The Rise Of The Murdoch Dynasty

BBC

Volgens een recent profiel van Rupert Murdoch in Vanity Fair was Murdochs zoon Lachlan ervan overtuigd dat z’n broer James verhalen over hun vader lekte naar de schrijvers van de populaire dramaserie Succession. En iemand uit de directe omgeving van James meldde dat die er dan weer vanuit ging dat Rupert en Lachlan de pers op het spoor hadden gezet van verhalen over hem.

Het zijn taferelen die de gemiddelde televisiekijker inderdaad direct associeert met de infame mediafamilie Roy uit Succession. Hoezeer de pater familias van de Murdochs ook aan ‘damage control’ probeert te doen. Bij de scheiding van zijn vierde echtgenote Jerry Hall, het voormalige fotomodel dat eerder breed in de pers uitgemeten relaties had met Bryan Ferry en Mick Jagger, liet Rupert Murdoch bijvoorbeeld expliciet vastleggen dat zij geen verhaallijnen mocht lekken naar het schrijversteam van de serie. Wie weet wat er anders via de fictieve stamvader Logan Roy nog was onthuld over de man die de pers en politiek in zijn geboorteland Australië, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten in de afgelopen halve eeuw danig naar zijn hand heeft gezet.

The Rise Of The Murdoch Dynasty (180 min.) heeft zulke omwegen niet nodig. In dit drama in drie bedrijven van regisseur Jamie Roberts (Four Hours At The Capitol/Escape From Kabul), waarin overigens geen enkel lid van de Murdoch-familie participeert, wordt het echte leven van de oerconservatieve mediamagnaat gekoppeld aan de strijd om zijn opvolging en de schandalen die door de jaren aan hem zijn blijven kleven. In deel 1 staat bijvoorbeeld zijn opmerkelijke kongsi met de Britse Labour-leider Tony Blair centraal. Het tweede deel belicht het afluisterschandaal rond Murdochs beruchte Britse tabloid News Of The World, dat zelfs leidt tot parlementaire hoorzittingen. In de slotaflevering worden ten slotte het door Rupert Murdoch bepleite Brexit en de verkiezing van Donald Trump tot president van de Verenigde Staten, met hulp van Murdochs Fox News, behandeld.

Roberts laat daarbij prominente medestanders zoals Les Hinton (die ruim een halve eeuw voor de man werkte), Piers Morgan (voormalig editor van News Of The World), Trump-fluisteraar Steve Bannon en Brexiteer Nigel Farage aan het woord. Hij geeft echter ook spreektijd aan gezworen tegenstanders zoals acteur Hugh Grant en Formule 1-baas Max Mosley, die ernstig zijn belaagd en belasterd door Murdochs schandaalkranten, en onderzoeksjournalist Nick Davies en hoofdredacteur Alan Rushbridger van de krant The Guardian, die het hack- en afluisterschandaal rond News Of The World aan het licht brachten. Zij kenschetsen hem als een rücksichtslose ondernemer, een man die veel kan en tot nog veel meer, zo niet alles, bereid is om zijn wil op te leggen aan de wereld.

Toen deze gedegen miniserie in 2020 werd uitgebracht konden ook zij niet vermoeden dat de door Trump en Fox opgepookte volkswoede begin 2021 bijna zou leiden tot een tweede Burgeroorlog in de Verenigde Staten (die onlangs overigens ook zijn weg vond naar Succession, via de dubieuze acties van de Fox News-achtige nieuwszender van de familie Roy, ATN, bij fictieve Amerikaanse presidentsverkiezingen). Al waren er vanaf het begin wel degelijk ferme criticasters. De Britse schrijver Dennis Potter vond bijvoorbeeld al in 1994 dat Murdoch het mediaklimaat en de politiek in zijn land had vergiftigd. Vlak voor zijn dood vertelde de inmiddels ernstig zieke schrijver tijdens een interview dat hij zijn kanker daarom maar ‘Rupert’ had genoemd.

Ook Potter had toen echter niet kunnen vermoeden hoever de ‘kanker’ Rupert Murdoch en zijn dynastie zich in de navolgende dertig jaar zouden verspreiden – en dat er nog altijd geen effectieve remedie is gevonden tegen zijn gevaarlijke vermenging van activisme, entertainment en journalistiek.

Een Amerikaanse Nachtmerrie

BNNVARA

Hoe zou de ideale true crimezaak eruit zien? Een maker stuit op een gerechtelijke dwaling, achterhaalt na allerlei dramatische verhaalwendingen, doodlopende onderzoekspistes en gigantische cliffhangers wat er werkelijk is gebeurd en pleit vervolgens zijn protagonist vrij, zodat die alsnog in vrijheid van de rest van zijn leven kan genieten? Zo eenvoudig en plooibaar is de werkelijkheid doorgaans echter niet, hoezeer sommige makers hem ook hun wil proberen op te leggen.

Ook Hans Pool zal misschien, toen hij zich zes jaar geleden in De Zaak Singh begon te verdiepen, héél even hebben gedacht dat hij de Nederlandse Errol Morris zou worden en dat Jaitsen Singh wellicht kon uitgroeien tot zíjn Randall Adams, de Amerikaan die door Morris werd vrijgepleit van moord in de true crime-klassieker The Thin Blue Line (1988). Pool is echter geen Amerikaanse amateurdetective die even snel en gemakkelijk wil scoren met Een Amerikaanse Nachtmerrie (internationale titel: The Singh Case, 235 min), maar een gelauwerde Nederlandse documentairemaker, met bijvoorbeeld een Emmy Award voor Bellingcat – Truth In A Post-Truth World op zak. Hij wil zich ook niet zomaar voor iemands karretje laten spannen – al is dat in deze gecompliceerde zaak bepaald geen sinecure. Hoe voorkom je bijvoorbeeld dat je aan de tunnelvisie gaat lijden die je bij de politie vermoedt? Of een instrument wordt van de aanklagers of verdediging?

De zaak leek in eerste aanleg, vanuit het verre Nederland, vast nog bedrieglijk simpel: Jaitsen Singh, een Surinaamse Nederlander die met zijn gezin ooit ‘The American Dream’ was gaan najagen, zit al sinds halverwege de jaren tachtig in een Amerikaanse cel als vermeende opdrachtgever van de moord op zijn vrouw Grace en stiefdochter Daphne. Onschuldig, welteverstaan. Singh zou erin zijn geluisd door een overijverige openbaar aanklager, die warm liep voor een politieke carrière en veel te graag wilde scoren, en een verslaafde crimineel, die in ruil voor strafvermindering bereid was om op te treden als kroongetuige. Maar is de werkelijkheid net zo simpel als het verhaal dat ervan kan worden gemaakt? Van de andere kant: het kan toch ook niet zo zijn dat Jaitsen Singh, zoals de aanklagers lijken te beweren, simpelweg een gewetenloze killer is, die een overval op zijn eigen huis heeft geënsceneerd en daarbij zijn eigen echtgenote en stiefkind heeft laten ombrengen?

Via Singhs Nederlandse advocate Rachel Imamkhan, die in de afgelopen jaren uitgebreid zijn onschuld heeft bepleit in Nederlandse media en vanaf het begin betrokken is geweest bij deze Nederlandse Making A Murderer, komt Hans Pool ook in direct contact met Jaitsen Singh zelf. Hij stelt dat zijn zaak, net als de veelbesproken dood van George Floyd, ’voor honderd procent puur op racisme gebaseerd is’. Zó eenvoudig zijn de beschuldigingen tegen hem echter zeker niet te weerleggen. Behoedzaam pelt Pool de verschillende lagen er vanaf, in de hoop zo bij de kern te komen. Hij neemt de kijker daarbij letterlijk mee in zijn onderzoek. In beeld, als de man die Singhs verleden doorwandelt en uiteindelijk zelfs voor het spreekwoordelijke true crimebord belandt. En via verbindende voice-overs, waarmee hij zijn bevindingen, gevoelens én twijfels deelt. Want waar de filmer ooit begon vanuit het idee dat zijn protagonist waarschijnlijk onschuldig vastzit, krijgt hij daarbij gaandeweg steeds meer vragen.

Een Amerikaanse Nachtmerrie blijft mede daardoor vijf afleveringen lang onverminderd boeien. Ook omdat Pool al zijn bronnen, achtergrondinformatie en ontdekkingen slim en gedoseerd uitserveert en er dus steeds een andere verhaallijn of -laag wordt blootgelegd. Elk nieuw stukje informatie plaatst wat je al denkt te weten over de twee moorden en de achtergronden daarvan in een nieuw perspectief. Een echte true crimezaak dus, die zich echter niet zomaar laat reduceren tot een hap-slik-weg misdaadverhaal. Daarvoor is De Zaak Singh te ingewikkeld en diffuus. Hans Pool wordt er bijna zichtbaar ‘sadder and wiser’ van en weerstaat tegelijkertijd de verleiding om al te gemakkelijke conclusies te trekken. Samen met productiemaatschappij Submarine is de filmmaker desondanks in een conflict verzeild geraakt over wat hij wel of niet wil, mag en kan vertellen. Via de rechter hebben Singh en zijn advocaat, vooralsnog tevergeefs, geprobeerd om uitzending van de serie te verhinderen.

Schuldig

Human

Elke rechtgeaarde docufanaat kijkt reikhalzend uit naar de documentaire Subject, waarin Camilla Hall en Jennifer Tiexiera met hoofdpersonages van bekende documentaires, zoals Elaine en Jesse Friedman (Capturing The Friedmans), Michael Peterson (The Staircase) en Arthur Agee (Hoop Dreams), onderzoeken welke impact deze films hebben gehad op hun leven.

In een Nederlandse variant zouden beslist BeppieJantjeKeesAlicia en Evelien aan het woord moeten komen. En Dennis van de Dierenwinkel, natuurlijk. Dat is overigens niet een licht curieuze achternaam, maar ’s mans professie. Dennis van den Burg runt de kwakkelende dierenspeciaalzaak Ambulia in de Vogelbuurt te Amsterdam-Noord. Terwijl hij zijn dieren en klanten ter wille probeert te zijn, moet hij zich de schuldeisers van het lijf houden.

Alle personages van de gelauwerde zesdelige serie Schuldig (274 min.) uit 2016 zijn niet meer dan radertjes in De Schuldmachine. Paul van het Buurtspreekuur. Abdelmalik van de Voedselbank. Ed van het Deurwaarderskantoor. Will van de Schuldhulpverleningsinstantie. Arjan van het Gemeentebestuur. En Carmelita, Ditte en Ramona & Ron van de Schulden. Vaak rest hén niet meer dan een even eenvoudige als pijnlijke smeekbede: Vergeef Me Mijn Schulden.

Samen met Stuk maakte de serie van Ester Gould en Sarah Sylbing, die later samen ook nog Klassen regisseerden, opzichtig school. Titels als We Zien OnsDilemma’s Van Dokters: Wie Krijg Een Kind?Leven In LimboKanaal Sociaal en Trappers zijn ondenkbaar zonder Schuldig, dat een actueel vraagstuk koppelde aan een kleine groep personages, daarmee een aanzienlijk publiek bereikte en vervolgens met een impactcampagne ook een maatschappelijk gesprek op gang bracht.

Het fundament daarvoor ligt natuurlijk in de serie zelf: de uitstekende casting, permanente nabijheid, uitgelezen dramaturgie, brede blik, smakelijke soundtrack en die karakteristieke vertelstem, ingesproken door Sylbing zelf, die in het hoofd en hart van de personages kruipt. Behalve met schulden kampen ze ook met een handicap, ziekte, de recessie of mantelzorgverplichtingen. Een ongeluk zit immers in een klein hoekje – en dan volgen de schuldeisers vanzelf.

Het zou interessant zijn om, zeven jaar na de serie, nog eens de balans op te maken: heeft Schuldig hun levens daadwerkelijk (een héél klein beetje) kunnen bijsturen?

Eind 2025 heeft Ester Gould nog een Schuldig-nabrander uitgebracht over Dennis: Tortelduifjes.

A Decade Under The Influence

IFC

Voor Easy Riders, Raging Bulls: How The Sex, Drugs And Rock ‘N’ Roll Generation Saved Hollywood, een verfilming van Peter Biskinds smeuïge boek over hoe een nieuwe lichting makers de Amerikaanse filmindustrie overnam in de jaren zeventig, moest documentairemaker Kenneth Bowser ‘t in 2003 doen zonder de beeldbepalende regisseurs Francis Ford Coppola (The Godfather/The Conversation), Martin Scorsese (Mean Streets/Taxi Driver), William Friedkin (The French Connection/The Exorcist) en Robert Altman (M*A*S*H/McCabe & Mrs. Miller).

In een andere documentaire uit datzelfde jaar over precies hetzelfde thema, A Decade Under The Influence (110 min.) van Ted Demme en Richard LaGravenese, lieten deze filmmakers zich wél interviewen. Probeerden ze zo wraak te nemen op Peter Biskind, die hun bijdragen aan zijn spraakmakende boek uit hun verband zou hebben getrokken en verminkt? Tegelijkertijd participeerden hun collega’s Arthur Penn (Bonnie And Clyde), Dennis Hopper (Easy Rider), Peter Bogdanovich (The Last Picture Show) en Paul Schrader (scenarist Taxi Driver) in beide films.

Heel veel verschil is er uiteindelijk niet tussen de twee producties over New Hollywood. Deze docu is wellicht wat smakelijker gemonteerd, maar in essentie bestaan de films uit een vergelijkbare combinatie van speelfilmfragmenten en herinneringen van direct betrokkenen. In deze productie zijn bijvoorbeeld de filmmakers Sydney Pollack (They Shoot Horses, Don’t They?), Sidney Lumet (Dog Day Afternoon), Milos Forman (One Flew Over The Cuckoo’s Nest) en John G. Avildsen (Rocky) en acteurs zoals Pam Grier, Jon Voight, Roy Scheider, Julie Christie en Bruce Dern vertegenwoordigd.

Met krasse anekdotes, meningen en bespiegelingen roepen zij het tijdperk op waarin de traditionele cinema een fikse opdoffer kreeg van een nieuwe tegendraadse generatie. Die wilde op de golven van de swingin’ sixties, gefrustreerd door de Vietnam-oorlog en aangejaagd door nieuwe maatschappelijke verhoudingen actuele, relevante en scherpe kunst maken en kreeg enkele jaren min of meer de vrije hand, met allerlei klassieke films (en excessen) tot gevolg. Totdat Hollywood ontdekte dat met escapistische kaskrakers zoals Jaws en Star Wars veel meer kon worden verdiend. 

‘Geef het volk brood en spelen’, zegt Peter Bogdanovich daarover berustend. ‘Mensen houden nu eenmaal van ontsnappen uit het dagelijks leven. Je kreeg mijn moeder ook nooit naar een trieste film. “Daar ga ik niet naartoe”, zei ze dan. “Ik heb al genoeg problemen van mezelf.”’ Mensen zoals zij zouden in de navolgende decennia op hun wenken worden bediend door Hollywood, dat de kassa liet rinkelen met een eindeloze stroom publieksfilms, sequels en franchises. Waarvan de honden dan soms weer geen brood lustten.

Easy Riders, Raging Bulls: How The Sex, Drugs And Rock ‘N’ Roll Generation Saved Hollywood

BBC

Vraag een willekeurige kenner van de Amerikaanse cinema om z’n favoriete periode te noemen en dikke kans dat ie met de seventies op de proppen komt, de jaren waarin regisseurs de macht grepen in Hollywood. Peter Biskind schreef daarover in 1998 een machtig interessant boekEasy Riders, Raging Bulls: How The Sex, Drugs And Rock ‘N’ Roll Generation Saved Hollywood (113 min.). Vijf jaar later volgde de bijbehorende documentaire van Kenneth Bowser.

Met de generatie die destijds de ommekeer bewerkstelligde in de filmwereld schetst Bowser hoe grote studio’s zoals Warner Brothers, Paramount en 20th Century Fox halverwege de jaren zestig de concurrentiestrijd met televisie leken te hebben verloren en op omvallen stonden. Uit pure noodzaak ontstond er vervolgens ruimte voor eigenzinnige filmmakers die, gevoed door Europese cinema en opgegroeid binnen het B-film circuit, de vastgelopen industrie daarna een gigantische opdonder verkochten.

Kaskrakers zoals Bonnie And Clyde, Easy Rider, Midnight Cowboy, The Wild Bunch, The Last Picture Show, The Godfather, American Graffiti, Mean Streets, The Exorcist, Chinatown, Taxi Driver en Raging Bull weerspiegelden perfect de tijdgeest en toonden aan dat eigenzinnige films, waarbij de regisseur ‘final cut’ had bedongen, wel degelijk een groot publiek konden bereiken. Met het succes kwamen echter ook de enorme ego’s, neuroses en verslavingen.

Verteller William H. Macy loopt dit interessante stuk filmgeschiedenis netjes door met anti-establishment filmmakers zoals Peter Bogdanovich, Dennis Hopper, Arthur Penn, Paul Schrader en John Milius (waarbij opvalt dat Francis Ford Coppola, Martin Scorsese, William Friedkin en Robert Altman ontbreken; zij zijn wél van de partij in een documentaire uit hetzelfde jaar over precies hetzelfde thema, A Decade Under The Influence). Verder laat hij de acteurs Cybill Shepherd, Peter Fonda, Ellen Burstyn, Richard Dreyfuss en Karen Black aan het woord over hun ervaringen en lardeert hun herinneringen met een stortvloed aan filmfragmenten.

Zo ontstaat een levendig beeld van de jaren waarin de filmgekken voor heel even het gesticht konden overnemen. Totdat Steven Spielberg en George Lucas – zo wil althans de Hollywood-versie van de gebeurtenissen – met respectievelijk Jaws en Star Wars korte metten maakten met de hoogtijdagen van de Amerikaanse auteurscinema en de tijd inluidden van de blockbuster, een nieuwe variant op de aloude B-film die met een gigantisch budget mocht worden gemaakt én gepromoot.

Mama

Human

In 2019 portretteerde Esmée van Loon in 2019 de expressieve modeontwerper en dragqueen Dennis Bijleveld in de korte documentaire Ma’MaQueen. Deze vervolgfilm toont hoe Bijleveld als ‘moeder’ fungeert in het Rotterdamse House Of Holographic Hoes, een verzamelplek voor jonge (queer)mensen die zich in hun reguliere familie meestal niet op hun plek voelen. Samen vormen ze een kleurrijk samengesteld gezin, in de traditie van de New Yorkse ballroom-families uit de klassieke documentaire Paris Is Burning, waarin ruimte is voor ieders persoonlijkheid, uiterlijk en gevoelsleven. ‘Alles doen wat God verboden heeft in het hoerenhuis Rotterdam-Zuid’, grapt moeder zelf.

‘Familie is een gevoel’, heeft Dennis Bijleveld al geconstateerd aan het begin van de film, bij beelden van een gezellig huisetentje waarvoor alle familieleden zich speciaal hebben opgemaakt en fraai hebben uitgedost. ‘Dit is hoe een familie hoort te zijn. Fantasy.’ Waarna Van Loon al die uitgesproken personages voor het eerst naakt, maar volledig overdekt met holografische glitters, laat zien en de titel in beeld verschijnt: Mama (59 min.). De docu is doorsneden met zulke fraaie sequenties, waarin de hoofdpersonen zich op hun kwetsbaarst en sierlijkst laten zien en waarmee tegelijkertijd het extravagante karakter van hun zelfverkozen familie nog eens wordt benadrukt.

Want hoewel ieder z’n eigen kwetsbare verhaal meebrengt – meestal een variant op: mijn omgeving vindt mij niet oké, omdat ik te vrij, gezet of vrouwelijk ben – gedragen ze zich samen heel druk, klef en theatraal. In een voortdurend tussen Engels en Nederlands schakelende dialoog met elkaar komen ze tot bloei, lijkt Van Loons centrale boodschap. Binnen een gemeenschap waarvan de filmmaakster duidelijk de waarde wil benadrukken. Ze vervat dat in de metafoor van een aquarium, waarin ruimte is voor elk individueel visje, ongeacht de vorm of kleur. ‘Vrijheid is voor mij dat je niet wordt beperkt door de realiteit’, stelt hun dragmother. ‘Dat jij in je eigen fantasie kan leven.’

En dan staat Kerstmis, het ultieme familiemoment en het sluitstuk van dit roze familieportret, alweer voor de deur en gaat Ma’MaQueen, geheel in stijl, met Xtra Xceptit, Rita Book, Marta, Licka Lolly, Fantasy Fvckface en Reub op zoek naar een geschikte boom…

Brian Wilson: Long Promised Road

Dogwoof

Hij was de ultieme Beach Boy, maar te verlegen om een meisje aan te spreken. Hij schreef allerlei wereldhits over surfen, maar stond zelf nooit op een plank. En hij werd door de hele wereld, zeker na de elpee Pet Sounds (1966), binnengehaald als een muzikaal genie, maar liep ondertussen helemaal vast in zichzelf.

De verhalen over Brian Wilson, de nucleus van The Beach Boys, zijn dan misschien overbekend, ze spreken nog altijd tot de verbeelding. Zeker als de man zelf, in gesprek met muziekjournalist/vriend Jason Fine, echt een kijkje in zijn binnenste geeft. Interviews geven vindt de getroebleerde muzikant, gediagnosticeerd met een schizoaffectieve stoornis, nog steeds spannend. Daarom gaat hij in Brian Wilson: Long Promised Road (93 min.), een titel die zowaar is ontleend aan een liedje dat werd geschreven door zijn broer Carl, regelmatig gewoon een stukje rijden met Fine.

Samen doen de twee de plekken van zijn verleden aan, luisteren naar muziek en eten een broodje. Tussendoor kletsen ze over zijn grillige carrière, de tijdloze muziek die hij heeft gemaakt en zijn persoonlijk leven, waarin hij door diepe, diepe dalen moest. Wilson vertelt bijvoorbeeld over zijn persoonlijke behandelaar Eugene Landy, die hem eerst tegelijkertijd liet afkicken van sigaretten, drank en cocaïne en vervolgens negen jaar in een therapeutische wurggreep hield. Op een gegeven moment moest Wilson volgens eigen zeggen zelfs van de vloer eten. Geen idee waarom.

De ontspannen setting met Fine als bestuurder/gespreksleider en Wilson als zijn passagier geeft deze film een intiem karakter. Documentairemaker Brent Wilson laat daarnaast Elton John, Bruce Springsteen en andere collega’s de gebruikelijke superlatieven over de begenadigde songschrijver en arrangeur verzorgen. Sterproducer Don Was (Bob Dylan, The Rolling Stones en John Mayer) kan zijn oren bijvoorbeeld nog altijd niet geloven als hij de verschillende geluidssporen van de klassieke song God Only Knows krijgt te horen. ‘Ik maak al veertig jaar platen’, zegt hij bewonderend. ‘En ik heb geen idee hoe je dit zou moeten doen.’

Zet Wilson achter zijn piano of in een studio en er hangt nog altijd magie in de lucht. Zeker als hij heel precies aangeeft bij zijn bandleden hoe hij een bepaald instrument wil horen. Het is alsof dan even zichtbaar wordt wat er in zijn hoofd omgaat. Alsof hij, waar wij in eerste instantie alleen het geheel horen, direct alle afzonderlijke elementen kan waarnemen. En als hij, als bijrijder van Fine, muziek luistert of praat over mensen die hem dierbaar zijn, zijn overleden broers Dennis en Carl bijvoorbeeld, is het alsof hij, via die trekkende mond en sprekende ogen, even recht in zijn ziel laat kijken.

En daar zit echt niet alleen een geniale gek, een droogsurfer of een would-be strandwacht. Als deze fijne film één element toevoegt aan de canon over Brian Wilson, dan is het ‘s mans overduidelijke affectie voor zijn naasten. In dat opzicht is ook de titel van de documentaire, Long Promised Road, een logische keuze. Die krijgt bovendien extra cachet met een fraaie slotscène, waarin Brian zijn broer Carl eer betoont.

Memories Of A Murderer: The Nilsen Tapes

Netflix

‘Normaal gesproken heb je bij een moord een slachtoffer en ga je op zoek naar de moordenaar’, stelt rechercheur Steve McCusker. ‘In dit geval hadden we een moordenaar, maar hij wist niet wie de slachtoffers waren.’

In de flat en voormalige woning van Dennis Nilsen in Londen had de politie in 1983 de lijken van diverse jonge mannen aangetroffen. Het waren er in totaal vijftien of zestien volgens de man des huizes, werkzaam als leidinggevende bij het plaatselijke arbeidsbureau. Een schrikbarend aantal, dat op een naargeestige manier deed denken aan de bijna dertig dode jongens die waren gevonden in de kruipruimte onder de woning van de beruchte Amerikaanse seriemoordenaar John Wayne Gacy.

Nilsen wilde best over zijn daden vertellen, hoor, maar kon zich de details écht niet meer voor de geest halen. Herinneringen had de voormalige politieman niettemin genoeg, zo bleek later. In zijn gevangeniscel vertrouwde hij die met liefde en plezier toe aan een serie cassettebandjes. Ze hebben nu hun weg gevonden naar Memories Of A Murderer: The Nilsen Tapes (85 min.). ‘Ik ben een man’, zegt Dennis Nilsen daarop. ‘Geen monster. Raar, hè?’

Was de man knettergek of oerslecht? Regisseur Michael Harte probeert er de vinger achter te krijgen via interviews met politieagenten, nabestaanden, collega’s en zijn advocaat en benadrukt verder het duistere karakter van diens verhaal met onthullend archiefmateriaal, unheimische gestileerde beelden en onheilszwangere muziek. Het resultaat is stemmig, onrustbarend en niet al te cheap en behoort tot de betere exemplaren die de lopende band van seriemoordenaarsdocu’s in de afgelopen jaren heeft afgeleverd.

Klassen

Human

Zou Dennis van de Dierenwinkel zich nog melden? Bij het begin van de zevendelige serie Klassen (350 min.) begin je héél even te twijfelen: die voice-over stem, die lekker losse vertelwijze, die zorgvuldige casting, die toegang tot precaire situaties en die bijzonder smaakvolle muziek. Is dit een nieuwe aflevering van Schuldig, de gelauwerde documentaireserie uit 2016 over schuldenproblematiek in Amsterdam-Noord, waarmee Dennis uitgroeide tot een publiekslieveling?

Nee, dit is een logisch vervolg. Dezelfde toon, setting en invalshoek, andere thematiek. Kansen(on)gelijkheid in het onderwijs, ditmaal. Aan de hand van enkele Amsterdamse kinderen in het laatste jaar van de basisschool, die worden voorbereid op hun overstap naar de middelbare, en enkele tieners die daar net terecht zijn gekomen schetsen Ester Gould, Sarah Sylbing en Daan Bol een levendig portret van een multiculturele samenleving, waarbinnen klasseverschillen, en bijbehorende problemen zoals onderadvisering van vooral allochtone basisschoolkinderen, aan de orde van de dag zijn (gebleven).

Op de Weidevogel hoopt bijvoorbeeld vrijwel iedere leerling op een VWO-advies, terwijl de kinderen op sommige andere scholen – noem het vooral geen zwarte scholen – stelselmatig een lager advies krijgen dan hun prestaties eigenlijk rechtvaardigen. Het is één van de voornaamste thema’s van de Amsterdamse wethouder van onderwijs en armoede, Marjolein Moorman (PvdA), onderwijspsycholoog Bowen Paulle (die spreekt over ‘the prison of low expectations’) en schoolbestuurder Mirjam Leinders, enkele van de professionals in deze Nederlandse evenknie van de veelgeprezen serie America To Me. Intussen proberen de leerlingen en hun bijzonder betrokken leerkrachten ‘gewoon’ het uiterste eruit te halen – of, tenminste, op koers of het rechte pad te blijven.

Halverwege de eerste aflevering van deze bijzonder boeiende serie komt zowaar Dennis van de Dierenwinkel nog even langs, als een toevallige passant in het leven van de kinderen en een subtiele herinnering aan het feit dat Schuldig en Klassen zich in hetzelfde decor afspelen en thematisch ook nauw verweven zijn.

Hemelbestormers

Geertjan Lassche

Bij het beklimmen van een hooggebergte klimt de dood mee, zegt expeditie-organisator René de Bos in de documentaire Hemelbestormers (90 min.) uit 2014. Hij weet waar hij over praat: in 2009 stierf zijn beste vriend Dennis Verhoeve bij de Cho Oyu, de zusterberg van de Mount Everest. Als er toch gewoon weer een expeditie naar de bergtop wordt georganiseerd, sluit ook filmmaker Geertjan Lassche, altijd op zoek naar de grenzen van zijn personages en zichzelf, zich aan bij de groep van expeditieleider Wilco van Rooijen.

Van Rooijen en De Bos organiseren commerciële beklimmingen. ‘13.000 euro, exclusief uitrusting’, volgens Lassche in dit artikel over de helletocht naar de bergtop op zo’n 8000 meter hoogte, op de grens tussen Tibet en Nepal. Hij wil een klimfilm maken, die nu eens niet is gefinancierd door Red Bull of de outdoor-industrie, ‘waarbij de personages vaak als “helden” eindigen’. Samen met cameraman Frank Moll gaat de Nederlandse filmmaker de uitdaging aan. In het besef dat de berg de regie heeft en je zelf altijd, letterlijk, achter de feiten aanloopt.

Óók doordat de man met ervaring, de illustere Wilco van Rooijen, als puntje bij paaltje komt altijd voor zichzelf kiest. Terwijl de onervaren deelnemer Hugo alleen is achtergebleven, gaat hij bijvoorbeeld gewoon een poging ondernemen om de top te halen. ‘Wilco zal en moet als eerste op die top staan’, constateert een andere deelnemer, Bart, verontwaardigd. ‘Dit is geen eigenschap van een expeditieleider.’ Op eenzame hoogte is het echter ieder voor zich – en mag je als deelnemer aan een gevaarlijke expeditie, blijkbaar, niet rekenen op de begeleider die je zelf betaalt.

‘Ja, sorry, we zijn hier niet aan het spelen in de Alpen’, reageert die later laconiek. ‘Dit is gewoon de Himalaya. Je mag er toch van uitgaan dat iemand voor zichzelf kan zorgen? Ook een jongen van 24. En als je dan een keer een pak op je donder krijg, is dat hartstikke goed. Daar leer je van en die fout maak je nooit meer.’ Zijn klimkompaan Cas van de Gevel maakt zich er nóg minder druk om: ‘Het is ook nooit levensbedreigend geweest. Die gozer heb gewoon een kutnacht gehad. Dat is het gewoon. Volgende dag weer verder. Niks aan de hand.’

Het egoïsme ligt er duimendik bovenop, maar dat is wellicht ook noodzakelijk om de top te bereiken, niet alleen van de berg. Het is een constatering, die tevens doorklinkt in Lassches indringende vragen aan de expeditieleiders. Hemelbestormers is dan ook niet zozeer een klimfilm – al zijn de nietsontziende berg en z’n gevaren en ontberingen natuurlijk alom tegenwoordig in deze krachtige documentaire – maar een zoektocht naar wat dit soort gepassioneerde mensen werkelijk drijft en wat zij, en anderen, daarvoor moeten laten.

Voor Lassche, die in films als De Uitverkorenen, Niemand Kent Mij (over wielrenner Thomas Dekker) en De Mooiste Marathon al vaker het wezen van extreme winnaars probeerde te doorgronden, zou het ook wel eens een verkapt zelfportret kunnen zijn.

Hemelbestormers is hier te bekijken.

The Last Dance

Netflix

Het moet The Last Dance (500 min.) worden voor The Chicago Bulls. Het basketbalteam rond de Amerikaanse superster Michael Jordan wil in het seizoen 1997/1998 zijn allerlaatste kunstje flikken: de zesde landstitel in nog geen tien jaar. De clubleiding is eigenlijk van mening dat de ploeg over z’n top is en grondig moet worden vernieuwd, maar daar heeft Jordan hoogstpersoonlijk een stokje gestoken. En ook succescoach Phil Jackson, die Bulls-directeur Jerry Krause eigenlijk wilde laten vervangen, heeft er op verzoek/bevel van zijn protegé nog één allerlaatste jaartje bijgekregen.

Alles en iedereen staat, kortom, in de ‘do or die’-stand voor een nieuw NBA-seizoen. Om de zaak nog eens extra op scherp te zetten hebben The Chicago Bulls bovendien een cameraploeg ongekende toegang gegeven. De queeste naar een nieuw, felbegeerd kampioenschap, terwijl het rommelt in zowel de club als het team zelf, vormt het wild kloppende hart van deze geweldige tiendelige serie, die van daaruit uitwaaiert naar de meeslepende loopbaan van Michael ‘Air’ Jordan, de grootste basketballer aller tijden. Niet alleen het fenomeen zelf komt daarbij aan het woord, maar ook zijn moeder en broer en iedereen die verder een rol van betekenis heeft gespeeld in zijn leven.

Vanzelfsprekend ontbreken ook Jordans secondanten bij The Bulls, zijn nummer twee Scottie Pippen (die ernstig werd onderbetaald en dat als een enorm gebrek aan respect opvatte), en de controversiële verdediger Dennis Rodman (een losbol die elk moment vol-le-dig kon ontsporen) niet in deze epische serie. Filmmaker Jason Hehir spreekt verder met andere spelers, NBA-legendes, coaches, clubofficials, bobo’s en allerlei kenners, waaronder de oud-presidenten Barack Obama en Bill Clinton, en heeft daarnaast de beschikking gekregen over bijzonder enerverend, niet eerder vertoond archiefmateriaal.

Hehir alterneert soepel tussen de dramatische ontwikkelingen in het seizoen ’97/’98 en de geschiedenis en achtergronden van The Chicago Bulls, één van de succesvolste teams uit de basketbalhistorie. Hij brengt het geheel met een dramatische montage en enerverende, urgente soundtrack bovendien geregeld helemaal aan de kook. The Last Dance wordt zo tegelijkertijd een ultiem eerbetoon aan Michael Jordan, een fabuleuze speler en een ongelofelijke streber, en een fascinerend inkijkje in de nietsontziende wereld van de topsport, waar rancune de ultieme motivator lijkt en alles, werkelijk alles, moet wijken voor de overwinning. Véél opwindender zal een sportdocu niet snel worden.

Inside Deep Throat

De gimmick is eigenlijk te lachwekkend om nog enige vorm van seksuele opwinding toe te laten: Linda Lovelace zou een clitoris in haar keel hebben. En er is maar één manier om die te stimuleren. Deep throat, juist. Waarbij zij dan óók een orgasme krijgt. Een smakelijke premisse, die het mannelijke publiek destijds natuurlijk héél goed uitkwam.

De Amerikaanse pornofilm, die op 12 juni 1972 in première ging, zou een enorm kassucces worden. Een B-productie die een habbekrats, slechts 25.000 dollar, had gekost en uiteindelijk jarenlang in de bioscoop zou draaien en meer dan zeshonderd miljoen opbracht. Intussen kwam er een serieuze discussie over de vrijheid van meningsuiting op gang (en werd Deep Throat tevens de schuilnaam van de mysterieuze klokkenluider in het Watergate-schandaal).

De lekker schmutzige documentaire Inside Deep Throat (85 min.), een titel die verwijst naar de infame Deep Inside-seksfilmserie, neemt de kijker mee naar de tijd dat pornografie nog werd gezien als een belangrijk onderdeel van de seksuele revolutie en een soort cultuuroorlog met vertegenwoordigers van Conservatief Amerika, zoals de moraalridder Charles Keating, op gang bracht.

De filmmakers Fenton Bailey en Randy Barbato reconstrueren het maakproces van de film (met sleutelfiguren als regisseur Gerard Damiano en acteur Harry Reems), laten erotische kopstukken als Hugh Hefner, Xaviera Hollander en Larry Flynt aan het woord over de bijbehorende industrie en schetsen met opiniemakers als Gore Vidal, Camille Paglia en Norman Mailer het maatschappelijke klimaat (dat bijvoorbeeld gestalte kreeg via de actie porNO).

Het geheel wordt in deze sappige docu uit 2005 opgediend met jofele archiefbeelden, kekke seventiesmuziek én acteur Dennis Hopper als verteller en krijgt nog een rauw randje als de veelbesproken seksfilm blijkt te zijn gefinancierd met maffiageld en de grote ster Linda Lovelace begint te beweren dat ze in werkelijkheid wordt verkracht als ze haar orale arbeid verricht voor de camera.

Freek

Doxy

Zouden Freek (achternaam, De Jonge, eigenlijk overbodig) en zijn onafscheidelijke vrouw Hella in het echt – ik bedoel: als Dennis Alinks camera níet draait – ook over kunst en kitsch bomen tijdens de afwas en vervolgens een grapje met elkaar maken over het vleesmes dat hij achteloos onder zijn oksel heeft gestoken en waar zij bijna tegenaan is gelopen? Met andere woorden: hoe spontaan – echt, zo je wilt – zijn de fly on the wall-scènes die de filmmaker toont van de cabaretier en zijn echtgenote? Hoe zij zijn haren knipt, hoe de televisie aanblijft tijdens het eten en hoe ze in de voorbereiding op een voorstelling kibbelen over een klein detail in het decor.

Zien we daar de waarachtige Freek of krijgen we die juist te zien in de gestileerde, speciaal voor deze film uitgevoerde scènes en liedjes in stemmig zwart-wit of zijn gearrangeerde ontmoetingen met z’n zus, de partner van Bram Vermeulen (met wie hij ooit Neerlands Hoop vormde) en vakgenoten als André van Duin, Herman Finkers en Jack Klöters. Heeft hij, kortom, een podium nodig om zichzelf te kunnen zijn? ‘Ben jij dan een man die op het toneel, in de voorstelling, wél kan nadenken en praten en dingen aan de orde kan brengen’ wil Klöters weten, ‘maar privé, thuis en met vrienden veel minder?’ ‘Ja’, beaamt Freek. Over Hella: ’Vorige week stonden we nog samen op het toneel. Dan interview ik haar en zeg ik: ik ben zo blij dat we eens even kunnen praten, want thuis lukt dat niet.’

Die paradox zit op alle mogelijke manieren ook in dit grillige portret van de inmiddels bijna 75-jarige podiumtijger verweven, waarbij Alink als interviewer zijn hoofdpersoon zo nu en dan even probeert te ontregelen. Uit zijn spel te halen, als het ware. ‘Hoe lang ken jij Jacques nu?’, vraagt hij bijvoorbeeld halverwege Freek (80 min.) tijdens het regelmatig in de film terugkerende tweegesprek van De Jonge en Klöters. ‘Wij moeten elkaar kennen vanaf ’65, ’66’, antwoordt Freek welwillend. Waarna de interviewer, alsof hij een onthulling van formaat op het spoor is, zijn kans schoon ziet: ‘En hoe heten Jacques’ kinderen?’ De komiek begint te lachen. ‘Dat weet ik niet.’ Klöters kopt de voorzet vervolgens hoogstpersoonlijk binnen: ‘Heb jij een vriendenkring?’ ‘Nee’, geeft Freek grif toe. ‘Zoals jij vrienden definieert, dat heb ik niet.’

Het is geen treurige conclusie. Uiteindelijk telt alleen de bühne, zoveel is duidelijk. Daar voelt die benige streber zich volledig vrij. Maar wanneer bereikt Freek (nee, niet: Vonk) zijn uiterste houdbaarheidsdatum? Of ligt die, zonder dat hij het zelf doorhad, al enige tijd achter hem? Het zijn urgente vragen waarmee hij zichzelf in de herfst van zijn leven en carrière gedurig lastigvalt. Intussen doet Alink een ferme greep in de grabbelton van driekwart eeuw Freek de Jonge. Dat zorgt zo nu en dan voor frictie, waarbij de filmmaker de grenzen opzoekt die zijn subject juist probeert te bewaken. Die confrontaties geven dit intrigerende portret, waarin de hoofdpersoon zijn masker niet (altijd) afdoet maar ook niet wordt afgeschminkt, een gezonde spanning. Freek is daardoor net als zijn hoofdpersoon: ambitieus, ongemakkelijk en (meestal) onverminderd boeiend.

Unknown Brood


Provocerend gesteld: Herman Brood is de ideale rock & roller voor mensen die eigenlijk niet van rock & roll houden. Of beter: voor mensen die de rock & roll-levensstijl verkiezen boven de muziek. Zoals je hem ook de ideale kunstenaar kunt noemen voor mensen die eigenlijk niet van kunst houden. Of: de troeteljunk van mensen die drugsverslaafden het liefst uit hun eigen straat verjagen. Ik draaf door…

Regisseur Dennis Alink probeert in deze krachtige film de Unknown Brood (85 min.) te vinden, de man achter het fenomeen. Volgens eigen zeggen was die mensenschuw, sociaal onhandig en ‘allergisch voor gezelligheid’. Speed hielp hem over de drempel om ‘Herman Brood’ te worden. Zonder drugs zou hij niet oud zijn geworden, denkt zijn jongere zus Beppie zelfs. Achteraf bezien was er in zijn leven en werk altijd al een doodswens aanwezig, die in 2001 culmineerde in die fatale sprong van het Hilton.

Alink voert in zijn documentaire de gebruikelijke Brood-mythevormers op: de onvermijdelijke manager Koos van Dijk, de onvermijdelijke oud-bandleden en de onvermijdelijke biograaf Bart Chabot. Stuk voor stuk lijken ze hun bestaansrecht te ontlenen aan de jaren in het kielzog van de rock & roll junkie. Behalve zulke usual suspects komen ook intimi als Hennie Vrienten, Willem Venema en Anton Corbijn aan het woord. De echte meerwaarde zit echter bij Broods openhartige vrouw Xandra en kinderen, zijn ex-vriendin Dorien (die hem inspireerde tot Doreen) en zijn nuchtere zus. Zij openen de deur naar de Herman die Brood liever verborgen hield.

‘Herman en ik zeiden wel eens tegen elkaar dat we last hadden van een gelukkige jeugd’, beweert Beppie Brood stellig. Hij speelde in het openbaar echter liever de getormenteerde artiest, die een beroerde jeugd had gehad als loensend, gepest jongetje. Het was slechts één van de elementen van het trucje ‘Herman Brood’, dat gretig aftrek vond bij gulzige journalisten en televisiemakers, die zich hier in allerlei archieffragmenten van hun meest schaamteloze kant laten zien. Brood documenteerde daarnaast met een filmcamera zijn eigen leven. In rafelige homevideo’s tekent hij opmerkelijk afstandelijk zijn eigen aftakeling op.

Naarmate de documentaire vordert wordt het verval steeds zichtbaarder. Hij had dat zelf ook maar al te goed door. Herman wilde, in de woorden van die andere speedkikker Jules Deelder, niet eindigen als ‘een halfje Brood’. Tegelijkertijd zag hij er ook wel de (donkere) romantiek van in, getuige de vergelijking die hij in een interview trekt met de aan een overdosis bezweken stand up-comedian Lenny Bruce (van wie hij volgens de overlevering de kreet Shpritsz leende). Waarna Neerlands bekendste rock & roller uiteindelijk die al meermaals in bijzinnen, grapjes en songs aangekondigde stap in het diepe waagde en met het beëindigen van zijn leven nog eenmaal zijn imago bestendigde.

Van buitenaf bezien en met de wetenschap van nu lijkt Broods hele bestaan een soort uiting van het onvermogen om gewoon te leven. En juist dat maakt hem, en deze film die het beeld van een wankelend rock & roll-cliché behoorlijk kantelt, zo aangrijpend. Mens onder de mensen. Zelfs als je Herman Brood bent – of speelt.

Een fenomeen als Herman Brood vormt dankbaar documentairemateriaal. Rock ‘N Roll Junkie is bijvoorbeeld een klassieke docu uit 1994 over Neerlands bekendste rock & roller, gemaakt door vier overtuigde Brood-liefhebbers. Daarin zien we Brood zoals we hem kennen: cool, geil en high.

In Buying The Band, dat begin dit jaar een bescheiden hype werd in popland Nederland, is te zien hoe enkele leden van Herman Broods voormalige begeleidingsband, The Wild Romance, helemaal zijn blijven hangen in de rock & roll-lifestyle van weleer. De uiterst vermakelijke film van Teus van Sintmaartensdijk laat zien hoe ondernemer en would be-drummer Jan ’t Hoen zich inkoopt in de band en met hen onder de noemer Romanza Brava on the road gaat. De ontwikkelingen die hij zo in gang zet, zijn even voorspelbaar als komisch.