End Of The Century: The Story Of The Ramones

One-two-three-four. Het aftellen vooraf was integraal onderdeel van het nummer zelf. Zoals het ook bij Bruce Springsteen niet is weg te denken. Één. Twee. Drie. Vier. En dan gaan als een banaan. Bij The Ramones mocht je dat gerust letterlijk nemen: lange halen, snel thuis. Overstuurde gitaren, opgejaagd door een onstuimige ritmetandem. Met onweerstaanbare slogans over lobotomie voor tieners, nazischatjes en lijm snuiven eroverheen. Punkrock pur sang, kortom. Domme muziek voor slimme mensen.

In de documentaire End Of The Century: The Story Of The Ramones (108 min.) uit 2003 komt de gehele familie Ramone aan het woord, inclusief de dan al overleden zanger Joey (over wie de Nederlandse regisseur David Kleijwegt een jaar eerder de tv-docu Joey Ramone – A Wonderful Life maakte). Ze worden terzijde gestaan door familieleden, jeugdvrienden, managers, producers, platenbazen, popcritici en collega’s uit bands zoals Blondie, The Clash, Sex Pistols, Red Hot Chili Peppers en Metallica.

Gezamenlijk schetsen zij de opkomst en ondergang van de punkpioniers uit de donkerste krochten van New York en de bijbehorende muziekstroming, die via hen halverwege de jaren zeventig de oversteek naar het Verenigd Koninkrijk maakte en van daaruit echt de wereld zou veroveren. Dat relaas is door Jim Fields en Mark Gramaglia vanzelfsprekend opgeleukt met rauwe concertbeelden van de cartoonachtige band, die altijd in de underground bleef steken en in 2002 tóch werd opgenomen in de Rock And Roll Hall Of Fame.

Goede vrienden werden Joey, Dee Dee, Johnny, Tommy en Marky Ramone niet in de ruim twintig jaar dat ze hun elementaire songs, in deze film regelmatig ondertiteld, op elk denkbaar podium stonden af te raffelen. Sterker: de spanning was soms te snijden, zeker tussen de linksige zanger Joey en oerconservatief Johnny. Waarbij de verhoudingen nog eens extra op scherp werden gezet toen de gitarist er met het vriendinnetje van de frontman vandoor ging. Die scheef er meteen een klassieker en bijna-hit over: The KKK Took My Baby Away. Ook gezellig.

Intussen voegden ze zich moeiteloos bij bands zoals The MC5, New York Dolls en The Stooges in het rijtje aartsvaders van de punk, een muziekgenre dat inmiddels al bijna een halve eeuw schaamteloos huishoudt in ‘s werelds rockholen en daarbij nog steeds het onverwoestbare parool van The Ramones huldigt, zoals dat is vervat in hun signatuursong Blitzkrieg Bop: Hey! Ho! Let’s go!

Father Soldier Son

The New York Times

‘Mijn vader is in Afghanistan om het land beter te maken’, vertelt Joey van zeven. ‘Hij zegt dat er hier ‘s nachts kogels zouden rondvliegen als hij dat niet doet.’ Samen met zijn twaalfjarige broer Isaac wordt de Amerikaanse jongen intussen opgevangen door een oom. Want hun moeder is al enkele jaren volledig uit beeld.

Als Isaac en Joey hun vader Brian na een half jaar eindelijk terugzien op het vliegveld, is dat een bitterzoete ervaring. De broertjes weten dat hij over twee weken opnieuw naar die verre en gevaarlijke oorlog moet. Het zal echter niet lang duren voordat ze hem toch weer te zien krijgen. Brian Eisch raakt betrokken bij een schietgevecht en keert gehavend, zowel lichamelijk als geestelijk, terug naar huis.

Die gebeurtenis fungeert als ‘inciting incident’ van de aangrijpende documentaire Father Soldier Son (100 min.), waarvoor Leslye Davis en Catrin Einhorn van The New York Times de Amerikaanse militair en zijn twee opgroeiende zoons tien jaar lang (2010-2020) volgen. Een periode waarin de tijd vrijwel alle wonden heelt, maar ook weer geheel nieuwe kraters slaat in het bestaan van de Eisch-familie. 

Terwijl Brian zichzelf opnieuw moet uitvinden – als man, partner en vader – en de tijd probeert te verdrijven met het ene na het andere schietspelletje, beginnen zijn jongens na te denken over hun toekomst. Isaac wil gaan studeren, een voornemen waarin zijn vader wel erg weinig fiducie heeft. Jongste zoon Joey lijkt ondertussen wél voorbestemd om de familietraditie voort te zetten.

‘Ik wil rondrennen en met geweren schieten’, zegt het aandoenlijke joch. ‘Leuke dingen doen, gave dingen zien. Ik durf te wedden dat we een nieuwe, stoere oorlog beginnen.’ Joey droomt ervan om zich in hetzelfde uniform te hijsen als zijn vader en diens vader. Want hoe hoog de prijs ook is, deze militaire familie houdt vast aan een vanzelfsprekend soort vaderlandsliefde en opofferingsgezindheid.

Davis en Einhorn blijven daarbij netjes op de achtergrond, laten de drie hoofdpersonen los van elkaar aan het woord en beschikken dus over een opvallend lange adem. Met name dat laatste betaalt zich dubbel en dwars uit: Eisch en de zijnen laten de camera ook toe als ze op hun kwetsbaarst zijn. Als het leed echt niet meer is te overzien voor deze onfortuinlijke ‘all American family’.

Kijk en lees hier de multimediale Father Soldier Son-productie van The New York Times.

Jesse


Het is bon ton om nu te roepen dat Jesse (53 min.) tegenvalt, alle commotie niet waard was. Nadat eerst Jan en alleman een mening had over het wel of niet uitzenden van de documentaire, die is gemaakt door een filmmaker die enkele maanden werkte voor de campagne van GroenLinks (waarvan ikzelf ooit overigens – disclaimer! – een tijdje actief lid was) .

Die kritiek komt niet onverwacht. Na zoveel ophef kan de film alleen maar tegenvallen. Zoals Jesse zelf ook alleen maar van zijn voetstuk kan donderen als je je hem voorstelt als de Jessias. Nee, Joey Boink gaat er natuurlijk niet met gestrekt been in. Hij volgt en spreekt ‘zijn’ politieke leider gewoon tijdens een verkiezingscampagne die grotendeels crescendo verliep.

Jesse ontbeert dan ook de dramatische plotpoints en cliffhangers die grootse campagnefilms als The War Room, A Perfect Candidate en Weiner tot zo’n meeslepend kijkspel maken. Er is natuurlijk wel groot menselijk drama: het plotselinge overlijden van Klavers moeder, dat de politiek leider van GroenLinks verweesd achterlaat in zijn ouderlijk huis.

Joey Boinks film opent daarnaast wel degelijk de groenrode deur van de volledig rond Jesse gecentreerde campagne, waarbij politiek is verworden tot een spel om de macht en aandacht. Bij GroenLinks, maar ook bij andere partijen én de media, zoals bijvoorbeeld wordt geïllustreerd met een typisch ‘hit piece’ over Klaver in De Telegraaf, nét voor de verkiezingen.

‘Wat een kutvak heb ik toch eigenlijk’, verzucht Jesse in de kleedkamer voor het veelbesproken RTL-debat. Je weet dat hij ’t niet meent. In die zin zijn de boksjes die hij uitwisselt met zijn medewerkers na een geslaagd debat of televisie-optreden treffender; weer een overwinning behaald, zeggen ze daarmee tegen elkaar. Op naar de volgende.

Ook het contrast tussen Klavers privé- en publieke reactie op de uitslag van die verkiezingen is treffend. Zodra hij in eigen kring de eerste prognose van 16 zetels hoort, valt hem die zichtbaar tegen. Even later, als daar nog eens twee zetels vanaf zijn gegaan, opereert hij op de officiële verkiezingsbijeenkomst niettemin als voorzitter van de feestcommissie.

Politiek als zorgvuldig georkestreerd schouwspel, waarin iedereen ontzettend rolvast blijkt (al zou CDA-lijsttrekker Sybrand Buma tijdens debatten vast net zo grappig willen zijn als backstage) en waarbij het gordijn slechts zelden helemaal wordt geopend. Toch laat GroenLinks’ politieke apparaat in deze alleraardigste campagnedocumentaire, voor een deel onbedoeld, wel degelijk in zijn machinekamer kijken.