Hannibal Hopkins & Sir Anthony

Wichita Films

Bij acteurs weet je nooit of ze een rol spelen. Neem Anthony Hopkins. Had hij in 1992, toen het grote succes dan eindelijk kwam, werkelijk de gedachte ‘nu kan ik wat slechte films gaan maken’? Toch was dat volgens Hopkins het eerste wat in hem opkwam toen hij een Oscar won voor zijn rol als de seriemoordenaar Hannibal Lecter in The Silence Of The Lambs.

Zo zegt hij in Hannibal Hopkins & Sir Anthony (52 min.) bijvoorbeeld over Hollywood: ‘Juist de oppervlakkigheid staat me wel aan’. Werkelijk? Dat zou dan wel heel erg contrasteren met zijn imago als Brits karakteracteur. ‘Hoe houd je het uit?’ vroegen vroegere vrienden hem niet voor niets over de plastic stad. ‘Het is net of je op de maan woont.’ Waarop hij dan zei: ‘Ach, dat bevalt mij wel.’ 

Terwijl de filmmakers Clara en Julia Kuperberg met de nodige bokkensprongen door zijn imposante oeuvre en carrière wandelen, heeft Anthony Hopkins zo steeds een nieuwe oneliner paraat. ‘Als ik geen acteur was geworden was ik misschien geen crimineel geworden’, stelt hij bijvoorbeeld in één van de vele archiefinterviews. ‘Maar toch ook geen aardig mens.’

Of: ‘Ik heb geen analytische geest, ik ben niet heel slim of intellectueel.’ Het is de vraag of hij dat zelf gelooft. En over het vak, dat hij nu toch al ruim zeventig jaar uitoefent: ‘Ik voel me geen acteur. Wat is een acteur? Het voelt meer alsof ik bij het circus zit.’ Over zijn riddering tenslotte: ‘Mijn vrouw belde me’, vertelt hij geamuseerd. ‘Ze zegt: Je wordt geridderd. Ik zeg: waarvoor?’

Valse bescheidenheid? Zelfrelativering als schild? Of gewoon: lekkere verhalen waarmee je voor de dag kunt komen? Sir Anthony Hopkins houdt in deze tv-docu te allen tijde iets ongrijpbaars. Ook als hij vertelt over het onbegrepen jongetje dat hij ooit was, zijn immense onvrede als toneelacteur en het titanengevecht dat hij moest leveren met koning alcohol. 

Bij topacteurs weet je nu eenmaal nooit of ze een rol spelen. De rol van hun leven.

Blitzed!: The 80’s Blitz Kids Story

Op de schouders van de gigant David Bowie, als directe reactie op de eerste punkgolf en snakkend naar een eigen signatuur vond een nieuwe generatie Britse jongeren eind jaren zeventig een thuisbasis in de Londense club The Blitz. Daar ontstond een Europese evenknie van het Amerikaanse Studio 54, waar zich een frisse incrowd van kunstenaars, modeontwerpers en muzikanten vormde. De zogenaamde ‘new romantics’. Ze waren arrogant, extravagant en genderfluïde.

Onder deze Blitz Kids – type kijken en bekeken worden – bevonden zich toekomstige pophelden als Boy George (Culture Club), Gary Kemp (Spandau Ballet) en Midge Ure (Ultravox) en de messcherpe modeontwerpers Michele Clapton, Fiona Dealey en Stephen Jones. Die willen in deze joyeuze documentaire van Bruce Ashley en Michael Donald natuurlijk maar al te graag vertellen over de tijd dat zij tot ‘the happy few’ behoorden en een geheel eigen stijl – op het snijpunt van pop, mode en kunst – begonnen uit te dragen. Ze realiseerden zich vrijwel direct: ‘Dit is mijn stam.’

Gezamenlijk hebben zij, constateren ze nu in het sjiek uitgevoerde Blitzed!: The 80’s Blitz Kids Story (90 min.), ook het pad geëffend voor mannen en vrouwen die zich buiten de voor hun gender en geslacht gebaande paden wilden wagen. Van outcast kon je wel degelijk incrowd worden. En tussendoor kwam – om de cirkel helemaal rond te maken – zowaar hun grote inspirator Bowie nog op bezoek in de glamoureuze club van het illustere duo Rusty Egan en Steve Strange. Hij vroeg enkele sleutelfiguren uit de scene bovendien om de videoclip voor zijn hitsingle Ashes To Ashes op te fleuren.

Dat is een mooi verhaal uit de oude doos, waaruit ook de ‘new romantics’ tegenwoordig met liefde en plezier putten. Ze zijn natuurlijk allang ‘old romantics’ geworden. Bevangen door de nostalgie over hun jeugd die ons allemaal ooit overvalt.

Naomi Osaka

Netflix

Als je toevallig aardig tegen een bal kunt slaan, een jonge vrouw bent en van Aziatische afkomst, dan word je geacht om je te gedragen als rolmodel, ligt er gigantische druk op elke wedstrijd die je speelt en maken ze je ook nog eens wijs dat je een stijlicoon bent. De tennisser Naomi Osaka moet zich, kortom, ontwikkelen tot het merk Naomi Osaka (111 min.). En tussendoor gewoon aardig tegen een bal blijven slaan.

Dat is lastig genoeg. Osaka’s eerste successen worden gevolgd door smadelijke nederlagen en elementaire twijfel. Na een kansloos verlies tijdens de Australian Open van 2020 tegen de vijftienjarige Coco Gauff, die ze eerder nog van de baan had geveegd en daarna publiekelijk getroost, loopt Osaka bijvoorbeeld met haar ziel onder haar arm door het holst van de nacht. ‘Ik wandel maar, want slapen kan ik niet’, vertelt ze in deze driedelige serie van Garrett Bradley (Time) aan haar eigen smartphone. ‘En dan word ik gek. Want slapen zit er echt niet in.’

Als vlak daarna haar mentor, oud-topbasketballer Kobe Bryant, omkomt bij een helikoptercrash, stevent Naomi Osaka in dit serene portret af op een soort catharsis. Wie is zij eigenlijk, als dochter van een Japanse vrouw en een zwarte Haïtiaanse vader? Japans of Amerikaans? Aziatisch of zwart? En: een ster die netjes binnen de lijnen kleurt of toch een jonge vrouw die zich uit durft te spreken over de wereld om haar heen? ‘Wat ben ik als ik geen goede tennisser ben?’, heeft de jonge topsporter, die zich kwetsbaar durft op te stellen voor Bradleys camera, zich eerder al afgevraagd.

De dood van George Floyd fungeert uiteindelijk als vliegwiel in deze gestileerde productie: Osaka zegt een belangrijke wedstrijd af om te kunnen deelnemen aan een Black Lives Matters-demonstratie en begint bij de US Open van 2020 bovendien mondkapjes met de namen van zwarte slachtoffers te dragen: Breonna Taylor, Elijah McClain, Ahmaud Arbery, Trayvon Martin… Ze heeft er zeven: genoeg voor elke ronde, inclusief de finale. Waarna Naomi Osaka in de laatste akte van de vertelling – zoals dat gaat in dit soort moderne heldenfilms – natuurlijk ook weer aardig tegen een bal begint te slaan.

The Sparks Brothers

allsparks.com

De stem van de één – vaak ergens tussen lyrisch en hysterisch – werkt bij menigeen gigantisch op de zenuwen. De aanblik van de ander – ondoorgrondelijk gezicht, met Hitler/Charlie Chaplin-snor – kan voor echt ongemak zorgen. Samen vormen de Amerikaanse broers Russell en Ron Mael al ruim een halve eeuw de band Sparks. Ze begonnen met een soort over the top-glamrock, plaveiden daarna de weg voor Kraftwerks elektromuziek, snoepten even van punk, inspireerden de synthpop van de eighties, verloren zich in disco, sloten aan bij dance, probeerden uit hoe Queen in het kwadraat zou klinken en versmolten even letterlijk met Franz Ferdinand. Enzovoorts.

Altijd in beweging. Excentriek. Filmisch. Potsierlijk. Hyperactief. Grappig. Excessief. Creatief. Provocerend. Grillig. Bloedirritant. Net als deze voluptueuze documentaire van Edgar Wright, The Spark Brothers (141 min.), waarin de complete carrière van de gebroeders wordt doorlopen met de freaks zelf, hun voormalige bandleden, medewerkers, fans en een hele stoet hele en halve beroemdheden die gezamenlijk zo’n beetje de complete Sparks-invloedssfeer belichamen: comedian Mike Myers, presentator Jonathan Ross, producer Giorgio Moroder, lolbroek Weird Al Yankovic, supergroupie Pamela des Barres en schrijver Neil Gaiman.

En natuurlijk ontbreken de acts die op de één of andere verwrongen manier schatplichtig zijn aan de flamboyante frontman/mooibooi Russell en sociaal onhandige songschrijver Ron ook niet. Beck en leden van New Order, Sex Pistols, Erasure, Franz Ferdinand, Faith No More, Human League, Red Hot Chili Peppers, Heaven 17, Suede, The Go-Go’s, Sonic Youth en Duran Duran bewijzen het volstrekt eigenzinnige duo alle eer. De documentaire is met bijna tweeënhalf uur speeltijd al net zo overdadig als de gastenlijst en eclectisch van opzet bovendien: een bijzonder vermakelijke potpourri van videoclips, animatie, filmfragmenten, beeldgrapjes, concertbeelden en al wat ze verder nog konden bedenken.

Daarvan kun je zeggen: het had allemaal wel een tandje minder gekund, maar dan zou deze film eigenlijk geen recht hebben gedaan aan Sparks, een muzikale exploratie van zowat alle uithoeken van de popmuziek. Waarin spot en zelfspot gelukkig nooit hebben ontbroken. In die categorie behoren vast ook de weetjes, stuk voor stuk ‘honderd procent waar’, waarop de gebroeders hun publiek nog vergasten tijdens de aftiteling. ‘Russell heeft als anonieme stemacteur aan meegewerkt aan 27 animatiefilms uit Hollywood’, beweert Ron. ’26 Dagen voor elke tour begint Ron aan het alfabet-dieet’, stelt Russell op zijn beurt. ‘Hij eet dan gerechten op alfabetische volgorde. Van avocado op de eerste dag tot zucchini op de laatste.‘ Waarvan akte.

Ella Fitzgerald: Just One Of Those Things

‘Ooit zal ik beroemd zijn’, zei Ella Fitzgerald (1917-1996) tegen een schoolvriendin. En omdat ze dat inderdaad werd, als gevierd jazzzangeres, heeft de uitspraak nu zijn weg gevonden naar het portret Ella Fitzgerald: Just One Of Those Things (71 min.). Dat succes lag niet voor de hand, zo wordt ook meteen duidelijk: Ella groeide op in armoede, kreeg dagelijks te maken met racisme en verloor op haar dertiende haar moeder. Vanuit een heropvoedingsgesticht, waar ze te boek stond als ‘onhandelbaar’, zou ze toch nog uitgroeien tot een icoon van de Amerikaanse muziek.

Deze gedegen documentaire van Leslie Woodhead loopt met Ella’s zoon Ray, haar muzikanten en enkele biografen consciëntieus door Fitzgeralds leven en carrière. Collega’s en navolgers als Tony Bennett, Smokey Robinson en Jamie Cullum doen ook nog een duit in het zakje. In de film is verder lekker veel ruimte voor concertbeelden van de geboren zangeres. Ella kon met haar stem improviseren als de allerbeste bebopper. Als ze dat niet gewoon zelf was.

Dat betekende niet dat ze ook overal welkom was. In het gesegregeerde Amerika kon een zwarte zangeres toentertijd echt nog niet overal optreden. Soms moest Marilyn Monroe er zelfs aan te pas komen om ervoor te zorgen dat Ella haar natuurlijke habitat, het podium, mocht betreden. Uiteindelijk voelde ze toch de noodzaak om zich daarover in het openbaar uit te spreken. ‘Zouden ze mijn platen nu kapotmaken?’ voegde ze er, met de nodige zelfspot, tijdens het interview aan toe. 

Zover zou ‘t – vanwege bot geluk, of toch stomme pech? – nooit komen. Ella Fitzgerald kon gewoon tot het eind doorgaan met wat ze altijd had gedaan: zó gemakkelijk zingen, puur op talent, dat iedereen binnen de kortste keren helemaal overstag ging.

Trumbull Land

De sciencefiction-klassiekers 2001: A Space Odyssey, Close Encounters Of The Third Kind en Blade Runner worden toegeschreven aan respectievelijk Stanley Kubrick, Steven Spielberg en Ridley Scott. Deze filmgrootheden hadden hun huzarenstukjes echter nooit kunnen uithalen zonder die ene special effectsman: Douglas Trumbull. Hij zorgde ervoor dat hun opzienbarende visie op de toekomst kon worden verwerkelijkt. En dan heeft hij Star Wars nog laten schieten.

In zijn eigen Trumbull Land (49 min.) te Berkshire, waar hij met zijn team werkt aan de nieuwe film Light Ship, blikt de gedreven Amerikaan terug op zijn carrière. Zo vertelt hij bijvoorbeeld over een screening van Blade Runner voor de schrijver ervan, Philip K. Dick. ‘Hij was helemaal overdonderd dat het ons was gelukt om in zijn hoofd te komen en dat wij het precies zo op film hadden gekregen als hij ‘t voor zich had gezien’, vertelt Trumbull aan een collega die op bezoek is, Gene Kozicki. ‘En dat is het grootste compliment dat je kunt krijgen.’

Toch voelde Douglas Trumbull zich niet altijd begrepen in Hollywood, vertelt hij in deze sfeervolle film van Grégory Wallet uit 2018. Hij was niet alleen ‘die special effects-man’, maar regisseerde zelf ook films (Silent Running) en probeerde met technische vondsten bovendien het medium film grondig te vernieuwen. En dan was er nog Trumbulls grootste trauma: zijn tweede speelfilm Brainstorm, die na een tragisch bootongeluk zonder hoofdrolspeelster Natalie Wood moest worden afgerond.

Deze film wordt zo een passend eerbetoon aan een ‘unsung hero’ van de sciencefictionfilm, die met zijn werk een essentiële rol heeft gespeeld in hoe wij – letterlijk! – naar de toekomst kijken.

Paolo Conte: Via Con Me (It’s Wonderful)

Piece Of Magic

Dit is één grote lofzang. Op de Italiaanse bromsnor Paolo Conte. De man achter wereldwijde hits als Via Con Me, Gli Impermeabili en Max. Hij schrijft nu al ruim zestig jaar liedjes. Sinds de jaren zeventig vertolkt hij ze ook zelf. Met die sonore stem, gezeten achter een vleugel en meestal in de rug gedekt door een excellerend orkest. Conte zingt dan zoals hij eruit ziet: een gesoigneerde heer, oorspronkelijk advocaat van beroep, mijmerend of somberend over het leven.

Via talloze concertfragmenten krijgt hij in de hagiografie Paolo Conte: Via Con Me (It’s Wonderful) (100 min.) ook alle ruimte om te zingen. Tussendoor is Conte, pratend over z’n songs en carrière, zijn eigen peinzende zelf. En geeft regisseur Giorgio Verdelli allerlei Italiaanse vakbroeders en coryfeeën zoals Isabella Rossellini, Jane Birkin en Roberto Benignini de gelegenheid om al hun persoonlijke herinneringen aan hem op te dissen en een diepe greep te doen in de grabbelton met superlatieven die ze speciaal voor de gelegenheid hadden klaargezet.

In het geval van de komiek Benignini (La Vita E Bella) mondt dit uit in cabaretachtige minivoorstellingen, waarvan een enkele kijker wellicht in een permanente lachstuip zal schieten en de rest waarschijnlijk diepgevoelde wurgneigingen krijgt. De andere sprekers vliegen weliswaar minder karikaturaal uit de bocht, maar hebben in wezen dezelfde boodschap: Paolo Conte is een soort godswonder en zij voelen zich gezegend dat ze, al was het maar voor heel even, in zijn aanwezigheid mochten vertoeven.

Een mens zou van minder ongemakkelijk worden. Ruim anderhalf uur verder heeft de argeloze kijker bovendien – ondanks de overvloed aan anekdotisch bewijs – nog altijd weinig grip gekregen op het fenomeen Paolo Conto. Al zou het zomaar kunnen dat hij/zij daarna wél één van de langspelers van de charismatische jazzbrommer uit het Noord-Italiaanse stadje Asti voor de dag haalt. Want deze zoete en lange ode aan de man en zijn muziek maakt ondanks al z’n beperkingen toch een succesvol pleidooi voor zijn melancholieke oeuvre.

Aznavour, Le Regard De Charles

Piece Of Magic

Via wat hij zag, krijgen we hem te zien. Charles Aznavour (1924-2018), chansonnier, acteur én amateurfilmer. Een paar maanden voor zijn dood leidde hij regisseur Marc di Domenico binnen in zijn heilige der heiligen: een geheime kamer, bezaaid met filmrollen. Aznavour had die hoogstpersoonlijk volgeschoten met de 16mm-camera, die hij in 1948 kreeg van zangeres Edith Piaf. De zanger zou er tot 1982 zijn leven mee filmen, met een bijzonder oog voor de wereld om hem heen én voor vrouwelijk schoon.

Het (zelf)portret Aznavour, Le Regard De Charles (75 min.) is vrijwel volledig opgebouwd uit deze privébeelden: Charles op de filmset van de anti-oorlogsfilm Un Taxi Pur Toubrouk, Charles en zijn toenmalige geliefde op een zeilboot en Charles omringd door handtekeningenjagers in een Chinese trein. Maar vooral zien we wat hij zag: vanaf het moment dat de ruim twintig jaar jongere Zweedse schone Ulla in zijn leven komt, domineert zij bijvoorbeeld een tijd lang elk frame. En verder: de plekken die hij aandeed en de mensen die hij daarbij ontmoette

Intussen vertelt hij zelf, in voice-overteksten die zijn gebaseerd op interviews en notities van Aznavour en ingesproken door acteur Romain Duris, zijn levensverhaal: telg van een familie die de Armeense genocide ontvluchtte, als zanger onder de hoede genomen door Edith Piaf, doorgebroken in het verre Amerika, comfortabel levend in de internationale jetset en toch altijd verlangend naar dat ene land dat Zij, Armeniërs van de diaspora, moesten verlaten. Want je kan een man wel van zijn geboortegrond halen, maar daarmee haal je die grond nog niet uit de man.

Gekende evergreens als La Bohème, Formidable en She begeleiden Aznavours videodagboek, dat de kijker een intieme blik gunt in zijn gedachtewereld en zielenleven. Aan het eind van de film richt hij zich rechtstreeks tot z’n publiek: ‘Ik heb deze beelden nooit teruggezien. Maar ik wist dat u ze ooit zou zien. Vandaag bent u erbij, meekijkend over mijn schouders. Er is geen scheiding meer, geen lijn meer tussen ons. Onze blikken smelten samen.’

Summer Of Soul (…Or, When The Revolution Could Not Be Televised)

Voor hetzelfde geld waren niet Joe Cockers ongecontroleerde bewegingen tijdens With A Little Help From My Friends, de sarcastische anti-Vietnam slogan ‘Whoopee!, we’re all gonna die!’ van Country Joe MacDonald of Jimi Hendrix’ heerlijke aanval op The Star Spangled Banner tijdens Woodstock de popgeschiedenisboeken ingegaan, maar de weerslag van dat andere gratis festival in de zomer van 1969: het Harlem Cultural Festival in New York.

De tapes daarvan bleven echter een halve eeuw in de één of andere kelder liggen. En dus drongen de dampende performance van Nina Simone, Stevie Wonders drumsolo en het indrukwekkende eerbetoon van Jesse Jackson, Mahalia Jackson en Mavis Staples aan de net daarvoor vermoorde Martin Luther King nooit door tot het collectieve geheugen. Want, ja, alle artiesten waren zwart. En vrijwel alle 300.000 festivalgangers ook. Net als The Black Panthers, die de beveiliging verzorgden.

De prachtige festivalfilm Summer Of Soul (…Or, When The Revolution Could Not Be Televised) (117 min.) brengt een tijd tot leven, waarin een nieuw zwart bewustzijn opgeld deed, dat zich niet had laten knakken door de moorden op King, Malcolm X en de gebroeders Kennedy. Het debuut van Ahmir ‘Questlove’ Thompson, drummer van de befaamde hiphopgroep The Roots, ruimt natuurlijk veel tijd in voor optredens, maar plaatst die voortdurend binnen zijn historische, maatschappelijke en culturele context.

Met festivalgangers, artiesten die optraden in het Mount Morris Park te Harlem (Stevie Wonder, Marilyn McCoo en Billy Davis van The 5th Edition en Gladys Knight) en Afro-Amerikaanse boegbeelden zoals Jesse Jackson, Al Sharpton en Chris Rock bekijkt Questlove het fraaie beeldmateriaal dat filmmaker Hal Tulchin destijds maakte van deze glorieuze viering van de zwarte cultuur, waarin behalve voor muziek – soul, gospel, funk en jazz – ook aandacht is voor comedy en dans.

Het zijn echter vooral de vurige optredens, vastgelegd in prachtige kleuren en heerlijk klinkend, die ‘t hem doen: B.B. King, David Ruffin, Edwin Hawkins Singers, Hugh Masekela én Sly & The Family Stone. En die laatste act glorieerde toevallig ook op dat andere festival, zo’n 150 kilometer verderop, dat de historie zou ingaan als de ultieme hippiehappening. Summer Of Soul verdient eigenlijk een soortgelijke status. Als ultieme uitdrukking van het ‘Black Is Beautiful’-gevoel van de burgerrechtenbeweging. Black Woodstock, inderdaad.

Servais

‘Een film is nooit perfect’, zegt de Belgische animatiefilmer Raoul Servais. Hij legt uit hoe dat werkt in zijn hoofd: ‘Laten we zeggen dat tien procent van een film niet perfect is, maar je hebt de indruk dat negentig procent niet perfect is. Die indruk krijg ik telkens als ik mijn films afgewerkt heb.’ Die twijfel zorgde er bijvoorbeeld voor dat hij de première van zijn laatste film Tank (2015) op het filmfestival van Gent bijna had afgeblazen.

Dergelijke gevoelens drijven de inmiddels hoogbejaarde pionier van de Belgische animatiefilm ongetwijfeld nog altijd voort, maar erg veel reden is er niet voor zulke elementaire twijfel. Servais’ loopbaan, die inmiddels ruim een halve eeuw omspant, is een aaneenschakeling van loftuitingen geworden. Met Harpya won hij in 1979 bijvoorbeeld een Gouden Palm op het filmfestival van Cannes. Een jaar later werd de korte productie zelfs gekozen tot één van de beste animatiefilms aller tijden.

De aimabele Servais (60 min.) blijft in dit fraaie portret van Rudy Pinceel, dat vanzelfsprekend is doordesemd met fragmenten uit zijn imposante oeuvre en dat zijn privéleven veelal buiten beschouwing laat, evenwel de bescheidenheid zelve. Als hij een eigen vleugel krijgt aangeboden in het Muzee in zijn geboorteplaats Oostende, te midden van schilders als James Ensor en Léon Spilliaert, stelt hij zichzelf weer elementaire vragen. ‘Verdien ik dat wel? Is mijn werk sterk genoeg?’

Intussen steken collega’s en notabelen ongegeneerd de loftrompet over de peetvader van de Europese animatie, bijvoorbeeld als hij in 2018 bij z’n negentigste verjaardag wordt uitgeroepen tot ereburger van zijn stad. Hij heeft niet alleen baanbrekend werk verricht met zijn eigen films, maar stond begin jaren zestig ook aan de basis van de allereerste Europese animatieopleiding in Gent. ‘Je moet daar niet trots op zijn’, zegt hij, geheel in stijl, tegen een verslaggever van de VRT. ‘Alleen tevreden dat je het mag doen.’

Wonder Boy – Olivier Rousteing, Né Sous X

Netflix

‘Nu ik steeds beter weet waar ik heen wil, moet ik weten waar ik vandaan kom’, zegt Olivier Rousteing gedecideerd tegen zijn chauffeur Mohammed. Op zijn 24e werd de jonge Fransman creatief directeur van het prestigieuze Parijse modehuis Balmain, het wonderkind van de internationale modewereld. Inmiddels is Rousteing enkele jaren verder en een gevestigde naam geworden. In stilte worstelt hij echter met zijn afkomst.

Daarvan weet hij heel weinig. Olivier Rousteing zou een kind zijn van een heel donkere moeder en een heel witte vader. Meer weet – of wil? – zijn adoptiemoeder er ook niet over te vertellen. In Wonder Boy: Olivier Rousteing, Né Sous X (82 min.) begint hij aan een persoonlijke zoektocht naar zijn oorsprong. Hij wil zijn biologische ouders vinden. Om te ontdekken waarom ze hem hebben afgestaan. Afgewezen, zoals hij dat zelf ervaart.

Regisseur Anissa Bonnefont mag getuige zijn van dat zéér intieme proces en vangt de emoties die hem onderweg overspoelen met lange, intieme shots. Rousteings existentiële eenzaamheid sijpelt gaandeweg ook steeds meer door naar zijn werk. Te midden van celebrities als Claudia Schiffer, Neymar en Jennifer Lopez begint hij, ogenschijnlijk het middelpunt van elk feest, steeds meer te ogen als een verweesd jongetje.

Het contrast tussen de intieme scènes van het volwassen kind dat via officiële instanties zijn ouders hoopt te vinden en de grootse taferelen rond de gevierde ontwerper wordt door Bonnefont ten volle uitgenut in deze stemmige en aangrijpende film. De conclusie die Olivier Rousteing zelf allang heeft getrokken wordt daarmee onvermijdelijk: zonder ouderliefde – en de daarmee verbonden eigenliefde – stelt dat succes geen ene mallemoer voor.

‘Ik ben bang voor het einde van deze film’, bekent Rousteing halverwege tegen Mohammed, die hij als een soort biechtvader gebruikt. ‘Wat wordt de laatste scène?’ Hij laat een lange stilte vallen. ‘Gaat mijn leven daarna gewoon door?’

A Man And A Camera

IFFR

‘Wat is daar de bedoeling van?’ vraagt de man die net lekker met zijn hark bezig was in de tuin. ‘Hallo! Ik vraag wat de bedoeling ervan is.’ Hij is dichter bij A Man And A Camera (63 min.) komen staan, maar antwoord blijft uit. ‘Bent u doof?’ wil een andere man, eveneens werkzaam in het groen, even later weten. Ook nu blijft het stil vanachter de camera.

De man en zijn camera, vermoedelijk documentairemaker Guido Hendrikx, loopt door. Naar een nieuw ‘slachtoffer’, wiens privacy – ongevraagd en zonder commentaar – zal worden geschonden. Aan de deur, in de tuin of bij de intercom. En soms: gewoon binnen, in hun eigen huis. De reacties lopen uiteen: van verbaasd en geamuseerd tot boos en verontwaardigd.

Een beetje geheimzinnig dit. Vertel…

Is het de bedoeling dat ik wat zeg?

Ik doe de deur weer dicht hoor.

Geef die man eens even een koekje.

Ik vind ‘t allemaal prima zo.

Wilt u mee naar binnen?

Zal ik even koffiezetten voor je?

Wat is de diepere zin daarvan? 

Spoor je wel, kerel? 

Ik wil dat je nu weggaat. Anders bel ik de politie.

Je krijgt vijf tellen om te zeggen wat je komt doen. Anders sla ik dat ding in elkaar.

En dan voegt een andere man, zonder waarschuwing vooraf, de daad bij het woord.

Dat is overigens een uitzondering. De andere geportretteerden maken gewoon contact. Zoals je dat doet met een vreemde die geen woord terugzegt. Wat Hendrikx, eerder verantwoordelijk voor de bekroonde en bijzonder ongemakkelijke vluchtelingenfilm Stranger In Paradise, op die manier probeert te zeggen? Heel veel, waarschijnlijk.

Is A Man And A Camera een pleidooi om zorgvuldiger onze privacy te beschermen? Of een relativering daarvan? Een eerbetoon aan de vaderlandse volksaard? Of juist een demasqué? En wat is de kijker van zijn film dan? Een lid van de eigen parochie? Of een nietsontziende voyeur? En zou hij, als almachtige man achter die camera, werkelijk helemaal niets hebben gezegd tegen zijn subjecten? 

Wat de onuitgesproken regels van het experiment ook waren, de camera zoekt gaandeweg ieders grenzen op en maakt van alle betrokkenen bovendien acteurs in het spel dat hun eigen leven wordt. Afhankelijk van z’n gemoedstoestand ziet de nietsvermoedende kijker dat geïntrigeerd aan of zit ie dat geïrriteerd uit. En dan valt Leonard Cohens Going Home in tijdens de aftiteling.

Doe Maar: Dit Is Alles

‘Bij de platenmaatschappij die Doe Maar onder contract had, stond de telefoon vandaag urenlang roodgloeiend’, meldde nieuwslezer Harmen Siezen in 1984 in het NOS Journaal. ‘Wenende meisjes lieten ‘t weten dat ze niet konden geloven dat Doe Maar niet meer bestaat.’

De rage die Doe Maar begin jaren tachtig veroorzaakte kent zijn gelijke niet in de Nederlandse popgeschiedenis. Nooit eerder was een groep zo populair als de band rond blikvangers Hennie Vrienten (zang/bas) en Ernst Jansz (zang/toetsen). En er is sindsdien geen band geweest die ook maar in de buurt is gekomen van de gigantische populariteit van deze ‘Nederlandse Beatles’.

In  Doe Maar: Dit Is Alles (83 min.) wordt de ongekende hype, die zal eindigen met twee emotionele afscheidsconcerten in De Maaspoort in Den Bosch, nog eens helemaal uit de doeken gedaan. Van de begindagen als lekker los nederpopbandje, dat na de entree van Hennie Vrienten ineens hits begint te schrijven, tot de bijna onleefbare populariteit aan het eind, als tieneridolen tegen wil en dank.

Vrienten, Jansz en gitarist Jan Hendriks krijgen in deze smakelijke muziekfilm van Patrick Lodiers en Martijn Nijboer uit 2013 alle ruimte om de tropenjaren nog eens opnieuw te beleven, waarbij ook het voortijdige vertrek van drummer Carel Copier, die het latere succes vanaf de zijlijn gade moest slaan, en de ontwrichtende heroïneverslaving van diens opvolger René van Collem aan de orde komen.

Ten tijde van het maken van deze film maakte Doe Maar zo nu en dan weer een rondgang langs de vaderlandse podia. De wonden die in hun glorieperiode bleken te zijn geslagen – met name tussen het rivaliserende front- en songschrijversduo Vrienten en Jansz – waren toen alweer een heel eind geheeld. In Doe Maar: Dit Is Alles overheersen dan ook wederzijds respect en pure trots. 

En dat is gezien de erfenis van de band helemaal niet vreemd: een imposante hoeveelheid popklassiekers – met ook een essentiële bijdrage van vijfde bandlid Joost Belinfante, de klassieker Nederwiet – die de tijdgeest perfect weerspiegelden en toch volstrekt tijdloos zijn gebleken.

Mary J. Blige’s My Life

Amazon Prime

Hartzeer kan de beste kunst opleveren. Zelf beschouwt Mary J. Blige My Life (1994) als haar meest geslaagde album. Ten tijde van de opnames was de Amerikaanse R&B-zangeres diep ongelukkig. Ze zong het er allemaal uit: haar jeugd in één van New Yorks desolate ‘projects’, het gevecht dat ze met drank en drugs moest leveren en – vooral – de giftige relatie met collega-artiest K-Ci Hailey waarin ze verzeild was geraakt.

In Mary J. Blige’s My Life (82 min.) blikt ze 25 jaar later terug op deze cruciale fase in haar inmiddels bijna drie decennia omspannende loopbaan. Blige wordt daarbij in de rug gedekt door familieleden, vrienden en haar toenmalige platenbaas Sean ‘P. Diddy’ Combs. De gastenlijst wordt gecompleteerd met collega’s als Alicia Keys, Nas en Method Man, die zich natuurlijk in louter superlatieven uitdrukken over de zangeres die een rolmodel werd voor jonge zwarte vrouwen uit de achterbuurten.

Interessanter wordt deze middle of the road-docu van Vanessa Roth als gewone Afro-Amerikanen zich, in een soort groepsgesprek of tijdens een fotomomentje met de grote ster zelf, uitspreken over wat Blige’s muziek voor hen heeft betekend. Dat is overigens ook gewoon zichtbaar tijdens concerten, waarbij oude hits hartstochtelijk worden meegezongen. Voor menigeen zijn ze echt de soundtrack van hun leven geworden.

Deze gestroomlijnde film, die met fraaie animaties de ontwikkeling van de hoofdpersoon probeert te vatten, zal ongetwijfeld ook in goede aarde vallen bij de vaste achterban, maar nieuwe zieltjes zal Mary J. Blige er niet mee winnen. Daarvoor gaat dit (zelf)portret te weinig echt de diepte in. Daar waar de echte pijn of het oerverdriet zitten.

Miss Sharon Jones!

Uiteindelijk eindigt natuurlijk elk leven met de dood. Als dat einde zich echter daadwerkelijk aankondigt, plots en onontkoombaar, dan krijgt alles in het bestaan extra urgentie en – hopelijk – glans. In het portret Miss Sharon Jones! (94 min.) uit 2015 kiest de gelijknamige Amerikaanse soulzangeres uiteindelijk de vlucht naar voren: zingen en dansen tot ze erbij neervalt. Met veel passie, bravoure en moed probeert ze uit de klauwen van de kanker te blijven.

Wij, de voyeurs, weten hoe het, nog geen jaar na release van de film, met haar is afgelopen. Deze documentaire van tweevoudig Oscar-winnaar Barbara Kopple houdt de herinnering aan de gedreven souldiva echter moeiteloos levend. Die begint halverwege 2013 treffend: met het afscheren van haar haren, enkele voorzichtige tranen en een pruik. Alvleesklierkanker in stadium 2 luidt de diagnose, een operatie en chemotherapie blijken onontbeerlijk. Haar nieuwe album wordt voorlopig uitgesteld.

Sharon Jones was sowieso al een laatbloeier. Pas op latere leeftijd – na periodes als bewaarder in de beruchte Ryker’s Island-gevangenis en zangeres bij allerlei feesten- en partijenorkestjes – werd haar talent onderkend. Ze vond onderdak bij Daptone Records, een platenlabel van veel jongere witte gasten met een ongegeneerde liefde voor authentieke soul. Samen veroverden ze podium na podium. Totdat zo’n beetje elke muziekliefhebber, eindelijk, wist wie Sharon Jones was.

En er is voor ‘de vrouwelijke James Brown’, ondanks alle malheur, geen enkele reden om daarmee te stoppen. Nadat ze er in een geweldige scène van een optreden in een zwarte kerk echt alles heeft uitgegooid, maakt ze zich samen met haar begeleidingsband The Dap-Kings en achtergrondkoortje The Dapettes op voor een doorstart. Ze moeten ook wel: zonder optreden komt er geen geld binnen. Gelukkig is dit niet het einde van haar carrière, zeggen ze tegen elkaar, maar het midden.

Kopple blijft dichtbij haar hoofdpersoon en volgt het traject, laverend tussen hoop en vrees, dat zij met haar betrokken entourage moet afleggen om, zoals gitarist Binky Griptite ‘t bij hun comebackconcert verwoordt, ‘to kick cancer in the ass’. Intussen heeft trompettist Dave Guy alvast een nieuwe baan gevonden in de huisband van het televisieprogramma The Tonight Show. Lukt het desondanks om Sharon Jones & The Dap-Kings weer ouderwets te laten vlammen?

Er is hen gelukkig nog enige tijd vergund, waarin Sharon alle twijfel weer kan laten varen en als vanouds zal gloriëren (zoals is te zien in dit hele fijne concert in Parijs). En daarna wordt voor haar, net als voor ons allen, rücksichtslos de handdoek in de ring gegooid.

Miss Sharon Jones! is hier te bekijken.

A Genuine Forger

Guy Ribes maakte geen kopieën van Picasso, Chagall of Modigliani. Hij kopieerde gewoon hun werkwijze en gaf er vervolgens een eigen draai aan. Zo ontstonden in ruim dertig jaar duizenden pastiches – niemand weet precies hoeveel – eigen kunstwerken die perfect in het oeuvre van wereldberoemde kunstenaars pasten. Verduiveld knap. En volstrekt illegaal, dat ook. Want ze werden natuurlijk verhandeld als echte Picasso’s, Chagalls of Modigliani’s.

In de documentaire A Genuine Forger (88 min.) van Jean-Luc Leon uit 2016 vertelt Ribes zijn complete levensverhaal en demonstreert hij tevens hoe hij te werk gaat, als een echte ambachtsman. Hij laat het effe zien. Zo maak je een vroege Picasso. Fernand Léger is met een beetje goede wil ook best te doen. En bij Matisse moet je hierop letten. Zoals Ribes het uitlegt, lijkt het heel gemakkelijk. Goud geld verdienen, met enkele uurtjes werk. En dat de schilderijen niet ‘echt’ zijn doet in wezen niets af aan de kwaliteit of schoonheid ervan.

Waar zijn werk uiteindelijk is beland? De rechtbank van Créteil staat er in elk geval mee vol. Alles moet worden vernietigd. Tegelijk zijn Ribes schilderijen ook doorgedrongen tot privécollecties, veilinghuizen en musea. Dat ligt echt heel gevoelig. Sommige werken die hij zich nu toe-eigent mogen dan ook niet worden getoond in deze film. Anders sneuvelen er reputaties van connaisseurs, krijgen Ribes’ handlangers met justitie te maken en gaan de bezitters ervan gigantisch de boot in – of beter: wordt publiekelijk bekend dat ze erin zijn gestonken.

De schimmige wereld van kunstvervalsingen is al vaker en ook met meer bravoure binnenstebuiten gekeerd dan in deze wat stroperige film. Guy Ribes is een interessant personage, maar hij krijgt wel erg veel ruimte om zijn relaas te doen. Waarbij het punt dat de Fransman maakt steeds min of meer hetzelfde is: hij was onderdeel van een systeem, dat nog veel meer fake-schilderijen heeft afgeleverd. Een deel ervan houdt zich verborgen in ‘s werelds kunstcollecties.

Een scherpere selectie zou deze film, waarin ook kunstkenners, handelaren en medewerkers van justitie aan het woord komen, een stuk puntiger hebben gemaakt. Zodat Ribes’ wonderlijke ambacht krachtiger over het voetlicht komt.

Moby Doc

‘Ik realiseer me dat we nu al een tijdje in een tamelijk conventioneel narratief zitten’, zingt Moby, terwijl hij zichzelf begeleidt op de banjo. ‘Maar nu gaan we weer lekker vreemd doen.’ In het navolgende shot – zijn eigen Moby Doc (92. min.) is inmiddels ruim twintig minuten onderweg – loopt de kale muzikant als een typische goeroe in gewaad chantend over straat. Hij wordt begeleid door een groep lieden in een wit laken, met een dierenmasker op. Op zoek naar een denkbeeldig bos, waar hij zijn volgers/kijkers met liefde en plezier instuurt.

Deze verfilmde autobiografie moet, zoveel is duidelijk, méér worden dan zomaar een verhaal over een ongelukkig jongetje dat zich alleen bij dieren op zijn gemak voelde, via muziek uit zijn eigen kleine leventje wist te breken en zo, met de verplichte horten en stoten, toch een connectie tot stand kon brengen met de rest van de wereld. Alle gekkigheid ten spijt is dat tóch wat deze persoonlijke film van/over Richard Melville Hall, die natuurlijk ook de nodige muziek- en concertfragmenten bevat, in essentie is.

Ondanks die (geacteerde) scènes tegenover een aantrekkelijke therapeute met een nét iets te grote bril op, die later ook heel behoorlijk blijkt te kunnen zingen (*). Ondanks de zelfgemaakte poppetjes, dramatische landschappen en cartoons waarmee Moby taferelen uit zijn eigen leven terughaalt. En ondanks de tweegesprekken met regisseur David Lynch (van wie hij een stukje Twin Peaks leende om er zijn eerste wereldhit Go mee te scoren), illustrator Gary Baseman en een hond die één en al oor is. Over, vooruit, de zin van het/Moby’s leven.

Op zoek dus naar, zoals hij in het begin van dit kleurrijke zelfportret uitspreekt, het waarom van alles: waarom doen we wat we doen? Slalommend langs navelstaarderij, zelfspot en oprechte reflectie belandt hij zo ook bij zijn sleutelalbum Play, dat rond de eeuwwisseling een enorm succes werd. ‘Het heeft me uiteindelijk totaal gecorrumpeerd en geruïneerd, maar op het moment zelf was het geweldig’, vertelt Moby daarover, terwijl hij met een telefoon aan het oor door een soort nachtwinkel ijsbeert. ‘Van een uitgerangeerde has-been was ik ineens iemand geworden die filmsterren ging daten, welkom was op elk feestje en bakken met geld verdiende.’

Totdat – zo gaat dat ook/zelfs in het bestaan van een doorgewinterde buitenbeen – ‘drank, drugs en mijn eigen narcisme’ hem helemaal boven het hoofd begonnen te groeien. Met zichtbare makerslol plaatst Moby zijn eigen leven in perspectief, waarbij ook zijn vriendschap met idool David Bowie natuurlijk nog een comfortabel plekje heeft gekregen. In een film die met evenveel gemak origineel, irritant of vermakelijk is te noemen.

(*) Ze treedt zelfs op onder de naam Julie Mintz.

Igone – En Als Beloning Zweef Je

Ze brengt de wijnflessen naar de glasbak. Stofzuigt het huis. En laat de hond uit. Vier maanden na haar vertrek bij het Nationale Ballet in september 2019 heeft het gewone leven van Igone de Jongh een aanvang genomen. Ze voelt een leegte in zichzelf en gaat door een soort rouwproces. De ballerina had zich haar afscheid, na 24 gloriejaren, anders voorgesteld. En eigenlijk is ze ook nog niet klaar met dansen.

Thuis maakt ze zich op voor een remonte. Nu eens niet als grote ster in voorstellingen van topchoreografen als Rudi van Dantzig of Hans van Manen, als een superieure vertolker van andermans visie, maar met een zeer persoonlijk stuk, waarin ze haar eigen verhaal vertelt en ook de conversatie aangaat met het publiek. Dat zorgt onvermijdelijk voor elementaire twijfel. ‘Het is ongelooflijk dat gewoon alles weg is’, verzucht ze onderweg. ‘Alsof ik nooit gedanst heb.’

Igone – En Als Beloning Zweef Je (50 min.) is de weerslag van het intieme proces dat De Jongh – ondersteund door echtgenoot Thijs Römer, met de dansers Marijn Rademaker en Thiago Bordin en onder regie van Ruut Weissman (die onlangs zelf ook de hoofdpersoon was van een delicate documentaire) – voor het oog van de camera doormaakt. Waarin ze oude krachten probeert los te maken binnen een nieuwe versie van zichzelf.

Regisseur Simone de Vries lardeert Igone’s persoonlijke queeste met video’s die haar grootvader heeft gemaakt van hoe ze als jonge vrouw met een ongenadig talent opgroeide binnen de balletwereld. Die visualiseren het leven waarvan ze afscheid heeft genomen en dat ze zelf vooral associeert met haar langdurig zieke moeder. Zo ontstaat een gloedvol portret van een vrouw die zoekt naar wie ze is en die zichzelf, via de stiel die haar toch het meest vertrouwd is, opnieuw probeert uit te vinden.

Jimmy Is Punk – The Story Of Panic

Veroorzaken zij nu die kolkende massa in de zaal? Of was deze energie er allang en mogen zij ermee vandoor gaan? Feit is dat alle remmen losgaan op die derde mei van 1978 in zaal Kunstmin te Gouda. Springen, beuken, dansen is het parool van de uitzinnige meute. Vuist in de lucht, spuiten met bier en alles wat je in je handen krijgt linea recta naar het podium smijten.

Waar de Amsterdamse punkband Panic, die over niet al te lange tijd de pijp aan Maarten zal geven, het beest berijdt alsof het nu al de allerlaatste keer is. Een professionele cameraploeg is ingehuurd om dat voor het nageslacht – jongelui die die hele punkbeweging niet hebben meegekregen of ouwelui die het sowieso nooit zullen begrijpen – te vereeuwigen.

Natuurlijk wordt er na een stief half uur, als de groep met Requiem For Martin Heidegger zijn grootste ‘hit’ heeft afgeleverd, ‘we want more’ geschreeuwd. Panics boomlange zanger Peter Penthouse heeft bovendien een brandblusser gevonden om de feestvreugde te vergroten. Waarna ’t echt een puinzooi wordt. De tent wordt, bijna letterlijk, afgebroken.

Een medewerkster van de zaal wil daarover wel eens een hartig woordje wisselen met de bandleden. Na een stevige woordenwisseling neemt zanger Peter, die inmiddels normale kleding heeft aangetrokken over zijn speedo, met haar de schade op. Het gaat naar verluidt om zo’n drieduizend gulden, die door de verzekering (!) van de band zal worden opgehoest.

Die ene avond in een Zuid-Hollands jeugdhonk, waar zo nu en dan slim het geluid van Panic-platen onder is gemixt, vormt het hart van Jimmy Is Punk – The Story Of Panic (51 min.). Dat verhaal heeft verder niet al te veel om het lijf. Regisseur Duco Donk geeft het concert, met een punky voice-over van Louise Dunne, nog een mythische proloog en epiloog. Dat is het wel zo’n beetje.

Volgens de humorvolle aftiteling zou één van de figuranten in de film overigens als IKON-journalist worden vermoord in El Salvador, ging een ander gitaar spelen in Doe Maar en zou een derde als blowende dichter in zijn eigen rook op gaan. Waarvan akte.

Long Hot Summers – The Story Of The Style Council

The Jam is dood, lang leve The Style Council. Toen zanger en songschrijver Paul Weller begin jaren tachtig klaar was met de melodieuze punkband die hem enkele jaren daarvoor had gebombardeerd tot belangrijke vaandeldrager van de Britse muziek, was hij klaar voor een meer volwassen benadering. Op het drielandenpunt tussen pop, soul en jazz. Dat was even slikken voor de fans die hem na klassiekers als Town Called Malice en Going Underground in de armen hadden gesloten.

En toch – de goede verstaander voelt hem al aankomen; waarom zouden ze anders een kleine 35 jaar later een documentaire maken over de band? – kwam het nog goed met The Style Council. Met zichtbaar plezier blikken Weller en zijn voormalige bandmaten in Long Hot Summers – The Story Of The Style Council (74 min.) op de tropenjaren die zouden volgen. Het gezoek in de beginperiode, alle verplichte pieken en dalen en het einde van de band dat zich te langen leste onvermijdelijk aandient.

Zulke popdocu’s staan of vallen met de houdbaarheid van de muziek (lekkere hits en clips genoeg), de hoeveelheid smeuïge anekdotes (ruim voldoende; zo noemt Weller de liefdadigheidssingle van Band Aid, waaraan hij met zichtbare tegenzin meewerkte, bijvoorbeeld ‘vreselijk’) en de kwaliteit van de opgevoerde celebrities die de loftrompet over de groep mogen steken (behoorlijk: Culture Club-zanger Boy George, acteur Martin Freeman en singer-songwriter Billy Bragg).

Waarbij moet worden aangetekend dat The Style Council veel politieker was dan de soepele sound deed vermoeden en dat daarvoor vanzelfsprekend ook plek is ingeruimd in dit bandportret van Lee Cogswell. Dat is uiteindelijk een vermakelijke film geworden over een groep die tot de blikvangers van de eighties mag worden gerekend. Totdat de rek er echt uit was en het tijd werd voor: The Style Council is dood, leve Paul Weller!

Long Hot Summers – The Story Of The Style Council is hier te bekijken.