Bestemming Sobibor

VPRO

Het is een reis die niemand uit vrije wil maakt. Die wordt uitgesteld tot hij onontkoombaar is geworden. En die onvermijdelijk diepe sporen achterlaat. De reis die vrijwel al je familieleden fataal werd.

75 Jaar nadat zijn grootouders en hun kinderen werden afgevoerd naar een nazivernietigingskamp in het Oosten van Polen, reist Hein Piller de Bruijn hen achterna. Zijn moeder, het enige familielid dat de tragedie overleefde, een baby’tje nog destijds, blijft achter in Nederland. Hij kan haar wel bellen als hij vragen heeft. Want hoe zij precies de dans is ontsprongen, daarover hebben de twee het nooit echt gehad.

Heins tocht voert hem van Amsterdam naar Westerbork en via de Poolse stad waar zijn familie ooit huisde uiteindelijk naar Bestemming Sobibor (57 min.). Hij wordt daarbij vergezeld door zijn filmende vriend Raymond Grimbergen, die hem bestookt met indringende vragen en kritische opmerkingen. Hij kan nauwelijks geloven dat Hein bepaalde dingen helemaal niet weet en ook nooit eens heeft uitgezocht.

Die tweegesprekken vormen het hart van deze roadmovie in zwart-wit, die nooit meer wordt dan een emotioneel geladen bijna-aflevering van het televisieprogramma Verborgen Verleden. Een indringend verhaal, nauwelijks te bevatten voor een buitenstaander, maar ook een verhaal dat al heel vaak, en eerlijk gezegd ook met beduidend meer impact, is verteld.

Tot De Dood Ons Scheidt

KRO-NCRV

In elk leven zit minimaal één verhaal. In elk huwelijk minimaal twee. Zeker als het gezamenlijke verhaal niet meer door beide partijen wordt gedragen.

Tegenover de camera zitten twee oudere echtparen. Mat en Marga. En Gerda en Bennie. Ze gaan uit elkaar. En hun mediators, die achter diezelfde camera verscholen blijven, proberen ervoor te zorgen dat dit in (zo) goed (mogelijk) overleg gebeurt. In een serie gesprekken maken ze samen de restwaarde op. Van het gedeelde bezit en de relatie zelf.

‘Het was niet mijn idee’, zegt Bennie eerlijk. ‘Ik was niet op het idee gekomen.’ Maar Gerda miste iets en wil nu een nieuwe start maken. En dus moet er over van alles en nog wat afspraken worden gemaakt, zoals over hond Daisy. ‘Dat dier kan er niks aan doen’ meent Bennie. ‘Dat hondje heeft er niet om gevraagd.’ Moet de omgangsregeling met de hond dan ook opgenomen worden in het echtscheidingsconvenant? Dat gaat toch te ver, vinden ze. ‘Dan krijgen we zo’n dik boek.’

Bij Mat en Marga is het gezamenlijke huis een belangrijk thema in de gesprekken. Hij verhuist zonder problemen naar een appartementje. Zij wil echter blijven zitten waar ze zit en kan/wil haar bijna ex-man eigenlijk ook niet kwijt. Na een nacht vruchteloos mediteren is toch het besef gekomen dat ze hem moet loslaten. Als Marga opstaat ziet ze het woord ‘loslaten’ als het ware letterlijk voor zich. ‘Echt met van die grote letters die je in designwinkels ziet. Toen dacht ik: dit is een teken. Hier moet ik mee aan de slag, maar dat is gewoon vreselijk moeilijk.’

Uit elkaar gaan betekent ook het loslaten ook van die ene belofte: Tot De Dood Ons Scheidt (49 min.), het geloof in een gezamenlijke toekomst dat in deze gespreksfilm is vervat in enkele fotosequenties van de echtparen in (ogenschijnlijk) betere tijden. Verder heeft regisseur Niels van Koevorden z’n film beperkt tot de absolute essentie: twee mensen naast elkaar, los van elkaar. In een vast two shot, dat laat zien hoe ze altijd waren: samen. Zoals ze nu niet meer zijn. In een constante dialoog, strijd soms, over hoe ze uit datzelfde frame kunnen stappen – of hoe ze dat gedwongen moeten verlaten.

Het zijn gesprekken die onverminderd blijven boeien en raken. Juist omdat elke vorm van opsmuk ontbreekt en alle betrokkenen in lastige omstandigheden blijven zoeken naar contact en harmonie. Het is duidelijk: deze mensen zijn van goede wil, maar ook op verschillende sporen beland. Of ze dat nu wilden of niet. Waarbij in elk geval één van de betrokken partijen nog een nieuw verhaal in z’n eigen leven ziet. En de ander verplicht om er ook een punt achter te zetten.

Drama Girl

Halal

In haar fictieve ouderlijk huis ontmoet de jonge danseres Leyla de Muynck de acteurs, Elsie de Brauw en Pierre Bokma, die zo meteen haar ouders moeten vertolken. De kennismaking is wat onwennig. Ze gaan dadelijk samen sleutelscènes uit haar leven naspelen. En geen van drieën weten ze wat dat gaat brengen.

De hele exercitie begon als een idee van regisseur Vincent Boy Kars, een Nederlandse filmmaker met een geheel eigen signatuur. Hij voerde urenlange gesprekken met Leyla (en zag in haar verhaal parallellen met zijn eigen leven), verwerkte die informatie in een script en vroeg haar vervolgens om de hoofdrol te spelen in de verfilming daarvan.

En Drama Girl (95 min.) is dan weer de documentaire die verslag doet van dat proces. Dat klinkt een stuk ingewikkelder dan het is. Kars laat De Muynck acteren in scènes die hij uit haar leven heeft geplukt en bekijkt wat er vervolgens gebeurt: lukt het haar om de toenmalige ervaring op te roepen? Wat brengt die haar? En in hoeverre heeft dat dan weer effect op de acteurs met wie ze werkt?

In zekere zin is de film, die zich op het snijvlak van fictie en non-fictie begeeft en de grenzen van beide genres aftast, een logisch vervolg op de vorige productie van Vincent Boy Kars. In Independent Boy nam hij voor een maand het leven van een goede vriend over en registreerde wat er toen gebeurde.

Ook nu stuurt de jonge regisseur als een soort filmend opperwezen de gebeurtenissen in het (nagespeelde) leven van zijn hoofdpersoon. Voor en na de opnames gaan Kars en De Muynck daar dan weer over in gesprek met elkaar en komen wezenlijke vragen uit de leef- en denkwereld van hedendaagse adolescenten, millennials, aan de orde.

Het gestileerde Drama Girl, aangekleed met fraaie danssequenties en synthesizermuziek, krijgt daardoor soms bijna de vorm van een therapiesessie, waarbij herbeleving voor een nieuw begrip van een gebeurtenis kan zorgen, maar ook navelstaarderij en psychologie van de koude grond op de loer liggen.

Een zeer eigenzinnige film dus, waarvan je gaat houden. Of niet.

Rusteloze Zielen: Scènes Uit De TBS

VPRO

Een hand speelt met een streng haar. Één enkel oog in een extreme close-up. Het oog zingt. ‘Couldn’t look you in the eye.’ Creep, Radioheads eerste hit. Ook de lippen vallen in. ‘I wish I was special. So fuckin’ special’. Een jonge vrouw, één met de woorden van zanger Thom Yorke. ‘But I’m a creep. I’m a weirdo. What the hell am I doing here?’ Ze wordt afgebroken voordat ze ‘I don’t belong here’ kan zingen.

Zij is ter beschikking gesteld. Veel meer dan die mond, de hand en dat oog krijgen we niet te zien van haar. ‘Ik ben geen lelijk persoon. Ik zie er wel goed uit’, zegt ze, buiten beeld. ‘Maar soms als ik in de spiegel kijk, zie ik weer helemaal dat verminkte gezicht. En omdat ik ooit eens een keer slachtoffer was, voordat dit allemaal begon in de TBS, ben ik dader geworden.’

De korte documentaire Rusteloze Zielen: Scènes Uit De TBS (25 min.) van Ingrid Kamerling richt zich niet op het dagelijks bestaan van TBS-patiënten, hun leefomstandigheden of het nut van de opgelegde maatregel. Dit is een zinnenprikkelende film over hoe enkele patiënten van de Utrechtse Van der Hoeven Kliniek in het reine willen komen met het verleden en hun leven ten goede proberen te keren. 

Óók, of júist, als ze een verpletterende boodschap hebben gekregen. ‘Je moet je richten op een leven binnen’ kreeg een andere jonge vrouw te horen. ‘Je komt nooit meer buiten.’ Het waren niet eens de stemmen in haar hoofd die spraken. Die haar eerder tot brandstichting hadden aangezet. En die haar nu vertellen dat de theaterdocent haar eigenlijk niet op het podium wil en steeds minder tekst zal geven.

Terwijl ze eigenlijk snakt naar dat spel. ‘Als je lang in TBS zit, word je niet meer aangeraakt. En als we samen spelen, raken we elkaar ook heel veel aan. En dat is gewoon heel fijn.’ En, ook niet onbelangrijk: de stemmen vallen stil. Even. Het geeft haar, en de andere deelnemers aan een theaterproject, wellicht de kans om binnenbrandjes te blussen en een nieuw beter ik te exploreren.

‘In de bajes zit je om wat je gedaan hebt…’, vertelt een doek in Delfts blauw. ‘In de TBS om wat je te doen hebt…’ Het is een opdracht waarmee ieder voor zich worstelt. Kamerling slaat dat proces van heel dichtbij gade en dringt zo door tot het zielenleven van haar personages, terwijl ze hen toch niet nodeloos onder het vergrootglas legt. Een nerveus tappende voet, voortdurend wrijvende vingers en een licht trillende haardos. Impressies uit levens in de pauzestand, die toch niet stil kunnen blijven staan.

Rusteloze Zielen: Scènes Uit De TBS is hier te bekijken.

De Zee Die Denkt

Ik snap er niets van. En Gert de Graaff is de eerste om toe te geven dat De Zee Die Denkt (99 min.) inderdaad géén documentaire is. Niet echt, tenminste. Toch won zijn film in 2000 de Joris Ivens Award op het documentairefestival IDFA. Dat is op zichzelf een mindfuck, die perfect past bij de film. Want nee, in deze ‘documentaire’ wordt geen gruwelijke misstand in de één andere uithoek van de wereld aan de kaak gesteld, is er geen protagonist die allerlei ontberingen doorstaat om zichzelf vervolgens helemaal opnieuw uit te vinden (alhoewel?) en probeert ook niemand met nieuw bewijsmateriaal een veroordeelde vrij te pleiten. Om maar eens wat clichés op te hoesten over/van het genre, waaraan ik een groot deel van mijn leven spendeer.

Dit is een filosofische queeste naar wat het ik is, doet en kan. Denk ik. Ik dus. En of dat ik wel bestaat. Mijn ik. En hoe dan? Via onze weerspiegeling op het scherm? En wanneer? Ik? Het heeft allemaal te maken met perspectief. En daarmee speelt De Graaff, die al jaren in heel het land lessen beeldtaal geeft en op die manier voortleeft in talloze televisieprogramma’s, films en documentaires van anderen, alsof zijn leven ervan afhangt. En misschien is dat ook wel zo. Rick de Leeuw, zanger en toenmalig frontman van een band waarop ikzelf toevallig totaal verliefd was, Tröckener Kecks, zorgt voor dat perspectief. Althans, zo lijkt ‘t. De Leeuws ‘rol’ was volgens De Graaff oorspronkelijk overigens bedoeld voor Sean Connery.

Scenarioschrijver Bart, een rol van Bart Klever, heeft echter ook een hoofdrol voor zichzelf bedacht. Dat gaat ongeveer zo: ‘Ik introduceer mijzelf als hoofdpersoon en speel mijzelf’, typt Bart op het beeldscherm. ‘Bart dus. Wat hij doet dat typ ik en wat hij typt dat doe ik.’ Terwijl Bart aan het typen is, horen we een fluitketel langzaam op stoom komen. Bart typt: ’18. INT – KAMER BART – DAG. We horen de ketel in de k…’ Intussen zwerft de camera van de kamer naar de keuken, waar diezelfde Bart thee gaat inschenken. Hij fluit er een beetje bij. Tegelijkertijd zijn er nog altijd typegeluiden te horen. In beeld is nu een deel van het beeldscherm te zien, waarop de keukenscène is uitgetikt. Bart typt door: ‘Hij fluit een deuntje.’

Ik kan me voorstellen dat je, jij dus, of ook gewoon ik, nu het spoor bijster bent. Dat kan aan mij liggen. Of aan Rick. Bart. Of Gert. Niet aan Sean. Aan een ik, dat wel. Mensen lopen ermee weg of lopen erbij weg, stelt De Graaff zelf over deze film, waaraan hij dertien jaar werkte en naar verluidt anderhalf miljoen gulden besteedde. Aan een kamer waarin niets helemaal is zoals het lijkt, opstellingen die op de meest ingenieuze manieren spelen met het waarnemingsvermogen en 40.000 liter water, om maar eens wat te noemen. De optelsom is een zoektocht naar geluk (toch?), die is vergeven van de zinsbegoochelingen, valkuilen en kleine openbaringen. Een spiegelpaleis, waarin je gegarandeerd de weg kwijtraakt – en terugvindt. Op een gegeven moment dacht ik zelfs: waar kijk ik naar? Naar mezelf misschien?

Alles is illusie! constateert de scenarioschrijver op een gegeven moment wanhopig. Ik moest intussen denken aan Churchill: ‘It is a riddle wrapped in a mystery inside an enigma.’ Of beter: aan hoe David Ferrie, een personage uit de film JFK, gebaseerd op een man die betrokken zou zijn geweest bij de moord op Kennedy, een complot dus, waarvan ook ik niet weet of het er ooit is geweest, die quote verbasterde tot: ‘It’s a mystery wrapped in a riddle inside an enigma!’ Ik had het zelf echt niet beter kunnen zeggen.

Joop! Eindelijk Weer Kampioen

Max

Het is een onvergetelijk tafereel uit een lang vergeten Tour de France. Joop Zoetemelk, ooit een potentiële winnaar van de wielerronde, heeft nadat hij een tijd geblesseerd is geweest moeite om weer aan te haken. Tijdens de Ronde van Frankrijk van 1975 wordt hij in een bergetappe gelost. Moederziel alleen probeert hij zich terug te knokken, in gevecht met zichzelf. Dan komt de ploegleiderswagen naast hem rijden. Joop heeft blijkbaar behoefte aan wat verkoeling. Die komt er: de man achter het stuur heeft zijn wangen gevuld met water en spuugt het vol in zijn gezicht. En Joop koerst onverstoorbaar verder.

Het verhaal van Joop Zoetemelk is bekend: hij stond bekend als de eeuwige tweede. Zo zag hij er ook uit, een noeste werker die steevast met de troostprijs werd opgezadeld. Achter veelvraten zoals Eddy Merckx en Bernard Hinault. En zelfs achter Bernard Thévenet, een Franse coureur die er halverwege de jaren zeventig tweemaal met de overwinning vandoor ging. Joop was en bleef altijd de eerste verliezer. Jarenlang aan de wereldtop en toch gedoemd om te worden vergeten. Tót de Tour de France van 1980. Toen brak Zoetemelk, ondersteund door de legendarische Nederlandse Raleigh-ploeg, de ban. Als toetje volgde vijf jaar later nog het wereldkampioenschap, op 38-jarige leeftijd.

Al die hoogtepunten ontbreken natuurlijk niet in Joop! Eindelijk Weer Kampioen (60 min.). Het hart van deze vermakelijke tv-film wordt echter gevormd door Zoetemelks privéleven. Achter al die successen, zo openbaart hij met zichtbare tegenzin aan maakster Ariane Greep, zat een ongelukkige man. Gevangen in een huwelijk dat gaandeweg een dood vogeltje van hem maakte. Hij praat er liever niet over. Joop is sowieso een man van weinig woorden. Zijn tweede vrouw Dany en drie bevriende wielerjournalisten, die dit jaar het veertigjarige jubileum van Zoetemelks tourwinst vieren met het fotoboek Ongezien, vullen het verhaal verder in.

Dat zijn voormalige echtgenote Francoise niet meer in de gelegenheid is om te reageren, is daarbij wel een beetje ongemakkelijk. Zoetemelks zoon Karl maakt er ook geen woorden aan vuil als hij met zijn vader een fietstochtje onderneemt of met hem en de rest van de familie gaat langlaufen. De gewezen wielerheld maakt daarbij een ontspannen indruk, als een vriendelijke opa die volstrekt tevreden is met wat hij heeft opgebouwd. En in het huis dat hij met zijn huidige vrouw bewoont, is tegenwoordig een heuse Zoetemelk-zaal ingericht, een plek waar Joop en Dany voor de camera de imposante wielercarrière doornemen die zij alleen van horen zeggen kent.

De Kleine Man, Tijd En De Troubadour

EO

‘De kleine man voorzag dat er ruzie zou komen’, stelt Sipa Labakhua in de autobiografische voorstelling De Kleine Man, Tijd En De Troubadour (55 min.) van het poppentheater waarmee hij door zijn geboorteland Abchazië trekt. ‘Hij waarschuwde de zijnen, tevergeefs.’ Na de val van de Sovjet-Unie aan het begin van de jaren negentig ontstond er oorlog in de voormalige deelrepubliek waar Labakhua opgroeide en zijn vader, de kleine man, toentertijd een politieke functie bekleedde.

In deze bespiegelende roadmovie volgt Ineke Smits de zelfverklaarde troubadour door het land aan de Zwarte Zee, dat is getekend door de strijd met Georgië. Ze doorsnijdt zijn ontmoetingen met gewone burgers – van een jonge kunstenares die niets begrijpt van patriottisme tot twee zangeressen van traditionele Abchazische liederen – met passages uit zijn surrealistische voorstelling. ‘Dit is een parabel over de tijd die slaapt’, zegt Labakhua daarover in gesprek met zijn publiek. ‘Hij slaapt nog steeds, maar vermoordde mijn vader, hij verzwolg hem. Mijn manier om met slapende tijd om te gaan, is door ermee te spelen.’

Spelenderwijs werpt de poppenspeler, in eendrachtige samenwerking met Smits, elementaire vragen op over hoe we als mensen worden bepaald door onze oorsprong. Is dit land, met z’n Sovjet-flats, idyllische natuur en oorlogsruïnes, nog hun thuis? vraagt Labakhua zich af, terwijl hij door het land rijdt, een agressieve hond afschudt en steeds dichter bij zijn vader, de kleine man, komt. En waardoor wordt een thuisland überhaupt gekenmerkt? Na een lange tocht concludeert de troubadour voor zichzelf. ‘Mijn land is mijn kunst en mijn thuis is mijn talent. Daar zijn geen grenzen.’

Het Geheim Van De Hema

VPRO

Was acht jaar geleden al zichtbaar dat de toekomst van de HEMA nu aan een zijden draadje zou hangen? Met de recente onheilsberichten over de Nederlandse winkelketen in het achterhoofd wordt Het Geheim Van De HEMA (72 min.), een fijne documentaire van Yan Ting Yuen uit 2012, in elk geval een geheel andere kijkervaring.

Dan krijgen de pogingen van HEMA om in het buitenland voet aan de grond te krijgen, het bijbehorende zelfvertrouwen van CEO Ronald van Zetten en zijn directe medewerkers en hun pogingen om ‘Echt HEMA’ te blijven en tóch te vernieuwen ineens een geheel andere lading.

Ze zijn onderdeel van een uniek en onverwoestbaar concept, zo is de vaste overtuiging. En tegelijkertijd is er het besef dat HEMA niet anders kan dan in het voetspoor treden van retailers als Ikea, H&M en Zara, die hun eigen thuismarkt zijn ontgroeid. Anders prijs je jezelf uit de markt. Maar zitten ze in Parijs te wachten op Nederlandse mode? En hoe krijg je ze daar aan die befaamde HEMA-worst?

Documentairemaker Yan Ting Yuen, die zelf ook de verbindende voice-over verzorgt, beschikt voor deze boeiende bedrijfsfilm over opvallend veel toegang tot Van Zetten en zijn entourage en krijgt zo de gelegenheid om echt de temperatuur op te nemen binnen het warenhuis. Ze is alleen niet welkom als hij gaat overleggen met de eigenaar van het merk, het Britse private equity-fonds Lion Capital.

Duidelijk is dat HEMA een bedrijf in (permanente) transitie is, dat mee wil in de steeds sneller draaiende markt en daarbij moet oppassen, in de woorden van de kritische directeur marketing René Repko, voor middelmatigheid. We schaatsen best lekker, waarschuwt hij, maar wel op dun ijs.

Met de wetenschap van nu zou je een onderneming met een identiteitscrisis kunnen zien, die de weg aan het kwijtraken is en zich nauwelijks staande kan houden in een zeer competitieve wereld. Zodat nu, enkele jaren later, de vraag op tafel ligt of die typisch Nederlandse HEMA zijn eerste eeuw nog wel gaat volmaken in 2026.

Het Geheim Van De Hema is hier te bekijken.

Pete En De Bananen

VPRO

Geel van buiten, wit van binnen. Een banaan dus. Zo noemt Pete Wu zichzelf en andere Chinees-Nederlandse jongeren. Ze zitten gevangen tussen de Chinese cultuur van hun ouders en de Nederlandse samenleving, waarbinnen ze zijn opgegroeid. Met verwachtingen en aspiraties als ieder ander, maar in de ogen van hun ouders voorbestemd om een andere banaan te huwen – en een ‘Chinees’ of snackbar over te nemen.

In Pete En De Bananen (58 min.), gemaakt met Willem Timmers, gaat Wu in gesprek met andere Chinees-Nederlandse jongeren over hun liefdesleven en de verwachtingen die zij daarbij ervaren vanuit de gesloten Chinese gemeenschap en de eisen die aan hen worden opgelegd door Nederlanders, voor wie wit en westers nog altijd de norm is (en probeer die maar eens niet te verinnerlijken).

Pete’s zoektocht brengt hem in contact met een jonge vrouw die haar niet-Chinese verloofde jarenlang verborgen hield voor haar vader en moeder, een succesvol Aziatisch model en een voormalige sekstelefoniste die zich specialiseerde in klanten met zogenaamde ‘yellow fever’ (en die eerder is geportretteerd in de documentaire Hallo Met Kyoko). Hij gaat verder voor het eerst op date met een andere Banaan en laat zich doorlichten door een (eveneens Aziatische) therapeute, ontmoetingen die soms nét iets te geconstrueerd aandoen.

Wu en Timmers omlijsten al die gesprekken met gestileerde geel gekleurde sequenties en stijlvolle synthmuziek. Waarbij Pete’s zeer persoonlijke voice-overs een verdiepende laag aanbrengen en echt inzicht geven in zijn zielenleven, dat onlosmakelijk verbonden is met zijn afkomst en de plek waar hij opgroeide. Een manier van zijn, waarbij geel en wit inmiddels volledig door elkaar lopen.

Virunga

Netflix

‘Het is belangrijk om op het beste te hopen’, zegt commandant Emmanuel de Merode tegen zijn manschappen. ‘Maar je op het ergste voor te bereiden.’ De Merode is geen opperbevelhebber van een leger dat is verwikkeld in een bloedige strijd, maar directeur van het Nationaal Park Virunga in Congo. Het uitgestrekte natuurpark, dat op de werelderfgoedlijst staat, bevindt zich voortdurend op de drempel van oorlog sinds er olie is gevonden.

De Westerse oliemaatschappij SOCO ruikt in elk geval geld en laat zich daarbij weinig gelegen liggen aan het feit dat er in het park berggorilla’s, een bijna uitgestorven diersoort, worden opgevangen. De situatie in Virunga (100 min.), in 2014 genomineerd voor een Oscar, is sowieso gespannen omdat het Congolese regeringsleger en de rebellen van M23 elkaar daar al een tijdje naar het leven staan. Intussen proberen alle partijen natuurlijk ook een centje over te houden aan de schimmige situatie.

Een medewerker van de olie-exploitant, betrapt met een verborgen camera door de jonge Franse onderzoeksjournaliste Mélanie Gouby, formuleert het eenvoudig: ‘Hoeveel is natuurbescherming waard? Hoeveel is olie waard?’ Diens gesprekspartner, de Britse huurling John, windt er al helemaal geen doekjes om: ‘Het is maar een aap waar het om gaat. Wie geeft er nu ook maar ene moer om zo’n kloteaap?’ Dat cynisme, gevoegd bij de explosieve plaatselijke situatie, kan alleen maar tot ellende leiden.

Terwijl de spanningen verder oplopen in deze meeslepende documentaire van Orlando von Einsiedel, moeten directeur De Merode en zijn gedreven Park Rangers het hoofd koel en hun gorilla’s in leven zien te houden. ‘Je moet voor jezelf rechtvaardigen waarom je hier op aarde bent’, stelt verzorger Andre Bauma daarover, terwijl hij zijn wapen schoonmaakt. ‘Gorilla’s rechtvaardigen mijn bestaan. Ik ben bereid om voor hen te sterven.’

Op zijn eigen manier vertegenwoordigt de man hoop in dit getroebleerde deel van Afrika, waar idealisme steeds machtswellust, bloeddorst en hebzucht op zijn pad lijkt te vinden.

Ik Alleen In de Klas

EO

‘Dit is een film die ik niet wilde maken’, opent regisseur Karin Junger haar documentaire Ik Alleen In De Klas (67 min.) uit 2017. ‘Toen ik opgroeide was kleur een onderwerp waar ik nooit bij stilstond. Ik was wit in een witte wereld. Dus had ik nooit last van mijn kleur.’ Terwijl ze dit zegt, zien we een jongere versie van Junger in beeld met haar zwarte echtgenoot en kinderen.

Inmiddels zijn haar zonen en dochter volwassen en neemt de filmmaakster hen en hun vrienden, stuk voor stuk donker in een witte wereld, mee naar een landgoed in Frankrijk om te praten over hoe zij in hun leven te maken hebben gekregen met racisme. Gezamenlijk diepen ze pijnlijke herinneringen op, die vervolgens met de groep (met behulp van witte gezichtsmaskers, schmink en blonde pruiken) worden nagespeeld.

Die herbelevingsscènes, hoewel soms wat vet aangezet, verbeelden treffend de gevoelens van onbegrip en uitsluiting die sommige van de twaalf jongeren hebben ervaren. Tijdens en na het spelen komen er soms nog altijd heftige emoties los. ‘Waarom ben ik niet hetzelfde als de rest?’, vat de jonge vrouw Soulayma, die net als veel allochtone klasgenoten ernstig werd onderschat op de basisschool, haar gevoel als opgroeiend kind samen. ‘Waarom zijn we niet allemaal hetzelfde?’

Tegelijkertijd ontstaan er felle onderlinge discussies tussen de deelnemers. Want waar de één zich stelselmatig gestigmatiseerd voelt, wil een ander zich juist niet laten leiden door z’n huidskleur. Tezamen representeren ze een nieuwe generatie die is opgegroeid in een veelkleurig Nederland, dat zich langzaam maar zeker probeert te ontdoen (of juist niet) van de dominantie van wit. Dat gaat onvermijdelijk gepaard met (Pyrrus)overwinningen, (eervolle) nederlagen en (bloedeloze) gelijke spelen.

Ik Alleen In De Klas is hier te bekijken.

Leve Het Bruine Monster

AVROTROS

Voordat het een speelbal zou worden van het grote geld en -publiek, werd voetbal in zwart-wit beoefend. Begeleid door levenslustige marsmuziek, een commentaarstem in deftig Nederlands én beleefd juichende toeschouwers. Elk doelpunt werd in die tijd (1890-1956) begroet met een kamerbrede glimlach, enthousiaste hupjes op de plaats en twee recht in de lucht gestoken armen.

Zoals bijvoorbeeld tijdens die ene, klassieke interland uit 1935, waarin het Nederlandse elftal van de illustere Karel Lotsy in het Amsterdamse Olympisch Stadion aantrad tegen de nationale ploeg van Duitsland, die tijdens het spelen van de volksliederen nog collectief de Hitlergroet had gemaakt. Voetbal zou die dag oorlog worden, lang voordat Rinus ‘De Generaal’ Michels de sport aan de frontlinie had gepositioneerd.

De beladen wedstrijd waarin mannen van stavast als Puck van Heel, Beb Bakhuys en Kick Smit de strijd aanbonden met Die Mannschaft vormt het hart van de historische documentaire Leve Het Bruine Monster (50 min.) uit 1998 en inspireerde een veertienjarige Abe Lenstra, één van de helden van de film van regisseur Sherman de Jesus, destijds om zelf ook kicksen onder te binden en de lederen kogel gedurig tegen de touwen te gaan schieten.

‘Ús Abe’ zou één van de helden worden van de tijd dat de edele balsport nog puur en alleen voor de (lands)eer en het plezier werd gespeeld. Een andere hoofdpersoon van de film, waarin Huub Stapel en Gijs Scholten van Aschat de antieke voetbalbeelden verlevendigen met teksten van onder anderen Willem Wilmink, Nico Scheepmaker en Jules Deelder, werd de verpersoonlijking van de volgende fase van datzelfde voetbal.

Toen de sierlijke dribbelaar Faas Wilkes besloot om prof te worden in het buitenland, werd hij direct verbannen uit het Nederlands elftal. De ontwikkeling die was ingezet kon evenwel niet meer worden gestopt: voetbal werd ook in dit calvinistische landje een beroep, zou zich voortaan volledig in kleur gaan afspelen en ontwikkelde bovendien zijn geheel eigen, soms wel erg opzichtige rituelen om een doelpunt of overwinning te vieren.

Van tevoren, nog nét in zwart-wit, kwam er echter een revanche tegen ‘die Duitsers’, de vanzelfsprekende climax van deze vermakelijke terugkeer naar de kinderjaren van het Nederlandse voetbal, waarin de ‘oorlog’ nog een keer opnieuw mocht worden uitgevochten.

Lance

ESPN

Kampioen. Winnaar. Leider. Macho. Controlfreak. Wielrenner. Tijdrijder. Dopingzondaar. Valsspeler. Poseur. Leugenaar. Bullebak. Agressor. Psychopaat. Ofwel: Lance (203 min.). En, o ja: kankeroverlever. Beroemdheid. Miljonair. Filantroop.

Wat valt er na talloze interviews, reportages en de documentaires The Armstrong Lie en Stop At Nothing: The Lance Armstrong Story nog te vertellen over de man die zevenmaal de Tour de France won en daarna met donderend geraas van zijn voetstuk donderde, toen de al jarenlang circulerende geruchten over excessief dopinggebruik gewoon helemaal waar bleken te zijn? In hoeverre biedt dit tweeluik Armstrong (opnieuw) een kans om zijn straatje schoon te vegen?

Filmmaakster Marina Zenovich kijkt met zijn moeder Linda, die hem al op zeventienjarige leeftijd op de wereld zette, en stiefvader Terry Armstrong in elk geval serieus naar zijn jeugd. ‘Zonder mij zou Lance nooit de kampioen zijn geweest die hij nu is’, zegt die laatste schuldbewust. ‘Want ik jaagde hem op als een dier.’ Achteraf bezien had stiefpapa hem behalve de zweep ook wat vaker liefde moeten geven, constateert hij. En Lance’s biologische vader was sowieso nooit in beeld. Met de nodige wijsheid van nu is het eenvoudig om te constateren: ideale basis om een Lance Armstrong te worden.

Het navolgende verhaal van de opkomst en ondergang van de bijbehorende wielerkampioen wordt met behulp van het gebruikelijke peloton van ploeggenoten (George Hincapie, Tyler Hamilton en Bobby Julich), begeleiders (zijn ploegleider Johan Bruyneel, managers, advocaten en soigneur), medewerkers van Armstrongs stichting Livestrong, allerhande deskundigen (oud-renners, medewerkers van het anti-dopingagentschap, UCI-officials en journalisten, onder wie Armstrongs nemesis David Walsh) én de renner die Armstrongs dopinggebruik aan de grote klok zou hangen (Floyd Landis) nog eens van binnenuit opgetekend. 

Met Lance zelf opnieuw als de ideale held/schurk (die zich steeds moeiteloos langs Zenovich’s vragen wurmt, lacht of verontschuldigt), een fijne collectie archiefmateriaal en nét iets te geacteerde fly on the wall-scènes in huiselijke kring. Waarbij doping natuurlijk een steeds terugkerend thema is: als middel waarmee hij zijn ongebreidelde ambitie kon waarmaken, een way of life’ bijna. Als mogelijke oorzaak voor de teelbalkanker die hij zou krijgen. En als permanente schaduw over zijn imposante prijzenkast. 

Het blijft een grootse en fascinerende vertelling over een authentieke ‘man you love to hate’. Rest wel de vraag wat het over hem zegt dat hij opnieuw meewerkt aan een documentaire over zijn getroebleerde leven en carrière – een ander zou wellicht voor de rest van zijn leven onder een steen zijn gekropen – en welk belang hij daarbij heeft. Het lijkt er in elk geval sterk op dat hij nog steeds niets anders kan of wil zijn dan ‘Lance Armstrong’, ook al is dat dan een gebutste en íets nederige versie van de vroegere mannetjesputter.

Zonder die ene bijzonder hardnekkige eigenschap om alles naar zijn hand te zetten, in combinatie met de strenge dopingregels en bijbehorende maatschappelijke verontwaardiging, zou hij nu nog altijd vereerd worden als een icoon van zijn sport. Net als die andere ongelofelijke streber, de basketballer Michael Jordan, die dit jaar mocht excelleren in de geweldige docuserie The Last Dance. Lance’s reputatie is en blijft echter bezoedeld. Het kon véél erger, vindt Armstrong zelf in deze toch wel weer intrigerende karakterstudie. ‘Ik had ook Floyd Landis kunnen zijn’, zegt hij, ouderwets fel en vilein. ‘Elke ochtend wakker worden als een enorme zak stront.’

Door De Ogen Van Arna: Architect Van Verbinding

BNNVARA

Vanuit de architectuur wil Arna Mackic de sociale cohesie bevorderen. In dat opzicht kan haar huidige thuisbasis Amsterdam, volgens haar een gesegregeerde gemeenschap, nog wel wat leren van de stad waar ze werd geboren: Mostar in Bosnië-Herzegovina. Mackic was vier toen er in 1992 oorlog uitbrak in het voormalig Joegoslavië. Een jaar later moest ze vluchten. Ze zou uiteindelijk in Zoetermeer terecht komen.

Intussen werd in haar geboorteland het idee van een inclusieve stad aan flarden geschoten: de oude brug, van waar stadsbewoners vroeger de Neretva-rivier indoken. Het was niets minder dan ‘een aanval op de multi-etniciteit van de stad’, aldus Mackic. De ziel moest kapot. In het huidige Mostar heeft ze nu plannen voor een duikmonument, waarmee het oude ritueel nieuw leven kan worden ingeblazen. ‘De meest logische manier om mensen weer met elkaar in contact te brengen.’

Nu is er juist op die plek echter een Kroatisch nationaal theater verrezen, een symbool van alles wat ze wil bestrijden. En dus zal Arna vooral in Nederland bruggen moeten bouwen. Letterlijk. In Groningen bijvoorbeeld, waar ze meedingt naar een prestigieuze opdracht. Deze documentaire van Frederick Mansell en Laurens Samsom kijkt mee Door De Ogen Van Arna: Architect Van Verbinding (55 min.) en laat zien wat zij (voor haar geestesoog) ziet.

Dan worden de tralies van de allang gesloten Bijlmerbajes in Amsterdam, waar de ambitieuze architecte kantoor houdt, bijvoorbeeld ineens veel meer dan een geprononceerd stukje stadsgeschiedenis. Zeker als je bedenkt dat de voormalige gevangeniscellen duidelijk zichtbaar zijn voor de bewoners van een nabijgelegen asielzoekerscentrum. Welke boodschap geef je nieuwkomers in Nederland op deze manier mee?

Mansell en Samsom volgen Mackic terwijl ze stedenbouwkundige plannen ontwikkelt, steden in Nederland en Bosnië bezoekt en op allerlei plekken lezingen geeft. Dat levert zeker interessante observaties op, maar maakt de film ook wel wat praterig. Waarbij het aansprekende persoonlijke verhaal van hun protagoniste bovendien tamelijk rationeel wordt afgehandeld. Haar persoonlijk leven blijft sowieso grotendeels buiten beeld. Door De Ogen Van Arna wordt daardoor een portret, dat vooral aan het hoofd appelleert en slechts een enkele keer het hart beroert.

Vader In De Tuin

KRO-NCRV

Opa Koos woont driehoog, in een mooie ruime flat met een fijn ‘groen’ uitzicht. Binnenkort gaat hij echter even verderop wonen. Niet in een aanleunwoning of bejaardentehuis. Maar in de tuin. Bij zijn zoon Marco en diens gezin.

‘Is hij er slecht aan toe?’ wil interviewer Frans Bromet weten. ‘Nog niet’, antwoordt Marco lachend. Schoondochter Anita vult aan: ‘Hij is achtentachtig en hij is eigenlijk hartstikke goed.’ Bromet: ‘Gaat dat jullie niet heel veel tijd kosten?’ ‘Zwaaien?’ antwoordt Anita gevat. ‘Nee, dat valt wel mee, denken wij.’

Voorlopig lijkt zwaaien genoeg, maar de familie Korevaar realiseert zich terdege dat ze in werkelijkheid kiest voor een mantelzorg-constructie. In een ontspannen sfeer gaan ze een woning voor Vader In De Tuin (53 min.) aanschaffen. Die stelt zich ogenschijnlijk uiterst schappelijk op. Koos beseft tegelijkertijd: ‘Ik ben afhankelijk van iedereen.’

‘Dit is de laatste reis die ik maak’, zegt hij tijdens de daadwerkelijke verhuizing. ‘En de volgende reis, daar hoef ik me niet mee te bemoeien.’ Terwijl de nieuwe woning zijn beslag krijgt en opa Koos zich daar probeert te settelen, stelt Bromet hem zijn inmiddels welbekende impertinente vragen over verleden, heden én toekomst.

Intussen volgt hij gedurende enkele jaren hoe de man aardt in zijn steeds kleiner wordende wereld en langzaam maar zeker afscheid moet nemen van het leven dat hij ooit had. ‘Afvoeren’, noemt hij dat zelf. Hij zit gewoon te wachten. ‘Waarop zit u dan te wachten?’ vraagt Bromet naar de bekende weg. ‘Op die man met die zeis.’

Toch wordt deze tv-film geen moment topzwaar en verdient die ook weer moeiteloos het Bromet-vignet: dicht op de mens, ongepolijst en nooit sentimenteel. En Frans, zelf inmiddels ook 75 jaar oud, heeft blijkbaar nog altijd een onstilbare honger naar nieuwe verhalen en blijft dus gewoon stug doorgaan met veelfilmen. Híj gaat zelf in elk geval níet zitten wachten op die man en z’n zeis.

High On Crack Street: Lost Lives In Lowell

Afgetrokken gezichten, verwilderde ogen en rotte tanden. In één oogopslag verraden de hoofdpersonen van de documentaire High On Crack Street: Lost Lives In Lowell (59 min.) hun voornaamste bezigheid: het scoren en gebruiken van crack, de goedkope straatvariant van cocaïne. Aan het einde van de twintigste eeuw behoorden dit soort menselijke ruïnes tot het vaste straatbeeld in grote Amerikaanse steden en tegenwoordig lijken ze, als gevolg van de zogenaamde Opioid Crisis, daarin weer terug te keren.

Deze observerende documentaire uit 1995 is gesitueerd in Lowell, Massachusetts, waar de crackepidemie wild om zich heen grijpt. ‘Ik ben een druggie, maar ik ben tegelijkertijd ook geen druggie’, zegt een blonde vrouw treffend, terwijl haar huisgenoten high worden. ‘Ik wil beter worden, maar ik wil ook niet beter worden. Ik heb hulp nodig, maar sla die hulp ook af.’ Ze pauzeert even: ‘Ik wil het zelf doen. Dat kan ik ook.’ Enkele ogenblikken later heeft ze zich alweer overgegeven aan het roken van crack. Alsof alles wat ze zojuist heeft gezegd voorgoed is vervlogen.

Die eeuwige cyclus van goede voornemens, opzichtige terugvallen en pogingen om weer boven Jan te komen vormen het hart van deze ruwe en ruige film, waarin de filmmakers Jon AlpertMaryAnn De Leo en Richard Farrell zich concentreren op drie hoofdpersonen: Brenda (die zwanger is geraakt op straat, maar van wie?), haar (ex-)vriend Boo Boo (een licht ontvlambare rouwdouwer met, ergens, ook wel een goede inborst) en voormalig profbokser Dicky Ecklund (die ooit nog met Sugar Ray Leonard in de ring heeft gestaan, maar nu vooral tegen zichzelf vecht).

Ze zijn nog slechts schimmen van de mensen die ze ooit geweest moeten zijn. Tegenwoordig houden de drie zich, tussen het spuiten en basen door, vooral onledig met vechtpartijen, winkeldiefstal en straatprostitutie. Elke vorm van schaamte, ook voor de camera, is daarbij verdwenen. In de achttien maanden dat deze documentaire werd geschoten maken ze de ene na de andere crisis door en offreren zo een compromisloos beeld van het leven aan de zelfkant. Een troosteloze wereld, die je je ergste vijand nog niet toewenst.

Deze desolate documentaire vormde de basis voor de speelfilm The Fighter, waarin Christian Bale een bokser met een hardnekkige verslaving vertolkt.

De Kinderen Van Truus

In de Tweede Wereldoorlog steeg ze boven zichzelf uit. Geertruida Wijsmuller – Meijer (1896-1978). Alias Truus, de Nederlandse Oskar Schindler. Met haar Kindertransporten bracht ze voor en tijdens de oorlog meer dan 10.000 Joodse kinderen in veiligheid. Ze had in 1938 hoogstpersoonlijk met Hitlers rechterhand Adolf Eichmann geritseld dat ze hen mocht evacueren.

‘Ik ben iemand die als er nood was direct voor iedereen klaar stond’, zegt ze zelf, in een audio-interview uit 1967, dat als anker fungeert voor De Kinderen Van Truus (61 min.). Deze documentaire van Pamela Sturhoofd en Jessica van Tijn start met een fraaie animatie waarmee de heldenprestatie van de kordate Truus Wijsmuller, een vrouw die zelf nooit kinderen kreeg, wordt gevisualiseerd. Daarna komen ook haar ‘kinderen’, inmiddels zelf hoogbejaard, aan het woord. Ze werden gered van de nazi’s, maar moesten ook afscheid nemen van hun ouders. De meesten zagen hen nooit meer terug,

Mirjam Baitalmi – Szpiro was één van die kinderen. Ze heeft zich haar hele leven doorzichtig gevoeld, zegt ze. Alsof ze door niemand echt gezien werd. ‘Dat noemen ze het verlaten kind-syndroom, zei mijn psycholoog.’ Ze herinnert het zich nog als de dag van gisteren dat ze besefte dat ze er alleen voor stond. Nadat alle andere kinderen door hun ouders waren opgehaald uit het ziekenhuis van Manchester, dacht ze: ‘Dat is het: er is niemand die mij komt ophalen. En dat klopt. Niemand heeft dat ooit gedaan.’

Tegelijkertijd herinnert Baitalmi – Szpiro zich ook de krachtige knuffel die ze kreeg van Truus, een vrouw die door de andere sprekers in deze stevige film wordt geportretteerd als een vrouw met een missie, die wist wat ze wilde en ervoor zorgde dat ze dat ook kreeg. Met haar daad- en wilskracht streek ze in haar veelbewogen leven regelmatig mensen tegen de haren. Die leverde echter ook een ontzaglijke erfenis op, in de vorm van talloze, ten volle geleefde levens. Mannen en vrouwen die ruim veertig jaar na haar dood getuigen over hun dramatische vlucht en de heldenrol die de vrijwel vergeten Truus Wijsmuller daarin speelde.

De Kift: Water Wieg Me – Een Muzikale Ode Aan De Droefenis

NTR

Schrijven begint met luisteren. Het opzuigen van verhalen, er vervolgens even op kauwen en ze dan weer op geheel eigen wijze uitspugen. In teksten, in muziek. Ferry Heijne, zanger van de ‘poëtische fanfarepunkband’ De Kift, vaart letterlijk uit om persoonlijke getuigenissen van buitengewone gewone Nederlanders op te tekenen.

Met zijn boot belandt hij in De Kift: Water Wieg Me – Een Muzikale Ode Aan De Droefenis (53 min.) bijvoorbeeld bij Bas. De man rouwt om het verlies van zijn twintigjarige dochter Belle, die enkele jaren geleden tijdens een wandeling in het park werd getroffen door een blikseminslag. Heijne verwerkt diens ervaringen in een verklanking van het gedicht Melopee van Paul van Ostaijen. Over de vergankelijkheid van het bestaan.

‘Langs het hoogriet / Langs de laagwei / Schuift de kano naar zee / Schuift met de schuivende maan de kano naar zee’

In deze fraaie, gestileerde film van Sanne Rovers ontmoet Ferry Heijne verder een Iraakse schrijver die dreigde te verpieteren in een asielzoekerscentrum, een vrouw met liefdesverdriet én een woonboot en een oudere man die voelt dat zijn lichaam stilaan begint te haperen. En onvermijdelijk komt Heijne onderweg ook zichzelf tegen – en zijn vader, die bijkans bij toeval ook jarenlang deel uitmaakte van De Kift.

En als de hoofdpersonen uiteindelijk te horen krijgen wat Ferry en zijn muzikale kompanen, die her en der, als vanzelfsprekend, in het oer-Hollandse decor opduiken om hun muziek ten gehore te brengen, van hun getuigenissen hebben gemaakt, vloeien beeld en muziek helemaal samen tot een lekker melancholische lofzang op het leven.

Leve De Vrouw Van De SRV

BNNVARA

Probeer haar maar eens níet in je hart te sluiten. Met dat (grote) hart op de tong, het eeuwige shaggie in de mond en die onmiskenbaar Tilburgse tongval. Tonny Steenis, voormalig probleemgeval. Dwars. Agressief. Tokkie. Ooit was ze zelfs dakloos. En probeerde ze naar binnen te rijden bij het politiebureau.

Met ‘Tonneke’s rijdende winkel’ heeft ze zichzelf opnieuw uitgevonden (‘ik ga nooit meer naar de soos’) en is ze zowaar een sociale functie gaan vervullen in de wijken die ze met haar wagen aandoet. Ze maakt her en der een praatje, biedt een luisterend oor en matst vaste klanten die even op zwart zaad zitten.

Tonny heeft zelf eigenlijk ook geen cent te makken. Heel veel levert die wagen niet op. Ze heeft er ook flinke schulden voor moeten maken. En vriend Kees, met wie ze oeverloos kan bekvechten, maakt haar zo nu en dan horendol. Soms komt de stoom bijna letterlijk uit haar oren en ziet zelfs deze doorgewinterde doordouwer het niet meer zitten.

Toch is Leve De Vrouw Van De SRV (originele titel: Laatste Der Mohikanen, 47 min.) op de één of andere manier een optimistische film. De documentaire, waarmee Max Ploeg afstudeerde aan de Hogeschool voor de Kunsten Utrecht, toont een vrouw die zich niet laat ontmoedigen door de klappen die het leven aan haar heeft uitgedeeld.

Ploeg dringt via zijn cultheld in de dop tevens diep door in een volksbuurt, waar allerlei kwetsbare mensen het hoofd boven water moeten zien te houden. Hij kijkt onbevooroordeeld met Tonny mee, begeleidt haar lotgevallen met een lekker lome jazzsoundtrack – en dus niet met Nederlandstalige schlagers – en tilt de film zo moeiteloos uit boven de gemiddelde docusoap over een probleemwijk.

Tonneke blijft intussen, soms tegen beter weten in, stug rondrijden. ‘Totdat we erbij neervallen.’

Hart Van De Democratie

NTR

‘Iedereen doet hetzelfde. Want als je iets anders doet, dan mis je iets’, stelt politiek commentator Kees Boonman over zowel de Haagse politiek als de journalistiek die daar bedreven wordt. Hij heeft zich zojuist losgemaakt uit een kluwen verslaggevers, fotografen en cameramensen die een halve cirkel vormden rond de bewindspersoon, die op dat moment ’Het Nieuws’ vertegenwoordigde. ‘Iedereen wil het anders doen’, constateert Boonman. ‘En het wordt steeds moeilijker om iets anders te doen.’

De routinier leidt de kijker als een ervaren gids rond door het Hart Van De Democratie (87 min.). Als tegenpool voeren de filmmakers Suzanne Raes en Liesbeth Witteman de jonge journaliste Charlotte Nijs op, de eerste politieke verslaggever van het SBS6-programma Hart Van Nederland. Via hen gaan ze op zoek naar het antwoord op de vraag of de Nederlandse parlementaire democratie, net als het Tweede Kamergebouw zelf, aan een grondige renovatie toe is.

Boonman spreekt in dat kader prominente politici als Johan Remkes, Khadija Arib en Alexander Pechtold over het veranderde ambt van parlementariër en neemt met hen de staat van ons bestel op. Volgens Pechtold is er bijvoorbeeld geen reden voor ernstige ongerustheid. De democratie heeft gewoon een stevige griep. Maar aan een verwaarloosde griep kun je dood gaan, werpt Boonman tegen. In het volgende shot zit niet geheel toevallig Thierry Baudet piano te spelen in een reportage van Nijs. ‘Weet je wat het is, Charlotte?’ vraagt hij vanachter de vleugel. ‘Een Schuman-kamerconcert ga ik spelen.’ De verslaggeefster kijkt het fragment terug op een montagecomputer. ‘Nou, één soundbiteje lijkt me voldoende’, zegt ze lachend tegen haar editor.

De film telt talloze van zulke lekkere doorkijkjes naar de wisselwerking tussen pers en politiek. Zo is er bijvoorbeeld een prachtige scène waarbij Boonman zuchtend achterblijft nadat hij enkele aalgladde quotes te verduren heeft gekregen van de zojuist gepresenteerde nieuwe fractievoorzitter van D66, Rob Jetten. Daarna werkt hij in zijn eentje een stukje van de bijbehorende feesttaart weg. Even later duidt voormalig kamerlid Gerard Schouw zijn voormalige stagiair Jetten: die jongen is gewoon in en in keurig. ‘Alleen of hij slecht genoeg is… Je moet ook wel een beetje een slecht mens zijn, hè?’ Boonman beaamt. Schouw moet er smakelijk om lachen.

Deze kostelijke documentaire kijkt zo met een antropologische bril naar de Tweede Kamer, waarbij reacties op Twitter de botte, grappige of juist onverschillige respons daarop vanuit de samenleving vertegenwoordigen. Die buitenwereld meldt zich ook letterlijk in het huis van de democratie middels demonstranten, rondleidingen en een reünie van kabinet Den Uyl. De mores en omgangsvormen mogen dan veranderen, het Hart Van De Democratie blijft onverminderd kloppen: soms wild, dan weer lui of onregelmatig.

Hart Van De Democratie is hier te bekijken.