Lastpak: Noa Lang

Prime Video

In zekere zin komt deze docuserie als mosterd na de maaltijd. Want als er nu één ding is verbeterd bij Noa Lang sinds hij bij PSV speelt, dan is het zijn imago. Daar is deze serie niet voor nodig.

De aanvaller die bij zijn terugkeer naar de Nederlandse Eredivisie in de zomer van 2023 nog een ‘milde TBS-patiënt’ werd genoemd, is sindsdien al getypeerd als iemand met een ‘grote bek, klein hartje’, nadat hij uitgebreid de tijd nam voor enkele fans met een verstandelijke beperking, en door zijn huidige trainer Peter Bosz zelfs bestempeld als leider, een potentiële aanvoerder. En dan ligt alsnog Lastpak: Noa Lang (150 min.) op de digitale deurmat en rakelt allerlei oude controverses op. Bovendien is Lang al enige tijd geblesseerd en nog enkele maanden uit de roulatie.

De vierdelige serie van Bart van den Aardweg start aan het begin van het seizoen 2022-2023 als Noa Lang na twee succesvolle seizoenen bij de Belgische topclub Club Brugge ondanks een enkelblessure geselecteerd hoopt te worden voor het wereldkampioenschap in Qatar, een toernooi dat in deze productie wordt teruggebracht tot de kwartfinale van het Nederlands elftal tegen Argentinië. Vanuit Nederland zien zijn zwangere vriendin Blossom, moeder Manon en een groep fanatiek meelevende vrienden hoe hun held zijn allereerste speelminuten maakt en vervolgens wordt uitgeschakeld.

Eenmaal terug in Europa gaat het bij Club Brugge allengs slechter en slechter, komt de geboorte van zijn eerste kind steeds dichterbij en begint Lang zich af te vragen waar hij zijn carrière wil vervolgen. Tegelijkertijd blikt Van den Aardweg samen met de hoofdpersoon, diens ‘tough love’-vader Jeffrey en zijn voormalige trainers Leen Boer (Feyenoord), Erik ten Hag (Ajax) en Alfred Schreuder (Club Brugge) terug op Langs roerige loopbaan, die natuurlijk wordt geïllustreerd met fraaie voetbalbeelden van de buitengewoon getalenteerde blonde krullenbol die gaandeweg uitgroeit tot een lefgozer pur sang.

Daarbij passeren de bekende verhalen de revue: dat zijn vader in de gevangenis zat toen hij nog maar een jongetje was, dat hij als speler van de jeugdopleiding van Feyenoord geen geheim maakte van zijn liefde voor Ajax en dat hij als jong broekie bij Ajax, voor de camera, zijn trainer Erik ten Hag en aanvoerder Dusan Tadic brutaal weerwoord gaf. Mensen op straat in België herkennen hem als ‘dat vervelende mannetje van de tv’, stelt Noa Lang zelf, die een onbegrensd zelfvertrouwen lijkt te hebben en, zo geeft ie grif toe, inderdaad het bloed onder iemands nagels vandaan kan halen.

Die Noa Lang doet zich ook in deze miniserie gelden. Op de parkeerplaats van zijn auto ligt een lege kartonnen doos met piepschuim. Hij weigert hem op te ruimen en parkeert steeds gewoon zijn auto overheen. Totdat hij er toch aan moet geloven. Lang bekvecht ook ongegeneerd voor de camera met Blossom en rijdt terwijl hij wordt gefilmd bovendien nog even zijn auto in de kreukels, nadat hij eerder al een rijverbod heeft gekregen in België. ‘Dit is zo lomp!’ zegt hij dan, enigszins ongemakkelijk kijkend. En maakt er daarna maar het beste van: ‘Het staat wel op camera. Dat is altijd lachen.’

In Lastpak doen ook de internationals Memphis Depay, Denzel Dumfries en Jurriën Timber hun zegje over hun collega met altijd, ook als het niet uitkomt, dat hart op de tong – al laat hij tegelijk zelden écht het achterste daarvan zien. Het blijft bij een enkele persoonlijke ontboezeming, bijvoorbeeld als hij net vader is geworden. ‘Ik denk dat ik oprecht pas echt gelukkig kan zijn als alles voorbij is en ik terugkijk op mijn carrière, echt trots kan zijn op wat ik heb bereikt en ik dan mijn rust heb’, zegt hij met z’n pasgeboren kind in zijn armen. ‘Maar tot die tijd heb ik geen reden om gelukkig te zijn.’

Ook hij, de ogenschijnlijk zo onverschillige handenbinder, worstelt soms met alle druk van die dekselse voetballerij. Dat wordt bijvoorbeeld zichtbaar tijdens zijn persoonlijke gesprekken met prestatiecoach Joost Leenders over de aanhoudende malheur bij Club Brugge. Of de ellenlange transferonderhandelingen tussen Club en PSV, waarvan hij volgens eigen zeggen ‘helemaal parra’ wordt. Dan laat Noa Lang even het schild zakken, dat hem in zijn loopbaan net zo vaak heeft gediend als dwarsgezeten, en wordt de man achter de voetballer zichtbaar, het joch achter de branieschopper.

Een typisch kind van een adorerende moeder en een vader die zijn gevoelens nauwelijks kan laten zien, zou je als buitenstaander op basis van deze aardige miniserie zeggen. Minder aaibaar dan de jongen die zoveel lof kreeg toegezwaaid omdat hij op de foto ging met fans met een beperking, maar ook minder onhandelbaar dan de al dan niet milde TBS-patiënt waarvoor hij regelmatig is versleten. Een lastpak, zoveel is zeker, die toevallig héél goed kan voetballen.

Cody Gakpo – Psalm 20:4

Viaplay

Wie heeft welk belang? Wat is de motivatie van PSV om deze driedelige docuserie via Viaplay met de wereld te delen? En waarom wil Cody Gakpo dat die productie er komt? In eerste instantie moet het idee zijn geweest dat de aanvaller in de zomer van 2022 zijn laatste wedstrijden voor de Eindhovense voetbalclub zou spelen – in het ideale scenario bekroond met een kampioenschap – en dat hij daarna een transfer zou maken naar Engeland, vermoedelijk naar het Manchester United van landgenoot Erik ten Hag. Dan was Cody Gakpo – Psalm 20:4 (110 min.) simpelweg een mooie afsluiting van ruim vijftien jaar bij de club van zijn jeugd, stad en dromen geweest.

Hoewel hij zich destijds in het openbaar op de vlakte hield, stuurde Gakpo zelf nadrukkelijk aan op een transfer in de zomer en ging hij er ook vanuit dat die rond zou komen, zo blijkt in deze miniserie van Lennart Timmerman. Hij verhuurde zijn appartement bijvoorbeeld al door, naar de nieuwe assistent-trainer Fred Rutten. Alleen die overgang liet maar op zich wachten. Intussen verkeerde de ranke aanvaller bepaald niet in topvorm. Op de valreep, op de allerlaatste dag voor de sluiting van de transfermarkt, kon hij echter alsnog uit drie clubs kiezen. En daaruit maakte Cody Gakpo, vertelt hij op de avond zelf, op geheel eigen wijze een keuze, waarbij het advies van zijn God een doorslaggevende rol speelde.

Timmerman en zijn cameraman Ties Gooren, allebei in dienst van PSV, hebben een heel aardig inkijkje gekregen bij hoe Gakpo en zijn team, broer Sidney en zaakwaarnemer Kees Ploegsma Jr., de situatie probeerden te managen en na het wereldkampioenschap in Qatar, waar de speler onder de hoede van de eveneens in deze miniserie aanwezige coach Louis van Gaal floreerde, alsnog een transfer tot stand wilden brengen. Manchester United was toen opnieuw in markt, maar haakte wederom af. Dat liet Team Gakpo alleen niet weten aan Liverpool, dat inmiddels ook serieuze interesse had getoond in de zeer populaire ‘Eindhovenaar’. Die club kreeg simpelweg te horen dat Cody Gakpo de keuze op hen had laten vallen. Een aardig staaltje onderhandelen, waarmee ook PSV uiteindelijk was gediend.

Of dat het hele verhaal van de transfer is? Het is in elk geval de lezing van Gakpo en PSV, die voor deze serie nog altijd samen optrekken. Ook algemeen directeur Marcel Brands en ex-trainer Ruud van Nistelrooy verschijnen voor Goorens camera en staan Timmerman te woord. Die transferperikelen vormen ook het meest interessante deel van deze miniserie die – de titel verraadt het al – verder, enigszins oppervlakkig, aandacht besteedt aan zijn geloof en de directe omgeving van de sporter aan het woord laat, zijn moeder Ank en vriendin Noa. Dat levert weinig nieuwe inzichten op over de Nederlandse topaanvaller, die inmiddels alweer bijna een jaar actief is in de Britse Premier League.

Cody Gakpo – Psalm 20:4 is alsnog geworden wat PSV en de speler destijds waarschijnlijk voor ogen hadden: een viering van het afscheid van een clubicoon, dat nu de wijde wereld opzoekt, om later als een gearriveerde ster, zo lijkt althans de intentie, weer terug te keren in de moederschoot. De meerwaarde van deze promodocu zit met name in die gecompliceerde transferperiode en de toegang die de makers daarbij hebben gekregen tot de hoofdpersoon en zijn directe entourage. Waarbij we als buitenstaanders – het zij nog maar eens gezegd – dus niet weten wat we niet krijgen te zien en een beetje moeten gissen naar wie welk belang heeft.

After Work

Fasad Mans Mansson / VPRO

Arbeid adelt, knecht, pleziert en sloopt. In het prikkelende beeldessay After Work (80 min.) onderzoekt de Zweedse filmmaker Erik Gandini (Surplus: Terrorized Into Being CustomersVideocracy en The Swedish Theory Of Love) opnieuw een groot maatschappelijk thema: hoe arbeid, in al z’n verscheidenheid, onze identiteit vormt en de betekenis van werk in de 21e eeuw, waarin heel veel banen wel eens zouden kunnen verdwijnen.

In Zuid-Korea portretteert hij bijvoorbeeld Yoo Deug Young, een man van middelbare leeftijd die zo’n zestien uur per dag werkt. Volgens zijn dochter Yoo Ga Yeon is het zo’n beetje zijn enige trots. ‘Mijn vader mist alles.’ In zijn land, één van de hardst werkende naties ter wereld, nemen veel arbeidskrachten hun vrije tijd helemaal niet op en is zelfs de campagne PC Off gestart. Computers verplicht uit! Anders blijft iedereen, al is het alleen voor zijn chef, toch gewoon doorwerken.

‘Ik ben zo druk’, houdt Josh Davies, de Amerikaanse oprichter van het Center For Work Ethic, zichzelf voortdurend voor, terwijl hij zich klaarmaakt voor een gelikte speech over arbeidsethos. Want dat is volgens hem het enige wat telt voor werkgevers. ‘Hee, zou je niet eens een baan zoeken waar je van houdt?’ vraagt hij sarcastisch. ‘Dat hoort bij een romcom, een Hollywood-film.’ Hij sneert nog even verder: ‘Weet je wat? Misschien is het helemaal niet de bedoeling dat werk leuk is.’

Astrid Moss, een Amerikaanse bezorgster van Amazon-pakketjes, kan daarover meepraten. Om de efficiëntie te vergroten, heeft haar opdrachtgever meerdere camera’s in de auto’s van medewerkers laten installeren. Zodat die vooral niet te lang pauze houden – of liever nog: hun brood gewoon onderweg wegwerken. Moss heeft een duidelijke grens voor zichzelf, zegt ze: als ze onderweg in een fles moet gaan plassen om haar schema te halen, stopt ze onmiddellijk bij Amazon.

In Koeweit is er dan weer recht op werk. Er is alleen veel te weinig te doen. Bullshitbanen zijn onvermijdelijk in het puissant rijke oliestaatje: overheidsfunctionarissen zitten aan hun bureau de tijd uit met films en boeken. Intussen heeft zo’n beetje elk huishouden ook twee huishoudsters. En die worden dan weer behandeld als moderne slaven. Het is een pijnlijke tegenstelling, binnen één en dezelfde maatschappij – en, zou je zeggen, een onhoudbare situatie.

Met een open blik beziet Gandini hoe arbeid z’n plek binnen verschillende samenlevingen inneemt, verschillende visies op de betekenis van werk en aanverwante thema’s zoals robotisering, ontspanning en het basisinkomen. De conclusie van deze vaardig uitgeserveerde rondgang is dat werk – of het ontbreken ervan – ons als individu of gemeenschap nog altijd definieert. Ook al zou het zomaar kunnen dat we op termijn zonder, of in elk geval met veel minder, moeten kunnen.

‘We zijn niet altijd workaholics geweest’, stelt filosoof Elizabeth S. Anderson. ‘We kunnen ons opnieuw voorstellen hoe een goed leven eruit zou moeten zien en wat de rol van werk daarin is.’

Tax Me If You Can

Periscoop Film

Het is een surrealistische scène: tijdens het World Economic Forum in Davos legt gespreksleider Heather Long, economiejournalist bij The Washington Post, op 23 januari 2019 een vraag voor aan een panel met enkele CEO’s. Het Democratische congreslid Alexandria Ocasio-Cortez heeft een belastingverhoging voor de allerrijkste Amerikanen voorgesteld, zeventig procent voor mensen die meer dan tien miljoen verdienen, om zo de inkomensongelijkheid te verminderen. ‘Michael Dell, ondersteun jij dit idee?’

Nadat de meeste panelleden eens smakelijk hebben gelachen, start de CEO van Dell Technologies zijn antwoord. Dat begint met zijn eigen ideële stichting en eindigt met een uitdaging rond dat hoge belastingpercentage: ‘Noem me één land waar dat heeft gewerkt.’ Erik Bryjnjolfsson, economieprofessor van Stanford University, antwoordt doodgemoedereerd: ‘De Verenigde Staten.’ Hij legt uit: van pak ‘m beet de jaren dertig tot de jaren zestig lag het belastingniveau voor de rijksten ongeveer op dat niveau – of hoger. ‘Dat waren best aardige jaren voor de economische groei.’

’s Mans interventie weerlegt het idee van belasting als gelegaliseerde diefstal. En dat is te herleiden tot de inaugurale rede van de Amerikaanse president Ronald Reagan in 1981, de aanzet voor een neoliberale wind door het vrije westen: de overheid is niet de oplossing van alle maatschappelijke problemen, de overheid is in werkelijkheid zelf het probleem. Laten we de overheid dus uitkleden voordat die ons uitkleedt (of laat zien dat wij, ondanks die gesoigneerde maatpakken, helemaal geen kleren aanhebben). Zo bezien is het acceptabel om belasting te ontwijken of ontduiken.

Juist die gedachte – in het bijzonder bij het rijke deel van de wereld, dat ook de middelen heeft om er serieus werk van te maken – wordt door de Franse documentairemaker Yannick Kergoat genadeloos aan de kaak gesteld in Tax Me If You Can (114 min.). Internationale bedrijven zoals Google die zich bijvoorbeeld bedienen van de zogenaamd Double Irish With A Dutch Sandwich, waarbij Ierland, Bermuda én Nederland (pijnlijk vaak vernoemd in dit even lijvige als vlijmscherpe schotschrift over de belastingmoraal van de bevoorrechten) ervoor zorgden dat het bedrijf nauwelijks belasting betaalde.

Daarbij vinden de handigste jongens van de vrije economie steevast consultants van Deloitte, PricewaterhouseCoopers, KPMG en Ernst & Young, de Big Four van wat eufemistisch ‘belastingoptimalisatie’ wordt genoemd, aan hun zijde. Die tuigen de meest ondoorzichtige constructies op, met brievenbusfirma’s op belastingparadijzen zoals de Kaaiman- of Maagdeneilanden die worden gerund door nepbestuurders en -aandeelhouders. En de gewone – laten we hem nog een keer van stal halen – werkeman wordt geacht om trouw af te blijven dragen.

Dat is in wezen zware en taaie kost – met veel en tamelijk abstracte cijfers en statistieken, dieven die een krijtstreeppak dragen in plaats van een zwart-wit gestreept boevenpak en desko’s die niet per definitie gewone mensentaal spreken – maar Kergoat dient die met Michael Moore-achtige zwier op: animaties die orde in de doelbewust gecreëerde chaos scheppen, vermakelijke tv- en filmfragmenten, koddige muziekjes, een verborgen camera-actie en veel humor. Zo ontstaat een ontluisterend beeld van de Fuck You!-economie, in de traditie van The Corporation en Inside Job.

Een links manifest, zo u wilt, over de moraal die zich blijkbaar als een virus onder ondernemers, bestuurders, politici en financiële deskundigen heeft verspreid: zolang het maar (min of meer) legaal is óf we niet worden betrapt, is in wezen alles geoorloofd.

Merchants Of Doubt

Sony Pictures Classics

Zorg voor twijfel. Plaats kanttekeningen bij de wetenschap. Creëer controverse. Vind een welwillende wetenschapper. Val de boodschapper aan. Verschuif de schuld. Vertraag regulering. Beroep je op ‘vrijheid’.

Als je weet waar je op moet letten, is het draaiboek dat de tabaksindustrie ooit opstelde voor zijn Merchants Of Doubt (93 min.), pseudo-wetenschappers die werden ingehuurd om in de publieke arena de gevaren van roken te gaan betwisten, ook in hedendaagse maatschappelijke discussies nog altijd gemakkelijk te herkennen. Zodra het product van een multinational onder vuur komt te liggen vanwege zijn schadelijke karakter – of het nu om fossiele brandstof, pesticiden, fastfood, gas, diervoeders of pijnstillers gaat – wordt er onmiddellijk een publiciteitscampagne opgestart, waarbij zulke huurlingen dan als vooruitgeschoven post fungeren.

Met een stalen gezicht proberen zij tweespalt te zaaien over feiten waarover wetenschappelijk allang consensus is bereikt. ‘Twijfel is ons product’, constateerde de PR-firma Hill & Knowlton niet voor niets, toen ze in de jaren zeventig werd ingehuurd door tabaksproducenten. Volgens interne documenten wisten die toen al zeker twintig jaar dat sigaretten kanker veroorzaken. En in de jaren zestig was eveneens duidelijk geworden dat ook hartziekten het gevolg kunnen zijn van roken en dat nicotine bovendien verslavend is. Wetenschappelijk bewijs moesten ze dus vooral niet gaan ontkennen, luidde het advies. Twijfel zaaien was genoeg.

In deze nog altijd bijzonder actuele docu uit 2014, gebaseerd op het gelijknamige boek van Naomi Oreskes en Erik M. Conway, vestigt Robert Kenner de aandacht op deze leugenaars van/voor het grote vieze geld. Terwijl zij ongetwijfeld een lekkere boterham verdienen met hun ‘alternative facts’ en in het kader van ‘false balance’ in de media regelmatig in discussie mogen met gereputeerde wetenschappers, ondergraven ze niet alleen de noodzaak om het klimaat of de volksgezondheid te beschermen, maar tasten ze tevens het idee van de waarheid aan en het maatschappelijk belang dat daaraan wordt toegekend. Daarmee leggen ze een bom onder de vrije, democratische samenleving.

Een pijnlijk voorbeeld hiervan is de zogenaamde Oregon Petition uit 1998, waarin ruim 31.000 Amerikaanse wetenschappers zich verzetten tegen het klimaatverdrag van Kyoto en tevens de opwarming van de aarde ontkennen. De verklaring krijgt veel aandacht en ondermijnt de gevoelde urgentie om samen klimaatverandering tegen te gaan. Tot de ondertekenaars blijken bij nader inzien alleen ook ‘wetenschappers’ zoals Spice Girl Gerri Halliwell, acteur Michael J. Fox en wijlen Charles Darwin te behoren. Als dat aan het licht komt – en dat is bepaald niet vanzelfsprekend, toont Robert Kenner met diverse voorbeelden aan – is het kwaad echter al geschied.

De vergelijking die de filmmaker trekt tussen deze ‘twijfelverspreiders’ en illusionisten, die hun bedrog immers ook proberen te maskeren, is enigszins vergezocht, maar de boodschap is duidelijk: bij deze trucs gaat, tegen een aanzienlijke vergoeding natuurlijk, elke vorm van ethiek overboord. ‘Als je zou worden ingehuurd door Greenpeace om het klimaatprobleem over het voetlicht te brengen, wat zou je hen dan adviseren?’ vraagt Kenner bijvoorbeeld aan (voormalig?) lobbyist voor de fossiele industrie, Bill O’Keefe. De spreekbuis van The Global Climate Coalition en The George C. Marshall Institute lacht schamper. ‘Die kunnen mij helemaal niet betalen.’

Waarschijnlijk is liegen voor de hoogste bieder inderdaad een stuk lucratiever. En de rekening wordt uiteindelijk toch elders betaald, door anderen of de samenleving als geheel, in de vorm van pak ‘m beet milieuverontreiniging, persoonlijke bedreigingen of – en daar blijkt niet eens zo heel veel voor nodig te zijn – maatschappelijke onrust.

Hitler En De Macht Van Het Beeld

Heinrich Hoffmann / NOS

Al lang voordat hij een machtige leider was, werd Adolf Hitler al als zodanig geportretteerd. Dat was een weloverwogen keuze: als het beeld maar krachtig genoeg is, volgt de werkelijkheid vanzelf. Centraal in die bepalende beeldvorming was Heinrich Hoffmann, de fotograaf van de NSDAP, betoogt Hitler En De Macht Van Het Beeld (135 min.).

Hoffmann zorgde er bijvoorbeeld voor dat Hitler op foto’s altijd centraal in beeld stond, dan streng in de camera tuurde en zo overkwam als een sterke leider. Een echte staatsman, die achter de schermen stiekem op grote gebaren oefende. Beelden waarop de aanstaande Führer als een gewoon kwetsbaar mens was te zien werden natuurlijk zorgvuldig weggehouden van gewone Duitsers. Tegelijkertijd moest hij als een echte man van het volk worden geportretteerd.

Die delicate balanceeract vormt de kern van de eerste aflevering van dit interessante journalistieke drieluik, waarin de beeldonderzoekers Erik Somers en René Kok van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD), die onlangs het boek Adolf Hitler, De Beeldbiografie uitbrachten, worden gevolgd bij hun pogingen om Hitlers beeldvoering te reconstrueren. Daarbij komen ook diverse historici, direct betrokkenen en overlevenden aan het woord.

Deel 2 van de miniserie van Mélinde Kassens en Arjan Nieuwenhuizen belicht de periode dat Hitler, na de door propagandaminister Joseph Goebbels gedirigeerde verkiezingscampagne Hitler Über Deutschland, aan de macht komt: de slinkse campagnes om de jeugd aan deze vader des vaderlands te binden, Richard Wagners bombastische muziek, het massamedium radio, de duivels knappe propagandafilms van Leni Riefenstahl en het ultieme witwasevenement, de Olympische Spelen van Berlijn.

In het slot buigt Hitler En De Macht Van Het Beeld zich over de oorlogsjaren, als Adolf Hitler steeds meer een geïsoleerde leider wordt. Op de beelden van die tijd blijft hij echter het onbetwiste ‘Dreh- und Angelpunkt’ van de Duitse oorlogsmachine. Intussen is het onafwendbare verlies van nazi’s nooit te zien. Zulke beelden zijn pas achteraf, toen Hitlers nederlaag al was bezegeld, beschikbaar gekomen. En toen zou er nog veel meer bewijsmateriaal tegen de nazi’s boven tafel komen…

Als Der Führer zijn land, miljoenen mensen en zichzelf in de afgrond heeft gestort, krijgt zijn beeltenis ook zijn definitieve karakter: als verpersoonlijking van het kwaad. Deze miniserie drukt eenieder echter nog eens goed met de neus op de feiten: een leider die de media van zijn tijd beheerst, zowel letterlijk als figuurlijk, kan tot ongekende hoogten stijgen – of voorgaan in een afdaling richting de hel.

Race: Bubba Wallace

Netflix

Hij was dan misschien de enige zwarte man in de NASCAR-autoraces, maar had zich altijd afzijdig gehouden van politiek. Totdat de zwarte Amerikaan George Floyd, tevergeefs ‘I can’t breathe’ kreunend, in 2020 stierf door bruut politieoptreden.

Toen Darrell ‘Bubba’ Wallace Jr. vervolgens bij een race een Black Lives Matter-shirt aantrok, werd hem dat bepaald niet door iedereen in dank afgenomen. En toen hij daarna ook nog eens pleitte voor een verbod op de omstreden confederatievlag, een populair symbool bij de zeker in zuidelijke staten geliefde stockcarraces, werd hij een ideaal haatobject voor Onverdraagzaam Amerika en waren zelfs doodsbedreigingen niet van de lucht. Met als dieptepunt een strop, hét symbool voor lynching van Afro-Amerikanen, die werd aangetroffen in zijn garage. Waarna ook president Trump zich met de zaak meende te moeten bemoeien.

Deze actuele maatschappelijke kwestie loopt als een rode draad door de zesdelige docuserie Race: Bubba Wallace (283 min.), die ook de historische context van Wallace’s situatie – de benarde positie van zwarte coureurs binnen NASCAR en zwarte sporters in de Verenigden Staten in het algemeen – aan de orde stelt. Die boeiende insteek vormt soms alleen lastig een logische eenheid met de rest van de serie, waarin met allerlei insiders tamelijk stereotiep Wallace’s carrière en huidige verrichtingen voor het 23XI-raceteam van basketballegende Michael Jordan, inclusief uitgebreide wedstrijdimpressies, worden doorgenomen.

Op zulke momenten is de serie van Erik Parker toch vooral interessant voor liefhebbers van deze specifieke vorm van autosport en dreigt het grotere verhaal, dat vanzelfsprekend een zware wissel heeft getrokken op deze held tegen wil en dank, te verzuipen in een typisch Amerikaanse verzameling clichés over enórme uitdagingen, tegenslagen én overwinningen. Want in de apotheose van Race: Bubba Wallace moet de protagonist, zoals het in een echte sportdocu betaamt, natuurlijk nog een belangrijke overwinning proberen te boeken.

The Pickup Game

Good women love bad men.  Als eenvoudige, doordeweekse jongen moet je dus gewoon zo’n slechte vent spelen. Anders loop je het risico dat de babe, waar jij al weken natte dromen van hebt, je gaat beschouwen als haar beste vriend. Of, nog erger, als een soort oudere broer. Als je niet uit jezelf zo’n gladde praatjesmaker bent die genadeloos toeslaat als zij het niet ziet aankomen, dan kun je terecht bij zogenaamde Pickup Artists, onvervalste players die jou wel eens even haarfijn uitleggen hoe je elke rondborstige bimbo binnen de kortste keren je bed inlult. Tegen een billijke vergoeding, natuurlijk.

The Pickup Game (98 min.) buigt zich over de industrie die stiekem is ontstaan rond al die alleenstaande mannen die zich geen echte vent voelen en wel wat hulp kunnen gebruiken bij het veroveren van dames. ‘Respect the cock’, zou Frank T.J. Mackie uit de magnifieke speelfilm Magnolia zeggen. ‘And tame the cunt.’ Het begon allemaal in 1988 bij de bestseller How To Get The Women You Desire In Bed van Ross Jeffries, een voormalige brekebeen op het liefdespad, die technieken uit Neuro Linguïstisch Programmeren (NLP) besloot te gaan toepassen op het versieren van vrouwen. En de rest is geschiedenis.

Tegenwoordig kun je als schutterende versierder, getuige deze slicke documentaire van Matthew en Barnaby O’Connor, terecht bij professionele alfamannetjes als Maximilian ‘RSDMAX’ BergerRobert ‘Beckster’ Beck en Erik ‘Mystery’ von Markovik. Die leren de deelnemers aan hun cursus of workshop hoe ze het ‘target’ eerst moeten benaderen, daarna in hun invloedssfeer kunnen krijgen en tenslotte op het juiste moment hun kans moeten zien te grijpen. Waarbij de vrouwen in kwestie, tijdens de praktijkoefeningen op straat en in uitgaansgelegenheden gefilmd met een verborgen camera, worden gereduceerd tot willoos neukobject.

Dat je daarin ook te ver kunt gaan, toont het voorbeeld van versiercoach Julien Blanc, die onder vuur kwam te liggen omdat hij had gesuggereerd dat je Japanse vrouwen gewoon op straat bij hun hoofd kunt pakken, dat je vervolgens met ferme hand richting je eigen kruis duwt. Dat het bestaan van een pickup-artiest uiteindelijk alleen leidt tot emotionele leegte, betoogt spijtoptant Paul Janka, die inmiddels keurig getrouwd is. En dat The Game, de term die Neil Strauss ooit muntte in het gelijknamige boek, misogynie en geweld tegen vrouwen in de hand werkt, heeft dating- en ontwikkelingscoach Minnie Lane met eigen ogen kunnen vaststellen.

Die hele pickup-business, stelt een geanonimiseerde marketeer die de business inmiddels de rug heeft toegekeerd, heeft bovendien echt maar één bedoeling: de nietsvermoedende klant zoveel mogelijk geld uit de broek kloppen, voordat hij zich in het bijzijn van een appetijtelijke dame daadwerkelijk van die broek kan ontdoen. Het is een even treurige als voorspelbare conclusie voor deze interessante film, waarin de zelfverklaarde ladykillers juist op dat thema nog wel wat steviger hadden mogen worden aangepakt.

Surplus: Terrorized Into Being Consumers

Om de wereld te redden moeten we terug naar het stenen tijdperk. Dat is min of meer de boodschap van antiglobaliseringsgoeroe John Zerzan, de onofficiële architect van het bijzonder ferme verzet tegen globalisering aan het begin van de 21e eeuw én de spil van deze activistische film uit 2003, waarin de wetten van marketing en reclame worden ingezet om een ándere boodschap over te brengen. Terug naar een wereld, zo luidt die, waarin wij als mensen niet meer worden gereduceerd tot zielloze slaven van het kapitalisme, als producent of als consument.

Dit thema wordt door regisseur Erik Gandini in Surplus: Terrorized Into Being Consumers (51 min.) weergaloos gevisualiseerd met videoclip-achtige beeldsequenties. Zo bouwt hij bijvoorbeeld rond een uitspraak van de Amerikaanse president George W. Bush na de aanslagen van 11 september 2001 een meeslepende clip. ‘We cannot let the terrorist achieve the objective of frightening the nation to the point where we don’t conduct business’, zegt Bush daarin. ‘Where people don’t shop.’

Op die manier schetst deze onweerstaanbaar ritmische film een ontluisterend beeld van het (ongebreidelde) kapitalisme, dat verder wordt ingekleurd met scènes rond een producent van levensechte sekspoppen, de maniakale presentaties van Microsoft-CEO Steve Ballmer en een negentienjarige Zweedse webdesigner, die dagelijks miljoenen door zijn handen laat gaan, van gekkigheid niet weet hoe hij zijn geld weer moet kwijtraken en zich vooral heel erg leeg voelt.

Als – overigens niet al te subtiel – contrast introduceert Gandini daarnaast de communistische heilstaat Cuba van Fidel Castro, volgens de leider zelf ‘het meest democratische land ter wereld’. Een natie zonder consumentisme en reclame bovendien, waar de met ijzeren hand geleide overheid probeert te voorzien in ieders basisbehoeften, maar consumeren om het consumeren echt uit den boze is.

Rice and beans, dat is het wel zo’n beetje, door de filmmaker vervat in alweer een swingende videoclip. Daarin vertelt een Cubaanse tiener over hoe ze haar ogen uitkeek in een Europese supermarkt en uiteindelijk bij de plaatselijke vestiging van McDonald’s het summum van westerse beschaving ontdekte: de Big Mac. Ze keerde moddervet terug in eigen land. ‘En heel mijn lijf bleef snakken naar meer.’ En naar muziek, films en ander entertainment.

Het is een wereld die wij inmiddels van binnen en buiten kennen. Waarin McDonald’s het succesvolste restaurant kon worden en Donald Trump president van de Verenigde Staten. Een wereld ook die we, zeker hier in het ‘vrije’ westen, als vanzelfsprekend zijn gaan beschouwen. En die nu natuurlijk toch volledig ter discussie is komen te staan. Die context maakt van het briljant gemonteerde Surplus, dat de boodschap er met veel repetitie in(d)ramt, nog altijd een onontkoombare documentaire.

The Swedish Theory Of Love

Cinema Delicatessen

Hoe kan het dat in Zweden, één van de welvarendste landen van de wereld, de helft van de bevolking alleen leeft en een kwart zelfs alleen sterft? De Italiaans-Deense filmer Erik Gandini denkt in The Swedish Theory Of love (76 min.) een antwoord te hebben gevonden in een breed omarmd manifest over ‘de familie van de toekomst’ uit 1972. Het idee was toentertijd dat vrouwen zich los zouden maken van hun mannen en jongeren werden bevrijd van hun ouders. Traditionele familiestructuren moesten wijken voor volledige (economische) onafhankelijkheid.

In deze patchwork-achtige documentaire uit 2015 probeert Gandini vat te krijgen op het doorgeslagen individualisme dat daaruit volgens hem is voortgevloeid. ‘Iedereen gaat zijn eigen weg’, constateert een vrouw bijvoorbeeld somber, terwijl ze rondkijkt in de woonkamer van een man die een einde aan zijn leven heeft gemaakt. ‘Er is geen cement tussen ons.’ De vrouw heeft een beroep gekozen dat past bij zo’n samenleving: als een soort postume sociaal werker moet ze op zoek naar verwanten van mensen die (soms al enige tijd geleden) moederziel alleen zijn gestorven. De ‘onafhankelijke samenleving’, kortom, als een wereld waarin iedereen het zelf (moet) uitzoeken.

Gandini portretteert bijvoorbeeld mensen die in hun vrije tijd meedoen aan zoekacties naar verdwenen landgenoten en volgt vrouwen die zichzelf insemineren met sperma dat door een gespecialiseerd bedrijf netjes thuis wordt bezorgd. Je kunt het nog nét niet tot twee weken na ontvangst terugsturen, met daarbij de garantie dat je je geld terugkrijgt. Veel mensen denken dat geluk een leven zonder problemen inhoudt, stelt de hoogbejaarde Poolse socioloog Zygmunt Bauman niet voor niets. Echt geluk vereist volgens hem echter het overwinnen van tegenslag. ‘En dat gaat verloren als het comfort groeit.’ Zonder zulke uitdagingen is de individuele mens in Baumans ogen verloren. ‘Aan het eind van onafhankelijkheid wacht geen geluk’, stelt hij met gevoel voor drama aan het eind van deze docu. ‘Maar leegheid, zinloosheid en totale verveling.’

Het is geen opwekkende conclusie voor een film, die desondanks lekker vlot is gemonteerd, een gezonde dosis koddige muziekjes bevat en in het algemeen gewoon erg vermakelijk is. Tegenover de verweesde individuen in het hedendaagse Zweden (lees ook gerust: Nederland) plaatst Gandini bovendien, enigszins simplistisch, de Zweedse chirurg Erik Erichsen, die is verkast naar Ethiopië, daar het eenvoudige leven heeft (terug)gevonden en met zeer primitieve middelen zijn vak uitoefent, te midden van de mensen waarvoor hij werkt. Alsof een dergelijke manier van leven een oplossing zou bieden voor de ondraaglijke leegte van het onafhankelijke bestaan. Het lijkt me een even naïeve als aanlokkelijke gedachte.

Diezelfde Erik Erichsen is tevens de hoofdpersoon van Erik Gandini’s volgende documentaire. In The Rebel Surgeon uit 2017 wordt de arts geportretteerd tijdens zijn werk in Ethiopië. Hij helpt bijvoorbeeld een plaatselijk meisje met een afschuwelijk abces in haar mond, een aandoening die je na afloop van de film nog dagenlang blijft achtervolgen.

Videocracy

Zentropa / SVT

Het presidentschap van Donald Trump lijkt een typisch Amerikaans aangelegenheid: het onvermijdelijke resultaat van decennialange debilisering op de Amerikaanse (kabel)televisie en het internet. Als het maar beweegt, lawaai maakt en consternatie veroorzaakt, krijgt het ook oeverloos aandacht. Enter: The Donald, de man die zijn eigen mediapersonage is geworden en het leiderschap van zijn land heeft gereduceerd tot een soort real life equivalent van een echte reality show.

Trump staat echter bepaald niet op zichzelf en is zonder twijfel schatplichtig aan Silvio Berlusconi, de vastgoedmagnaat, mediatycoon, voorzitter van de voetbalclub AC Milan en voormalige president van Italië. In deze documentaire uit 2009 verbindt de Zweeds-Italiaanse filmmaker Erik Gandini de opkomst van Berlusconi met het ontstaan van commerciële televisie en de celebritycultuur die daarmee is verbonden. Waarin alles om uiterlijk vertoon draait, dat bovendien met alle mogelijke middelen, inclusief plastische chirurgie, in stand moet worden gehouden.

Videocracy (81 min.) is geen traditioneel portret van de populist, topondernemer en overjarige playboy Berlusconi, maar een exposé over de wereld die hem heeft voortgebracht en die hij zelf mede heeft gecreëerd. Gandini vindt daarin onvergetelijke personages. Talentmanager Lele Mora bijvoorbeeld, een goedlachse kerel in smetteloos wit met een onbeschaamde voorliefde voor de fascistische leider Mussolini. Of een geboren loser genaamd Riccardo Canevali. Hij wil kost wat het kost beroemd worden. En de louche paparazzi-fotograaf Fabrizio Corona, die er wel een héél opmerkelijk verdienmodel op nahoudt en daarmee zelf een B-ster wordt.

Gezamenlijk portretteren zij Berlusconi’s videocratie tevens als een absolute mannenwereld. Vrouwen (liever: meisjes) zijn er vooral om de heren te behagen. Ze moeten lange benen hebben, bereid zijn om hun kleren uit te trekken en – belangrijk! – altijd blijven lachen. Daarbij past een bepaald soort leider. Voor wie schaamte niet bestaat. Zo kon bijvoorbeeld ‘grab ‘em by the pussy’ voor Donald worden wat ‘bunga bunga’ ooit was voor Silvio: op het eerste oog een serieuze bedreiging voor zijn carrière, maar uiteindelijk vooral een bevestiging van ‘s mans onomstreden succesverhaal. Behalve geld, macht en status hebben mannen als Trump en Berlusconi nu eenmaal een soort onvervreemdbaar recht verworven op jonge, aantrekkelijke meisjes.

Met zijn tandpastasmile, grondig gerenoveerde hoofd en opzichtige haarimplantaten oogt Silvio, net als zijn zelfs nóg larger than life- evenknie Trump, in eerste instantie als een echte clown. Waarbij het lachen je gaandeweg, als de maatschappelijke schade duidelijk wordt, wel vergaat. Al is het tegelijkertijd vrijwel onmogelijk om niet te grinniken bij het potsierlijke campagnelied van Berlusconi’s partij Il Popolo Della Libertà, Meno Male Che Silvio C’è, dat Gandini als belangrijk plotpoint halverwege de film heeft geparkeerd: ‘Dank God, Silvio, dat je bestaat.’ Met zulke leiders en volgers dreigen echte komieken werkeloos en de wereld een levensechte parodie te worden.

Begin 2026 heeft Fabrizio Corona zijn eigen miniserie gekregen op Netflix: Fabrizio Corona: Io Sono Notizia.

De Oorlog Is Oud Ade Binnengekomen, Vijf Jaar Na MH17

KRO-NCRV

‘De oorlog is Oud Ade binnengekomen’, sprak diaken André van Aarle, nu alweer vijf jaar geleden, tijdens de kerkdiensten na MH17. Hij leende de woorden van dorpsbewoner Dammes van der Poel, die het gevoel in de Zuid-Hollandse gemeenschap perfect wist te verwoorden. Van der Poel wist ook als geen ander waarover hij sprak. Zijn eigen zoon Erik en diens vriendin Truike Heemskerk kwamen om het leven toen de vlucht van Malaysian Airlines boven Oekraïne uit de lucht werd geschoten.

Dammes en zijn vrouw Toos doorlopen in De Oorlog Is Oud Ade Binnengekomen, Vijf Jaar Na MH17 (42 min.) nog eens het hele proces dat ze toen moesten doormaken: van de allereerste berichten over een neergestort vliegtuig tot het begraven van de botdeeltjes van hun kind. In deze televisiedocumentaire van Stephanie Sint Nicolaas en Alje Kamphuis komen daarnaast diverse dorpsgenoten aan het woord: vrienden en kennissen van de overledenen, de voorzitter van de voetbalclub, een wethouder en de regisseur van de toneelgroep.

Gezamenlijk schetsen ze het beeld van een hechte gemeenschap, die eensgezind treurt en verwerkt. ‘Heel het dorp was in de rouw’, zegt diaken Van Aarle. ‘Er hing een soort van vacuüm, er hing een ijzige stilte waarin je de pijn voelde.’ Die onderlinge verbondenheid is duidelijk ook wat de documentairemakers aan de kijker willen meegeven. Het gevoel voor gemeenschapszin wordt steeds weer benadrukt. Zoals sommige activiteiten van Eriks ouders ook nét iets te geregisseerd ogen; alsof ze speciaal voor de camera worden uitgevoerd.

Dit laat onverlet dat De Oorlog Is Oud Ade Binnengekomen treffend documenteert wat het met ouders doet als ze het meest onnatuurlijke verlies, de dood van een kind, moeten zien te incasseren en welke rol de directe omgeving kan spelen bij het dragen van dat lot.

Born Free

Ilvy Njiokiktjien / VPRO

Het is nauwelijks voor te stellen dat er nu een nieuwe generatie Zuid-Afrikanen opgroeit die de sensatie (of paniek) van de vrijlating van Nelson Mandela in 1990 en diens presidentschap vanaf 1994 niet persoonlijk heeft meegemaakt. Inmiddels zijn er 25 jaar verstreken sinds ‘Madiba’ werd verkozen tot vader des vaderlands en staan er opnieuw democratische verkiezingen op het programma. Het verfoeide Apartheidssysteem is intussen definitief afgevoerd naar donkere bladzijden van het Zuid-Afrikaanse geschiedenisboek, maar is de scheiding tussen wit en zwart daarmee ook uit de haarvaten van het land verdwenen? Kun je na zoveel jaar ongelijkheid ineens gelijk zijn.

De veelvuldig bekroonde Nederlandse fotojournalist Ilvy Njiokiktjien, voormalig Fotograaf des Vaderlands, maakte een belangrijk deel van haar werk in Afrika en heeft zich nu ten doel gesteld om de zogenaamde ‘born frees’, de generatie die is geboren rond de afschaffing van de Apartheid en de beëdiging van de eerste zwarte president, te portretteren. In dat kader was er al een fototentoonstelling, die nog tot 16 juni is te zien in Museum Hilversum, en is er nu ook een documentaire: Born Free, Mandela’s Generatie Van Hoop (51 min.), samengesteld door Erik van Empel, waarin een aantal Zuid-Afrikaanse jongeren aan het woord komen.

‘Zuid-Afrika moest met een schone lei beginnen’, vertelt een blond meisje dat een relatie heeft met de zwarte jongen, die lekker tegen haar aanzit. ‘En die schone lei zijn wij.’ In haar herinnering van hun allereerste ontmoeting klinkt echter nog het aloude wantrouwen van wit tegenover zwart door. ‘Jij had een leuk gezicht. Ik had het gevoel dat ik je wel kon vertrouwen. Soms zie je iemand en dan denk je: jij hebt niet het gezicht van een moordenaar. Je weet wel: zo iemand die je gezicht eraf haalt en het als masker gaat gebruiken.’ Ze moeten er allebei om lachen. Hij, luchtig: ‘Op die basis ben ik goedgekeurd.’

Zo brengt Njiokiktjien heel verschillende vertegenwoordigers van de Born Free-generatie in beeld: van een gangsterrapper tot een witte kostschooljongen uit een bevoorrecht milieu, van een meisje dat op straat moet zien te overleven tot een helemaal van zichzelf overtuigde zakenjongen en van een überhippe influencer tot een diep-christelijk meisje uit een authentieke Afrikaner-familie. Via hun eigen ervaringen vertellen ze het verhaal van hun generatie en maken ze in deze aardige sfeertekening, die wel voor een belangrijk deel drijft op zit-interviews, tevens de balans op van 25 jaar democratie in Zuid-Afrika.

Het Is Gezien


‘Als God zich opnieuw in Levende Stof gevangen geeft, zal hij als ezel terugkeren, hoogstens in staat een paar lettergrepen te formuleren, miskend en verguisd en geranseld, maar ik zal hem begrijpen en meteen met hem naar bed gaan.’ Aldus schrijver Gerard Reve in zijn roman Nader Tot U. Het leverde hem een aanklacht vanwege godslastering op. Reve moest in de jaren zestig zelfs voor de rechter verschijnen.

Ruim een halve eeuw na het geruchtmakende Ezelproces is het nauwelijks voor te stellen dat een Nederlandse schrijver vanwege zijn werk wordt vervolgd. Kunstenaars worden toch allang niet meer zo openlijk gecensureerd? De documentaire Het Is Gezien (54 min.) van regisseur Erik Lieshout en researcher Tom Rooduijn afficheert zich niettemin als ‘een pleidooi voor de vrijheid van kunst’ en spreekt met vaderlandse kunstenaars die in opspraak zijn geraakt door hun werk.

Om de heksenjacht op pedofielen aan de kaak te stellen meldde schrijver A.H.J. Dautzenberg zich enkele jaren geleden aan als lid van pedofielenvereniging Martijn. Het leverde hem talloze dreigbrieven en ontslag op. ’Er is geen vrij denken, constateert de Vlaamse schrijfster Kristien Hemmerechts over het gebrek aan steun, ook van haar literaire vrienden, dat zij ervoer na de commotie die ontstond rond haar boek over Marc Dutroux’ vrouw Michelle Martin. ‘Er is geen vrij spreken.’

‘Alles waar je niet over mag praten, daar moet je over praten’, stelt cabaretier Hans Teeuwen. ‘Probleem is om het grappig te krijgen.’ Hij maakte van dichtbij mee hoe vriend en ‘kamikazepiloot’ Theo van Gogh werd geslachtofferd voor zijn denkbeelden en zag naderhand hoe de aanslag op het satirische tijdschrift Charlie Hebdo collega-cabaretiers de mond snoerde. Dat mocht hem niet gebeuren.

In Het Is Gezien, in stemmig zwart-wit geschoten en op smaak gebracht met dramatisch getoonzette muziek, getuigen daarnaast advocaat Gerard Spong, schrijver Tom Lanoye, kunstenares Tinkebell en auteur Mano Bouzamour over de (on)vrijheid die zij ervaren binnen hun werk. Ze lezen tevens voor uit het virtuoze pleidooi dat Reve zelf hield voor de rechtbank. Getuige deze krachtige documentaire zijn ’s mans woorden ook in de 21e eeuw nog steeds actueel en relevant.

A Gray State


De overheid is de vijand van het volk. Het is tijd voor verzet. Gewapend verzet, natuurlijk. Om de geheime politiestaat voor eens en altijd een halt toe te roepen. De Amerikaanse Irak-en Afghanistan-veteraan David Crowley loopt al een tijdje rond met het idee om in dat kader een activistische film te maken, Gray State.

Er ligt al een script. Met een crowdfunding-actie is zelfs genoeg geld opgehaald om een spraakmakende trailer te maken, die viral gaat in alt-right kringen. Zelfs Amerika’s bekendste complotdenker Alex Jones maakt zich sterk voor de film, waarvoor een productiemaatschappij een behoorlijk bedrag wil neertellen.

En dan wordt het stil rond de Libertarische filmmaker Crowley. Todat hij dood in zijn huis in Minnesota wordt aangetroffen. Op de muur is met het bloed van zijn vrouw Komel, die eveneens is vermoord, ‘Allahu akbar’ geschreven. Even verderop liggen een opengeslagen Koran en het lichaam van hun vijfjarige dochtertje Raniya.

Alle ingrediënten voor een paranoïde thrillerdocu zijn voorradig. Toch wordt A Gray State (93 min.) van Erik Nelson een andere film dan je op basis van dat uitgangspunt verwacht. Ook omdat de ontknoping van het Crowley-drama niet in kringen van moslimfundamentalisten moet worden gezocht – al is niet iedereen daarvan overtuigd.

Op weg naar de climax laat Nelson de teugels bovendien nog wel eens flink vieren, waardoor A Gray State eigenlijk nooit zo spannend wordt als zijn eigen premisse.

To Stay Alive


Is lijden noodzakelijk om de poëzie in jezelf te ontdekken? Ik vat de basisgedachte achter de gestileerde documentaire To Stay Alive (60 min.) maar even op zijn Jan Boerenfluitjes samen (al blijf ik ergens het gevoel houden dat ik niet tot de kern van de film ben doorgedrongen).

Regisseur Erik Lieshout heeft gepoogd het manifest Overleven – een handleiding van de Franse schrijver Michel Houellebecq te verbeelden. Als verteller kiest hij voor Iggy Pop, zanger van de legendarische band The Stooges. Hij wordt omringd met enkele gevoelige misfits die zich staande proberen te houden in de grote boze buitenwereld.

De documentaire is poëtisch, maar ook heel erg geconstrueerd. Ik mis ruimte voor spontaniteit, de mogelijkheid dat er iets onverwachts zou kunnen gebeuren dat de hele vertelling doet kantelen. Bovendien oogt de archetypische rockgod Iggy Pop buiten zijn gebruikelijke setting soms bijna als een goedkope poseur, compleet met Frank Underwood-achtige onderonsjes met de kijker.

Hoewel To Stay Alive toewerkt naar een krachtige apotheose, waarin Pop en Houellebecq worden samengebracht, is het een documentaire die even vaak intrigeert als irriteert. Een film waar je ook niet altijd vat op krijgt. En dat vinden de makers, zo vermoed ik, vast geen al te groot probleem.