Shangri-La

Rick Rubin

‘Het gaat om de artiesten, de conversaties die we daarmee hebben en het verhaal dat daaruit voortvloeit’, stelt Rick Rubin bij aanvang van de aan hem en zijn studio gewijde documentaireserie Shangri-La (219 min.). ‘In zekere zin is dit een vehikel om de processen te laten zien van de mensen waarmee we in gesprek gaan.’ De Amerikaanse sterproducer benadrukt het nog maar eens: ‘Het gaat zeker niet om mij.’

‘Het is net een spiegelpaleis’, constateert documentairemaker Morgan Neville (20 Feet From Stardom, Won’t You Be My Neighbor? en They’ll Love me When I’m Dead) vervolgens, terwijl de camera langs de spierwitte muren van Rubins studio in Malibu dwaalt. Er hangt niks aan de muur, schilderijen zouden het eigen voorstellingsvermogen maar in de weg zitten. ‘Als jij simpelweg reflecteert wat een artiest inbrengt’, stelt Neville. ‘Dan kijk ik dus weer naar een reflectie van een reflectie.’

En daarmee is deze even ambitieuze als onevenwichtige, veelvuldig aan speelfilms en filosofie refererende serie afgetrapt. De bedreven kijker weet inmiddels: dit wordt geen routinematig carrièreoverzicht van de bebaarde topproducer Rick Rubin, de punkrocker die ooit een enorme liefde opdeed voor hiphop, vervolgens aan de basis stond van de doorbraak van Run-DMC, Public Enemy en Red Hot Chili Peppers en later ervaren cracks als Johnny Cash, Joe Strummer en Neil Diamond in de herfst van hun carrière tot een grandioos slotakkoord inspireerde. ’s Mans roemruchte muziekgeschiedenis wordt slechts in de kantlijn aangedaan.

Shangri-La, een naam die verwijst naar het aardse paradijs, neemt de kijker mee naar een soort muzikaal retraitecentrum in Californië, waar The Band ooit opnam voor de legendarische concertfilm The Last Waltz. In een meditatief decor zwaait de relaxte gastheer Rick Rubin (lange grijze baard, witte kleding en altijd blootvoets) er tegenwoordig met zalvende woorden de scepter. Hij strooit met bemoedigende knikjes en diepe levenswijsheden. ‘The artist may not always be the maker’, luidt bijvoorbeeld het leidmotief van aflevering 1 van deze vierdelige serie. ‘It may be the person who sees the piece and recognizes the art in it.’

Je kunt er Rubins metersdiepe stem moeiteloos bij verzinnen. En je ziet hem er bijna bij liggen: ontspannen op zijn rug, de handen vredig ineen gevouwen en meebewegend met zijn kalende hoofd. Verstand op nul en dan nadenken, zoiets. De sterproducer neemt tevens plaats tegenover artiesten die onder zijn hoede aan nieuwe albums werken, zoals de indieband Vampire Weekend, singer-songwriter Benjamin Clementine of het onlangs, aan een overdosis overleden multitalent Mac Miller. Als een goedmoedige goeroe staat hij hen bij met zijn levensspreuken (waarvan er ook dagelijks één op zijn Twitter-account belandt). Hij zet daarmee de luiken open – en, zo nu en dan, ook de lachspieren aan het werk.

Met sleutelfiguren uit zijn loopbaan (Mike D van Beastie Boys, Public Enemy-voorman Chuck D., rapper LL Cool J, Red Hot Chili Peppers-bassist Flea, Robbie Robertson, meestergitarist Carlos Santana, Weezer-frontman Rivers Cuomo en filmmaker David Lynch) filosofeert hij bovendien over thema’s als identiteit, creativiteit en spiritualiteit. Rubin gaat daarnaast zelf te rade bij coaches, yogi’s en adviseurs. ‘Ik spreek met de artiest en dan luister ik echt heel goed’, zegt hij bijvoorbeeld op het strand tegen de spiritueel schrijver Kent Nerburn. ‘Het is in zekere zin de kunst van er niet zijn’, antwoordt deze. ‘Het is de kunst om uit de weg te gaan en de ruimte geven aan wat er ook komt.’

En dan komt er, als een onvervalste deus ex machina, een Californische natuurbrand die de rust in Rubins Shangri-La danig verstoort…

PS Getuige enkele gedramatiseerde scènes uit deze documentaireserie had Rick Rubin al op zéér jonge leeftijd een lange, grijze baard en leek hij in bepaalde fases van zijn leven zelfs te worden aangestuurd door een poppenspeler.

They’ll Love Me When I’m Dead

Netflix

Ruim dertig jaar na zijn dood staat Orson Welles weer vol in de schijnwerpers, die hem niet altijd even goed gezind zijn geweest. Tijdens het komende International Documentary Festival Amsterdam beleeft The Eyes Of Orson Welles, een essayistische filmbrief aan Welles van Mark Cousins, zijn Nederlandse première. En nu presenteert Netflix een documentaire over de laatste speelfilm die de mastodont maakte – een film die hij nooit kon afronden.

The Other Side Of The Wind zou nooit het uitroepteken achter het veelbewogen publieke leven worden dat Welles eigenlijk verdiende. Een leven dat begon met het hoorspel War Of The Worlds, dat in 1938 met een aanval van buitenaardse wezens blinde paniek veroorzaakte, en daarna (veel te vroeg) piekte met wat ook wel de beste film aller tijden wordt genoemd. Gedurende de rest van zijn bestaan zou die klassieker de regisseur/acteur lastig blijven vallen. Of zoals regisseur Peter Bogdanovich het in deze documentaire formuleert: ‘Telkens als je zijn naam noemt, vraagt men: “Wat deed hij na Citizen Kane?”’

De titel They’ll Love Me When I’m Dead (98 min.) refereert aan een beroemde uitspraak van Orson Welles. Al is het de vraag of die zin daadwerkelijk over zijn lippen is gekomen. Diverse betrokkenen in deze documentaire van Morgan Neville ontkennen dat in elk geval. En daarmee hebben we meteen één van de centrale thema’s te pakken van deze speelse film: wat is waar en wat is mythe? ‘Bijna elk verhaal is vrijwel zeker een soort leugen’, aldus Welles zelf. Óók deze virtuoze weerslag van zijn tot mislukken gedoemde poging om nog één meesterwerk uit zijn grootse leven te persen.

Want wilde hij die film eigenlijk wel afronden? Daarover verschillen de meningen. Orson dacht dat hij zou sterven als The Other Side Of The Wind klaar was, volgens de één. Onzin!, meent een ander. Hij deed er álles aan om dit levenswerk – was het stiekem een zelfportret of toch een afrekening met het Hollywood dat hem had verstoten? – tot een goed einde te brengen. Feit is dat Welles, of een groteske karikatuur van de man die hij ooit was, zou sterven vóórdat de apotheose van zijn indrukwekkende carrière eindelijk het licht zou zien.

Deze zwierig gefilmde en gemonteerde documentaire, die tevens dient als karakterschets van het ‘larger than life’-fenomeen Welles en een ode inhoudt aan zijn films, gaat op Netflix namelijk vergezeld van …tromgeroffel, klaroengeschal, doodse stilte… The Other Side Of The Wind. Uit bijna honderd uur beeldmateriaal is postuum alsnog ‘de grootste film die nooit is uitgebracht’ samengesteld. Uitroepteken.

Won’t You Be My Neighbor?

Fred Rogers ging elke dag op de weegschaal. Hij moest en zou precies 143 pond wegen. Zijn hele leven lang. Een kwestie van ongelofelijke discipline. Die 143 stond ergens voor: I love you, woorden met respectievelijk één, vier en drie letters. Zo sprak hij tegen zichzelf, ongetwijfeld een erfenis van zijn jeugd.

Mister Rogers verspreidde zijn boodschap van liefde decennialang via de Amerikaanse publieke zender PBS. ‘You’re special’, hield hij kinderen voor in zijn kinderprogramma Mr. Rogers’ Neighorhood. Als een lievige Ome Willem, in een kenmerkend oubollig vest, die verdwaald is geraakt in De Fabeltjeskrant.

‘Wat essentieel is in het leven’, zegt hij in de warme documentaire Won’t You Be My Neighbor? (94 min.), ‘is met het blote oog niet te zien.’ Rogers, die studeerde aan het seminarie, vond dat (kinder)televisie een educatieve taak had. Het hoefde niet alleen puur vermaak te bieden en hoefde de kijker niet puur als consument te benaderen.

Met gesprekken, liedjes en een heel arsenaal aan vaste poppen en acteurs maakte hij gevoelige onderwerpen zoals onzekerheid en depressie en actuele thema’s, zoals de oorlog in Vietnam of de moord op Bobby Kennedy, bespreekbaar in de taal en op het niveau van kinderen. Dat oogt nu bijna als anti-televisie: traag, met weinig actie en drama. Klein en menselijk.

Dezelfde kwalificaties zijn toepasbaar op deze verrukkelijke documentaire van Morgan Neville. Het is alsof je naar een beeldbuis-programma uit lang vervlogen tijden zit te kijken. Over een archaïsch ogende televisiedominee, die gaandeweg al zijn idealen over het medium zag vervliegen. Want ‘zijn’ televisie werd steeds meer een podium voor het betere (verbale) gooi- en smijtwerk.

Na afloop van Won’t You Be My Neighbor? rest een onbestemd verlangen naar, in sommige opzichten, betere tijden. Want gewoon een aardige man. Waar zie je die tegenwoordig nog op de (Amerikaanse) televisie?