Broken English

Paradiso Films / vanaf donderdag 2 april in de bioscoop

The Ministry Of Not Forgetting, belast met het bewaren van cultureel erfgoed, heeft zich nu over de casus Marianne Faithfull gebogen. Een typisch geval van: verkeerd herinnerd. Als ex van Rolling Stones-zanger Mick Jagger, op de eerste plaats. En daarna: als hopeloze junk, ruim twintig jaar verslaafd aan alle mogelijke drank en drugs.

Daar wil het Ministerie van Niet-Vergeten, waar deze hybride film is gesitueerd, dus subiet verandering inbrengen. In een futuristisch ogend researchcentrum gaat de onderzoeker van dienst, een rol van de jonge Britse acteur George McKay (1917), het subject nog eens grondig doorlichten. Daarvoor heeft hij Faithfull zelf ook uitgenodigd, om samen met haar de opgediepte bewijsstukken – archiefinterviews, nieuwsbeelden en concertopnamen – te analyseren.

Toegegeven: de opzet van Broken English (99 min.) doet in eerste instantie gekunsteld aan. De regisseurs Iain Forsyth en Jane Pollard, die eerder samen bijvoorbeeld ook de geweldige Nick Cave-docu 20.000 Days On Earth (2014) maakten, hebben wel heel veel beeld- en verteltrucs, inclusief een onderzoeksleider die toch wel erg veel wegheeft van Tilda Swinton, uit hun mouw geschud om de gebruikelijke plaatje-praatje muziekdocu te vermijden. Het werkt alleen wel. Geweldig zelfs. Deze film kantelt het beeld van de hoofdpersoon en ontstijgt haar tegelijk ook.

Met de misogynie waarmee Marianne Faithfull, tijdens het maken van de film overleden, in haar leven stelselmatig te maken kreeg bijvoorbeeld. De continue vragen in talkshows over met welke bekendheid ze nu weer het bed had gedeeld. Of de volledig overtrokken reactie van alles en iedereen op haar ‘drugslied’ Sister Morphine, dat in 1969 direct in de ban werd gedaan. Toen The Stones het nummer twee jaar later op hun album Sticky Fingers zetten, kraaide er echter geen haan meer naar.

Aan Mick maakt de dame in kwestie weinig woorden vuil. Hij komt natuurlijk wel langs in het archiefmateriaal dat wordt bekeken en beoordeeld. En, natuurlijk, in oude interviews met Marianne Faithfull zelf. ‘Stel je voor dat je op je 45e nog Satisfaction moet zingen’, zegt een eerdere incarnatie van haar. ‘Arme donder’, voegt ze er in tegenwoordige tijd aan toe. Faithfull maakt, in die laatste levensfase, een even kwetsbare als montere indruk. Een vrouw die vrede heeft gesloten met het leven. Háár leven.

Forsyth en Pollard geven ook haar beste songs een nieuw leven. Omdat hun heldin tegenwoordig een artiest in ruste is, afhankelijk van zuurstoftoevoer, laten ze onder andere Beth Orton, Suki Waterhouse, Courtney Love en Nick Cave, in de rug gedekt door Warren Ellis, Ben Christophers, Ed Harcourt en Thurston Moore, enkele van haar songs uitvoeren op het Ministerie. En uiteindelijk geeft de grande dame zelf natuurlijk ook nog een allerlaatste performance. Met Johnny Cash-achtige allure.

Haar werk is niet gestold geraakt in de tijd, maar nog net zo vitaal als ooit. Wanneer het onvermijdelijke nieuws komt – Tilda Swintons woorden ‘Onze onbevreesde vriendin is weg. Weg, maar niet vergeten.’ galmen nog wel even na – zijn de keuzes in en uitvoering van misschien wel de beste muziekfilm van het jaar bovendien op een geloofwaardige manier verklaard en lijkt alles ook wel gezegd, gezien en bezongen. Marianne Faithfull gaat ‘gracefullly’ de herinnering in. Als artiest, als icoon en als mens.

When Chueca Dies

De Productie / KRO-NCRV

Als we Chueca laten sterven, dan sterft er iets wezenlijks. Chueca, de befaamde roze wijk van Madrid, wordt de laatste jaren regelmatig als strijdtoneel gebruikt door fervente tegenstanders van de LHBTIQ+-gemeenschap. Mannen met ‘Leave Our Kids Alone’ op hun T-shirt bijvoorbeeld. Of lieden die opruiende leuzen scanderen zoals ‘homo’s en AIDS-lijders weg uit de homoslaapkamer van Madrid’.

Vanuit de boekenwinkel Berkana, waar Milagros Hernandes en haar partner Mar in de jaren negentig de basis legden voor de Madrileense queerthuishaven, worden in een uitzending van Radio Chueca Libertaria, die als een rode draad door deze hybride van documentaire en theater van Ramón Gieling loopt, de teloorgang van de ‘oase van vrijheid’ en de uitdagingen van de bijbehorende beweging doorgenomen.

In theatrale scènes, met zang en dans, roepen enkele buurtbewoners, waaronder transpersonen, drag queens en andere vertegenwoordigers van ‘de derde sekse’, bovendien taferelen uit het LHBTIQ+-heden en verleden op en speculeren over de toekomst die hen wacht. Daarbij is één ding vaste prik: angst, weerzin en zelfs openlijke vijandigheid tegenover ‘de ander’, die meestal op z’n minst uitmondt in verbaal geweld.

Bijna zakelijk somt een jonge lesbienne, recht in de camera kijkend, bijvoorbeeld een enorme lijst scheldwoorden op, die mensen zoals zij krijgen te verduren. Dat komt aan. Later volgen nog een reeks huiveringwekkende geweldsincidenten tegen LHBTIQ+’ers uit allerlei verschillende landen en een overzicht van de naties waar homoseksualiteit nog altijd strafbaar is. Het belang van een veilige thuisbasis zoals Chueca is evident.

Ramón Gieling laat bovendien de extreemrechtse influencer David Santos aanschuiven in de radiostudio, waar hij de gelegenheid krijgt om te betogen dat (zijn) haat geen kwaad kan. ‘Waarom moet ik jullie LHBTIQ-publiciteit slikken en jullie onophoudelijke softe gezeur en het infiltreren in alle lagen van de bevolking, tot en met lagere scholen met kinderen?’ Zijn retoriek klinkt vertrouwd, maar is daarmee niet minder fnuikend.

Santos wordt direct van republiek gediend met close-ups van zoenende mannen- en vrouwenkoppels. Daarna draait de filmmaker, die ook in eerdere producties zoals The Disciples – Een Straatopera, De Dood Van Antonio Sànchez Lomas en L’Amour La Mort al opzichtig speelde met het veredelen van de realiteit, de rollen om: hoe zou het zijn als hetero’s op straat in elkaar worden getrapt omdat zij zo nodig seks willen hebben met vrouwen?

Met zulke onwerkelijke taferelen, gepaard aan intieme slaapkamerscènes met en aangrijpende getuigenissen van Madrileense queers, klimt Gieling op de schouders van Spaanse helden zoals cineast Pedro Almodovar en schrijver Garcia Lorca en benadrukt het belang van een vitale, inclusieve en veilige LHBTIQ+-gemeenschap. Want When Chueca Dies (97 min.)…

Songs From The Hole

Netflix

Hoewel het geloof hem van jongs af aan is ingeprent door zijn vader William, pastor bij een kerk waar ie zelf ook in het koor zat, belandt James Jacobs op het verkeerde pad. Als vijftienjarige schiet hij, volgens eigen zeggen puur om te bewijzen dat hij ‘that nigger from the hood’ is, op 16 april 2004 een man dood. Drie dagen later wordt zijn eigen oudere broer Victor, die eveneens in het bendeleven verzeild is geraakt, vermoord door, zoals Jacobs dat noemt, ‘another one of us’. Ofwel: Jamaal Smith, iemand die net als hij en zijn broer gewoon z’n rol speelt in de straatcultuur.

Sinds die tijd zit James Jacobs in de California State Prison een gevangenisstraf van veertig jaar uit. In de isoleercel, ofwel the hole, vindt ie uiteindelijk zichzelf én zijn stem, vertelt hij via de gevangenistelefoon in Songs From The Hole (97 min.), de hybride van documentaire en videoclipverzameling die Contessa Gayles in nauwe samenwerking met hem heeft gemaakt. Want daar creëert Jacobs zijn alter ego, de zanger/rapper JJ’88, en maakt hij samen met medegedetineerde Richie Reseda, die zijn leven ook weer bij elkaar heeft geraapt, het album waarvan deze film de verbeelding is.

‘Als het rechtssysteem me geen levenslang geeft, word ik neergeschoten door m’n eigen soort’, rapt JJ’88’ in één van de gestileerde videoclips, waarin met acteurs zowel zijn eigen verhaal als dat van veel ontspoorde jongens uit de Afro-Amerikaanse gemeenschap op een nogal gelikte manier wordt verteld. Gaandeweg komt James Jacobs echter tot de conclusie dat jongeren zoals hij niet voorbestemd hoeven te zijn voor dit leven. ‘Niemand dwingt je iets te doen’, galmt het in zijn hoofd als hij in de gevangenis voor een cruciale levenskeuze wordt gesteld: wraak of toch vergeving?

Als langgestrafte vindt hij in muziek de hoop die hij zo lang zocht. Inmiddels heeft Jacobs een verloofde, Indigo, die zich onvermoeibaar beijvert voor herziening van zijn straf, zodat ze samen buiten de gevangenismuren een toekomst kunnen opbouwen. Zo bezien zou deze clipdocu ook Songs From The Hope genoemd kunnen worden. Want ook James’ vader heeft altijd hoop gehouden op een ander, beter leven voor zijn enige overgebleven zoon. ‘Op een dag zal mijn zoon vrij zijn’, zegt hij stellig. ‘Dat heeft God me beloofd.’ En halverwege deze vertelling komt daar zowaar zicht op.

Met de oorspronkelijke manier waarop Gayles het persoonlijke verhaal van Jacob James, dat in wezen al door/over talloze andere zwarte Amerikanen achter de tralies is verteld, heeft vormgegeven, zorgt ze er intussen voor dat Songs From The Hole zich onderscheidt van thematisch verwante producties. Tegelijkertijd krijgen die tamelijk gladde muziekvideo’s nooit de emotionele lading die bepaalde documentairescènes wél hebben en wordt deze film nooit helemaal de mokerslag die de twee makers waarschijnlijk voor ogen hadden.

The Jacket

Jamal (l) en Zreik (r) / Amstelfilm

‘Kijk naar de bergen’, zegt Mohamad ‘Zreik’ al Saghir tegen Jamal Hindawi, terwijl ze samen even genieten van het uitzicht.

‘Zo rustig’, beaamt zijn vriend, met wie hij net tijm heeft geplukt.

‘Het is een mooi land’, constateert Zreik over Libanon.

‘Je houdt ervan?’ vraagt Jamal.

‘Jazeker, ik ben hier geboren.’ De oude man denkt nog even na. ‘Maar ik hou nog meer van Palestina. ‘

‘Natuurlijk’, reageert zijn vriend.

‘Het klopt dat ik daar niet ben geboren’, zegt Zreik. ‘En ik heb er ook nooit gewoond. Maar ik hou ervan.’

Jamal laat dat even indalen. ‘Wat zou je gaan doen als je kon terugkeren naar Palestina?’

Zo filosoferen de twee mannen nog even verder over Palestina, een land dat van hen is en toch nooit is geweest. Intussen steken ze een sigaretje op in Libanon, het land dat nooit van hen zal zijn, ook al werden ze er allebei op de wereld gezet. Dat is nu eenmaal het lot van mensen die in ballingschap zijn geboren. In hun geval: het vluchtelingenkamp Shatila te Beiroet. Daar kwamen hun families terecht na de Nakba in 1948, toen Palestijnen moesten wijken voor de staat Israël.

De Belgische filmmaker Mathijs Poppe heeft het tweegesprek – of moeten we ’t toch een dialoog noemen? – halverwege The Jacket (71 min.) geplaatst. Jamal en zijn vriend en collega Zreik acteren daarnaast samen in een theaterstuk over een jack, waarop Jamals vrouw Mona lapjes in allerlei kleuren heeft genaaid. Dat jasje staat voor de Palestijnse identiteit, de verdeeldheid in hun land van oorsprong en het gewicht dat zij als ontheemden al hun hele leven dragen.

En ergens onderweg, terwijl de inflatie in Libanon de brandstofprijzen helemaal laat ontsporen, raakt Jamal dat jack zomaar ineens kwijt en moet hij ernaar op zoek. Op zoek naar wat hij is kwijtgeraakt, hoe symbolisch. Theater en het echte leven zijn dan al volledig verknoopt geraakt in deze hybride van docu en drama. Op zijn zoektocht heeft Jamal dus ook louter betekenisvolle ontmoetingen, bijvoorbeeld met Syriërs die ooit zijn gevlucht voor de oorlog in hun land.

En Jamals dochter Hanan, met wie hij regelmatig belt, staat ongetwijfeld voor de uitzichtloze positie van Palestijnen in Libanon. Zij is in het buitenland gaan studeren, want in ‘eigen’ land lijkt er voor haar, een jonge intelligente vrouw, weinig te halen. Zo belicht deze ‘documentaire die de tools van fictie gebruikt’ de Palestijnse kwestie vanuit het perspectief van gewone mensen en hoe die hun leven drijft. Als een jack waarvan ze geen afscheid kunnen, mogen of willen nemen.

Life Is Not A Competition, But I’m Winning

First Hand Films

De geschiedenis wordt geschreven door de overwinnaars, maar wat betekent dit dan voor degenen waarvan ‘t nooit de bedoeling was dat ze überhaupt zouden deelnemen aan het spel? Met deze vraag begint regisseur Julia Fuhr Mann Life Is Not A Competition, But I’m Winning (79 min.), een hybride van docu en drama over sporters die niet aan de eisen kunnen of willen voldoen die aan Olympische atleten worden gesteld. Want die horen natuurlijk wit, mannelijk en hetero te zijn.

Een collectief van queeratleten begeeft zich naar het Olympisch stadion van Athene om vergeten helden zoals Lina Radke, Stella Walsh en Wilma Rudolph eer te bewijzen – het fictiedeel van deze film. Zeker het verhaal van Walsh is stuitend: als de Olympische kampioene op 69-jarige leeftijd sterft na een gewapende overval, wordt bij de autopsie niet alleen de doodsoorzaak vastgesteld. Tegelijkertijd wordt naar buiten gebracht dat de hardloopster intersekse was. Via zulke pijnlijke verhalen wordt de discriminatie belicht, waarmee vrouwelijke, zwarte en/of LHBTOQ+-sporters krijgen te maken.

Met als dieptepunt de zogenaamde Femininity Certificates, waarvoor atleten moesten aantonen dat ze daadwerkelijk vrouwelijk waren. Dat gebeurde eerst met een controle van hun vrouwelijke geslachtsdelen, daarna via een chromosomentest en tegenwoordig met een check van het testosterongehalte in hun bloed. Als die te hoog is, wordt de sporter uit competitie genomen, zoals bijvoorbeeld de Zuid-Afrikaanse 800 meter-loopster Caster Semenya overkwam. Zulke tests komen overigens pas in beeld bij uitzonderlijke prestaties of sportsters met een toch wel erg mannelijk voorkomen.

Daarnaast belicht Julia Fuhr Mann in deze gestileerde, enigszins bedachte film de persoonlijke verhalen van de transvrouw Amanda Reiter (een Duitse marathonloopster, die na een gewonnen wedstrijd toch werd afgescheept met een zilveren medaille), de voormalige Amerikaanse profvoetbalster Caitlin Fisher (die zich tijdens haar carrière steeds vrouwelijker moest voordoen dan ze zich eigenlijk voelde) en de Oegandese middellange afstandsloopster Annet Negesa (die nooit meer helemaal de oude werd na een verplichte, medisch helemaal niet-noodzakelijke chirurgische ingreep).

Negesa had overigens ook een hoofdrol in de thematisch verwante, welhaast nóg schrijnendere documentaire Category: Woman. Die is traditioneler van opzet, biedt tevens ruimte aan een weerwoord vanuit de sportwereld (beschermen van ‘eerlijke competitie tussen sporters’) en komt daardoor zeker zo hard binnen – al is het ook bij Life Is Not A Competition, But I’m Winning niet moeilijk om mee te voelen met de betrokken sporters en de gewone, kwetsbare mensen die daarachter schuilgaan.

Kunstroof

Periscoop Film

Als er op 16 oktober 2012 wordt ingebroken bij de Kunsthal in Rotterdam, is de Nederlandse kunstwereld in rep en roer. De dieven hebben zeven schilderijen en tekeningen gestolen van de Triton Collectie van de Rotterdamse havenbaron Willem Cordia (1940-2011), die onder de noemer ‘Avant-gardes’ werden geëxposeerd. Er zijn werken van onder anderen Picasso, Matisse, Gauguin en Monet gestolen. Waar moeten de inbrekers worden gezocht? In de Balkan? Of toch in Ierland?

Uiteindelijk komt een groep jonge Roemeense kruimeldieven uit het dorpje Carcaliu in beeld. Zij lijken aan het einde van de zomer van 2012 tamelijk willekeurig op rooftocht te zijn gegaan in Nederland. Zoveel belang als de conservatoren en kunstkenners aan de gestolen werken hechten, zo weinig betekenis hebben die voor de dieven. Zij zijn vooral afgegaan op de bekendheid van de desbetreffende kunstenaar en hoeveel geld het schilderij dan kan opleveren.

‘Een beroemde crimineel die ik redelijk goed ken heeft ’t nog steeds over Andy Warholt’, legt kunstdetective Arthur Brand uit in Kunstroof (102 min.). ‘Anderen hebben ’t over Picasso. En dan zie ik gewoon dat het geen Picasso is, maar een Dali.’ Wat hij maar wil zeggen: de dieven hebben geen idee wat ze stelen, alleen dat het veel waard is. ‘Als jij naar een museum gaat en je ziet zo’n werk hangen, dan zie je een mooi portret of wat dan ook. Zij zien een tien miljoen dollar-biljet.’

Octave ‘Okkie’ Durham is misschien wel Neerlands bekendste kunstdief. Hij wilde in 2002 Van Goghs De Aardappeleters – die hij volgens Brand consequent ‘de Aardappeltelers’ noemt – gaan stelen. Dat schilderij bleek echter te groot om mee te nemen. Daarom nam hij maar twee andere Van Goghs mee. Okkie heeft geen hoge pet op van de beveiliging van veel Nederlandse musea, zegt hij in deze film van Jorien van Nes. ‘Een kledingwinkel in de stad’ is volgens hem nog beter beveiligd.

Met direct betrokkenen zoals conservator Peter van Beveren, hoofdinspecteur Raymond Kolsteren en de Roemeense officier van justitie Raluca Bottea duikt Van Nes in de roof en het belang van de gestolen werken. Parallel daaraan reconstrueert ze met acteurs de handel en wandel van de dieven uit Carcaliu en hun politieverhoren. Deze hybride werkt ten dele. De twee verhaalvormen komen eerst niet helemaal samen. De gedramatiseerde scènes blijven veelal voelen als, ja, drama.

Later nemen de gebeurtenissen bijna kluchtige vormen aan – als de dieven de gestolen waar maar niet van de hand kunnen doen en vervolgens op allerlei plekken verbergen – en werken die reconstructiescènes beter en versmelten ze ook gemakkelijker met de interviews, die eveneens een steeds onwerkelijker karakter krijgen. Kunstroof slalomt dan comfortabel tussen ‘based on a true story’ en ‘truth is stranger than fiction’ door.

Viva Varda!

AVROTROS

Aan het eind van een lang en vruchtbaar leven kwam dan eindelijk de algehele erkenning. De Franse filmmaakster Agnès Varda (1928-2019), die zichzelf zonder (valse) bescheidenheid ‘de grootmoeder van de nouvelle vague’ was gaan noemen, werd bedolven onder oeuvreprijzen: een Palme d’Honneur in 2015 en een ere-Oscar in 2017. Ze oogde toen inmiddels als een uitvergrote versie van zichzelf: een excentrieke oma, met twee kleuren klaar en de goesting om zich eens ongegeneerd te laten fêteren.

Viva Varda! (tv-versie: 53 min.) is een viering van de vrouw en de kunstenaar. ‘Een radicale pionier in het maken van beelden in deze tijd’, aldus collega Atom Egoyan. En een onafhankelijk, origineel, veeleisend, rebels en geestig mens, volgens de andere sprekers in deze vlotte docu van Pierre-Henri Gibert, zoals haar dochter Rosalie, zoon Mathieu, assistenten Didier Rouget en Jacques Royer, actrice Sandrine Bonnaire en de regisseurs Audrey Diwan, Marjolaine Grandjean en Patricia Mazuy.

Ze werd geboren in een welgesteld gezin als Arlette Varda, het kind van de directeur van een staalfabriek, De Antwerpse Titaan. Ze had weinig op met haar vader, maar hield uiteindelijk wel een flinke erfenis aan hem over. Daarmee financierde zij, nadat ze haar naam had veranderd in Agnès, haar eerste film La Pointe Courte (1955). Die wordt beschouwd als een voorloper van de nouvelle vague, de Franse filmstroming die cineasten als Claude Chabrol, Jean-Luc Godard en Francois Truffaut voortbracht.

Varda zou uiteindelijk te eigenzinnig blijken voor willekeurig welke kwalificatie. Steeds vond ze zichzelf opnieuw uit in films waarmee ze handig tussen fictie en non-fictie door slalomde – of de beide genres verbond in een hybride-form. ‘In mijn films verzet ik me een beetje tegen het systeem’, zei ze daar zelf over. ‘Ik zit niet in een bus of limousine. Ik ben te voet in de cinema. Misschien omdat het mijn eigen keus is en ik niet meedoe met het sterrensysteem en het spel niet wil meespelen.’

Agnès Varda brak door met een film over een zangeres die wacht op de uitslag van een kankeronderzoek (Cléo de 5 à 7), maakte in de Verenigde Staten films over hippies en Black Panthers, filmde de winkeliers in haar eigen Parijse straat in Daguerréotypes (1975), vroeg het uiterste van actrice Jane Birkin in Jane B. Par Agnès V. (1988) en ontdekte de intimiteit van een kleine digitale camera in het veel gelauwerde Les Glaneurs Et La Glaneuse (2000).

Intussen onderhield ze een moeizame relatie met de filmwereld (‘een familie waarin iedereen elkaar haat’). Agnès Varda hield er daarnaast ook een kleurrijk leven op na, getuige dit vermakelijke, voor haar doen alleen wel tamelijk conventionele portret. Met een grote liefde, regisseur Jacques Demy, die in alles een tegenpool bleek. Het leidde tot een zoon, echtscheiding en verzoening. Jacques was toen al ernstig ziek. Zijn vrouw probeerde hem te vereeuwigen door een film over hem te maken: Jacquot De Nantes (1991).

‘Zolang we filmen, leeft Jacques nog’, zou ze daarover hebben gezegd. En datzelfde uitgangspunt leek ze later ook op zichzelf toe te passen. Tot het allerlaatst bleef de lekker dwarse Française actief. Met het kostelijke Visages Villages ((2017), gemaakt met haar ruim een halve eeuw jongere zielsverwant JR, sleepte ze zelfs nog een Oscar-nominatie in de wacht. En toen het einde zich daadwerkelijk aandiende, hield Agnès Varda – hoe kan het ook anders? – zelf de regie.

Not A Pretty Picture

Janus Films

‘Deze film is gebaseerd op enkele incidenten in het leven van de regisseur’, meldt een tekst bij de start van deze klassieke hybride van docu en drama van Martha Coolidge uit 1976. ‘De actrice die Martha speelt is zelf ook verkracht op de middelbare school. Namen en plaatsen zijn veranderd.’ In Not A Pretty Picture (82 min.) zoekt de Amerikaanse filmmaakster doelbewust de pijn op die ze begin jaren zestig als tiener heeft ervaren. Minutieus reconstrueert Coolidge met enkele acteurs de verkrachting die er waarschijnlijk voor heeft gezorgd dat ze nog altijd niet is toegekomen aan een bestendige relatie met een man.

‘Dit komt zo dicht bij wat er is gebeurd dat ik niet meer echt acteer’, bekent Michele Manenti, die de zestienjarige versie van de hoofdrolspeelster vertolkt. Tijdens lang uitgesponnen reconstructiescènes zoeken ze samen doelbewust de grenzen tussen fictie en non-fictie op. Als Michele/Martha opeens vanuit het diepste van haar ziel ‘stop’ roept, is het de vraag wie we horen: de jonge Martha of toch Michele zelf. Haar tegenspeler Jim Carrington zet ondertussen een (bijna té) overtuigende ‘Curly’ neer, de patser die destijds tijdens een dronken avondje uit rücksichtslos over Coolidge’s grenzen is heengegaan.

Als regisseur kijkt Martha Coolidge, gebiologeerd en ontzet, toe hoe enkele meters verderop haar eigen traumatische ervaringen worden gereconstrueerd. Soms stuurt ze die bij. Je moet iets minder aandacht besteden aan de anderen, zegt ze bijvoorbeeld tegen Carrington. ‘En meer aan Martha.’ En zo nu en dan ontstaat er een ongemakkelijk gesprek. Als haar mannelijke acteur bijvoorbeeld, ogenschijnlijk zonder gêne, vertelt dat op zijn middelbare school onaantrekkelijke meisjes die bereid waren om met iemand naar bed te gaan ‘varkens’ werden genoemd. ‘Let’s go down to college and pick up some pigs.’

‘Ik ken veel voorbeelden uit mijn middelbare schooltijd waarbij een vrouw technisch gesproken is verkracht’, zegt Carrington elders. ‘Want ze had zichzelf niet vrijwillig gegeven. Het moet nu eenmaal een gezamenlijk ding zijn. Maar dat betekende niet noodzakelijkerwijs ook kwade opzet bij de man. Dit was simpelweg wat hij wilde hebben op dat moment en alles wat hij daarvoor dan moest doen was oké. Zulke gevallen van verkrachting komen best vaak voor. Begrijp je wat ik bedoel?’ Hij klinkt als een man die de tijdgeest niet aanvoelt en zich weinig gelegen laat liggen aan wat er in vrouwen omgaat. En Manenti en Coolidge vinden daar natuurlijk iets van. 

Intussen kampen zij, net als veel van hun lotgenoten, ook nog met dat ene stemmetje in hun achterhoofd: heb ik er misschien zelf om gevraagd? En daarna volgt vaak eerst de angst voor een mogelijke zwangerschap en vervolgens ook nog de vrees voor de reacties vanuit hun omgeving.

Niemand Die Het Ziet

BNNVARA

Iedereen in beeld heeft daarbij een belang. Dat moet de conclusie zijn van de vierdelige docuserie Niemand Die Het Ziet (200 min.). Want waarom zou je anders, voor iedereen herkenbaar of juist geanonimiseerd met een masker en stemvervorming, een bijdrage leveren aan een geopolitieke thriller over hybride oorlogsvoering? Dat is tenslotte niet zonder gevaar. Al kan ‘t voor hetzelfde geld ook weer riskant zijn om jouw versie van de waarheid juist níet met de wereld te delen.

Het belang van Volkskrant-journalist Huib Modderkolk lijkt helder: de waarheid over Stuxnet boven tafel krijgen. Met dit computervirus zouden de inlichtingendiensten van Israël en de Verenigde Staten in 2007 Irans kernwapenprogramma in Natanz onschadelijk hebben gemaakt. En de Nederlandse geheime dienst AIVD lijkt daarbij zowaar een sleutelrol te hebben gespeeld: een monteur zou met malware een succesvolle cyberaanval in gang hebben gezet. Maar wat is er daarna dan met deze ‘Agent X’ gebeurd?

Modderkolk spreekt op allerlei plekken in de wereld af met goed ingevoerde bronnen. Zo ontmoet hij bijvoorbeeld het voormalige hoofd van Israëls militaire geheime dienst, de enige man ter wereld die drie nucleaire faciliteiten heeft vernietigd. Toch? Tweeënhalf, reageert de Israëliër direct. Want de cyberaanval die hij liet uitvoeren op Iran was toch niet helemaal geslaagd. Heeft hij nu zojuist toegegeven dat hij betrokken was bij Stuxnet? vraagt de Nederlandse journalist zich naderhand af tijdens het joggen.

Europarlementariër Bart Groothuis (VVD), één van de andere hoofdpersonen van deze enerverende miniserie van Mea Dols de Jong, Chris Westendorp, Reijer Zwaan en Ester Gould, maakt zich zorgen over de wereldorde, die continu wordt bedreigd door landen als Rusland, China en Iran. Van propaganda en desinformatie tot sabotage en hackaanvallen. ‘Er is geen onderscheid meer tussen oorlog en vrede’, zegt Groothuis. Met gevoel voor drama vergelijkt hij de situatie met Tolkiens The Lord Of The Rings. ‘Het oog van Sauron kijkt altijd mee.’

In Kyiv krijgt Sevgil Musaieva, hoofdredacteur van de krant Ukrainska Pravda, gedurig te maken met cyberaanvallen. De Russen proberen op alle mogelijke manieren de Oekraïense samenleving ontwrichten. ‘Onzichtbare aanvallen vormden de opmaat naar een maar al te zichtbare invasie’, stelt Renée Fokker, die als de mysterieuze verteller fungeert voor deze miniserie. ‘In de wereld van verborgenheden bestaat geen toeval’, beweert ze elders. En, al even cryptisch: ‘Sommige informatie is ook na jaren nog met raadsels omgeven.’

Soepel schakelt deze ambitieuze productie ook naar een Oekraïens flatgebouw, waar een jonge strijdster aan een geheime frontlinie al negen maanden digitaal flirt met een Russische soldaat. ‘Hij stuurt graag vieze sms’jes waarin hij omschrijft hoe we seks zouden hebben’, vertelt ze over haar ‘ork’ Pavel. ‘En daarna stuurt hij dan foto’s van dode Oekraïense soldaten.’ Haar collega begint te glimlachen. ‘Heb je op zo’n moment geen zin om terug te schrijven?’ vraagt hij. ‘Gast, je bent de lul. Dit is de Oekraïense geheime dienst.’

Digitale oorlogsvoering en oorlog ‘in real life’ raken voortdurend met elkaar vermengd, met de waarheid als vanzelfsprekende eerste slachtoffer. Wie zit er bijvoorbeeld achter de aanslagen op de Nordstream-gasleidingen? En is er ooit met zekerheid antwoord te krijgen op die vraag? Iedereen ontkent. Natuurlijk. Zoals China ’t ook nooit zal toegeven als/dat ze onderzeese kabels onklaar heeft gemaakt, waardoor het internet in Taiwan werd platgelegd. Mensenrechtenactivist Puma Shen vreest intussen een Chinese invasie.

Niemand Die Het Ziet springt steeds slim op en neer tussen de verschillende verhaallijnen, ondertussen voortdurend de dreiging, het belang en de urgentie daarvan accentuerend. Het is een schemerwereld, benadrukt Fokker nog maar eens, waarin geheimen vanzelfsprekend zijn – en waarin iedereen dus ook een verborgen agenda kan hebben. Medewerkers van inlichtingendiensten doen zich immers vaak voor als journalist, politicus of bron. Wie is kortom wie in deze serie met internationale allure? En, onlosmakelijk daarmee verbonden: waarom?

Intussen lijkt Huib Modderkolk brisant nieuws op het spoor…

A Way To B

Doxy

Even voor de helderheid, stelt Xavi Duacastilla, één van de leden van het Catalaanse danscollectief Liant la Troca: ‘We zijn niet uit op medelijden, we maken kunst. Als je moet huilen door de kunst, huil dan vooral. Maar als je huilt omdat je iemand in een rolstoel ziet dansen, dan: fuck off!’

Want Liant la Troca mag dan voor een belangrijk deel bestaan uit dansers met een lichamelijke beperking, hun performances doen qua kracht, intensiteit en emotionele zeggingskracht voor geen gezelschap onder. Jos de Putter en Clara van Gool geven de creaties van choreograaf Jordi Cortès Molina, vaak uitgevoerd in de openbare ruimte van Barcelona, dan ook een prominente plek in de film A Way To B (98 min.), een vlammende hybride van dans en documentaire.

Achter de imposante dansers gaan aangrijpende verhalen schuil, van mensen die op hun levenspad echt meer drempels moeten nemen dan veel anderen. Neem bijvoorbeeld Jaume Girbau, een man zonder onderlijf. Jaren na zijn geboorte vertelde zijn moeder dat de artsen hem in eerste instantie niet aan haar wilden laten zien. ‘Hij is geboren met een bepaalde handicap, vertelden ze haar. “Het is maar beter dan u hem nog niet ziet.” Alsof ik één of ander verschrikkelijk monster was.’

Of Dessi Cascales, die in de openingsscène van deze film een moeilijk te vatten en desondanks zeer indringende monoloog afsteekt. Deze vrouw met cerebrale parese kan zich bijna alleen met behulp van haar man Philip Heinrich verstaanbaar maken en wordt mede daardoor regelmatig veel te laag ingeschat. Philip heeft echter een degeneratieve ziekte, waardoor Dessi bang is dat hij straks alleen nog zijn moedertaal Duits kan spreken. Daarom besluit ze om zelf op taalles te gaan. 

Via fraai gestileerde, gepassioneerd uitgevoerde en gloedvol geregistreerde performances, collectief te scharen onder de noemer ‘Danza Integrada’, leggen de leden van Liant la Troca hun ziel bloot. Kwetsbaar en krachtig tegelijk. Gewone mensen die, ondanks/dankzij hun imperfecte lichaam, komen tot volwaardige kunst. A Way To B wordt daarmee automatisch een hartveroverend pleidooi voor inclusiviteit, zonder dat die boodschap er verder opzichtig in hoeft te worden gehamerd.