker zette De Rooy – geboren op Curaçao en via Mexico, Suriname en New York in Nederland beland – volgens hem in de afgelopen vijftig jaar onderwerpen op de kaart waar ons land eigenlijk helemaal niet klaar voor was en die nu, gezien bijvoorbeeld de Black Lives Matter-protesten en de aandacht voor de vaderlandse slavernijgeschiedenis, actueler zijn dan ooit.

Deze weelderige documentaire van Hester Jonkhout valt direct met de deur in huis met een danssequentie van Justin Brown, waarbij een pronte, door acteur Steven Hooi ingesproken voice-over klinkt: ‘Als erfgenaam van het koloniaal orgasme, als buitenechtelijke bastaard geschrapt uit het Europese testament ontsnap ik aan de gevangenis van genetische en historische identiteit’, stelt De Rooy daarin. ‘Gevlucht naar het mythische land van ‘la rasse mélange’, het niemandsland van het vuilnisbakkenras. Het dolende ras, geboren uit conflict en confrontatie.’

Met hulp van intimi zoals zijn zus Marguerite de Rooy, psychiater Glenn Helberg, producent Barbara Martijn, actrice Helen Kamperveen, kunstenaar Floris Guntelaar, ontwerper René Wissink, theatermaker Maarten van Hinte, cameraman Ernest Dickerson en De Rooys voormalige (film)partner Norman de Palm exploreert Jonkhout vervolgens het gehele terrein dat haar hoofdpersoon in zijn werk heeft bestreken. In de tentoonstelling Wit Over Zwart boog hij zich bijvoorbeeld al in 1989 over zwarte stereotypen in (strip)boeken, speelgoed en reclame.

Mensen zoals hij – zwart, queer en dwars – hebben nu eenmaal een breder perspectief dan vertegenwoordigers van de witte Nederlandse monocultuur en kunnen andermans eurocentrische gedachten omkeren, is de gedachte. Zo maakte De Rooy eens een schilderij van een zwarte Jezus, met een enorme erectie en een regenboog erachter. ‘Zo queer als maar zijn kan’, constateert Charl Landvreugd van het Stedelijk Museum daarover. En een treffend voorbeeld van waarom witte opiniemakers in de afgelopen halve eeuw soms een tandje bij moesten zetten om De Rooy te kunnen bijbenen.

Dit kleurrijke portret, op smaak gebracht met een smeuïge soundtrack, doet de Caribische kunstenaar, die op het Nederlands Film Festival van 2024 nog werd geëerd met het Gouden Kalf voor de Filmcultuur, meer dan recht. Als een essentiële wegbereider voor een nieuw Nederland en inclusieve kunst.

Eno

Film First / Tiger Lily

‘Honour thy error as a hidden intention’, staat er op het eerste memokaartje dat Brian Eno, na een dagje in de studio met zijn toenmalige groep Roxy Music, in 1972 voor zichzelf maakte. Als een soort geheugensteuntje, voor de mens en de kunstenaar in hem. Er zouden er nog veel volgen. ‘If it can be said, it can be said simply’ bijvoorbeeld. ‘It’s quite possible (after all).’ Of: ‘Look most closely at the most embarrassing details and amplify them.’

Samen met de beeldend kunstenaar Peter Schmidt bracht Eno (86 min.) de kaartjes, onder de noemer Oblique Strategies, ook op de markt. En hij zette ze natuurlijk zelf in, bijvoorbeeld bij de opnames voor David Bowies Berlijn-trilogie. De man zelf kan er geanimeerd over vertellen in dit ingenieuze (zelf)portret, dat voor iedereen anders is. Letterlijk: algoritmen bepalen tijdens een screening wat de dan aanwezige kijker krijgt voorgeschoteld.

Documentairemaker Gary Hustwit heeft samen met visueel kunstenaar Brendan Dawes generatieve software ontworpen, waarmee steeds nieuwe scènes, overgangen en sequenties worden gecreëerd op basis van de interviews die hij met Eno heeft gedaan en diens schier onuitputtelijke archief. Elke vertoning van de film is dus anders. Een benadering die perfect aansluit bij de denk- en handelswijze van de muzikant, kunstenaar en algehele creatieveling.

Vanuit zijn eigen werkruimte dwaalt Brian Eno in de televisieversie van deze baanbrekende film, die natuurlijk wel gewoon lineair wordt is opgebouwd, af naar alle uithoeken van zijn werk als schepper van een geheel eigen universum. Een man in zijn hol. Een ‘shed’, maar dan wel een idyllisch gelegen en goed geoutilleerde schuur. Anderen lijkt hij daar niet nodig te hebben. Zoals in deze film ook geen andere personen aan het woord komen.

In de rechttoe rechtaan variant van Hustwits film, die sowieso geen regulier, chronologisch opgebouwd carrièreoverzicht wil worden, komen in elk geval Eno’s werk als producer voor Talking Heads, John Cale en U2 aan de orde, ‘s mans zorg over klimaatverandering en zijn rol als wegbereider van de muziekstroming ‘ambient’ (door menigeen weggezet als zielloos muzikaal behang, waardoor ‘enoësk’ een weinig vleiend predicaat werd) aan de orde.

Welke vorm de algoritmen deze documentaire ook geven, Eno blijft ongetwijfeld eerst en vooral een portret van de kunstenaar en zijn visie, het privéleven van de man daarachter komt slechts zijdelings aan bod in deze intrigerende film over gevoel, concept, creativiteit en experiment.

Bruin Jackson Superstar

NTR

Kunstenaar Bruin Parry heeft weer eens een onbezonnen idee. Als enorme fan van Michael Jackson heeft hij zich nu voorgenomen om diens opvolger te worden als ‘The King of Pop’: Bruin Jackson Superstar (50 min.). ‘Er zijn al te veel kunstenaars met het syndroom van Down’, zegt hij bij het ontbijt tegen zijn familieleden. ‘Maar muziek is mijn echte droom.’

Zijn broer Beau Parry heeft er z’n twijfels bij. ‘Ik vind dat Bruin geweldig veel talent heeft en dat ontzettend benut heeft in de afgelopen jaren’, zegt die. ‘Hij schildert, hij tekent, hij danst, hij kan heel goed fotograferen.’ Bruin is altijd creatief bezig en heeft daarmee ook veel succes. Zijn werk hangt in musea. En als ontwerper werkt hij voor bekende merken. Alleen bij dat zingen denkt Beau: is dat nou echt nodig? ‘Want ja, het is misschien niet zijn grootste talent.’

Zijn ouders Anja en Alain zijn vooral bang dat hun 24-jarige zoon straks op het podium zal worden uitgelachen. Bruin Parry’s vriend en werkgever, beeldend kunstenaar Jan Hoek, is ook niet zo overtuigd van zijn vocale talenten. Hij vindt wel dat Bruin die nauwelijks te definiëren ‘X-factor’ heeft. En Bruins tante Sandra Parry legt alle verwikkelingen rond haar neef, die inmiddels een manager, producer en choreograaf heeft gecharterd voor z’n muzikale carrière, vast op film.

Bruin wil daarnaast ook wel eens een vriendinnetje. Dat is bijna net zo belangrijk als de muzikale carrière, die in nauwe samenwerking met zijn ‘soulmate’ Hoek heel serieus in de steigers wordt gezet. Abel van Gijlswijk (Hang Youth) zegt z’n medewerking toe, Katja Schuurman draaft op in een videoclip en Stefano Keizers levert weer een alter ego (Donny Ronny). Met deze professionele entourage werkt Bruin Parry aan z’n officiële debuutalbum.

Naarmate de presentatie van Cowboy van de Jordaan in de Amsterdamse concertzaal de Melkweg dichterbij komt in de zomer van 2024, registreert tante Sandra echter hoe de spanning bij haar neef toeneemt. Is hij wel in de wieg gelegd voor het podium? En wat zou het meisje dat hij inmiddels op het oog heeft eigenlijk vinden van zijn muzikale verrichtingen? Zijn kompaan Jan Hoek maakt er echter een soort project van om Bruin naar de albumlancering te loodsen.

Dat is natuurlijk ook de vraag die boven deze film hangt: waar zou Bruin als kunstenaar zijn zonder de support van alle profi’s die hem volhartig ondersteunen? En wat is ‘t tegelijkertijd tof dat dat ene chromosoompje meer niet hoeft te betekenen dat je geen kunstenaar kunt worden – al gebiedt de eerlijkheid ook om te zeggen dat de Nederlandse King of Pop ’t inderdaad eerder van z’n creativiteit, charme en geestdrift moet hebben dan van zijn zangkwaliteiten.

Dat mag – en kan – de pret echter niet drukken.

James Ensor. De Man Achter Het Masker

VRT

‘s Mans leven en werk roepen driekwart eeuw na zijn dood nog altijd meer vragen op dan er antwoorden voorhanden zijn. De verschillende sprekers in James Ensor. De Man Achter Het Masker (55 min.) krijgen er hun vinger maar niet achter. Hij is ‘the first Belgian modern artist’ (kunsthistorica Susan Canning), ‘die schilder vanuit de Vlaanderenstraat’ (een buurtgenote die als kind doodsbang voor hem was) en vooral ‘een blijvend intrigerend geval’ (curator Herwig Todts).

Al op de Koninklijke Academie Voor Schone Kunsten in Brussel wilde James Ensor (1860-1949) volgens archivaris Patrick Florizoone de uitzondering zijn – ook al was hij er helemaal geen hoogvlieger. Ensor was ervan overtuigd dat hij uitzonderlijk was. Kunstacademies waren in zijn optiek voor kortzichtigen, voor lieden die het gebaande pad namen. Hij daarentegen wilde raken met zijn werk. ‘Hij cultiveert hoe hij miskend werd’, aldus Florizoone. James Ensors wapen wordt het licht. Compromisloos blijft hij de grenzen opzoeken en laat anderen dan ontzet of bewonderend achter.

De Intrede Van Christus In Brussel, het pièce de résistance van de tegendraadse kunstenaar uit Oostende uit 1889, hangt sinds 1987 in het J. Paul Getty Museum te Los Angeles. Ensor schilderde ‘t op z’n achtentwintigste – als statement en reactie op Dimanche d’Été à La Grande Jatte,het meesterwerk van zijn op dat moment toonaangevende collega Georges Seurat – maar liet het daarna veertig jaar lang hangen in z’n eigen atelier. In LA weten ze er nog altijd niet goed raad mee. Het schilderij is extra hoog opgehangen en omgeven door sculpturen, zodat het de rest niet in de weg zit.

Ensors werk is kleurrijk, agressief, filmisch, provocatief en luguber, toont deze krachtige film van Maarten Vandeursen en Pieter Verbiest, waarin ook Oostendenaar Sam Louwyck, schilder Fred Bervoets en kunstenaar Paul McCarthy hun licht laten schijnen over die enigmatische man met meer vijanden dan vrienden. Vreemd is dat overigens niet. Ook in zijn schilderijen trapt Ensor wild om zich heen. Naar notabelen – men neme bijvoorbeeld Doctrinaire Voeding waarin hij koning Leopold en co letterlijk in de bek van het gewone volk laat schijten – maar ook naar de kunstwereld zelf.

James Ensor wil de hypocrisie blootleggen. Ontmaskeren. Letterlijk: door het veelvuldig gebruik van maskers in zijn schilderijen. Zijn oeuvre heeft nog niets aan kracht ingeboet, betoogt deze documentaire, gezegend met een onheilszwangere soundtrack, die zijn kunst weer helemaal in het nu plaatst. Dat is knap: hoe een man en zijn werk, 75 jaar na zijn dood, weer tot leven worden gewekt. Zodat het mysterie Ensor wordt verlicht en toch blijft voortbestaan.

Jamie Wyeth And The Unflinching Eye

Juno Films

‘Wat nu als hij naar zijn moeder was vernoemd en Jamie James zou heten?’ werpt Timothy Standring, curator van het Denver Museum Of Art, op. ‘Zouden we hier dan ook zitten?’ Jamies achternaam is alleen Wyeth. Hij is een telg van de bekende Amerikaanse kunstenaarsfamilie. Zijn opa N.C. Wyeth (1882-1945), die overigens nog voor zijn geboorte overleed, was een bekende schilder en illustrator. En Jamie’s vader Andrew Wyeth (1917-2009) geldt als één van de belangrijkste Amerikaanse kunstenaars van de twintigste eeuw.

Jamie Wyeth (1946) heeft zich gaandeweg echter aan de schaduw van zijn voorgangers weten te ontworstelen. In deze verzorgde film zoekt filmmaker Glenn Holsten de kunstenaar op in zijn boerderij in het Noordoosten van de Verenigde Staten. In zijn eigen atelier schildert hij, inmiddels toch ook dik in de zeventig, nog altijd als een bezetene. De verfklodders zitten in zijn gezicht als hij in Jamie Wyeth And The Unflinching Eye (tv-versie: 52 min.) samen met familieleden, intimi en kunstkenners vertelt over zijn leven, loopbaan en werk.

Hij verwerft al op jonge leeftijd een naam met iconische portretten van wijlen John F. Kennedy, ‘Mr. Olympia’ Arnold Schwarzenegger en sterdanser Rudolf Nureyev. Volgens Joyce Hill Stoner, curator van het Winterthur Museum, gaat Wyeth te werk als een rechtbanktekenaar, op zoek naar de verhalen achter de gezichten. Artpopheld Andy Warhol wordt via Wyeths nietsontziende blik bijvoorbeeld een onaantrekkelijke voyeur, met kille ogen en een enorme pimpelpaarse neus. Warhol zelf doet er niet al te moeilijk over. Alleen dat paars had wel wat minder gemogen.

Sindsdien heeft Wyeth diezelfde priemende ogen ook gericht op intimi, landschappen én dieren. Een serie over de zeven erfzonden bijvoorbeeld, met zeemeeuwen in de hoofdrol. Het is alsof Wyeth dan doordringt tot het wezen van zijn subjecten en zo de grotere thema’s des levens kan blootleggen. Hij heeft zich zo allang bewezen als een waardig lid van de familiedynastie, betoogt deze film. ‘Zou Jamie het ook hebben gemaakt zonder de Wyeth-naam?’ vraagt Timothy Standring nog maar eens ten overvloede en geeft meteen antwoord. ‘Ja… Ja!’

Herman Brood: Kunst… Begin Drrr Niet An

VPRO

Hij was fan van Little Richard, Blondie én Koningin Beatrix. Zelf wilde Herman Brood (1946-2001), uut Zwolle, ook een idool zijn. Het liefst zou hij de hele dag een camera op zich gericht hebben, bekent Neerlands oer-rock & roller in Herman Brood: Kunst… Begin Drrr Niet An (76 min.). En dat dan live uitzenden in de Amsterdamse Kalverstraat. Hij is nu eenmaal, daar doet ie zelf helemaal niet moeilijk over, ‘aandacht-süchtig’.

Deze film van Gwen Jansen concentreert zich op Broods werk als beeldend kunstenaar – al is de rock & roll, zowel de muziek zelf als de bijbehorende leefstijl, nooit ver weg. De basis van deze documentaire uit 2015 wordt echter gevormd door beelden die tussen 1992 en 2000 werden gemaakt bij kunstliefhebber en galeriehouder Ivo de Lange in Broods geboorteplaats Zwolle. Hij ging daar een paar dagen per maand heen om te schilderen. Volgens kunstenaar Rob Scholte waren zulke schilderbezoekjes een noodzakelijke tegenhanger voor ‘dat maffe leven wat ie als publieke persoonlijkheid in Amsterdam moest leven’.

De kunstenaar Brood had als kind een lui oog en was ook nog kleurenblind, maar werd uiteindelijk net zo’n begrip als het rock & roll-beest Brood. Scholte beschouwt hem zelfs als een geestverwant van Banksy. Uit dit postume portret, waarin verder bijvoorbeeld ook jeugdvriend Hans La Faille, muzikant Bertus Borgers en Frank Black van de Amerikaanse rockband The Pixies aan het woord komen, rijst het beeld van een mediapersoonlijkheid die zijn eigen kunstwerk werd. ‘Ook al gooi ik er met de pet naar, is het nog altijd een Herman Brood’, zegt hij over zijn eigen werken, waarmee hij soms ongegeneerd de spot drijft. ‘En daar heb ik keihard voor gewerkt.’

De showman Brood manifesteert zich ook tijdens een ontmoeting met Desi Bouterse in Suriname. ‘Jij krijgt veel over je heen’, zegt hij tegen de legerleider/politicus die verantwoordelijk wordt gehouden voor de Decembermoorden. ‘Dan moet je wel heel sterk zijn dat je daar niet aan onderdoor gaat.’ Bouterse laat het zich graag aanleunen: ‘Part of the job’, zegt hij schouderophalend. Het is een ongemakkelijk tafereel. Zeker als Brood het Surinaamse kopstuk ook nog een schilderij van een naakte vrouw aanbiedt. ‘Deze doos’, zegt hij erbij. ‘Getiteld: Artiesteningang.’ Tot afgrijzen van zijn vrouw Xandra. ‘Ik vind dat vreselijk. Mijn maag draait ervan om.’

Het is eigen aan het eeuwige joch Herman Brood, zo blijkt opnieuw in deze film over zijn kunstenaarschap. Altijd balancerend op het slappe koord tussen ‘larger than life’ en zelfparodie. Een man ook uit een andere tijd, wiens seks, drugs & rock & roll nu ongetwijfeld als ‘grensoverschrijdend’ zou zijn betiteld. Hij schaamt zich nergens voor – of doet op z’n minst heel overtuigend alsof. Hoewel Brood graag serieus genomen wil worden als kunstenaar, noemt hij zichzelf bijvoorbeeld tegelijkertijd ook een ‘souvenirfabrikant’. Hij legt uit, quasi-serieus: ‘Als je driehonderd schilderijen per week maakt kun je moeilijk overal je ‘soul’ in leggen.’

Typisch Brood: ontwapenend, irritant én goed getroffen in dit liefdevolle portret.

Hockney: I Love View

Amstelfilm

Twee mannen in een auto, op weg naar Normandië. Pratend over kunst, David Hockney in het bijzonder. Regisseur, schrijver en acteur Gerard Jan Rijnders en schilder Pieter Athmer zijn op weg naar Athmers grote held Hockney.

Enige tijd geleden besloot hij de Britse kunstenaar ook al op te zoeken en hem een persoonlijk schilderij te overhandigen. Toen Hockney niet thuis bleek te zijn, heeft Pieter Athmer dat letterlijk over de schutting getild en op diens terrein achtergelaten. Als hij ’t niks vond, schreef de Nederlander erbij, mocht hij het kunstwerk in ‘een speciale cadeauverbrandingsoven’ doen. Die toenaderingspoging is niet verkeerd gevallen.

En dus zijn Athmer en Rijnders, inmiddels bijna dertig jaar bevriend, nu opnieuw onderweg naar Frankrijk. Onderweg zijn ze permanent in gesprek met elkaar. Over de levende legende Hockney, zijn unieke perspectief, baanbrekende werk en opvallende ontdekkingen en hun eigen verhouding daartoe. Hockney: I Love View (70 min.) is de weerslag daarvan: een gesprek op niveau tussen twee heren, vastgelegd met camera’s vanuit de auto.

Het duurt even voordat Rijnders daarbij meer wordt dan geïnteresseerde toehoorder bij de bespiegelingen van zijn vriend. Halverwege, nét voor ze een poging gaan wagen om een, jawel, cadeauverbrandingsoven af te leveren bij David Hockney, zet deze door henzelf geregisseerde documentaire een stap terug in de tijd, naar hun gezamenlijke theaterverleden bij Toneelgroep Amsterdam, waarmee Rijnders furore maakte als artistiek leider.

Zo wordt hun onderlinge relatie, en de rol van Gerard Jan Rijnders daarbinnen, verder uitgediept en nadert deze sympathieke roadmovie, die teven dienst doet als ode aan één van de belangrijkste hedendaagse kunstenaars, zijn onvermijdelijke apotheose: hoeveel perspectief heeft dit spontane plan van twee volwassen jongens en hun hondje Fien? En kan David Hockney hun geste dan waarderen – als hij zijn deur al voor hen opendoet?

Free Space

Marian Markelo en Boris van Berkum / Zeppers / NTR

Wie mag wat maken? vraagt Karin Junger zich af in Free Space (65 min.), de film die ze in samenwerking met schrijver Stephan Sanders heeft gemaakt over de verlegenheid daarover bij veel hedendaagse kunstenaars. Wie bepaalt dat? Op grond waarvan? En hoe ga je om met de kritiek dat je je op het terrein van een ander hebt begeven?

Toen Junger als witte vrouw enkele jaren geleden een documentaire maakte over haar eigen donkere kinderen en hun vrienden (Ik Alleen In De Klas, 2020), kreeg zij volgens eigen zeggen het verwijt dat ze haar ‘white privilege’ misbruikte. Het was niet aan haar om dat verhaal te vertellen. ‘En ik voelde me ineens de vijand’, vertelt ze in een voice-over, bij de start van deze persoonlijke film, die actuele thema’s zoals identiteit, representatie, cancelen, stereotypen en culturele toe-eigening onderzoekt.

Dat blijkt overigens een stuk lastiger dan gedacht. Veel kunstenaars en kenners die Junger benadert zien af van een bijdrage of haken in een later stadium alsnog af. Bang om hun vingers te branden aan een onderwerp, waarbij de emoties hoog kunnen oplopen. Zangeres Anne-Faye Kops, kind van een zwarte moeder en een witte vader, maakte bijvoorbeeld een theaterconcert over haar gemengde afkomst. Die kwam haar, vanwege haar witte voorkomen, op veel kritiek te staan.

Dit roept de vraag op van wie verhalen zijn. Ligt het ‘ownership’ bij de groepen waarover ze gaan? Wie bepaalt wie bij de groep hoort? En mogen leden van een andere groep zich dan niet over zulke verhalen buigen? Bij zijn voorstelling De Gendermonologen heeft theatermaker Raymi Sambo criticasters bijvoorbeeld duidelijk moeten maken dat hij geen voorstellingen maakt óver mensen, maar mét en vanuit hen. Schrijver Ted van Lieshout ervaart dergelijke discussies als ‘verlammend’.

In de samenwerking tussen de Surinaamse wintipriesteres Marian Markelo en de witte Nederlander Boris van Berkum komen twee werelden samen. Ze maken een soort Delftsblauwe wintikunst. Samen willen ze over de bestaande grenzen heen kijken. Want ‘die kunnen ons beperken in het voortbrengen van mooie dingen’, stelt Marian ferm. Als we blijven uitgaan van oprechte interesse in de ander en verbinding met elkaar, ontstaat er waardevol erfgoed dat echt van ons allen is.

Toch is het onvermijdelijk dat verschillende visies over wat van wie is en wat daarbij mag soms flink botsen. ‘If you are cis, straight and white’, schreef kunstenares Angel-Rose Oedit Doebé bijvoorbeeld op een spiegel, ‘this ain’t for you.’ Het werk riep een venijnige reactie op van haar collega Floyd, die zich wilde afzetten tegen ‘woke-populisme’. Deze venijnige clash resulteert in het enerverendste deel van deze film – al roept de afhandeling ervan vragen op. Want wat vindt Angel-Rose van Floyds respons?

Behoedzaam tast Karin Junger in Free Space het werkterrein van hedendaagse kunstenaars af, dat soms verdacht veel op een mijnenveld lijkt. Als laatste sluit ze aan bij Stephan Sanders, die in gesprek gaat met de ‘zwarte’ Amerikaanse schrijver Thomas Chatterton Williams. Hij schrijft in het boek Self-Portrait In Black And White: Unlearning Race (2019) dat hij niet meer wil meedoen aan ‘het Amerikaanse huidspel’. Het antiracistische discours schiet volgens hem z’n doel voorbij.

Jungers conclusie, in deze boeiende en actuele film, lijkt in het verlengde daarvan te liggen: uiteindelijk hebben al die verschillende mensen meer gemeen met elkaar dan dat ze van elkaar verschillen, stelt ze. Bovendien weten ze zelf echt wel wat goed voor hen is.

The Monk

KRO-NCRV / De Boeddhistische Blik

Zelfmoord is geen optie voor een boeddhist’, stelt Nikolaj Blom in de opening van de tweedelige documentaire The Monk (80 min.). Toch lijkt zijn vriend en oud-collega Jan Erik Hansen, alias de Deense bosmonnik ‘Bhante’, wel degelijk aan z’n einde te zijn gekomen in 2019. Hij heeft zeventien jaar geïsoleerd in de bergen van Sri Lanka geleefd.

Het Deense stel Mira Jargil en Christian Sønderby Jepsen zoekt hem daar in 2015 op, om een film over Bhante te maken. Hij mediteert acht uur per dag, leeft celibatair en hoopt ooit het nirwana te bereiken. Met boeddhistische voordrachten op zijn eigen YouTube-kanaal heeft hij bovendien een achterban van 120.000 volgers opgebouwd.

In de periode daarvoor was de Deen een befaamde Deense onderzoeker. Hij werkte aan een AIDS-vaccin en droomde intussen van de Nobelprijs. Het leven leek hem toe te lachen. Hij had geld, status en vrouw en kind. Toch raakte Hansen in de greep van een ernstige depressie. Daarna besloot hij de ratrace in z’n eigen land achter zich te laten.

Over dat verleden praat de Deense monnik overigens liever niet als zijn landgenoten hem in 2015 komen filmen. Voor de film leggen zij drie weken lang zijn dagelijks leven vast. Het moet, zoals Jargil ‘t formuleert in één van haar voice-overs, ‘een reis in de geest van de monnik worden, om ons idee van een goed leven op de proef te stellen’.

Dan zijn de filmmakers nog enthousiast over hun gezamenlijke project. In eigen land bezoeken ze Jans vader, de automonteur Hakon Hansen. ‘Knettergek’, noemt die zijn zoon. ‘Ik heb hem gevraagd, zonder antwoord te krijgen, of hij z’n zoon mist’, zegt de oude man gefrustreerd. Waarna Hakon licht wanhopig verzucht: ‘Kwam hij maar naar huis.’

Kort daarna raken ook Jargil en Sønderby Jepsen gebrouilleerd met de eigengereide monnik. Ze staken hun pogingen om een film te maken. Totdat ze, vier jaar later, een telefoontje krijgen van zijn zoon Thor. Hansen is na zeventien jaar teruggekeerd naar Denenarken en heeft in een boeddhistisch klooster een einde aan zijn leven gemaakt.

Hij laat een harddisk met tweehonderd uur beeldmateriaal uit Sri Lanka na. Zijn daarop de antwoorden te vinden op alle vragen die Hansen met zijn leven heeft opgeroepen? Het filmende duo gaat alsnog op zoek naar de man achter Bhante en spreekt daarbij ook met Thor, Jans ex-vrouw Trine, zijn assistent Linga en enkele voormalige collega’s.

Had hij, zoals Trine wil geloven, het gevoel dat hij de verlichting al had bereikt en dat zijn stoffelijke lichaam hem alleen maar tegenhield om verder te komen? Of is Jan toch ten onder gegaan aan z’n eigen ego, dadendrang en/of gekte? Het is aan zijn nabestaanden om in dit intrigerende portret zin te geven aan de brokstukken van zijn leven.

Of er nog een moraal zit aan dat verhaal? vraagt Sønderby Jepsen aan Thor als die aan het einde van deze queeste het thuis van zijn vader in Sri Lanka bezoekt. ‘Kun je zeggen dat zijn verhaal staat voor de moderne zoekende mens?’ Thor wil er niet aan. Even later formuleert Jargil wel een soort antwoord – ook al is dat per definitie onbevredigend.

‘Misschien moeten we gewoon accepteren’, concludeert zij, ‘dat er geen definitieve antwoorden zijn op de grote levensvragen.’ En daar moeten Jan Erik Hansens nabestaanden – en wij – het maar mee doen.

Coos & De Colafles

Tuvalu Media / BNNVARA

Kijk eens hoe ie loopt, riepen ze hem naderhand na. ‘Je loopt alsof je een colafles in je reet hebt gehad.’ En zo bleef één enkele gebeurtenis op zijn dertiende Coos jarenlang achtervolgen. Intussen werd hij een foute jongen, die doelbewust z’n school verknalde, regelmatig in vechtpartijen verzeild raakte en nogal eens het verkeerde pad opzocht.

Op zijn 38e is de Rotterdamse barbier helemaal klaar met dat verhaal van Coos & De Colafles (50 min.), over die dag waarop hij apestoned helemaal ‘out’ ging aan de waterkant. Hij wilde ’t eigenlijk mee zijn graf innemen, maar het incident blijft zich maar opdringen. Coos heeft daarom ruim een jaar thuisgezeten en wil nu eindelijk eens schoon schip maken.

Hij begint contact te leggen met de ruim twintig oude vrienden die er 25 jaar geleden bij waren. ‘Had ik een beetje meer opgelet en ik had gezien wat ze gingen doen, dan had dat niet gebeurd, hoor, vriend’, zegt zijn voormalige buurmeisje aan de telefoon. Zij windt er geen doekjes om: grensoverschrijdend gedrag. ‘In principe ben je gewoon seksueel misbruikt, hè?’

Terwijl Coos in deze documentaire van Wouter Vogel met kunstenaar Niels Egidius werkt aan een virtual reality-installatie, waarmee hij zijn traumatische ervaring invoelbaar probeert te maken voor zijn ouders, vrouw Jessica en broer Ronald geeft hij steeds meer pijnlijke details prijs over wat er zich destijds heeft afgespeeld en hoe dit hem heeft gevormd.

Intussen werkt deze delicate film toe naar het moment waarop mensen uit de directe omgeving van Coos met een VR-bril op kunnen beleven hoe hij het incident destijds heeft ervaren – en wie van de direct betrokkenen zoveel jaar na dato nog wel/niet bereid is om deze confrontatie aan te gaan.