Hajo, Een Joodse Vluchteling

Sjakmo

Als veertienjarige wordt hij door zijn ouders naar Nederland gestuurd. Alleen. Op de vlucht voor het gevaar dat hem en de zijnen bedreigt. Veroordeeld tot een soort ‘shadow game’. Hier zitten we – natuurlijk, zou je bijna zeggen – bepaald niet op hem te wachten. Sterker: de grenzen worden zoveel mogelijk gesloten gehouden. En als hij eenmaal toch is toegelaten, nadat er voor 1500 kinderen een uitzondering is gemaakt, maakt Hajo net als veel vluchtelingen op een pijnlijke manier kennis met Nederlands koude schouder.

Hij stamt niet uit een ver land zoals Irak, Syrië of Afghanistan. En de tiener is ook geen gelukszoeker, die wil ‘meeprofiteren’ van de huidige welvaart in het vrije westen. Hij kwam al enkele jaren vóór de Tweede Wereldoorlog naar ons land. Vanuit nazi-Duitsland naar buurland Nederland. Een Joodse jongen uit Bielefeld, de jongste van drie kinderen, die afscheid had moeten nemen van zijn ouders Gustav en Therese. Hij zou hen nooit meer zien en werd, door een wrede speling van het lot, een tragisch symbool: Hajo, Een Joodse Vluchteling (62 min.).

Via natuurkundige en politiek activist Hajo Meyer (1924-2014) vertelt Jacqueline de Bruijn in deze film het verhaal van de 1500 Joodse kinderen die na de verschrikkingen van Kristallnacht alsnog toegang kregen tot Nederland. Daar werd Hajo met frisse tegenzin opgevangen in vluchtelingenhuizen. Hij mocht zich vooral niet thuis gaan voelen. Dus naar school of werken zat er in eerste instantie ook niet in. En later moest Hajo op allerlei onderduikplekken zien te overleven. Totdat hij toch werd opgepakt en afgevoerd naar Auschwitz.

Samen met Meyer en zijn echtgenote Chris Meyer-Tilanus maakt De Bruijn een trip door zijn veelbewogen verleden. Per trein veelal, een vervoersmiddel met een enorme lading. In Amsterdam constateert ze dat Hajo ‘t niet leuk vindt om daar te zijn. ‘Absoluut niet’, reageert die geprikkeld, in een sleutelscène van de documentaire. ‘Waarom zou ik dat leuk vinden? Het was oorlog. De Joden werden gedeporteerd. Ik ben, op een paar haren na, verschillende keren bijna dood geweest. Dus wat moet ik hier? Het verbaast me dat je dat nog vraagt.’

‘Je hebt kennelijk geen idee hoe dat voelt als je opgejaagd wild bent’, voegt hij haar nog verbeten toe. Voor even laat Hajo zich gaan, een man die onherstelbaar is beschadigd. Dat oorlogsverhaal bezorgt hem nog altijd peilloos verdriet – zoals bijvoorbeeld is te zien in een emotionele scène waarin kunstenaar Gunter Demnig zogenaamde ‘Stolpersteine’ voor zijn ouders laat plaatsen in Bielefeld. En dat verhaal maakt hem ook strijdbaar – zoals duidelijk wordt uit zijn activiteiten voor de organisatie Een Ander Joods Geluid, die erg kritisch is op de staat Israël.

Hajo, een man die geen slachtoffer wil zijn, maar ‘t natuurlijk wél is. Een Joodse vluchteling.

Duutsers

EO

De kinderen van toen zijn de ouderen van nu. De laatste ooggetuigen van hoe Rouveen, een boerendorp in Overijssel, de Tweede Wereldoorlog doorkwam. In hun eigen woning vertellen ze dorpsgenoot Geertjan Lassche over hun ervaringen met de Duutsers (48 min.). Dat gebeurt in de taal die ze samen delen: het Nedersaksisch.

Het plattelandsdorp Rouveen, vlakbij Staphorst, had indertijd zo’n 7500 inwoners. Het was volgens Lassche een orthodox-christelijk dorp, met zowel hervormden als gereformeerden. Een zelfvoorzienende, maar ook geïsoleerde gemeenschap. Aan het begin van de oorlog kwamen er in het plaatselijke Kamp Conrad, waar later eerst landverraders en daarna Molukkers werden gehuisvest, Joden uit de rest van het land wonen. Over wat er met hen gebeurde, werd in het dorp nauwelijks gesproken. Ze waren met hun eigen levens bezig. Want ook zij kregen, naarmate de oorlog vorderde en grimmiger werd, steeds meer te maken met ‘de haat’.

‘Iedereen was bang voor iedereen soms’, vertelt Gerrit, inmiddels overleden, één van de dorpelingen die de oorlog als kind meemaakte. ‘Want er zijn dingen bekend ook, dat iemand de buren ging verraden om simpele dingen. Ik weet het van m’n eigen ouders ook nog. Die wilden een keer een varken slachten, maar de dag ervoor is het in beslag genomen. Dat is verraden.’ Rouveen krijgt daarnaast ook te maken met groot leed. Als dorpsgenoot Klaas Pielman, vader van drie kinderen en met een zwangere vrouw, bijvoorbeeld weigert om zijn fiets af te staan aan een Duutser, wordt hij rücksichtslos doodgeschoten.

In zulke herinneringen zit de kracht van deze microblik op de grote geschiedenis: die oorlog, al zo vaak ondergebracht in helden- of slachtofferverhalen, wordt hier teruggebracht naar gewone mensen-proporties en in verband gebracht met de namen, gezichten en levens van hele gewone landgenoten, de kinderen van toen. Zodat de (plattelands)kinderen van nu zich er gemakkelijk mee kunnen identificeren.

The Natural History Of Destruction

Cinema Delicatessen

Als we de gevolgen ervan even buiten beschouwing laten is het nachtbombardement, dat de geallieerden tijdens de Tweede Wereldoorlog boven een Duitse stad uitvoeren, een machtig schouwspel. Niet in het minst doordat regisseur Sergei Loznitsa er bombastische klassieke muziek onder heeft gezet. Daarmee vormen de explosies, die op het eerste gezicht bijna speels oplichten tegen de donkere lucht, een symfonie van beeld en geluid, die het zicht ontneemt op wat daarachter – of beter: daaronder – schuilgaat: gewone mensen die sterven, gewond raken, enorm verdriet krijgen te verteren of zomaar alles kwijtraken wat ze ooit bezaten.

Zo bezien is The Natural History Of Destruction (109 min.), de nieuwe documentaire van de Oekraïense grootmeester van de archieffilm, tevens een actuele productie. De verwoestende luchtaanvallen die Loznitsa (The TrialState Funeral en Babi Yar. Context) bijna tachtig jaar na dato met bestaand materiaal, veelal in zwart-wit, reconstrueert kunnen op dit moment vrijwel dagelijks in een willekeurige stad in zijn geboorteland, of eerder bijvoorbeeld overal in Syrië, worden waargenomen. Tussen de bombardementen door toont hij het gewone leven zoals dat tussen 1940 en 1945 gewoon zijn gang gaat, totdat het bruusk wordt onderbroken, en vangt hij tevens de oorlogstaal die voortdurend wordt uitgeslagen door leiders, die de rijen in eigen land gesloten proberen te houden.

Zo houdt de Britse generaal Montgomery bijvoorbeeld een triomfantelijke toespraak voor het thuisfront, waarin hij overduidelijk zelfvertrouwen wil projecteren. Er kan maar één einde aan deze oorlog komen, zo klinkt door in vrijwel elke zin: de totale overwinning. Soortgelijke woorden komen van de leider van het Verenigd Koninkrijk. ‘De burgerbevolking van Duitsland kan zonder al te veel problemen ontsnappen aan de ontberingen’, stelt Winston Churchill verder unverfroren, terwijl bommenwerpers alweer onderweg zijn naar een nieuwe Duitse stad. Vrij vertaald: mensen hoeven van hem alleen te stoppen met werken in de oorlogsindustrie en de stad te verlaten. Dan kunnen ze daarna van een afstandje toekijken hoe zijn manschappen alles in lichterlaaie zetten.

Het is van een wreedheid die menigeen waarschijnlijk liever niet met een geallieerde leider associeert, maar die onlosmakelijk is verbonden met het cynische karakter van oorlog, waarbij alle betrokken partijen burgers van de tegenstander doorgaans vooral als nevenschade dan wel pressiemiddel beschouwen, in het gruwelijke gevecht om de macht. Sergei Loznitsa levert het bewijsmateriaal – dat doorgaans gewoon, zonder al te veel opsmuk, voor zichzelf mag spreken – en bouwt daarmee een lange, collageachtige film die als een woordeloos pamflet tegen oorlogsvoering tegen de burgerbevolking zijn werk doet.

O, Verzamelen Van Eieren In Weerwil Van De Tijd

Moondocs

Terwijl de Duitse ornitholoog Max Schönwetter (1874-1961) aan het begin van de twintigste eeuw bevangen raakt door de oölogie en het liefst elke seconde die hij heeft besteedt aan het verzamelen, bestuderen en beschrijven van allerlei soorten eieren, raakt de wereld waarvan hij deel uitmaakt langzaam maar zeker bevangen door duistere krachten. Die zullen uiteindelijk de alles verwoestende Tweede Wereldoorlog veroorzaken, waarbij ook de eikundige Schönwetter aanzienlijke verliezen moet incasseren.

In O: Verzamelen Van Eieren In Weerwil Van De Tijd (80 min.) brengt Pim Zwier ’s mans oneindige fascinatie in beeld via fraaie close-ups van zijn eieren en beelden van de voortbrengers daarvan. Hij maakt die verder inzichtelijk via Schönwetters uitgebreide correspondentie met allerlei mensen die hem kunnen helpen bij zijn verzameling. Die is ingesproken door (stem)acteurs, waarbij Pierre Bokma de hoofdpersoon voor zijn rekening neemt. ‘Hoe meer ik ze bestudeerde des te meer groeit de overtuiging dat uit de eierschaal nog vele raadselen zijn op te lossen indien men werkelijk beseft wat erin schuilgaat’, schrijft die bijvoorbeeld in 1935 aan zijn collega Leo von Boxberger. ‘Maar daarvoor moet men dieper graven, om daarmee inzichten te verschaffen. Daaraan wil ik graag mijn bijdrage leveren.’

Intussen toont Zwier een uil. Eerst, via grofkorrelige zwart-wit beelden, in zijn natuurlijke habitat, daarna in de vorm van een soort buste op Schönwetters bureau. ‘Tweehonderdduizend eieren moet men wel gezien hebben’, vervolgt de oöloog begeesterd. ‘En vijftigduizend daarvan moet men gewogen en met een loep bekeken hebben en vele steeds weer met elkaar vergeleken hebben. Zoals enkel iemand kan die al dertig jaar lang al z’n vrije tijd, alle vakanties en bijna zonder uitzondering iedere zondag wijdt aan zijn eigen stokpaardje, daarvoor veel geld voor zijn eigen verzameling, voor literatuur en reizen, geofferd heeft en deze zaken enkel en alleen voor zichzelf doet.’ De camera is intussen van het uilenbeeldje afgedaald naar een doosje met eieren. ‘Kerkuil (Jyto alba)’, staat er op het bijbehorende kaartje. ‘39,5 x 31,0 mm – 1,65 g.’

Pim Zwiers portrettering van zijn bevlogen hoofdpersoon is al even precies en rijk aan details als Max Schönwetters benadering van de eikunde, die uiteindelijk moet resulteren in een wetenschappelijk Handboek der Oölogie. Met in scène gezette beelden vanuit diens werkkamer tekent de filmmaker een man die zich in zijn kleine wereld heeft verschanst om ontwikkelingen in de buitenwereld, vervat in dramatische archiefbeelden, bij zich weg te kunnen houden. Uiteindelijk wordt echter ook Schönwetter ingehaald door de tijd, door een oorlog waarin gaandeweg alles wordt gebroken. De mens, net zo gemakkelijk als een (volstrekt niet) willekeurige eierschaal.

Zwarte Soldaten

Zuidenwind

Kun je zeggen dat ze nauwelijks wisten waaraan ze begonnen? Zeker is dat de zes Nederlandse mannen met geen mogelijkheid konden vermoeden wat de navolgende jaren allemaal zouden brengen. Ze waren nog tieners toen de Tweede Wereldoorlog begon. In die jaren zouden ze een keuze maken die we nu collectief als ‘fout’ bestempelen: de Nederlanders meldden zich bij de Waffen-SS. En daarover zouden ze hun leven lang rekenschap moeten afleggen – of zorgvuldig zwijgen.

In de documentaire Zwarte Soldaten (48 min.), die in 2011 voor de nodige ophef zorgde en werd bekroond met een Gouden Kalf, laat Joost Seelen de zes los van elkaar hun relaas doen. Hij omkleedt hun herinneringen, recht in de camera uitgesproken, met stemmige en unheimische muziek en archiefmateriaal in al even stemmig en unheimisch zwart-wit. Van een groep ferm marcherende SS’ers bijvoorbeeld. ‘Wij zijn de zwarte soldaten’, zingen die fier, terwijl ze door toegesnelde landgenoten enthousiast met de Hitlergroet worden begroet. ‘Eens met Anton Mussert zijn we in ‘t gevecht. Daarom zijn wij de zwarte soldaten. Want wij strijden voor vrijheid en voor recht.’

Daarvan hadden zij blijkbaar een heel ander idee dan wij nu. Seelen heeft intussen weinig beelden nodig om die donkere periode weer op te roepen. Verder zijn ‘t de verhalen die het moeten doen in deze schurende interviewfilm. Van Jan bijvoorbeeld, die zichzelf kenschetst als een naïeve tiener. Hij zag ooit wel een Germaanse jongen in zichzelf. Géén overtuigde nationaalsocialist, zegt hij er overigens meteen bij. Een heel contrast met de rabiate antisemiet Klaas, die nog altijd trots is op dat ontzagwekkende SS-uniform en enthousiast kan verhalen over die keer feit dat hij een hand kreeg van Hitler. ‘Dat was een geweldige kerel. Die heeft Duitsland helemaal opgebouwd.’

Cornelis kreeg vanwege zijn verrichtingen bij de Waffen-SS een IJzeren kruis. Hij voelt zich echter bepaald geen held. Trek je niks aan van die blikken dingen, zegt hij ferm. ‘Ze verdoezelen dat je angst gehad hebt.’ Hij vindt verder dat hij had moeten weten dat de Joden het slecht hadden. Dat verwijt hij zichzelf. Zo heeft iedereen zijn eigen bagage overgehouden aan die tijd. ‘Ik heb volop Joden daar in Polen zien hangen’, vertelt Willem bijvoorbeeld, een zwarte soldaat met een onmiskenbaar Brabantse tongval. ‘Ausradieren!’ Wat ie dan zag? wil Seelen weten. ‘Niks. Want je moet aan jezelf denken. Niks! Je moet niet zeggen: O, wat is het erg. Want dan ga je naar de godverdomme.’

Dat ‘niks’ speelt Willem duidelijk nog parten. Zoals ze alle zes, overmand door wroeging of juist niet, moeten leven met dat aardedonkere verleden. Ook als de voormalige zwarte soldaten daarover dus ‘helemaal geen berouw’ hebben of nog altijd zweren bij de eensgezindheid, de ‘fantastische kameraadschap’ in de Waffen-SS. En dat kan ook nu, ruim driekwart eeuw later, nog altijd een storm van verontwaardiging veroorzaken.

Vastgelegd

KRO-NCRV

‘Je hebt een film gemaakt toen ik geboren was, in 1962, van de eerste dagen of weken’, zegt Batya Wolff in de persoonlijke documentaire Vastgelegd (63 min.) tegen haar vader Max. ‘En toen ik die film voor het eerst zag, dacht ik: die film gaat over iemand die dood is. Terwijl ik kijk naar een film van het begin van mijn leven.’ Één van Batya’s zussen, waarvoor Max een vrijwel identiek geboortefilmpje maakte, heeft zelfs het gevoel dat haar kinderbedje niet voor haar was ‘maar dat er allemaal botten in liggen van dode mensen’.

Die associaties zijn niet vreemd. Van hun Joodse familie zijn bijna driehonderd leden vermoord tijdens de Tweede Wereldoorlog. De enthousiaste filmer Max Wolff heeft er een enorm boekwerk over geschreven. ‘Een Joods monument van onze familie’, zegt hij trots tegen Batya. Zij vindt dat boek echter beladen. ‘Max’, begint ze. ‘Al wat van jou is, draag ík ook bij me.’ Ze wil duidelijk een punt maken, maar haar hoogbejaarde vader pakt het luchtig op. ‘Dat vind ik niet erg. Hoef ik het niet alleen te dragen.’ En daarna bladert hij rustig verder in z’n boek. Zijn dochter blijft hem nadrukkelijk aankijken. ‘En ik dan?’

Deze vraag, tamelijk demonstratief voor de camera opgeworpen, zal onbeantwoord blijven, maar maakt de afstand tussen ouder en (volwassen) kind heel tastbaar. Vader Max wil/moet zijn oorlogsverleden blijven delen en zijn dochter krijgt hem niet aan zijn verstand gebracht dat hij haar daarmee belast. Daar zit de kern van deze schurende film, waarin Batya onderzoekt, in woord en beeld, afwisselend begeleid door hoorbare stilte en dwingende pianomuziek, wat dat vastleggen van het oorlogsverleden, dat vasthouden ook daaraan, betekent voor een volgende generatie.

‘Kan ik iets hebben verloren als ik het nooit gehad heb?’ vraagt ze zich bijvoorbeeld hardop af. ‘Kan ik rouwen om iemand die ik nooit gekend heb?’ Tegelijkertijd zoekt Batya Wolff in deze egodocu, gemaakt met Arnoud Holleman, ook naar manieren om de dood uit te bannen en al die overleden familieleden op de één of andere manier weer onderdeel te laten worden van haar huidige familiekring. Als doodgewone, levenslustige mensen, in plaats van als de symbolen van Jodenvervolging die ze mettertijd zijn geworden.

Laatste Getuigen

VPRO

Waarom hij op zoek is gegaan naar de andere jongens? De reden daarvoor is simpel, volgens de Joodse schrijver Gerhard Durlacher (1928-1996). Net als bij al zijn andere naspeuringen naar de oorlog: ‘om jezelf zekerheid te geven dat het ook allemaal waar was, die nachtmerrie’. De waarheid van de vernietigingskampen is zelfs voor de mensen die er verbleven niet te bevatten. Ook zij blijven behoefte houden aan ondersteunend bewijs. ‘Anders denk je van jezelf: ik ben gek. Dat is een nachtmerrie, dat is helemaal niet waar.’

Durlacher, vader van schrijfster Jessica Durlacher, was vijftien en één van de 89 jongens in het vernietigingskamp Auschwitz-Birkenau die door de beruchte kamparts Josef Mengele werden geselecteerd en níet naar ‘het gas’ hoefden. Hij schreef er het boek De Zoektocht over, dat als basis diende voor Laatste Getuigen (89 min.). In deze documentaire uit 1991 probeert Cherry Duyns met drie van hen die tocht langs de poorten van de hel te reconstrueren. Terwijl zij konden/moesten voortleven, werden hun familieleden collectief als ‘ongedierte’ verdelgd.

‘Waarom?’ vraagt Ernst Hacker, die nooit eerder over zijn oorlogsverleden sprak. ‘Dat vraag ik me nog steeds af. Elke dag zie ik hoe m’n ouders en m’n broer het crematorium binnengaan.’ Waarna hij, met de handen voor het gezicht, onbedaarlijk begint te huilen. ‘Er gaat geen dag voorbij… Ik kan er tot op heden niet bij waarom ze dat gedaan hebben. Ik zou zo graag bij ze zijn.’ En dan volgt het schuldgevoel. ‘Maar om eerlijk te zijn heb ik niet gehuild toen m’n ouders het crematorium ingingen. Ik heb nooit kunnen huilen. Pas nu kan ik huilen.’

En dat gaat ook ruim 75 jaar na afloop van die verdoemde oorlog nog altijd door merg en been. Kun je er ooit overheen komen? vraagt Duyns aan Yehuda Bacon. ‘Voor een kind was dat de enige vanzelfsprekende realiteit’, antwoordt de kunstenaar, die na de oorlog naar Israël verkaste. ‘Er was niks anders. Ik kon niet vergelijken. Ik verklaar het zo: in Theresienstadt droomde ik nog dat ik thuis was en terugging naar m’n postzegelverzameling die ik ergens had verstopt.’ In Auschwitz was z’n kindertijd echter al ‘zo oneindig ver weg, dat ik droomde dat ik in Theresienstadt was.’

Waarom juist deze jongens werden gespaard door de nazi’s – waren zij voorzien als gijzelaars, loopjongens of toch als degenen die geruststellende brieven naar huis moesten schrijven? – is nog altijd niet precies te reconstrueren. Ieder van hen heeft, zo blijkt op een reünie in een Israëlische kibboets, zijn eigen manier moeten vinden om met het verleden te dealen. Het is in elk geval duidelijk dat deze mannen nog altijd niet bevrijd zijn – of ooit kunnen worden – van de gruwelijke geschiedenis waarvan zij getuige moesten zijn.

Het Verzwijgen

Witfilm

Haar moeder was zó lief, stelt Marieke van der Winden met een zekere scepsis. Ze kon zelfs niet schreeuwen! Tegelijkertijd droeg Lieke een geheim met zich mee. Dat nam de Nederlandse vrouw mee het graf in toen ze in 1989 op 48-jarige leeftijd overleed. Marieke kwam er pas op de uitvaart van haar moeder achter dat haar opa en oma, die ze kende als volstrekt normale grootouders, lid van de NSB waren geweest. Haar moeder stamde uit een besmet gezin.

Het Verzwijgen (89 min.) was tussen hen in komen te staan, constateert Marieke van der Winden in deze pijnlijk persoonlijke film, waarin ze haar familieverleden onderzoekt. Terwijl haar moeder vluchtte in de antroposofie, vertrok zij als tiener naar een kraakpand. Een half leven later wordt er nog altijd niet over de oorlog gesproken. De rest van de familie wil niet geassocieerd worden met dat foute verleden. Niet vreemd: hun voorouders, afkomstig uit zo’n lekker ongecompliceerde familie uit de Amsterdamse Jordaan, lijken zowat allemaal met de Duitsers te hebben geheuld.

‘Haar achternaam was besmet’, constateert Marieke, terwijl ze steeds dieper doordringt in die onverkwikkelijke geschiedenis. ‘Wat doet dat met je?’ Op de grafsteen van haar moeder staat alleen de voornaam die ze voor zichzelf verzon. Dochter constateert dat het verwaarloosde graf – hoe symbolisch? – nodig moet worden gefatsoeneerd. Intussen gaat ze in gesprek met haar moeders pleegbroer, tweede echtgenoot en vriendinnen (die regelmatig moesten inspringen bij de opvang van haar kinderen) en bezoekt ze plekken uit of over het verleden. Zo komen ook allerlei jeugdherinneringen in een ander licht te staan.

Het wordt een ontnuchterende ontdekkingstocht waarin niet alleen Marieke zelf, die zich zo nu en dan laat bevragen door haar echtgenoot/cameraman Sander Snoep, zich erg kwetsbaar voelt bij wat er zoal boven tafel komt. In enkele ongemakkelijke scènes worden zij en haar gesprekspartners door feiten, die ze heeft opdiept uit oorlogsarchieven, gedwongen om de waarheid onder ogen te zien. En die was in het Nederland van tijdens de Bezetting, dat weten we inmiddels wel, een stuk minder zwart-wit dan lang is gedacht (of gehoopt). Volgens deskundigen duurt het zeker drie generaties om de littekens van dat verleden weer uit het systeem te krijgen.

Deze schrijnende film is een geslaagde poging om dat leed in elk geval inzichtelijk te krijgen en een begin te maken met het verwerken ervan.

Babi Yar. Context

Mokum

De omvang van het drama is nog altijd nauwelijks te bevatten. Bij Babi Yar, een ravijn nabij de Oekraïense hoofdstad Kiev, vindt in september 1944 een massa-executie plaats. Soldaten van het Duitse Sonderkommando 4a van de Einsatzgruppe C, bijgestaan door twee bataljons van de plaatselijke politie, vermoorden in totaal bijna 34.000 Joden.

Het lijkt een brute vergeldingsactie, voor tegenaanvallen die voor een ravage hebben gezorgd in het centrum van de Oekraïense stad. Even daarvoor hadden Duitse troepen Kiev dat nog met veel uiterlijk vertoon ingenomen. Ze hingen er posters op, van Adolf Hitler als grootmoedige bevrijder, en deelden vlaggetjes met hakenkruizen uit. En toen begonnen de explosies.

Als represaille wordt nu de complete Joodse gemeenschap van Kiev verwijderd: verdreven of afgeslacht. En de lokale bevolking ziet het aan en laat het gebeuren. ‘Per uur wordt het leven in de stad weer normaler’, schrijft een Duitsgezinde krant zelfs op 5 oktober 1941. ‘Kiev, bevrijd van de oriëntaalse barbaren, kan opgelucht ademhalen en aan een nieuw leven beginnen.’

Babi Yar. Context (121 min.) is opnieuw een documentaire waarin Sergei Loznitsa nauwgezet een stuk 20e eeuwse geschiedenis van Oost-Europa doorneemt. Met veelal zwart-wit filmfragmenten en foto’s, soms voorzien van een nieuwe geluidstrack, reconstrueert hij de aanloop naar en jarenlange afwikkeling van de moordpartij bij Babi Yar, die precies halverwege de vertelling is gesitueerd.

Loznitsa laat de beelden het werk doen en voegt zelf alleen verbindende teksten in beeld toe. Die zijn doorgaans feitelijk van aard. Als het lot van de Joodse gemeenschap zich heeft afgetekend, permitteert hij zich alleen een uitstapje naar een tekst van schrijver Vasily Grossman, Oekraïne Zonder Joden. In even simpele als verpletterende woorden schetst die de menselijke catastrofe.

En dan neemt het Rode Leger in 1943 Kiev en omgeving weer in. Met een militair vertoon, dat een kopie van de Duitse exercitie en de reactie daarop van de stadsbevolking lijkt. Als de Hitler-posters weer zijn verwijderd, kan een levensgroot portret van Stalin op zijn plek worden gehangen en claimt de latere Sovjet-leider Chroestjov de overwinning in deze zeer effectieve historische reconstructie.

Na de oorlog moeten een aantal betrokkenen zich voor een militair tribunaal verantwoorden voor de massa-executie. Loznitsa toont gedetailleerde verklaringen van enkele overlevenden/ooggetuigen en een Duitse SS-soldaat die zelf inschat dat hij ongeveer 120 mensen executeerde. En dan volgt de naargeestige afrekening op een schavot, ten overstaan van een enorme mensenmenigte.

Mijn God, Wat Hebben We Gedaan?

VPRO

Elke drie jaar is er een reünie van de mannen van het ‘509th’. In tegenstelling tot wat er soms is beweerd lijken ze niet te worden geteisterd door verpletterende schuldgevoelens en hebben ze ook geen last van gruwelijke lichamelijke plagen. Zij maakten die ene kolossale gebeurtenis op 6 augustus 1945 mogelijk: de atoombom op Hiroshima. Tijdens hun gezamenlijke bijeenkomst bekijken ze beelden van hun historische werk terug. Trots, zo lijkt het.

Toch is het opvallend dat enkele sleutelfiguren – gezagvoerder Paul Tibbets, bommenrichter Thomas Ferebee en copiloot Robert Lewis – ontbreken op de reünie, constateert de Nederlandse filmmaker Roelof Kiers in de documentaire Mijn God, Wat Hebben We Gedaan? (71 min.) uit 1981. En tussen die mannen is er ook nog eens kinnesinne. Over de naam van het B-29 vliegtuig bijvoorbeeld – Enola Gay, vernoemd naar Tibbets’ moeder – en wie dat nu echt zou hebben gevlogen.

Kiers laat zijn camera dwalen over het beruchte toestel, dat op de reünie dienst doet als nostalgisch decorstuk voor foto’s van de aanwezige veteranen. Hij reconstrueert met hen de beruchte vlucht die het einde van de Tweede Wereldoorlog zou inluiden. Radarspecialist Jacob Beser deed op weg naar het doelwit nog lekker een tukje, vertelt hij. De anderen hadden er lol in om hem wakker te maken. De sfeer aan boord was duidelijk ontspannen. Tot het moment suprême aanbrak.

‘En toen drukte u op een knop’, zegt Kiers tegen bommenrichter Thomas Ferebee. ‘Niet echt op een knop, maar ik liet de bom los, ja’, antwoordt die 35 jaar later zonder ook maar een spoor van emotie. Daarna keerden ze om, herinnert hij zich. ‘Tegen die tijd was de paddenstoel al tot onze hoogte gestegen’, klinkt het nog altijd buitengewoon nuchter. ‘Dus we vlogen erlangs en keken ernaar en zetten koers naar huis.’

En daar leefden ze – is nu heel verleidelijk om te zeggen – nog lang en gelukkig. Toch is dat niet eens zo ver bezijden de waarheid. Dat is wellicht ook het meest schokkende aan deze boeiende interviewfilm: ook al lieten ze uiteindelijk een kleine 150.000 doden achter in Hiroshima – en drie dagen later nog eens 40.000 in Nagasaki – tot wroeging leidde dat nauwelijks bij de mannen van het 509th. Ze deden gewoon, zoals dat dan heet, hun plicht.

Mijn God, Wat Hebben We Gedaan? is hier te bekijken.

Wieder Gut

EO

Bij de Auschwitz-herdenking van 2020, 75 jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog, bood minister-president Mark Rutte excuses aan voor het handelen van de Nederlandse overheid tijdens de oorlog. Het Duitse staatshoofd Richard von Weizsäcker benoemde 35 jaar eerder, tijdens een veelgeprezen rede op 8 mei 1985, al nadrukkelijk de schuld van zijn land.

Hebben onze Oosterburen daarmee een voorsprong genomen als het gaat om het erkennen van hun eigen rol in de Holocaust? vragen de Nederlander Ruben Gischler en zijn Duitse buurman Tobias Müller zich af. In een rode eend trekken ze er vanuit Amsterdam samen op uit om te bekijken hoe (verschillend) de twee landen de Tweede Wereldoorlog en de Jodenvervolging herdenken en een plek geven in de educatie van een nieuwe generatie landgenoten.

Ze gaan in Wieder Gut (55 min.) bijvoorbeeld in gesprek met de Duitse kunstenaar Gunter Demnig die in heel Duitsland ‘Stolpersteine’ voor vermoorde Joden aanlegt en ontmoeten verder deelnemers aan een brievenproject van het Etty Hillesum Lyceum, waarbij Holocaust-overlevenden en jongeren, vaak met een niet-westerse achtergrond, gaan schrijven met elkaar. Ook spreken Gischler en Müller in Nederland met de vermaarde architect Daniel Libeskind.

Wat ziet hij als hij kijkt naar de Nederlandse en de Duitse aanpak? vragen ze hem. ‘Wat me opvalt is dat de Duitsers al vroeg besloten hebben dat het land niet verder kon zonder de erkenning en het bespreken van de gevolgen van genocide’, zegt de man die met het Namenmonument heel wat drempels moest nemen in Amsterdam. ‘Andere landen, zoals Oostenrijk, verstoppen het ergens in hun achterhoofd. De waarheid is de dochter van de tijd. Uiteindelijk blijft niets verborgen.’

De trip van Ruben Gischler en Tobias Müller eindigt uiteindelijk op de plek die een belangrijk symbool is geworden voor het Nederlandse aandeel in de Holocaust, Kamp Westerbork. Daar komt het bezoek van oorlogsoverlever Tswi Herschel en een groep zeer geïnteresseerde Duitse scholieren van het Max Windmüller Gymnasium, vernoemd naar een Joodse verzetsstrijder, tot een emotionele ontlading. Uit die oorlog kan en moet nog volop lering worden getrokken.

High Maintenance – The Life And Work Of Dani Karavan

Heymann Brothers Films

‘Hoe voelt iemand zich als de natuur tot hem spreekt?’ vraagt filmmaker Barak Heymann sceptisch.

‘Dat zou jij nooit kunnen begrijpen’, antwoordt Dani Karavan. ‘Alleen een echte kunstenaar kan dat. Meer zeg ik niet.’

‘Kom op, papa’, bemoeit Karavans dochter Tammy zich nu met het gesprek. ‘Wees aardig!’

‘Dat ben ik’, zegt die narrig glimlachend.

In de openingsscène van dit lekker wringende portret van Karavan, die afgelopen jaar overleed, bezoekt dit drietal het Negev Monument in Be’er Sheva te Israël. Daar heeft de hoogbejaarde architect, die in de hele wereld bekendheid geniet vanwege zijn monumenten voor slachtoffers van de Holocaust, zojuist verteld hoe de wind daar in een kolossale pijp blaast en zo een soort muziek voortbrengt.

Op die manier zou hij zelf ooit zijn ‘geroepen’. Karavan: ‘Ik luister ook naar mijn vrouw en dochters, maar de natuur heeft natuurlijk een ongelofelijke kracht. De natuur praat nooit over Netanyahu, begrijp je?’ En met die opmerking over Israëls langstzittende premier, die in 2021 afscheid heeft moeten nemen, begint het gekibbel met Heymann weer van voor af aan, over politieke kunst ditmaal, waarbij Karavan uiteindelijk bij een schilderij van Picasso terecht komt. De documentairemaker heeft er nog nooit van gehoord. ‘Die vent weet niet eens wat Guernica is’, gebaart zijn hoofdpersoon naar Tammy. Hier spenderen we onze tijd niet meer aan. ‘Ik ben bereid om je gratis kunstles te geven’, zegt hij nog vijandig. ‘Helemaal gratis.’

High Maintenance – The Life And Work Of Dani Karavan (54 min.) is een film over een man die heel wat onderhoud nodig heeft. Net als zijn werk. En daar ontbreekt het nogal eens aan, constateert hij bitter in deze film, waarin Barak Heymann hem regelmatig op scherp zet als ze samen op allerlei plekken zijn monumenten bezoeken. Het ene ontwerp is wel ‘heel heel heel heel eenvoudig’, het andere zou volgens de interviewer ook bedacht kunnen zijn door een tweedejaars student. Karavan wordt zo uitgedaagd om zijn visie te expliciteren en zo nodig te verdedigen. Intussen komt hij ook elders onder vuur te liggen. Wordt zijn kunstwerk bij het POLIN Museum in Warschau bijvoorbeeld door Polen gebruikt om het dubieuze oorlogsverleden wit te wassen?

Uiteindelijk, na flink doorvragen, komt dan vanachter zijn pantser ook de broze oude man tevoorschijn. Die in deze lekker stekelige film worstelt met zijn gezondheid, zijn naasten aanhaalt en nadenkt over wat hij nalaat, als straks, over niet al te lange tijd, het licht uitgaat.

Lezecher: De Lange Strijd Voor Een Holocaustmonument

Max

Een monument met de namen van de 102.000 Joden en 220 Roma en Sinti die in de Tweede Wereldoorlog zijn vermoord. Dat wordt in Amsterdam vast met open armen ontvangen, zou je denken. Toch krijgt het initiatief van Jacques Grishaver, de voorzitter van het Nederlands Auschwitz Comité, vanaf het allereerste begin met tegenwerking te maken. 

In 2010, aan het begin van de documentaire Lezecher: De Lange Strijd Voor Een Holocaustmonument (55 min.), lijkt het Westermanplantsoen, in het hart van de oude Amsterdamse Jodenbuurt, de gedroomde locatie. Na aanhoudende protesten moet het Holocaust Namenmonument echter verkassen naar het Wertheimpark, maar ook daar loopt het project, waarvoor inmiddels de gerenommeerde architect Daniel Libeskind is aangetrokken, vast in het drijfzand van eindeloze bezwaarprocedures: tegen aantasting van het aangezicht, bomenkap of de hoge bouw…

Op al te veel begrip kan dat niet rekenen bij de gedreven Grishaver – of bij documentairemaker Deborah van der Starre, die duidelijk met hem en zijn ideaal sympathiseert. ‘Misschien denkt men dat wij na dertien jaar opgeven’, zegt de man, die een groot deel van zijn familie verloor in de vernietigingskampen, strijdbaar als hij weer een tegenslag heeft moeten incasseren. ‘Dat gebeurt dus niet. We gaan rustig verder.’ Dan laat hij toch even in zijn kaarten kijken. ‘Alleen zullen vele mensen, die het mee hadden willen maken, er niet meer zijn. Die zijn dood. Maar ja, dat gaat om Joden. Dat maakt verder dus niks uit.’

’s Mans emotie doet misschien niet helemaal recht aan de positie van de bezwaarmakers, maar is gezien de teleurstellingen die hij tijdens de realisering van het Namenmonument krijgt te verwerken wel begrijpelijk. In deze gedegen documentaire registreert Van der Starre het complete moedeloos makende proces, waarbij ze Jeroen Krabbé als verteller alle gebeurtenissen met elkaar laat verbinden en toewerkt naar het moment waarop dan eindelijk de eerste schop in de grond mag. Voor een monument dat er volgens Jacques Grishaver allang had moeten zijn.

De Lijst Van Mengelberg

Moondocs

Van volksheld naar staatsvijand nummer één. Het ‘overkwam’ de immens populaire Nederlandse dirigent Willem Mengelberg, die zich tijdens de Tweede Wereldoorlog tot ontsteltenis van veel landgenoten aan de zijde van de Duitse bezetter schaarde.

De keuze van Mengelberg, volgens zijn biograaf Frits Zwart bepaald geen prettige persoonlijkheid, liet een schokgolf door het land gaan, die 75 jaar na dato op bepaalde plekken nog altijd voor kleine rimpelingen in het water zorgt. ‘De musicus kunnen we prijzen’, zegt David Bazen, de huidige directeur van het Amsterdamse Concertgebouworkest, over de erfenis van het omstreden boegbeeld van zijn orkest. ‘Maar de mens Mengelberg blijft echt een problematische persoon.’

Toch is dat niet alles wat er kan (en moet) worden gezegd over de man die zijn volk zo opzichtig verraadde. De werkelijkheid lijkt genuanceerder dan het verhaal dat ervan is gemaakt. Zo was Mengelberg om te beginnen Duits van origine. Hij kwam op zijn tweede pas naar Nederland. Thuis zou er altijd in zijn moedertaal worden gesproken. Het is dan misschien geen echt excuus voor zijn latere geestdrift voor de nazi’s, zoals bijvoorbeeld nog altijd blijkt uit aantekeningen die de dirigent maakte op oude Duitse kranten, maar maakt die wel begrijpelijker.

En dan blijkt er ook nog een andere kant te zitten aan Mengelbergs positie tijdens de oorlog. Daarop concentreert Jaap van Eyck zich dan ook in De Lijst Van Mengelberg (77 min.). Hij gebruikt niet voor niets het woord ‘lijst’. Dat roept associaties op met Oskar Schindler die tijdens de oorlog bijna elfhonderd Joden redde (of, in een Nederlandse context, De Kinderen Van Truus Wijsmuller). Mengelberg spande zich in woord en daad in voor de Joden in zijn directe omgeving, zijn eigen orkestleden in het bijzonder.

75 Jaar later kunnen hun kinderen er nog steeds van getuigen. En dat doen ze dan ook uitgebreid in deze gedegen film, die met fraaie zwartwit-animaties en klassieke muziek naar een hoger plan wordt getild. Terwijl driekwart van de Nederlandse Joden tijdens de oorlog in vernietigingskampen belandde, werden hun ouders, gekenschetst als mensen ‘die verdienstelijk waren geweest voor de Nederlandse samenleving’, ondergebracht op Landgoed Schaffelaar in Barneveld. Van daaruit konden deze vertegenwoordigers van de culturele elite de oorlog uiteindelijk wél overleven.

‘Zo werkt het nu eenmaal’, zegt historica Pauline Micheels bijna schouderophalend. Ze blijft nochtans hard oordelen over Willem Mengelberg. Die ambiguïteit kenmerkt deze documentaire die weliswaar een onderbelichte kant verkent van de man die na de oorlog een dirigeerverbod kreeg, maar die hem verder helemaal niet probeert vrij te pleiten.

De Lijst Van Mengelberg is hier te zien.

Jetje Van Radio Oranje: Van Het Één Kwam Het Ander

Frits Droog / Max

Van het één kwam het ander. Voor het werk van haar vader was het hele gezin Paerl toevallig in het buitenland toen de Duitsers in mei 1940 Nederland binnenvielen. De Joodse tiener Jetty en haar familie probeerden tevergeefs weer naar huis te reizen, maar belandden uiteindelijk in Engeland. Daar werd ze gevraagd voor Radio Oranje. Ze zou er als zangeres uitgroeien tot Jetje Van Radio Oranje: Van Het Één Kwam Het Ander (50 min.), een symbool voor het Nederlandse verzet.

Via een gesprek met dochter Anne-Rose Bantzinger, woonachtig in een huis dat oogt als één groot eerbetoon aan haar moeder, portretteren Pamela Sturhoofd en Jessica van Tijn de vrouw die haar beroemdheid na de oorlog wist te continueren, onder andere via deelname aan het Eurovisie Songfestival en de hit De Vogels Van Holland. Ook haar echtgenoot, tekenaar en kunstschilder Cees Bantzinger, wordt heel uitgebreid eer betoond in dit verzorgde tv-monumentje.

Dat laatste roept in eerste instantie vragen op. Die worden in het slot van Jetje Van Radio Oranje echter geheel beantwoord, als een uiterst pijnlijke kwestie uit het verleden hem halverwege de jaren tachtig alsnog dreigt in te halen. ‘Hoe ik dat thuis moet vertellen, dat is me nog een raadsel’, vertelde Bantzinger destijds aan de omstreden schrijver Adriaan Venema, die consequent in de onderbuik van de oorlog was blijven wroeten. ‘Het is gebeurd. Het is geschiedenis.’

Van het een kwam ook nu, ruim veertig jaar na dato, het ander. En Jetty’s leven nam weer een dramatische wending.

Colette

The Guardian

Voor het eerst in haar leven gaat de negentigjarige Colette Marin-Catherine naar Duitsland, naar het concentratiekamp Mittelbau-Dora in Nordhausen, waar haar broer Jean-Pierre ter dood werd gebracht. De Franse verzetsstrijdster wordt vergezeld door de jonge studente geschiedenis Lucie Fouble, die nog nooit in een kamp is geweest en nu het levensverhaal van Jean-Pierre Catherine gaat optekenen.

Slechts één procent van de Fransen zou tijdens de Tweede Wereldoorlog in verzet komen tegen de Duitse bezetter. Voor broer en zus Catherine leek dat echter vanzelfsprekend. Wat was Jean-Pierre voor een man?, wil Lucie in de trein naar het kamp weten. ‘Gemaakt van staal’, antwoordt Colette (25 min.). ‘Als hij door een muur wilde, kon de muur het wel vergeten.’

Eenmaal ter plaatse in Duitsland wil de burgemeester Colette tijdens een etentje officieel verwelkomen. Al snel laat de hoogbejaarde Franse vrouw echter weten dat ze daarvan niet gediend is. Als Colette samen met haar metgezel op het kamp arriveert, nemen de emoties het definitief over. En ook Lucie houdt het niet meer droog. Samen staan ze echter sterk.

In de chemie tussen de twee vrouwen – de één oud en getraumatiseerd, de ander jong en idealistisch – zit de voornaamste meerwaarde van deze korte documentaire van Anthony Giacchino, die verder het welbekende tragische verhaal van de Tweede Wereldoorlog vertelt. Op een manier die ook voor nieuwe generaties aantrekkelijk is.

De Oscar-jury bleek er in elk geval gevoelig voor en beloonde de film met de Academy Award voor beste korte documentaire. Dat is eerlijk gezegd wat veel van het goede.

De Sobibor Tapes – De Vergeten Interviews Van Jules Schelvis

Het kamp zelf was volledig van de aardbodem verdwenen. Met de grond gelijkgemaakt. De herinneringen aan Sobibor bleken veertig jaar later echter nog springlevend. Jules Schelvis, een Nederlander die het nazi-vernietigingskamp overleefde, wilde de verhalen van die overlevenden vereeuwigen. Zodat er toch nog iets van deze plek des doods, waar zo’n 170.000 mensen werden vermoord, bewaard zou blijven.

Samen met schrijfster en slaviste Dunya Breur sprak Schelvis begin jaren tachtig twaalf mensen die de hel levend verlieten, voor wat een document in de traditie van Shoah moest worden. Dat zou er tot zijn grote verdriet alleen nooit komen. Vijf jaar na zijn dood vormen de opnamen van die getuigenissen alsnog de basis voor een documentaire: De Sobibor Tapes – De Vergeten Interviews Van Jules Schelvis (56 min.), gemaakt door filmmaker Piet de Blaauw en cameraman Jan Pieter Tuinstra.

Met historicus Johannes Houwink-ten Cate, Jetje Manheim van de Stichting Sobibor en oud-journalist Cees Labeur reconstrueren zij de pogingen van Schelvis en Breur om een film over het vernietigingskamp te maken en zoomen ze natuurlijk ook in op de fameuze opstand in Sobibor op 14 oktober 1943. Schelvis sprak in dat kader met de Russische leider Sasha Pechersky en enkele andere oproerlingen. Zij lijken de gebeurtenissen die hun hele verdere leven definieerden opnieuw te beleven voor de camera.

‘Tijdens de opstand zijn er zeer veel mensen omgekomen’, heft Pechersky bijvoorbeeld met betraande ogen en overslaande stem het glas met enkele lotgenoten, in één van de aangrijpendste scènes. ‘Onze vrienden zijn van ons weggerukt, doodgeschoten. Ik stel voor om de nagedachtenis van onze gevallen kameraden aan wie wij ons leven te danken hebben te eren met een minuut stilte.’ En daar staan ze, breekbare oude mannen die in desperate tijden hun rug rechtten en die duidelijk nog altijd een enorme last met zich meetorsen.

Behalve een eerbetoon aan al die verloren of geschonden levens is deze gedegen tv-docu natuurlijk ook een hommage aan Jules Schelvis zelf, een man die in Sobibor zijn jonge echtgenote Rachel verloor en tot op hoge leeftijd geplaagd zou worden door demonen uit het verleden. De oorlog zou hem nooit meer loslaten. En hij zou de oorlog nooit meer loslaten. Deze voltooiing van zijn levenswerk doet de man recht.

Verstopt

KRO-NCRV

Een vrijstaande villa. Aan de muur hangt kunst. En op planken staat kunst. Overal eigenlijk. En rommel. Ook overal. Een nette vrouw, Vera Funke, baant zich voor de camera van Frans Bromet door de ontzettende rommel. ‘Alles wat hier staat zijn dingen waarvan hij houdt, is verzameld met liefde.’

‘Hier heeft hij gewoond’, vraagt Bromet. ‘Tot wanneer?’

‘Tot ongeveer anderhalve maand geleden. Toen is hij ziek geworden en uiteindelijk ook gevallen. En daarna is hij het huis uitgewandeld en eigenlijk niet meer teruggekomen.’ Funke wijst naar een door allerlei spullen overwoekerde zitbank. ‘Hij sliep hier op de bank.’

‘Daar past toch geen mens op?’

‘Nee, daar past ook geen mens op. Daarom is het ook vrij apart dat-ie dat zo lang heeft volgehouden.’

Eduard van Dijk, de eigenaar van het typische hoardershuis, herstelt inmiddels in een verzorgingstehuis. Zo nu en dan keert hij terug naar huis om samen met Funke orde op zaken te stellen. ‘Ieder klein of groot voorwerp, belangrijk of onbelangrijk, heeft voor mij een soort geheugenstimulans’, zegt hij. ‘Levende geschiedenis, die je om je heen hebt. Dan ga je dat toch niet wegdoen?’

De man heeft een niet te stillen honger naar de Tweede Wereldoorlog. ‘Dat is het voordeel als je heel veel rommel hebt’, zegt Van Dijk geëmotioneerd als hij in een boek op een Jodenster stuit. ‘Dan kom je heel veel dingen tegen, die geen rommel zijn.’ Terwijl hij die spullen, en daarmee ook zijn eigen leven, begint op te ruimen, wordt steeds duidelijker wat achter die enorme verzameling boeken en artefacten Verstopt (54 min.) zit: een heel persoonlijk familieverhaal.

Over zijn vader, de verzetsman Jacob van Dijk, die betrokken raakte bij het zogenaamde Englandspiel en die de oorlog niet zou overleven. Bromet vervat diens ervaringen in voorgelezen passages uit het boek Nacht Und Nebel van Floris Bakels, die worden vergezeld door beelden van het concentratiekamp Natzweiler. Daar zorgden ze ervoor dat ‘NN-Häftlinge’ zoals Van Dijks vader Jacob spoorloos verdwenen.

Sinds zijn val kan Eduard van Dijk zijn emoties daarover niet altijd meer beteugelen. Alsof zijn schild is verdwenen. Frans Bromet en Max Ploeg, de samensteller van deze interessante tv-docu, laten zien hoe hij zijn eigen gevoelens steeds meer toelaat en zo ook dichter bij zichzelf komt. Een proces dat, mede door ‘s mans verzameling antieke wapens, niet geheel zonder gevaar is.

They Shall Not Grow Old

Van gezichtsloze mannen uit een lang vervlogen tijd, stom en zwart-wit, worden ze jongens van nu. Vitaal, goedlachs en jong, verrassend jong. They Shall Not Grow Old (99 min.), Peter Jacksons epische film over de Eerste Wereldoorlog (1914-1918), is dan al ruim 25 minuten onderweg. De oorlog tussen Groot-Brittannië en Duitsland is verklaard. Met een uitgebreide campagne zijn mankrachten geworven. En talloze Britse jongelingen, vaak nog minderjarig, hebben zich gemeld. Al hebben ze geen idee waarvoor ze hebben ingetekend.

De geluidloze, grofkorrelige zwart-wit beelden, begeleid door quotes van een eindeloze stroom veteranen, brengen de aanloop naar de Grote Oorlog treffend in beeld, maar er is tegelijkertijd geen twijfel mogelijk: hun nét iets te vlot opgestapelde verhalen spelen zich af in een andere wereld, ruim honderd jaar geleden. Waar we onze (over)grootvaders vroeger, ook alweer lang geleden, wel eens over hebben horen vertellen. En waar Peter Jacksons opa William gewond raakte, bij de Slag aan de Somme in 1916.

En dan, na een klein half uur, krijgen die naamloze mannen ineens letterlijk kleur en beginnen ze zowaar ook met elkaar te kletsen. Een enkeling roept zelfs ‘hoi mam’ naar de camera. Met liplezers en stemacteurs heeft Peter Jackson de soldaten een stem gegeven. Ook het decor waarin ze zich begeven, de loopgraven, komt tot leven. De geluiden van mannen onder elkaar, onderbroken door artillerievuur en ontploffende granaten. Het is een geweldige zet: een historische documentaire wordt nu een actuele film, die zich qua beleving (bijna) kan meten met een recente speelfilm over diezelfde oorlog, 1917.

Gesprekken met veteranen uit de jaren zeventig en tachtig en de prachtig gerestaureerde en ingekleurde beelden gaan daarbij een glorieus verband aan met elkaar – al hadden ze in werkelijkheid natuurlijk weinig met elkaar van doen. De militairen die je ziet kunnen niet de mannen zijn die je hoort. Toch slaagt Jackson erin om hen met elkaar te verbinden en hun collectieve ervaring, die honderd jaar later nog altijd actueel en urgent voelt, over te brengen: de kameraadschap, het respect voor de opponent (‘de Jerries’) en de onderbroekenlol, maar ook de gruwelen van de strijd, zoals gangreen, frostbite en – natuurlijk – de eervolle dan wel roemloze dood.

Één van zijn collega’s was geraakt, vertelt een anonieme soldaat bijvoorbeeld. ‘Zijn linkerarm en linkerbeen waren afgerukt. Zijn linkeroog hing op zijn wang. En hij riep om zijn moeder’, herinnert hij zich. ‘Dus heb ik hem doodgeschoten.’ De militair probeert zich te verontschuldigen: ‘Dat moest wel. Ik moest hem doodschieten. Hij zou sowieso zijn gestorven. Ik heb hem alleen uit zijn lijden verlost.’ Snikkend: ‘Dat deed zo’n pijn.’

Het zijn zulke kleine, indrukwekkende verhalen, van een jongen die je niet kent over een jongen die je ook niet kent, waarmee Peter Jackson de beleving van al die Jan Soldaten tijdens Die Andere Wereldoorlog weer tastbaar maakt. Een niet te onderschatten prestatie.