Alleman

‘We’ waren nog met twaalf miljoen, volledig verzuild en leefden een tempootje of drie langzamer. Alleman (82 min.), Bert Haanstra’s klassieke documentaire uit 1963, laat zien wie wij ooit waren. Dit is het Nederland waarnaar sommigen onder ons zo opzichtig terugverlangen: onschuldig, kneuterig en blank (herstel: wit). Een land van pak ‘m beet de kerk, wandelclubs, schaatsen, Carnaval, haring happen, marsmuziek en koningin Juliana. En regen, ook toen al.

De documentaire werd een enorm succes. Nederland keek graag naar zichzelf, ook toen al. Hoewel Alleman inmiddels bijna zestig jaar oud is, verveelt de film geen seconde. Ook een 21e eeuwse kijker kan zich verlustigen aan hoe ongelooflijk filmisch en ritmisch de documentaire is – en hoe ongelooflijk knap dat is, gezien de destijds beschikbare apparatuur – en de effectiviteit Haanstra waarmee bijvoorbeeld beeldrijm en muziek inzet.

Magnifieke scènes te over. Nieuwe schepen die met groot geweld voor het eerst te water gaan. Het borstbeeld van Adolf Hitler (‘hij durft je niet recht in de ogen te kijken’) dat te koop wordt aangeboden op de markt. De kostelijke montage van talloze amateuruitvoeringen van één en dezelfde theaterscène. Een enerverende sportsequentie op het Louis Davids-liedje De Voetbalmatch. En – natuurlijk! – dat overvolle strand waar Nederlanders ondanks elkaar ontspannen verpozen.

Schrijver Simon Carmiggelt verzorgt het speelse commentaar bij de veelal met een verborgen camera opgenomen zwartwit-beelden van gewone Nederlanders – en het Koninklijk Huis – tijdens hun dagelijkse bezigheden. Gezamenlijk vormen zij een wereld die de meeste landgenoten inmiddels alleen van horen zeggen kennen – en die ruim een halve eeuw later van een soort update werd voorzien door John Appel met de documentaire Sprekend Nederland.

Alleman, nog altijd de beste bezochte documentaire in de Nederlandse bioscoopgeschiedenis, werd destijds beloond met een Gouden Beer op het filmfestival van Berlijn en genomineerd voor een Oscar (een prijs die Bert Haanstra enkele jaren eerder al in de wacht had gesleept met zijn korte film Glas). In 2007 werd Alleman op het IDFA bovendien gekozen tot beste Nederlandse documentaire sinds 1945. Een parel uit de vaderlandse filmgeschiedenis, kortom.

Baas In Eigen Zak

VPRO

Een documentaire over mannen en zwangerschap. Daarvan zijn er niet al te veel. Ja, films over mannen en het (aanstaande) vaderschap, die zijn er wel. Maar als het gaat over de beslissing om zwanger te worden of dat juist te voorkomen komt toch meestal alleen/vooral de vrouw in beeld. Zoals het in de praktijk ook vaak gaat: voor anticonceptie verlaten mannen zich doorgaans volledig op hun (eenmalige) partner.

Lynn Deen zet in Baas In Eigen Zak (23 min.) voor de verandering enkele jonge Nederlandse mannen centraal, die proberen te dealen met hun eigen vruchtbaarheid. De één heeft inmiddels min of meer per ongeluk een kind op de wereld gezet, nummer twee vergezelt zijn vriendin als zij een spiraaltje laat zetten en de derde wil geen kinderen meer en overweegt daarom een sterilisatie.

Vrouwen spelen in deze korte docu niet meer dan een bijrol. De documentairemaakster laat hen slechts aan de randen van het frame zien. De bal ligt ditmaal duidelijk bij de mannen, die ook alle gelegenheid krijgen om met vrienden en een biertje te bomen over de rol die zij (moeten) spelen in de voorplanting. Welke verplichtingen heb je als man en wat kun je je op dit gebied eigenlijk permitteren?

Deen laat haar hoofdpersonen daarnaast zien in hun dagelijks leven, begeleidt hun typische mannenactiviteiten met een ronkende soundtrack en omkleedt dat geheel met enkele zwoele uitgaansscènes, die de verleidingen representeren waaraan het mannelijke deel der natie blootstaat. Beter: waaraan het zich geheel vrijwillig blootstelt. En dan is het toch echt zaak om (niet) te oogsten wat je zaait.

De titel Baas In Eigen Zak refereert natuurlijk niet voor niets aan de aloude leus Baas In Eigen Buik van de feministische actiegroep Dolle Mina en is te lezen als een dringend beroep op het ‘sterke’ geslacht om nu eindelijk ook eens de lasten bij de lusten te dragen.

Brian Wilson: Long Promised Road

Hij was de ultieme Beach Boy, maar te verlegen om een meisje aan te spreken. Hij schreef allerlei wereldhits over surfen, maar stond zelf nooit op een plank. En hij werd door de hele wereld, zeker na de elpee Pet Sounds (1966), binnengehaald als een muzikaal genie, maar liep ondertussen helemaal vast in zichzelf.

De verhalen over Brian Wilson, de nucleus van The Beach Boys, zijn dan misschien overbekend, ze spreken nog altijd tot de verbeelding. Zeker als de man zelf, in gesprek met muziekjournalist/vriend Jason Fine, echt een kijkje in zijn binnenste geeft. Interviews geven vindt de getroebleerde muzikant, gediagnosticeerd met een schizoaffectieve stoornis, nog steeds spannend. Daarom gaat hij in Brian Wilson: Long Promised Road (93 min.), een titel die zowaar is ontleend aan een liedje dat werd geschreven door zijn broer Carl, regelmatig gewoon een stukje rijden met Fine.

Samen doen de twee de plekken van zijn verleden aan, luisteren naar muziek en eten een broodje. Tussendoor kletsen ze over zijn grillige carrière, de tijdloze muziek die hij heeft gemaakt en zijn persoonlijk leven, waarin hij door diepe, diepe dalen moest. Wilson vertelt bijvoorbeeld over zijn persoonlijke behandelaar Eugene Landy, die hem eerst tegelijkertijd liet afkicken van sigaretten, drank en cocaïne en vervolgens negen jaar in een therapeutische wurggreep hield. Op een gegeven moment moest Wilson volgens eigen zeggen zelfs van de vloer eten. Geen idee waarom.

De ontspannen setting met Fine als bestuurder/gespreksleider en Wilson als zijn passagier geeft deze film een intiem karakter. Documentairemaker Brent Wilson laat daarnaast Elton John, Bruce Springsteen en andere collega’s de gebruikelijke superlatieven over de begenadigde songschrijver en arrangeur verzorgen. Sterproducer Don Was (Bob Dylan, The Rolling Stones en John Mayer) kan zijn oren bijvoorbeeld nog altijd niet geloven als hij de verschillende geluidssporen van de klassieke song God Only Knows krijgt te horen. ‘Ik maak al veertig jaar platen’, zegt hij bewonderend. ‘En ik heb geen idee hoe je dit zou moeten doen.’

Zet Wilson achter zijn piano of in een studio en er hangt nog altijd magie in de lucht. Zeker als hij heel precies aangeeft bij zijn bandleden hoe hij een bepaald instrument wil horen. Het is alsof dan even zichtbaar wordt wat er in zijn hoofd omgaat. Alsof hij, waar wij in eerste instantie alleen het geheel horen, direct alle afzonderlijke elementen kan waarnemen. En als hij, als bijrijder van Fine, muziek luistert of praat over mensen die hem dierbaar zijn, zijn overleden broers Dennis en Carl bijvoorbeeld, is het alsof hij, via die trekkende mond en sprekende ogen, even recht in zijn ziel laat kijken.

En daar zit echt niet alleen een geniale gek, een droogsurfer of een would-be strandwacht. Als deze fijne film één element toevoegt aan de canon over Brian Wilson, dan is het ‘s mans overduidelijke affectie voor zijn naasten. In dat opzicht is ook de titel van de documentaire, Long Promised Road, een logische keuze. Die krijgt bovendien extra cachet met een fraaie slotscène, waarin Brian zijn broer Carl eer betoont.

A-ha The Movie

Periscoop

Eerst wilden ze koste wat het kost beroemd worden. En toen ze dat eenmaal waren, nadat de met een kekke videoclip opgeluisterde single Take On Me een wereldhit was geworden, ontstond de behoefte om serieus genomen te worden. Géén tienerbandje, met louter mooie jongens. Maar volbloed muzikanten die iets hebben te vertellen. En daarbij liep het dan weer spaak. Als het beeld van een band – bandje, in dit geval – zich eenmaal heeft gezet, laat zich dat verdomd moeilijk bijstellen.

Toch bestaat A-ha nog steeds. Het Noorse tienertrio dat perfect paste in de gladde jaren tachtig gaat, na enkele tussenstops, alweer zo’n veertig jaar mee. En dus is het zo langzamerhand tijd voor A-ha The Movie (90 min.). Dat is zo’n typische bandjesdocu geworden, waarin chronologisch de groepshistorie wordt doorgenomen en intussen aandacht wordt besteed aan de huidige activiteiten van de helden. Daarin zit meestal ook een mooie spanning: in hoeverre kunnen zij zichzelf ervan (blijven) overtuigen dat ze niet alleen bestaan uit verleden, waaraan in het nostalgiecircuit natuurlijk altijd behoefte is, maar ook serieus moeten blijven werken aan het heden en de toekomst?

Vanzelf gaat dat bij dit drietal in elk geval nooit. Tussen zanger Morten, gitarist Pål en toetsenist Magne is er voortdurend frictie. Alles bij A-ha eindigt ‘met getouwtrek en een rotsfeer’, zegt de laatste in deze documentaire van Thomas Robsahm, waarin het feit dat het lang niet altijd gezellig is in de band bepaald niet wordt verbloemd. Magne wil bijvoorbeeld best optreden met zijn oude maten, maar niet meer met hen de studio in. Dat loopt toch altijd op een enorme teleurstelling uit. Gedoe over rechten en geld ook. ‘Het voelt alsof ik dan een kamer inloop, waarin ik me vreselijk heb gevoeld’, zegt hij treffend.

Het is wel verfrissend dat daarover zo open en onbezwaard wordt verteld in deze vermakelijke bandfilm, die verder precies biedt waarop het publiek zit te wachten. En dat telt – als we tenminste de albumverkoopcijfers van A-ha mogen geloven – in potentie enkele tientallen miljoenen zielen.

Prince Of Muck

De Productie

‘We willen evolutie’, zegt Lawrence MacEwen. ‘Geen revolutie.’ De bebaarde Schotse boer gelooft in geleidelijkheid. Als er dan toch iets moet veranderen, laat het dan langzaam gaan. Vloeiend. Bijna zonder dat je het merkt. Precies zoals het nu met hemzelf zou moeten gaan. Langzaam maar zeker verdwijnt hij uit beeld op het eiland Muck, nabij de westkust van Schotland. Waarna zoon Colin zijn werk voortzet.

Zo verloopt ‘t alleen niet voor de Prince Of Muck (77 min.). Althans, zo vóelt het niet. Zijn opvolger wil niet naar hem luisteren. Die weet het beter. Ineens lijkt die dikke halve eeuw boeren er niet meer toe te doen. Lawrence’s vrouw Jenny vindt dat hij niet zo moet somberen. Laat die jongen toch! Zoals wij ‘t deden, zo doen ze ‘t nu niet meer, houdt ze haar echtgenoot voor. En die probeert zijn onvrede voor zichzelf te houden.

De man die zich begint te realiseren dat zijn tijd er zo langzamerhand opzit is nochtans een interessant hoofdpersonage voor deze verstilde film van Cindy Jansen. Terwijl hij zich bekommert om zijn koeien, werk verricht met zijn tractor of speelt met de kleinkinderen, mijmert de eilander over het verleden. Hij laat zijn lange leven de revue passeren en kan daarbij zomaar ineens een gedicht reciteren, dat hij als kind heeft geleerd.

Sinds jaar en dag houdt Lawrence ook een dagboek bij, een gewoonte die hij heeft overgenomen van zijn vader. Via voorgelezen fragmenten daaruit, die als geraamte voor deze documentaire fungeren, laat hij in zijn ziel kijken; van de rituele passages over werk, weer en wind tot een staccato verslag van ingrijpende levensgebeurtenissen en sterfgevallen. Hij is volledig vergroeid met Muck. Zoals zijn vader ooit was en zoon nu is.

Dat gevoel van afscheid nemen en ruimte maken voor een nieuwe generatie, een proces dat onvermijdelijk gepaard gaat met weemoed en weerzin, is voortdurend op de achtergrond aanwezig in dit bitterzoete portret van het leven op een idyllisch Schots eiland, waar de zee geeft en neemt en een koppige Schot en zijn familie hun complete leven slijten.

Some Kind Of Heaven

Hulu

Op hun oude dag leven ze (alsnog) ‘The American Dream’. Uitroepteken. Bij The Villages, de grootste ouderengemeenschap van de Verenigde Staten in de enige echte ‘Sunshine State’ Florida, horen nu eenmaal uitroeptekens. Dat is… een droomstad voor babyboomers! Het nirvana! Disneyworld voor gepensioneerden! De fontein van de jeugd! Elke dag vakantie! Of zoals het Amerikaanse droomstadje zichzelf enthousiast afficheert: Florida’s Friendliest Hometown!

Some Kind Of Heaven (83 min.) kortom. Een bepaalde variant op wat voor sommigen onder ons de hemel op aarde is. Een enclave met meer dan 100.000 bejaarden. All inclusive, natuurlijk. Met de verplichte tennisbanen, palmbomen, zwembaden, kerkdiensten en golfbanen. En met een slagboom, dat ook. Regisseur Lance Oppenheim laat in deze gestileerde film ongenadig de achterkant van de idylle zien. Hij portretteert enkele ‘gewone’ ouderen die door het plastic paradijs dolen.

Reggie wil zijn leven eindigen met ‘een glimlach op mijn gezicht’, maar zijn echtgenote Anne maakt zich na 47 jaar huwelijk echt zorgen over hoe zijn ontremde gedrag steeds vaker voor problemen zorgt, ook met de wet. Vrijgezel Dennis sneakt elke dag de stad binnen vanuit de bus waarin hij leeft, in de hoop een gefortuneerde dame aan de haak te slaan. En de weduwe Barbara kan ternauwernood het hoofd boven water houden en is intussen aan het daten met een nét iets te getapte (oudere) jongen.

Net als een verwante documentaire als King Of The Cruise, van de Nederlandse maakster Sophie Dros, toont Some Kind Of Heaven de schijn van het zijn. Een perfecte perfide wereld – vereeuwigd met een zekere compassie, veel symmetrie en warme kleuren – waar alles ‘goed verzorgd’ is, behalve de menselijke ziel. En die eigenlijk alleen met een mengeling van gêne en mededogen is aan te zien.

Cusp

Showtime

Op de één of andere manier wordt het idee in Cusp (81 min.) steeds weer bevestigd: jongens zijn niet te vertrouwen. Ze lijken dan misschien leuk, attent of zelfs liefdevol, maar als puntje bij paaltje komt laten ze je toch zitten of blijken ze eerst en vooral een verlengstuk van hun geslachtsdeel. Voor meisjes van vijftien of zestien, zoals Brittney, Autumn en Aaloni uit een kleine Texaanse gemeenschap, ligt het gevaar voortdurend op de loer. Ze moeten opletten met wie ze waar en wanneer wat doen. Anders kunnen ze zomaar een rotervaring opdoen – of, dat ook, hun maagdelijkheid verliezen.

Die waarschuwing is al direct latent aanwezig in de openingsscène van deze observerende documentaire van Parker Hill en Isabel Bethencourt. Op een zonovergoten terrein liggen Brittney en een vriendin te luieren op een schommel. Terwijl de meiden foto’s van zichzelf bekijken op hun mobiele telefoons – met opmerkingen erbij als ‘mijn fucking ogen staan in vuur en vlam’ of ‘oh nee, nu heb ik net zo’n crackhoofd!’ – voegen twee jongens met een heel arsenaal aan wapens zich bij hen. De meisjes kijken er helemaal niet van op als de rouwdouwers eens lekker gaan schieten. En naderhand mogen ze ook best de schommel nog wel even duwen.

‘Sometimes life gets fucked up’, zingt de Amerikaanse rapper Lil’ Peep, op zijn 21e bezweken aan een overdosis, even later tijdens de titelsequentie van deze sfeervolle coming of age-film. ‘That’s why we get fucked up.’ Een hele zomer lang, vervat in prachtige shots van de opkomende, stralende of ondergaande zon en nachtelijke luchten in alle kleuren van de regenboog, worden de drie tienermeisjes gevolgd terwijl ze kleine stapjes vooruit, en soms ook weer achteruit, richting volwassenheid zetten. Ze spelen het klassieke spel van aantrekken en afstoten met elkaar, hun ouders en – natuurlijk! – die vermaledijde jongens.

Stuk voor stuk hebben ze zo al hun butsen en deuken opgelopen. In de omgang met zuipende ouders, de smeerlap die werd beschouwd als een familievriend of een vader met PTSS (die, hoewel hij nooit in beeld komt, toch dwingend aanwezig is). Niet dat ze daar al te lang bij stil lijken te staan. Dat is nu eenmaal onderdeel van het leven – althans, zoals zij het hebben leren kennen. De tijd heelt alle wonden, zei Hans Dorrestijn al, maar slaat er nog veel meer. De meiden maken het er soms ook wel naar. Ze ontvluchten het ouderlijk huis om naar een illegaal feest te gaan, zetten zelf een tepelpiercing of hangen simpelweg rond met veel te oude jongens.

Het is de onbezonnenheid van de jeugd, die nochtans serieuze consequenties kan hebben. De hoofdpersonen van Cusp lijken dat ergens diep van binnen wel te beseffen, maar het blijft lastig om dit in handelen om te zetten. Hill en Bethencourt nemen in deze intieme film de hartslag op van die drie jonge levens, op de drempel van volwassenheid, en laten hen dan weer lekker fladderen. Zodra ik achttien word, ben ik hier weg, zegt Brittney als een archetypische puber. ‘Dan zien mijn ouders me nooit meer. En ik kom hier nooit meer, echt nooit meer, terug.’ Het werpt de vraag op: hoe zou het leven van Autumn, Aaloni en zij er over twintig jaar uitzien? En valt dat te voorspellen?

Crime Scene: The Times Square Killer

Netflix

In het New Yorkse Travel Inn Hotel is op 2 december 1979 brand uitgebroken. Op kamer 417 kunnen de hulpverleners nauwelijks een hand voor ogen zien. Een brandweerman treft een vrouw aan en wil haar eerste hulp gaan geven. Dan ziet hij het pas: ze heeft helemaal geen hoofd en ook geen handen. Er ligt nog een tweede vrouwenlichaam, eveneens onthoofd. ‘Dit moet door een echt zieke klootzak zijn gedaan’, zegt één van de aanwezigen tegen NYPD-rechercheur Jim Riegel.

Zoals dat hoort bij true crime-docu’s laten de eerste lijken in Crime Scene: The Times Square Killer (146 min.), het tweede seizoen van de Joe Berlinger-serie, niet lang op zich wachten. Wie heeft deze gruwelijke moordpartij op zijn geweten? Een vraag die pas echt in beeld komt als een andere is beantwoord: wie zijn deze twee vrouwen? De dader maakt het de onderzoekers bepaald niet gemakkelijk: het vuur heeft al het nog aanwezige bewijsmateriaal voorgoed opgeslokt. En de kamer lijkt van tevoren helemaal schoon te zijn gemaakt.

Times Square was in de jaren zeventig, in de woorden van moordrechercheur Malcolm Reiman, ‘het epicentrum van de seksindustrie’. Een plek om verboden fantasieën te vervullen – en onlangs niet voor niets het decor voor de dramaserie The Deuce van de chroniqueur van het moderne Amerika, David Simon (Homicide, The Wire en Treme). Ook Berlinger neemt uitgebreid de tijd om het grimmige milieu van prostituees, hoerenlopers, pooiers, maffiosi en drugsdealers te schetsen, alvorens hij met agenten, misdaadjournalisten, vertegenwoordigers van de rosse buurt en de dochter van één van de slachtoffers ‘de Torso-moorden’, waarvan er natuurlijk nog meer blijken te zijn, eens goed gaat uitdiepen.

Die gedegen sfeertekening, historisch ingebed bovendien, is net zo interessant als de zaak zelf, die toch gewoon weer neerkomt op de geijkte zoektocht naar een gevreesde seriemoordenaar (zoals er al zoveel zijn gemaakt, ook door Berlinger zelf). Waarbij de schmutzige omgeving van de plaats delict ‘t ditmaal echt een stuk gemakkelijker heeft gemaakt voor de dader om anoniem te blijven en anonieme slachtoffers – één van de vrouwen uit ‘de hotelkamer van de hel’ wordt nog steeds noodgedwongen ‘Jane Doe’ genoemd – te blijven maken.

De Zorgkoningin

KRO-NCRV

‘Ziekenhuis te koop’, staat er in de krant. Ondernemer Aysel Erbudak en haar financier Jan Schram besluiten toe te happen. Op 31 augustus 2006 komt het Amsterdamse Slotervaartziekenhuis, dat in acute geldnood verkeert, in particuliere handen. 320 bedden, 100 medisch specialisten en 1300 personeelsleden worden gered door – in de woorden van voice-over Marlijn Weerdenburg – ‘een mensenschuwe grondhandelaar met geld en een goedgebekte zakenvrouw met ambitie’.

Erbudak, die even daarvoor nog parkeerwacht is bij de zwarte markt in Beverwijk (al lijkt dat toch eerder een mooi verhaal dan een adequate beschrijving van haar positie), wordt directeur van het ziekenhuis. Ofwel: De Zorgkoningin (52 min.). En vaste patiënten zoals Stella Huygens en Inge Roele, die in deze journalistieke documentaire van Steven Schoppert als ervaringsdeskundige aan het woord komen, worden voortaan beschouwd als klant.

Zo moet de positie van het Slotervaartziekenhuis, dat al enige tijd dienst lijkt te doen als afvoerputje van de stad en financieel nauwelijks het hoofd boven water kan houden, worden gestabiliseerd. De zakenvrouw gaat inderdaad als een wervelwind van start, krijgt het ziekenhuis al snel winstgevend en werkt als een magneet voor de vaderlandse pers. Alleen: Erbudak blijkt ook een strafblad te hebben en maakt bovendien wel erg gemakkelijk vijanden.

Met de Turks-Nederlandse directeur zelf, voormalige medewerkers van het ziekenhuis, journalist Bas Soetenhorst (die samen met Jeroen Wester het boek De Kraak Van Het Slotervaartziekenhuis schreef), SP-kamerlid Renske Leijten en de toenmalige minister van Volksgezondheid Hans Hoogervorst (een groot voorstander van marktwerking in de zorg) blikt Schoppert terug op de zes turbulente jaren dat Erbudak de scepter zwaaide in het ziekenhuis.

Hij begeleidt hun herinneringen met nogal dik aangezette vamp-beelden van zijn hoofdpersoon en visualiseert de slangenkuil die het Slotervaart voor haar zou zijn geweest letterlijk met slangen die door het ziekenhuis glibberen, op zoek naar een prooi. Het ligt voor de hand wie daarvan uiteindelijk het slachtoffer zal zijn – al is Aysel Erbudak, zo blijkt ook weer uit deze boeiende vertelling, natuurlijk bepaald geen willoos slachtoffer.

Children Of The Enemy

‘Te bedenken dat mijn dochter lid is geworden van die terroristische groepering is verschrikkelijk.’ Patricio Galvez, een Chileense muzikant die woonachtig is in Göteborg, kan er met zijn hoofd nog altijd niet bij dat juist Amanda op achttienjarige leeftijd koos voor de Jihad. Hij is haar nu definitief kwijt. Amanda Gonzalez werd op 3 januari 2019 gedood bij een luchtaanval.

‘Ik kon haar niet helpen’, zegt Patricio. ‘Maar ik kan wél iets doen voor de kinderen.’ Zeven heeft zij er achtergelaten, in leeftijd variërend van één tot acht jaar oud. Zonder ouders – want ook vader Michael Skråmo, de beruchte Noorse IS-propagandist, is gesneuveld – verblijven ze in het Syrische opvangkamp al-Hol. Net als talloze andere nakomelingen van geradicaliseerde westerlingen, die zich in de afgelopen jaren hebben aangesloten bij Islamitische Staat.

Van de Zweedse regering heeft Patricio waarschijnlijk niets te verwachten. Veel politici zijn deze kinderen van het Kalifaat – ook al hebben er slechts tachtig de Zweedse nationaliteit en kan hun onschuld nauwelijks worden betwist – liever kwijt dan rijk. Ze blijven tenslotte Children Of The Enemy (96 min.). Er rest grootvader niets anders dan zelf afreizen naar voormalig IS-gebied, om te bekijken of hij van daaruit zijn ondervoede en ziekelijke kleinkinderen naar huis kan krijgen.

Vanuit een ander perspectief belicht deze schrijnende documentaire dezelfde thematiek als The Return: Life After ISIS, een recente film over IS-bruiden, die na de val van het Kalifaat vastzitten in kamp al-Hol omdat hun geboortelanden hen niet terug willen. Het verschil is ook duidelijk: terwijl deze vrouwen zich daadwerkelijk hebben verbonden aan de extremistische ideologie van Islamitische Staat, beschikken Patricio’s kleinkinderen écht over een zuiver geweten.

Galvez wordt op z’n tocht vergezeld door zijn landgenoot Gorki Glaser-Müller. Hij zal steeds directer betrokken raken bij ‘s mans helletocht langs politiek, bureaucratie en journalistiek. Die wordt nog eens bemoeilijkt als ook Patricio’s ex-vrouw zich bij hem meldt. Samen met Amanda bekeerde zij zich enkele jaren geleden tot de Islam. Ze woonde ook enkele jaren in Syrië. Vormt zij nu een veiligheidsrisico voor de kinderen? En moeten die eigenlijk worden beschouwd als moslim?

Voor Patricio Galvez staat bij zulke lastige vragen één ding voorop: de toekomst van zijn kleinkinderen. En Glaser-Müller zit in deze urgente film op de eerste rang bij de emotionele achtbaan waarin hij vervolgens noodgedwongen rondjes maakt. Totdat de hele machinerie tot stilstand komt en duidelijk wordt of Patricio deze nieuwe generatie van zijn familie (voorlopig) kan redden van het Kalifaat.

Rob de Nijs – Voor Het Laatst

Videoland

Het mag natuurlijk niet zielig worden. Dan werpt hij zelf de handdoek in de ring. Tot die tijd geniet Rob de Nijs van zijn laatste jaren als artiest, een vak dat hij al ruim een halve eeuw beoefent. Ook al wordt dat door de ziekte van Parkinson steeds moeilijker. Hij is er kwetsbaarder door geworden. Dat zachte en broze siert hem echter wel. En zijn carrière heeft mede daardoor nog een opvallende remonte doorgemaakt.

In het tweeluik Rob de Nijs – Voor Het Laatst (70 min.) portretteert documentairemaker Eric Goens de Nederlandse zanger in de aanloop naar zijn afscheidsconcert op 21 november 2021 in het Sportpaleis in Antwerpen. Van tevoren kampt De Nijs volgens eigen zeggen met ‘de doodsangst of het allemaal wel goed gaat’. Niet gek: hij heeft anderhalf jaar niet gezongen en verbleef zelfs zes weken in een revalidatiecentrum om zich optimaal te kunnen prepareren voor dit optreden.

Behalve met de zanger zelf spreekt Goens ook met zijn 26 jaar jongere vrouw Jet, pianist/manager Frank Jansen en tekstschrijver en ex-echtgenote Belinda Meuldijk. Zij hink-stap-springen even vluchtig door zijn leven en carrière, maar richten zich vooral op het ziekteproces en de weg naar dat uitroepteken achter zijn imposante loopbaan, de vanzelfsprekende climax van dit aardige kijkje achter de schermen. ‘Iedereen in de zaal mag tranen hebben, maar ik niet’, zegt de professional daarover nuchter.

Het is alleen de vraag of het zo werkt bij zo’n beladen concert. In de coulissen houdt zijn neuroloog Bas Bloem in de gaten of alles goed gaat. En ook Jet en zoontje Julius wijken niet van zijn zijde als Rob de Nijs voor het allerlaatst – écht!, alhoewel… – het podium betreedt voor hits als Ritme Van De Regen, Banger Hart en Malle Babbe.

Attica

Showtime

Op 9 september 1971 komt het tot een massale opstand in de Attica State Prison, in de Amerikaanse staat New York. In de gevangenis zijn de maatschappelijke spanningen die er sowieso al bestaan tussen zwart en wit in de Verenigde Staten en grove misstanden in de gevangenis zelf versmolten tot een mengsel dat wel tot explosie móet komen. De gedetineerden, voor driekwart zwart of latino, komen daarbij oog in oog te staan met een volledig witte bewaardersgroep, afkomstig uit de plaatselijke gemeenschap. En de hele wereld kijkt mee, via enkele reporters die vanuit de gevangenis verslag doen.

Regisseur Stanley Nelson heeft zich met documentaires als Marcus Garvey: Look For Me In The Whirlwind, Freedom Riders, The Black Panthers: Vanguard Of The Revolution en Crack: Cocaine, Corruption & Conspiracy in de afgelopen jaren opgeworpen als een betrouwbare chroniqueur van de historie van Zwart Amerika. In zijn nieuwe film Attica (117 min.) reconstrueert hij de roemruchte gevangenisopstand met voormalige gevangenen, familieleden van gegijzelde bewaarders, advocaten, onafhankelijke observeerders, leden van de National Guard en de verslaggevers die destijds ter plaatse waren.

De gedetineerden leggen een heel eisenpakket op tafel, met uiteindelijk één heel eenvoudige boodschap: ze willen voortaan als mens worden behandeld. Burgerrechten, juist. Daarmee lijken ze zowaar een heel eind te komen. Tótdat na enkele dagen een bewaarder aan zijn verwondingen bezwijkt en gouverneur Nelson Rockefeller van New York, onder invloed van het Law & Order-beleid van de Republikeinse president Nixon, zich genoodzaakt ziet om de onderhandelingen te staken. De afloop laat zich vervolgens zonder al te veel moeite voorspellen: deze situatie gaat vol-le-dig escaleren.

In de tragische ontknoping, opgeroepen met emotionele getuigenissen en dramatische archiefbeelden, worden de oproerlingen hardhandig tot de orde geroepen – ‘ontmenselijkt’ is ook geen slechte omschrijving. Zo ongeveer moeten die ‘niggers’ op slavenschepen ooit zijn behandeld. Een enkele bewaarder bestaat het zelfs om voor de camera ‘white power’ te roepen. Het is de treurige slotsom van een krachtige historische film, die zich weliswaar een halve eeuw geleden afspeelt maar toch bijzonder actueel voelt. In het protest van de gevangenen is zonder moeite de zwarte pijn te ontdekken die ook de hedendaagse Black Lives Matter-protesten voortdrijft.

A Thousand Fires

IDFA

Yoon Mi Mi Aung prent het haar jongere broer nog maar eens in. ‘Dit is de enige kans die je hebt om je leven te verbeteren. Als dit niet lukt, wat ga je dan doen? Werken op het olieveld? Boeren? Je zou niet eens weten hoe ’t moet!’

Zin Ko Aung heeft een proeftraining bij de voetbalclub Rakhine United F.C., in de grote stad Sittwe, op het programma staan. De jongen uit Magway, op het platteland van Myanmar, wil profspeler worden. ‘Als jij beroemd bent, gaan wij ons op je verlaten’, houdt zijn zus, die zelf inmiddels een kind heeft, hem quasi-serieus voor. ‘Ik stop dan onmiddellijk met werken.’

Niet veel later gaan de ouders van de getalenteerde linkspoot langs bij een waarzegger, niet voor het eerst in deze film. ‘Als hij doet wat hij leuk vindt’, vraagt zijn moeder Htwe Tin, ‘wordt hij dan succesvol?’ De ziener geeft een onnavolgbaar antwoord, boordevol heel betekenisvolle cijfers en dagen, dat al even enigmatisch eindigt: ‘Hij doet wat hij wil. Zo is hij geboren.’

Htwe Tin en haar echtgenoot Thein Shwe weten welk leven er op hun kind wacht als een sportcarrière toch niet voor hem is weggelegd. Zij hebben bij hun huis een geïmproviseerde boorput, waarmee ze handmatig olie uit de grond halen. Geen grote hoeveelheden. Een vat per dag misschien. Nét genoeg om te leven. Als ze heel hard doorwerken, tenminste.

In A Thousand Fires (90 min.) kruipt regisseur Saeed Taji Farouki dicht op het elementaire bestaan van het Birmese echtpaar. Behalve met het oppompen van olie – een zware, repetitieve taak die bovendien regelmatig voor kleinere en grotere verwondingen zorgt – houden Htwe en Thein zich vooral bezig met hun (klein)kinderen. Hoe zij een beter leven kunnen krijgen.

Farouki doorsnijdt hun dagelijkse beslommeringen met immersieve sequenties van al wat stroomt, brandt of blubbert. Beelden die bijna zijn te ruiken. Zoals ook de hitte en slopende arbeid, die eigenlijk in niets doet denken aan wat we in Westen associëren met oliewinning, bijna lijfelijk zijn te voelen in deze zintuiglijke film, waarin ook het geluid van de oliepomp alomtegenwoordig is.

Een in wezen klein familieverhaal krijgt in A Thousand Fires zo een universeel karakter. Van stug doorploeteren, voor en met elkaar en ondertussen hopen op een beter leven – al is het dan voor een volgende generatie.

Forgetting Dad

Deze film opent met een vraag: ‘If your father no longer remembers you, does he stop being your father?’ Rick Minnich vult voor zichzelf aan: Kan pa zich echt niets meer herinneren? Of is het ook wel handig dat zijn geheugen hem in de steek heeft gelaten? Rick vermoedt dat zijn vader z’n brein af en toe een handje helpt. ‘Ik ben nu de nieuwe Richard’, zei hij tegen zijn zoon. ‘Niet pa, zoals jij me steeds noemt.’

De Amerikaanse data-expert Richard Minnich, althans de oude Richard, raakte op 45-jarige leeftijd betrokken bij een auto-ongeval. En daarna is hij nooit meer de oude geworden. Niet eens een beetje. De nieuwe Richard startte gaandeweg een nieuw leven met een veel jongere levenspartner, Tracy. Hij liet zijn voormalige echtgenoten en vijf kinderen in Californië achter.

Rick Minnich was net afgestudeerd toen zijn vader in 1990 dat ongeluk kreeg. Zestien jaar later gaat hij in Forgetting Dad (84 min.) de kwestie onderzoeken die al zo lang een schaduw werpt over zijn familie en waarover niemand eigenlijk graag praat. Pa Richard is in de tussenliggende periode verhuisd naar het afgelegen Oregon en heeft zich van alles en iedereen losgemaakt. Ook van zijn sores.

Vanuit die startpositie ontvouwt zich een spannende familiedetective. Rick spreekt eerst met de tweede vrouw van zijn vader, Loretta. Zij was erbij toen ze werden aangereden. Er leek eigenlijk weinig aan de hand. En toen, een slordige week later, begon ineens de amnesie en herkende Richard zijn eigen kinderen niet meer. Elke dokter zei echter: als hij wil, kan hij zijn geheugen terugkrijgen.

Via gesprekken met zijn moeder, zussen en halfbroers komt Rick Minnich in deze intrigerende film uit 2008, gemaakt met Matt Sweetwood, vervolgens steeds iets dichter bij de vader die hij is kwijtgeraakt – of beter: bij de man die hem achterliet. Deed hij dit vroeger ook al niet, zijn boeltje pakken en ergens anders helemaal opnieuw beginnen? Hoe vaak zijn ze in hun jeugd niet verhuisd?

Talloze familiefilmpjes en privéfoto’s laten een glimp van Richards jonge jaren zien. Ze tonen een volstrekt normale familieman. De zoektocht naar óf – en zo ja: wat – er iets aan de hand is met Richard Minnichs brein verbeelden de filmmakers met ontregelende steriele beelden van ziekenhuizen, artsen en MRI-scans. Ze geven het geheel nog een flinke dot suspense met een lekker mysterieuze soundtrack.

Intussen behoudt Forgetting Dad de ambivalentie die een zoektocht door het menselijke brein onvermijdelijk oproept. Ja, Richard Minnich had wellicht wat te winnen bij het verliezen van zijn geheugen, maar heeft hij daardoor uiteindelijk niet veel meer moeten afgeven? Zijn zoon Rick zoekt in elk geval niet naar gemakkelijke antwoorden en timmert de zaak ook niet dicht met een Hollywood-einde.

Dat kun je frustrerend noemen. Of juist prikkelend.

Mr. Soul!

HBO

De Afro-Amerikaanse representatie op televisie is in de jaren zestig nog altijd zwaar onder de maat. Als het publiek al zwarte Amerikanen krijgt te zien, dan is het omdat ze in de problemen zitten of die zelf veroorzaken. In 1968 start het National Educational Television Network daarom in New York met Soul!, een live-programma over zwarte cultuur: dichters, muzikanten, acteurs, schrijvers, dansers en opiniemakers

Het wordt een ‘complete and utter love affair with your Blackness’, stelt Sade Lythcott, de dochter van de schrijfster, actrice en producent Barbara Ann Teer die als oprichter van The National Black Theater regelmatig te gast is in de show van gastheer en producer Ellis Haizlip. Met allerlei direct betrokkenen klopt diens nicht Melissa nu het stof van Haizlip zelf, openlijk homoseksueel, en diens geesteskind in de oerdegelijke documentaire Mr. Soul! (104 min.).

Melissa Haizlip laat ook coryfeeën van Zwart Amerika zoals Harry Belafonte, Kathleen Cleaver en Questlove (die dit jaar zelf overigens scoorde met Summer Of Soul, een thematisch verwante documentaire over de zwarte tegenhanger van Woodstock) aan het woord over de show waarin uiteenlopende zwarte stemmen zoals Stokely Carmichael, Toni Morrison, Sidney Poitier, Stevie Wonder, James Baldwin, Al Green en The Last Poets (met het furieuze Die Nigga!!!) zijn te horen.

Intussen wordt er – natuurlijk! – druk gezaagd aan Haizlips stoelpoten. Van dat nieuwe geluid, waarin het gedachtegoed en de soundtrack van de burgerrechtenbeweging doorklinken, moet de nieuwe Amerikaanse president Richard Nixon bijvoorbeeld helemaal niets hebben. Hij ziet het als een linksige aanval op de kernwaarden van zijn ‘zwijgende meerderheid’. Nixon begint aan de financiering van het publieke televisieprogramma te morrelen.

Zo komt het einde in zicht voor de show die van 1968 tot 1973 een podium heeft geboden aan alle vormen van zwarte cultuur en in het bijzonder zwarte vrouwen een warm hart toedraagt. Een hele generatie Afro-Amerikanen heeft door Soul! op een andere manier naar zichzelf leren kijken. En dat heeft ongetwijfeld weer zijn weerslag gehad op hoe zij in de wereld staan en die naar hun hand proberen te zetten. Het idee alleen al dat een ‘soul brother’ als Barack Obama president zou kunnen worden…

Killing Escobar

‘Je wordt alleen gevraagd om Pablo Escobar om te leggen als je over de juiste ervaring beschikt’, zegt Peter McAleese, terwijl hij als een echte Hollywood-schurk recht in de camera kijkt. De Schotse huurling had op dat moment zijn strepen al verdiend in vuile oorlogen te Jemen, Angola en Zuid-Afrika. Hij schrok dus helemaal niet van de opdracht om ‘s werelds bekendste drugscrimineel, verantwoordelijk voor zo’n tachtig procent van de cocaïneproductie, naar de eeuwige jachtvelden te helpen. Tuurlijk! Hoeveel schuift het?

Samen met zijn contactpersoon David Tomkins, ook al zo’n principiële strijder als het gaat om goed verdienen, vertrekt McAleese in 1989 naar Colombia om kennis te maken met het Cali-kartel, dat in een bloedige burgeroorlog is verwikkeld met Escobar en z’n criminele vrinden uit Medellin. De opdracht is even simpel als gevaarlijk: Killing Escobar (93 min.). ‘Ik was best zenuwachtig de eerste keer dat ik iemand doodde’, haalt McAleese herinneringen op aan zijn ervaringen als beginnend ‘soldaat’. Over Pablo Escobar zegt hij: ‘Ik heb het nooit beschouwd als moord. Ik zag hem gewoon als een doelwit.’

McAleese en Tomkins besluiten om een eliteteam samen te stellen, dat we voor het gemak The Magnificent Twelve zullen dubben – al zou The Gang That Couldn’t Shoot Straight uiteindelijk ook een adequate benaming blijken. Regisseur David Whitney maakt van hun militair opgezette operatie een spannende actiefilm, compleet met erg vet aangezette scènes op locatie met acteurs. Hij heeft ook beeldmateriaal van de schuinsmarcheerders zelf, die zich natuurlijk eerst te goed doen aan de plaatselijke drank en vrouwen. Daarmee beginnen ze lokaal alleen wat in het oog te lopen. Dus, in de woorden van Peter McAleese: ‘time to leave town’. Met een heel wapenarsenaal, welteverstaan. Op naar Pablo’s vesting.

Voor de geblokte Schot is de actie om Escobar te liquideren een logisch vervolg op een veelbewogen leven, eerder opgetekend in de autobiografie No Mean Soldier, dat van hem een beroepskiller heeft gemaakt. Samen met Tomkins, enkele teamleden, vertegenwoordigers van de Amerikaanse Drugs Enforcement Agency en een paar kopstukken van de Cali- en Medellin-kartels kan McAleese dus meer dan genoeg sterke verhalen uit de losse pols schudden voor een onderhoudende vertelling. En aan het eind, als het water hem aan de lippen komt te staan, vraagt hij als een goede katholieke jongen uit Glasgow vergeving voor zijn zonden.

Want als puntje bij paaltje komt is die McAleese, althans volgens de tamelijk zoetsappige conclusie van deze gelikte actiedocu, toch best een geschikte peer.

Ascension

Het lijkt in eerste instantie of de Industriële Revolutie nét heeft plaatsgevonden in China. In kolossale fabrieken verrichten goedkope arbeidskrachten ouderwets lopendebandwerk. Ze controleren eindeloos etiketten van flesjes, fabriceren kunstkerstbomen of leggen aan een naaimachine de laatste hand aan steeds weer hetzelfde kledingstuk. Dit is ‘de Chinese Droom’, die voor buitenstaanders toch eerder op een nachtmerrie lijkt.

Die medewerkers zijn ouderwets op straat geworven door een standwerker, de openingsscène van Ascension (98 min.). Zittend werk. Of juist staand. Met gratis ritje naar de fabriek. Maaltijd erbij. Geen gezondheidscontrole bovendien. Geen tatoeages ook. Of alleen als ze hem niet kunnen zien. Gratis wifi, natuurlijk. In het uurloon zit doorgaans alleen even weinig variatie als in het werk zelf: rond de drie dollar per uur.

Dat werk kan zomaar fascinerend, grappig en ontroerend worden. In een fabriekshal sleutelt een team bijvoorbeeld, met veel zorg en precisie, aan levensechte sekspoppen met over het algemeen opvallend grote borsten. Custom made. Ogen, haar, schaamstreek, elk lichaamsonderdeel krijgt de aandacht die het verdient. En daarna wordt er een verleidelijke foto van gemaakt voor de opdrachtgever.

Gaandeweg slaat deze gestileerde observerende film van Jessica Kingdon zijn vleugels uit naar andere vormen van bedrijvigheid, waarbij de Influencer-revolutie niet aan China blijkt te zijn voorbijgegaan. Tijdens een tweedaagse workshop rond de vraag ‘Waarom zouden klanten van jou kopen?’ worden de deelnemers bijvoorbeeld aangespoord om hun eigen merk te worden. Ze moeten aan het eind hun persoonlijke doelen uitspreken.

‘Na deze workshop heb ik besloten dat ik komend jaar twee miljoen ga verdienen’, zegt de oprichter van de Mister Ox Dating Training Club. Andere deelnemers gaan voor zeker tien miljoen in hun eerste jaar. ‘En honderd miljoen in vijf jaar’, voegt een man, die trots poseert met het getuigschrift van de cursus, er blijmoedig aan toe. Een ander heeft simpelweg besloten dat hij zich he-le-maal kapot gaat werken. Hij oogst zowel applaus als een gulle lach.

Intussen tekent zich in Ascension een authentieke klassenmaatschappij af, met een klassieke winner-takes-all mentaliteit. Te midden van alle werkbijen fladderen ook talloze luxepaardjes door het leven. De Amerikaanse Droom zogezegd, op zijn Chinees. Waarbij kapitalistische uitwassen, massa-entertainment en een dociele attitude – vervat in zinnenprikkelende shots en een sprekende soundtrack – afwisselend voor verbazing, gêne en afkeer zorgen in een prikkelend beeldessay over het hedendaagse China.

Dande Di Aruba

Vincent Ras en leerling / Memphis Film

Elke zin is een variant op die ene: ‘Oh Dande, we zijn bij je deur aangekomen’. En als de voorzanger die vol enthousiasme inzet, op dat ene vaste deuntje, antwoordt zijn gehoor steevast met: ‘Ay Nobe.’ Gelukkig nieuwjaar! Het is een typisch Arubaanse traditie. Rond de jaarwisseling trekken Dande-zangers met hun tambú, een traditionele trommel, en enkele muzikale metgezellen van huis naar huis om het oude jaar af te sluiten en een nieuw jaar in te luiden.

Regisseur Cindy Kerseborn leidt deze documentaire over de Dande-traditie zelf in. In 2018 heeft ze de laatste opnamen gemaakt voor Dande Di Aruba (55 min.). Ze kon de film zelf echter niet meer voltooien. Kerseborn overleed in 2019 en moest het project daarom doorgeven aan een collega. Samen met editor Jelle Redeker heeft Sherman de Jesus de docu nu voor haar afgerond. Zij hebben geprobeerd om er ‘een echte Cindy Kerseborn-film’ van te maken.

Centrale figuur is de negentigjarige zanger Vicente Ras. Hij heeft de Dande-liederen geleerd van zijn vader en speelt ook op diens tambú. Ras is er kien op om de traditie te behouden, in zijn oorspronkelijk vorm bovendien. Van muzikale vernieuwing, zoals die bij jongere Dande-vertolkers in deze film is te beluisteren, moet hij eigenlijk weinig hebben. En net als veel oudgedienden vindt hij dat de Dande toch echt een mannenzaak is. ‘Ik laat mijn vrouw geen Dande zingen bij mensen thuis’, zegt hij ferm. ‘Ben je gek?’

Dat thema – kan een cultuur zich vernieuwen zonder zijn ziel kwijt te raken? – loopt als een rode draad door dit warmbloedige muzikale portret van Aruba, een ode aan de onverwoestbare Dande. Die wordt nog altijd letterlijk bij de eilanders thuis bezorgd en zorgt daar dan voor een swingende start van het nieuwe jaar. Het gemeenschapsgevoel op het Antilliaanse eiland wordt er ook door versterkt. De lokale linguïst Ramon Todd Dandaré wil de Dande zelfs op de werelderfgoedlijst laten zetten.

Sabaya

Islamitische Staat mag dan militair verslagen zijn, de mentaliteit van de strijders van ‘Daesh’ is volgens Mahmud Resho onveranderd. In kamp Al-Hol, een kamp in Syrië waar ruim 70.000 voormalige IS’ers worden vastgehouden, zoekt de onverschrokken Mahmud naar Sabaya (91 min.), Jezidische vrouwen die jarenlang als seksslaaf zijn gebruikt en nog altijd worden vastgehouden door barbaren van Islamitische Staat.

Volgens Shejk Ziyad, Mahmuds collega bij het Jezidi-opvangcentrum in Syrië, worden er nog altijd duizenden meisjes en vrouwen vermist. Die zijn vijf jaar eerder gevangen genomen bij een aanval op hun thuisbasis in Sinjar in Noord-Irak. Sindsdien zijn ze alles kwijtgeraakt: hun naam, hun familie, hun taal, hun religie en – natuurlijk – hun eer. Volledig ontmenselijkt. Gereduceerd tot huissloof, broedkip of seksobject.

De nobele missie van Mahmud en zijn kompanen, op de voet gevolgd door filmmaker Hogir Hirori, is bepaald niet zonder gevaar. Ze begeven zich diep in IS-territorium. In het gigantische tentenkamp moeten ze – met behulp van voormalige sabaya’s, gestoken in een nikab, die zich als infiltrant in het hol van de leeuw wagen – verborgen gehouden Jezidi-meisjes en vrouwen opsporen en thuis afleveren.

Eenmaal buiten het kamp liggen er ook nog allerlei dilemma’s voor de ontheemde vrouwen. In een hartverscheurende scène moet een bevrijde moeder bijvoorbeeld op weg naar huis afscheid nemen van haar zoontje. Het kind is van een Daesh-man. Islamitische Staat vermoordde haar vader, broer en andere familieleden. En nu moet ze haar thuisfront er dus van overtuigen dat het jongetje echt geheel onschuldig is.

In al z’n lelijkheid toont deze indringende film zo hoe Islamitische Staat een volledig ontwrichte gemeenschap heeft achtergelaten, die van zijn echtgenotes en moeders, en dus nageslacht, is beroofd. Kunnen de vrouwen, die met onvervalste heldenmoed uit de klauwen van IS zijn gerukt, bijvoorbeeld nog normaal deel uitmaken van de wereld waartoe ze ooit behoorden? Raken ze ooit het stigma van ‘sabaya’ kwijt?

Hoewel Daesh tegenwoordig noodgedwongen een toontje lager zingt, blijven de horrorjaren dat de fundamentalistische organisatie ongenadig huishield in delen van Irak en Syrië zo als een inktzwarte schaduw over het leven van de Jezidi’s hangen.

137 Shots

Netflix

‘Als ik dit opnieuw zou moeten doen, zou ik niets veranderen’ zegt Cynthia Moore, de politieagente die de leiding had over de grootscheepse actie, zonder te verblikken of verblozen tijdens haar verhoor. ‘Het enige wat ik zou veranderen is dat zij hadden moeten stoppen.’

Met ‘zij’ bedoelt Moore het zwarte stel Timothy Russell en Malissa Williams dat in Cleveland, Ohio, is opgejaagd door maar liefst 62 politieauto’s. Ze zouden een paar andere agenten hebben beschoten. Bij die beschuldiging doet zich alleen één klein probleem voor: in hun auto worden uiteindelijk helemaal geen wapens aangetroffen. In de oude Chevrolet zitten, behalve twee overleden mensen, wel 137 kogelgaten. De auto heeft ook een rotte uitlaat. Die wil nog wel eens héél hard knallen.

Het is een wonder dat het op die tragische 29e november 2012 bij twee doden blijft. Ondanks die 137 Shots (105 min.). Voor hetzelfde geld hadden de agenten, die in het wilde weg op de auto schoten, ook elkaar gedood. Openbaar aanklager Tim McGinty kent geen twijfel: dit is FUBAR, Fucked Up Beyond All Recognition, en moet tot vervolging leiden. De politievakbond denkt daar alleen heel anders over. Gezien de omstandigheden is het politieoptreden prima te rechtvaardigen. 

De dodelijke schoten zouden zijn gelost door agent Michael Brelo, staand op de motorkap van de auto van Russell en Williams. Hij doet eveneens zijn verhaal in deze documentaire van Michael Milano. Brelo’s lezing van de gebeurtenissen verschilt alleen wezenlijk van wat er volgens de familieleden van de slachtoffers gebeurd moet zijn. Tot hun grote frustratie stuiten zij in de rechtszaal echter op de zogenaamde ‘Blue Wall’. Alle betrokken agenten dekken elkaar.

Intussen vindt er opnieuw een dodelijke schietpartij plaats in Cleveland. De twaalfjarige zwarte jongen Tamir Rice zou dreigend met een luchtdrukpistool hebben lopen zwaaien in een park. Het filmpje van wat er vervolgens gebeurt als de politie ter plaatse arriveert is ronduit onthutsend. Rice lijkt simpelweg te worden geliquideerd. Als de eerste de beste vuurgevaarlijke crimineel. Herstel: als de eerste de beste zwárte vuurgevaarlijke crimineel.

Het nieuwe incident zet de sowieso al gespannen verhoudingen tussen het politiekorps en de zwarte gemeenschap verder onder druk. Milano plaatst die binnen hun historische context, met bevlogen speeches van Bobby Kennedy en Martin Luther King in Cleveland, en verbindt ze natuurlijk ook met de hedendaagse Black Lives Matter-protesten. 137 Shots wordt daarmee een treffende film over het hedendaagse Amerika, waar zwart en wit nog altijd regelmatig lijnrecht tegenover staan.

Kijk hier de trailer van 137 Shots.