
Op 19 jul 1974 vliegt Adamos Marneros vanuit Londen terug naar Nicosia, met welgeteld zeven passagiers aan boord: een Grieks-Cypriotische familie met in totaal vier gezinsleden en een Turks-Cypriotische gezin van drie. ‘Je moet wel gek zijn’, houdt een Britse verslaggever de piloot van Cyprus Airlines nog voor. ‘Teruggaan naar oorlogsgebied.’
Een dag eerder is hij met een vliegtuig bomvol toeristen, met ook zijn eigen vrouw en dochter aan boord, vertrokken van Nicosia Airport. Het vliegveld was net weer opengesteld nadat de Cypriotische president Makarios bij een coup was afgezet. De vraag die toen al in de lucht hing is nog altijd niet beantwoord: volgt er nu een Turkse invasie?
De Cypriotische gezagvoerder fungeert, buiten beeld, als verteller in de ‘digitale opgraving’ No Man’s Air (42 min.) van Peter Delpeut en Gerco de Ruijter. Zij hebben zíjn herinneringen van de naargeestige terugvlucht, die hij tijdens een tussenstop in Rome nog stiekem probeerde te cancelen, ingenieus geïllustreerd met beeldmateriaal van het vliegveld.
Die beelden hebben ze overigens online gescoord, want de verlaten en vervallen luchthaven is al ongeveer een halve eeuw verboden terrein. Delpeut en De Ruijter halen dus al hun verhaaltechnieken voor de dag en trekken hun hele montagetrukendoos leeg, om met dit ‘found footage die beladen laatste vliegreis naar Nicosia Airport op te roepen.
Een in onbruik geraakt vliegtuig gaat daarvoor virtueel de lucht in. Onderweg realiseert Marneros zich dat het scenario voor de toekomst van Cyprus allang is geschreven. Hij en zijn passagiers – op papier wellicht vijanden, maar in de praktijk toch vooral leden van dezelfde gemeenschap in Groot-Brittannië – hebben zich maar aan hun voorgeschreven rol te houden.
De Cypriotische gezagvoerder is niet meer dan een pion. Ook in deze creatieve opgraving, van een vergeten conflict.










