Als je het woord ‘psychisch’ in de mond neemt bij ouders en patiënten heb je verloren, meent professor Marc Benninga van het Academisch Medisch Centrum. Omdat ze zich dan niet serieus genomen voelen en het gevoel krijgen: die dokter denkt dat ik gek ben. ‘En dat is absoluut niet het geval.’ Hij zegt het er voor de zekerheid even bij.
Talloze Nederlanders kampen met onverklaarde pijnklachten. Daarop kun je allerlei etiketten plakken: het Chronisch Vermoeidheidssyndroom, fibromyalgie of het Prikkelbare Darm Syndroom. Die pijn zit, behalve in hun lijf, ook tussen de oren, maar die conclusie mag je eigenlijk niet hardop uitspreken. In reguliere ziekenhuizen wordt niettemin steeds vaker gebruik gemaakt van hypnotherapie, een behandeling die tot voor kort echt in het alternatieve circuit thuishoorde. Je moet er wel in geloven, vertelt Benninga erbij aan geïnteresseerden.
De journalistieke documentaire Hypnose Op Recept (55 min.) van Nieuwsuur-verslaggever Mirjam Bartelsman volgt enkele artsen die kinderen en volwassenen met onverklaarde pijnklachten behandelen. Hypnose is volgens hen veel effectiever gebleken dan de reguliere behandeling van een kinderarts. Het is zowel voor de doktoren als de patiënten (en hun ouders) wennen. ‘Daar wordt niet in aangeraakt?’ wil de moeder van de tiener Samantha, die al jaren met buikpijn kampt, vooraf graag weten. ‘Dat jij aan haar zit, zeg maar?’ Benninga: ‘Hoe bedoelt u?’ Nou ja, dat als jij die hypno doet, dat je met strelingen enne…’
De gehypnotiseerden worden niet aangeraakt, hooguit door een aangename stem, maar ze lijken getuige deze degelijke film wel te varen bij de therapie. De met weelderige droomsequenties geïllustreerde behandelingen zorgen eerst voor ontlading en daarna voor verlichting. Er komt van alles los; tussen oren en in lijven. Bij mensen, dat vooral.
Afgelopen weekend kwam er een voorlopig eind aan het drama dat zich al decennialang voltrekt in het leven van regisseur Terry Gilliam. Er moest een rechtszaak aan te pas komen, die hem ook nog in het ziekenhuis deed belanden met een lichte hartaanval, maar na een positieve uitspraak kon zijn speelfilm The Man Who Killed Don Quixote eindelijk in première gaan tijdens het festival van Cannes. Zo kwam er toch nog een happy end aan een filmproject waarvoor Gilliam, voorzichtig uitgedrukt, een ijzeren wil, olifantenhuid en de ausdauer van een schildpad nodig had.
De wet van Murphy heeft films over Don Quichot vaker geplaagd. Ook Orson Welles (Citizen Kane) beet zich al eens stuk op het maar al te symbolische verhaal over een man die de strijd aanbindt met molenwieken. Terry Gilliam, ooit het enige Amerikaanse lid van de absurde Britse comedyclub Monty Python, wil zijn geheel eigen interpretatie van de klassieker van Cervantes al zo’n beetje zijn hele leven verfilmen, maar vond steeds andere problemen op zijn pad. Zo moest Hollywood bijvoorbeeld niets hebben van de film, nadat een eerdere Gilliam-productie, The Adventures Of Baron Munchhausen, op een echec was uitgelopen. In dat opzicht blijft de geschiedenis zich overigens herhalen: de Amerikaanse distributeur van Quixote heeft zich onlangs alsnog teruggetrokken.
Uiteindelijk vond Gilliam eind jaren negentig in Europa geld voor zijn droomproject en konden de opnames voor The Man Who Killed Don Quixote, een film die toen al tien jaar in ontwikkeling was, rond de eeuwwisseling eindelijk beginnen. Met de Franse acteur Jean Rochefort als de tragische hoofdpersoon Don Quichot, Johnny Depp in de rol van Toby Grisoni (een hedendaagse stand-in voor Sancho Panza) en diens toenmalige vrouw Vanessa Paradis als zijn potentiële geliefde. Het zou een gigantisch fiasco worden, dat werd gedocumenteerd in een geweldige documentaire uit 2002: Lost In La Mancha (89 min.), een tragikomische film van Keith Fulton en Louis Pepe die oorspronkelijk was bedoeld als making of.
Terwijl werkelijk álles tegenzit – fysieke malheur bij Rochefort, een volledig weggespoelde filmset en steeds weer opspelende financiële problemen, om maar eens wat te noemen – begint Terry Gilliam meer en meer te lijken op, juist, Don Quichot. En Fulton en Pepe hebben overal toegang – omdat ze nu eenmaal een promofilm maken, die Gilliam bovendien altijd kan gebruiken om zijn eigen verhaal over het productieproces te onderbouwen. Ook als de onderlinge verhoudingen verzuren en het hele project spaak loopt blijft het duo als een vlieg op de muur filmen. Het resultaat, bijeengehouden door de onderkoelde voice-over van acteur Jeff Bridges, werkt ongetwijfeld op de lachspieren en zorgt tegelijkertijd voor compassie met de grote dromer Terry Gilliam.
Daarmee is niet gezegd dat The Man Who Killed Don Quixote een slechte film zou zijn geworden (of nu, bijna twintig jaar later, met een nieuw productieteam en Jonathan Pryce en Adam Driver in de hoofdrollen ís geworden). De documentaire Lost In La Mancha bevat enkele voorlopige filmscènes die tot de verbeelding spreken. En als je Gilliam zelf bezig ziet, bijvoorbeeld als hij hoogstpersoonlijk enkele rollen inspreekt bij gestoryboarde scènes, dan wordt eens te meer duidelijk dat hier een originele stem klinkt die gehoord moet worden. Een bezoek aan de bioscoop voor The Man Who Killed Don Quixote kan daarnaast zo langzamerhand worden beschouwd als een daad van pure medemenselijkheid.
Op deze Wikipedia-pagina is het complete verhaal van het productieproces van deze ‘development hell’ te lezen. In de geschiedenis van The Man Who Killed Don Quixote zijn ook nog bijrollen weggelegd voor Robert Duvall, John Hurt, Michael Palin en Ewan McGregor, acteurs die stuk voor stuk niet in de uiteindelijke film zijn beland.
Wellicht hebben ze wél een plek bemachtigd in He Dreams Of Giants, een zojuist aangekondigde nieuwe documentaire van Keith Fulton en Louis Pepe over de Don Quichot-avonturen van Terry Gilliam. Volgens dit Variety-artikelconcentreren ze zich in deze opvolger van Lost In La Mancha vooral op wat er omgaat in het hoofd van de veelgeplaagde regisseur.
Ik ben m’n eigen bewijsmateriaal. Mijn lichaam, bedoel ik. Of: mijn geest. Wat daarvan over is. Van mij. Verkracht voel ik me. Dat ben ik ook. Dubbel. Eerst lichamelijk. En nadien gevoelsmatig. Onderzocht. Ingrijpend. De sporen vastgelegd. En daarna? Niets. Helemaal niets.
Zo ongeveer moet het hebben gevoeld voor de hoofdpersonen van de documentaire I Am Evidence (85 min.) van Trish Adlesic en Geeta Gandbhir. Nadat ze aangifte deden van verkrachting, moesten ze een ingrijpend lichamelijk onderzoek van ettelijke uren ondergaan. Het resultaat daarvan, de zogenaamde rape kit, bevatte het bewijsmateriaal waarmee de dader zou moeten worden gezocht.
Zou. Moeten. Want in schrikbarend veel gevallen liggen diezelfde rape kits, nog steeds dichtgeseald, te verstoffen in een archief. Is het puur een kwestie van tijd- en geldgebrek dat deze sets nooit zijn gebruikt voor politieonderzoek? wil deze pamflettistische film weten. Of spreekt daaruit ook wantrouwen naar de aangiftes van de betrokken vrouwen? Zouden ze er misschien zelf om hebben gevraagd? En kún je eigenlijk wel verkracht worden als prostituee of binnen je relatie?
De oude aangiftes moeten alsnog onderzocht worden, vinden allerlei – vooral vrouwelijke – activisten, politieagenten en officieren van justitie. Een cold case team gaat die in behandeling nemen. In Cleveland vinden ze bijvoorbeeld een DNA-match voor meerdere verkrachtingen. Ze gaan op zoek naar één van de slachtoffers. Danielle werd in januari 1997 verkracht. Met een baby op de arm identificeert ze twintig jaar later alsnog de mogelijke dader. Hij is nog op vrije voeten, melden de onderzoekers erbij.
I Am Evidence toont diverse schrijnende gevallen. Van vrouwen die jaren na dato nog steeds in de knoop zitten met zichzelf, terwijl de betrokken mannen nooit (serieus) zijn onderzocht – laat staan veroordeeld. Soms worden ze zelfs van meerdere zaken verdacht. Al die jaren konden deze mogelijke serieverkrachters blijkbaar ongestoord hun gang gaan. Die wrange conclusie hamert deze traditioneel gemaakte docu er vol overtuiging in. Al had dat ook in wat minder speeltijd gekund.
Ze zit tegen een volledig witte achtergrond en kijkt recht in de camera. Dat probeert ze tenminste. Marijke zonder achternaam. Ze is duidelijk geëmotioneerd. Met horten en stoten doet ze haar verhaal: ‘Ik weet niet wat erger is: om te moeten zeggen dat mijn moeder is weggegaan en ons, mij, in de steek gelaten heeft en nooit meer is teruggekomen. Of dat ik ook nog moet zeggen wat ze gedaan heeft: dat ze veroordeeld is voor het misbruik van kinderen.’
Marijke keert terug naar de sekte De Gemeente Gods, waarin haar moeder van de profeet Sipke Vrieswijk de rol van De Hoofdvrouw (70 min.) toebedeeld had gekregen. Ze reconstrueert de gebeurtenissen met vader Hans, zus Annemieke, zussen van haar moeder en enkele voormalige sekteleden. Stuk voor stuk zijn ze onherkenbaar gemaakt. Alleen Marijke zelf toont zich aan de kijker. Het benadrukt de eenzame strijd waartoe ze zichzelf heeft verplicht.
De film die Hester Overmars daarover maakte is opgebouwd als een zoektocht. Naar het verleden van een religieuze gemeenschap, maar vooral naar haar moeder die ze al twintig jaar niet heeft gezien. Al te veel context krijgt de kijker daarbij niet. Die volgt gewoon Marijke. Zij probeert de witte plekken in haar geheugen (en leven) in te kleuren: wat bezielde haar moeder? Letterlijk. Of: wie? En dachten ze werkelijk dat ze uitverkoren waren door God?
Stukje bij beetje ontvouwt zich een dramatisch persoonlijk verhaal. De liefdevolle moeder uit die familiefilmpjes, hoe kon zij Vrieswijks ‘koningin’ worden? Marijke luistert naar oude geluidsopnames en wordt opnieuw emotioneel. Beelden van de sekte zelf zijn er niet – of krijgen we in elk geval niet te zien. Die kun je er wel bij bedenken. We zien vooral Marijke, innerlijk verscheurd, en haar gevecht om de waarheid boven tafel te krijgen. Intussen maakt ze zich klaar voor een dramatische confrontatie.
Je kon je eigen botten zien. Alsof er voor je ogen een röntgenfoto van je werd genomen. Zo fel was het licht toen De Bom explodeerde in de Nevada-woestijn, nabij Las Vegas. Aan het woord zijn The Atomic Soldiers (23 min.), Amerikaanse soldaten die in de jaren vijftig werden blootgesteld aan experimenten met de atoombom en na decennia gedwongen zwijgen nu de stilte doorbreken.
De Nederlander Morgan Knibbe, die enkele jaren geleden een Gouden Kalf won voor zijn koortsdroomfilm over illegale vluchtelingen in Europa (Those Who Feel The Fire Burning), maakte een korte documentaire over het moment dat hun leven voorgoed veranderde. Geen van allen zouden ze ooit nog dezelfde zijn. En ja, ze zagen inderdaad een champignonachtige wolk.
Knibbes film bestaat volledig uit interviews met de voormalige militairen. Ze zitten recht voor de camera, kijken er vol in en doen hun verhaal. Eerst van verbazing en ontzag, later van shock, ziekte en woede. Ooit waren ze met 400.000. Gezamenlijk doorstonden ze meer dan 1000 atoomproeven. Nu is er nog slechts een enkeling die zijn ervaringen kan delen. Gezamenlijk schetsen ze in The Atomic Soldiers een indringend verhaal.
Het is een angstaanjagend tafereel: op een parkeerplaats zit een man met een bom om zijn nek. Hij heeft zojuist een bank overvallen. Agenten en experts van het explosievenopruimingsdienst houden hem omsingeld. Opeens begint het ding te piepen. Het zal toch niet? En dan gaat de bom af…
Werd pizzabezorger Brian Wells uit Erie, Pennsylvania slachtoffer van een sinister complot? Of was hij op die gruwelijke 28e augustus in 2003 betrokken bij een bezopen plan, dat helemaal verkeerd liep? Dat is de beginvraag van de documentaireserie Evil Genius: The True Story Of America’s Most Diabolical Bank Heist (192 min.), die The Pizzabomber Mystery als uitgangspunt neemt en al snel op de verknipte Marjorie Diehl-Armstrong en haar entourage van ‘deplorables’ stuit.
Alle elementen voor een bingehit in de trant van Making A Murderer, Netflix’s true crime-sensatie uit 2015, lijken aanwezig: een lijk in een vrieskist, volledig vervuilde hoardershuizen, een geplande vadermoord en een cast met bizarre personages. Toch zal Evil Genius vermoedelijk niet zo’n hype worden als de serie rond de (ten onrechte?) voor moord veroordeelde Stephen Avery, waarvan dit jaar zowel vervolgafleveringen als een tegenhanger (Convicting A Murderer, verteld vanuit het perspectief van de aanklagers) wordt verwacht.
Regisseur Barbara Schroeder heeft Evil Genius – een weinig subtiele titel overigens voor een film die handelt over een vrouw die in werkelijkheid kampt met serieuze psychische problematiek, een bipolaire stoornis – gestructureerd als een Hollywood-thrillerserie, met slim opgebouwde spanning, onaangekondigde verrassingen die het verhaal op zijn kop zetten en cliffhangers waarmee de aandacht vervolgens moet worden vastgehouden. Dat werkt: het opzienbarende verhaal laat zich hap-slik-weg verorberen.
Schroeder worstelt alleen een beetje met de rol van co-regisseur Trey Borzillieri, die de zaak blijkbaar al jaren onderzoekt en intussen een verwrongen vriendschap met Diehl-Armstrong heeft opgebouwd. In ruil voor een interview voor de camera regelt hij bijvoorbeeld een advocaat voor de vrouw, die nog altijd voor haar recht vecht en daarvoor ook ‘zijn film’ gebruikt. Hij neemt op zijn beurt elk gesprek met haar (stiekem?) op en benadert achter haar rug andere getuigen, die haar lezing van het verhaal tegenspreken.
Zijn handelswijze roept zo nu en dan ethische vragen op. Borzillieri fungeert daarnaast als verteller, maar verdwijnt soms ook hele perioden uit het verhaal en moet er dan weer tamelijk gekunsteld ingefietst worden. Aan het eind neemt hij de kijker nadrukkelijk bij de hand als de serie aanstuurt op een stevige climax, die je uiteindelijk toch wat onbevredigd achterlaat. Want zowel in de zaak zelf als in Diehl-Armstrongs intrigerende achtergrond zijn nog wel wat losse eindjes blijven liggen.
Je kunt de man wel uit de arbeid halen, maar de arbeider niet uit de man. Misschien verklaart dat de aantrekkingskracht die Harrie Jekkers heeft op ‘gewone’ mensen. Zeker als hij lacht, oogt de zanger/kleinkunstenaar nog steeds als een rasechte volksjongen. En dan heb je hem nog niet eens horen praten…
Een doodgewone Hagenees was hij natuurlijk nooit. Al weet Jekkers, getuige bijvoorbeeld het onofficiële volkslied van zijn stad O, O, Den Haag of z’n portret van Koos Werkeloos, nog altijd moeiteloos de weg te vinden naar zijn arbeidersroots. Met de puntgave Nederlandstalige liedjes van het Klein Orkest voegde hij daar een linkse signatuur aan toe.
Jekkers legt nog altijd moeiteloos een connectie met gewone mensen: de man die zijn broer verloor en troost vond in Over 100 Jaar, een vrouw die na het horen van Ik Hou Van Mij besloot te gaan scheiden en de man die zijn carrière een nieuwe boost gaf, met Man In De Wolken in zijn achterhoofd. Via hen laat Karin Junger in O, O, Harrie (55 min.) zien welke impact Jekkers heeft gehad op zijn publiek.
Dat blijkt een tweesnijdend zwaard. Zelf koestert hij de vele brieven die hij door de jaren heeft ontvangen van zijn fans. Jekkers heeft ze altijd bewaard. Als hij erin terugleest, zo blijkt tijdens een sleutelscène van de film, kan hij nog altijd geëmotioneerd raken. Zijn fans vormen een soort verkapte familie, in een bestaan dat uiteindelijk, volgens hemzelf door bindingsangst, relatie- en kinderloos is gebleven.
In deze boeiende televisiedocumentaire slaagt Karin Junger erin om de man achter de gezellige drinkebroer vandaan te halen: een einzelgänger, die zich heeft verschanst in zijn eigen huis op Ibiza, tevreden lijkt met wat hij heeft opgebouwd en geen grootse plannen meer koestert voor de toekomst. Of het moet (nog) een reünietournee met het Klein Orkest zijn…
Bij het zoeken naar weblinks voor dit stuk stuitte ik overigens op dit verhaal over O, O Den Haag, de hit die onder de naam Harry Klorkestein – de achternaam is een anagram van Klein Orkest – werd uitgebracht en overal door de playbackende geluidstechnicus van de groep, Henny de Jong, aan de man is gebracht.
‘I hope I die before I get old’, beweerde de nog altijd springlevende Pete Townshend halverwege de jaren zestig in My Generation, het lijflied van de babyboom-generatie. De gitarist van The Who wordt deze week 73. Bij de man die ruim 25 jaar later het lijflied van de generatie X zou neerpennen, Smells Like Teen Spirit, eindigde het leven al op 27-jarige leeftijd. In 1994 voegde hij zich eigenhandig bij een club van opvallend jong gestorven pophelden.
Kurt Cobain, de man die met Nirvana hoogstpersoonlijk alternatieve rock naar MTV en het bijbehorende miljoenenpubliek bracht. Het boegbeeld van slackers in de hele wereld. En de ontheemde twintiger, een jongen nog, die worstelde met zichzelf, zijn plots verworven roem en het leven in het algemeen. In de fabuleuze biografie Kurt Cobain: Montage Of Heck(132 min.) komt regisseur Brett Morgen voorbij het stereotiepe beeld van De Getormenteerde Zanger, dat zo vaak van Cobain is geschetst, en slaagt hij erin om daarachter de kleine Kurt te vinden.
Daaraan liggen een aantal opvallende keuzes ten grondslag. Zo hanteert Morgen op het gebied van interviews stringent het ‘less is more’-principe. Waar voor de meeste popbiografieën een karrenvracht aan celebrities wordt ingevlogen, beperkt Morgen zich tot louter essentiële bronnen: Cobains moeder, vader, stiefmoeder, zus, ex-vriendin, weduwe Courtney Love en Nirvana-bassist Krist Novoselic. Zelfs Nirvana-drummer (en tegenwoordig boegbeeld van The Foo Fighters) Dave Grohl, die blijkbaar niet op tijd kon worden geïnterviewd, ontbreekt in de film. Door die scherpe keuze blijft rock & roll-bullshit achterwege en kan de film direct door naar de kern.
Bij de aankleding van zijn documentaire heeft hij zichzelf dan weer geen enkele beperking opgelegd. Met zichtbaar plezier maakt Brett Morgen – naast de gebruikelijke obligate popinterviews en enerverende concert- en studiobeelden – gebruik van Cobains dagboekfragmenten, brieven en naargeestige tekeningen, vertederende familiefilmpjes en speciaal voor de film gemaakte animaties (waarvan overigens niet iedereen gecharmeerd was). Die paart hij op virtuoze wijze aan Nirvana’s overbekende rocksongs, die daardoor van een extra dimensie worden voorzien. Alsof je ze voor het allereerst hoort. Dat lijkt me een verdienste op zich.
Uiteindelijk drijft Montage Of Heck echter op een klein menselijk verhaal: over een jongetje dat door allebei zijn ouders werd afgewezen en daarna met zijn ziel onder zijn arm, en het hart op de tong, door het leven moest. Het is maar al te goed voor te stellen dat in die door allerlei lichamelijke en psychische klachten geteisterde schreeuwzanger nog dat enthousiaste blonde menneke uit de Cobain-jeugdfilmpjes zat verstopt. Ergens onderweg is hij onherstelbaar beschadigd geraakt en de drang ontstaan tot zelfmedicatie – en, uiteindelijk, zelfdestructie.
Regisseur Brett Morgen, die onlangs een prachtige biografie maakte over een ander icoon, de beroemde primatologe Jane Goodall, slaagt erin om van het fenomeen Kurt Cobain weer een mens van vlees en bloed te maken. Terwijl hij in de laatste fase van zijn leven afglijdt in een heroïneverslaving, zet de zanger samen met zijn vrouw Courtney tegen beter weten in een kind op de wereld en blijft hunkeren naar zoiets als een traditioneel gezin. De uiteindelijke afloop staat al bijna 25 jaar vast en zindert desondanks nog wel even na.
Wat zouden ze van ‘ons’ vinden, de internationale kunstenaars die in het kader van het 11 Friese Fonteinen-project zijn ingevlogen? Zouden ze verrast zijn door de scepsis van de plaatselijke bevolking? En zouden ze soms stiekem een beetje moeten gniffelen om ‘het visioen’ van Anna Tilroe, de begeesterde curator van het prestigeproject van Leeuwarden als Culturele Hoofdstad van Europa 2018? Het zijn vragen die de eerste twee afleveringen van de driedelige documentaireserie 11 Friese Fonteinen (41 min.) onwillekeurig oproept. Filmmaker Roel van Dalen belicht daarin het wederzijdse onbegrip dat kunst in de openbare ruimte kan oproepen.
Elf fonteinen moeten er komen, in de elf steden van Friesland die tezamen ook die illustere schaatstocht vormen. Maar kunstenaars van eigen bodem worden er niet bij betrokken. Dat zint niet iedereen. De misprijzende blikken tijdens een van de vele inspraakavonden zijn niet van de lucht als het Amerikaanse kunstenaarsduo Jennifer Allora en Guillermo Calzadilla, dat Harlingen van een fontein moet gaan voorzien, ouder werk laat zien. Een militaire tank met een Olympische atleet op een loopband erop, dat motten we hier niet. Je ziet het sommige Harlingers denken. ‘Zij maken hele pompeuze kunstwerken’, constateerde een plaatselijke bewoner eerder al aan de rand van de stad, bij de buitenhaven. ‘Dus dan moet je hier wezen. Niet in de stad.’
In Stavoren krijgt het verzet een tastbare vorm. De lokale visboer meent dat het ontwerp voor de fontein van de Amerikaanse kunstenaar Mark Dion, een kabeljauw met een wijd opengesperde bek, is gebaseerd op een van de vissen die hij heeft uitgestald in zijn zaak. Hij is sowieso niet enthousiast: ‘Dat ding had beter in de Efteling kunnen staan.’ Curator Tilroe, die eveneens van ‘buiten’ komt, heeft van haar kant soms al even weinig op met de wensen van de lokale bevolking. Lopend door Workum constateert de Britse kunstenares Cornelia Parker dat een bepaalde plek haar niet aanstaat omdat er auto’s zijn geparkeerd. Mensen willen nu eenmaal dicht bij huis parkeren, probeert één van de leden van de speciaal ingestelde Fontein-commissie te verduidelijken. ‘Maar ja, dat is wel egoïstisch, hè?’, reageert Tilroe direct. ‘Het gaat om het beeld van de stad.’
Één man staat intussen boven de partijen: de van oorsprong Friese cabaretier Jan Jaap van der Wal. De koddige misverstanden en confrontaties, die steeds weer oplaaien en zich maar moeilijk definitief laten uitdoven, worden door hem van commentaar voorzien in een speciaal voor deze serie geschreven voorstelling. Van der Wal loopt zo nu en dan ook opzichtig door het beeld en beziet vanaf een afstandje het gekrakeel. Die toevoeging voelt een beetje als een kunstgreep; een Bekende Nederlander waarmee een documentaireserie die op primetime wordt uitgezonden blijkbaar nóg toegankelijker moet worden gemaakt.
Van der Wal is ook niet nodig. Veel scherper commentaar op de hele kwestie komt van de plaatselijke kunstenaar Henk de Boer, die als protest een alternatieve fontein heeft gemaakt: de zogenaamde Pauperfontein, een openbaar toilet in de vorm van een verzameling piemels die water beginnen te spuiten zodra er iemand naar de wc gaat. De Belgische kunstenaar Johan Creten, die een fontein in de vorm van vleermuis heeft ontworpen voor Bolsward, is de hele discussie rond kunstprojecten soms helemaal beu, bekent hij moedeloos. ‘Ik vind dat je in kunst vooral niet alles moet uitleggen.’ Maar zo werkt het niet in de Friese polder.
Intussen verliest 11 Friese Fonteinen zo nu en dan wat stoom. Bij elke ontmoeting tussen curator, kunstenaars en bevolking – constructief, ontmoedigend of met een hoog Jiskefet-gehalte – komen min of meer dezelfde thema’s bovendrijven. De serie wil wel heel veel verschillende fonteinen behandelen, met elk hun eigen kunstenaar, ontwerp en problematiek. Alsof de ontstaansgeschiedenis van wat ooit wellicht zal worden beschouwd als belangrijk Fries erfgoed – en dan vast ook door de nazaten van de hedendaagse criticasters – zo compleet mogelijk moest worden gedocumenteerd. Die overdaad schaadt de serie uiteindelijk weinig; 11 Friese Fonteinen is even vermakelijk als herkenbaar.
Het ambitieuze 11Fountains-project wordt komende vrijdag officieel geopend. Een feestelijke gelegenheid, die een plek krijgt in het afsluitende deel van deze serie (dat ik vanzelfsprekend nog niet heb kunnen zien).
Hoeveel kans heeft een kind dat in de voetsporen van een beroemde ouder treedt om daadwerkelijk uit zijn/haar schaduw te stappen? Avani Rai maakt op een zeer verdienstelijk niveau foto’s, maar of ze daarmee ooit ook maar in de buurt kan komen van haar befaamde vader Raghu valt te betwijfelen.
Tijdens het maken van deze persoonlijke film over de Indiase fotograaf, die meer dan vijftig boeken publiceerde en danig van zich deed spreken met zijn werk over Moeder Teresa, het Bhopal-gifschandaal en de Dalai Lama, is die verhouding tussen vader en dochter in alles voelbaar. Hoewel hij eigenlijk het subject is van de film, geeft Pa Rai Avani regelmatig aanwijzingen en corrigeert hij haar ook als hij dat nodig acht.
Raghu Rai is een dwingende, eigenzinnige man, zo toont Avani’s egodocumentaire Raghu Rai: An Unframed Portrait (54 min.) feilloos aan. Een karaktereigenschap die, gepaard aan ’s mans opvallende sensitiviteit, ongetwijfeld ook debet is geweest aan zijn wereldwijde succes. Zijn dochter probeert haar veeleisende vader, diens indringende werk en hun relatie intussen met filosofisch getinte voice-overs in te kaderen.
De documentaire hinkt daardoor wel een beetje op twee gedachten; Avani wil enerzijds de schurende vader-dochter relatie in beeld brengen (wat niet helemaal uit de verf komt), maar ook een overzicht geven van zowel zijn imposante fotografie als de personen en ontwikkelingen die hij daarin heeft vereeuwigd. Dat is wat veel gevraagd. Uiteindelijk zijn het vooral die fraaie en diep menselijke foto’s, die een plek in je hart veroveren.
Kun je zwart zijn als je twee witte biologische ouders hebt? Rachel Dolezal voelt zich Afro-Amerikaans en profileert zich ook als zodanig, maar ze is in werkelijkheid zo blank als wat. Een doorgeslagen wigger, een white nigger, zogezegd. Dat bleef alleen verborgen. In haar woonplaats Spokane manifesteerde ze zich ‘gewoon’ als woordvoerder van de plaatselijke afdeling van de burgerrechtenbeweging NAACP en roerde ze zich danig in de Black Lives Matters-discussie.
Nadat er in 2015 twijfel ontstond over haatmail die ze in die hoedanigheid zou hebben ontvangen, werd Dolezal kritisch bevraagd door een lokale televisiejournalist. Daarbij kwamen er ook twijfels aan het licht over haar achtergrond. Was ze eigenlijk wel zwart of gewoon ‘een witte vrouw met een afro’? Dolezal probeerde de vraag te ontwijken, liep weg van het interview en viel en passant met donderend geraas van haar voetstuk als spreekbuis van de zwarte gemeenschap.
En nu moet ze verder met haar leven, bespot en verafschuwd. Als een soort Amerikaanse variant op Sylvana Simons, die behalve met haar natuurlijke tegenstanders ook nog eens strijd moet leveren met medestanders die twijfelen of ze is wie ze zegt te zijn en vinden dat ze hun zaak heeft verraden. The Rachel Divide (104 min.) registreert dat ontregelende proces. Dolezal besluit (natuurlijk, zou ik bijna zeggen) om een boek te schrijven. En ze is ook nog zwanger. Van een zwart kind. Toch?
Regisseur Laura Brownson vertelt dat verhaal grotendeels vanuit het perspectief van Dolezal en pleegt bijvoorbeeld geen wederhoor bij haar familie, waarmee ze in enkele diepgaande conflicten verzeild is geraakt (die tevens een licht werpen op haar opmerkelijke levenswandel). Ze houdt het bij de omstreden hoofdpersoon zelf, en haar kinderen die duidelijk met de kwestie in hun maag zitten, maar legt Dolezal hoogst zelden ongenadig op het rooster. Dat laat ze over aan andere media, die de gevallen vrouw met een ‘transraciale identiteit’ maar al te graag en plein publique het vuur aan de schenen leggen.
Ophef en conflict scoren immers altijd. Waarmee Rachel Dolezal, die een getroebleerde jeugd aanvoert als reden voor haar identificatie met zwart Amerika, opnieuw het podium krijgt dat ze blijkbaar zo naarstig zoekt. Ze laat zich maar al te graag opvoeren als het zwarte/witte schaap in het mediacircus dat steeds weer rond haar wordt opgetrokken. Het resulteert uiteindelijk in een ontluisterende slotscène, die deze schrijnende film en de controversiële hoofdpersoon daarvan in een ongemakkelijk perspectief plaatst.
Ethan is tien, soms ronduit onhandelbaar en af en toe zelfs bijzonder agressief. Dat zorgt voor hachelijke situaties. Als hij op de snelweg bijvoorbeeld ineens woedend aan het haar van zijn moeder gaat hangen. Stacy weet de auto ternauwernood op de weg te houden. Haar zoon is geen rotjoch. Hij heeft een psychiatrische stoornis. Echte hulp blijft echter uit. Totdat het straks helemaal fout gaat. Moet ze daarop gaan zitten wachten?
De verwijten zijn dan gemakkelijk te voorspellen; het moet aan zijn opvoeding liggen. Zoals Nancy Lanza te horen kreeg. Haar zoon Adam schoot twintig kinderen en zes medewerkers dood op een basisschool in Newtown. En dus moest zij wel een hele slechte moeder zijn. Ze kon zich toen overigens niet meer verdedigen; ook Nancy werd geslachtofferd op die fatale veertiende december in 2012.
Voor Liza Long vormde de verpletterende school shooting op de Sandy Hook-basisschool de aanleiding om haar gevoelens te vervatten in een opiniestuk, dat direct viral ging: ‘I am Adam Lanza’s mother’. Ze schreef daarna het boek The Price Of Silence: A Mom’s Perspective On Mental Illness en fungeert nu als één van de duiders in de documentaire A Dangerous Son (85 min.), waarin enkele ouders en hun getormenteerde kinderen worden geportretteerd.
Deze schrijnende film van regisseur Liz Garbus, van wie over enkele weken een documentaireserie over de journalistieke strijd van The New York Times met president Trump (The Fourth Estate) wordt uitgezonden op NPO2, vraagt aandacht voor de gebrekkige ondersteuning van jongeren met een psychiatrische stoornis. In de afgelopen decennia is de zorg voor zulke kwetsbare mensen grondig uitgekleed. Niet alleen in Amerika overigens.
Garbus laat genadeloos zien wat dat in de praktijk betekent: kinderen die worden geteisterd door een autismespectrumstoornis, schizofrenie of een bipolaire stoornis, moeten er samen met hun steeds wanhopigere ouders op de een of andere manier voor zien te zorgen dat de situatie niet helemaal uit de hand loopt. Totdat ze eindelijk van die wachtlijst af mogen en (tijdelijk) kunnen worden opgevangen.
Gespannen en steeds moedelozer proberen de ouders zich staande te houden en zichzelf en hun kinderen (tegen zichzelf) te beschermen. A Dangerous Son maakt hun onmacht tastbaar en houdt meteen een pleidooi voor betere psychiatrische zorg. Of zoals Liza Long het kernachtig verwoordt: treatment before tragedy.
Ja, ook zij werd slechts 27 jaar! Amy Winehouse, de Britse popdiva die de strijd verloor met haar demonen. Met haar vroegtijdige dood trad ze toe tot de zogenaamde 27 Club, een illuster rijtje popgrootheden dat op 27-.jarige leeftijd het tijdelijke voor het eeuwige verwisselde: Kurt Cobain (Nirvana), Janis Joplin, James Morrison (The Doors) en Jimi Hendrix zijn (helaas) ook lid. De komende vrijdagen herhaalt de NPO documentaires over deze getroebleerde helden, die veel te jong stierven en zo (?) een heldenstatus verwierven. Te beginnen dus met Amy.
‘They tried to make me go to rehab’, zingt ze met die karakteristieke diepe stem in haar grootste hit Rehab. ‘But I said no, no, no.’ Het bleken profetische woorden. Afkicken van drank en drugs zou er uiteindelijk niet inzitten voor Amy Winehouse. Ze liet zich met huid en haar verslinden, in de ban van een soort onontkoombare zelfdestructie. En dat zie je ruim twee uur aankomen in Asif Kapadia’s meeslepende portret van de Britse zangeres, dat hem in 2016 een Oscar voor beste documentaire opleverde.
Waarom? Daarnaar kunnen we alleen gissen. Was het die dodelijke onzekerheid en verlegenheid, die zo contrasteerde met het sterrendom? Haar moeizame verhouding met vader Mitch, die zijn dochter rücksichtslos zou hebben geëxploiteerd (en naderhand woest was op de maker van deze film)? Of toch die foute ex-man Blake Fielder-Civil, die haar steeds weer meetrok in het drijfzand van verslaving? Een eenduidig antwoord geeft Amy niet. En dat is frustrerend. Alsof de eindbestemming, een roemloos (?) einde in fatale dronkenschap, allang vaststond en alleen de precieze weg ernaartoe nog moest worden uitgestippeld.
Met een weldaad aan archiefmateriaal maakt Kapadia Winehouses onvermijdelijke afdaling naar de hel voelbaar. Hij ondersteunt de opgediepte jeugdfilmpjes, radio-optredens, interviews, concerten en paparazzi-beelden met quotes van enkele zorgvuldig uit haar directe omgeving geselecteerde bronnen, zoals haar vader en echtgenoot. De geïnterviewden blijven letterlijk buiten beeld. Alle aandacht is gericht op de tragische figuur Amy, die net als Kurt, Janis en Jimi uitgroeide tot een popicoon, waarbij een achternaam overbodig is geworden.
Dit is iemand die wilde verdwijnen, zegt rapper Mos Def nochtans, met gevoel voor drama, in deze upppercut van een film. Of, zoals Winehouse het zelf treffend zingt in haar andere grote hit, Back To Black, waarin je sinds haar dood in 2011 allerlei betekenissen kunt terugvinden: ‘I’ll go back to black.’
Je rent niet weg van lijden. Dat is volgens één van de artsen de kern van het Zen Hospice-project. Op z’n negentiende heeft deze B.J. Miller zelf bij een ongeluk zijn twee benen en linkeronderarm verloren. Nu bekommert hij zich, samen met enkele zeer betrokken collega’s en vrijwilligers, om mensen die in de eindfase van hun leven zijn aanbeland. Zij kúnnen ook helemaal niet weglopen voor hun lijden.
In het Medisch Centrum van de Universiteit van San Francisco krijgen ze palliatieve zorg en worden hen tegelijkertijd onmogelijke beslissingen voorgelegd: hoe en waar moet het leven eindigen en – ook – waarom eigenlijk? In het aangrijpende End Game (40 min.), een korte registrerende documentaire van Rob Epstein en Jeffrey Friedman, worden enkele doodzieke mensen en hun directe omgeving gevolgd terwijl ze zich voorbereiden op het definitieve afscheid van het leven.
De filmmakers concentreren zich daarbij in het bijzonder op de 45-jarige Mitra, een van oorsprong Iraanse vrouw met een achtjarige zoon. Ze ondergaat zichtbaar helse pijnen en is regelmatig helemaal van de wereld. Haar artsen en verwanten proberen intussen een soort lijn in het zand te trekken: wanneer is het lijden echt ondraaglijk geworden en welke stappen zetten we dan? Wat zou Mitra zélf willen? Hoewel ze een enorm verdriet delen, hebben haar familieleden daarbij elk hun eigen afwegingen.
Hoe breng én houd je zulke volledig ontwrichte mensen, in de donkerste dagen van hun bestaan, bij elkaar? Die vraagt dringt zich steeds nadrukkelijker op als het einde in deze kleine menselijke film naderbij komt. ‘Gezonde mensen denken over hoe ze willen sterven’, merkt arts Steve Pantilat daarover met een milde glimlach op tijdens een werkoverleg met zijn collega’s. ‘En zieke mensen over hoe ze willen leven.’
In 1968 leek zijn carrière over. Elvis Presley was verleden tijd. Ook volgens zichzelf. Afgegleden naar plat entertainment en voorbij gestreefd door The Beatles, Stones en al die andere sixtiesbands. Hij ging het niettemin nog eenmaal proberen. Tegen beter weten in. Omdat het bloed nu eenmaal kruipt waar het niet gaan kan. Tot het uiterste geladen overtrof ‘s werelds beroemdste rock & roller nog eenmaal alle verwachtingen en gaf zijn zieltogende loopbaan met de zogenaamde ‘68 Comeback Special een allerlaatste klap.
Dat is het startpunt van het epische portret Elvis Presley: The Searcher (205 min) van Thom Zimny. Zimny, de huisfilmer van Bruce Springsteen, voert een imposante collectie sprekers op – mensen die je in de film overigens alleen hoort en niet ziet. Van Presleys vrouw Priscilla, oude vrienden en zijn bandleden, songschrijvers en producers tot (pop)historici, biografen en zwaar door Elvis beïnvloede artiesten als Tom Petty, Emmylou Harris, Robbie Robertson (The Band) en – natuurlijk – Springsteen.
Tezamen gaan ze terug naar Presleys armoedige jeugd in Tupelo, Mississippi en schilderen van daaruit zijn enerverende leven, glorieuze carrière (die ook uitwaaierde naar, veelal aalgladde, speelfilms) en de tragische afloop daarvan in 1977; als extra large Vegas-versie van zichzelf, gedeprimeerd en verslaafd aan allerlei chemicaliën in zijn eigen potsierlijke paleis Graceland te Memphis, nog altijd een bedevaartsoord voor Elvis-adepten. Ruim veertig jaar na zijn dood geldt de man met de soepele stem, overrompelende good looks en losse heupen niettemin nog steeds als de onbetwiste ‘king of rock & roll’. Dit uitputtende documentaire-tweeluik bewijst hem op een bevredigende manier alle eer.
In 2001 maakte de Australische documentaire Losing Layla (52 min.), die hier is te bekijken, emotionele reacties los. Met een videodagboek documenteerden de bijna veertigjarige Vanessa Gorman en haar vriend Michael enthousiast haar eerste zwangerschap. Wat een vreugdevolle viering van nieuw leven had moeten worden, werd echter een gigantisch persoonlijk drama: hun dochtertje overleefde de bevalling niet.
Intussen bleef een vriendin ‘gewoon’ filmen: de plotselinge paniek, het navolgende drama en de golven van immens verdriet die daarna maar bleven komen. Niets ontsnapte aan het oog van de camera. En alles belandde uiteindelijk ook gewoon in de film, die bijna te intiem en pijnlijk werd om te zien. Moesten deze beelden werkelijk worden gedeeld met de buitenwereld? vroeg menigeen zich af. En zo ja, wat moesten willekeurige kijkers er dan mee?
Waar Losing Layla eindigde, begint de documentaire After Inez (53 min) van Karin Ekberg: Denize en Filip koesteren hun zojuist gestorven kind, brengen het ten grave en proberen daarna samen de weg naar het normale leven terug te vinden. De toonzetting is ook geheel anders. Deze Zweedse film is veel minder in your face, minder soapy zou je ook kunnen zeggen. Zoals het stel zelf soms ook wat secundair reageert.
Kalm en sober registreert Ekberg het emotionele proces dat het jonge koppel doormaakt; de bezoekjes aan het grafje voor de kleine Inez, de gesprekssessies met lotgenoten en de onvermijdelijke pogingen om opnieuw zwanger te worden. After Inez brengt zo’n beetje het grootste verdriet dat een mens moet dragen in beeld, maar dat gaat slechts beperkt gepaard met zichtbare emoties. Daardoor is de film minder instant invoelbaar dan Losing Layla, dat nietsontziend op je vader/moederhart trapt.
Deze Zweedse tegenhanger, die in eigen land een Tempo Documentary Award won en is verrijkt met muziek van de Noorse singer-songwriter Ane Brun, had soms nét iets dichter bij de getroffen ouders mogen komen. Zonder dat het plat of opdringerig wordt de tragedie die in hen huist, het verliezen van een kind dat je nauwelijks hebt gekend, in beeld brengen én invoelbaar maken. Nu moet je als kijker regelmatig tussen de regels door lezen. Wat je op die manier aantreft, gaat soms overigens nog steeds door merg en been.
Vanessa Gorman maakte na Losing Layla nog een persoonlijke film over haar pogingen om moeder te worden: Regarding Raphael, een documentaire die ik zelf nooit heb gezien en die online ook niet te vinden lijkt te zijn.
Deze driedelige documentaireserie over Saudi-Arabië start enkele duizenden kilometers verderop: in Sarajevo, waar de grootste moskee van Bosnië en Herzegovina, die een radicale variant van de islam predikt, net als diverse Nederlandse moskees blijkt te zijn gefinancierd met Saudisch geld. Halverwege de jaren negentig was het Arabische regime ook al actief in het voormalige Joegoslavië, toen Bosnische moslims en Servische christenen elkaar naar het leven stonden in een bloedige burgeroorlog.
De betrokkenheid van de Saudi’s bij de interne aangelegenheden van een Europees land tekenen de internationale ambities van het regime, dat ook in verband gebracht met Osama Bin Laden’s al-Qaida, verantwoordelijk voor de aanslagen op elf september, en de gruwelen van Islamitische Staat. House Of Saud: A Family At War (174 min.) onderzoekt de rol van de koninklijke familie van Saudi-Arabië als grootfinancier van extremistisch geweld en hoe het kan dat die niet ten koste is gegaan van de internationale positie van het land.
Welke rol speelt olie daarin? En smeergeld? En is er met kroonprins Mohammed bin Salman wellicht een kentering op komst? Deze gedegen journalistieke documentaireserie probeert met politici, deskundigen, critici en vertegenwoordigers van het Saudische bewind antwoorden te formuleren en neemt intussen bij direct betrokkenen en slachtoffers de schade op van terroristische acties die door de Saudi’s zouden zijn ondersteund, zoals de aanslag in het Taj Mahal-hotel in Mumbai, het steeds weer de kop opstekende Taliban-bewind en de voortdurende strijd in Syrië.
En dan is er natuurlijk ook nog de aanzienlijke hoeveelheid boter op het hoofd van westerse leiders en bedrijven, die het Saudische regime misschien verafschuwen, maar altijd bereid blijken te zijn om er tóch geld aan te verdienen. Zo belandt de BBC-productie House Of Saudbijvoorbeeld in Amsterdam, waar het Nederlandse bouwbedrijf Ballast Nedam ettelijke honderden miljoenen naar een sowieso al puissant rijk lid van de Saudische koninklijke familie zou hebben overgemaakt om een lucratieve deal binnen te halen.
De Saudische leiders, die doorgaans wel raad weten met afwijkende meningen en zich schuldig zouden maken aan massale surveillance van de eigen burgers en propaganda via sociale media, wilden naar verluidt niet reageren op de bevindingen in deze interessante en op dit momentbijzonder actuele serie, die op drie opeenvolgende dinsdagen wordt uitgezonden op NPO2. De filmmakers kregen, volgens een verklaring aan het eind van elke aflevering, ook geen toestemming om te filmen in het Saudische koninkrijk.
Een dramatischer gegeven is, zeker achteraf bezien, nauwelijks voorstelbaar. 4 April 1968. De Democratische presidentskandidaat Robert Kennedy moet zijn gehoor tijdens een campagnebijeenkomst in Indianapolis vertellen dat enkele uren eerder de burgerrechtenleider Martin Luther King is vermoord. Het wordt zijn beste speech. Al improviserend weet Bobby enkele troostende woorden van de Griekse dichter Aeschylus te vinden, die een halve eeuw nog altijd nazinderen. Ook omdat de gedoodverfde Amerikaanse president zelf slechts twee maanden later, op de fatale woensdag 5 juni, eveneens ten prooi zal vallen aan een eenzame schutter. En als klap op de vuurpijl wordt de omstreden Republikein Richard Nixon, een aartsvijand van de Kennedys, president van de Verenigde Staten.
Vijftig jaar na dato belicht de documentaireserie Bobby Kennedy For President (246 min.) de derde zoon van de politieke dynastie die vader Joe Kennedy probeerde te stichten. De eerste, Joe Junior, had president moeten worden, maar sneuvelde in de Tweede Wereldoorlog. Nummer twee, John, werd daadwerkelijk president, maar stierf op 22 november 1963 bij een aanslag door de ultieme ‘lone gunman’ Lee Harvey Oswald (of was ook hij niet meer dan een zondebok voor een uitgebreide samenzwering, de verdenking die boven zo’n beetje alle politieke moorden van de sixties hangt?). Zoon vier tenslotte, Edward, vergooide zijn kansen op dat presidentschap met een geruchtmakend ongeluk, waarbij een onbekende vrouw de dood vond, en moest zich tevreden stellen met een heldenrol als linkse leeuw in de Amerikaanse senaat.
En Robert F. Kennedy, kortweg RFK, zou dus ook geen president worden. Regisseur Dawn Porter concentreert zich in deze serie volledig op diens politieke carrière en brengt zijn transformatie van rijkeluiszoontje, dat als jong strebertje begon bij de foute communistenjager Joe McCarthy en later minister van justitie werd onder zijn broer John, naar sociaal bewogen icoon van Links Amerika overtuigend in kaart. Bobby was vóór de armen en tégen Vietnam, zogezegd. Porter laat vooral het overvloedige archiefmateriaal spreken en lardeert dat met quotes van bronnen als burgerrechtenactivist John Lewis, zanger Harry Belafonte, vakbondsvrouw Dolores Huerta en een handvol persoonlijke medewerkers van Kennedy. Stuk voor stuk zijn ze de hoofdpersoon nog altijd goedgezind, waardoor dit portret soms de contouren van een hagiografie krijgt.
Intussen blijft de gewone Bobby (telg van een hyperambitieuze familie, broer van een vermoorde president en vader van maar liefst elf kinderen) grotendeels buiten beeld. Ook omdat er geen directe familieleden participeren in deze serie. In deel 1, dat eindigt met de uitvaart van JFK, schetst Porter de aanloop naar Kennedys loopbaan als zelfstandige politieke kandidaat, die in de navolgende twee afleveringen wordt uitgediept. Culminerend in zijn overwinningsspeech bij de voorverkiezingen in Californië, waarna hij onder vuur wordt genomen door een eenzaat met een geweer en op 42-jarige leeftijd al Bobbys dromen definitief vervliegen. De afsluitende episode richt zich tenslotte op het proces tegen RFK’s eenzame schutter Sirhan Sirhan, waarbij ook diens broer Munir aan het woord komt, en maakt de balans op van Kennedys veelbewogen leven, dat getuige deze doortimmerde serie nog altijd veel emoties losmaakt.
Een veel persoonlijker perspectief op Robert Kennedy en vooral zijn echtgenote is te zien in het aangrijpende Ethel uit 2012, een film van de jongste dochter van Bobby en Ethel, Rory Kennedy, die bijna een half jaar na zijn dood werd geboren.
Ze had zichzelf wijsgemaakt dat ze een dochter was van koningin Juliana en voor haar eigen veiligheid naar de Verenigde Staten was gebracht. Anderen kenden Anneke Kohnke tijdens de Tweede Wereldoorlog simpelweg als ‘de baby’, een Joods meisje dat na de deportatie van haar ouders opgroeide in een Nederlands pleeggezin.
Fred Blacquière, haar pleegbroertje in die woelige jaren, heeft zijn moeder enkele jaren geleden op haar sterfbed beloofd dat hij op zoek zal gaan naar Anneke, die ze aan het eind van de oorlog uit het oog zijn verloren. Dat is het startpunt van deze prachtige documentaire van Deborah van Dam, de ultieme film over Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog.
De Baby (85 min.) is bepaald geen sjabloonachtige WOII-documentaire, waarin enkele onverschrokken verzetshelden op het schild worden gehesen of juist een tragische Joodse familiegeschiedenis uiteen wordt gezet, zoals de Publieke Omroep elk jaar rond Dodenherdenking en Bevrijdingsdag nog wel eens wil uitzenden. Dit verhaal gaat veel dieper en is nóg confronterender.
De inmiddels in New York woonachtige Anneke, die haar jeugd in de jaren na de oorlog zo ver mogelijk heeft weggedrukt, wordt vanuit Nederland bijna gedwongen om de confrontatie aan te gaan met haar tragische verleden, waarin niets zwart of wit blijkt, om uiteindelijk uit te komen bij het ongemakkelijke heden, dat ook nog vele tinten grijs laat zien.
Het is een schrijnend, bijzonder slim opgebouwd verhaal waarin de kijker, met Anneke, van de ene in de andere verbazing valt. Zo herkent ze zichzelf bijvoorbeeld als baby op een foto met hét symbool van de Jodenvervolging in Nederland, Anne Frank. Ze dacht altijd dat ze dat beeld zelf had verzonnen. Glimlachend: ‘Dus misschien was ik ook wel echt een kind van de koningin.’
Hoe is het als je lippen de woorden niet meer kunnen vinden, die je zo verdomd hard nodig hebt? De Vlaamse acteur Michel van Dousselaere ervaart het aan den lijve als in 2014 bij hem een zeldzame vorm van progressieve afasie wordt ontdekt. Zijn vrouw Irma Wijsman maakte er, samen met Patrick Minks, een film over: Michel –Acteur Verliest De Woorden (84 min.).
Intussen wil Van Dousselaere gewoon nog een rol spelen in de theatervoorstelling Borgen. Met een souffleur zou het moeten lukken. De ervaren acteur kan de ingefluisterde woorden debiteren alsof ze uit zijn binnenste komen. Zo weet hij zich staande te houden. Maar dan roept het normale leven weer – en die oprukkende ziekte en steeds kleiner wordende uitdrukkingsvaardigheid.
De woorden ontbreken hem vaak om te zeggen wat hij voelt of denkt. Of voelt en denkt hij ook minder? Niemand die het zeker weet. Van Dousselaere wordt daarmee steeds afhankelijker van zijn vrouw. Irma Wijsman moet verwoorden wat er in hem omgaat en fungeert daarmee automatisch ook als verteller van deze documentaire. Zij zegt wat hij niet meer kan zeggen en legt tevens het onbespreekbare op tafel; hoe en wanneer eindigt dit?
Met oud-collega’s reconstrueert ze daarnaast de respectabele carrière van haar echtgenoot. Stuk voor stuk steken ze de loftrompet over de karakteracteur. Soms, tot hun eigen schrik, al in de verleden tijd. De man zelf doet ondertussen waar hij nog altijd goed in blijkt te zijn en speelt een monoloog van Erik-Ward Geerlings, die speciaal voor deze gelegenheid werd geschreven.
Met een krachtige performance laat de imposante podiumpersoonlijkheid zo (voor de laatste keer?) zien wat hij in zijn mars heeft. Tegelijkertijd toont Michel: Acteur Verliest De Woorden hoe hij zich, in eendrachtige samenwerking met zijn vrouw, staande probeert te houden in het normale leven. Het feit dat ze een camera toelaten op de kwetsbaarste momenten van Van Dousselaere getuigt zonder meer van moed en behoort tot de uitgesproken troeven van deze treffende film.
Over de zanger Glen Campbell werd enkele jaren geleden een vergelijkbare documentaire gemaakt. Nadat hij was gediagnosticeerd met alzheimer wilde de Rhinestone Cowboy nog eenmaal op tournee, ondersteund door zijn eveneens musicerende kinderen. De film Glen Campbell: I’ll Be Me is de ontroerende weerslag daarvan.