Traffic Stop


De Oscar voor beste korte documentaire ging vorig weekend naar Heaven Is A Traffic Jam On The 405, een prachtig portret van de getroebleerde Amerikaanse kunstenares Mindy Alper. Traffic Stop (30 min.) moest het ‘slechts’ met een nominatie doen. Het is nochtans een aangrijpende film over een thema dat, zeker in de Verenigde Staten, nog altijd uiterst actueel is.

Het verhaal is even eenvoudig als raak: Breaion King, een Afro-Amerikaanse vrouw van 26 uit Texas, zou te hard hebben gereden op die onthutsende vijftiende juni in 2015. Verkeersagent Bryan Richter zet direct de achtervolging in. Een camera op zijn dashboard legt vast wat er vervolgens gebeurt; hoe een mogelijke bekeuring voor te hard rijden uitloopt op een bijzonder hardhandige arrestatie.

King belandt uiteindelijk op de achterbank van een politie-auto, helemaal over de zeik. In de boeien geslagen als de eerste de beste ‘black bitch’. Gedehumaniseerd, zou je kunnen zeggen. Regisseur Kate Davismaakt weer een mens van haar in deze korte documentaire: een gedreven lerares, die ermee moet leren leven dat ze op internet voortleeft als de zoveelste zwarte Amerikaan die werd ingerekend door de politie.

Het Wraakprotocol

KRO-NCRV

‘Het was voor mij een hobby geworden om iets te zoeken of een reden te krijgen om mensen in elkaar te slaan’, bekent oorlogsveteraan Brian. Hij realiseert zich dat dat helemaal ‘fucked up’ is. ‘Heel mijn leven is oorlog geweest’, stelt Marian, de andere hoofdpersoon van de observerende documentaire Het Wraakprotocol (55 min.), even later in plat Haags. Ze is volgens eigen zeggen ‘kutjedolgedraaid’. En zo oogt ze ook: als een trillend stuk elastiek dat tot het uiterste is opgerekt en elk moment kan knappen.

Brian en Marian gaan bij therapeut Herman Veerbeek aan de slag met de woede die zich in hen heeft opgekropt en op elk ogenblik naar buiten kan golven. Ze zijn, zoals hij het zegt, ‘gegijzeld door hun eigen drang tot wraak’. Tijdens ‘Het Wraakprotocol’, een therapie gebaseerd op EMDR(Eye Movement Desensitization and Reprocessing), laat hij hen traumatische momenten herbeleven en vervolgens in gedachten de bijbehorende wraakfantasieën uitvoeren. De schurende sessies met de getormenteerde ex-soldaat en opgefokte vrouw vormen het hoofdbestanddeel van deze film van Caspar Haspels en Jos Kuijer.

‘Alsof ik een heroïnehoer was, zo heb ze me behandeld’, stelt Marian tijdens een intens gesprek over haar dochter, die haar ooit een kampbeul zou hebben genoemd. Even later kwam de ontlading: ‘Ik heb alles kort en klein geslagen in die kamer.’ Al snel komt ook Marians eigen moeder aan de beurt. Niet vreemd, want Veerbeek gaat in zijn therapie op zoek naar de wortels van de kwaadheid. Ook de PTSS van Brian, die woest terugkwam van een militaire missie in Joegoslavië, heeft z’n roots in zijn jongste jeugdjaren. Gaandeweg weet de therapeut, voor het opmerkzame oog van de camera, iets van ontspanning te weeg te brengen bij zijn gesprekspartners.

‘Zal ik altijd zo’n monster blijven?’ wil Marian op een gegeven moment weten. ‘Nee, geen monster’, meent Veerbeek, die de essentie van zijn behandeling, en deze enerverende film, probeert te vatten. ‘Je blijft altijd iemand met een 78 toeren-plaat, maar je hebt gezellige muziek en je hebt vervelende muziek. En volgens mij komt er straks alleen maar gezellige muziek uit.’ ‘Sure!’, lacht Marian met evenveel berusting als zelfspot. ‘Túúrlijk.’

Gimme Shelter


Alsof de Duivel ermee speelt… Deze klassieke popdocu uit 1970 start met de welhaast demonische klassieker Jumpin’ Jack Flash, opgenomen tijdens een Rolling Stones-concert in New York. Na een absolute killerriff van Keith Richards fleemt Mick Jagger de wereldberoemde openingszinnen in de microfoon: ‘I was born in a cossfire hurricane and I howled at my ma in the driving rain.’

Met zichtbaar plezier kijken Jagger en de andere Stones de beelden terug in de montageruimte. Meteen daarna krijgen ze een radioverslag te horen van de tragische gebeurtenis waarmee de bijbehorende tournee en de weerslag daarvan, de documentaire Gimme Shelter (91 min.) van de gebroeders Albert en David Maysles en Charlotte Zwerin zal eindigen: Altamont.

Tijdens de Stones-show op dat festival, waar ook The Flying Burrito Brothers en Jefferson Airplane optraden, zou een man sterven. Hells Angels, die waren ingehuurd om de boel te beveiligen, staken de concertganger Meredith Hunter neer. Een tragische gebeurtenis die, samen met de moorden van de Manson Family, tegenwoordig wordt gezien als een kwaadaardige afrekening met de sixties.

Je voelt de gehele film aankomen dat het uit de hand gaat lopen op de Altamont Speedway. Voor een band die uitbundig flirtte met zijn Sympathy For the Devil, zou dat eigenlijk niet als een verrassing mogen komen. Toch is Mick Jagger, in een klassiek geworden scène van Gimme Shelter, duidelijk ontdaan als hij voor het eerst de beelden van Hunters gewelddadige dood te zien krijgt.

Als je wilt zien of horen wat een geweldige rock n’ roll-band The Rolling Stones (ooit) waren, luister dan naar de klassieke rocksong waaraan deze documentaire zijn naam ontleent of kijk naar de documentaire Crossfire Huricane van Brett Morgen.

OnsBelang

AVROTROS

In de aanloop naar gemeenteraadsverkiezingen weerklinkt steevast kritiek op de nationale media en politici, die lokale verkiezingen altijd weer laten overschaduwen door landelijke thema’s. Dit jaar is het niet anders. Het blijft ook verduiveld lastig: hoe maak je plaatselijke onderwerpen toegankelijk én interessant voor mensen uit andere delen van het land? De driedelige documentaireserie OnsBelang (105 min.) van Simone Timmer en Sander ‘t Sas, die afgelopen donderdag is gestart op NPO2, waagt een serieuze poging en slaagt wonderwel.

Dat heeft alles te maken met de insteek en vorm die de filmmakers kiezen. Ze richten zich volledig op vertegenwoordigers van lokale partijen, mensen die met hun poten in de politieke modder staan, en leggen daarbij voortdurend de verbinding tussen hun persoonlijke leven en de politieke thema’s waarmee zij zich bezighouden. Zo maakt boer Wim van der Zanden van BALANS Boxtel, die voor zijn inwonende dementerende vader moet zorgen, zich bijvoorbeeld druk om het geld dat zijn gemeente besteedt aan mantelzorg. Je voelt zijn persoonlijke motivatie en betrokkenheid bij het onderwerp.

Kees Dijkstra, de no-nonsense conciërge van een middelbare school, is voor het eerst kandidaat voor de gemeenteraad en hoopt dat hij als vertegenwoordiger van de plaatselijke partij LEF! de raadsvergaderingen in Emmen wat minder saai en ambtelijk kan maken. Voor oudgediende Martin Stoelinga, het prototype man met snor, zou het wel eens de laatste keer kunnen zijn dat hij campagne gaat voeren. De lijsttrekker van Onafhankelijk Delft heeft kanker. Kunnen die verkiezingsposters over dat het met hen wel snor zit dan nog wel? Toch blijven Stoelinga en zijn mederaadslid Jolanda Gaal onvermoeibaar opkomen voor de belangen van hun achterban. ‘Ze noemen ons ook wel eens gekscherend de Tegenpartij’, zeggen ze in het platte Haags waarvan ook menig Van Kooten en de Bie-typetje zich bediende. ‘Want wij zijn vaak tegen.’

Ook landelijke thema’s sijpelen natuurlijk door naar de uithoeken van Nederland. In Naaldwijk bestaat bijvoorbeeld nog een lokale afdeling van de Lijst Pim Fortuyn en die maakt zich druk om asielzoekers. Statushouders, in vaktaal. Dat klinkt misschien rechts, maar is volgens Dave van der Meer, lijsttrekker van LPF Westland, gewoon realistisch. ‘Je mag ook best eens voor je eigen mensen kiezen.’ Trots ontvangt de bloemenhandelaar Forum Voor Democratie-kopstuk Theo Hiddema. Bij de LPR in Roermond hebben ze hun eigen landelijk bekende celebrity: voormalig VVD-wethouder Jos van Rey. Hoewel die werd veroordeeld vanwege corruptie. blijft fractievoorzitter Dré Peters, volgens eigen zeggen een echte straatvechter, echter vierkant achter hem staan. Intussen verzuren en verharden de verhoudingen in het Roermondse gemeentehuis zienderogen.

Via lokale situaties en onderwerpen maakt OnsBelang zo de balans op in Politiek Nederland, een land waar anno 2018 betrokkenheid, goede bedoelingen en idealen nog altijd voortdurend de strijd aangaan met cliëntelisme, bureaucratie en opportunisme. En hoewel de serie zich vooral richt op politici van oppositiepartijen, die soms een behoorlijk hoog beste-stuurlui-aan-wal gehalte hebben, blijven Timmer en ’t Sas weg van ironie en effectbejag. Het chic ogende drieluik doet soms zelfs een beetje denken aan Schuldig, een documentaireserie die er eveneens in slaagde om belangrijke maatschappelijke thema’s terug te brengen tot menselijke proporties.

Golden Dawn Girls

VPRO

Volgens eigen zeggen zijn ze gewoon nationalistisch. Beslist geen neo-nazi’s. Ze zijn toch niet Duits? De Grieken hebben juist gevochten tegen Hitler!

Het is alsof ze de vragen van filmmaker Havard Bustnes niet (willen) begrijpen, de vrouwen van de extreem-rechtse partij Gouden Dageraad. Ze werpen elke vergelijking met het Derde Rijk ver van zich. Ze zijn sociaal-nationalist. Geen nationaal-socialist. Ook al heeft een van de partijprominenten toevallig een ‘Sieg Heil’-tatoeage laten zetten. Die vond hij gewoon mooi en heeft verder helemaal niets met Hitler te maken.

Waarom de vrouwen wilden meewerken aan de documentaire Golden Dawn Girls (92 min.)? Om te laten zien dat ze gewone, normale mensen zijn. Die hun kinderen de universele waarde van liefde leren én die hen, letterlijk, wapenen tegen invloeden van buitenaf, mensen met een ander ras of andere huidskleur bijvoorbeeld. Dat dan weer wel.

Via de vrouwen – waaronder Ourania, de dochter van partijleider Nikos Michaloliakos – probeert Bustnes door te dringen tot het zwarte hart van Gouden Dageraad, dat zichzelf beschouwt als ‘het verzet’ in een vuile oorlog tegen oprukkende buitenlanders. En als hun mannen achter slot en grendel (dreigen te) verdwijnen, treden zij zelf op de voorgrond, strevend naar een klinkende verkiezingsoverwinning.

Golden Dawn Girls had soms wat meer vaart kunnen gebruiken. Tegelijkertijd slaagt de film er glansrijk in om van binnenuit een even omstreden als relevante politieke beweging te portretteren, die doorgaans uit de buurt blijft van (kritische) media. Want inmiddels heeft zo’n beetje elk zichzelf respecterend Europees land zijn eigen Gouden Dageraad.

Een Nieuwe Morgen

Human

Uit noodzaak geboren, maar toch. Je zou de ontwikkelingen in Tuindorp Oost kunnen beschouwen als een bescheiden experiment met de participatiesamenleving. Nadat het Utrechtse verzorgingshuis te maken kreeg met leegstand, opende het zijn deuren voor een veel jongere populatie: 41 woningzoekenden. Zouden zij hun plek vinden te midden van de hoogbejaarde bewoners?

Niet iedereen zit overigens te wachten op vers bloed, blijkt uit de gestileerde documentaire Een Nieuwe Morgen (53 min.) van Kim Brand. ‘Ach gut, dat oudje’, schmiert Ans Stockschen. ‘Dat oudje wil ook nog meedoen.’ Ans is sceptisch als haar wordt gevraagd of er echt contact zal ontstaan tussen de oorspronkelijke en de nieuwe bewoners. Ze heeft ook wel wat anders aan haar hoofd: haar doodzieke echtgenoot Wim. Ans wil het liefst met rust gelaten worden.

Judith Raupp, 105 jaar oud, ziet de komst van de jongeren wel zitten. Misschien kan zij surrogaat-oma worden voor hun kroost. Zo hoopt ze de eenzaamheid van haar laatste levensjaren een beetje te kunnen verdrijven. En de kwieke Arie Nagel, 91 jaar jong, zit na het overlijden van zijn vrouw ook wel verlegen om een praatje. Hij fleurt zichtbaar op bij (vrouwelijk) gezelschap en kan dan ook wel eens nét iets te lang blijven hangen.

Die omgang tussen nieuwe en oude bewoners gaat niet altijd vanzelf. In een training vraagt één van de jongeren aan een geriater of het normaal is dat de ouderen vooral over zichzelf praten. Niet veel later zit dezelfde jongen samen met Arie een ijsje te eten en vinden ze elkaar toch. ‘Fucking chill.’ Bij al die ontmoetingen voor de camera blijft het wel gissen naar de motieven van de nieuwe bewoners. Proberen ze gewoon goede buren te zijn of is het de verplichte tegenprestatie die hoort bij het betrekken van een woning in een ouderencomplex?

Een Nieuwe Morgen rapporteert zo over een actuele ontwikkeling die op diverse plekken in Nederland gaande is, zoals bijvoorbeeld hier is te lezen, en wordt opgefleurd door fraaie geluidscollages van Erik de Jong (alias Spinvis), die er ook een podcast aan wijdde. Hij geeft een geheel eigen draai aan interviewsegmenten van de nieuwe bewoners, waarmee hij spannende muzikale sequenties construeert. Die fungeren als weldadig voegmiddel voor deze overtuigende documentaire over samenleven in het hedendaagse Nederland.

Flint Town

Netflix

Ooit waren ze met 300 politieagenten. Nu zijn er nog maar 98. Op niet minder dan 100.000 burgers. Er rijden maximaal 9 politieauto’s tegelijkertijd door Flint, Michigan om de stad in de gaten te houden, zo becijfert één van die 98 agenten. Ze geven zelf bovendien grif toe dat hun korps en de inwoners van Flint, dat al decennia tot Amerika’s gewelddadigste steden behoort, op voet van oorlog met elkaar staan. En dan blijkt ook het drinkwater in de stad nog eens te zijn vergiftigd met lood…

Een stad in nood vraagt om drastische maatregelen. De eerste vrouwelijke burgemeester Karen Weaver laat er na haar verkiezing in november 2015 geen gras over groeien en ontslaat direct de korpschef. De nieuwe commissaris, crimefighter Tim Johnson, krijgt de opdracht om de stad terug te veroveren. Met een speciaal samengesteld arrestatieteam bindt hij de strijd aan met de wild om zich heen grijpende criminaliteit. Dat is het uitgangspunt van de achtdelige documentaireserie Flint Town (334 min.) van Drea CooperZackary Canepari en Jessica Dimmock, waarin enkele leden van het belaagde politiekorps worden gevolgd tijdens hun dagelijkse bezigheden. Intussen worden er, om de spanning nog wat verder op te voeren, elders in het land (dodelijke) aanslagen gepleegd op politieagenten.

Het is sowieso een ‘hell of a job’ voor het groentje dat recht van de politieacademie de straat op wordt gestuurd, de agente die het eigenlijk wel gezien heeft en wil overstappen naar de FBI, en haar vriend, een cynisch geworden smeris van de oude stempel, om politieagent te zijn in Flint. Op hun tenen lopen ze voortdurend achter de feiten aan, worden gedurig onder het vergrootglas van de Black Lives Matter-beweging gelegd en proberen intussen te voorkomen dat ze voortijdig opbranden. De camera kijkt mee terwijl de mannen en vrouwen in blauw patrouilleren, onderzoeken en arresteren in het door armoede en geweld geteisterde Flint. Conflicten met de plaatselijke bevolking liggen voortdurend op de loer. Hoe win je het gevecht om de stad, zonder dat die zijn ziel verliest?

Nee, die pet past echt niet iedereen, zo onderstreept deze serie, die thematisch sterk verwant is met de documentaire The Force(waarover ik enkele weken geleden hier al schreef), nog maar eens. Zeker omdat de geportretteerde politieagenten, vanwege dreigende bezuinigingen, voortdurend ontslag boven het hoofd hangt. Wie zijn ze nog als ze geen ‘cop’ meer kunnen zijn? Flint Town neemt ruim de tijd, dik 5,5 uur, om de kleine verhalen van die agenten op straat af te zetten tegen het grotere verhaal van een verscheurde stad, dat wordt verteld door plaatselijke verslaggevers, gewone (boze) burgers en de politiechef zelf. Binnen dat spanningsveld, tussen gloedvol verwoord beleid en de keiharde realiteit, kan de gewone diender het eigenlijk nooit goed doen.

De industriestad Flint in Michigan vormde ook het decor voor Roger & Me, de eerste documentaire van Michael Moore. Amerika’s bekendste documentairemaker startte zijn carrière in 1989 met een film over de desastreuze gevolgen van het besluit van autogigant General Motors om de fabriek in zijn geboortestad te sluiten. Met een camera in de aanslag ging Michael Moore op zoek naar GM’s CEO Roger Smith om hem ter verantwoording te roepen.

Heaven Is A Traffic Jam On The 405


De Oscar voor beste korte documentaire ging eerder dit jaar geheel terecht naar Heaven Is A Traffic Jam On The 405 (40 min.), een aangrijpende kleine film over de getormenteerde Amerikaanse kunstenares Mindy Alper die kampt met smetvrees, dwangneuroses en depressies en tussen de problemen door prachtige tekeningen, sculpturen en schilderijen maakt.

Ze voelt zich nooit gelukkiger dan in een file op haar vaste stukje snelweg, waar ze naar de auto’s en mensen kan kijken. Haar eigen kleine stukje hemel. In deze film van Frank Stiefel daalt ze ook regelmatig af naar haar eigen hel, waar innerlijke demonen (opgeroepen door haar vader en moeder?) een normaal leven vaak onmogelijk maken.

The Act Of Killing


Als je iemand een bijzonder ongemakkelijke filmavond wilt bezorgen, schotel hem dan zonder al te veel voorinformatie The Act Of Killing(2012) voor. Ik heb tweemaal een avond – en de bijbehorende nacht en dagen daarna – laten vergallen door de bikkelharde film van Joshua Oppenheimer en begin nooit meer aan een derde kijkbeurt. Terwijl ik dit intik, spuug ik tussen twee vingers door op de grond. Beloofd. Uit puur zelfbehoud overigens.

Tegelijkertijd zou ik iedereen die de film nog niet heeft gezien aanraden om er direct een paar uurtjes voor vrij te maken. The Act Of Killing, de zogenaamde director’s cut zelfs (159 min.). Zorg dan wel voor tissues, een emmertje en enkele hulplijnen, want een walgelijkere kijk op de wrede inborst van dé mens – nee, laten we het comfortabel houden – van sómmige mensen zul je niet snel meer krijgen.
Oppenheimer heeft voormalige Indonesische massamoordenaars, die het land halverwege de jaren zestig enthousiast zuiverden van communisten en andere onwelgevallige landgenoten, gevraagd of ze de hoofdrol willen spelen in een overdadig aangeklede speelfilm over hun eigen heldendaden. De inmiddels bejaarde mannen happen enthousiast toe en kruipen nog eenmaal in de rol van hun leven.

Waar de gemiddelde kijker – hopelijk – een stel voormalige criminelen met een nauwelijks ontwikkeld moreel besef ziet, die tegenwoordig zowaar een soort macabere fanbasis lijken te hebben, menen ze zelf dat die film hen eindelijk die welverdiende roem zal brengen. De camera biedt hen tevens de mogelijkheid om hun vakkennis over te dragen, want hoe kun je nu eigenlijk het beste prikkeldraad om iemands nek wikkelen en waar moet je die dan aantrekken? Wacht, ze demonstreren het wel even.

The Act Of Killing is zo’n film die je nooit meer vergeet – al zou je eigenlijk niets liever willen. Oppenheimer filmde tegelijkertijd overigens ook het aangrijpende The Look Of Silence (2014), een documentaire met een conventionelere opzet, waarin de kant van de slachtoffers van de Indonesische genocide wordt belicht. Ook die film klapt er genadeloos in. Beide documentaires werden genomineerd voor een Oscar en sleepten diverse prijzen in de wacht.

Joshua Oppenheimer is na het filmen van zijn indrukwekkende tweeluik uit Indonesië vertrokken en zal daar ook niet snel terugkeren. ‘Ik kan Indonesië waarschijnlijk zonder problemen in’, vertelde hij halverwege 2015 in een interview met The New York Times. ‘Ik weet alleen niet zeker of ik het land ook weer levend kan verlaten.’

Snelwegkerk


Langs de ooit zo roemruchte Duitse Autobahn zit op een Raststätte, te midden van de Tankstelles en Rasthäuser, soms een Snelwegkerk (53 min.) verstopt. Het zijn toevluchtsoorden voor mensen die even een moment stilte en bezinning zoeken in onze wereld van voortdurend onderweg. Elsbeth Fraanje maakte er een subtiele film over, die tijdens het Nederlands Film Festival met het Gouden Kalf voor beste korte documentaire werd beloond.

‘Een mozaïekvertelling over mensen die op zoek gaan naar wat hen ten diepste beroert’, aldus de jury van dienst. ‘Aan de hand van diverse personages die elk met een ander motief de snelwegkerk bezoeken en openhartige teksten uit het Anliegenbuch wordt een beeld geschetst van de hedendaagse condition humaine.’ Waarvan acte.

Stapvoets portretteert Fraanje enkele ‘vaste klanten’ van een Autobahnkirche, zoals een Vlaamse vrouw die soms heel even weg kan bij haar ernstig zieke man, de vrachtwagenchauffeur die aan een knokpartij de bijnaam Zahnfee overhield en twee oudere vrouwen die samen een kapelletje schoonhouden en intussen stiekem gluren in het gastenboek.

Het is een ingetogen vertelling geworden, zonder grootse emoties of spannende ontwikkelingen. Snelwegkerk observeert vanaf een zekere afstand – en blijft daardoor ook wat op afstand. Een verstilde, omfloerste en soms droogkomische sfeertekening, waarin gewone mensen verbinding zoeken; met een hogere macht, met de mensen om hen heen of, gewoon, met zichzelf.

Atomic Homefront

HBO

Het is heerlijk weer. En de kinderen van Dawn Chapman willen buiten spelen. Moeder is echter onvermurwbaar: blijf maar binnen. Vanuit haar bedompte keuken kijkt ze naar buiten, de verte in. Maar radioactiviteit kun je niet zien. Het is lastig, onmogelijk misschien, om haar kroost in deze omgeving te beschermen, zo realiseert ze zich. Nee, Dawn en haar kinderen wonen niet in Tjernobyl of Fukushima, maar ‘gewoon’ in St. Louis, in het hart van de Verenigde Staten. Een plek waar een doodgewone huismoeder (noodgedwongen) kan uitgroeien tot een zeer effectieve activist.

In 1942 besloot de Amerikaanse regering om er, in het diepste geheim, de atoombommen te gaan ontwikkelen, die later hun weg zouden vinden naar de Japanse steden Hiroshima en Nagasaki. Aan afval dacht niemand. Dat dumpten ze gewoon aan de noordzijde van de stad. 75 Jaar later is de omgeving een Atomic Homefront (96 min.) geworden, een soort horrorvariant op ons eigen Groningen, het slagveld van de Nederlandse gaswinning. Met de bijbehorende persoonlijke tragedies, bureaucratische onverschilligheid en – als onvermijdelijk gevolg daarvan – empowerment van enkele betrokken burgers.

Tijdens een informatiebijeenkomst wil één van deze bewoners van de medewerkers van het Amerikaanse milieu-agentschap EPA weten of zij hier misschien zouden willen wonen. ‘Ik zou daar geen problemen mee hebben’, luidt het verplichte antwoord van de voorzitter van de bijeenkomst. Hoon valt haar ten deel. Een vrouw staat op en vraagt het woord. ‘Ik heb iets te zeggen. Ik ben geboren in Spanish Village. Ik heb mijn dochter zien sterven aan een hersentumor. Ik heb nog drie andere kinderen ziek thuis. En jij wilt hier leven?’ Ze kijkt de vrouw op het podium nog eens diep in de ogen. ‘Wil jij écht hier leven? Want ik kan het lichamelijk niet aan om nog een kind te begraven.’

Deze observerende documentaire van Rebecca Cammisa volgt gewone mensen zoals deze radeloze moeder en Dawn Chapman, die zich niet langer (willen) laten vermalen door de molens van het systeem. Ze vormen actiegroepen met nuchtere namen als Coldwater Creek – Just The Facts Please en Just Moms STL. En nemen plaats in sfeerloze zaaltjes met ongemakkelijke stoelen, beroerde koffie en systeemplafonds. Tegenover op zichzelf goedwillende functionarissen, die ook weinig kunnen uitrichten (en natuurlijk ook niet verantwoordelijk zijn voor de ellende die ooit, in de hitte van de Tweede Wereldoorlog, is veroorzaakt). De navolgende woede en onmacht laten zich raden.

Slikken of stikken? Concreet: strijden of verhuizen? Of beide? Het beurtelings wanhopig, hoopvol en woedend stemmende Atomic Homefront stelt elementaire vragen over leven op gevaarlijk terrein. Met een vertrouwd aanvoelende cast van strijdvaardige slachtoffers, Oostindisch-doven, klokkenluiders, meel in de mond-praters, vakbondstypes en goede bedoelers vertelt Cammisa zonder fratsen het universele verhaal van nietige mensen tegenover een apparaat met een al te grijs gelaat. Na alweer een teleurstellend bericht trekt Dawn Chapman boos een sombere conclusie: ‘Beleefde mensen worden vergiftigd.’ Even later heeft ze zichzelf hervonden en alweer een boodschap voor andere bezorgde moeders: ‘Superman gaat niet komen. Soms moet je je eigen superheld zijn.’

Fatum (Room 216)

VPRO

Zou regisseur Ramón Gieling zich tekort gedaan voelen als we zijn documentaire Fatum (Room 216), die in première ging op het IDFA en waarvan dinsdag de ingekorte televisieversie (54 min.) wordt uitgezonden op NPO2, scharen onder de noemer ‘true crime’? Gieling stelt namelijk heel wat in het werk om van Fatum, het Romeinse woord voor noodlot, geen routineuze thriller te maken.

Dat begint al met het motto van de film: ‘Some reflections on the notion of love and death’. Verder zijn er de regelmatig terugkerende citaten uit Het Hooglied, waarmee het dramatische verhaal dat zich op beeld ontvouwt psychologisch wordt geduid, en de verstilde beelden van zogenaamde ’schuldige omgevingen’, die dat verhaal op naargeestige wijze illustreren.  En dan is er nog het geladen muziekstuk Fatum van componist Paul M. van Brugge, die door twee musici, in beeld bovendien, wordt ingespeeld.

Die extra elementen, waarvan je wenkbrauwen wellicht spontaan de lucht ingaan, zijn echter niet meer dan de – enigszins pretentieuze – omlijsting van de kern van deze spannende documentaire: een verhoor van de militaire commandant Russell Williams uit Canada, die in 2010 in verband werd gebracht met de verdwijning van maar liefst vier vrouwen. ‘Zeg maar Russ’ oogt als een vriendelijke en nette burgerman, die vanzelfsprekend graag wil meewerken aan het onderzoek.

In kamer 216 wordt Williams opgewacht door de voorkomende rechercheur Jim Smyth en drie camera’s, die het gehele gesprek vanuit verschillende hoeken van de verhoorkamer vastleggen. Smyth gaat uiterst behoedzaam te werk, legt zijn gesprekspartner tijdens het gesprek van bijna tien uur beleefd allerlei vragen en hypothesen voor en draait hem intussen vakkundig de duimschroeven aan. Dat spannende psychologische spel, waarbij kat en muis elkaar op zo onopvallend mogelijke wijze achterna zitten, drijft deze film, die moeiteloos aansluiting vindt bij het populairste documentairegenre van dit moment (true crime) en er een mooie aanvulling op is.

The Final Year


Het lijkt al een eeuwigheid geleden dat de Verenigde Staten konden doorgaan voor de onbetwiste leider van de vrije wereld – ondanks de kritiek die je óók toen kon hebben op de grootmacht. Tegenwoordig lijkt de kwalificatie Vernederde Staten toepasselijker: een land dat soms verdacht veel weg heeft van een veredelde bananenrubriek, geleid door een onverlichte despoot die de hele wereld per tweet de wetten van de reality tv probeert op te leggen. Elke vorm van diplomatie lijkt de huidige Amerikaanse president, die voor iedereen wel een denigrerende bijnaam heeft, volledig vreemd.

De opkomst van Trump toont in elk geval op pijnlijke wijze aan hoe kwetsbaar de Amerikaanse democratie is – hoe kwetsbaar democratieën überhaupt zijn. In The Final Year (89 min.) van Greg Barker zien we Trumps voorganger aan het werk, ene Barack Obama, een naam uit een grijs verleden toen de economische crisis van 2008 nog volop nasmeulde, Democraten en Republikeinen elkaar ook al de tent uit vochten en Donald Trump daadwerkelijk de hoofdpersoon was van zijn eigen televisieprogramma, The Apprentice (dat volgens hem een Emmy Award had moeten winnen, elk jaar natuurlijk).

Deze observerende documentaire richt zich op de drie medewerkers die Obama’s buitenlandbeleid vormgeven: minister van buitenlandse zaken John Kerry, speechschrijver/confidant Ben Rhodes en de Amerikaanse ambassadeur bij de Verenigde Naties Samantha Power. Met bijrollen voor veiligheidsadviseur Susan Rice en de cerebrale president zelf. In de laatste twaalf maanden van zijn ambstermijn proberen ze nog een aantal belangrijke pijnpunten weg te werken en Obama’s erfenis veilig te stellen. Terwijl de tijd van de eerste zwarte Amerikaanse president zienderogen opraakt, dient Donald Trump zich steeds nadrukkelijker aan als potentiële nieuwe president.

The Final Year maakt de dagelijkse praktijk van internationale diplomatie op boeiende wijze inzichtelijk: het masseren en confronteren van medestanders en opponenten achter de schermen, de met veel ceremonieel omgeven officiële gelegenheden en het continue reizen, van de ene kant van de aardbol naar de andere. Tussen de bedrijven door – onderweg in de auto of het vliegtuig, in de aanloop naar of na afloop van alweer een internationale top en tijdens de spaarzame momenten thuis – reflecteren de bureaucraten op hun idealen, de weerbarstige praktijk en hoe ze die met elkaar in overeenstemming proberen te brengen.

Soms komen ze daarbij lijnrecht tegenover elkaar te staan; de cocky en zakelijke Rhodes en de idealistische, emotioneel betrokken Power zijn het bijvoorbeeld helemaal niet eens over hoe het verder moet met Syrië. Op de een of andere manier moeten ze samen toch tot een coherent beleid zien te komen. Gelukkig is er altijd de onvermoeibare Kerry, die van geen ophouden wil weten, ondanks de deprimerende berichten vanuit steden als Aleppo. Intussen telt ieder voor zich Obama’s zegeningen: een deal met Iran, het klimaatakkoord van Parijs en de ontspanning tegenover Cuba. Een erfenis, die inmiddels, ruim een jaar later, voor een groot deel om zeep is geholpen door de regering Trump.

Bowling For Columbine


Als de gratuite oproepen om stringentere wetgeving, betere beveiliging of devote ‘gedachten en gebeden’ na een Amerikaanse school shooting alweer zijn verstomd, blijft mijn hoofd steevast beelden produceren uit Bowling For Columbine (119 min), de ultieme documentaire over schietpartijen op Amerikaanse scholen. In de nasleep van Parkland in Florida, waarbij een eenzame schutter afgelopen week zeventien dodelijke slachtoffers maakte, is deze klassieker, die zowel een Oscar als een prijs op het filmfestival van Cannes won, helaas weer bijzonder actueel.

In de film uit 2002 buigt ’s werelds bekendste documentairemaker Michael Moore, een man die als geen ander een groot publiek weet te vinden met zijn werk (al lijkt de échte scherpte er sinds Fahrenheit 9/11, zijn schotschrift tegen de Amerikaanse aanval op Irak in 2003, ook wel een beetje vanaf), zich over de school shooting die een blauwdruk lijkt te zijn geworden voor zowat alle navolgende schietpartijen: het bloedbad dat Eric Harris en Dylan Klebold, gefrustreerde tieners die sindsdien een naargeestige cultstatus hebben gekregen, in 1999 aanrichtten op de middelbare school Columbine High in Colorado.

Moore, die zelf lang lid was van de National Rifle Association (NRA), legt een direct verband tussen de wandaden van het duo Harris en Klebold, het Amerikaanse wapenbezit en de angstcultuur die in de Verenigde Staten, door zowel politiek als media, voortdurend wordt aangewakkerd. Daarbij gaat hij bepaald niet subtiel te werk. Typisch Amerikaans, zou je kunnen zeggen. Hij hamert zijn boodschap erin, met de nodige korte bochten, voor de camera uitgelokte conflicten, dik aangezet sentiment en veel, heel veel humor. Een smakelijk opgediende, sterk vereenvoudigde versie van de werkelijkheid, die er ook bij niet-documentaireliefhebbers ingaat als koek.

Want, even voor de zekerheid: je krijgt echt niet direct een geweer mee naar huis als je een rekening opent bij de North Country Bank. En nee, de beelden van NRA-voorman Charlton Heston, die beweert dat hij zijn recht op een wapen nooit zal opgeven (‘from my cold dead hands’), werden niet in de eerste dagen na ‘Columbine’ gemaakt. En ja, als je goed kijkt, zie je dat de daverende slotscène waarin de gewezen Hollywood-ster Heston met de staart tussen de benen afdruipt na een interview met Moore wel erg slinks is gemonteerd, zodat de impact ervan wordt gemaximaliseerd.

Het zijn nuanceringen die vrijwel altijd opduiken na de pamfletistische films van Michael Moore, die zijn punt koste wat het kost wil maken, desnoods ten koste van (een deel van) de waarheid. Toch staat de centrale boodschap van Bowling For Columbine, een echte publieksfilm met veel tempo en schwung, ruim vijftien na release nog steeds fier overeind: Amerika’s verwrongen relatie met wapenbezit en zelfverdediging zorgt voor een eindeloze stroom geweldsuitbarstingen die een westerse democratie volstrekt onwaardig zijn.

En terwijl de nabestaanden wanhopig roepen om concrete stappen waarmee toekomstige slachtoffers kunnen worden voorkomen, proberen politici, die door de NRA in het zadel zijn geholpen (je zou ook kunnen zeggen: zijn om- of afgekocht), net zolang tijd te winnen, totdat de (media)aandacht weer is verslapt. Voor de echte hardliners geldt echter ook in dit geval dat de aanval de beste verdediging is. Zij pleiten gewoon voor nóg meer wapens. ‘The only thing that stops a bad guy with a gun’, beweert de huidige NRA-president Wayne LaPierre bijvoorbeeld met droge ogen, ‘is a a good guy with a gun.’

Roy Orbison: Love Hurts

Wikipedia

Zijn gitzwarte outfits en eeuwige zonnebril spreken dertig jaar na zijn dood bijna net zoveel tot de verbeelding als zijn hits Oh, Pretty Woman, Crying en Only The Lonely. Want daarachter gaapt bij zanger Roy Orbison altijd die onmetelijke afgrond: een diep tragische familiegeschiedenis, met eerst een fataal motorongeluk en daarna een vernietigende huisbrand.

In Roy Orbison: Love Hurts (58 min.) verhalen zijn zoons Wesley, Roy Jr. en Alexander over hun beroemde vader, die carrière maakte in de gloriejaren van de rock & roll, in de seventies een midlife-crisis en bijbehorende hartaanval overleefde en als vijftiger een prachtige punt achter zijn carrière zette als lid van de superband Traveling Wilburys, met verder Bob Dylan, George Harrison, Jeff Lynne en Tom Petty in de gelederen.

Die zoons vormen de meerwaarde van dit soepele eerbetoon. In gedachten klimmen ze waarschijnlijk nog regelmatig op Roys knie en kijken van daaruit liefdevol op naar hun vader, die altijd een inspiratiebron is gebleven. Met het Royal Philharmonic Orchestra hebben de Orbison-broers ‘s mans dramatisch getoonzette liedjes onlangs van een nieuwe aankleding voorzien, de directe aanleiding voor deze popdocu. En met behulp van de moderne techniek kunnen ze tegenwoordig zelfs het podium op met hun veel bewierookte vader.

Binnenkort dus, springlevend!, in een theater bij u in de buurt, nu alvast in volle glorie op de kijkbuis: Roy Orbison!

The Reagan Show

CNN

Met de wijsheid van nu, ruim een jaar in het tumultueuze presidentschap van Donald Trump, lijkt zijn Republikeinse voorganger George W. Bush, de president die onder valse voorwendselen de oorlog in Irak startte, bijna een toonbeeld van nuance en beschaving. De statuur van hun beider voorbeeld Ronald Reagan heeft in Amerika zelfs mythische proporties aangenomen.

Toentertijd werd vanuit Nederland en de rest van de wereld vaak smalend gesproken over de gewezen acteur die na enkele termijnen als gouverneur van Californië in 1980 het presidentschap bemachtigde. We waren met zijn allen in een slechte B-film verzeild geraakt, zo was de vaste overtuiging van ieder weldenkend mens, waarin Ron en zijn eveneens acterende vrouw Nancy een ‘all american first couple’ speelden in de Hollywood-versie van wat eens Washington was.

Hoewel we sindsdien veel milder zijn gaan kijken naar The Reagan Show (71 min.) bleek die karakterisering achteraf bezien niet eens zo heel ver bezijden de waarheid. Al was Reagan, door Jacobse en Van Es steevast aangeduid als Roland Regen, bepaald niet (alleen) de kluns die menigeen in hem meende te zien. Op zijn minst kon hij doorgaan voor een begenadigde communicator, die erin slaagde om zijn land, of althans de rechterflank daarvan, weer wat zelfvertrouwen aan te praten na Vietnam, Watergate en het debacle rond de bevrijding van gegijzelde Amerikanen in Iran.

‘Tijdens m’n ambtsperiode heb ik me af en toe afgevraagd’, vertelt Reagan tijdens zijn afscheidsinterview als president in 1988, ‘hoe je het werk kunt doen als je géén acteur bent geweest.’ Daarmee levert hij zelf het startschot voor deze documentaire over hoe beeldvorming letterlijk een essentieel onderdeel van zijn regeringsperiode vormde: The Reagan Show, die dagelijks vanuit het Witte Huis werd opgevoerd voor een miljoenenpubliek.

De eerste echte televisiepresident Reagan leverde evenveel beeldmateriaal af als zijn vijf voorgangers tezamen. Daar had hij zelfs een officieel vehikel voor: WHTV (White House television). Deze slimme film van Pacho Velez en Sierra Pettengill is grotendeels gebaseerd op WHTV-opnames: geënsceneerde activiteiten, photo ops en interviews met Reagan – met bijzondere aandacht voor wat er vóór en na de opnames en achter de schermen gebeurt. De achterkant van het ideaalbeeld van ‘The Happy Warrior’, dat door het PR-team werd gecreëerd, waar journalisten, critici en opponenten uiteindelijk nooit helemaal vat op kregen.

Met louter bestaand materiaal, alleen ondersteund door verbindende teksten, brengen Velez en Pettengill prachtig in beeld hoe alles in het werk wordt gesteld om Reagan, ook tijdens een internationale crisis of opstekende mediastorm, te portretteren als de onverzettelijke leider: Ronnie als ferme onderhandelaar met de Russen, als ultieme cowboy op zijn edele ros of als goedmoedige scoutingsleider op een kinderkamp. Waarbij de rasacteur Reagan voortdurend laat zien dat hij over de charme en discipline beschikt die de huidige president ten enenmale ontbeert.

Aleppo’s Fall

Aleppos-fall-1170x680

 

Hoeveel films over de oorlog in Syrië kan een mens verdragen? Of, nog banaler, is er na pak ‘m beet Oscar-kanshebber Last Men In Aleppo, The White Helmets en City Of Ghosts (mentale) ruimte voor nóg een documentaire over de alles verwoestende strijd in Syrië?

Misschien heeft die metaalmoeheid te maken met het feit dat oorlog voor ons, westerlingen, slechts een schouwspel is geworden, dat zich altijd elders, in een donkere uithoek van de wereld of gewoon op het scherm voor ons, afspeelt. We kennen het niet meer van binnenuit. De Syrische filmmaker Nizam Najjar, al jaren woonachtig in Noorwegen, doet met Aleppo’s Fall (52 min.) opnieuw een dappere poging om de westerse kijker voor even participant te maken in het gevecht dat de halve wereld ontwricht.

Na de Arabische Lente is Najjar naar zijn geboortestad vertrokken, om daar vast te leggen hoe de rebellen dictator Bashar al-Assad van zijn troon proberen te stoten. Hij belandt daarvoor bij een afdeling van het Vrije Syrische Leger, waar nog enkele andere cameramannen rondlopen. Want dat is moderne oorlogsvoering: de camera is overal. De betrokken partijen strijden niet alleen om hun land, maar ook om de beeldvorming. Wie slaagt erin om zijn eigen kameraden als helden te portretteren en tegelijkertijd de misdaden tegen de menselijkheid van de tegenpartij vast te leggen?

Het Vrije Syrische Leger is een bonte verzameling van verzetsstrijders, die met moeite de rijen gesloten weet te houden. Interne tegenstellingen zetten de verhoudingen op scherp en verzwakken tegelijkertijd de eigen positie. De genuanceerde commandant Omar, die vindt dat hij in zijn functie niet in het openbaar mag twijfelen aan de goede afloop van hun strijd, probeert de verschillende facties bij elkaar te houden. Intussen lacht Assad in zijn (ijzeren) vuistje.

‘Welk verhaal denk je dat ik probeer te vertellen?’, wil regisseur Najjar van Omar weten in deze film, die uiteindelijk toch weer ‘gewoon’ onder de huid kruipt. ‘Hoe gaat dit aflopen?’ De commandant lacht ongemakkelijk terwijl hij met zijn mobiele telefoons speelt: ‘Het wordt één van de twee: óf ik word gedood óf we behalen de overwinning.’

First Team: Juventus

Netflix

Wiljan Vloet liet als algemeen directeur van Sparta ooit camera’s in de kleedkamer installeren. Ze zorgden voor tweespalt binnen de selectie van de Rotterdamse voetbalclub en werden al snel weer verwijderd. Net als Vloet zelf trouwens. Deze documentaireserie over de Italiaanse voetbalclub Juventus belooft een zelfde soort openhartigheid, maar coach Massimiliano Allegri hoeft voorlopig niet te vrezen voor zijn positie. First Team: Juventus (120 min.) is volstrekt ongevaarlijk.

Want deze serie, die voorlopig uit drie afleveringen van ongeveer veertig minuten bestaat en aan het eind van het seizoen wordt afgerond, gaat ongeveer op dezelfde manier om met de werkelijkheid als al die bestsellende voetbalbiografieën die niets minder dan ‘de waarheid’ beloven. Met sterke verhalen, smeuïge details uit de kleedkamer en een enkele, slim uitgevente bekentenis proberen die de schijn van volledige openhartigheid te creëren. Terwijl de hoofdpersonen hun echte zielenroerselen vaak gewoon voor zich kunnen houden.

Dit (zelf)portret van de Turijnse topclub, die al zes keer achter elkaar Italiaans kampioen is geworden, doet min of meer hetzelfde: beelden van tactische besprekingen, sponsorverplichtingen en de spelers thuis suggereren dat de makers de binnenkant van ‘De Oude Dame’ kunnen laten zien. In werkelijkheid blijven ze volledig aan de oppervlakte steken en wordt First Team: Juventus nooit meer dan een gelikte terugblik op de eerste helft van het lopende voetbalseizoen, compleet met de verplichte strakke plaatjes, kekke muziekjes en stuitende voetbalclichés. Een luxe variant op wat we in Nederland Club TV noemen, die alleen voor verstokte Juve-fans is te verteren.

Cold Blooded: The Clutter Family Murders

Sundance

Als er al zoiets als een startpunt kan worden vastgesteld voor het true crime-genre, dan ligt dat in 1966 bij het legendarische non-fictieboek In Cold Blood, waarin Truman Capote de huiveringwekkende moord op de Clutter-familie in 1959 minutieus reconstrueert en de moordenaars Dick Hickock en Perry Smith volgt totdat ze enkel jaren later ter dood worden gebracht. Intussen probeert hij, de flamboyante intellectueel uit het mondaine New York, hén, een diabolisch tweetal uit het Amerikaanse heartland, te doorgronden.

Hoewel het boek een internationale bestseller werd, ging Capote er helemaal aan kapot – aan zijn haat/liefde voor Smith in het bijzonder. Hij zou nooit meer een fatsoenlijk boek publiceren. Dat gegeven, van de gevierde schrijver die volledig ten onder gaat aan zijn (gruwelijke) werk, vormde de basis voor twee speelfilms binnen een jaar: Capote (een topzware film, met een Oscar-winnende Philip Seymour Hoffman) en Infamous (de betere speelfilm van de twee, waarin Daniel Craig een ijzingwekkende Perry Smith vertolkt).

In Cold Blood zelf werd natuurlijk ook meermaals verfilmd. Dan is het de vraag of het Clutter-terrein inmiddels niet zo grondig is afgegraasd dat ook nog een uitputtende documentaire een beetje te veel van het goede wordt. Cold Blooded: The Clutter Family Murders (168 min.), waarvan Canvas vanavond het eerste deel uitzendt, slaagt er evenwel in om onontgonnen terrein aan te boren met nieuwe getuigen, een overdaad aan bewijsmateriaal én interviews met familieleden van de Clutters, die nooit eerder voor de camera verschenen.

Regisseur Joe Berlinger leverde met de grandioze Paradise Lost-trilogie, waarin hij samen met Bruce Sinofsky gedurende vijftien jaar de satanische (?) moord op drie jongetjes onderzocht, al een onvervalste true crime-evergreen af en pluist nu nauwgezet de ‘klassieke moorden’ in Kansas uit. Dat levert geen verrassende nieuwe inzichten op – wie die daders zijn, is immers al een halve eeuw bekend – maar zorgt wel degelijk voor duiding. Van de moorden zelf en het gebrek aan een logische verklaring daarvoor, maar ook van de emotionele impact ervan. Die werd niet eerder zo indringend in kaart gebracht.

Bewaarders

bewaarders
In de beperking toont zich de meester. De manier waarop Marc Schmidt in Bewaarders (76 min.) omgaat met het feit dat hij de gedetineerden van het hypermoderne Justitieel Complex Zaanstad (JCZ) niet herkenbaar in beeld kan brengen, behoort tot de absolute pluspunten van deze observerende documentaire. De gevangenen zijn op een virtuoze manier, met een versluierend motiefje en een eigen kleur, gedigitaliseerd. Ze ogen nu als gezichtsloze objecten – werkmateriaal zou je kunnen zeggen – en hebben toch een individueel karakter gekregen.
 
Die vormkeuze benadrukt de insteek van deze Teledoc, die volledig vanuit het perspectief van de bewaarders wordt verteld. Zij hebben ook letterlijk een stem gekregen in de film. ‘Mijn mond is mijn wapen’, zegt die. Of: ‘Het is heel gemakkelijk om conflicten te krijgen hier, het is juist de kunst om ze niet te krijgen.’ Én: ‘Het werk verandert eigenlijk nooit.’ En met die laatste stelling sluit de stem aan bij een kernvraag van deze film: levert de moderne manier van werken in de JCZ, de grootste en modernste gevangenis van Nederland, daadwerkelijk een andere gevangenis op, met een andere rolverdeling tussen bewakers en bewaakten?
 
De stem twijfelt hoorbaar: zijn de ‘boeven’ eigenlijk wel in staat om verantwoordelijkheid voor hun eigen leven te nemen? En hebben de medewerkers van het Justitieel Complex Zaanstad, dat is voorzien van de nieuwste digitale technieken en volhangt met camera’s, op hun beurt voldoende tools om hen daarbij optimaal te ondersteunen? Zeker omdat het aantal gedetineerden met een psychiatrische stoornis en afwijkend gedrag lijkt toe te nemen, hangt die vraag voortdurend boven de markt. Zijn die camera’s er misschien ook een beetje om mij in de gaten te houden? vraagt de stem zich af.
 
De centrale verteller, die in de ik-vorm reflecteert op het werk van een medewerker van de JCZ, is een sterke troef van deze documentaire, die volledig binnen de afdeling Noord van de gevangenis is opgenomen. Terwijl echte hoofdpersonen ontbreken in deze beklemmende film – hooguit enkele gezichten keren steeds terug – verwoordt die stem wat er in al die verschillende bewaarders met hun eigen aanpak en ‘tone of voice’ omgaat. Zo brengt Schmidt zowel het dagelijks bestaan van een moderne cipier als diens psyche in kaart.