Ladies & Gentlemen… 50 Years Of SNL Music

Saturday Night Live

Als je ruim twee uur toch wat te gortig vindt voor een documentaire over de live-optredens in een legendarische Amerikaanse comedyshow, houdt ‘t dan simpelweg bij het intro van de film. Welgeteld vijf minuten puur muzikaal genot.

Nelly doet ‘t met Franz Ferdinand. Mmmbob van Hanson en Chers I Found Someone versmelten met elkaar. Queens Another One Bites The Dust lanceert Ice Ice Baby (Vanilla Ice), She Drives Me Crazy (Fine Young Cannibals) en Love Is A Wonderful Thing (Michael Bolton). John Mellencamp, INXS en Roy Orbison vechten ‘t samen uit. Prince, Rick James en Duran Duran jutten elkaar op. Lenny Kravitz leent het ritme van James Brown. Billie Eilish botst op U2 en Olivia Rodrigo. En *NSYNC, Dido en Destiny’s Child steken elkaar de helpende hand toe.

Deze volvette mashup, waarin de hoogte- en dieptepunten uit Saturday Night Live’s rijke muzikale historie zijn samengebald, vormt de opmaat naar Ladies & Gentlemen… 50 Years Of SNL Music (128 min.) van Oz Rodriguez en Ahmir ‘Questlove’ Thompson, de drummer van de hiphopgroep The Roots en maker van de muziekdocu’s  Summer Of Soul (…Or, When The Revolution Could Not Be Televised), een terugblik op het Harlem Cultural Festival in 1969, en Sly Lives! (Aka The Burden Of Black Genius), een portret van de legendarische funkband Sly & The Family Stone.

De Saturday Night Live-film, opgebouwd uit thematische hoofdstukjes van een minuut of negen, belicht met comedians die tot het vaste ensemble behoorden (zoals Eddie Murphy, Adam Sandler, Maya Rudolph,  Bill Hader en Jimmy Fallon) en artiesten die er optraden (Mick Jagger, Billie Eilish, Dave Grohl, Olivia Rodrigo, Miley Cyrus, Debbie Harry, Tom Morello, Jack White en Dua Lipa) de roemruchte geschiedenis van het New Yorkse televisieprogramma, dat al een halve eeuw een podium biedt aan nieuwe en gevestigde artiesten om zich live (LIVE!) te manifesteren.

Vanaf het allereerste optreden – Billy Preston in oktober 1975 – probeert het programma van showrunner Lorne Michaels de artiesten van het moment te strikken en vóór de trends uit te programmeren. Deze docu herbergt talloze van zulke dampende performances: Funky Four Plus One, Elvis Costello, Run-DMC, David Bowie, Nirvana en Adele. En soms veroorzaken die commotie. Na een tegendraads optredens van Captain Beefheart roept iemand uit het publiek hoorbaar ‘shit!’. Sinéad O’Connor verscheurt een foto van de paus. En Kanye West gaat z’n boekje weer eens helemaal te buiten.

En wat is er nu mooier dan om die artiesten ook te laten participeren in sketches? Madonna als ordinaire fan van Barbra Streisand. Paul Simon die Still Crazy After All These Years zingt in een belachelijk vogelpak). En Dave Grohl als de drummer van een punkband die een bruiloft versjteert. Saturday Night Live creëert overigens ook z’n eigen muzikale helden als John Belushi en Dan Aykroyd The Blues Brothers vormen, Eddie Murphy zich in James Brown’s Hot Tub Party waagt en het trio The Lonely Island hilarische muziekvideo’s zoals Dick In A Box begint uit te brengen.

Aan het niveau van dat daverende intro kan Ladies & Gentlemen… 50 Years Of SNL Music in de navolgende twee uur, die even fragmentarisch als vermakelijk zijn, niet meer tippen. Één probleem: zie hem na die eerste vijf minuten nog maar eens af- of stil te zetten.

The Beat Behind Golden Earring

NTR

‘We nemen ons niet echt voor om een afscheidsconcert of -tour te doen’, zegt bassist Rinus Gerritsen bij aanvang van The Beat Behind Golden Earring (53 min.) uit 2015. ‘Dat laten we aan anderen over, denk ik. Als ’t gebeurt, dan zullen ze achteraf denken: hee, ze spelen niet meer. Er zal wel iets gebeurd zijn.’ Drummer Cesar Zuiderwijk, de andere helft van de ritmesectie van de Haagse rockband, kan er wel om lachen.

En inderdaad: zo zal het gaan. Golden Earring geeft in november 2019 ongemerkt z’n allerlaatste concert. Omdat gitarist George Kooymans de slopende ziekte ALS blijkt te hebben, moet de band de handdoek in de ring gooien. Anderen – fans en liefhebbers – geven op 30 september 2024 vervolgens een afscheidsoptreden in Rotterdam Ahoy, een happening die is vereeuwigd in de hartveroverende registratie De Earring & Ik.

En daarmee lijkt het jongensboek van de Nederlandse rockgroep, die doorbrak in Amerika en tenminste één onvervalste klassieker (Radar Love) afleverde, definitief dicht te gaan. Totdat zanger Barry Hay begin 2025 aankondigt dat er toch nog een officieel afscheidsconcert komt: One Last Night, in januari 2026. Het wordt een serie concerten, natuurlijk, met Barry, Rinus, Cesar en hopelijk George – en allerlei muzikale gasten.

Een slordige tien jaar geleden konden Rinus Gerritsen en Cesar – echte naam: Cor – Gerritsen nog niet bevroeden dat het zo zou lopen met hun bandje. Voor deze tv-docu van Marcel de Vré nemen ze samen plaats aan een tafel en kletsen een eind weg over hun band, instrument en muziek. Muzikanten op leeftijd die zomaar hadden kunnen uitgroeien tot een Haagse variant op Waldorf & Statler, de twee mopperende Muppets.

In plaats daarvan zitten er twee eeuwige jongens naast elkaar, dollend en lachend. Absolute liefhebbers. De Amerikaanse meesterdrummer Terry Bozzio (Frank Zappa) is vol lof over zijn Nederlandse vakbroeder. Samen zijn Cesar en ‘Rainus’ net een trein, stelt John Waite (The Baby’s). De Britse zanger is duidelijk fan van de Earring, die zich dan, ter gelegenheid van z’n vijftigjarige bestaan, opmaakt voor een jubileumconcert.

Hun oprechte enthousiasme sluit uitstekend aan bij het ongecompliceerde karakter van Golden Earrings ritmetandem en deze film daarover van Marcel de Vré, die in 2021 ook het tweeluik That Day; Afscheid Van Golden Earring afleverde. Alleen de poëtische intermezzo’s van schrijver/columnist Thomas Verbogt blijven een Fremdkörper in deze vrolijke viering van het bandjesleven.

Rinus Gerritsen zou trouwens ook nog één van de hoofdrollen claimen in Tot De Laatste Snik?!, Marcel Goedharts groepsportret van enkele oudere wordende artiesten, zoals Angela Groothuizen, Loïs Lane en wijlen Jan Rot.

The Beat Behind Golden Earring is hier te bekijken.

Pavements

Pink Moon

Als ‘The World’s Most Important And Influential Band’ in 2022 aanstalten maakt om een comeback te maken, nadat die groep er in 1999 officieel het bijltje bij neer had gegooid, wordt dat natuurlijk luister bij gezet met een speelfilm, expositie, musical én documentaire: Pavements (127 min.). En dat allemaal ter gelegenheid van, zoals een gezworen fan ‘t verwoordt, ‘de slacker-Rolling Stones van de jaren negentig’.

Dat klinkt bijna te mooi om waar te zijn voor Pavement, een band die weliswaar een ‘darling of the press’ werd en een trouwe schare fans opbouwde, maar nooit écht doordrong tot het grote publiek. Dat is ‘t ook wel een beetje. Deze documentaire van Alex Ross Perry bevat naast een impressie van de reünie van de illustere gitaargroep en een min of meer regulier carrièreoverzicht ook mockumentary-elementen.

Want Range Life, een Hollywood-biopic over Stephen Malkmus en zijn kompanen, zeg nou zelf? En al die memorabilia in het museum? Zou de band echt hebben meegewerkt aan een Apple-campagne, zoals op het bijbehorende bordje wordt gesteld, waarop meteen wordt beweerd dat Steve Jobs groot fan was? En hebben ze voor de voorstelling Slanted! Enchanted! werkelijk geprobeerd om Pavement-songs te vertalen naar het theater?

Dat spelen met verhaalelementen – waarbij ongewis blijft wat precies wat is en wat niet –past wel bij de groep, die zelf regelmatig laks, tegendraads en vals voor de dag kwam – en daar ook weer mee wegkwam. Pavement was nu eenmaal, zoals een liefhebber ‘t uitdrukt, ‘de ideale band voor jongeren die vonden dat alles stom en klote was’. Trashy, underground en toch buitengewoon sensitief. De ideale soundtrack voor alto’s.

Al die verschillende elementen en perspectieven zijn door Perry associatief, met veelvuldig gebruik van split screen en geluidscrosses, met elkaar verbonden. Het resultaat is een spannende collageachtige film, waarmee de belangrijkste gitaarband van de nineties – althans, volgens een selecte groep fijnproevers, dat Nirvana, Radiohead en Red Hot Chili Peppers voor het gemak over het hoofd ziet – recht wordt gedaan.

Louder Than You Think is een documentaire over Pavements eerste drummer Gary Young.

Blood + Thunder: The Sound Of Alberts

Australia Broadcasting Corporation

In een directievergadering van de firma J. Albert & Son in 1963 bracht het nieuwste directielid, de 25-jarige Ted Albert, een onorthodox idee te berde: zullen we zelf platen gaan produceren en zo een eigen Australische sound creëren?

Ongeveer tegelijkertijd arriveerde er een Schotse arbeidersfamilie in Sydney, met drie geniale gitaristen en songschrijvers in de gelederen: George, Malcolm en Angus Young.

Getuige de tweedelige documentaire Blood + Thunder: The Sound Of Alberts (115 min.) uit 2015 was ‘t onvermijdelijk dat de wegen van Ted Albert en de Youngs elkaar zouden kruisen. Dat gebeurde via The Easybeats, het bandje dat George Young startte met de Nederlander Harry van den Berg, die hij al snel Harry Vanda begon te noemen. Met hits zoals Friday On My MindHello, How Are You en Good Times groeiden zij uit tot een soort Australische Beatles.

Intussen was het oog van de ogenschijnlijk zo nette zakenman Ted Albert ook gevallen op George’s jongere broertjes Malcolm en Angus. Onder de hoede van hun oudere broer en diens maatje Vanda startten zij met AC/DC de Australische rockmachine nog eens goed op. Samen ontwikkelden zij de poepruige pubrock-sound, waarmee de rockwereld een halve eeuw later nog altijd niet klaar is. Australische bands als The Angels en Rose Tattoo, eveneens onder contract bij Alberts, volgden in hun slipstream.

Deze gesmeerd lopende rockdocu van Paul Clarke, met verve aan elkaar gepraat door de Australische acteur David Field, schetst soepel wat de combi Albert-Youngs te weeg heeft gebracht met prachtig archiefmateriaal, enigszins misplaatste reconstructiescènes en terugblikinterviews met insiders en Alberts-artiesten zoals Harry Vanda, Gordon ‘Snowy’ Fleet (The Easybeats), Angus Young (AC/DC), Angry Anderson (Rose Tattoo), Stevie Wright en John Brewster (The Angels).

Het Australische label bleek overigens niet voor één gat te vangen en had bijvoorbeeld ook pop- en discohits met John Paul Young (Love Is In The Air) en Flash & The Pan (Midnight Man), een project dat de succesproducers Vanda en Young voor zichzelf uit de grond stampten. Zo bleven de Alberts-acts de successen aaneenrijgen. Toen Ted Albert in 1990, op slechts 53-jarige leeftijd, plotseling overleed, had hij Malcolm Young net per brief gecomplimenteerd voor het nieuwe AC/DC-album The Razors Edge.

Het is meteen een passend slotakkoord voor een fijne film die een welhaast vergeten rock & roll-akker nog eens lekker afploegt.

Inmiddels zijn overigens, behalve Ted Albert, ook George en Malcolm Young overleden.

This Is Sparklehorse

Sparklehorse

Mark Linkous (1962-2010) stond te boek als een ‘muzikantenmuzikant’, een zanger en songschrijver die wel een potje kon breken bij collega’s. Op de gastenlijst van This Is Sparklehorse (91 min.) prijken dan ook talloze andere prominenten uit de indie-hoek: David Lowery (Cracker), Ed Harcourt, Jonathan Donahue (Mercury Rev), Gemma Hayes, Adrian Utley (Portishead), Jason Lytle (Grandaddy) en John Parish.

Acts voor fijnproevers die, net als Linkous’ artistieke alter ego Sparklehorse, nooit stadions konden vullen, maar zich wel in het hart van menige muziekliefhebber hebben gewurmd. De bekendste naam in deze DIY-film van Alex Crowton en Bobby Dass is zonder twijfel David Lynch. ‘Trieste schoonheid’, noemt de befaamde filmmaker Linkous’ muziek. John Carter (Phantogram) omschrijft die dan weer als ‘gothic country-muziek’.

Sparklehorse-albums klinken als een slecht afgestelde draagbare radio: te midden van ruis en gekraak doemt er ineens een vlijmscherpe rocksong op of meldt zich bijna ongemerkt een gefluisterd melancholiek liedje. Die fluistervorm ontdekte Linkous volgens David Lowery per ongeluk. Als hij ‘s nachts in zijn thuisstudio nieuwe liedjes wilde opnemen, lag zijn echtgenote vaak al te slapen en moest hij zacht te werk gaan.

Zij ontbreekt in dit postume portret. Net als Brian Burton (Danger Mouse), met wie Linkous een compleet album maakte. Zijn broer Matt is wel van de partij. En er is een prominente rol voor singer-songwriter Angela Faye Martin, die deze docu opzette en tevens dienst doet als verteller. In die hoedanigheid richt ze zich af en toe rechtstreeks tot de protagonist. Martin verschijnt soms ook in beeld en claimt zo wel erg veel ruimte.

Hun protagonist blijft intussen een enigma. En dat was vast de bedoeling: een held die net zo ongrijpbaar blijft als zijn muziek. Duidelijk is wel dat Linkous al jong worstelde met het leven. Met allerlei roesmiddelen probeerde hij de depressies op afstand te houden. Daar was soms ook alle reden toe. Nadat hij in 1995 ging touren met zijn debuutalbum Viadixiesubmarinetransmissionplot, sloeg in Londen bijvoorbeeld het noodlot toe.

In een hotel viel hij – beneveld? onder invloed van pijnstillers? – in slaap, met zijn benen onder zich bekneld. Uiteindelijk volgde een hartaanval. Linkous kwam er ernstig beschadigd uit. Een tijd leek ’t alsof hij de rest van zijn leven veroordeeld zou zijn tot een rolstoel. ‘Bij de eerste gelegenheid waarop we alleen waren zei hij: je moet me doden’, herinnert David Lowery zich die donkere periode. ‘Ik kan niet leven met deze pijn.’

Later, toen Mark Linkous met de nodige hulpmiddelen weer kon staan en lopen, bleven de donkere episoden – ook omdat zijn muziek nauwelijks genoeg geld binnen bracht om van te kunnen leven. Toen zijn vriend en collega Vic Chesnutt, daadwerkelijk veroordeeld tot een rolstoel, in 2009 de dood boven het leven verkoos, belandde ook Linkous in een niet meer te stoppen neerwaartse spiraal. Binnen drie maanden was hij eveneens dood.

Deze film veegt een flink aantal brokstukken van Mark Linkous’ leven bij elkaar, van een man zonder beschermingslaag, die ver van waar ’t in de muziekbusiness gebeurt, New York en Los Angeles, waar hij zelf nooit kon floreren, zijn eigen stem vond. Ruw, zacht en breekbaar – en nauwelijks te vatten. Zoals de onnavolgbare slogan van die schoorsteenveger op het T-shirt dat hij soms droeg: we may not be good, but we sure are slow.

Piece By Piece

Universal Pictures

‘Het zou toch wel tof zijn als we mijn verhaal met legostukken zouden vertellen’, begint Pharrell Williams in de openingsscène van Piece By Piece (93 min.) tegenover documentairemaker Morgan Neville (20 Feet From StardomShangri-La en STEVE! (martin) – A Documentary In 2 Pieces). ‘Haha’, reageert die. ‘Serieus?’ Williams is onverbiddelijk: ‘Ja’. Neville wil zeker weten dat hij niet voor de gek wordt gehouden. ‘Lego?’ Zijn hoofdpersoon legt ’t nog maar eens uit: ‘Probeer je voor te stellen hoeveel kleur dat zou kunnen geven. Onbeperkt. Dit is dé manier waarop ik mijn pure zelf kan zijn, zonder me vreemd te voelen.’

Zo gezegd, zo gedaan. Bovenstaand gesprek / toneelstukje is overigens al afgewikkeld in lego. De uitkomst ervan staat dus op voorhand vast: Pharrell Williams, het muzikale multitalent dat zich als onderdeel van het producersduo The Neptunes, met het project N.E.R.D. en kneiterhits zoals Get Lucky en Happy al op jonge leeftijd onsterfelijk heeft gemaakt, gaat de komende anderhalf uur door het leven als stuk plastic. Wat blijft er dan nog van hem over? En van zijn vrouw, kinderen, ouders, Neptunes-partner Chad Hugo, manager Rob Walker en collega’s als Timbaland, Missy Elliott, Jay-Z, Snoop Dogg, Busta Rhymes, Gwen Stefani, Kendrick Lamarr en Justin Timberlake?

Pharrells levensverhaal – van nobody tot superster en vervolgens van identiteitscrisis naar remonte – is door Neville in elk geval heel inventief en met veel humor vertaald van een tamelijk voorspelbare popdocu naar een geanimeerde legofilm. Zo’n opvallende vorm past ook bij de hoofdpersoon, een man die van ‘out of the box’ denken z’n modus operandi heeft gemaakt en alles aangrijpt om te kunnen creëren. Van sneakers, skateboards en gezichtscrème tot drankjes, zonnebrillen en een McDonald’s-jingle. Zolang hij er maar zijn stempel op kan drukken. Het grote risico daarvan is, volgens zijn directe omgeving, totale versnippering en afgesneden raken van je roots.

Nee, de vertelling grijpt niet aan. Daarvoor blijft die legowereld toch te veel een gimmick. Geen gezichtsuitdrukkingen, lichaamstaal of menselijke interactie bijvoorbeeld. De film blijft wél over de volle lengte boeiend en amusant – met de ogen dicht wordt Piece By Piece overigens gewoon een podcast – en illustreert nog maar eens hoeveel invloed Pharrell Williams heeft gehad op de populaire muziek, en bijbehorende (jongeren)cultuur, van de afgelopen twintig jaar. 

De Earring & Ik

NTR

Toen gitarist George Kooymans werd gediagnosticeerd met de slopende ziekte ALS, viel plotseling het doek voor Golden Earring. Enkele jaren na dat gedwongen afscheid is er nog altijd geen definitieve documentaire over de grootste Nederlandse rockband. De Earring & Ik (55 min.) heeft die pretentie ook niet. De film van Yael Vinckx en Joris Postema beperkt zich tot het afscheidsconcert dat de fans onlangs voor de band gaven, omdat die zelf nooit een afscheidsoptreden heeft kunnen geven.

Dat idee van een fanconcert, uitgevoerd op 30 september 2024 in Rotterdam Ahoy, is natuurlijk geleend van Rockin’1000, een hartveroverend initiatief uit 2015 om met duizend muzikanten het Foo Fighters-liedje Learn To Fly uit te voeren en zo Dave Grohl en zijn band te verleiden om in de Italiaanse stad Cesena te komen optreden. Die actie vormde uiteindelijk de basis voor een nog altijd lopende concertreeks en de onweerstaanbare feel good-documentaire We Are The Thousand (2020).

Deze collageachtige docu over, voor en ook een beetje mét Golden Earring doet tevens denken aan de fanfilm Springsteen & I, waarin aanhangers van ‘The Boss’ verhalen over hun bijzondere band of ervaring met Bruce, en het ontstaan van The PoguestrA, een internationale tributeband voor de Ierse folkgroep The Pogues die in de Coronajaren via YouTube begon te musiceren. Zulke loffelijke initiatieven tonen nog maar eens, ten overvloede, de onverwoestbare verbindende kracht van muziek aan.

De Earring & Ik trekt die lijn moeiteloos door. Vader Harry en zoon Sydney gaan bijvoorbeeld samen hun liefde voor de Haagse rockband delen in Ahoy. Bassist Herbert heeft een ‘dikke connectie’ met zowel de Earring als ALS. En Noah speelt mee als eerbetoon aan zijn verongelukte vriend Haron, waarvan moeder Helma dan weer op de tribune zit. Daar neemt ook weduwnaar John plaats – tenminste, als hij niet gewoon gaat staan en in gedachten danst met z’n geliefde Judith.

Stuk voor stuk hebben ze hun eigen herinneringen aan Golden Earring. De zussen Winy en Yvonne kunnen zich bijvoorbeeld nog goed voor de geest halen hoe de band vroeger bij het café van hun ouders in Zoeterwoude repeteerde. Later verzorgde hun vader regelmatig de catering bij de groep. Toen hij na een lang ziekbed overleed, kwamen gitarist George Kooymans en bassist Rinus Gerritsen naar zijn begrafenis en lag er ook een enorm bloemstuk namens de band. ‘Dat was heel mooi en lief.’

In zekere zin wordt deze film van Yael Vinckx en Joris Postema zo wel degelijk de ultieme Golden Earring-docu. Want is, als puntje bij paaltje komt, wat muziek dóet niet veel belangrijker dan met welke single een groep doorbrak, wie wanneer en waar in en uit de band ging en – zeker – wie er welk lijntje snoof van de billen van een doorgedraaide groupie? Deze film is een eerbetoon aan de zeggingskracht van Golden Earring. En die heeft, ook na het einde van de band, nog niets aan kracht ingeboet.

The Kings Of Tupelo: A Southern Crime Saga

Netflix

‘Nu wordt alles duidelijk’, concludeert Kevin Curtis. ‘Denk erover na: Steve Holland, volksvertegenwoordiger, directeur van een uitvaartcentrum, orgaanoogsten, lijken…’ In het hoofd van Curtis worden ineens allerlei verbanden gelegd. De Elvis-imitator uit Tupelo, de geboorteplaats van ‘The King of rock & roll’, is al enige tijd bevangen door een complottheorie over de handel in lichaamsdelen op de zwarte markt en weet ‘t nu zeker: Holland, volksvertegenwoordiger in de Amerikaanse staat Mississippi, maakt zich daaraan schuldig en wordt door alles en iedereen in de rug gedekt.

Het zaadje voor deze steeds ingewikkeldere samenzweringstheorie is in Curtis’ hoofd geplant tijdens zijn werk als schoonmaker in het North Mississippi Medical Center. In het mortuarium van dat ziekenhuis zou hij in een vriezer het afgehakte hoofd hebben gevonden van een patiënt die twee dagen eerder nog gewoon in leven was. Kort daarna werd ‘KC’ ontslagen omdat hij zich op verboden terrein had begeven en begon hij via allerlei websites wilde complottheorieën over ‘orgaanoogsten’ te verspreiden. En zo dreef hij dan weer een wig tussen hemzelf en zijn broer, de verzekeringsagent Jack Curtis, met wie hij al enige tijd een act had als het Elvis-imitatieduo Double Trouble.

Volgt u ‘t nog? Ja, tis wel opletten geblazen in The Kings Of Tupelo: A Southern Crime Saga (193 min.), een driedelige serie van Chapman Way en Maclain Way (Wild Wild Country en de Untold-serie) over de doldwaze lotgevallen van de ‘crazy Southerner’ Kevin Curtis, die na ledematenhandel ook complotten rond ‘chem trails’, 9/11 én zijn eigen vervolging ontdekt. Hij duikt van het ene in het andere konijnenhol en wordt alsmaar meer paranoïde. Ten einde raad zou hij in 2013 vervolgens brieven hebben gestuurd aan een assistent-aanklager in Mississippi, rechter Sadie ‘moeder van Steve’ Holland, de Republikeinse senator Wicker en president ‘Barack Hussein Obama’. De enveloppen bevatten het dodelijke gif ricine.

‘I am KC and I approve this message’, stond er onder de bijbehorende dreigbrieven. Hoe heeft ’t zover kunnen komen? Dat is ook de vraag die deze miniserie probeert te beantwoorden. De gebroeders Way kiezen ervoor om deze kwestie met veel humor aan te vliegen, de sowieso al kleurrijke personages nog eens extra dik aan te zetten en Curtis zelf alle ruimte te geven. Samen met een volvette soundtrack, illustratieve tekeningen en een slicke verhaalopbouw zorgt dit voor een bijna campy vertelling, waarbinnen de ernst van ‘s mans mentale problemen en zijn afdaling in steeds uitzinnigere complotten vooral voer zijn voor verbazing en vermaak – niet voor serieuze ongerustheid. The Kings Of Tupelo maakt er liever een gimmick van dan een invoelbaar persoonlijk verhaal.

En dan – aflevering 3 van deze kluchtige serie is al begonnen – steekt er met de introductie van een ander larger than life-personage, J. Everett Dutschke, nog een andere vraag de kop op: is Kevin Curtis eigenlijk wel de (enige) afzender van die dodelijke brieven?

Flipside

Oscilloscope Laboratories

Waar gaat de film over en waar wil ie naartoe? In tijden van formats is ook bij documentaires doorgaans binnen twee minuten duidelijk wat een film wil zijn. Deze productie lijkt dan te gaan over de Amerikaanse fotograaf Herman Leonard, die halverwege de twintigste eeuw iconische zwart-wit portretten maakte van jazzgrootheden zoals Dexter Gordon, Duke Ellington, Louis Armstrong, Billie Holiday en Miles Davis. Herman heeft niet lang meer te leven, documentairemaker Chris Wilcha heeft de opdracht gekregen om hem op de valreep nog te portretteren. Een tot mislukken gedoemde opdracht, die dan ook op niets zal uitlopen.

Na enkele minuten schakelt Wilcha dus noodgedwongen door. Naar een film over… – ja, waarover eigenlijk? – de zin, het gevoel of pak ‘m beet de keerzijde van het bestaan: Flipside (96 min.). Een documentaire over de documentairemaker zelf, Chris Wilcha. Herstel over commercialmaker Chris Wilcha. En over zijn vader, de eigenaar van zijn favoriete platenzaak, diens lokale concurrent die ook Dan heet, comedyschrijver Judd Apatow, would be-schrijfster Starlee Kine, radiohost Ira Glass, popsnob Tracy Flipside, gewezen tv-held Uncle Floyd, de vermaarde showrunner David Milch en, ja, Herman Leonard. En over heel veel ongemaakte documentaires – die nu alsnog zijn afgerond.

Die film gaat daarnaast ook over respect hebben voor wie je was, tevreden zijn over wie je bent geworden en vrede hebben met waar je nog zult uitkomen. ‘Één van de vreemde inzichten van middelbare leeftijd is dat je diep van binnen weet dat twee volledig tegengestelde ideeën allebei waar zijn’, probeert Wilcha de basisgedachte van zijn persoonlijke film onder woorden te brengen, in één van de voice-overs waarmee hij richting geeft aan dit zoveelste tot mislukken gedoemde documentaireproject. ‘Dat je je echt rot kunt voelen over de dingen die je nooit hebt gedaan en ook nooit zult gaan doen. En dat je tegelijkertijd houdt van het leven dat je wél hebt geleid.’

Die realisatie heeft geresulteerd in – of is juist het resultaat van – een nauwelijks na te vertellen vertelling, die afwisselend – en soms tegelijkertijd – blij, melancholisch en tot nadenken stemt. Flipside is Amerikaans, indie, Gen Z., High Fidelity, (anti)marketing, Mr. Peanut, hotelzeepjes, midlife én David Bowie. Een film die vrijwel tot het einde toe nog alle kanten op kan, ongericht en toch helemaal raak. Net als het leven, één groot onafgewerkt project dat maar om aandacht blijft vragen.

Teaches Of Peaches

Pink Moon

Het zijn bijna onwerkelijke beelden uit 1994: Merrill Nisker, een lieflijk meisje met lang krullend haar speelt met haar akoestische gitaar liedjes voor de jongens en meisjes van de kinderopvang. Slechts zes jaar later fleemt diezelfde jonge vrouw over ‘sucking on my titties like you wanted me, calling me’ in de signatuursong van haar alter ego PeachesFuck The Pain Away. Over dat Canadese meisje, die ‘t ooit probeerde als folkzangeres, laat de inmiddels 58-jarige artiest verder weinig los in Teaches Of Peaches (102 min.).

Des te meer ruimte is er voor de artiest/kunstenaar, die zich opmaakt voor een reprise van haar succesvolle debuutalbum waarnaar deze film van Philipp Fussenegger en Judy Landkammer is vernoemd. Die elektroclashplaat brengt het feministische icoon ook compleet ten gehore in haar tweede thuis Berlijn. Tijdens dat jubileumconcert komt het provocerende, theatrale en uitgesproken seksuele karakter van haar podiumact volledig tot z’n recht. ‘Ik ben niet meer vulgair dan wie dan ook’, beweert ze zelf.

En dat wordt min of meer bevestigd door haar vriend Ellison Glenn alias Black Cracker. Toen hij haar voor het eerst op het podium aan het werk zag, vast half ontkleed en tijdens (het simuleren van) de één of andere seksuele activiteit, dacht hij volgens eigen zeggen dat het elke nacht prijs zou zijn met deze dame. Dat blijkt in de praktijk alleen toch wat genuanceerder te liggen. Het is een kwestie van ‘finding moments to touch the booty’. Zoals menige komiek thuis nu eenmaal ook een sombermans schijnt te zijn.

Als Peaches exploreert ze de vrouwelijke seksualiteit. Met veel bloot of de suggestie daarvan, bijvoorbeeld in die kenmerkende, veel te kleine roze shorts, zodat haar ‘cameltoe’ goed zichtbaar is – en het schaamhaar dat ze, net als haar okselbeharing, weigert bij te werken. Al haar strapatsen worden in context geplaatst door haar modeontwerper Charlie Le Mindu, oud-sidekick Feist en haar voormalige duopartner Chilly Gonzales, die oogt als een kruising tussen Nicholas Cage en Ron Jeremy.

Naar de vrouw achter de artiest en performancekunstenaar blijft ’t ondertussen zoeken in deze uiteindelijk tamelijk conventionele popdocu. Dat ze ooit keelkanker heeft gehad, wordt bijvoorbeeld in enkele zinnen afgedaan. Een voetnoot. En als Fussenegger, naar aanleiding van haar provocerende T-shirt Thank God For Abortion, wil weten of abortus ook een persoonlijk onderwerp is voor haar, wordt ze zowaar even pinnig. Die vraag vindt Peaches ongepast. Alsof zo’n privé-ervaring nodig is om vóór het recht op abortus te zijn.

Op het podium manifesteert ze zich als een fiere vechter voor vrouwen- en LHBTIQ+-rechten, blijkt opnieuw tijdens dat geladen concert in Berlijn, waarnaar dit portret steeds weer terugkeert. Fussenegger en Landkammer snijden van daaruit ook regelmatig naar het verleden, naar performances waarin hun heldin steevast de grenzen van het betamelijke en de goede smaak opzoekt (en overschrijdt). Zoals mannelijke rocksterren ook zo vaak doen – al lopen die beslist niet zo overtuigend over hun eigen publiek.

In 2024 is er overigens nóg een documentaire over Peaches uitgebracht: Marie Losiers Peaches Goes Bananas. Wellicht dat de aandacht daarin meer uitgaat naar Merrill Nisker – al doet de trailer vermoeden dat ’t toch vooral weer heel veel Peaches wordt.

Return Of The King: The Fall And Rise Of Elvis Presley

Netflix

Hij begint met een valse start. De ‘King of rock & roll’ oogt onzeker en nerveus en verknalt het eerste nummer. Dit optreden, de zogenaamde ’68 Comeback Special, moet de grote ommekeer in zijn carrière bewerkstelligen. Want Elvis Presley (1935-1977) is al enige tijd zichzelf niet meer. Hij heeft al vijf jaar geen serieuze hit meer gehad en bovendien in geen zeven jaar op een podium gestaan.

De documentaire Return Of The King: The Fall And Rise Of Elvis Presley (91 min.) – niet ‘the rise and fall’ dus, zoals te doen gebruiken in muziekdocu’s, waarna dan op de valreep nóg een rise volgt – reconstrueert hoe Presley in 1968 de weg terug naar zichzelf en zijn publiek vindt met een dampende concertspecial, die ruim een halve eeuw later nog altijd als een ijkpunt in de rock & roll-historie wordt beschouwd.

Deze patente film van Jason Hehir (Andre The GiantMurder In Boston en de epische Michael Jordan-serie The Last Dance) begint echter bij het begin: hoe een lefgozer uit het diepe en arme Zuiden van de Verenigde Staten zich halverwege de jaren vijftig, met veel succes, zwarte muziek toe-eigent. In al z’n oerdrift, seksuele geladenheid en monsterlijke swing. Hij wordt er één van ’s werelds allereerste tieneridolen mee.

Na enkele jaren aan de top, eenzaam maar welvoorzien, raakt Elvis langzaam maar zeker zijn mojo kwijt. Ook al blijft in eerste instantie het succes. Daar zorgt zijn manager Colonel Tom Parker, de onverbeterlijke ritselaar Dries van Kuijk uit Breda, wel voor. ‘De kolonel kun je in één zingen samenvatten’’ stelt Bruce Springsteen lachend. ‘Vorig jaar had m’n jongen een miljoen dollar aan talent. Nu heeft hij een miljoen dollar.’

Elvis’ diensttijd in Duitsland kost hem echter de kop. Als hij begin jaren zestig terugkeert naar eigen land, verwelkomt Frank Sinatra hem in een speciale tv-show. Daarmee wordt de schrik van elke Amerikaan met een dochter meteen ingekapseld. De rebel van weleer, die elk meisje weke knieën bezorgt, wordt ‘one of the guys’. En Parker regelt rollen in een stroom, steeds slechter wordende, romantische films voor hem.

‘Gênant’, zegt Priscilla Presley tegen een vriend van haar echtgenoot, Jerry Schilling, terwijl ze in deze docu samen naar een scène uit Double Trouble (1967) kijken. Achter op een pick-up truck zingt Elvis zogenaamd enthousiast Old MacDonald Had A Farm voor een inwisselbare ‘love interest’. ‘Het is een misdaad om hem dat liedje te laten zingen’, zegt Priscilla met het nodige drama. ‘Hij stond voor schut en hij wist het.’

Elvis zit als een rat in Parkers val en moet bovendien aanzien hoe Britse bands zoals The Beatles en The Stones zijn plek op de rock & roll-troon claimen. The King heeft een list nodig, maar moet daarvoor wel zijn eigen manager trotseren. Want die heeft weer een cheesy special in gedachten, bepaald geen wederopstanding van het gevaarlijke rock & roll-beest Elvis Presley dat Mick Jagger en consorten in hun kloten gaat bijten.

Hehir serveert de uiteindelijke ‘rise‘ van zijn held smakelijk uit met enkele audio-quotes van The King zelf, fraaie (backstage)beelden, enkele subtiele re-enactment-scènes, herinneringen van een aantal direct betrokkenen en smeuïge quotes van bekende fans, zoals regisseur Baz Luhrmann (van de speelfilm Elvis), Robbie Robertson (The Band), comedian/talkshowhost Conan O’Brien en Billy Corgan (Smashing Pumpkins).

In de ’68 Comeback Special toont Elvis, 33 jaar oud inmiddels, dat hij nog steeds een viriele jonge vent is – en dat hij zijn troon als koning van de rock & roll echt niet zomaar afstaat aan de nieuwste roedel jonge honden. Hij zal nochtans binnen tien jaar overlijden, als een schim van de man die talloze malen ieders hart veroverde.

Marilyn Manson Unmasked

Videoland

Een slang verontschuldigt zich er niet voor dat ie een slang is, stelt Marilyn Manson. Hij wilde altijd een rockster worden en gedraagt zich dus ook zo. ‘Dus ik accepteer die rol en ga van alle aspecten ervan genieten. Daar voel ik me niet schuldig over.’ Of Manson nog spannende verhalen heeft over uitspattingen achter de schermen? wil een interviewer weten. ‘Als ik over de echt indrukwekkende uitspattingen vertel, word ik gearresteerd’, reageert de Amerikaanse shockrocker, die in werkelijkheid Brian Warner heet. ‘Daar kan ik dus niets over zeggen.’

Warner speelt zijn rol van ‘antichrist superstar’ bijzonder overtuigend. Hij meet zich vol verve een angstaanjagend personage aan, waarop ‘t heerlijk griezelen/haten is. In interviews omschrijft Manson zichzelf beurtelings als slang, engel, buitenaards wezen of – pak ‘m beet – ‘de kinderlokker van Chitty Chitty Bang Bang’. En de pers, zijn fans en iedereen die hij opzichtig tegen zich in het harnas jaagt, eten intussen uit zijn hand. Het lijkt een doorzichtige truc: een uitgekiende manier om de aandacht op zich gevestigd te houden en wereldberoemd te worden.

Of zou Brian Warner toch zo geperverteerd zijn als z’n demonische alter ego? Aanhoudende verhalen over seksueel misbruik van en geweld tegen (minderjarige) meisjes brengen Marilyn Manson in 2021 ernstig in verlegenheid en zorgen ervoor dat hij binnen 24 uur wordt gedropt door zijn manager, impresariaat en platenlabel. De getuigenis van zijn ex-vriendin Evan Rachel Wood, die in 2018 al een verklaring over seksueel misbruik door een dan nog niet bij naam genoemde ex-vriend heeft afgelegd in het Amerikaanse congres, speelt daarbij ongetwijfeld een cruciale rol.

De Amerikaanse actrice heeft haar verhaal ook al eens tot in detail gedaan in de documentaire Phoenix Rising (2022) en  herhaalt haar relaas nu in Marilyn Manson Unmasked (138 min.). Ze wordt terzijde gestaan door enkele fans en voormalige assistenten van de controversiële artiest. Zij hebben soortgelijke ervaringen met Manson en schetsen een man die daadwerkelijk de creep is (geworden) die hij al jaren aan de wereld toont. Hun verhalen laten samen een patroon zien van een man die rücksichtslos de grenzen van anderen opzoekt en doelbewust overschrijdt.

Warners jeugdvriend Scott Wade, muzikant Tim Vaughn en voormalig Marilyn Manson-bandlid Stephen Bier (alias Madonna Wayne Gacy) kenden de omstreden shocker al ruim voordat hij de schrik van Amerika’s moeders werd. Zij kúnnen hem in deze driedelige serie van Karen McGann plaatsen binnen het getroebleerde gezin Warner, waarvan Brian/Marilyn een aardige, hoewel tamelijk unheimische, afspiegeling lijkt. Tegelijk nuanceren zij sommige ervaringsverhalen ook en benadrukken dan dat ze zich niet kunnen voorstellen dat Manson zich zo heeft misdragen.

Diens advocaat Howard King ontkent namens zijn cliënt eveneens alle beschuldigingen. Alles heeft volgens hem met wederzijdse instemming plaatsgevonden. ‘Als je gaat daten met de antichrist superstar, wat verwacht je dan?’ verwoordt ‘video commissioner’ Randy Sosin, verantwoordelijk voor de Marilyn Manson-videoclip waarin Evan Rachel Wood zou zijn misbruikt, de voorspelbare scepsis rond de aantijgingen. Het antwoord is al even evident: dat ook extreem kunstenaarschap nooit een vrijbrief mag worden voor (seksueel) grensoverschrijdend gedrag.

McGanns he said/she-she-she… said-productie – gemaakt in samenwerking met het befaamde muziektijdschrift Rolling Stone, dat de #metoo-kwestie rond Marilyn Manson in november 2021 verder aan het rollen bracht met het artikel The Monster Hiding In Plain Sight – hamert die boodschap er in elk geval stevig in en geeft intussen een (on)aardig kijkje achter de schermen bij een typische ‘man you love to hate’.

Eno

Film First / Tiger Lily

‘Honour thy error as a hidden intention’, staat er op het eerste memokaartje dat Brian Eno, na een dagje in de studio met zijn toenmalige groep Roxy Music, in 1972 voor zichzelf maakte. Als een soort geheugensteuntje, voor de mens en de kunstenaar in hem. Er zouden er nog veel volgen. ‘If it can be said, it can be said simply’ bijvoorbeeld. ‘It’s quite possible (after all).’ Of: ‘Look most closely at the most embarrassing details and amplify them.’

Samen met de beeldend kunstenaar Peter Schmidt bracht Eno (86 min.) de kaartjes, onder de noemer Oblique Strategies, ook op de markt. En hij zette ze natuurlijk zelf in, bijvoorbeeld bij de opnames voor David Bowies Berlijn-trilogie. De man zelf kan er geanimeerd over vertellen in dit ingenieuze (zelf)portret, dat voor iedereen anders is. Letterlijk: algoritmen bepalen tijdens een screening wat de dan aanwezige kijker krijgt voorgeschoteld.

Documentairemaker Gary Hustwit heeft samen met visueel kunstenaar Brendan Dawes generatieve software ontworpen, waarmee steeds nieuwe scènes, overgangen en sequenties worden gecreëerd op basis van de interviews die hij met Eno heeft gedaan en diens schier onuitputtelijke archief. Elke vertoning van de film is dus anders. Een benadering die perfect aansluit bij de denk- en handelswijze van de muzikant, kunstenaar en algehele creatieveling.

Vanuit zijn eigen werkruimte dwaalt Brian Eno in de televisieversie van deze baanbrekende film, die natuurlijk wel gewoon lineair wordt is opgebouwd, af naar alle uithoeken van zijn werk als schepper van een geheel eigen universum. Een man in zijn hol. Een ‘shed’, maar dan wel een idyllisch gelegen en goed geoutilleerde schuur. Anderen lijkt hij daar niet nodig te hebben. Zoals in deze film ook geen andere personen aan het woord komen.

In de rechttoe rechtaan variant van Hustwits film, die sowieso geen regulier, chronologisch opgebouwd carrièreoverzicht wil worden, komen in elk geval Eno’s werk als producer voor Talking Heads, John Cale en U2 aan de orde, ‘s mans zorg over klimaatverandering en zijn rol als wegbereider van de muziekstroming ‘ambient’ (door menigeen weggezet als zielloos muzikaal behang, waardoor ‘enoësk’ een weinig vleiend predicaat werd) aan de orde.

Welke vorm de algoritmen deze documentaire ook geven, Eno blijft ongetwijfeld eerst en vooral een portret van de kunstenaar en zijn visie, het privéleven van de man daarachter komt slechts zijdelings aan bod in deze intrigerende film over gevoel, concept, creativiteit en experiment.

Road Diary: Bruce Springsteen & The E Street Band

Disney+

Hoewel Thom Zimny ook documentaires heeft gemaakt over Johnny Cash, Sylvester Stallone en The Beach Boys, geldt hij toch eerst en vooral als huisfilmer van Bruce Springsteen. In de afgelopen twintig jaar verscheen er geen clip, special of docu van de Amerikaanse rocker of Zimny was erbij betrokken als regisseur, editor of producer. Ook bij Road Diary: Bruce Springsteen & The E Street Band (99 min.) zit hij weer aan de knoppen – al blijft het de vraag hoeveel ruimte The Boss zelf en zijn manager Jon Landau claimen.

Bruce Springsteen lijkt er de man niet naar om de teugels al te veel te laten vieren. Zo stuurt hij deze film, over de eerste tour in zes jaar met zijn befaamde E Street Band, weer aan met zijn welbekende, licht gezwollen voice-over, waarin de zegeningen van rock & soul en zijn band worden geteld, twee gestorven groepsleden worden geëerd (saxofonist Clarence Clemons en toetsenist Danny Federici, vervangen door respectievelijk neefje Jake Clemons en oudgediende Charles Giordano) en het verhaal dat hij ditmaal wilde vertellen met zijn concerten: over ‘leven en dood, en alles er tussenin’.

Aan een interview waagt hij zich verder niet. Alle andere leden van de aangeklede E Street Band, ditmaal met blazerssectie en achtergrondkoor, nemen wel de gelegenheid om hun zegje te doen en herinneringen op te halen aan de ‘glory days’ van de muzikale onderneming die ook hun leven domineert. Zoals er tevens ruimte is voor Springsteens wereldwijde aanhang, om nog maar eens uitbundig de loftrompet te steken over hun held en de bijna religieuze ervaringen die zijn concerten ook deze tournee, die nadrukkelijker dan ooit wordt beschouwd als mogelijk de allerlaatste, weer zijn geworden.

Vanzelfsprekend is dat in eerste instantie niet, getuige deze tourdocu. Bruce lijkt ditmaal niet zo’n zin te hebben in uitgebreid en alles tot in detail repeteren, constateert Jon Landau. Springsteens rechterhand, Steven Van Zandt, vindt zelfs dat de teugels moeten worden aangetrokken en begint daarom extra te oefenen met de band, voor het eerst in de historie zónder de grote baas zelf erbij. Van Zandt krijgt zelfs een officiële titel van zijn bloedsbroeder: music director. ‘Leuk hoor’, zegt ‘Little Steven’ grinnikend en laat vervolgens een korte stilte vallen. ‘Maar wel veertig jaar te laat.’

Met zulke aardige inkijkjes bij het groots opgezette rock & roll-circus waarmee Springsteen wederom de wereld rond is gegaan, gepaard aan hoogtepunten uit zijn vurige concerten met een excellerende E Street Band, voldoet Road Diary precies aan de verwachtingen. Die worden alleen ook niet overtroffen. Daarbij wreekt zich toch dat Springsteen en Landau de controle nooit helemaal uit handen lijken te geven. Als er zich ‘on the road’ al onverwachte, gênante of pijnlijke zaken hebben voorgedaan, dan zijn die waarschijnlijk nooit gefilmd of in elk geval in de montage gesneuveld.

Het maakt eerlijk gezegd benieuwd naar een Bruce-docu zónder Thom Zimny –  of Springsteen zelf – aan de knoppen. De ongefilterde Springsteen, dát zou pas wat zijn.

Tom Petty: Heartbreakers Beach Party

Piece Of Magic

Toen de verloren gewaande docu Tom Petty: Heartbreakers Beach Party (65 min.) oorspronkelijk werd uitgebracht in 1983, golfden de Amerikaanse rocker en z’n band nog op het succes van hun derde album Damn The Torpedoes. Hun muziek paste perfect bij de rock van Bruce Springsteen, John Mellencamp en Little Steven, die begin jaren tachtig immens populair werd in de Verenigde Staten. En Petty en de zijnen wilden maar al te graag hun nieuwe elpee Long After Dark (1982) aan de man gaan brengen.

Vandaar ook die film. En de regisseur (en presentator) daarvan, Cameron Crowe, was in die jaren nog een jonge en springerige popjournalist. Pas later zou hij zich manifesteren als volwaardige cineast en zijn eigen herinneringen als jeugdige medewerker van Rolling Stone verfilmen onder de noemer Almost Famous (2000), de ultieme grunge-film Singles (1992) maken en één van de toonaangevende bands van dat rockgenre portretteren in de documentaire Pearl Jam Twenty (2011).

Toen Crowe met Tom Petty filmde, konden ze geen van tweeën vermoeden wat de toekomst nog in petto zou hebben voor de zanger/gitarist. Dat hij met Bob Dylan, Roy Orbison, Jeff Lynne en George Harrison de supergroep Traveling Wilburys zou vormen. Dat hij met The Heartbreakers nog veel grotere successen zou smaken. En dat in 2017 een hartstilstand een einde zou maken aan het leven van hem en van zijn groep, die toen net uitbundig z’n veertigjarige jubileum had gevierd.

Dat Petty nog veel meer van zichzelf zou gaan laten zien in z’n liedjes, vermoedde Cameron Crowe al in 1983. In de outtakes die aan deze heruitgave van de docu uit 1983 zijn toegevoegd, vertelt hij dat de persoonlijke insteek van pareltjes zoals Kings HighwayLearning To Fly en I Won’t Back Down zich toen al aandiende. Samen met een korte vooraankondiging geven zulke deleted scenes, inclusief een gesprekje met Petty’s dochter Adria (in totaal: 19 min.), Crowes oorspronkelijke film extra context.

Het interview dat Petty, met zonnebril, gaf in een limousine valt daardoor beter op z’n plek. Die setting was bedoeld als commentaar op de karikaturale rocksterrenattitude. ‘Ja, ik rol altijd m’n eigen sigaretten’, grapt hij voor het officiële interview begint. Tegelijkertijd zitten zulke clichés soms ook gewoon in die film. Waar denk je aan tijdens het drummen? vraagt een jonge Crowe bijvoorbeeld aan drummer Stan Lynch. ‘Wil je het eerlijke antwoord?’ vraagt die. ‘Ik denk aan…’ De rest is weg gebliept.

Verder is het ‘business as usual’ in deze docu: live-uitvoeringen van enkele bekende hits (American GirlRefugee en Listen To Her Heart), een interview bij Petty thuis, studiobeelden met Fleetwood Mac-zangeres Stevie Nicks, een Q&A met fans én een officiële gelegenheid in Petty’s geboorteplek Gainesville, waarbij hij van de burgemeester de sleutel van de stad krijgt overhandigd. Het is weer eens wat anders dan moeten verschijnen voor de jeugdrechtbank, reageert de rocker droog.

Deze documentaire toont Tom Petty in zijn jonge jaren als artiest, op een moment dat hij nog zo’n 35 jaar leven en carrière voor de boeg heeft, een toekomst die inmiddels alweer enkele jaren achter hem ligt.

My Generation

EO

Gaan we rocken? roept een man naar de bus senioren. Zij reageren enthousiast: jeeeeuuuh! Het gezelschap is onderweg naar de Zwarte Cross in Lichtenvoorde, waar een hopelijk volle festivaltent wacht op het ouderenkoor uit Haarlemmermeer. Net voor aankomst zingen ze nog even mee met de plaatselijke klassieker Oerend Hard van Normaal.

My Generation (54 min.) afficheert zich als een rockkoor, waarbij iedereen welkom is. Zangtalent is mooi meegenomen, maar zeker geen voorwaarde. Onder leiding van dirigent Boris studeren de senioren enthousiast bekende pop- en rockklassiekers in van pak ‘m beet The Rolling Stones (Ruby Tuesday), Bob Marley (One Love) en – natuurlijk – The Beatles (Here Comes The Sun).

Dit doet natuurlijk denken aan de opzet van Young @ Heart, Stephen Walkers documentaire over een Amerikaans ouderenkoor met een al even opmerkelijk repertoire – al begaf dat gezelschap zich met covers van lekker dwarse acts als Talking Heads, Sonic Youth en The Ramones zelfs nog véél verder van de mainstream. De oudjes werden er hip mee. Toen die term allang niet meer in zwang was.

My Generation opereert conventioneler en moet het vooral van lol, gezelligheid en enthousiasme hebben. Tijdens de voorbereidingen op het muziek- en crossfestival in de Achterhoek, die als rode draad voor deze film fungeren, volgt documentairemaakster Anne-Marieke Graafmans enkele leden tijdens activiteiten van het koor en in hun dagelijks leven.

Zij kampen met de dingen waarmee mensen op leeftijd nu eenmaal kampen: eenzaamheid, verlies en de zin van het bestaan. Dat klinkt al een stuk heftiger dan het in deze wat vlakke docu wordt. Echt drama blijft achterwege. Binnen de groep is er hooguit wat wrijving over het ontwerp voor het officiële ‘tourshirt’ en of de dames tijdens het Zwarte Cross-optreden een giletje gaan dragen of niet.

Wat rest is een vlot groepsportret van een stelletje enthousiastelingen dat zich opmaakt voor een plek in het middelpunt van de belangstelling – als toch wel een soort gimmick – bij een festival dat populairder dan ooit lijkt bij de jeugd van tegenwoordig.

The Tragically Hip: No Dress Rehearsal

Prime Video

Met de geladen tourdocu Long Time Running (2017) zet de Canadese rockband The Tragically Hip na ruim dertig jaar noodgedwongen een punt achter z’n carrière. Zanger Gordon Downie is twee jaar eerder gediagnosticeerd met een terminale hersentumor en wil in 2016 nog eenmaal met z’n maatjes een serie concerten geven. Het wordt een emotionele tournee en waardige afsluiting. Als ‘Gord’ vervolgens op slechts 53-jarige leeftijd z’n laatste adem uitblaast op 17 oktober 2017, houdt ook de groep automatisch op te bestaan. 

Zeven jaar later documenteert Gords oudere broer, documentairemaker Mike Downie, met de vierdelige serie The Tragically Hip: No Dress Rehearsal (261 min.) de carrière van de populairste band van Canada. Het is een archetypisch popverhaal, over vijf jongens uit Kingston, Ontario, die wereldberoemd worden in eigen land – en ook nog behoorlijk populair bij de grote onderbuur. Al wordt dat laatste wel een terugkerend thema, ook in deze productie: waarom zijn ze eigenlijk niet definitief doorgebroken in de Verenigde Staten? Is The Hip daar dan mislukt?

Met de nog levende leden – ondersteund door de entourage van de band, familieleden en Canadese prominenten zoals premier Justin Trudeau, acteur/komiek Dan Aykroyd en filmregisseur Atom Egoyan – loopt Downie hun carrière door. Na zes albums waarin The Tragically Hip als een gestaalde eenheid heeft gepresteerd, komt toch de klad erin en verwordt de groep vrinden tot een dysfunctionele familie, die nauwelijks meer in staat blijkt om normaal te communiceren. En daarover spreken ze nu, met de wijsheid van achteraf, zonder meel in de mond en zonder te zwarte pieten.

Gord Downie zelf vergroot soms, veelal onbedoeld, de verdeeldheid binnen de groep. Hij is een bevlogen zanger, uitgesproken poëet en theatrale performer die z’n hele hebben en houwen in de strijd gooit, maar ook de man die al snel alleen nog zijn eigen teksten wil zingen. Zo kortwiekt hij de andere songschrijvers in de band – al is Downie wel bereid om de inkomsten eerlijk te delen. Alle spanningen komen uiteindelijk tot een climax tijdens de opnames van het elfde studioalbum We Are The Same in 2009, waarbij de zanger los van de rest van de band komt te staan.

‘Gord is niet The Tragically Hip’, klaagt vaste technicus Dave Koster dan tegen producer Bob Rock, die Downie een status aparte geeft. ‘Gord is de zanger van The Tragically Hip. The Tragically Hip bestaat uit vijf gasten, die innig samenwerken en geweldige muziek maken.’ En uiteindelijk zullen die vijf, laat deze fijne miniserie eveneens overtuigend zien, de weg terug naar elkaar weer vinden. Zodat ze nog eenmaal samen, met een voorman die zijn eigen teksten en zanglijnen opnieuw moet leren, kunnen gloriëren als de band die ze ruim drie succesvolle decennia zijn geweest.

Intussen komt het einde steeds naderbij, van Gords leven en van die band. ‘Wie ben ik nu nog?’ vraagt gitarist Rob Baker zich af tijdens de aangrijpende apotheose van No Dress Rehearsal. Hij zal al snel in een neerwaartse spiraal terechtkomen. Zoals alle leden van The Hip op zichzelf worden teruggeworpen en los van elkaar afscheid moeten nemen van wie ze samen waren. Een complete natie, belichaamd door een geëmotioneerde premier Trudeau, rouwt met hen mee. Over het verlies van een groep die als geen ander verklankte wat het betekent om Canadees te zijn.

‘Ik zei tegen mezelf: je hebt al vaker tijden gehad waarin je hem weinig zag’, vertelt Gord Downies moeder Lorna tegen haar ene zoon Mike, die als filmmaker zoveel mogelijk buiten beeld blijft, over hoe zij het verlies van die andere zoon probeert te dragen. ‘Ik stel me gewoon voor dat hij op tournee is.’

Paul McCartney & Wings – One Hand Clapping

Piece Of Magic / vanaf zondag 29 september in de bioscoop

Zelf heeft hij er met veel plezier naar gekeken, zegt Paul McCartney in z’n introductie van deze studiodocu, een film over zijn band Wings die inmiddels een halve eeuw oud is. Hij stelt vervolgens de (nieuwe) leden van de groep voor en staat er nog even bij stil dat drie van hen (de gitaristen Denny Laine en Jimmy McCullogh en zijn eigen vrouw, toetsenist Linda) inmiddels zijn overleden.

En dan kan die film beginnen: Paul McCartney & Wings – One Hand Clapping (67 min.). Regisseur David Litchfield heeft de band in augustus 1974 gefilmd, tijdens vier opnamedagen in de Londense topstudio Abbey Road. Hij concentreert zich vooral op de live-sessies van de opmerkelijk vitaal klinkende groep en laat tussendoor alle leden nog even, buiten beeld, aan het woord.

‘Probeer ’t je voor te stellen’, stelt Wings-gitarist Denny Laine dan over McCartney. ‘Je hebt in The Beatles gezeten, de grootste band van de wereld in de voorgaande tien jaar. En dan moet je ineens alleen verder. Dan is het moeilijk om je zelfvertrouwen terug te krijgen.’ Laine weet waar hij over praat. Hij zat zelf enkele jaren in The Moody Blues. ‘Ik weet dus precies hoe hij zich voelt.’

‘Mijn ideaal is een vaste groep die echt werkt als een team’, zegt de Wings-frontman zelf, ‘waarbij er ook voldoende ruimte is voor ieder van ons om los te gaan en te doen wat ie wil.’ Samen met zijn kompanen levert hij zelf de boter bij de vis: zijn band excelleert tijdens uitvoeringen van klassiekers zoals Band On The RunJet en het titelnummer voor de James Bond-film Live And Let Die.

En als deze aangeklede studioregistratie is afgerond, volgt een akoestisch optreden van de voormalige Beatle in de tuin, genaamd The Backyard Sessions, waarbij hij nog eens vijf songs ten gehore brengt, waaronder covers van Buddy Holly en Chuck Berry. De liefhebber van de betere clichés voelt de kwalificatie van dit kleinood dan allang aankomen: verplichte kost voor alle Macca/Beatles-fans.

En die maken toch al gauw – natte vingerwerk – de helft van de complete mensheid uit.

Blur: To The End

Altitude / Piece Of Magic

Halverwege de jaren negentig, in de hoogtijdagen van Britpop, worden Engelse muziekliefhebbers voor een eenvoudige keuze gesteld: Blur of Oasis? Het is een even opzichtige als succesvolle poging om de rivaliteit tussen The Beatles en The Stones, die dertig jaar eerder ook al zo werd opgeklopt, te laten herleven. En net als in de sixties lijkt de tweestrijd een duidelijke winnaar te krijgen: in navolging van de ‘fab four’ beslist nu Oasis het pleit in z’n voordeel.

Net als The Rolling Stones blijkt Blur echter over een lange adem te beschikken. Damon Albarn (zang), Graham Coxon (gitaar), Alex James (bas) en Dave Rowntree (drums) zijn inmiddels toch echt op middelbare leeftijd aanbeland, maar maken zich opnieuw op voor een nieuw album, het eerste in acht jaar. The Ballad Of Darren wordt opgenomen bij de frontman thuis, op het Britse platteland waar ze inmiddels alle vier zijn neergestreken. Albarn woont tegenwoordig overigens alleen, bekent hij terloops. Een man zonder kader, op zoek naar een nieuwe missie, zo lijkt het.

En dus gaat de frontman, voor wie (zelf)spot een tweede natuur lijkt, ook weer touren met z’n ouwe maatjes. Met als climax een show in het Wembley-stadion, die tevens dienst doet als eindstation voor de documentaire Blur: To The End (104 min.). Want deze magische plek in Londen ontbrak nog op de Blur-erelijst. Eerder waren ze simpelweg niet populair genoeg, bekent drummer Dave Rowntree grinnikend. ‘Hoe minder we doen, hoe groter we worden.’ Net als enkele van zijn kameraden krijgt hij onderweg naar Londen met lichamelijke ongemakken te maken.

Documentairemaker Toby L. sluit aan als de jeugdvrienden de plaatsen en steden van hun beginperiode aandoen, onderweg oude vrienden ontmoeten en dan – natuurlijk – bekende hits zoals Popscene, Song 2 en Parklife spelen. Het resulteert in enkele aardige scènes, bijvoorbeeld als de uitgesproken zanger/songschrijver Damon Albarn en zijn vaste partner in crime, de nerdy gitarist Graham Coxon, de plek bezoeken waar het ooit begon voor hen: The Stanway School in Colchester. Tegenwoordig is daar een heus Albarn & Coxon-lokaal ingericht.

Intussen blikken de vier bandleden terug op hun carrière en zoomen ze in op de onderlinge verhoudingen en hoe die onder druk kwamen te staan door overmatig drank- en drugsgebruik. Want, zo weten ze inmiddels: ‘Succes bezorgt je veel meer problemen dan mislukking.’ In een band zitten en vrienden blijven is in elk geval bepaald geen sinecure – al lijkt hen dat tegenwoordig beter af te gaan dan vroeger. Dat verleden wordt verder niet uitgebreid behandeld, maar meldt zich zo nu en dan via vluchtige flashbacks, al dan niet opgeroepen door een gebeurtenis in het heden.

To The End, documentaire 4 over Blur, is daarmee geen definitief carrièreoverzicht geworden, maar een in het hier en nu gesitueerde trip nostalgia – soms intiem en grappig, dan weer tamelijk gratuit en landerig – voor zowel de band zelf als hun fanschare. Waarin de naam Oasis overigens geen enkele keer valt.

Inmiddels heeft de band van de ruziënde broers Gallagher trouwens ook een reünietournee aangekondigd.

Catching Fire: The Story Of Anita Pallenberg

Magnolia Pictures

Ze ruilde de ene Stone in voor de andere, zo wil het verhaal. Toen Anita Pallenberg in 1967 genoeg had van de gewezen bandleider Brian Jones, die zich steeds onmogelijker was gaan opstellen en ook zijn handen niet thuis kon houden, was ze tijdens een autorit van Parijs naar Tanger op schoot gekropen bij Keith Richards. De gitarist had stiekem al een tijd een oogje op haar. ‘Mijn nacht met Keith was een openbaring’, schrijft ze daarover. ‘Zo teder en liefdevol.’

En toen Anita een seksscène met zanger Mick Jagger moest opnemen voor de speelfilm Performance (1970) liep ook die volledig uit de hand. Ze sprak er volgens haar ongepubliceerde autobiografie Black Magic – voor de documentaire Catching Fire: The Story Of Anita Pallenberg (113 min.) ingesproken door de actrice Scarlett Johansson – nooit over met Keith. Als reactie schreef hij wel een nummer: de Rolling Stones-klassieker Gimme Shelter.

En ook zijn bloedsbroeder Mick gaf niet zomaar op. Tijdens een gezamenlijke trip naar Zuid-Amerika vroeg hij de inmiddels zwangere femme fatale – gewoon van Keith overigens – meermaals om er samen tussen uit te knijpen. Toen Anita weigerde, schreef ook hij een Stones-evergreen: You Can’t Always Get What You Want. Enkele maanden voordat ze beviel van een zoon, Marlon, kwam vervolgens haar vroegere vlam Brian Jones te overlijden.

Toch zou het veel te kort door de bocht zijn om Anita Pallenberg (1942-2017) te reduceren tot de archetypische Stones-groupie en -muze. Of tot Keiths drugsmaatje, die andere voor de hand liggende mogelijkheid. Want daarmee wordt zij óók altijd geassocieerd: met een kolossale heroïneverslaving. Samen gingen ze díép – en probeerden ze ook nog twee kinderen groot te brengen, Marlon en zijn jongere zusje Angela ‘Dandelion’ Richards.

Toen Anita nog een derde kind had gekregen, ging ‘t mis. Keith was op tournee met The Stones en trad die avond gewoon op. Zoals wel vaker stond ze er alleen voor. Zij zou nooit één van de jongens kunnen worden. Dat had ze al veel vaker ervaren, betoogt dit portret van Alexis Bloom en Svetlana Zill. Want hoeveel talent ze ook had als fotomodel, actrice en fashionista, zelfs een eigenzinnige vrouw zoals Anita Pallenberg bleef overgeleverd aan mannen.

‘The Bus’ komt altijd eerst, vertelt Marlon Richards over de band van zijn vader. En die was volgens hem bepaald niet gezond. ‘Je moet zorgen dat je op tijd uitstapt.’ Dat zou zijn moeder nog jaaaren kosten – ook al had ze de Halte Keith toen al wel vaarwel gezegd. Om de drugsscene definitief achter zich te laten was nog zo’n klassiek Pallenberg-drama nodig: een jonge man – naar verluidt onder invloed van haar, drugs en The Deer Hunter – die in haar huis een einde aan z’n leven maakte.

Deze film plaatst al die smeuïge anekdotes binnen Anita Pallenbergs levensgeschiedenis. Zoals ze die zich zelf herinnerde. Met daarbij rugdekking van haar kinderen, enkele vrienden en archief-quotes van Keith Richards en de voormalige Jagger-muze, Marianne Faithfull. En omlijst met prachtig beeldmateriaal. Uit de tijd dat zij de zesde Stone was, die van ondeugende jochies toonaangevende kerels maakte. Zoals Richards ruiterlijk bekent: ‘She made a man out of me.’

En zij zou zich uiteindelijk aan hem ontworstelen. Aan zijn band vooral. Al besteedt ook deze doortimmerde film het leeuwendeel van zijn speelduur aan de onstuimige jaren dat Anita Pallenberg, met al haar creativiteit en ‘joie de vivre’, het vuur in en om The Rolling Stones ongenadig oppookte.