Wieder Gut

EO

Bij de Auschwitz-herdenking van 2020, 75 jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog, bood minister-president Mark Rutte excuses aan voor het handelen van de Nederlandse overheid tijdens de oorlog. Het Duitse staatshoofd Richard von Weizsäcker benoemde 35 jaar eerder, tijdens een veelgeprezen rede op 8 mei 1985, al nadrukkelijk de schuld van zijn land.

Hebben onze Oosterburen daarmee een voorsprong genomen als het gaat om het erkennen van hun eigen rol in de Holocaust? vragen de Nederlander Ruben Gischler en zijn Duitse buurman Tobias Müller zich af. In een rode eend trekken ze er vanuit Amsterdam samen op uit om te bekijken hoe (verschillend) de twee landen de Tweede Wereldoorlog en de Jodenvervolging herdenken en een plek geven in de educatie van een nieuwe generatie landgenoten.

Ze gaan in Wieder Gut (55 min.) bijvoorbeeld in gesprek met de Duitse kunstenaar Gunter Demnig die in heel Duitsland ‘Stolpersteine’ voor vermoorde Joden aanlegt en ontmoeten verder deelnemers aan een brievenproject van het Etty Hillesum Lyceum, waarbij Holocaust-overlevenden en jongeren, vaak met een niet-westerse achtergrond, gaan schrijven met elkaar. Ook spreken Gischler en Müller in Nederland met de vermaarde architect Daniel Libeskind.

Wat ziet hij als hij kijkt naar de Nederlandse en de Duitse aanpak? vragen ze hem. ‘Wat me opvalt is dat de Duitsers al vroeg besloten hebben dat het land niet verder kon zonder de erkenning en het bespreken van de gevolgen van genocide’, zegt de man die met het Namenmonument heel wat drempels moest nemen in Amsterdam. ‘Andere landen, zoals Oostenrijk, verstoppen het ergens in hun achterhoofd. De waarheid is de dochter van de tijd. Uiteindelijk blijft niets verborgen.’

De trip van Ruben Gischler en Tobias Müller eindigt uiteindelijk op de plek die een belangrijk symbool is geworden voor het Nederlandse aandeel in de Holocaust, Kamp Westerbork. Daar komt het bezoek van oorlogsoverlever Tswi Herschel en een groep zeer geïnteresseerde Duitse scholieren van het Max Windmüller Gymnasium, vernoemd naar een Joodse verzetsstrijder, tot een emotionele ontlading. Uit die oorlog kan en moet nog volop lering worden getrokken.

Free As A Bird

KRO-NCRV

Met een nieuwe nier kan Ariana de la Fosse blijven dansen. In de familie is alleen geen nier beschikbaar. Als die er op korte termijn niet komt, zal het twaalfjarige Nederlandse meisje voorlopig moeten gaan spoelen. En nierdialyse is toch wel erg moeilijk te combineren met de hobby waar ze zich viermaal per week helemaal aan overgeeft: dansen.

Op het strand fantaseert Ariana met een vriendinnetje over van wie ze een orgaan zou kunnen krijgen. Hoe zou die er dan uitzien? Is het een man of een vrouw? Is het een jong iemand? Ze kijkt naar de zee. ‘Die dikke mevrouw…’, giebelt ze. Ariana denkt er nog eens over na: ‘Het maakt me niet echt uit wie het is. Ik wil wel dat diegene er een beetje fris uitziet.’

Met haar broer Arthur en hond Mikey werkt ze in Free As A Bird (15 min.) aan een filmpje, waarmee ze een donor hoopt te vinden. Via die opnames belicht regisseur Annelies Kruk de nierziekte van het meisje. Dit gebeurt zoals dat in veel (Nederlandse) jeugddocu’s wordt gedaan: vanuit het perspectief van het kind en met een positieve inslag. Geen sombermansverhalen dus.

Dat werkt ook in dit geval weer prima. Ariana is weliswaar een kind met een hulpvraag, letterlijk in dit geval, maar wordt geen moment als een slachtoffer afgebeeld. Free As A Bird is daarmee fijn kijkvoer voor zowel ouders met kinderen als ouderen zonder kinderen. En hopelijk vaart Ariana’s zoektocht naar een donor, inmiddels uitgezet via sociale media, er wel bij.

Liever Kroes?!

VPRO

Is het misschien een uitdrukking van zelfhaat? vraagt Nelly dos Reis zich af. Van geïnternaliseerd racisme? Al zo’n 25 jaar, sinds haar tiende, ontkroest de Kaapverdiaans-Nederlandse vlogger met chemische middelen haar haren. Nelly wilde als kind gewoon mooi zijn. Net als haar Barbies. Met lang, blond en steil haar dus. Dat was natuurlijk een behoorlijke uitdaging voor een meisje met een afrokapsel. Gelukkig was ze wel ‘light-skinned’, dacht ze er dan stiekem bij.

Inmiddels heeft Nelly twijfels gekregen bij haar pogingen om te voldoen aan het traditionele witte schoonheidsideaal. In Liever Kroes?! (27 min.) besluit ze terug te gaan naar af: naar de haardos die ze van moeder natuur heeft gekregen. De kapster mag dus rigoureus de schaar zetten in haar lange haren. Terwijl ze een metamorfose ondergaat, moet Nelly in deze korte documentaire, die ze maakte samen met Soraya Pol, opnieuw naar zichzelf leren kijken. Dit gaat regelmatig gepaard met stevige emoties. Ze ziet iemand die ze niet wil – of durft te – zijn.

Intussen spreekt ze met haar moeder, die haar haren ook altijd heeft ontkroesd, en haar vader, die zelf in zijn jonge jaren wél een afro had. Op foto’s uit de jaren zeventig is hij te zien met het destijds behoorlijk hippe kapsel. Alle vrouwen om hem heen hebben hun haar echter gestraight. Pa kan zich ook niet herinneren dat hij ooit een vriendin met kroeshaar heeft gehad, moet hij bekennen aan zijn inmiddels volwassen dochter.

Die probeert zich nu te ontworstelen aan het schoonheidsideaal dat ze zichzelf van jongs af aan heeft opgelegd en dat zwarte vrouwen zichzelf – en elkaar – sowieso lijken op te leggen. In dat kader belandt Nelly bij een workshop van Aminata Cairo, die is gespecialiseerd in inclusie en diversiteit. Samen met andere vrouwen gaat ze letterlijk in de spiegel kijken en probeert vervolgens die ene cruciale zin, waarin uiteindelijk alles zit opgesloten, over haar lippen te krijgen: ik mag er zijn.

Mama

Cinecrowd

Over een jaar neemt ze deel aan het Nederlands Kampioenschap paaldansen. Dat is niet zomaar een doel. Het moet de oplossing worden voor het voornaamste probleem van Marieke de Bra: ze is al dertien jaar vrijgezel. Een gewillige prooi voor mannen die zich niet willen of kunnen binden. En dat moet nu maar eens afgelopen zijn! Zij wordt gewild. Sensueel. Geil. Toch? Voor de zekerheid vraagt ze het nog even na bij één van die mannen. Nu is het alleen nog een kwestie van tijd voordat Marieke doorkrijgt dat ze eerst van zichzelf moet leren houden voordat al die kerels dat kunnen.

Dat paaldansen is overigens meteen een mooie steek onder water naar haar ouders. Die hebben al sinds jaar en dag een dansschool in Roosendaal. Daar liggen ook de wortels van haar probleem, heeft ze geconstateerd. ‘Ik wil graag meer dingen met jullie kunnen bespreken’, zegt Marieke, terwijl ze haar camera in Mama (46 min.) van dichtbij op haar moeder richt. ‘Zoals?’ reageert die. ‘Nou’, zet dochter door. ‘Zoals ik me voel, zoals ik me vroeger heb gevoeld of hoe het met jullie gaat.’ Ank de Braa krijgt er de vinger niet helemaal achter: ‘Maar dat kan je toch altijd?’

Dat gevoel heeft Marieke alleen nooit gehad. Gelukkig kun je dan nog altijd een egodocu maken. Bij haar therapeute, die veilig buiten beeld blijft, mag Marieke bovendien lekker haar hart luchten. En haar moeder blijkt uiteindelijk best bereid om ook een keer mee te gaan. Wie weet kan Marieke haar zelfs, terwijl de camera nog altijd lustig meters maakt, verleiden tot datgene wat ze al zo lang mist: een knuffel. En dan moet er natuurlijk weer getraind worden. Aan de paal zelf. En aan de ontwikkeling van het concept: de ‘musical interpretation’, het moodboard en – vooral – de storytelling.

Met het verplichte vallen en opstaan – letterlijk natuurlijk! – werkt Marieke de Bra toe naar het NK paaldansen, waarvoor ze haar persoonlijke verhaal verwerkt in een geheel eigen routine. Te langen leste dient zich dan ook eindelijk de onvermijdelijke moraal van het verhaal aan: het is helemaal niet belangrijk of mannen bij bosjes voor je vallen. ‘Deze liefdesdans was voor mezelf’, concludeert Marieke in één van de talloze voice-overs, waarmee ze haar schaamteloze film, een typisch product van deze exhibitionistische tijd, bij de hand neemt. En het mooie is: dan volgt die vent vast vanzelf.

Gij Zult Niet Doden – Treinkaping De Punt

KRO-NCRV

Op zaterdagochtend 11 juni 1977 wordt de gekaapte trein bij De Punt eerst langdurig beschoten en daarna bestormd door mariniers. Twee passagiers komen daarbij om het leven. En zes van de negen Zuid-Molukse kapers. Zij hebben drie weken lang 56 mensen gegijzeld gehouden. Met die actie probeerden ze aandacht te vragen voor de positie van Molukkers. Die zijn in 1951, na de oorlog om het toenmalige Nederlands Indië, naar ons land gekomen. Hen was beloofd dat er een onafhankelijke Molukse staat zou komen.

Zeventig jaar zijn inmiddels verstreken. De Republik Maluku Selatan is er nog altijd niet. Intussen zijn er ook steeds meer vragen gerezen over de gewelddadige beëindiging van de treinkaping bij De Punt. Was het geweld proportioneel of zijn enkele gijzelnemers demonstratief, zonder absolute noodzaak, geëxecuteerd? Advocaat Liesbeth Zegveld heeft aanwijzingen voor het laatste en staat de nabestaanden van twee kapers, Max Papilaya en Hansina Uktolseja, bij in een emotioneel geladen rechtszaak tegen de Nederlande staat.

In Gij Zult Niet Doden – Treinkaping De Punt (73 min.) volgt Koert Davidse gedurende vijf jaar Zegvelds pogingen om vier decennia na dato recht te krijgen voor mensen die al die tijd toch vooral als dader, of als terrorist, te boek hebben gestaan. Ze noemt het ‘een gevecht op elke vierkante millimeter’, waarbij de advocate regelmatig stevig botst met de vertegenwoordiging van de Nederlandse overheid. Het is duidelijk dat er voor beide partijen heel wat op het spel staat. Als de rechters de lijn van de klagers volgt, heeft de toenmalige Nederlandse regering immers zijn geweldsmonopolie misbruikt en zijn de mariniers ingezet als een soort doodseskader.

Ondanks het feit dat Davidse is aangesloten bij Zegveld probeert hij ook de tegenargumenten van de staat een volwaardige plek te geven in z’n weergave van de rechtsgang. Zo ontstaat een afgewogen beeld van de juridische afwikkeling van een tragische gebeurtenis, die al ruim veertig jaar op allerlei plekken in de samenleving schrijnt. Tegelijkertijd wordt en passant ook het verhaal verteld van de Molukse gemeenschap van Nederland en de beruchte treinkapingen, die zich in het collectieve geheugen hebben vastgezet.

Lezecher: De Lange Strijd Voor Een Holocaustmonument

Max

Een monument met de namen van de 102.000 Joden en 220 Roma en Sinti die in de Tweede Wereldoorlog zijn vermoord. Dat wordt in Amsterdam vast met open armen ontvangen, zou je denken. Toch krijgt het initiatief van Jacques Grishaver, de voorzitter van het Nederlands Auschwitz Comité, vanaf het allereerste begin met tegenwerking te maken. 

In 2010, aan het begin van de documentaire Lezecher: De Lange Strijd Voor Een Holocaustmonument (55 min.), lijkt het Westermanplantsoen, in het hart van de oude Amsterdamse Jodenbuurt, de gedroomde locatie. Na aanhoudende protesten moet het Holocaust Namenmonument echter verkassen naar het Wertheimpark, maar ook daar loopt het project, waarvoor inmiddels de gerenommeerde architect Daniel Libeskind is aangetrokken, vast in het drijfzand van eindeloze bezwaarprocedures: tegen aantasting van het aangezicht, bomenkap of de hoge bouw…

Op al te veel begrip kan dat niet rekenen bij de gedreven Grishaver – of bij documentairemaker Deborah van der Starre, die duidelijk met hem en zijn ideaal sympathiseert. ‘Misschien denkt men dat wij na dertien jaar opgeven’, zegt de man, die een groot deel van zijn familie verloor in de vernietigingskampen, strijdbaar als hij weer een tegenslag heeft moeten incasseren. ‘Dat gebeurt dus niet. We gaan rustig verder.’ Dan laat hij toch even in zijn kaarten kijken. ‘Alleen zullen vele mensen, die het mee hadden willen maken, er niet meer zijn. Die zijn dood. Maar ja, dat gaat om Joden. Dat maakt verder dus niks uit.’

’s Mans emotie doet misschien niet helemaal recht aan de positie van de bezwaarmakers, maar is gezien de teleurstellingen die hij tijdens de realisering van het Namenmonument krijgt te verwerken wel begrijpelijk. In deze gedegen documentaire registreert Van der Starre het complete moedeloos makende proces, waarbij ze Jeroen Krabbé als verteller alle gebeurtenissen met elkaar laat verbinden en toewerkt naar het moment waarop dan eindelijk de eerste schop in de grond mag. Voor een monument dat er volgens Jacques Grishaver allang had moeten zijn.

Goud

NPS

Iedere kijker weet op voorhand al wat het gaat worden: Goud (105 min.). Niets meer of minder. Dit portret van het Nederlandse dameshockeyteam krijgt dus hoe dan ook een happy end. Aan het eind van het WK van 2006 in Madrid zullen beeldbepalende speelsters als Naomi van As, Minke Booij en Ellen Hoog dolgelukkig hun gouden medaille in ontvangst nemen. En van de missie van coach Marc Lammers staat van meet af aan vast dat ie gaat slagen.

Dat is geen uitdagende premisse voor een observerende documentaire. Misschien heeft Niek Koppen er zelfs wel van wakker gelegen. Toch heeft hij een boeiende film gemaakt. Want ook de weg naar de hemel is geplaveid met goede bedoelingen (en die zijn dan weer niet genoeg om succes te behalen). Onderweg moeten er steeds weer afwijkende meningen, kleine conflicten en opspelende emoties worden weggemasseerd. ‘Misschien zit dat in onze cultuur dat we allemaal moeten praten, praten met iedereen’, verzucht Lammers als hij weer eens tekst en uitleg heeft moeten geven. ‘Ik ben benieuwd of de coach van Australië, Argentinië of China ook zoveel individueel vertrouwen moet geven. We zijn een praatland.’

De hockeycoach zelf is, ondanks de twijfels die hij daarbij heeft, ook een exponent van die traditie. Hij is geen man van kadaverdiscipline of bars geschreeuwde commando’s. Eerder het type brave huisvader, dat en route ook gewoon met zijn vrouw, kinderen en konijn in de weer blijft. Kritisch, dat wel. En Lammers durft ook besluiten te nemen. Daarover probeert hij dan wel weer helder en empathisch te communiceren. Zoals dat hoort in een beschaafde sport. Met speelsters die de definitieve selectie niet halen gaat hij bijvoorbeeld persoonlijk het gesprek aan. Toch sluipt er onvermijdelijk soms onvrede in de selectie. Een coach die iedereen tevreden wil stellen wint uiteindelijk niets.

Koppen krijgt van Lammers echt toegang en kan zo van binnenuit observeren hoe hij met z’n secondanten geduldig aan het team sleutelt. Het individu moet zich daarbij ondergeschikt maken aan het collectief. Dit gaat lang niet altijd vanzelf. Soms knettert het tussen de dames, op andere momenten vinden ze elkaar juist. Met memorabele scènes tot gevolg. Als Minke Booij op haar teamgenoten foetert vanwege twee onnodige tegengoals. Of wanneer Fatima Moreiro de Melo een teamgenoot troost na een sterfgeval in de familie. En als Miek van Geenhuizen woest weg beent als ze wordt gepasseerd voor een wedstrijd.

Toch is er binnen deze vertelling uiteindelijk relatief weinig ruimte voor de individuele speelsters. Niek Koppen zet duidelijk in op het collectief en laat de afzonderlijke personen verdwijnen in het grotere geheel. Goud is dus eerst en vooral een groepsportret: van 22 ambitieuze vrouwen met een gezamenlijke droom: de eerste wereldtitel in zestien jaar. En van hun begeleidingsteam onder leiding van Marc Lammers, dat de boel bij elkaar en op koers moet zien te houden. Totdat het onvermijdelijke ‘We Are The Champions’ over het veld schalt. En minister-president Jan Peter Balkenende telefonisch zijn felicitaties heeft overgebracht.

Snelle: Zonder Jas Naar Buiten

Netflix

Nee, het is niet zo dat hij altijd al voorbestemd was om volle zalen te trekken: Lars Bos uit het Gelderse dorp Gorssel. Een hele gewone jongen, met een schisis bovendien. En als het grote succes dan tóch komt, onder zijn nom de plume Snelle, en de gelegenheid zich aandient om dat in heel het land hoogstpersoonlijk in ontvangst te komen nemen, slaat het Coronavirus toe en wordt de ‘singer-songrapper’ gedwongen om pas op de plaats te maken, in een speciaal voor het werk op de kop getikte flat te Diemen en op een jurystoel van het televisieprogramma The Voice Kids.

Intussen moeten ook zijn Gelderse vrienden, die zijn opmars in de afgelopen jaren hebben ondersteund en begeleid, elders hun heil zoeken. Het is een klassieke catch-22: de artiest die door zijn succes letterlijk wordt losgezongen van zijn achtergrond en natuurlijke omgeving. Snelle worstelt ermee. Net als met de roem die hem ten deel is gevallen en de druk die er daardoor op hem wordt uitgeoefend. Zie daar het, op zichzelf weinig opzienbarende, centrale drama van de documentaire Snelle: Zonder Jas Naar Buiten (89 min.), die enkele weken geleden is ‘aangekondigd’ met het nieuws dat de hoofdpersoon vanwege oververmoeidheid een pauze inlast.

De documentaire van Anne de Clercq wordt alleen nooit meer dan een tamelijk vlakke biografie, opgehangen aan een actueel haakje. Een prima platform ook om zijn nieuwe single, die toevallig dezelfde titel draagt, te lanceren. In de film komt natuurlijk Snelle’s complete entourage aan het woord: moeder Saskia, vader Jan, opa Willem, vriendin Sterre, collega Maan, platenbaas Jebroer en de kameraden die hem ter zijde staan als manager, muzikale partner of tourmanager. Zoals deze film vanzelfsprekend ook privèfilmpjes, videoclips en achter de schermen-werk van het gesleutel aan nieuwe hits bevat. En, ja, de hoofdpersoon komt sympathiek over, heeft ook best wat te melden en laat zo nu en dan zeker iets over zichzelf los.

Doordat De Clercq het complete Snelle-verhaal wil vertellen, komt de kijker echter ‘weinig over veel’ te weten. Terwijl ‘veel over weinig’ wellicht interessanter was geweest. Misschien zit ‘t ook in de hoofdpersoon zelf en is Snelle misschien toch nét iets te veel Lars Bos om interessant documentaire-materiaal te zijn. Om het te vertalen naar zijn muziek: hij lijkt uiteindelijk meer op Acda & De Munnik, niet voor niets zijn grote inspiratiebron, dan op pak ‘m beet Boef, die hem ooit na een sessie op het hiphopplatform 101Barz op weg hielp. Dat wordt ook duidelijk zichtbaar in de ontknoping van dit portret. Waar zijn controversiële concullega in de docuserie Gewoon Boef moederziel alleen eindigt in een protserige villa, gaat Snelle, als de verstandige jongen die hij nu eenmaal is, toch weer huiswaarts.

Guy Weizman – Voorheen/Nadien

Tangerine Tree

‘Probeer het niet te begrijpen’, instrueert Guy Weizman zijn performers. Ze zijn uit de hele wereld overkomen naar Groningen om zijn artistieke visie te verwerkelijken. Energie componeren, noemt hij dat. De Israëlisch-Marokkaanse artistiek leider van het Nederlandse theatergezelschap wil geen voorstellingen maken, zegt hij in deze film van Willem Baptist, maar die tijdens het maakproces zelf ontdekken. 

Guy Weizman – Voorheen/Nadien (55 min.) is dan ook geen typische making of-docu van de nieuwste productie van het Noord Nederlands Toneel. Het wordt ‘een poëtische film’ legt één van de medewerkers in een Droste-achtige scène uit aan een participant. En dat is geen woord te veel gezegd: Baptist vangt Weizmans visuele bombardement in bloemrijke, straf gekadreerde beelden, waaronder fraaie shots vanuit vogelperspectief.

Zo visualiseert hij de gedachtewereld van de man die zichzelf een soort ‘Godfather uit een Marokkaanse maffiafamilie’ noemt, zomaar kan gaan delibreren over het ‘butterfly effect’ en ontregelende telefoongesprekken met zijn moeder in Marokko voert. Het wordt een zinnenprikkelende ontdekkingstocht door een brein dat altijd in overdrive lijkt te staan en dat bij een splitsing al gauw het minst begaanbare pad kiest.

Baptist begeleidt de beeldenpracht met enigmatische oneliners van Weizman, die als hij zijn troepen dirigeert ook wel iets wegheeft van een goeroe.

‘Een blinde man wacht niet totdat het licht is om te beginnen met lopen.’ Frons.

‘Het stijgt op of het blijft dood op de grond.’ Punt.

‘Het lichaam liegt niet.’ Pauze. ‘Nooit.’

‘Het gaat om de schoonheid van onze onmacht.’ Uitroepteken.

En dan zorgen de Coronamaatregelen ervoor dat alle plannen in het honderd lopen. ‘Fúúúck!’ schreeuwt Weizman gefrustreerd. Geen première. Alleen een weerslag op video, van een generale repetitie/voorstelling zonder publiek. Inmiddels begint het te dagen: deze film zou wel eens die voorstelling kunnen zijn. Niets meer, niets minder. Die dus niet zomaar is gemaakt, maar ergens onderweg is ontdekt.

Leve Het Bruine Monster

AVROTROS

Voordat het een speelbal zou worden van het grote geld en -publiek, werd voetbal in zwart-wit beoefend. Begeleid door levenslustige marsmuziek, een commentaarstem in deftig Nederlands én beleefd juichende toeschouwers. Elk doelpunt werd in die tijd (1890-1956) begroet met een kamerbrede glimlach, enthousiaste hupjes op de plaats en twee recht in de lucht gestoken armen.

Zoals bijvoorbeeld tijdens die ene, klassieke interland uit 1935, waarin het Nederlandse elftal van de illustere Karel Lotsy in het Amsterdamse Olympisch Stadion aantrad tegen de nationale ploeg van Duitsland, die tijdens het spelen van de volksliederen nog collectief de Hitlergroet had gemaakt. Voetbal zou die dag oorlog worden, lang voordat Rinus ‘De Generaal’ Michels de sport aan de frontlinie had gepositioneerd.

De beladen wedstrijd waarin mannen van stavast als Puck van Heel, Beb Bakhuys en Kick Smit de strijd aanbonden met Die Mannschaft vormt het hart van de historische documentaire Leve Het Bruine Monster (50 min.) uit 1998 en inspireerde een veertienjarige Abe Lenstra, één van de helden van de film van regisseur Sherman de Jesus, destijds om zelf ook kicksen onder te binden en de lederen kogel gedurig tegen de touwen te gaan schieten.

‘Ús Abe’ zou één van de helden worden van de tijd dat de edele balsport nog puur en alleen voor de (lands)eer en het plezier werd gespeeld. Een andere hoofdpersoon van de film, waarin Huub Stapel en Gijs Scholten van Aschat de antieke voetbalbeelden verlevendigen met teksten van onder anderen Willem Wilmink, Nico Scheepmaker en Jules Deelder, werd de verpersoonlijking van de volgende fase van datzelfde voetbal.

Toen de sierlijke dribbelaar Faas Wilkes besloot om prof te worden in het buitenland, werd hij direct verbannen uit het Nederlands elftal. De ontwikkeling die was ingezet kon evenwel niet meer worden gestopt: voetbal werd ook in dit calvinistische landje een beroep, zou zich voortaan volledig in kleur gaan afspelen en ontwikkelde bovendien zijn geheel eigen, soms wel erg opzichtige rituelen om een doelpunt of overwinning te vieren.

Van tevoren, nog nét in zwart-wit, kwam er echter een revanche tegen ‘die Duitsers’, de vanzelfsprekende climax van deze vermakelijke terugkeer naar de kinderjaren van het Nederlandse voetbal, waarin de ‘oorlog’ nog een keer opnieuw mocht worden uitgevochten.

Liesbeth List – Heb Me Lief

https://www.deborahvandam.nl/projects/liesbeth-list-heb-me-lief

‘Onopgemaakt ben ik Elly Driessen’, zegt de zangeres, terwijl ze zich in de openingsscène van deze documentaire zorgvuldig opmaakt. ‘En met make-up is ’t het Liesbeth List-gezicht.’ Haar karakteristieke zangstem weerklinkt. ‘Als een boom die is ontworteld. Door de adem van de tijd losgerukt uit de grond onder mijn voeten ben ik herbeplant op onbekend terrein.’ Waarna de titel van de film uit 2006 in beeld verschijnt: Liesbeth List – Heb Me Lief (52 min.).

‘Het ontbreekt me eigenlijk aan niets’, zingt ze vervolgens, op het podium van alweer een theater. ‘Maar toch: ik hoor niet hier.’ Het is geen toeval dat filmmaakster Deborah van Dam haar portret van List juist met dit lied start. Het refereert aan het centrale drama uit haar leven: de zangeres bracht haar jongste jaren door in een jappenkamp in Nederlands Indië. Na de dood van haar moeder werd ze op zevenjarige leeftijd door haar vader achtergelaten bij Jaap List, de vuurtorenwachter van Vlieland. Elly Driessen werd Liesbeth List.

En die kreeg, als geen ander, van doen met Ramses. Altijd weer Ramses (in wiens docu Ramses: Où Est Mon Prince ze ook prominent aanwezig was). De weergaloze chansonnier, flamboyante mediapersoonlijkheid en onverbeterlijke drinkebroer. Ramses Shaffy, de (onbeantwoorde) liefde van Lists leven. Deze film bevat een fijne scène waarin ze met Ramses, inmiddels een breekbare oude man, een prachtige nieuwe versie van diens klassieker Laat Me opneemt met Alderliefste. De oude magie herleeft. Voor haar theatervoorstelling Dichterbij Liesbeth werkt de grand old lady daarnaast vanzelfsprekend samen met Beau van Erven Dorens, Bastiaan Ragas en wijlen Antonie Kamerling.

Intussen herontdekt Liesbeth List in deze film, allereerst met frisse tegenzin, haar eigen verleden als Elly Driessen. Waarbij het afgewezen kind altijd zichtbaar blijft in de volgroeide vrouw, die zich hier van haar kwetsbaarste kant toont. Als halfzus van een ander kind van haar vader, maar ook als moeder van haar eigen dochter Elisah. Gevoelens die perfect zijn vervat in een tekst die Freek de Jonge voor haar schreef: ‘En nu ben ik moeder. Moeder dan mijn moeder. Meer moeder dan mijn moeder. Ooit heeft kunnen zijn.’ Daarmee bewijst List/Driessen haar moeder Corrie, die ze eigenlijk nooit heeft leren kennen, op passende wijze eer.

En als apotheose voor dit portret, dat de essentie van de vrouw blootlegt, leeft de zangeres zich uit in een gedragen interpretatie van Frank Boeijens De Verzoening, met de sleutelwoorden die ook haar eigen leven lijken te domineren: Heb Me Lief.

De documentaire Liesbeth List – Heb Me Lief is hier te bekijken.

Ze Noemen Me Baboe

Cinema Delicatessen

‘Ba’ betekent juffrouw, ‘boe’ moeder. Ze noemen haar dus Baboe. Juffrouwmoeder. Oftewel: kindermeisje. Haar echte naam doet er niet toe. Het is zelfs maar de vraag of de ‘Belandas’ die kennen: Alima. Op de vlucht voor een gearrangeerd huwelijk is de Javaanse vrouw bij het Nederlandse gezin beland. Niet veel later zit ze zelfs met hen op de boot naar Holland. ‘Baboe’ draagt voortaan zorg voor de aandoenlijke peuter Jantje.

Eenmaal terug in Nederlands Indië worden zij en haar bijna-familie eerst geconfronteerd met de Japanse bezetting en daarna met de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd, die voor Alima een heel persoonlijke dimensie krijgt via de onweerstaanbare revolutionair Riboet. Het is een tijd waarin haar loyaliteiten, en die van vele andere lokale gezinshulpen, danig op de proef worden gesteld.

Het kindermeisje doet in Ze Noemen Me Baboe (78 min.) zelf haar verhaal. Althans, regisseur Sandra Beerends heeft op basis van getuigenissen van (kinderen en kleinkinderen van) voormalige baboes en Nederlandse kinderen die een baboe hadden een poëtische voice-over tekst geschreven. Vanuit het perspectief van een fictief kindermeisje, Alima dus, dat zich richt tot haar jong gestorven moeder.

De filmmaakster heeft dit persoonlijke relaas – van een gewone vrouw die op een scharnierpunt in de Nederlandse koloniale historie belandt – verbeeld met een vloeiende combinatie van privé-video’s en (nooit eerder vertoond) beeldmateriaal uit Nederlandse en Indonesische archieven. Een subtiel geluidsdecor en zorgvuldig samengestelde soundtrack kleuren de zwart-wit beelden verder in.

Met deze absolute tour de force brengt Beerends zo op een klein en menselijk niveau, via de empowerment van een kindermeisje, een pregnant stuk Nederlandse historie tot leven.

In 2024 heeft Beerends op een soortgelijke manier de Joodse gemeenschap van Amsterdam tijdens het Interbellum geportretteerd in Nesjomme.