Conversations With A Killer: The Charles Manson Tapes

Netflix

Wat Charles Manson onderscheidt van Ted BundyJohn Wayne GacyJeffrey Dahmer en The Son Of Sam – aan wie true crime-specialist Joe Berlinger eerder een Conversations With A Killer-docuserie wijdde – is dat hij zelf geen bloed aan zijn handen lijkt te hebben gehad. Althans, niet letterlijk. Manson liet anderen voor zich moorden en werd zo, als de man die de geest van de jaren zestig hoogstpersoonlijk de nek omdraaide, net zo berucht als échte seriemoordenaars.

De vraag is wel wat de driedelige serie Conversations With A Killer: The Charles Manson Tapes (172 min.) nog kan toevoegen aan de eindeloze stroom documentaires over de maniakale hippie-sekteleider. Die is in de afgelopen jaren nog eens verrijkt met een Errol Morris-productie die onderzoekt of de Manson-moorden het resultaat waren van een uit de hand gelopen CIA-project, Chaos: The Manson Murders (2025), en een persoonlijke film van een jonge vrouw die Mansons kleindochter blijkt te zijn, My Grandfather Charles Manson (2026).

Eerlijk gezegd: vrij weinig. Naast de verplichte rechercheurs, deskundigen en Manson-biografen laat Berlinger ook de Family-leden Dianne LakeCatherine ‘Gypsy’ ShareStephanie Schram en Bobby Beausoleil (die inbelt vanuit de gevangenis) leeglopen over hun periode als Manson-discipel. Samen lopen ze netjes ’s mans levenswandel, het ontstaan van zijn losgeslagen sixties-enclave en de aanloop naar en afwikkeling van de beruchte Tate/LaBianca moorden af. Hij ondersteunt hun herinneringen met nogal opzichtige reconstructies.

Alle bekende elementen uit het Manson-verhaal passeren weer de revue. Zijn gefnuikte muziekcarrière die om wraak vraagt. Zijn opdrachten aan volgelingen om ‘creepy crawls’, inbraken in willekeurige huizen waarbij zomaar wat spullen worden verzet, te ondernemen. En zijn tirades over een rassenoorlog en de vermeende aankondiging daarvan in het Beatles-nummer Helter Skelter. De geluidsopnames, waaraan deze franchise z’n naam en bestaansrecht ontleent, spelen bovendien slechts een beperkte rol en voegen ook weinig toe.

‘Hij heette Roman Polanski omdat hij de Jood was die de Rooms-katholieke kerk bestuurde’, zegt Manson bijvoorbeeld met van sarcasme druipende stem, over de rouwende filmregisseur die na de moord op zijn hoogzwangere vrouw Sharon Tate en enkele van hun vrienden zelfs nog even verdacht werd gemaakt in de schandaalpers. ‘Hoeveel mensen stierven er vanwege die films? Rosemary’s Baby. Al die waanzin. Denk je dat Christus, als hij terugkwam, dat zou goedkeuren? En als hij het niet zou goedkeuren, zou hij dan worden afgewezen en verstoten?’

Voor iedereen die nooit genoeg krijgt van zulke diabolische gekte en die zich (opnieuw) wil verlustigen aan de infame Manson-moorden en de bizarre nasleep daarvan – een mediaspektakel van jewelste, binnen de rechtszaal met de publiciteitsgeile openbaar aanklager Vincent Bugliosi en daarbuiten met Mansons grondig gehersenspoelde harem – biedt deze true crime-miniserie een handzaam overzicht. Verder is ie tamelijk overbodig.

My Grandfather Charles Manson

Disney+

De jonge Amerikaanse actrice, filmmaakster en babysitter Sophia Maddox kent hem volgens eigen zeggen alleen als sekteleider en moordenaar van Wikipedia. Totdat haar vader, de sappelende acteur en filmmaker Daniel Arguelles, via de genealogiewebsite Ancestry een halfbroer vindt. Hij blijkt een zoon te zijn van die beruchte sekteleider en moordenaar. En dus krijgt Sophia er een illuster familielid bij: My Grandfather Charles Manson (106 min.). Dat is even slikken.

Sophia lijkt zich in deze persoonlijke film, die ze heeft gemaakt met Alexandra ‘Allie’ Orton, soms ook te wentelen in haar rol als kleindochter van de man die door menigeen als de belichaming van de Duivel wordt gezien, de diabolische leider die z’n volgelingen in 1969 aanzette tot moord en zo de sixties hoogstpersoonlijk de nek omdraaide. ‘Ik ben m’n opa niet’, zegt Sophia tegen zichzelf, met betraande ogen. Zij lijkt haar positie als kleindochter soms daadwerkelijk als een rol te benaderen. Als ze geëmotioneerd bij haar therapeut zit, raadt die haar aan om het kaf van het koren te gaan scheiden: wat is er werkelijk gebeurd en wat is vooral onderdeel van het sensatieverhaal Charlie Manson?

Daarvoor bezoekt Maddox de tuchtschool waar haar grootvader zat, spreekt ze met de Family-leden Lynette ‘Squeaky’ Fromme, Dianne ‘Snake’ Lake en Stephanie Schram en ontmoet openbaar aanklager Stephen Kay. Ze gaat ook te rade bij de Manson-‘vrienden’ George Stimson, Nikolas Schreck en ‘Black Wolf’. Zij leerden hem doorgaans pas decennia na de Tate/LaBianca-moorden kennen, maar hebben er desondanks nog wel een boek uit weten te persen. Nadat hij Manson in 2007 een brief heeft geschreven, heeft ’Wolf’ in de navolgende tien jaar bijvoorbeeld bijna achthonderd keer met hem gebeld. Alle gesprekken staan op een USB-stick, die hij grootmoedig aan Sophia overhandigt.

Maddox’s ontmoeting met ‘Beach Boys-fotograaf’ Ed Roach, onlangs overleden, krijgt een zéér unheimisch karakter. Met dubbelzinnige opmerkingen werpt hij zich op als een archetypische ‘vieze ouwe vent’, de ideale figurant in het sensationele Manson-verhaal, dat de berichtgeving is gaan beheersen. Jeff Melnick benadrukt juist de andere kant: van Charlie als getroebleerde buitenstaander, die nooit heeft geleerd om in vrijheid te leven en ernstige mentale problemen ontwikkelt. ‘Hij past precies in het plaatje’, legt de historicus uit. Manson is ‘de vervulling van de nachtmerrie die is voorspeld’. Ga maar na: hij heeft een wilde baard en wild haar, nog wildere ogen en een hakenkruis in z’n voorhoofd gekerfd.

Sophia Maddox vindt het gaandeweg steeds lastiger om haar vader, een man met zijn eigen demonen, los te zien van die man. Sterker: om ze überhaupt van elkaar te kunnen onderscheiden. Zijn het allebei niet meer dan onverbeterlijke narcisten, die haar hebben opgezadeld met een loodzwaar kruis om te dragen? Er ontstaat tevens frictie met coregisseur Allie. Over wie zij zelf is – ondanks, of juist dankzij, die bedenkelijke vader en grootvader – en hoe ze zich tot hen moet verhouden. Een persoonlijkheidstest met inktvlekken moet uitkomst bieden, waarbij forensisch psycholoog Robert Schug haar resultaten vergelijkt met die van de sekteleider en moordenaar van Wikipedia.

Deze egodocu heeft dan een wel erg Amerikaans randje gekregen: van een zoektocht, met z’n verplichte eurekamomenten en existentiële crises, die hoe dan ook tot verlossing moet leiden: de kleindochter, die vrede heeft gesloten met de grootvader die ze nooit heeft ontmoet en die toch zo’n enorme plek claimt in haar leven.

Alive Inside: A Story Of Music And Memory

Bond / 360

Kom eens een dagje bij me filmen, zei sociaal werker Dan Cohen ooit tegen filmmaker Michael Rossato-Bennett. Die ene dag werd drie jaar. Samen maakten ze een sprankelende reis door de menselijke geest, via ouderen met dementie en hun relatie met muziek. In 2014 verscheen de weerslag daarvan: Alive Inside: A Story Of Music And Memory (78 min.).

Het procedé oogt al snel vertrouwd: we zien een oudere Amerikaan in het verzorgingshuis Cobble Hill, die in het gat is gevallen dat ooit zijn geheugen was. Hij of zij is nauwelijks meer aanspreekbaar. Daarna toont Rossato-Bennett met foto’s en verhalen van dierbaren de persoon die nog ergens in die verstopte geest en dat broze lijf verscholen moet zitten. En als een duveltje uit een doosje tovert Cohen die vervolgens toch weer tevoorschijn. Met een heel eenvoudig instrument, dat alleen niet wordt vergoed door de zorgverzekering: een iPod met koptelefoon.

‘Er bestaat geen pil die dat kan’, stelt Dan Cohen. ‘Een medicijn kan hooguit de vonk dempen of het licht dimmen, maar kan die nooit naar buiten halen.’ En dat geldt bepaald niet alleen voor ouderen met dementie, toont Rossato-Bennett. Muziek kan ook anderen uit hun isolement halen: psychiatrische patiënten, slachtoffers van oorlogsgeweld in Congo of mensen die vanwege een lichamelijke aandoening aan een ziekenhuisbed zijn gekluisterd. Muziek is ‘the quickening art’, volgens de befaamde neuroloog Oliver Sacks (Awakenings), de kortste route naar het binnenste van de mens.

Het is een kunstvorm die de gehele mens kan raken en die ‘de film die alleen in iemands hoofd wordt afgespeeld’, ook wel geheugen genoemd, weer kan aanzetten. Via Louis Armstrong, The Andrews Sisters of Beach Boys komen beelden, geuren én danspasjes weer terug – ook al is het maar voor even. ‘Ik onderzoek de Ziekte van Alzheimer al 38 jaar’, vertelt dokter Peter Davis. ‘Maar ik heb niets beters te bieden aan mijn patiënten dan muziektherapie.’ Het aanschaffen van iPods – we schrijven begin jaren ’10 – heeft echter meer voeten in de aarde dan wie dan ook zou willen.

Gelukkig zijn er beelden van ouderen zoals Henry, een Afro-Amerikaanse man die helemaal opleeft door gospelmuziek en zo viral gaat, om de zaak vlot te trekken. Behalve een pleidooi voor muziek als ontsluiter van de menselijke ziel wordt Alive Inside, aangestuurd met Rossato-Bennetts enigszins zijige voice-over, daardoor ook een soort aanklacht tegen gezondheidszorg, die mensen reduceert tot patiënten en definieert aan de hand van hun deficiënties. Deze docu toont overtuigend dat zij eerst en vooral nog altijd mens zijn – met een onbedwingbare liefde voor muziek.

I Was A Teenage Sex Pistol

Pink Moon

Hij schittert nu eens door afwezigheid: John Lydon. Ofwel: Johnny Rotten, het boegbeeld van The Sex Pistols. De man die de geschiedenis van de legendarische Britse punkband heeft bepaald en geschreven. En daarbinnen was wel héél véél ruimte voor ‘bassist’ Sid Vicious, de wildeman die in 1979 op 21-jarige leeftijd overleed aan een overdosis heroïne – en verdacht weinig voor zijn voorganger, de man die de basgitaar daadwerkelijk bespeelde: Glen Matlock.

Hij krijgt nu alle gelegenheid om zijn eigen versie van dat stukje pophistorie te delen in de documentaire I Was A Teenage Sex Pistol (96 min.) van Andre Relis en Nick Mead, die is gebaseerd op Matlock gelijknamige autobiografie (2012). Hij wordt daarbij in de rug gedekt door zijn voormalige Pistol-maatjes, gitarist Steve Jones en drummer Paul Cook. Samen schetsen zij de opkomst van hun band, waarvan hij als bassist en songschrijver een integraal onderdeel was.

Niet zonder trots demonstreert Glen Matlock hoe zijn baslijnen het fundament hebben gevormd voor de Pistols-klassiekers Anarchy In The UK, Pretty Vacant en God Save The Queen. Tegen de tijd dat die werden opgenomen voor het klassieke debuutalbum Never Mind The Bollocks (1977), was hij echter al de laan uitgestuurd. Volgens de officiële persverklaring van manager Malcolm McLaren, altijd op zoek naar nieuwe relletjes, omdat hij stiekem van The Beatles hield.

In werkelijkheid botste Matlock gedurig met Rotten en moest ie dus het veld ruimen. Hij zou echter nooit een punkvariant worden op de vergeten Beatle Pete Best of de man die nooit echt een Stone mocht zijn, Ian Stewart. Want het lukte de bassist in de navolgende decennia met Rich Kids, Iggy Pop, Johnny Thunders, The Faces en Blondie om een bestendige muzikale carrière op te bouwen. Hij zou zelfs nog op het podium belanden met zijn illustere opvolger, Sid Vicious.

Met dat vermakelijke relaas, opgetekend met fraai archiefmateriaal en aangekleed met quotes van Billy Idol en leden van verwante bands zoals The MC5, Blondie, The Damned, Sigue Sigue Sputnik, Dead Boys, The Vandals, Spandau Ballet en The Stray Cats, zetten Relis en Mead de schijnwerper nu eens vol op de grote onbekende Sex Pistol.

Kings From Queens: The Run-DMC Story

Peacock

Bij de introductie van Run-DMC in de Rock & Roll Hall Of Fame in 2009 vat de rapper Eminem het bondig samen: ‘Ze waren de eerste rocksterren van de rap. De eerste filmsterren van rap. De eerste rapgroep die op MTV was te zien. De eerste rapgroep met een platina plaat. De eerste rapgroep met een eigen sneaker. En de eerste die wereldwijd stadions uitverkocht.’ En daarvoor hadden Joseph ‘Run’ Simmons, Darryl ‘DMC’ McDaniels en Jason ‘Jam Master Jay’ Mizell, voegt Eminem er bij de start van Kings From Queens: The Run-DMC Story (140 min.) nog aan toe, in feite niet meer nodig dan ‘two turntables and a microphone’.

De gastenlijst van deze driedelige docuserie van Kirk Fraser onderstreept de status van het New Yorkse trio nog maar eens en oogt als een stamboom van de eerste hiphop-generatie: Runs oudere broer en platenbaas Russell Simmons, Cheryl ‘Salt’ James (Salt-N-Pepa), Kurtis Blow, Doug E. Fresh, Chuck D (Public Enemy), Ice-T, Ad-Rock en Mike D (Beastie Boys), LL Cool J en Ice Cube. Ook Tom Morello (Rage Against The Machine), Eminem en Questlove (The Roots) kussen de ring van The Beatles/Stones van de hiphop. Één man ontbreekt natuurlijk: Run-DMC’s deejay Jam Master Jay. Hij werd in 2002 vermoord, het breekpunt van de slotaflevering van Kings From Queens.

Dan heeft Run-DMC’s zegetocht – de opkomst netjes geschetst in deel 1, gevolgd door een patente dwarsdoorsnede van hun glorieperiode in het tweede deel – sowieso al averij opgelopen. De drie leden kiezen elk hun eigen pad. Run trekt zich terug met z’n familie en in de kerk, waar hij zich ontwikkelt tot de ‘Reverend Joseph Simmons’. DMC krijgt stemproblemen, die een psychosomatisch karakter lijken te hebben, en daalt vervolgens af in zijn eigen diepte. En Jay volgt zijn neus richting steeds weer nieuwe muziek. Totdat hij wordt neergeschoten bij zijn eigen studio. Zijn weduwe Terri vertelt er geëmotioneerd over. Op ‘s mans uitvaart wordt Run-DMC daarna meteen opgeheven.

Ruim twintig jaar later laat Fraser zich door Run en DMC op sleeptouw nemen naar de plekken die hun levens en carrière hebben gevormd. Hij geeft hun baanbrekende rapsongs natuurlijk ook alle ruimte en zet de teksten met typografie aan. Zo werkt ie toe naar een allerlaatste Run-DMC show, als headliner van een groot festival in Yankee Stadium in 2023, ter gelegenheid van de vijftigste verjaardag van hiphop. Daar laten de twee rappende ‘Kings of Rock’, die tegenwoordig vooral bezig lijken met hun religie en eigen comic books, nog eenmaal oude tijden herleven. Zónder hun maatje Jam Master Jay, het oliemannetje binnen hun driemanschap.

Boy Band Confidential

HBO Max

Ze hebben eerder hun verhaal gedaan, belooft het intro van de tweedelige documentaire Boy Band Confidential (177 min.). Maar nog nooit zo. ‘We hebben nooit gepraat over hoe het voelde en wat er is gebeurd’, zegt initiatiefnemer Joey Fatone (*NSYNC). ‘Het is de hoogste tijd’, beaamt Jeff Timmons (98 Degrees). ‘We hebben dit nog nooit besproken.’ Zulke beloften zijn nodig. Want natuurlijk is er allang gesproken over de achterkant van de boybandbusiness.

Timmons zelf deed bijvoorbeeld ook al zijn zegje in de documentaire Larger Than Life: Reign Of The Boybands. Net als Lance Bass (*NSYNC), Nick Lachey (98 Degrees) en Alex ‘AJ’ McLean (Backstreet Boys). AJ en Bass zijn ook te zien in The Boy Band Con, terwijl de Backstreet Boy McLean eveneens optreedt in Dirty Pop: The Boy Band Scam. Daar treft hij overigens Erik-Michael Estrada (O-Town), die eveneens participeert in deze gelikte boyband-productie van Joey Fatone. 

Kunt u het nog volgen? Lang verhaal kort: het vertellen over het leven als lid van een boyband dreigt een business op zichzelf te worden, op het moment dat hun achterban waarschijnlijk richting midlifecrisis gaat en wellicht weer extra geïnteresseerd is. Over de volledig gefabriceerde muziek gaat het dan niet. Wel over: het verbergen van je seksuele geaardheid, gefnuikte solocarrières, geldproblemen, quarter-life crises, verslavingen en – natuurlijk, helaas – seksueel misbruik.

Vanzelfsprekend komt daarbij ook Lou Pearlman weer aan de beurt. Hij lanceerde eerst Backstreet Boys en daarna ook een concurrent voor die groep, *NSYNC. Naast McDonald’s was er immers ook ruimte voor Burger King, een treffende vergelijking. ‘Big Poppa’ beschouwde zichzelf bovendien als een extra bandlid en beloonde zichzelf ook als zodanig – los van het percentage dat hij als manager sowieso al afroomde. En – natuurlijk, helaas – de man had ook andere behoeften.

De mastodont doet dienst als de lelijke tronie van een industrie die volgens direct betrokkenen, waartoe ook insiders zoals manager Joe Mulvihill, medewerker Melissa Bell en groepsleden van Boyz II Men, All-4-One, Take 5 en LFO behoren, zowel geweldig als wreed kan zijn. ‘Succes was mijn wraak’, zegt Johnny Wright, agent van talloze Amerikaanse acts niet voor niets in dit tweeluik dat (opnieuw) een inkijkje geeft in de wereld achter de glitter en glamour van tienersterren.

PS Er zijn overigens ook nog boybanddocu’s, veelal volgens hetzelfde recept, over afzonderlijke groepen (Take That, Boyzone en Bros) en groepsleden (Robbie Williams en Nick & Aaron Carter).

Miracle: The Boys Of ’80

Netflix

Een ijshockeystadion als arena om de Koude Oorlog nog eens uit te vechten. Op weg naar een gouden medaille op de Olympische Spelen van 1980 in Lake Placid stuiten de ‘underdogs’ van de Verenigde Staten op de gedoodverfde kampioen, de Sovjet-Unie. Drie keer raden wie er wint in de (typisch) Amerikaanse sportdocu Miracle: The Boys Of ‘80 (101 min.). En die zege betekent natuurlijk véél meer dan zomaar een gewonnen ijshockeywedstrijd.

Ruim 45 jaar later nemen enkele sleutelfiguren uit dat legendarische Amerikaanse team gezamenlijk plaats op de tribune van het Olympic Center, om beelden terug te kijken en herinneringen op te halen. Hun bikkelharde coach Herb Brooks (1937-2003) maakte destijds een hecht team van deze mannen, die elkaar vanuit verschillende teams jarenlang naar het leven hadden gestaan. Geen beter team immers dan een ‘team of rivals’. En coach Brooks wilde best als hun gezamenlijke vijand fungeren.

Dat ging niet bepaald subtiel. ‘Je hebt niet genoeg talent om daarop te leunen’, zei hij tegen de één, ‘gouden benen, maar oerdom’ tegen een ander. En Mike Eruzione kreeg te horen dat hij speelde met ‘a ten pound fart’ op z’n hoofd. ‘Hoe ziet zo’n scheet eruit?’ vraagt Eruzione zich nog altijd af. ‘Ik ben 68 en ik word nog steeds ‘s nachts zwetend wakker’, bekent zijn teamgenoot Steve Janaszak. ‘Janaszak, je speelt elke dag slechter’, zei Herb Brooks tegen hem. ‘Je speelt nu al als volgende week.’

Met andere woorden: zonder Brooks’ ‘tough love’ zouden de Yanks op 22 februari 1980 geen enkele kans hebben gehad tegen de ongenaakbare Sovjets. Die boodschap hameren de filmmakers Max Gershberg en Jacob Rogal er stevig in, terwijl ze de weg naar die allesbeslissende match afleggen en de voornaamste hoofdrolspelers op deze route eruit lichten. En dat met het verslaan van de ‘Soviet bastards’ ook het gedachtegoed van deze vijanden van de vrijheid onschadelijk zou worden gemaakt.

De ironie van dat idee – gezien de huidige ontwikkelingen in de Verenigde Staten – gaat volledig aan deze ronkende documentaire voorbij. In dat opzicht is het patriottische Miracle: The Boys Of ’80 inderdaad een typisch Amerikaanse film: met hun zogeheten ‘miracle on ice’ creëren de helden van weleer, stuk voor stuk aandoenlijke kerels overigens, een aantrekkelijk David & Goliath-verhaal dat nog altijd tot de verbeelding spreekt. Al is een overwinning op het ‘evil empire’ zeker nog geen garantie voor goud.

The Dancing Boys Of Afghanistan

PBS

Dastager, een voormalige commandant van de Moedjahedien uit de Noord-Afghaanse stad Takhar, windt er geen doekjes om in de openingsscène van The Dancing Boys Of Afghanistan (52 min.): hij gaat een jongen ophalen die aantrekkelijk is en ‘goed kan dansen’. Ga je dan de nacht met hem doorbrengen? wil Najibullah Quraishi weten. ‘Natuurlijk’ antwoordt Dasager zonder enige vorm van schaamte. Even later verwelkomt hij de elfjarige Shafiq in zijn auto en kan deze unheimische documentaire uit 2010 definitief beginnen.

Quraishi onderzoekt daarin een oude Afghaanse traditie die weer in zwang is geraakt via rijke zakenlieden en legerleiders: ‘Bacha Bazi’. Vrij vertaald: kinderspel. Arme jongens worden ingezet als substituut voor vrouwen, die in Afghanistan veelal veroordeeld blijven tot een boerka en nauwelijks toegankelijk zijn voor het andere geslacht. Hun vervangers worden met glitterkleding, een sluier en belletjes overdadig uitgedost en moeten daarna op feesten optreden voor een publiek van verrukte mannen. En jongens die niet kunnen dansen, zegt een pooier bijgenaamd ‘De Duitser’ erbij, zijn vast geschikt voor andere dingen. ‘Voor sodomie en andere seksuele activiteiten’, bijvoorbeeld.

Najibullah Quraishi opereert onder een dekmantel. Hij heeft Dastager, een gelovig man met vrouw en kinderen, wijsgemaakt dat hij een film maakt over ‘Bacha Bazi’ in Europa en daarbij ook wil laten zien hoe de traditie in ere wordt gehouden in Afghanistan. Via Dastager ontmoet de journalist vervolgens een netwerk van mannen, voor wie het hebben van één of meerdere jongens een teken van macht en welvaart is. En als hun vrouw akkoord gaat – in het uitzonderlijk geval dat die überhaupt om haar mening wordt gevraagd – kunnen ze zulke ‘dansers’ zelfs gewoon in huis nemen. Tot hun achttiende, welteverstaan. Dan verliezen ze namelijk hun seksuele aantrekkingskracht.

Sommige jongens in deze alarmerende film, die door verteller Juliet Stevenson op straffe toon wordt ingekaderd, fantaseren er openlijk over dat zij dan zelf eigenaar van een aantal dansers willen worden. Van slachtoffer zouden zij zo dader worden. In een systeem dat weliswaar illegaal is in Afghanistan, maar in bepaalde regio’s helemaal geen taboe lijkt te zijn. Wat wij met westerse ogen beoordelen als weerzinwekkende kinderprostitutie en mensenhandel, wordt daar klaarblijkelijk beschouwd als een geaccepteerde vorm van (homo?)seksuele dienstverlening, waarbij de ouders van de minderjarige jongens onwetend worden gehouden of zelf een oogje dichtknijpen.

Dastager lijkt zich in elk geval van geen kwaad bewust. Glunderend pocht de autohandelaar, vliegerverkoper en pederast dat ie toch al zeker zo’n twee- tot drieduizend jongens heeft gehad. En van tevoren en naderhand mochten ze dan dansen. Als een vogel in een kooitje, zo vrij.

Homegrown

Chris Quaglin / MetFilm Sales

‘And I’m proud to be an American’, zingen Chris Quaglin en twee van zijn Proud Boys-vrienden uit volle borst mee met Lee Greenwoods patriottische tranentrekker God Bless The USA, het lijflied van het Amerikaanse hartland. ‘Where at least I know I’m free.’

De drie zijn op 11 oktober 2020 op weg naar een Trump-rally en lijken ervan overtuigd dat hun voorman over enkele weken wordt herkozen als president. Chris, die over enkele maanden voor het eerst vader wordt, noemt zichzelf een ‘westerse chauvinist’. Hij is zelfs bereid om daar met zijn dronken kop een eed op af te leggen. ‘Ik ga me niet verontschuldigen voor het creëren van de moderne wereld!’ zegt hij ferm. In zijn ‘man cave’, thuis in New Jersey, heeft de elektricien een heel arsenaal aan volautomatische wapens klaarliggen om eventuele discussies daarover in zijn voordeel te beslissen.

Thad Cisneros, een andere hoofdpersoon van de documentaire Homegrown (109 min.), staat zich voor op zijn conservatieve en religieuze waarden. De voormalige militair, inmiddels actief binnen de radicaal-rechtse Proud Boys, ziet er nochtans geen been in om net voor de tumultueuze verkiezingen van 2020 samen met enkele anderen een medewerker van CNN met draaiende camera lastig te vallen en te intimideren. Ze hebben niet eens door dat het om presentator John King gaat, die wordt uitgemaakt voor leugenaar, communist en pedo. Het filmpje heeft de volgende dag al zo’n 50.000 views.

Documentairemaker Michael Premo valt zijn protagonisten intussen niet lastig met moeilijke vragen en beperkt zich tot observeren. Eerst in de aanloop naar de betwiste verkiezingen, die door Trumps Democratische opponent Joe Biden worden gewonnen. En daarna tijdens de Stop The Steal-campagne die de Republikein alsnog – goedschiks dan wel kwaadschiks – de winst moet brengen. Op weg naar 6 januari 2021, de dag waarop de Amerikaanse democratie, met Trumps impliciete goedkeuring, ongenadig zal worden aangevallen en met name Chris zich bepaald niet onbetuigd laat.

Boze Amerikanen zoals hij, die zich door niets of niemand laten weerhouden, zijn in de afgelopen jaren al vaker geportretteerd. In documentaires zoals ShadowlandThe Insurrectionist Next Door en Fight Like Hell hebben ze bijvoorbeeld ruim baan gekregen om hun ideeën over wat Amerika is en zou moeten zijn uiteen te zetten. Deze langgerekte en tamelijk onevenwichtige film is van hetzelfde laken een pak en toont vooral hoe ruw, bruut en eenvormig Trumps stoottroepen zijn. Het gaat vrijwel zonder uitzondering om mannen van het type ‘Weinig Weten, Veel Vinden & Hard Schreeuwen’.

Toen Homegrown in augustus jongstleden officieel in première ging, was ’t overigens nog niet duidelijk hoe de presidentsverkiezingen van 2024 zouden aflopen. Inmiddels is Donald Trump terug in het Witte Huis en hebben de rauwdouwers uit deze film dus alsnog hun zin gekregen: zeker vier nieuwe Make America Great Again-jaren. De vaderlandsliefde van Chris Quaglin, die slechts enkele weken na 6 januari 2021 een kind kreeg, heeft in de tussenliggende jaren een serieuze deuk opgelopen – al zou ook hij binnenkort zomaar weer eens luidkeels kunnen meezingen met die ene tranentrekker.

‘Where at least I know I’m free.’

King Of The Apocalypse

SkyShowtime

Zou iemand hebben vermoed toen Stewart Rhodes als dertiger begon te studeren aan de prestigieuze Yale Law School en een scriptie schreef over hoe de Amerikaanse regering de grondwet had uitgehold na 11 september 2001, dat hij zo’n twintig jaar later, na een aanval op diezelfde Amerikaanse democratie, zou worden beschuldigd van ‘opruiende samenzwering’?

Rhodes was al in de dertig en getrouwd toen hij ging studeren. Hij zou in totaal zes kinderen krijgen. En die voedde hij op met de voorspelling dat het einde der tijden aanstaande was. De aangekondigde Dag des Oordeels bleef alleen uit, constateert zijn zoon Dakota Adams droog. Hij fungeert als verteller van deze documentaire van Daniel Vernon, die werd vernoemd naar de bijnaam die Rhodes kreeg van zijn kinderen: King Of The Apocalypse (87 min.). Pappie Wappie – al wordt ie daarmee ook tekort gedaan.

Adams, ondersteund door zijn moeder Tasha en zus Sedona, doet zijn verhaal vanachter een laptop, met een headset waarmee hij in beeld zijn verbindende voice-overs inspreekt. Hij noemt zijn vader consequent ‘Stewart’, waarschijnlijk om afstand tussen hen te scheppen. Vernon lardeert dit persoonlijke relaas met familiefoto’s en -video’s, archiefbeelden en campy filmfragmenten, die de plank soms een beetje misslaan. Waardoor de gekozen vertelvorm ook de kijker van deze film soms op afstand zet.

Dakota schetst een scherpslijper die steeds verder radicaliseert, zich ronduit paranoïde begint te gedragen en zo het gezin terroriseert. Totdat het leven in hun huis te Trego, Montana, ondraaglijk is geworden voor de anderen. In 2009 heeft zijn vader intussen Oath Keepers opgericht, een extreemrechtse en gewelddadige anti-overheidsmilitie. En daarmee zal Stewart Rhodes ook een sleutelrol spelen bij de bestorming van het Capitool op 6 januari 2021, die hij mede zou hebben gepland en gecoördineerd.

Verder volgt Daniel Vernon hoe ’t hem in de periode daarna vergaat, als hij vanwege zijn rol in de aanval wordt gearresteerd en berecht. Die kwestie heeft ook een persoonlijke dimensie: Rhodes’ eigen gezinsleden zijn doodsbang voor hem en willen graag dat hij vast blijft zitten. Vernon belicht verder de rol van wapens in het gedachtegoed van ultrapatriottische Amerikanen zoals Rhodes en zoomt in op een paar van zijn geestverwanten, Michael ‘Whip’ Simmons en Mike Dunn van The Boogaloo Bois.

Hoewel King Of The Apocalypse weer uiterst actueel is, nu Donald Trump is begonnen aan zijn tweede ambtstermijn als president en de sleutelfiguren van de bestorming van het Capitool amnestie heeft verleend, wil de documentaire niet echt beklijven. Daarvoor hinkt de film op te veel gedachten. Vernon heeft ook moeite om de juiste toon te vinden en vast te houden en het dramatische verhaal van de Rhodes-familie, dat nu weer een nieuw hoofdstuk krijgt, met gepast drama en urgentie uit te serveren.

Larger Than Life: Reign Of The Boybands

SkyShowtime

Het is natuurlijk een beetje vloeken in de kerk om een documentaire over boybands te starten met The Beatles – al lijkt soms alles in de popmuziek ooit te zijn begonnen met John, Paul, George en Ringo. Beatlemania was echter onmiskenbaar een voorbode van de boybands die in de jaren negentig, geheel geprofessionaliseerd, door de muziekbusiness aan het meisje werden gebracht: een groepje zorgvuldig geselecteerde hartendieven, met voor elke fangirl wat wils.

En van The Beatles is het een logische stap naar The MonkeesThe Jackson 5 en The Osmonds. ‘Ik begon op m’n vierde met zingen en werd op mijn vijfde professional’, vertelt Donny Osmond in Larger Than Life: Reign Of The Boybands (96 min.). ‘Dus toen de Osmond-gekte in 1970 begon, zat ik al heel lang in het vak.’ Toch werd ook hij destijds nog verrast door het enorme gegil van al die tienermeisjes. ‘Ik dacht: dat meen je niet’, herinnert Osmond zich lachend. ‘Dit moet ik de rest van m’n leven doen.’

Vanuit deze grondleggers van een popgenre, waarvan zij toen vast geen idee hadden dat het ooit zou floreren en waarmee ze wellicht ook helemaal niets te maken wilden hebben, werkt regisseur Tamra Davis met leden van bekende boybands naar het heden toe: Michael Bivins (New Edition), Donnie Wahlberg (New Kids On The Block), AJ McLean (Backstreet Boys), Zac, Taylor en Isaac Hanson (Hanson), Chris Kirkpatrick en Lance Bass (*NSYNC) en Nick Lachey en Jeff Timmons (98 Degrees).

En dat heden bestaat toch vooral uit K-pop. De ultieme Zuid-Koreaanse popgroep lijkt Seventeen, in deze gelikte productie vertegenwoordigd door Vernon en Hoshi, een boyband met maar liefst dertien leden. Met écht voor elke fangirl dus wat wils. Onderweg naar dit punt in de pophistorie worden ook One Direction en de (christelijke) Jonas Brothers nog uitgebreid besproken, maar komen niet-Amerikaanse bands zoals Take ThatBoyzone en Menuda er wel heel bekaaid vanaf.

Vlotjes behandelt Larger Than Life nog wel deelonderwerpen als de typecasting binnen een band, rivaliteit met andere groepen, de rol van ouders, solocarrières en het negatieve imago van boybands in het algemeen. Davis richt zich verder niet op de uitwassen die in andere boybanddocu’s al uit en te na zijn behandeld – al komen de wurgcontracten die de leden vrijwel zonder uitzondering hebben getekend nog wel aan de orde. Want het was natuurlijk vooral business, die boybands.

Waar de tienerjongens van de jaren negentig hun lol al op konden met rock, punk of rap, hadden de meisjes, die van tevoren nooit serieus waren genomen als muziekliefhebber, duidelijk behoefte aan ook iets voor zichzelf. Speciáál voor hen.

Facing War

Dox Division

Jens Stoltenberg heeft zijn vrouw Ingrid beloofd dat hij naar huis komt. Na negen jaar als secretaris-generaal van de NAVO, waarbij zijn termijn al driemaal tussentijds is verlengd, vindt hij ’t welletjes. Daarmee neemt de Amerikaanse president Joe Biden echter geen genoegen. Tijdens een persoonlijk onderhoud in de zomer van 2023 vraagt hij hem dringend om langer aan te blijven. Stoltenberg geeft uiteindelijk toe: op wereldschaal valt zijn eigen huwelijk natuurlijk in het niet bij de oorlog in Oekraïne. En met dat extra jaar creëert hij onbedoeld ruimte voor een Nederlandse opvolger: Mark Rutte.

In Facing War (105 min.) krijgt de Noorse filmmaker Tommy Gulliksen een unieke kijk in het werkleven van zijn landgenoot Stoltenberg tijdens een turbulent jaar, waarin hij als NAVO-baas de Oekraïense president Volodymyr Zelensky blijft ondersteunen, zich beijvert om Finland en Zweden ondanks bezwaren van Turkije te laten toetreden tot de NAVO en intussen de rijen gesloten moet zien te houden in de inmiddels 75-jarige alliantie van Noord-Amerikaanse en Europese landen. Een ideale klus dus voor een netwerker pur sang, die bereid is om zijn ego aan de kant te schuiven en tegelijkertijd mee kan doen met de grote jongens.

Stoltenberg is erg aanrakerig, vertelt een medewerker. Hij is zeer gericht op menselijke relaties. En soms pakt hij ineens resoluut door, zoals wanneer de Turkse leider Erdogan dwars ligt. De topdiplomaat is ook een politiek dier, de zoon van een vader die ‘t schopte tot minister van Defensie en een moeder die staatssecretaris was. Als premier van Noorwegen maakte Stoltenberg al in 2000 kennis met zijn huidige Nemesis, Vladimir Poetin, en werd hij later geconfronteerd met een bloedbad op het eiland Utøya, waar Anders Breivik in 2011 bijna zeventig jongeren van ‘zijn’ Arbeiderspartij vermoordde.

Als NAVO-boegbeeld is Jens Stoltenberg duidelijk in zijn element. Gulliksen kijkt mee terwijl hij met zijn team onderhandelingen voorbereidt, stuurt en evalueert, tijdens internationale tops wereldleiders de goede kant op probeert te masseren en steeds z’n ogen op de bal houdt: het verzekeren van de steun aan Oekraïne. ‘We hebben een belofte gedaan waar we ons misschien niet aan kunnen houden’, zegt hij somber, tijdens één van de vele tussendoorinterviewtjes die hij onderweg heeft met de documentairemaker. En zet er vervolgens weer onvermoeibaar z’n tanden in.

Hij voelt zich soms net de hoofdpersoon uit z’n favoriete serie The Sopranos, bekent Stoltenberg op een onbewaakt ogenblik. Net als Tony Soprano – een maffiabaas, is dat nu een handige vergelijking? denkt ie er meteen achteraan – heeft de NAVO-baas het gevoel dat iedereen aan hem trekt en iets van hem wil. Intussen blijft zijn blik altijd gericht op wat wenselijk en haalbaar is. Zo biedt Facing War, verrijkt met een Röyksopp-soundtrack, via deze onverwoestbaar optimistische man een intrigerende blik achter de schermen bij ‘s werelds ultieme ‘old boys network’, waar wordt beslist over oorlog en vrede.

Chaos: The Manson Murders

Netflix

In de officiële lezing van de Manson-moorden is Charles Manson simpelweg een diabolische sekteleider die zijn volgelingen, verdorven kinderen van het hippietijdperk, aanzet tot enkele gruwelijke moordpartijen. Met de leden van de Manson Family als demonische tegenhangers van de bloemenkinderen. Een ideaal verhaal, beweren critici, om de burgerrechtenbeweging, het anti-Vietnamoorlog sentiment en de vrijheid-blijheid van de sixties onschadelijk te maken.

In Chaos: The Manson Murders (97 min.), losjes gebaseerd op het boek Chaos: Charles Manson, The CIA, And The Secret History Of The Sixties (2019) van de schrijver Tom O’Neill, exploreert Errol Morris een andere theorie: dat de vijf moorden in het huis van de hoogzwangere actrice Sharon Tate, de vrouw van filmregisseur Roman Polanski, in de nacht van zaterdag 9 augustus 1969 en de gewelddadige dood van het echtpaar Leno en Rosemary LaBianca, een dag later, onderdeel waren van een CIA-project.

De Tate-LaBiana-moorden zouden zijn voortgevloeid uit MK-ULTRA, een supergeheim programma van de Amerikaanse buitenlandse inlichtingendienst waarin met ‘mind control’ werd geëxperimenteerd. Met LSD, hypnose en hersenspoeling probeerden ze Manchurian Candidates te creëren: onvrijwillige proefpersonen die op commando en zonder spijt of berouw gingen moorden en die zich daar naderhand nauwelijks meer iets van konden herinneren. Manson was zo bezien niet meer dan een marionet.

Dat klinkt als een tweederangs complottheorie. De zoveelste poging om een afgekloven sensatieverhaal van een nieuwe dimensie te voorzien. Dit is alleen wel een film van Errol Morris, één van de meest invloedrijke documentairemakers van de afgelopen halve eeuw. De man die bijvoorbeeld de allereerste true crime-docu (The Thin Blue Line) maakte, de architecten van de Vietnam- en Irak-oorlogen (in The Fog Of War en The Unknown Known) het vuur aan de schenen legde en Mr. Death zelve portretteerde.

De man ook, die zich al eerder over verwante samenzweringen boog in November 22, 1963A Wilderness Of Error en Wormwood. Zeker de CIA speelt daarin vaak een zeer kwestieuze rol. Die theorieën lijken eerst vaak erg grotesk – zoals experimenten om subjecten te hersenspoelen, valse herinneringen bij hen te planten of psychische stoornissen te bezorgen – maar bij nader inzien blijkt er vaak wel degelijk bewijs. Dat MK-ULTRA heeft bestaan is helder. En dat daarbinnen veel kon – zo niet: alles – eveneens.

Morris’ aanpak voelt vertrouwd: een virtuoos geframed centraal interview, ravissante vormgeving, associatieve montage en stuwende soundtrack. Met Tom O’Neill tast hij diens visie op het duistere verleden af. Hij bespreekt zijn bevindingen verder met aanklager Stephen Kay, talentscout Gregg Jakobson en Bobby Beausoleil (een lid van The Manson Family dat nog altijd in de gevangenis zit).  Zo weeft de Amerikaanse documentairemaker een ondoorzichtig web, waarin het gemakkelijk verdwalen is.

De Helter Skelter-theorie – Manson zou zijn geïnspireerd door de songteksten van The White Album van The Beatles – die officier van justitie Vincent Bugliosi destijds aanhing en vervolgens verwerkte in een bestseller, wordt door Tom O’Neill en Errol Morris in elk geval naar het rijk der fabelen verwezen. Dat de gesjeesde muzikant Manson, in plaats daarvan, een (vrijwillig?) werktuig van de CIA was, blijft echter eveneens een kwestie van speculeren. Keihard bewijs is ruim een halve eeuw na dato ook lastig te verkrijgen.

Chaos: The Manson Murders plaatst in elk geval een andere lezing van de feiten naast het officiële verhaal over The Manson Family, dat al in talloze boeken, films en docu’s is afgewerkt en waarbij best kritische vragen zijn te stellen. Want hoe kon een tweederangs crimineel zoals Charlie Manson eigenlijk zoveel invloed krijgen op z’n volgelingen? Eerst daalden ze op zijn bevel af naar de diepste gewelven van de hel en daarna hadden ze jaaaren nodig om gedeprogrammeerd te raken en weer los van hem te komen?

‘Ik was een stuk gereedschap in de handen van de Duivel’, vertelt Susan Atkins daarover in een archiefinterview, uit de tijd dat tot haar begon door te dringen waarmee zij zich in die gruwelijke zomer van 1969 had ingelaten. Het is alleen de vraag welke Duivel ‘Sadie’ heeft gediend: Manson of toch, via hem, de CIA?

Wham! The Story Of Last Christmas

Tony McGee

Niets werd in 1984 aan het toeval overgelaten: een onweerstaanbaar popliedje, van twee knappe en jonge tienersterren, met een hartverwarmende videoclip, opgenomen in een idyllisch wintersportoord in Zwitserland. Dit moest dé Kersthit van het jaar worden! Last Christmas zou echter nooit die felbegeerde eerste plek in de Britse hitlijsten bereiken. Daarvoor was er toentertijd simpelweg te veel hongersnood in Afrika.

Veertig jaar later geldt de hitsingle van Wham! als een absolute kerstklassieker. Tijd om, met Kerst natuurlijk, Wham! The Story Of Last Christmas (61 min.) te vertellen. En Andrew Ridgely, één van die twee jeugdidolen, is natuurlijk ook best bereid om met de toenmalige Wham!-entourage, waaronder de achtergrondzangeressen Shirlie Kemp en Pepsi DeMacque-Crockett, af te reizen naar het Zwitserse Saas-Fee, voor een uitgelaten bezoek aan de plek waar toentertijd de magie werd gemaakt. De videoclip, welteverstaan, een gelikt liefdesverhaaltje dat was gemaakt om ieders hart te raken.

Alleen George Michael, de man die de geheide hit schreef en ook helemaal in z’n eentje inzong en -speelde, schittert natuurlijk door afwezigheid. Hij overleed in 2016, op slechts 53-jarige leeftijd. Tijdens Kerstmis, ook dat nog. Via archiefbeelden en -interviews is Michael natuurlijk alsnog aanwezig in deze tv-docu. En via zijn stem, natuurlijk. Als singer-songwriter Sam Smith in de studio bijvoorbeeld de oorspronkelijke zangopname van Last Christmas mag horen, verdwijnt hij helemaal in de stem die tot hem spreekt via de koptelefoon. ‘Hij legt z’n ziel bloot’, constateert Smith geraakt.

Behalve Smith steken ook andere collega’s in deze feelgood-docu de loftrompet over de zanger en songschrijver George Michael: Neil Tennant (Pet Shop Boys), Mary J. Blige en Martin Kemp (Spandau Ballet), de man die uiteindelijk het hart van Wham!s achtergrondzangeres Shirlie wist te veroveren. Hun meerwaarde is beperkt. Interessanter zijn de ervaringen van mensen die daadwerkelijk betrokken waren bij de totstandkoming van Last Christmas, zoals manager Simon Napier-Bell, muzikaal leider Chris Cameron, opnametechnicus Chris Porter en clipregisseur Andy Morahan.

En ook Band Aid-organisator Bob Geldof, de man die in 1984 een stok tussen Wham!s spaken stak met de liefdadigheidssingle Do They Know It’s Christmas?, waarmee ettelijke miljoenen werden opgehaald voor Ethiopië, is van de partij. Daarmee wordt deze typische kerstfilm van Nigel Cole een aardige aanvulling op de recente docu’s over Wham! en de solocarrière van George Michael en een eerbetoon aan het nummer waarmee zij allemaal tot in de oneindigheid zullen worden geassocieerd en dat het uiteindelijk zowaar ook nog tot nummer één in de hitlijsten schopte: Last Christmas.

Fight Like Hell

Journeyman Pictures

Fight Like Hell (95 min.), roept de Amerikaanse president Donald Trump op 6 januari 2021 tegen zijn aanhang, als die op weg gaat naar het Capitool in Washington D.C. om daar z’n ongenoegen te laten blijken over de uitslag van de presidentsverkiezingen op dinsdag 3 november. De stemmen voor Trumps Democratische opponent Joe Biden mogen niet gecertificeerd worden, zo is de gedachte. Zodat de zittende president later alsnog aan zijn tweede termijn kan beginnen.

De tumultueuze periode tussen de presidentsverkiezingen van 2020 en Bidens inauguratie op 20 januari is, geheel terecht, al vaker onderwerp geweest van documentaires. Four Hours At The Capitol en January 6th documenteren bijvoorbeeld de bestorming van het Capitool, terwijl Shadowland en The Insurrectionist Next Door zicht proberen te krijgen op de motieven van de Trump-supporters die in de Amerikaanse hoofdstad het parlementsgebouw attaqueren.

In de documentaire Stopping The Steal blikken Republikeinse kopstukken verder terug op de onwezenlijke fase tussen de verkiezingen en de rellen op 6 januari, waarin steeds duidelijker wordt dat Donald Trump – en daarmee ook zijn achterban – geen genoegen neemt met de verkiezingsuitslag. Zijn voormalige campagnemedewerker Roger Stone, die in deze periode wordt gevolgd voor de documentaire A Storm Foretold, bedenkt een slogan voor de opgeklopte onvrede: Stop The Steal.

Behalve een geestelijk vader heeft de campagne echter ook een generaal nodig: de radicaal-rechtse politieke activist, influencer en complotdenker Ali Alexander. In deze found footage-film volgt documentairemaker Jon Long de grondoorlog die Alexander vrijwel direct na de verkiezingen opstart. Boze Trump-supporters die betrokken raken bij de schermutselingen scanderen regelmatig ‘1776’. Ze lijken ervan overtuigd dat zij een sleutelrol spelen in een tweede Amerikaanse revolutie.

Long toont deze gebeurtenissen, slechts vergezeld van basale feitelijke informatie en een unheimische soundtrack, volledig vanuit het perspectief van Trumps voetbalsoldaten en (gewapende) milities. In de eerste helft van z’n film laat hij zien hoe zij op het ‘juiste’ spoor worden gezet door ‘usual suspects’ zoals Infowars-crimineel Alex Jones, de deviante oud-generaal Michael Flynn, Amerika’s verknipte burgemeester Rudy Giuliani en de extreemrechtse influencer Nick Fuentes.

Halverwege schakelt Long door naar 6 januari zelf, een dramatische dag die hij begeleidt met berichtgeving in de media, speeches en heimelijke communicatie binnen de Republikeinse partij en Team Trump. De bijbehorende beelden zijn, vier jaar later, overbekend, maar wennen nooit. En toch lijken ze tegenwoordig voor bijna de helft van het Amerikaanse electoraat tot de voltooid verleden tijd te behoren. Ze vormen in elk geval geen beletsel om opnieuw te stemmen op Donald Trump.

‘And if you don’t fight like hell’, heeft die ook gezegd op die traumatische woensdag in januari 2021, in woorden die vier jaar later nog altijd nagalmen, ‘you’re not gonna have a country anymore.’

Lost Boys

Joonas Neuvonen

Ze kwamen alleen om te feesten. Joonas Neuvonen zegt ‘t onderkoeld, bij de start van Lost Boys (98 min.), zijn koortsdroom van een film uit 2020. Via een gedragen voice-over, die in werkelijkheid lijkt te zijn ingesproken door de acteur Pekka Strang en die niet zou misstaan in Francis Ford Coppola’s duistere meesterwerk Apocalypse Now, doet de filmmaker zijn verhaal. Vanuit een unheimisch gefilmde gevangeniscel, waar de muren op hem afkomen.

Samen met de Finse jongeling Jani Raappana en diens kompaan Antti ging Neuvonen begin 2010 helemaal los in Thailand en Cambodja – en daarna naar de kloten. Sex, drugs en rock & roll in de rosse buurt. De filmer, die al hun uitspattingen had vastgelegd, reisde vervolgens met het aangeschafte retourticket weer naar huis. De andere twee lieten dat echter verlopen en bleven in Cambodja. Na twee maanden verbraken ze elk contact. Toen was er nieuws vanuit Zuidoost-Azië: Jani bleek dood te zijn aangetroffen in Phnom Penh, gewurgd met een elektriciteitskabel. Was het moord of toch zelfdoding?

Joonas Neuvonen gaat op onderzoek uit. Hij heeft Jani leren kennen tijdens de opnames voor Reindeerspotting – Escape From Santaland, de documentaire die Neuvonen maakte over drugsgebruikers uit Rovaniemi, de hoofdstad van Lapland. Jari fungeerde daarin als het belangrijkste personage. Hij was ernstig verslaafd en financierde dit met diefstal en inbraken. Die film werd een succes. En dat moest natuurlijk gevierd worden door de filmmaker en zijn hoofdpersoon. Zie daar: de bacchanalen in Thailand en Cambodja, vervat in zeer expliciete scènes van het spuiten van dope en (betaalde) seks.

Neuvonens queeste leidt hem nu opnieuw door de schimmigste Aziatische buurten, waar hij mijmert over de beladen geschiedenis van de bijbehorende plekken en ondertussen allerlei junks, klaplopers en ‘taxi girls’ aan de tand voelt. Zij moeten hem duidelijkheid verschaffen over wat er met Jari is gebeurd, maar het blijft steeds gissen of wat ze zeggen ook klopt – of simpelweg is ingegeven door de belofte van geld of drugs. Hij wil bovendien Antti opsporen, die na een epileptische aanval in een ziekenhuis te Bangkok is beland en daarna spoorloos lijkt te zijn verdwenen. Hij zal toch niets met de dood van zijn reisgenoot te maken hebben?

De Finse filmer heeft zijn zoektocht gelardeerd met scènes uit de tijd dat ze nog als ontspoord drietal in datzelfde voorportaal van de hel verkeerden en de Duivel opzichtig tartten. Terwijl hij nogmaals Jari’s doodlopende weg naar (zelf)destructie afstruint – waarop zijn overleden vriend er overigens, in minder dan twee maanden, 10.000 dollar doorheen heeft gejaagd – wandelt Neuvonen in deze donkere, associatieve en uiteindelijk ook intens treurige film tevens recht in de armen van de politie.

Dirty Pop: The Boy Band Scam

Netflix

‘Mensen vragen me: wanneer is dat boybandgedoe over?’, zegt Lou Pearlman met een triomfantelijke lach op zijn gezicht. Hij schijnt de anekdote talloze malen te hebben opgedist. ‘En dan antwoord ik: ik weet precies wanneer. Als God geen kleine meisjes meer maakt. Tot dat moment is het nooit over.’

En er zit ook goeie business in, ontdekt de handige ondernemer Pearlman als hij zich verdiept in wat een groep zoals New Kids Om The Block binnenbrengt. Begin jaren negentig besluit de geboren verkoper zich dus ook op de markt te wagen. Eerst met The Backstreet Boys, later met een door hemzelf gecreëerde concurrerent voor die groep, *NSYNC. Twee boybands, die al snel overal voor gillende tienermeisjes zorgen.

Achter alle glitter en glamour gaat echter – verrassinggg! – een onverkwikkelijke geschiedenis schuil. En die doet David Terry Fine in de driedelige serie Dirty Pop: The Boy Band Scam (127 min.) adequaat uit de doeken. Want uiteindelijk loopt er maar één iemand binnen door al die aalgladde popsongs, mierzoete samenzang en gelikte danspasjes van zo’n zorgvuldig samengesteld en gekneed jongensgroepje. Juist: Big Poppa.

Lou zelf komt daarover niet aan het woord. Of ja, in zekere zin toch wel. Met behulp van een echt interview met Pearlman zijn teksten uit ‘s mans autobiografie Bands, Brands & Billions (2003) digitaal van beeld en geluid voorzien. Met dus een deepfake-Lou, die ondernemerslessen  uit zijn eigen boek voordraagt. Dat went snel. Net iets te snel, eigenlijk. Met de opkomst van AI is dit waarschijnlijk echter de toekomst, óók in documentaires.

Voor de verwikkelingen rond Lou Pearlman zijn overigens ook genoeg reguliere bronnen te vinden. In een andere docu over de verzuurde verhouding tussen de twee boybands en hun manager en diens malversaties, The Boy Band Con (2019), draafden al de Backstreet Boy AJ McLean en Chris Kirkpatrick van *NSYNC op. Zij zijn nu opnieuw van de partij, in de rug gesteund door Howie Dorough van Backstreet Boys.

En ook Erik-Michael Estrada van O-Town, de groep die voortkwam uit Pearlmans realityserie Making The Band (2000), en Michael Johnson en Patrick King van alweer een ander jongensvehikel, Natural, leveren een bijdrage. Verder heeft Fine enkele vrienden, medewerkers en investeerders van Lou Pearlman gestrikt om zijn achtergrond, modus operandi én financiële handel en wandel te schetsen.

En daarbij vallen er nogal wat lijken uit de kast. Big Poppa blijkt in werkelijkheid een – opgelet! – Dirty Pop, die jarenlang heeft geteerd op een ingenieus opgetuigd piramidespel en zo talloze slachtoffers heeft gemaakt. Daarmee vertelt deze miniserie in wezen hetzelfde verhaal als The Boy Band Con en blijft ie tegelijkertijd uit de buurt van de schmutzige verhalen over Backstreet Boy Nick Carter en zijn zingende broertje Aaron, die onlangs hun weg vonden naar de docuserie Fallen Idols.

Als die het licht zien, heeft Lou Pearlman allang het veld geruimd. Hij blijft een enigma, ook in deze productie. Een man die van gewone jongens sterren kon maken, maar tijdens dat proces, binnen de bands en zeker ook erbuiten, tevens menigeen brak – of op z’n minst eronder rukte.

Fallen Idols: Nick And Aaron Carter

Investigation Discovery / HBO Max

‘De aanklachten van seksueel geweld tegen Nick Carter, die in dit programma aan de orde komen, zijn onderdeel van nog lopende rechtszaken’, meldt een tekst bij de start van Fallen Idols: Nick And Aaron Carter (175 min.). ‘Alleen de kant van de beschuldigden komt aan de orde.’

En daarmee is het pad geëffend voor een typische #metoo-docu, waarmee weer een nieuwe man uit de entertainmentwereld in ernstige verlegenheid wordt gebracht: Nick Carter van de populaire Amerikaanse boyband Backstreet Boys. En ook zijn jongere broer Aaron, een voormalig kindsterretje dat steeds verder in de penarie is geraakt en eind 2022 overlijdt aan een overdosis, wordt onderdeel van dat onsmakelijke verhaal. Uiteenlopende bekendheden zijn Carter voorgegaan. In een business, waarin het ‘sex appeal’ van de helden zo nadrukkelijk wordt uitgevent en de machtsverhoudingen al bij voorbaat zo uit het lood zijn, is misbruik bijna onvermijdelijk. Jonge sterren worden voortdurend geconfronteerd met devote en vaak nóg jongere fans, die tot alles bereid zijn – of dat in elk geval lijken.

‘Ik ga mijn verhaal vertellen’, zegt voormalig zangeres en actrice Melissa Schuman in aflevering 1 van deze wufte vierdelige serie, ongenaakbaar in de camera kijkend. Later rijdt ze nog eens met de cameraploeg langs het appartementencomplex, waar Nick zich aan haar zou hebben vergrepen. ‘Gaat het, Melissa?’ vraagt regisseur Tara Malone. Waarbij het de vraag is of zij werkelijk wil weten hoe ’t met haar gesprekspartner gaat – of gewoon de scène in gang wil zetten, waarin die vertelt over hoe ze door de zanger werd verkracht. De vraag stellen… En Melissa levert: zeer gedetailleerd en ogenschijnlijk ook geroutineerd, bijgestaan door haar toegewijde vader Jerry. Samen leggen zij ook meteen het verband met Schumans carrière die daarna, tot haar grote verdriet, niet meer van de grond wilde komen.

In deel 2 wordt de ‘fame seeker’ geconfronteerd met serieuze weestand vanuit de Backstreet Boys-achterban. Van relatief onschuldige steunbetuigingen aan de blonde adonis die zij heeft beschuldigd (#IStandWithNickCarter) tot intimidatie en doxing. Ze krijgt ook bijval van Nicks ex-vriendin Kaya Jones, waarbij onduidelijk blijft hoe serieus die relatie was en of zij iets van diens vermeende donkere kant heeft meegekregen, en van Ashley Repp, die als vijftienjarige dronken zou zijn gevoerd en misbruikt door de Backstreet Boy. Subtiel gaat ’t er niet aan toe in deze miniserie, die qua toonzetting eerder doet denken aan de rechttoe rechtaan tv-producties Surviving R. Kelly en House Of Hammer (Armie Hammer) dan aan gelaagdere beschouwingen over de betekenis van #metoo, zoals We Need To Talk About Cosby (Bill Cosby) en Sorry/Not Sorry (Louis C.K.).

In het derde deel komt dan Nicks jongere broer Aaron in beeld. Ook hij heeft, volgens zijn tourmanager Mark Giovi, ‘The X Factor’ en wordt daarom als zevenjarig joch gelanceerd als popster. Maar hoeveel succes hij ook heeft, Aaron Carter blijft altijd het jongere broertje van Nick. Hij belandt intussen ook bij de beruchte Backstreet Boys-manager Lou Pearlman. Die zou een ongezonde voorkeur hebben voor jonge jongens, een onderwerp dat in de serie wel wordt aangeroerd maar verder nauwelijks wordt onderzocht. Dat is wel vaker de makke van dit soort producties: veel rook, relatief weinig vuur. Ook doordat de makers ervan zich vaak moeten verlaten op ex-partners, secundaire bronnen en entertainmentdeskundigen, die er een job van hebben gemaakt om in de stront van celebrities te roeren – en daar ook duidelijk lol in hebben.

Als Aaron Carters leven steeds verder uit de bocht vliegt, melden ook zijn exen Lina Valentina en Melanie Martin zich in deze trashy miniserie. Zij waren erbij toen hij steeds meer op ramkoers kwam te liggen met Nick. Binnen die context heeft Aaron ook contact opgenomen met Nicks vermeende slachtoffers, die zijn pogingen om z’n oudere broer publiekelijk te besmeuren direct omarmen. Dat Aaron overduidelijk in de war is en bovendien nog een appeltje heeft te schillen met zijn broer, doet er dan niet meer toe – en blijkbaar ook niet voor de maakster van de serie, Tara Malone. Dit doet de geloofwaardigheid van de productie, en de daarin vertelde slachtofferverhalen, bepaald geen goed en bezoedelt ook het toch al bijzonder tragische familieverhaal van de Carters.

In een statement verwerpt Nick Carter intussen alle beschuldigingen.

The Beach Boys

Disney+

Terwijl de rest van The Beach Boys (113 min.) halverwege de jaren zestig de wereld rondreizen met hun zonnige popsongs, laat songschrijver, arrangeur en producer Brian Wilson, die ’t niet langer kan opbrengen om te toeren, de eenvoudige surfliedjes waarmee ze zijn doorgebroken definitief achter zich. Uitgedaagd door hun grote Britse rivaal The Beatles stijgt hij in de studio, in de rug gedekt door de gerenommeerde muzikanten van The Wrecking Crew, tot imposante hoogte. Met als resultaat het album Pet Sounds (1966) dat, hoewel niet direct een commercieel succes, inmiddels alom wordt beschouwd als een meesterwerk – en Wilson als een genie.

‘Het probleem was dat Brian werd onthaald als een genie, maar dat de rest van de band eigenlijk nauwelijks waardering kreeg’, stelt zanger Mike Love in deze gezaghebbende documentaire van Frank Marshall en Thom Zimny. ‘Dan was het misschien ook wat gemakkelijker geweest voor Brian om met dat predicaat om te gaan.’ Want het genie achter de schermen legt een enorme druk op zichzelf, worstelt met zijn dominante vader Murray en voelt dat hij niet altijd de onvoorwaardelijke steun heeft van zijn groepsgenoten. Gaandeweg raakt hij verstrikt in de kronkels van zijn eigen geest. Totdat het genie eigenlijk alleen nog maar in bed wil liggen.

Wilsons persoonlijke tocht over hoge toppen en door diepe dalen is onlangs al, met zijn eigen medewerking, gedocumenteerd in Brian Wilson: Long Promised Road (2021). Deze nieuwe film concentreert zich meer op de hoogtijdagen van zijn groep, met hem en de nog levende andere leden Mike Love, Al Jardine, David Marks en Bruce Johnston. Brians overleden broers Wilson, Dennis (1944-1983) en Carl (1946-1988), zijn aanwezig via archiefinterviews. Hun verhalen worden aangevuld door Brian Wilsons eerste vrouw Marilyn, producer Don Was en collega’s/fans zoals Janelle Monáe, Lindsey Buckingham (Fleetwood Mac) en Ryan Tedder (OneRepublic).

Dit levert geen nieuwe inzichten op over de tot Beach Boys gedoopte muzieknerds, die bij de eerste de beste golf al van hun surfboard donderden. Deze documentaire schetst echter wel een compleet en afgewogen beeld van hun gloriejaren en is natuurlijk volgestort met prachtig beeld- en geluidsmateriaal. De harmonieën van de drie Wilsons, hun neef Mike en de vrienden Al, David en Bruce zijn bijvoorbeeld nog altijd onovertroffen en een zegen en inspiratiebron voor iedereen met een pophart – of het verlangen om ook stiekem een ‘surf dude’ te zijn.

Girls State

Apple TV+

Al tachtig jaar wordt in elke Amerikaanse staat een week georganiseerd waarin tieners zich kunnen bekwamen in het participeren in de democratie. Ze krijgen de opdracht om een eigen regering en justitieel systeem voor hun staat op te starten. Er zijn aparte programma’s voor jongens en meisjes. In de documentaire Boys State (2020) volgden Amanda McBaine en Jesse Moss wat Texaanse jongens ervan terecht brachten, deze zusterfilm concentreert zich op vijfhonderd meisjes uit Missouri.

Ook de Girls State (97 min.) van 2022 wordt natuurlijk bevolkt door idealistische, hyperambitieuze en nét iets te welbespraakte jongeren. Tegelijkertijd speelt er bij de meisjes nog iets anders: het glazen plafond waar (Amerikaanse) vrouwen nog altijd tegenaan hikken. Wie breekt erdoorheen? Als het aan Emily Worthmore ligt, wordt zij in 2040 de eerste vrouwelijke president. De conservatieve tiener zou overigens ook best televisiejournalist of rockgitarist willen worden. En liefst alle drie, natuurlijk.

Feit is echter dat vrouwen nog altijd ondervertegenwoordigd zijn in de Amerikaanse politiek en rechtspraak. En dat besluiten over typisch vrouwelijke thema’s zoals abortus, een heikel onderwerp in de Girls State omdat het Amerikaanse hooggerechtshof op datzelfde moment lijkt te gaan tornen aan het federale recht op abortus, doorgaans toch vooral worden genomen door vertegenwoordigers van de welbekende Old Boy State. Witte, gelovige en veelal conservatieve mannen, welteverstaan.

McBaine en Moss lopen mee met enkele participanten en registreren via hen de felle discussies, het politieke gekonkel en de gelikte campagnespeeches, waarbij nieuwe vriendinnen zomaar elkaars concurrent kunnen worden. Tegelijkertijd komt op dezelfde campus, voor het eerst in de historie, ook de Boys State van Missouri bij elkaar. Afgunstig kijken sommige meiden naar hoe ‘t er bij hen aan toegaat. Zelfs in de jeugdversie van de echte wereld blijken de mannen een streepje voor te hebben.

Die verschillen illustreren ten overvloede dat er nog een wereld te winnen is voor meisjes die hun Amerikaanse Droom willen waarmaken. En dat gaat ook beslist niet zonder slag of stoot, laat deze beurtelings hoopvolle en ontmoedigende ode aan de democratie zien, te beginnen in de eigen Girls State.