De Spelende Mens


De speelfilm van het jaar, luidt de slimme tagline van deze korte documentaire van Sanne Rovers, die onlangs de publieksprijs won op het Go Short International Film Festival. Die slogan moet je letterlijk nemen. Als in: spelen – zich met een spel vermaken, bezighouden (Van Dale). En daarin slaagt ook deze speelfilm (Van Dale: film waarin acteurs optreden) zelf.

De Spelende Mens (26 min.) dus. De optredende acteurs houden zich onledig met modelvliegtuigen, hoepelen en voetbal. Ze skateboarden, sjoelen en zwemmen als een zeemeermin. En ze doen in hun landrover mee aan de Warrior 4×4 Challenge, binden als woeste vikingen de strijd met elkaar aan als Larpers van Oneiros en raken zichzelf helemaal kwijt in ‘sjamanistische dansmeditaties’. ‘Voel je vrij om de structuur los te laten en het lichaam verder te laten doorsmelten’, voegt dansinstructeur Marold Emmelkamp die laatsten toe.

En zo laat Spelend Nederland zich in allerlei verschillende gedaanten kennen. Geïnspireerd, sociaal en fanatiek. Alsof je ze vanuit de bosjes, aan de zijlijn of gewoon vanaf een tribune bespiedt. Zonder commentaar worden al die spelers (iemand die een spel speelt, acteur, lid van een ploeg spelers, aldus Van Dale) hier gepresenteerd. Volledig opgeslokt door hun eigen activiteiten, hun momentjes van extase, concentratie en (zelf)overwinning vierend als het leven zelf. Gericht op zichzelf, maar ook op elkaar.

Hoe breng je al die ‘verhalen’ bij elkaar? Niet. Of beter: via beeld (het effectieve camerawerk van Diderik Evers en de virtuoze montage van Albert Markus) en geluid (het weelderige sounddesign van Jesse Koolhaas). De Spelende Mens, naar een idee van Lara Aerts, is een filmische ontdekkingsreis langs ogenschijnlijk zinloze activiteiten, die als succesvol sociaal smeermiddel werken. Geen lineair verteld verhaal. Geen journalistieke exercitie ook.

Spielerei (Van Dale: gespeel, spel(letje), beuzelarij, aardigheidje), zou je kunnen zeggen. Die ervoor zorgt dat je al die naamloze Nederlanders voor even, heel even, in je hart sluit. En je overgeeft aan het succesmomentje van jouw eigen particuliere spel en er een stukkie over schrijft. Dit stukkie.

Eric Clapton: Life In 12 Bars


Nog voordat John Lennon verklaarde dat The Beatles toch echt groter waren dan Jezus en The Stones de Duivel probeerden aan te roepen, werd gitarist Eric Clapton hoogstpersoonlijk uitgeroepen tot opperwezen. De fameuze ‘Clapton Is God’-muurschildering, die in 1965 op een station in Londen verscheen, moet als een molensteen om zijn nek hebben gehangen. Want God werd – in tegenstelling tot die andere legendarische gitaarheld, Jimi Hendrix – gewoon oud. Als een doodnormale sterveling.

Hij is inmiddels in de zeventig, de rockgod van weleer. Sadder & wiser ook. In de geautoriseerde biografie Eric Clapton: Life In 12 Bars (133 min.) van confidant Lili Fini Zanuck, die door Het Uur Van De Wolf in twee delen wordt uitgezonden, wordt zijn glorieuze carrière, en het getormenteerde leven daarachter, afgepeld tot de kern: de moeizame relatie met zijn moeder, die hij tot z’n negende beschouwde als zijn oudere zus. Zij heeft nooit een serieuze poging ondernomen om een relatie op te bouwen met haar zoon. Die hechtingsproblematiek is hem een leven lang blijven achtervolgen.

Van daaruit legt Zanuck (of is het Clapton zelf?) met een weldaad aan archiefmateriaal en off screen-interviews met alle relevante passanten uit Claptons leven een direct verband met diens verdoemde liefde voor Pattie Boyd, de vrouw van boezemvriend en Beatles-gitarist George Harrison, en zijn afhankelijkheid van drugs en drank (die in 1976 tot deze pijnlijke rant over een Blank Engeland zou hebben geleid). Vanuit ongeluk zoop en snoof hij zich een ongeluk, naar de onvermijdelijke catharsis die je de hele film ziet aankomen.

En als Clapton eindelijk vrede met zichzelf en zijn leven lijkt te hebben gesloten, slaat het noodlot opnieuw toe. Het zal hem, in een tragische speling van het lot, zijn allergrootste hit opleveren: Tears In Heaven, tevens het emotionele hoogtepunt van deze krachtige film, die de afgelopen twintig jaar in het bestaan van deze maar al te menselijke man afdoet met enkele zoetsappige ‘eind goed al goed’-constateringen. En dat ‘Clapton is God’ zou trouwens wel eens een publiciteitsstunt kunnen zijn geweest, bekende hij onlangs in een interview. Of was die uitspraak opnieuw een poging om zichzelf tot menselijke proporties terug te brengen?

The End Of Fear


‘Het is een onvervangbaar werk wat vermoord is’, aldus Wim Beeren, de toenmalige directeur van het Stedelijk Museum in Amsterdam. Het is 21 maart 1986. Een ‘verwarde’ 31-jarige man heeft met een stanleymes Who’s Afraid Of Red, Yellow And Blue III toegetakeld. Het omstreden schilderij van Barnett Newman, in 1969 aangekocht voor een kleine 300.000 gulden en inmiddels ettelijke miljoenen waard, heeft maar liefst vijftien messteken te verwerken gekregen.

Newmans abstracte werk riep wel vaker agressie op. Vier jaar eerder werd in de Nationalgalerie van Berlijn ook al een ander schilderij van de Amerikaanse kunstenaar aangevallen. Barbara Visser onderzoekt in The End of Fear (69 min.) de achtergronden van deze ingrijpende acties, die een felle discussie binnen de kunstwereld weerspiegelden, en het bijzonder moeizame, door schandalen omgeven restauratieproces van Newmans enorme doek.

De ‘moordverdachte’, een onbekende realistische kunstenaar die abstractie in de kunst als ‘een plaag’ zag en die vanuit de achtergrond ook een rol speelt in deze documentaire, had wel een bijdrage willen leveren aan de restauratie van het grotendeels rode doek, zo verklaart zijn advocaat tijdens de rechtszaak. ‘Juist dit werk zou zich prima lenen voor een goedkope replica.’ Hij wilde er nog net geen plaatselijk schildersbedrijf voor inhuren. Het is overigens nog maar de vraag of de ingehuurde Amerikaanse restaurateur Daniel Goldreyer het er veel beter vanaf heeft gebracht.

Intussen heeft Barbara Vissser de jonge kunstenares Renske van Enckevort gevraagd om voor deze zorgvuldig gestileerde film, waarin primaire kleuren een prominente plek hebben gekregen, een eigen versie te maken van Who’s Afraid Of Red, Yellow And Blue III. Aan de hand daarvan stelt The End Of Fear elementaire vragen over kunst en dringt zich ook de vraag op wie in dit geval de kunstenaar is: degene die verantwoordelijk is voor het concept of degene die dat vervolgens, op geheel eigen wijze, heeft uitgewerkt?

The Fourth Estate


‘Wow, what a story!’ Hoofdredacteur Dean Baquet staart op de redactievloer van The New York Times voor zich uit. Hij kan het nog altijd niet geloven. Op het televisiescherm is de inauguratie van Donald Trump tot president van de Verenigde Staten te zien. ‘What a fucking story.’ Enkele seconden later heeft Baquet zichzelf herpakt: ‘Okay, let’s go!’

Die no-nonsense woorden vormen het startsein voor één van de spannendste en succesvolste jaren in de historie van ‘The Failing New York Times (aldus diezelfde Trump) én de vierdelige documentaireserie die Liz Garbus daarover maakte. The Fourth Estate zet de deuren van de redactieruimte wijd open. In deel 1 The First 100 Days (87 min.) coveren redacteuren en verslaggevers bijvoorbeeld de benoeming van een nieuwe rechter in het Hooggerechtshof, de MeToo-beschuldigingen tegen Fox News-boegbeeld Bill O’Reilly en – natuurlijk – het veelbesproken Rusland-onderzoek.

The New York Times (slogan: the truth is more important now than ever) moet door concurrentie van Facebook en Google intussen continu zijn verdienmodel aanpassen en is bovendien in een voortdurende concurrentieslag verwikkeld met The Washington Post (slogan: democracy dies in darkness). De twee kranten richten zich met hernieuwde kracht op hun journalistieke kerntaak: het controleren van de macht. Intussen blijft de nieuwe president hen, bedoeld en onbedoeld, van nieuwsverhalen voorzien en bombardeert hij de Amerikaanse pers en passant tot ‘the enemy of the people’.

De serie belicht enkele van die vijanden in het bijzonder. Levende voorbeelden van journalistiek als een full life-job die nooit, werkelijk nooit, ophoudt. Behalve voor hoofdredacteur Baquet en Washington-chef Elisabeth Bumiller geldt dat bijvoorbeeld ook voor Maggie Haberman, de correspondent voor het Witte Huis. Ze volgt Trump al sinds jaar en dag, maar had net als de rest van Amerika niet verwacht dat hij president zou worden. Na de campagne zou ze weer meer thuis zijn, had ze haar kinderen beloofd. Nu maakt ze permanent overuren en zit ze tussen de opnames voor de podcast The Daily door met thuis te facetimen.

Enige tijd later, als pogingen van de Republikeinen om de zorgwet Obamacare te ontmantelen zijn gestrand, krijgt ze op de redactie telefoon van de president zelf. Hij probeert de publicitaire schade te beperken, maar blijft amicaal en relaxt. Het ligt, natuurlijk, aan de Democraten. Na het ontspannen belletje moet Haberman, die ook vaak de gebeten (bloed)hond is bij Trump, linea recta door naar de studio van CNN om duiding te geven. ‘Ik ben zo moe’, verzucht ze in de taxi terug. ‘Maar ik weet ook niet hoe ik moet stoppen.’

Zulke kleine menselijke scènes houden dit grootse verhaal over de staat van de Amerikaanse democratie, en de rol van de journalistiek daarin, in balans. Het geheel wordt op smaak en temperatuur gebracht door de meeslepende muziek van Trent Reznor (Nine Inch Nails) en Atticus Ross. Zij gaven eerder de epische serie The Vietnam War een flinke boost en zorgen nu voor een voortdurend gevoel van urgentie in The Fourth Estate. De traditionele journalistiek doet er (weer) toe, zo wil de serie maar zeggen. Ook al wordt die door Trump en de zijnen regelmatig afgedaan als ‘fake news’.

Al die belletjes, het gezoek, de interviews, dat eindeloze overleg en het gesleutel op de vierkante millimeter aan woorden en zinnen mondt uiteindelijk uit in een symbolische actie: het demonstratief klikken op de blauwe Publish-knop. Waarmee al dat monnikenwerk met een dramatisch gebaar richting krant, website en sociale media, en daarmee de rest van de wereld, wordt ingestuurd. Zo bezien is The Fourth Estate niets minder dan een ode aan vrije media.

Als een soort epiloog verscheen onlangs The Family Business: Trump And Taxes (23 min.) van Jenny Carchman, waarin is te zien hoe drie journalisten van The Times in het financiële verleden van Donald Trump en zijn vader Fred duiken. Op die manier ontkrachten ze de door Trump zelf in het leven geroepen mythe dat hij zijn bedrijf startte met een lening van ‘slechts’ 1 miljoen dollar bij zijn vader, een lening die hij bovendien met een flinke rente moest terugbetalen.

Hypnose Op Recept

28mei_patiënte_Samantha_onder_hypnose

 

Als je het woord ‘psychisch’ in de mond neemt bij ouders en patiënten heb je verloren, meent professor Marc Benninga van het Academisch Medisch Centrum. Omdat ze zich dan niet serieus genomen voelen en het gevoel krijgen: die dokter denkt dat ik gek ben. ‘En dat is absoluut niet het geval.’ Hij zegt het er voor de zekerheid even bij.

Talloze Nederlanders kampen met onverklaarde pijnklachten. Daarop kun je allerlei etiketten plakken: het Chronisch Vermoeidheidssyndroom, fibromyalgie of het Prikkelbare Darm Syndroom. Die pijn zit, behalve in hun lijf, ook tussen de oren, maar die conclusie mag je eigenlijk niet hardop uitspreken. In reguliere ziekenhuizen wordt niettemin steeds vaker gebruik gemaakt van hypnotherapie, een behandeling die tot voor kort echt in het alternatieve circuit thuishoorde. Je moet er wel in geloven, vertelt Benninga erbij aan geïnteresseerden.

De journalistieke documentaire Hypnose Op Recept (55 min.) van Nieuwsuur-verslaggever Mirjam Bartelsman volgt enkele artsen die kinderen en volwassenen met onverklaarde pijnklachten behandelen. Hypnose is volgens hen veel effectiever gebleken dan de reguliere behandeling van een kinderarts. Het is zowel voor de doktoren als de patiënten (en hun ouders) wennen. ‘Daar wordt niet in aangeraakt?’ wil de moeder van de tiener Samantha, die al jaren met buikpijn kampt, vooraf graag weten. ‘Dat jij aan haar zit, zeg maar?’ Benninga: ‘Hoe bedoelt u?’ Nou ja, dat als jij die hypno doet, dat je met strelingen enne…’

De gehypnotiseerden worden niet aangeraakt, hooguit door een aangename stem, maar ze lijken getuige deze degelijke film wel te varen bij de therapie. De met weelderige droomsequenties geïllustreerde behandelingen zorgen eerst voor ontlading en daarna voor verlichting. Er komt van alles los; tussen oren en in lijven. Bij mensen, dat vooral.

Lost In La Mancha


Afgelopen weekend kwam er een voorlopig eind aan het drama dat zich al decennialang voltrekt in het leven van regisseur Terry Gilliam. Er moest een rechtszaak aan te pas komen, die hem ook nog in het ziekenhuis deed belanden met een lichte hartaanval, maar na een positieve uitspraak kon zijn speelfilm The Man Who Killed Don Quixote eindelijk in première gaan tijdens het festival van Cannes. Zo kwam er toch nog een happy end aan een filmproject waarvoor Gilliam, voorzichtig uitgedrukt, een ijzeren wil, olifantenhuid en de ausdauer van een schildpad nodig had.

De wet van Murphy heeft films over Don Quichot vaker geplaagd. Ook Orson Welles (Citizen Kane) beet zich al eens stuk op het maar al te symbolische verhaal over een man die de strijd aanbindt met molenwieken. Terry Gilliam, ooit het enige Amerikaanse lid van de absurde Britse comedyclub Monty Python, wil zijn geheel eigen interpretatie van de klassieker van Cervantes al zo’n beetje zijn hele leven verfilmen, maar vond steeds andere problemen op zijn pad. Zo moest Hollywood bijvoorbeeld niets hebben van de film, nadat een eerdere Gilliam-productie, The Adventures Of Baron Munchhausen, op een echec was uitgelopen. In dat opzicht blijft de geschiedenis zich overigens herhalen: de Amerikaanse distributeur van Quixote heeft zich onlangs alsnog teruggetrokken.

Uiteindelijk vond Gilliam eind jaren negentig in Europa geld voor zijn droomproject en konden de opnames voor The Man Who Killed Don Quixote, een film die toen al tien jaar in ontwikkeling was, rond de eeuwwisseling eindelijk beginnen. Met de Franse acteur Jean Rochefort als de tragische hoofdpersoon Don Quichot, Johnny Depp in de rol van Toby Grisoni (een hedendaagse stand-in voor Sancho Panza) en diens toenmalige vrouw Vanessa Paradis als zijn potentiële geliefde. Het zou een gigantisch fiasco worden, dat werd gedocumenteerd in een geweldige documentaire uit 2002: Lost In La Mancha (89 min.), een tragikomische film van Keith Fulton en Louis Pepe die oorspronkelijk was bedoeld als making of.

Terwijl werkelijk álles tegenzit – fysieke malheur bij Rochefort, een volledig weggespoelde filmset en steeds weer opspelende financiële problemen, om maar eens wat te noemen – begint Terry Gilliam meer en meer te lijken op, juist, Don Quichot. En Fulton en Pepe hebben overal toegang – omdat ze nu eenmaal een promofilm maken, die Gilliam bovendien altijd kan gebruiken om zijn eigen verhaal over het productieproces te onderbouwen. Ook als de onderlinge verhoudingen verzuren en het hele project spaak loopt blijft het duo als een vlieg op de muur filmen. Het resultaat, bijeengehouden door de onderkoelde voice-over van acteur Jeff Bridges, werkt ongetwijfeld op de lachspieren en zorgt tegelijkertijd voor compassie met de grote dromer Terry Gilliam.

Daarmee is niet gezegd dat The Man Who Killed Don Quixote een slechte film zou zijn geworden (of nu, bijna twintig jaar later, met een nieuw productieteam en Jonathan Pryce en Adam Driver in de hoofdrollen ís geworden). De documentaire Lost In La Mancha bevat enkele voorlopige filmscènes die tot de verbeelding spreken. En als je Gilliam zelf bezig ziet, bijvoorbeeld als hij hoogstpersoonlijk enkele rollen inspreekt bij gestoryboarde scènes, dan wordt eens te meer duidelijk dat hier een originele stem klinkt die gehoord moet worden. Een bezoek aan de bioscoop voor The Man Who Killed Don Quixote kan daarnaast zo langzamerhand worden beschouwd als een daad van pure medemenselijkheid.

Op deze Wikipedia-pagina is het complete verhaal van het productieproces van deze ‘development hell’ te lezen. In de geschiedenis van The Man Who Killed Don Quixote zijn ook nog bijrollen weggelegd voor Robert Duvall, John Hurt, Michael Palin en Ewan McGregor, acteurs die stuk voor stuk niet in de uiteindelijke film zijn beland.

Wellicht hebben ze wél een plek bemachtigd in He Dreams Of Giants, een zojuist aangekondigde nieuwe documentaire van Keith Fulton en Louis Pepe over de Don Quichot-avonturen van Terry Gilliam. Volgens dit Variety-artikelconcentreren ze zich in deze opvolger van Lost In La Mancha vooral op wat er omgaat in het hoofd van de veelgeplaagde regisseur.

I Am Evidence


Ik ben m’n eigen bewijsmateriaal. Mijn lichaam, bedoel ik. Of: mijn geest. Wat daarvan over is. Van mij. Verkracht voel ik me. Dat ben ik ook. Dubbel. Eerst lichamelijk. En nadien gevoelsmatig. Onderzocht. Ingrijpend. De sporen vastgelegd. En daarna? Niets. Helemaal niets.

Zo ongeveer moet het hebben gevoeld voor de hoofdpersonen van de documentaire I Am Evidence (85 min.) van Trish Adlesic en Geeta Gandbhir. Nadat ze aangifte deden van verkrachting, moesten ze een ingrijpend lichamelijk onderzoek van ettelijke uren ondergaan. Het resultaat daarvan, de zogenaamde rape kit, bevatte het bewijsmateriaal waarmee de dader zou moeten worden gezocht.

Zou. Moeten. Want in schrikbarend veel gevallen liggen diezelfde rape kits, nog steeds dichtgeseald, te verstoffen in een archief. Is het puur een kwestie van tijd- en geldgebrek dat deze sets nooit zijn gebruikt voor politieonderzoek? wil deze pamflettistische film weten. Of spreekt daaruit ook wantrouwen naar de aangiftes van de betrokken vrouwen? Zouden ze er misschien zelf om hebben gevraagd? En kún je eigenlijk wel verkracht worden als prostituee of binnen je relatie?

De oude aangiftes moeten alsnog onderzocht worden, vinden allerlei – vooral vrouwelijke – activisten, politieagenten en officieren van justitie. Een cold case team gaat die in behandeling nemen. In Cleveland vinden ze bijvoorbeeld een DNA-match voor meerdere verkrachtingen. Ze gaan op zoek naar één van de slachtoffers. Danielle werd in januari 1997 verkracht. Met een baby op de arm identificeert ze twintig jaar later alsnog de mogelijke dader. Hij is nog op vrije voeten, melden de onderzoekers erbij.

I Am Evidence toont diverse schrijnende gevallen. Van vrouwen die jaren na dato nog steeds in de knoop zitten met zichzelf, terwijl de betrokken mannen nooit (serieus) zijn onderzocht – laat staan veroordeeld. Soms worden ze zelfs van meerdere zaken verdacht. Al die jaren konden deze mogelijke serieverkrachters blijkbaar ongestoord hun gang gaan. Die wrange conclusie hamert deze traditioneel gemaakte docu er vol overtuiging in. Al had dat ook in wat minder speeltijd gekund.

De Hoofdvrouw

KRO-NCRV

Ze zit tegen een volledig witte achtergrond en kijkt recht in de camera. Dat probeert ze tenminste. Marijke zonder achternaam. Ze is duidelijk geëmotioneerd. Met horten en stoten doet ze haar verhaal: ‘Ik weet niet wat erger is: om te moeten zeggen dat mijn moeder is weggegaan en ons, mij, in de steek gelaten heeft en nooit meer is teruggekomen. Of dat ik ook nog moet zeggen wat ze gedaan heeft: dat ze veroordeeld is voor het misbruik van kinderen.’

Marijke keert terug naar de sekte De Gemeente Gods, waarin haar moeder van de profeet Sipke Vrieswijk de rol van De Hoofdvrouw (70 min.) toebedeeld had gekregen. Ze reconstrueert de gebeurtenissen met vader Hans, zus Annemieke, zussen van haar moeder en enkele voormalige sekteleden. Stuk voor stuk zijn ze onherkenbaar gemaakt. Alleen Marijke zelf toont zich aan de kijker. Het benadrukt de eenzame strijd waartoe ze zichzelf heeft verplicht.

De film die Hester Overmars daarover maakte is opgebouwd als een zoektocht. Naar het verleden van een religieuze gemeenschap, maar vooral naar haar moeder die ze al twintig jaar niet heeft gezien. Al te veel context krijgt de kijker daarbij niet. Die volgt gewoon Marijke. Zij probeert de witte plekken in haar geheugen (en leven) in te kleuren: wat bezielde haar moeder? Letterlijk. Of: wie? En dachten ze werkelijk dat ze uitverkoren waren door God?

Stukje bij beetje ontvouwt zich een dramatisch persoonlijk verhaal. De liefdevolle moeder uit die familiefilmpjes, hoe kon zij Vrieswijks ‘koningin’ worden? Marijke luistert naar oude geluidsopnames en wordt opnieuw emotioneel. Beelden van de sekte zelf zijn er niet – of krijgen we in elk geval niet te zien. Die kun je er wel bij bedenken. We zien vooral Marijke, innerlijk verscheurd, en haar gevecht om de waarheid boven tafel te krijgen. Intussen maakt ze zich klaar voor een dramatische confrontatie.

The Atomic Soldiers

atomic
Je kon je eigen botten zien. Alsof er voor je ogen een röntgenfoto van je werd genomen. Zo fel was het licht toen De Bom explodeerde in de Nevada-woestijn, nabij Las Vegas. Aan het woord zijn The Atomic Soldiers (23 min.), Amerikaanse soldaten die in de jaren vijftig werden blootgesteld aan experimenten met de atoombom en na decennia gedwongen zwijgen nu de stilte doorbreken.
De Nederlander Morgan Knibbe, die enkele jaren geleden een Gouden Kalf won voor zijn koortsdroomfilm over illegale vluchtelingen in Europa (Those Who Feel The Fire Burning), maakte een korte documentaire over het moment dat hun leven voorgoed veranderde. Geen van allen zouden ze ooit nog dezelfde zijn. En ja, ze zagen inderdaad een champignonachtige wolk.
Knibbes film bestaat volledig uit interviews met de voormalige militairen. Ze zitten recht voor de camera, kijken er vol in en doen hun verhaal. Eerst van verbazing en ontzag, later van shock, ziekte en woede. Ooit waren ze met 400.000. Gezamenlijk doorstonden ze meer dan 1000 atoomproeven. Nu is er nog slechts een enkeling die zijn ervaringen kan delen. Gezamenlijk schetsen ze in The Atomic Soldiers een indringend verhaal.

Evil Genius: The True Story Of America’s Most Diabolical Bank Heist

Netflix

Het is een angstaanjagend tafereel: op een parkeerplaats zit een man met een bom om zijn nek. Hij heeft zojuist een bank overvallen. Agenten en experts van het explosievenopruimingsdienst houden hem omsingeld. Opeens begint het ding te piepen. Het zal toch niet? En dan gaat de bom af…

Werd pizzabezorger Brian Wells uit Erie, Pennsylvania slachtoffer van een sinister complot? Of was hij op die gruwelijke 28e augustus in 2003 betrokken bij een bezopen plan, dat helemaal verkeerd liep? Dat is de beginvraag van de documentaireserie Evil Genius: The True Story Of America’s Most Diabolical Bank Heist (192 min.), die The Pizzabomber Mystery als uitgangspunt neemt en al snel op de verknipte Marjorie Diehl-Armstrong en haar entourage van ‘deplorables’ stuit.

Alle elementen voor een bingehit in de trant van Making A Murderer, Netflix’s true crime-sensatie uit 2015, lijken aanwezig: een lijk in een vrieskist, volledig vervuilde hoardershuizen, een geplande vadermoord en een cast met bizarre personages. Toch zal Evil Genius vermoedelijk niet zo’n hype worden als de serie rond de (ten onrechte?) voor moord veroordeelde Stephen Avery, waarvan dit jaar zowel vervolgafleveringen als een tegenhanger (Convicting A Murderer, verteld vanuit het perspectief van de aanklagers) wordt verwacht.

Regisseur Barbara Schroeder heeft Evil Genius – een weinig subtiele titel overigens voor een film die handelt over een vrouw die in werkelijkheid kampt met serieuze psychische problematiek, een bipolaire stoornis – gestructureerd als een Hollywood-thrillerserie, met slim opgebouwde spanning, onaangekondigde verrassingen die het verhaal op zijn kop zetten en cliffhangers waarmee de aandacht vervolgens moet worden vastgehouden. Dat werkt: het opzienbarende verhaal laat zich hap-slik-weg verorberen.

Schroeder worstelt alleen een beetje met de rol van co-regisseur Trey Borzillieri, die de zaak blijkbaar al jaren onderzoekt en intussen een verwrongen vriendschap met Diehl-Armstrong heeft opgebouwd. In ruil voor een interview voor de camera regelt hij bijvoorbeeld een advocaat voor de vrouw, die nog altijd voor haar recht vecht en daarvoor ook ‘zijn film’ gebruikt. Hij neemt op zijn beurt elk gesprek met haar (stiekem?) op en benadert achter haar rug andere getuigen, die haar lezing van het verhaal tegenspreken.

Zijn handelswijze roept zo nu en dan ethische vragen op. Borzillieri fungeert daarnaast als verteller, maar verdwijnt soms ook hele perioden uit het verhaal en moet er dan weer tamelijk gekunsteld ingefietst worden. Aan het eind neemt hij de kijker nadrukkelijk bij de hand als de serie aanstuurt op een stevige climax, die je uiteindelijk toch wat onbevredigd achterlaat. Want zowel in de zaak zelf als in Diehl-Armstrongs intrigerende achtergrond zijn nog wel wat losse eindjes blijven liggen.

O, O, Harrie

21mei_Harrie_Jekkers_nu

 

Je kunt de man wel uit de arbeid halen, maar de arbeider niet uit de man. Misschien verklaart dat de aantrekkingskracht die Harrie Jekkers heeft op ‘gewone’ mensen. Zeker als hij lacht, oogt de zanger/kleinkunstenaar nog steeds als een rasechte volksjongen. En dan heb je hem nog niet eens horen praten…

Een doodgewone Hagenees was hij natuurlijk nooit. Al weet Jekkers, getuige bijvoorbeeld het onofficiële volkslied van zijn stad O, O, Den Haag of z’n portret van Koos Werkeloos, nog altijd moeiteloos de weg te vinden naar zijn arbeidersroots. Met de puntgave Nederlandstalige liedjes van het Klein Orkest voegde hij daar een linkse signatuur aan toe.

Jekkers legt nog altijd moeiteloos een connectie met gewone mensen: de man die zijn broer verloor en troost vond in Over 100 Jaar, een vrouw die na het horen van Ik Hou Van Mij besloot te gaan scheiden en de man die zijn carrière een nieuwe boost gaf, met Man In De Wolken in zijn achterhoofd. Via hen laat Karin Junger in O, O, Harrie (55 min.) zien welke impact Jekkers heeft gehad op zijn publiek.

Dat blijkt een tweesnijdend zwaard. Zelf koestert hij de vele brieven die hij door de jaren heeft ontvangen van zijn fans. Jekkers heeft ze altijd bewaard. Als hij erin terugleest, zo blijkt tijdens een sleutelscène van de film, kan hij nog altijd geëmotioneerd raken. Zijn fans vormen een soort verkapte familie, in een bestaan dat uiteindelijk, volgens hemzelf door bindingsangst, relatie- en kinderloos is gebleven.

In deze boeiende televisiedocumentaire slaagt Karin Junger erin om de man achter de gezellige drinkebroer vandaan te halen: een einzelgänger, die zich heeft verschanst in zijn eigen huis op Ibiza, tevreden lijkt met wat hij heeft opgebouwd en geen grootse plannen meer koestert voor de toekomst. Of het moet (nog) een reünietournee met het Klein Orkest zijn…

Bij het zoeken naar weblinks voor dit stuk stuitte ik overigens op dit verhaal over O, O Den Haag, de hit die onder de naam Harry Klorkestein – de achternaam is een anagram van Klein Orkest – werd uitgebracht en overal door de playbackende geluidstechnicus van de groep, Henny de Jong, aan de man is gebracht.

Kurt Cobain: Montage Of Heck


‘I hope I die before I get old’, beweerde de nog altijd springlevende Pete Townshend halverwege de jaren zestig in My Generation, het lijflied van de babyboom-generatie. De gitarist van The Who wordt deze week 73. Bij de man die ruim 25 jaar later het lijflied van de generatie X zou neerpennen, Smells Like Teen Spirit, eindigde het leven al op 27-jarige leeftijd. In 1994 voegde hij zich eigenhandig bij een club van opvallend jong gestorven pophelden.

Kurt Cobain, de man die met Nirvana hoogstpersoonlijk alternatieve rock naar MTV en het bijbehorende miljoenenpubliek bracht. Het boegbeeld van slackers in de hele wereld. En de ontheemde twintiger, een jongen nog, die worstelde met zichzelf, zijn plots verworven roem en het leven in het algemeen. In de fabuleuze biografie Kurt Cobain: Montage Of Heck(132 min.) komt regisseur Brett Morgen voorbij het stereotiepe beeld van De Getormenteerde Zanger, dat zo vaak van Cobain is geschetst, en slaagt hij erin om daarachter de kleine Kurt te vinden.

Daaraan liggen een aantal opvallende keuzes ten grondslag. Zo hanteert Morgen op het gebied van interviews stringent het ‘less is more’-principe. Waar voor de meeste popbiografieën een karrenvracht aan celebrities wordt ingevlogen, beperkt Morgen zich tot louter essentiële bronnen: Cobains moeder, vader, stiefmoeder, zus, ex-vriendin, weduwe Courtney Love en Nirvana-bassist Krist Novoselic. Zelfs Nirvana-drummer (en tegenwoordig boegbeeld van The Foo Fighters) Dave Grohl, die blijkbaar niet op tijd kon worden geïnterviewd, ontbreekt in de film. Door die scherpe keuze blijft rock & roll-bullshit achterwege en kan de film direct door naar de kern.

Bij de aankleding van zijn documentaire heeft hij zichzelf dan weer geen enkele beperking opgelegd. Met zichtbaar plezier maakt Brett Morgen – naast de gebruikelijke obligate popinterviews en enerverende concert- en studiobeelden – gebruik van Cobains dagboekfragmenten, brieven en naargeestige tekeningen, vertederende familiefilmpjes en speciaal voor de film gemaakte animaties (waarvan overigens niet iedereen gecharmeerd was). Die paart hij op virtuoze wijze aan Nirvana’s overbekende rocksongs, die daardoor van een extra dimensie worden voorzien. Alsof je ze voor het allereerst hoort. Dat lijkt me een verdienste op zich.

Uiteindelijk drijft Montage Of Heck echter op een klein menselijk verhaal: over een jongetje dat door allebei zijn ouders werd afgewezen en daarna met zijn ziel onder zijn arm, en het hart op de tong, door het leven moest. Het is maar al te goed voor te stellen dat in die door allerlei lichamelijke en psychische klachten geteisterde schreeuwzanger nog dat enthousiaste blonde menneke uit de Cobain-jeugdfilmpjes zat verstopt. Ergens onderweg is hij onherstelbaar beschadigd geraakt en de drang ontstaan tot zelfmedicatie – en, uiteindelijk, zelfdestructie.

Regisseur Brett Morgen, die onlangs een prachtige biografie maakte over een ander icoon, de beroemde primatologe Jane Goodall, slaagt erin om van het fenomeen Kurt Cobain weer een mens van vlees en bloed te maken. Terwijl hij in de laatste fase van zijn leven afglijdt in een heroïneverslaving, zet de zanger samen met zijn vrouw Courtney tegen beter weten in een kind op de wereld en blijft hunkeren naar zoiets als een traditioneel gezin. De uiteindelijke afloop staat al bijna 25 jaar vast en zindert desondanks nog wel even na.

11 Friese Fonteinen


Wat zouden ze van ‘ons’ vinden, de internationale kunstenaars die in het kader van het 11 Friese Fonteinen-project zijn ingevlogen? Zouden ze verrast zijn door de scepsis van de plaatselijke bevolking? En zouden ze soms stiekem een beetje moeten gniffelen om ‘het visioen’ van Anna Tilroe, de begeesterde curator van het prestigeproject van Leeuwarden als Culturele Hoofdstad van Europa 2018? Het zijn vragen die de eerste twee afleveringen van de driedelige documentaireserie 11 Friese Fonteinen (41 min.) onwillekeurig oproept. Filmmaker Roel van Dalen belicht daarin het wederzijdse onbegrip dat kunst in de openbare ruimte kan oproepen.

Elf fonteinen moeten er komen, in de elf steden van Friesland die tezamen ook die illustere schaatstocht vormen. Maar kunstenaars van eigen bodem worden er niet bij betrokken. Dat zint niet iedereen. De misprijzende blikken tijdens een van de vele inspraakavonden zijn niet van de lucht als het Amerikaanse kunstenaarsduo Jennifer Allora en Guillermo Calzadilla, dat Harlingen van een fontein moet gaan voorzien, ouder werk laat zien. Een militaire tank met een Olympische atleet op een loopband erop, dat motten we hier niet. Je ziet het sommige Harlingers denken. ‘Zij maken hele pompeuze kunstwerken’, constateerde een plaatselijke bewoner eerder al aan de rand van de stad, bij de buitenhaven. ‘Dus dan moet je hier wezen. Niet in de stad.’

In Stavoren krijgt het verzet een tastbare vorm. De lokale visboer meent dat het ontwerp voor de fontein van de Amerikaanse kunstenaar Mark Dion, een kabeljauw met een wijd opengesperde bek, is gebaseerd op een van de vissen die hij heeft uitgestald in zijn zaak. Hij is sowieso niet enthousiast: ‘Dat ding had beter in de Efteling kunnen staan.’ Curator Tilroe, die eveneens van ‘buiten’ komt, heeft van haar kant soms al even weinig op met de wensen van de lokale bevolking. Lopend door Workum constateert de Britse kunstenares Cornelia Parker dat een bepaalde plek haar niet aanstaat omdat er auto’s zijn geparkeerd. Mensen willen nu eenmaal dicht bij huis parkeren, probeert één van de leden van de speciaal ingestelde Fontein-commissie te verduidelijken. ‘Maar ja, dat is wel egoïstisch, hè?’, reageert Tilroe direct. ‘Het gaat om het beeld van de stad.’

Één man staat intussen boven de partijen: de van oorsprong Friese cabaretier Jan Jaap van der Wal. De koddige misverstanden en confrontaties, die steeds weer oplaaien en zich maar moeilijk definitief laten uitdoven, worden door hem van commentaar voorzien in een speciaal voor deze serie geschreven voorstelling. Van der Wal loopt zo nu en dan ook opzichtig door het beeld en beziet vanaf een afstandje het gekrakeel. Die toevoeging voelt een beetje als een kunstgreep; een Bekende Nederlander waarmee een documentaireserie die op primetime wordt uitgezonden blijkbaar nóg toegankelijker moet worden gemaakt.

Van der Wal is ook niet nodig. Veel scherper commentaar op de hele kwestie komt van de plaatselijke kunstenaar Henk de Boer, die als protest een alternatieve fontein heeft gemaakt: de zogenaamde Pauperfontein, een openbaar toilet in de vorm van een verzameling piemels die water beginnen te spuiten zodra er iemand naar de wc gaat. De Belgische kunstenaar Johan Creten, die een fontein in de vorm van vleermuis heeft ontworpen voor Bolsward, is de hele discussie rond kunstprojecten soms helemaal beu, bekent hij moedeloos. ‘Ik vind dat je in kunst vooral niet alles moet uitleggen.’ Maar zo werkt het niet in de Friese polder.

Intussen verliest 11 Friese Fonteinen zo nu en dan wat stoom. Bij elke ontmoeting tussen curator, kunstenaars en bevolking – constructief, ontmoedigend of met een hoog Jiskefet-gehalte – komen min of meer dezelfde thema’s bovendrijven. De serie wil wel heel veel verschillende fonteinen behandelen, met elk hun eigen kunstenaar, ontwerp en problematiek. Alsof de ontstaansgeschiedenis van wat ooit wellicht zal worden beschouwd als belangrijk Fries erfgoed – en dan vast ook door de nazaten van de hedendaagse criticasters – zo compleet mogelijk moest worden gedocumenteerd. Die overdaad schaadt de serie uiteindelijk weinig; 11 Friese Fonteinen is even vermakelijk als herkenbaar.

Het ambitieuze 11Fountains-project wordt komende vrijdag officieel geopend. Een feestelijke gelegenheid, die een plek krijgt in het afsluitende deel van deze serie (dat ik vanzelfsprekend nog niet heb kunnen zien).

Raghu Rai, An Unframed Portrait

KRO-NCRV

Hoeveel kans heeft een kind dat in de voetsporen van een beroemde ouder treedt om daadwerkelijk uit zijn/haar schaduw te stappen? Avani Rai maakt op een zeer verdienstelijk niveau foto’s, maar of ze daarmee ooit ook maar in de buurt kan komen van haar befaamde vader Raghu valt te betwijfelen.

Tijdens het maken van deze persoonlijke film over de Indiase fotograaf, die meer dan vijftig boeken publiceerde en danig van zich deed spreken met zijn werk over Moeder Teresa, het Bhopal-gifschandaal en de Dalai Lama, is die verhouding tussen vader en dochter in alles voelbaar. Hoewel hij eigenlijk het subject is van de film, geeft Pa Rai Avani regelmatig aanwijzingen en corrigeert hij haar ook als hij dat nodig acht.

Raghu Rai is een dwingende, eigenzinnige man, zo toont Avani’s egodocumentaire Raghu Rai: An Unframed Portrait (54 min.) feilloos aan. Een karaktereigenschap die, gepaard aan ’s mans opvallende sensitiviteit, ongetwijfeld ook debet is geweest aan zijn wereldwijde succes. Zijn dochter probeert haar veeleisende vader, diens indringende werk en hun relatie intussen met filosofisch getinte voice-overs in te kaderen.

De documentaire hinkt daardoor wel een beetje op twee gedachten; Avani wil enerzijds de schurende vader-dochter relatie in beeld brengen (wat niet helemaal uit de verf komt), maar ook een overzicht geven van zowel zijn imposante fotografie als de personen en ontwikkelingen die hij daarin heeft vereeuwigd. Dat is wat veel gevraagd. Uiteindelijk zijn het vooral die fraaie en diep menselijke foto’s, die een plek in je hart veroveren.

The Rachel Divide

Netflix

Kun je zwart zijn als je twee witte biologische ouders hebt? Rachel Dolezal voelt zich Afro-Amerikaans en profileert zich ook als zodanig, maar ze is in werkelijkheid zo blank als wat. Een doorgeslagen wigger, een white nigger, zogezegd. Dat bleef alleen verborgen. In haar woonplaats Spokane manifesteerde ze zich ‘gewoon’ als woordvoerder van de plaatselijke afdeling van de burgerrechtenbeweging NAACP en roerde ze zich danig in de Black Lives Matters-discussie.

Nadat er in 2015 twijfel ontstond over haatmail die ze in die hoedanigheid zou hebben ontvangen, werd Dolezal kritisch bevraagd door een lokale televisiejournalist. Daarbij kwamen er ook twijfels aan het licht over haar achtergrond. Was ze eigenlijk wel zwart of gewoon ‘een witte vrouw met een afro’? Dolezal probeerde de vraag te ontwijken, liep weg van het interview en viel en passant met donderend geraas van haar voetstuk als spreekbuis van de zwarte gemeenschap.

En nu moet ze verder met haar leven, bespot en verafschuwd. Als een soort Amerikaanse variant op Sylvana Simons, die behalve met haar natuurlijke tegenstanders ook nog eens strijd moet leveren met medestanders die twijfelen of ze is wie ze zegt te zijn en vinden dat ze hun zaak heeft verraden. The Rachel Divide (104 min.) registreert dat ontregelende proces. Dolezal besluit (natuurlijk, zou ik bijna zeggen) om een boek te schrijven. En ze is ook nog zwanger. Van een zwart kind. Toch?

Regisseur Laura Brownson vertelt dat verhaal grotendeels vanuit het perspectief van Dolezal en pleegt bijvoorbeeld geen wederhoor bij haar familie, waarmee ze in enkele diepgaande conflicten verzeild is geraakt (die tevens een licht werpen op haar opmerkelijke levenswandel). Ze houdt het bij de omstreden hoofdpersoon zelf, en haar kinderen die duidelijk met de kwestie in hun maag zitten, maar legt Dolezal hoogst zelden ongenadig op het rooster. Dat laat ze over aan andere media, die de gevallen vrouw met een ‘transraciale identiteit’ maar al te graag en plein publique het vuur aan de schenen leggen.

Ophef en conflict scoren immers altijd. Waarmee Rachel Dolezal, die een getroebleerde jeugd aanvoert als reden voor haar identificatie met zwart Amerika, opnieuw het podium krijgt dat ze blijkbaar zo naarstig zoekt. Ze laat zich maar al te graag opvoeren als het zwarte/witte schaap in het mediacircus dat steeds weer rond haar wordt opgetrokken. Het resulteert uiteindelijk in een ontluisterende slotscène, die deze schrijnende film en de controversiële hoofdpersoon daarvan in een ongemakkelijk perspectief plaatst.

A Dangerous Son

HBO

Ethan is tien, soms ronduit onhandelbaar en af en toe zelfs bijzonder agressief. Dat zorgt voor hachelijke situaties. Als hij op de snelweg bijvoorbeeld ineens woedend aan het haar van zijn moeder gaat hangen. Stacy weet de auto ternauwernood op de weg te houden. Haar zoon is geen rotjoch. Hij heeft een psychiatrische stoornis. Echte hulp blijft echter uit. Totdat het straks helemaal fout gaat. Moet ze daarop gaan zitten wachten?

De verwijten zijn dan gemakkelijk te voorspellen; het moet aan zijn opvoeding liggen. Zoals Nancy Lanza te horen kreeg. Haar zoon Adam schoot twintig kinderen en zes medewerkers dood op een basisschool in Newtown. En dus moest zij wel een hele slechte moeder zijn. Ze kon zich toen overigens niet meer verdedigen; ook Nancy werd geslachtofferd op die fatale veertiende december in 2012.

Voor Liza Long vormde de verpletterende school shooting op de Sandy Hook-basisschool de aanleiding om haar gevoelens te vervatten in een opiniestuk, dat direct viral ging: ‘I am Adam Lanza’s mother’. Ze schreef daarna het boek The Price Of Silence: A Mom’s Perspective On Mental Illness en fungeert nu als één van de duiders in de documentaire A Dangerous Son (85 min.), waarin enkele ouders en hun getormenteerde kinderen worden geportretteerd.

Deze schrijnende film van regisseur Liz Garbus, van wie over enkele weken een documentaireserie over de journalistieke strijd van The New York Times met president Trump (The Fourth Estate) wordt uitgezonden op NPO2, vraagt aandacht voor de gebrekkige ondersteuning van jongeren met een psychiatrische stoornis. In de afgelopen decennia is de zorg voor zulke kwetsbare mensen grondig uitgekleed. Niet alleen in Amerika overigens.

Garbus laat genadeloos zien wat dat in de praktijk betekent: kinderen die worden geteisterd door een autismespectrumstoornis, schizofrenie of een bipolaire stoornis, moeten er samen met hun steeds wanhopigere ouders op de een of andere manier voor zien te zorgen dat de situatie niet helemaal uit de hand loopt. Totdat ze eindelijk van die wachtlijst af mogen en (tijdelijk) kunnen worden opgevangen.

Gespannen en steeds moedelozer proberen de ouders zich staande te houden en zichzelf en hun kinderen (tegen zichzelf) te beschermen. A Dangerous Son maakt hun onmacht tastbaar en houdt meteen een pleidooi voor betere psychiatrische zorg. Of zoals Liza Long het kernachtig verwoordt: treatment before tragedy.

Amy


Ja, ook zij werd slechts 27 jaar! Amy Winehouse, de Britse popdiva die de strijd verloor met haar demonen. Met haar vroegtijdige dood trad ze toe tot de zogenaamde 27 Club, een illuster rijtje popgrootheden dat op 27-.jarige leeftijd het tijdelijke voor het eeuwige verwisselde: Kurt Cobain (Nirvana), Janis Joplin, James Morrison (The Doors) en Jimi Hendrix zijn (helaas) ook lid. De komende vrijdagen herhaalt de NPO documentaires over deze getroebleerde helden, die veel te jong stierven en zo (?) een heldenstatus verwierven. Te beginnen dus met Amy.

‘They tried to make me go to rehab’, zingt ze met die karakteristieke diepe stem in haar grootste hit Rehab. ‘But I said no, no, no.’ Het bleken profetische woorden. Afkicken van drank en drugs zou er uiteindelijk niet inzitten voor Amy Winehouse. Ze liet zich met huid en haar verslinden, in de ban van een soort onontkoombare zelfdestructie. En dat zie je ruim twee uur aankomen in Asif Kapadia’s meeslepende portret van de Britse zangeres, dat hem in 2016 een Oscar voor beste documentaire opleverde.

Waarom? Daarnaar kunnen we alleen gissen. Was het die dodelijke onzekerheid en verlegenheid, die zo contrasteerde met het sterrendom? Haar moeizame verhouding met vader Mitch, die zijn dochter rücksichtslos zou hebben geëxploiteerd (en naderhand woest was op de maker van deze film)? Of toch die foute ex-man Blake Fielder-Civil, die haar steeds weer meetrok in het drijfzand van verslaving? Een eenduidig antwoord geeft Amy niet. En dat is frustrerend. Alsof de eindbestemming, een roemloos (?) einde in fatale dronkenschap, allang vaststond en alleen de precieze weg ernaartoe nog moest worden uitgestippeld.

Met een weldaad aan archiefmateriaal maakt Kapadia Winehouses onvermijdelijke afdaling naar de hel voelbaar. Hij ondersteunt de opgediepte jeugdfilmpjes, radio-optredens, interviews, concerten en paparazzi-beelden met quotes van enkele zorgvuldig uit haar directe omgeving geselecteerde bronnen, zoals haar vader en echtgenoot. De geïnterviewden blijven letterlijk buiten beeld. Alle aandacht is gericht op de tragische figuur Amy, die net als Kurt, Janis en Jimi uitgroeide tot een popicoon, waarbij een achternaam overbodig is geworden.

Dit is iemand die wilde verdwijnen, zegt rapper Mos Def nochtans, met gevoel voor drama, in deze upppercut van een film. Of, zoals Winehouse het zelf treffend zingt in haar andere grote hit, Back To Black, waarin je sinds haar dood in 2011 allerlei betekenissen kunt terugvinden: ‘I’ll go back to black.’

End Game

Netflix

Je rent niet weg van lijden. Dat is volgens één van de artsen de kern van het Zen Hospice-project. Op z’n negentiende heeft deze B.J. Miller zelf bij een ongeluk zijn twee benen en linkeronderarm verloren. Nu bekommert hij zich, samen met enkele zeer betrokken collega’s en vrijwilligers, om mensen die in de eindfase van hun leven zijn aanbeland. Zij kúnnen ook helemaal niet weglopen voor hun lijden.

In het Medisch Centrum van de Universiteit van San Francisco krijgen ze palliatieve zorg en worden hen tegelijkertijd onmogelijke beslissingen voorgelegd: hoe en waar moet het leven eindigen en – ook – waarom eigenlijk? In het aangrijpende End Game (40 min.), een korte registrerende documentaire van Rob Epstein en Jeffrey Friedman, worden enkele doodzieke mensen en hun directe omgeving gevolgd terwijl ze zich voorbereiden op het definitieve afscheid van het leven.

De filmmakers concentreren zich daarbij in het bijzonder op de 45-jarige Mitra, een van oorsprong Iraanse vrouw met een achtjarige zoon. Ze ondergaat zichtbaar helse pijnen en is regelmatig helemaal van de wereld. Haar artsen en verwanten proberen intussen een soort lijn in het zand te trekken: wanneer is het lijden echt ondraaglijk geworden en welke stappen zetten we dan? Wat zou Mitra zélf willen? Hoewel ze een enorm verdriet delen, hebben haar familieleden daarbij elk hun eigen afwegingen.

Hoe breng én houd je zulke volledig ontwrichte mensen, in de donkerste dagen van hun bestaan, bij elkaar? Die vraagt dringt zich steeds nadrukkelijker op als het einde in deze kleine menselijke film naderbij komt. ‘Gezonde mensen denken over hoe ze willen sterven’, merkt arts Steve Pantilat daarover met een milde glimlach op tijdens een werkoverleg met zijn collega’s. ‘En zieke mensen over hoe ze willen leven.’

Elvis Presley: The Searcher

HBO

In 1968 leek zijn carrière over. Elvis Presley was verleden tijd. Ook volgens zichzelf. Afgegleden naar plat entertainment en voorbij gestreefd door The Beatles, Stones en al die andere sixtiesbands. Hij ging het niettemin nog eenmaal proberen. Tegen beter weten in. Omdat het bloed nu eenmaal kruipt waar het niet gaan kan. Tot het uiterste geladen overtrof ‘s werelds beroemdste rock & roller nog eenmaal alle verwachtingen en gaf zijn zieltogende loopbaan met de zogenaamde ‘68 Comeback Special een allerlaatste klap.

Dat is het startpunt van het epische portret Elvis Presley: The Searcher (205 min) van Thom Zimny. Zimny, de huisfilmer van Bruce Springsteen, voert een imposante collectie sprekers op – mensen die je in de film overigens alleen hoort en niet ziet. Van Presleys vrouw Priscilla, oude vrienden en zijn bandleden, songschrijvers en producers tot (pop)historici, biografen en zwaar door Elvis beïnvloede artiesten als Tom Petty, Emmylou Harris, Robbie Robertson (The Band) en – natuurlijk – Springsteen.

Tezamen gaan ze terug naar Presleys armoedige jeugd in Tupelo, Mississippi en schilderen van daaruit zijn enerverende leven, glorieuze carrière (die ook uitwaaierde naar, veelal aalgladde, speelfilms) en de tragische afloop daarvan in 1977; als extra large Vegas-versie van zichzelf, gedeprimeerd en verslaafd aan allerlei chemicaliën in zijn eigen potsierlijke paleis Graceland te Memphis, nog altijd een bedevaartsoord voor Elvis-adepten. Ruim veertig jaar na zijn dood geldt de man met de soepele stem, overrompelende good looks en losse heupen niettemin nog steeds als de onbetwiste ‘king of rock & roll’. Dit uitputtende documentaire-tweeluik bewijst hem op een bevredigende manier alle eer.

Losing Layla / After Inez

cultureunplugged.com

In 2001 maakte de Australische documentaire Losing Layla (52 min.), die hier is te bekijken, emotionele reacties los. Met een videodagboek documenteerden de bijna veertigjarige Vanessa Gorman en haar vriend Michael enthousiast haar eerste zwangerschap. Wat een vreugdevolle viering van nieuw leven had moeten worden, werd echter een gigantisch persoonlijk drama: hun dochtertje overleefde de bevalling niet.

Intussen bleef een vriendin ‘gewoon’ filmen: de plotselinge paniek, het navolgende drama en de golven van immens verdriet die daarna maar bleven komen. Niets ontsnapte aan het oog van de camera. En alles belandde uiteindelijk ook gewoon in de film, die bijna te intiem en pijnlijk werd om te zien. Moesten deze beelden werkelijk worden gedeeld met de buitenwereld? vroeg menigeen zich af. En zo ja, wat moesten willekeurige kijkers er dan mee?

Waar Losing Layla eindigde, begint de documentaire After Inez (53 min) van Karin Ekberg: Denize en Filip koesteren hun zojuist gestorven kind, brengen het ten grave en proberen daarna samen de weg naar het normale leven terug te vinden. De toonzetting is ook geheel anders. Deze Zweedse film is veel minder in your face, minder soapy zou je ook kunnen zeggen. Zoals het stel zelf soms ook wat secundair reageert.

Kalm en sober registreert Ekberg het emotionele proces dat het jonge koppel doormaakt; de bezoekjes aan het grafje voor de kleine Inez, de gesprekssessies met lotgenoten en de onvermijdelijke pogingen om opnieuw zwanger te worden. After Inez brengt zo’n beetje het grootste verdriet dat een mens moet dragen in beeld, maar dat gaat slechts beperkt gepaard met zichtbare emoties. Daardoor is de film minder instant invoelbaar dan Losing Layla, dat nietsontziend op je vader/moederhart trapt.

Deze Zweedse tegenhanger, die in eigen land een Tempo Documentary Award won en is verrijkt met muziek van de Noorse singer-songwriter Ane Brun, had soms nét iets dichter bij de getroffen ouders mogen komen. Zonder dat het plat of opdringerig wordt de tragedie die in hen huist, het verliezen van een kind dat je nauwelijks hebt gekend, in beeld brengen én invoelbaar maken. Nu moet je als kijker regelmatig tussen de regels door lezen. Wat je op die manier aantreft, gaat soms overigens nog steeds door merg en been.

Vanessa Gorman maakte na Losing Layla nog een persoonlijke film over haar pogingen om moeder te worden: Regarding Raphael, een documentaire die ik zelf nooit heb gezien en die online ook niet te vinden lijkt te zijn.

Losing Layla is hier te bekijken.