Put Your Soul On Your Hand And Walk

Imagine

‘Hoe voelt ‘t om een Palestijn in Gaza te zijn?’ vraagt de Iraanse filmmaakster Sepideh Farsi, inmiddels woonachtig in Parijs, als ze op 24 april 2024 voor het eerst videobelt met Fatma Hassona. De 24-jarige fotojournaliste heeft haar eigen huis moeten verlaten en woont nu met haar tienkoppige familie op één enkele kamer in het noorden van Gaza. Van daaruit begint Fatma geregeld te bellen met Sepideh. Waarbij elk gesprek – dat realiseren ze zich allebei – hun laatste kan zijn.

‘Ik ben trots’, reageert Fatma en tovert een stralende glimlach op haar gezicht. ‘Ik ben heel trots omdat ik het gevoel heb dat we bijzonder zijn. We zijn sterk en dapper en belangrijke mensen in de wereld.’ Wat ze ons ook aandoen, wil de jonge Palestijnse vrouw maar zeggen, wij gaan gewoon door met ons leven. Met haar foto’s probeert ze ondertussen de alsmaar toenemende ellende in Gaza te vangen, die ze met haar glimlach dan weer relativeert. ‘We hebben niets te verliezen.’

Fatma’s glimlach blijft in de navolgende maanden verschijnen, hoe wanhopig haar situatie ook wordt. Terwijl ze probeert te schuilen voor verpletterende aanvallen van het Israëlische leger, het ene na het andere verlies moet incasseren en ook nog stelselmatig wordt uitgehongerd, blijft de jonge Palestijnse trouw, zolang de haperende verbinding dit tenminste toelaat, bellen met haar nieuwe vriendin Sepideh. Put Your Soul On Your Hand And Walk (113 min.) bestaat vrijwel volledig uit hun gesprekken.

Via deze intieme conversaties, waarbij Fatma in elementair Engels haar situatie schetst en Sepideh haar moed inspreekt, ontstaat een indringend ooggetuigenverslag van het drama in Gaza. Farsi kadert dit in met beelden die ze met haar telefoon maakt van het televisiescherm, als buitenlandse nieuwszenders verslag doen van Israëls nietsontziende respons op de terroristische aanslagen van Hamas op 7 oktober 2023. En daarbij komt ook haar eigen moederland Iran weer in beeld.

Het contrast tussen de twee vrouwen kan intussen bijna niet groter: Sepideh Farsi, veertig jaar geleden gevlucht vanuit het Midden-Oosten, geniet van de vrijheden van het westen, terwijl haar Palestijnse gesprekspartner steeds verder ingesloten raakt. Fatma Hassona’s kamerbrede glimlach kan dan niet meer verhullen dat het haar inmiddels zwaar te moede is – ook al wordt ‘hun’ film tot blijdschap van hen allebei nog wel geselecteerd voor het prestigieuze filmfestival van Cannes.

Het lot van de Palestijnse fotojournaliste is op een tragische wijze verbonden geraakt met dat van haar geboortegrond. En dat kan eigenlijk met geen mogelijkheid meer, laat deze treurig stemmende film treffend zien, eindigen met een happy end.

Hurricane Katrina: Race Against Time

National Geographic

Het was het slechtst denkbare moment om arm te zijn in Amerika, stelt Malik Rahim, sociaal werker in New Orleans. Hij heeft ‘t over 29 augustus 2005, de dag waarop de orkaan Katrina een ongelooflijke ravage veroorzaakte in zijn stad, in het bijzonder in de zwarte gemeenschap van ‘The Big Easy’. De natuurramp zelf zorgde natuurlijk al voor enorme ontzetting, maar de respons van de (federale) overheid veroorzaakte niets minder dan ongebreidelde volkswoede. Alsof ’t ze in Washington, bij de Republikeinse regering van president George W. Bush, echt geen ene mallemoer kon schelen!

‘Katrina was een orkaan van overheidsfalen’ heeft Rahim dan al geconstateerd bij de start van Hurricane Katrina: Race Against Time (220 min.). ‘En het was een orkaan van onrecht.’ Twintig jaar na dato onderzoekt Traci A. Curry in de vijfdelige serie zowel de verpletterende storm, het breken van de dijken en de navolgende staat van de beleg in de ondergelopen straten van New Orleans als de nasleep en erfenis van die traumatische gebeurtenissen. ‘Wat er na Katrina gebeurde’, concludeert Malik Rahim nog altijd verontwaardigd, ‘is met geen mogelijkheid te rechtvaardigen.’

Met duizenden uren aan beeldmateriaal van de ramp en interviews met gewone inwoners, politiemensen, brandweerlieden, militairen, ambtenaren, journalisten en medewerkers van de gewraakte landelijke hulporganisatie FEMA maakt Curry een soort update van When The Levees Broke, de epische documentaireserie waarmee Spike Jones in 2006, slechts een jaar na Katrina, de desolate staat van New Orleans aan de kaak stelde. Hele gemeenschappen, van voornamelijk Amerikanen van kleur, werden volledig aan hun lot overgelaten en raakten zo grondig ontwricht.

Dat had ook met beeldvorming te maken. In Amerikaanse media werd een stad geschetst die was verworden tot een wetteloze jungle, waar winkels werden geplunderd, seksueel geweld aan de orde van de dag was en hulpverleners gedurig werden bedreigd en soms zelfs beschoten. Generaal Russel Honoré, commandant van de Joint Task Force Katrina, kan zich nog altijd opwinden als hij denkt aan hoeveel energie er moest worden besteed aan het bijstellen van die mediawerkelijkheid: het ging om mensen in nood die hulp verdienden, niet om schurken die keihard moesten worden aangepakt.

Die woedend makende maalstroom van gebeurtenissen – de veronachtzaamde bescherming van de stad, de alsmaar uitblijvende hulp, het gebrek aan oprechte interesse vanuit de autoriteiten, de criminalisering van de slachtoffers en tenslotte de manier waarop ‘t de oorspronkelijke bevolking moeilijk werd gemaakt om terug te keren naar hun eigen leefomgeving – werkt nog altijd door bij de direct betrokkenen en geeft deze diepgaande reconstructie een nóg tragischer karakter dan die andere recente National Geographic-serie over een natuurramp, Tsunami: Race Against Time.

Ook bij deze in wezen veel ernstigere ramp, die driekwart jaar vóór Katrina plaatsvond, werden gewone mensen overspoeld door ellende, die wellicht te voorkomen was geweest. De bewoners van New Orleans kregen echter ook nog eens meermaals met het ‘add insult to injury’-principe te maken: het gevoel dat ze niets waard waren – of erger – en net zo goed van de aardbodem weggevaagd konden worden.

Netflix bracht ongeveer tegelijkertijd een miniserie uit over de orkaan die in 2005 huis hield in New Orleans: Katrina: Come Hell And High Water.

Terug Met Dutchbat

EO

Bianca van Pel vierde haar 21e verjaardag met de andere ‘blauwhelmen’ van Dutchbat III. Ze waren in Bosnië om vrede en veiligheid te brengen, maar moesten toezien hoe Servische soldaten in juli 1995 ruim achtduizend islamitische mannen vermoordden bij Srebrenica. Haar collega Kevin Tjon-a-Joe wordt dertig jaar later nog altijd regelmatig overvallen door de geur van de dood. Verpleegkundige Harjan Wessels haalde op een gegeven moment zelfs zijn vrouw Joke naar de schuur. Daar rook het naar Srebrenica.

Samen met wondenverzorger Derk Folkers, die destijds ‘een soort deken over mijn gevoel’ heeft gelegd waarmee hij en zijn vrouw Johanneke gedurig hebben geworsteld, en verpleger Jos van der Heijden, die samen met zijn echtgenote Antoinette tekeningen van Bosnische kinderen terug wil geven aan de inmiddels volwassen makers, maken ze een reis naar het voormalige Joegoslavië. Terug Met Dutchbat (93 min.) is de tweedelige weerslag die Jos de Jager maakte van hun tocht naar deze beladen plek, waar de ergste daad van genocide sinds de Tweede Wereldoorlog plaatsvond.

Sinds 2022 organiseert het Nederlandse Veteraneninstituut zulke terugkeerreizen om, onder begeleiding, te verwerken en herstellen. Deze reizen beginnen al een jaar eerder met een voorbereidingsdag. De verwachtingen zijn hooggespannen. ‘Ik ga er wel met het idee heen dat ik er beter vandaan kom’, zegt Bianca, die wordt vergezeld door haar tienerdochter Bo. ‘Het zou wel heel erg tegenvallen als dat niet zo is.’ Eenmaal in Bosnië bezoeken ze de plekken die al zo lang hun leven beheersen, leggen bloemen bij gedenkplaatsen voor gesneuvelde collega’s en spreken Bosnische slachtoffers.

In de hal van de compound waar tijdens de val van Srebrenica duizenden ontheemde en doodsbange vluchtelingen werden opgevangen, hebben ze bijvoorbeeld geladen ontmoetingen met enkele ‘Moeders van Srebrenica’. Terwijl Dutchbat niet bij machte was om in te grijpen, werden de echtgenoten van Munira Subasic, Nura Begovic en Suhra Sinanovic vermoord. ‘Pas goed op onze kinderen’, zei de man van Suhra, toen ze hem op 11 juli 1995 vaarwel moest zeggen. ‘Dat waren zijn laatste woorden’, zegt ze geëmotioneerd tegen de Nederlanders. ‘Alsof hij wist dat hij ons nooit meer zou zien.’

Voor de Dutchbatters werd de volle omvang van het veroorzaakte leed vaak pas ná hun vredesmissie duidelijk. Toen echt indaalde wat er was gebeurd en dat ze in Nederland niet als helden werden onthaald. ‘De oorlog begint wanneer je terug bent’, zegt Kevin en wijst dan naar zijn voorhoofd. ‘Hier!’ De Jager is er getuige van hoe hij en de andere veteranen in Bosnië hun emoties de vrije loop laten en samen met hun geliefden de confrontatie aangaan met het verleden, in de hoop dat ze hun uitzending naar het voormalig Joegoslavië zo kunnen afsluiten en straks iets van bevrijding zullen voelen.

Sherman’s March

Ross McElwee

Life happens when you’re busy making other plans. Ross McElwee was van zins om een film te maken over de gevolgen van de bloedige veldtocht van generaal William ‘Tecumseh’ Sherman door enkele zuidelijke staten. Tijdens de Amerikaanse burgeroorlog vernietigde Shermans Noordelijke leger in het najaar van 1864 alles wat het op de weg van Atlanta naar Savannah tegenkwam en liet alleen ‘verschroeide aarde’ achter. McElwees hoofd staat alleen helemaal niet naar Sherman’s March (157 min.). Zijn vriendin heeft hem gedumpt en is terug bij haar vorige geliefde.

De familie van de filmmaker vindt dat hij ‘t maar eens moet proberen met ‘a nice southern girl’ en doet een poging om hem te koppelen. Aan zijn vroegere jeugdvriendinnetje Mary bijvoorbeeld – al is het de vraag of zij (weer) vrij is. Even later verliest de hopeloos romantische filmmaker zijn hart aan de knappe actrice Pat, die zelf vooral de Hollywood-ster Burt Reynolds wil ontmoeten – in de hoop dat hij iets voor haar kan betekenen. Als zij een auditie verkiest boven McElwees gezelschap, richt hij zich weer op de ‘march to the sea’ van Sherman en zijn Noordelijke leger.

Totdat zijn zus hem voorstelt aan de onlangs gescheiden moeder Claudia en zijn aandacht voor het oorspronkelijke onderwerp van deze film weer verslapt. Dat gebrek aan focus is natuurlijk een gimmick. Via de vrouwen die hij onderweg ontmoet onderzoekt McElwee de zuidelijke mores rond liefde en leven en zijn eigen verhouding daartoe. Intussen kan hij zich lekker verschuilen achter zijn camera. ‘Jij  kent het verschil niet tussen seks en de dood’, bijt een gefrustreerde postiljon d’amour hem toe als hij weer eens niet begrijpt hoe ie zich tegenover een dame behoort te gedragen.

Voor hedendaagse begrippen is het verteltempo van deze egodocumentaire uit 1985 nogal traag en worden de gesprekken en scènes met een aaneenschakeling van potentiële geliefdes ook wel erg langgerekt. Tegelijkertijd vindt hij er ook het Amerika van halverwege de jaren tachtig, waarin veertig jaar later al de kiemen van het huidige land zijn te ontdekken. Behalve ‘southern belles’ stuit McElwee onderweg bijvoorbeeld op vrees voor een (nucleaire) oorlog, het geloof in Amerika als het beloofde land en de weerzin tegen de federale overheid. Met de vrouwen blijft het intussen behelpen.

‘Ik ben aan het einde van mijn reis gekomen’, concludeert McElwee aan het eind in één van zijn bezonken voice-overs, als hij is gearriveerd in zijn geboortestad Charlotte in North-Carolina. Daar staakte het leger van de geconfedereerden in 1865 definitief de strijd – en loopt een zekere Amerikaanse filmmaker met zijn ziel onder zijn arm. ‘Zonder auto, geen geld en één enkele rol film. Wat erger is: het lijkt alsof ik geen leven meer heb. Mijn echte leven is in een scheur gevallen tussen mezelf en mijn film.’

Het Grote Offensief

September Film

Met een stoutmoedig en meedogenloos plan hoopt de Canadese bevelhebber Guy Simonds in het najaar van 1944 de patstelling in de laatste fase van de Tweede Wereldoorlog te doorbreken. Hij geeft het bevel om het Zeeuwse eiland Walcheren te laten overstromen, om zo kustbatterijen van de Duitsers uit te schakelen. Naderhand meldt de Britse pers triomfantelijk dat het eiland is gezonken en het nazi-garnizoen aldaar weggespoeld. Het blijkt een enorme misvatting. De strijd is nog lang niet gestreden en zal in de komende maanden nog flink oplaaien.

In Het Grote Offensief (98 min.) belicht het team achter de speelfilm De Slag Om De Schelde en de bekroonde dramaserie De Joodse Raad, de strijd rond de Zeeuwse eilanden. Die moet eerst in het voordeel van de geallieerde troepen worden beslist, voordat zij kunnen doorstoten naar Berlijn, om Hitlers naziregime definitief te breken. De overwinningsroes die de legertop na de doorbraak in Normandië en de bevrijding van de stad Antwerpen even in z’n greep kreeg, is dan alweer geweken. En ook de bevrijdingskoorts in het bezette Nederland heeft plaats moeten maken voor realisme.

Regisseur Victor D. Ponten verlaat zich bij het reconstrueren van deze geschiedenis op een hybride van docu en drama. Hij laat authentiek archiefmateriaal van de oorlog en fraaie visualisaties van het front, met digitale kaarten en maquettes, samenvloeien met gedramatiseerde scènes, zowel van gewone soldaten aan het front als van de militaire beslissers die op zoek zijn naar een winnende strategie. Een sleutelrol is er voor verteller Gijs Scholten van Aschat, die alle ontwikkelingen vaardig inkadert en van context voorziet en de verschillende verhaalelementen en -lagen met elkaar verbindt.

De opmars van de geallieerden wordt intussen ernstig belemmerd door onenigheid en wedijver binnen de legertop, tussen de relatief onervaren Amerikaanse opperbevelhebber Dwight Eisenhower (Michael Krass) en de eigengereide Britse veldmaarschalk Bernard Montgomery (Martijn Oversteegen). Deze strubbelingen zorgen zelfs weer voor hoop in Berlijn, waar een vertrouwd tierende Adolf Hitler (Mike Reus) het uiterste van zijn generaals en hun manschappen blijft eisen. Misschien, heel misschien, kan een in wezen al verloren oorlog toch nog in Duits voordeel worden beslist. 

Via deze historische figuren en de keuzes die zij onderweg maken concentreert Ponten zich in Het Grote Offensief zo op het macroverhaal van dit onderbelichte stuk Tweede Wereldoorlog – de weerslag daarvan op gewone Zeeuwen komt bijvoorbeeld nauwelijks aan de orde – dat is omgevormd tot een aantrekkelijk vormgegeven geschiedenisles.

La Batalla De Chile

Equipe Tercer Ano

‘Gelooft u in verkiezingen of ook in andere middelen?’ wil een verslaggever in de openingsscène van La Batalla De Chile (internationale titel: The Battle Of Chile, 263 min.) weten van gewone Chilenen op straat, nadat hij hen eerst naar hun politieke voorkeur heeft gevraagd. Een man, die een ruime overwinning voor de rechtse oppositie voorspelt bij de verkiezingen van 1973, stelt nadrukkelijk dat de regering die uitslag dan ook moet accepteren.

Hij wordt aangevuld door een slanke oudere vrouw, ogenschijnlijk een nette dame, die zich bruusk voor de camera wurmt. ‘De president moet ter verantwoording worden geroepen’, verwoordt zij in felle bewoordingen het overheersende sentiment bij conservatief Chile. ‘Hij moet worden aangeklaagd en op 21 mei naar buiten worden geschopt. Hij heeft ons land kapot gemaakt. Deze regering is ontaard, corrupt en smerig. Al die vuile communisten moeten weg uit Chili!’

Elders schreeuwen aanhangers van de socialist Salvador Allende, de president die sinds 1970 aan de macht is met zijn Unidad Popular, hun linkse leuzen: De Macht Aan Het Volk, natuurlijk. En ook: Voorwaarts Zonder Compromis. Zij reppen, in de woorden van hun tijd, over een strijd van het proletariaat tegen de bourgeoisie. Het Zuid-Amerikaanse land staat duidelijk voor een essentiële splitsing: door op de ingeslagen linkse weg of een fundamenteel andere koers met de conservatieven?

Het vervolg moge bekend zijn en zindert ruim een halve eeuw later nog altijd na: Salvador Allende weet de electorale aanval af te slaan, maar wordt nog datzelfde jaar vermoord bij een militaire staatsgreep, die wordt gesteund door de Amerikaanse regering van de Republikeinse president Richard Nixon. Zo komt uiteindelijk de dictator Augusto Pinochet aan de macht. De voormalige opperbevelhebber van het Chileense leger zal het land tot 1990 in een ijzeren greep houden.

Dit gelauwerde drieluik in zwart-wit van regisseur Patricio Guzmán (1975-1979) wordt gezien als het definitieve document over deze gewelddadige ommekeer. In deel 1 schetst de Chileense filmer hoe de gemoederen na de parlementsverkiezingen steeds verder verhit raken, met als dramatische apotheose het eindshot van de Argentijnse verslaggever Leonardo Henrichsen. Hij vangt het ware gezicht van het Chileense leger, maar moet dat wel met de dood bekopen.

Allende is aan het begin van deel 2 nog vastbesloten om vast te houden aan democratie, maar aanhoudende confrontaties, doelbewuste obstructie en gericht geweld maken hem het leven onmogelijk. Een militaire coup op 11 september beëindigt vervolgens met brute kracht ‘de kanker van het marxisme’. Het slot van de trilogie gaat daarna terug in de tijd, naar de aanloop voor de bloedige afrekening in 1972, als het nog bij vurige woorden blijft tussen strijdbare arbeiders en de gevestigde orde.

Voor hedendaagse begrippen neemt Guzmán erg veel tijd om alle ontwikkelingen te schetsen. La Batalla De Chile lijkt vooral bedoeld als een ooggetuigenverslag van hoe een socialistische droom met bot geweld de nek wordt omgedraaid, met een alwetende verteller die de gebeurtenissen aan elkaar praat en al weet hoe ’t afloopt. Het drieluik schetst tevens een essentieel tijdsbeeld, van de periode waarin de geest van de jaren zestig oppopt en dan weer terug in de fles wordt gepropt.

Intussen loopt het geloof in een maakbare samenleving de ene na de andere knauw op – en wordt daar uiteindelijk ook korte metten mee gemaakt.

Porcelain War

Picturehouse / Roco Films

‘Oekraïne is net porselein’, zegt Slava Leontyev. ‘Gemakkelijk te breken, maar onmogelijk te vernietigen.’ Samen met zijn geliefde Anya Stasenko is de Oekraïense kunstenaar dagelijks in de weer met porselein. Hij vormt dierfiguurtjes, bakt die in een oven en overhandigt ze daarna aan haar. En zij beschildert die ‘porcelain beasts’ dan, geïnspireerd door al wat leeft in de natuur, met gedetailleerde en kleurrijke taferelen.

De twee uit Kharkiv, zo’n veertig kilometer van de Russische grens, kennen elkaar al van kinds af aan, maar vormen sinds de kunstacademie echt een onafscheidelijk duo. In een andere tijd zou het Oekraïense stel zich ook alleen met hun kunst hebben beziggehouden. Sinds de Russische aanval in het begin van 2022 staat de wereld van Slava, Anya en hun hond Frodo echter helemaal in vuur en vlam.

Slava’s beste vriend, de schilder Andrey Stefanov, is enkele jaren geleden in Kharkiv komen wonen. Nadat de Russen in 2014 het Oekraïense schiereiland De Krim bezetten, zagen Andrey, zijn vrouw Lena en hun tienerdochters Anya en Sonya daar geen toekomst meer. Nu ’t enige tijd later ook in Kharkiv oorlog is, nemen de twee kameraden Slava en Andrey de camera ter hand om hun levens en land te filmen.

Dat beeldmateriaal heeft z’n weg gevonden naar Porcelain War (87 min.), waarmee Slava en zijn coregisseur Brendan Bellomo tonen hoe die oorlog gewone mensen dwingt om de wapens op te nemen. Slava behoort zelf al enkele jaren tot een speciale legereenheid en is nu ook begonnen met het trainen van burgers als militair. Want dat is de realiteit in Oekraïne: Ruslands beroepsleger staat tegenover vrijwilligers.

Slava’s collega’s in de zogenaamde Saigon-eenheid waren ooit melkveehouder, meubelverkoper, aannemer, grafisch ontwerper, wapenmaker of IT’er. Al die gewone Oekraïners, met hun eigen verhaal en achtergrond, zijn nu omgevormd tot een professionele militaire eenheid. En die wordt naar de frontlinie in Bakhmut gestuurd, een soort Armageddon, om daar ‘het kwaad’ een halt toe te roepen.

Deze meermaals bekroonde film, voor het leeuwendeel door de hoofdpersonen zelf gefilmd, toont echter niet alleen de schermutselingen, veelal met drones, aan het front, maar vangt ook hoe Skava en Anya thuis, in hun kapotgeschoten stad, mens en kunstenaar proberen te blijven. De creativiteit en liefde voor elkaar versus de rücksichtslos verstoorde vrede. Met kunst als probaat beschermingsmiddel.

In de porseleinen uilen, honden én slakken van Slava en Anya, geplaatst in de buitenwereld en virtuoos met animaties tot leven gebracht door BluBlu Studios, komen die conflicterende werelden samen. ‘Slakken reizen met hun huis op hun rug’, vertelt Slava. ‘Een vluchteling is net een naaktslak.’ Hij herkent ‘t bij z’n vriend Andrey, die z’n gezin bij de grens heeft afgeleverd. Hopelijk zijn ze elders veilig.

Slava Leontyev ziet ook een andere kant aan die oorlog. ‘Het is gewoon een kwestie van enorm geluk dat ik zulke bijzondere mensen ben tegengekomen in mijn leven’, stelt hij. ‘In zekere zin compenseert dat een deel van de ellende die zich rondom ons voltrekt.’ Anya vult aan: ‘De oorlog heeft me laten zien hoe goed mensen kunnen zijn. Van tevoren had ik alleen in boeken gelezen over mensen die van binnen schitteren.’

Het is de opmerkelijke slotsom van deze gekantelde ‘oorlogsfilm’ over de rol van verbeeldingskracht, zelfexpressie en vriendschap, nog eens kracht bijgezet overigens door de bezwerende soundtrack van het Oekraïense folkkwartet Dakhabrakha, in tijden van strijd, nood en patriotisme. Als uitdrukking van de, ondanks alles, liefde voor het leven en de vrijheid.

Culiacanazo: Herederos Del Narco

HBO Max

In de straten van de Mexicaanse stad Culiacan staan op 17 oktober 2019 twee legers tegenover elkaar: speciale eenheden van de Mexicaanse overheid en de ‘sicarios’ van het Sinaloa-drugskartel. Op sociale media wordt live verslag gedaan van de veldslag, die ontstaat als de autoriteiten Ovidio Guzman willen arresteren. Dit kopstuk van het Sinaloa-kartel is een Mexicaanse variant op een nepobaby: de ‘narcobaby’ is een zoon van de beruchte drugsbaas Joaquin ‘El Chapo’ Guzman Loera.

En die werd op 9 januari 2016 met veel machtsvertoon ingerekend, het moment waarop Culiacanazo: Herederos Del Narco (Engelse titel: Battle Of Culiacan: Heirs Of The Cartel, 170 min.) enkele jaren eerder in gang werd gezet. Al snel ontstond er daarna een machtsstrijd tussen de andere grote kartelleider Ismael ‘El Mayo’ Zambada en ‘Los Chapitos’. Ofwel: vier zoons van El Chapo, de (half)broers Ivan, Jesus, Joaquin en Ovidio. Onder leiding van de ‘psychopaat’ Ivan ontketenden zij een terreurbewind, dat een kerkhof vol slachtoffers heeft gemaakt, zowel binnen als buiten het criminele milieu.

Deze vierdelige serie van Fátima Lianes reconstrueert hoe de poging om Ovidio aan te houden helemaal escaleert en vervolgens op last van de Mexicaanse president Andrés Manuel Lopez Obrador wordt afgebroken. Probeert hij zo te redden wat er te redden valt bij een volledig mislukte operatie? Of speelt de president het Sinaloa-kartel doelbewust in de kaart? ‘God weet hoeveel doden er hadden kunnen vallen’, zegt Lopez Obradors minister van Buitenlandse Zaken Marcelo Ebrard. Om er een ogenblik later uiterst cryptisch aan toe te voegen: ‘Het bloed aan de handen van politici was je nooit weg.’

Culiacanazo’s eerste aflevering reconstrueert het bloedbad in Culiacan, dat van Ovidio Guzman zowaar een volksheld maakt: El Raton, de muis. Die status zal hem nog ernstig opbreken, want de Amerikaanse Drugs Enforcement Agency (DEA) heeft z’n zinnen op hem gezet. Guzman zou behoren tot de aanjagers van de Fentanyl-crisis, de bijzonder gevaarlijke pijnstiller die ongenadig huishoudt in de Verenigde Staten. In de resterende afleveringen schetst Lianes de achtergronden daarvan: de verwording van Mexico tot een narcostaat, de bijbehorende corruptie en het eveneens onvermijdelijke geweld.

Culiacanazo beent die wereld uit met talloze en soms ook geanonimiseerde pratende hoofden, waaronder Mexicaanse en Amerikaanse opsporingsambtenaren, (undercover)agenten, militairen, advocaten, informanten, politici, journalisten én slachtoffers. Hun bespiegelingen worden geïllustreerd met nieuwsbeelden en nogal dikke gedramatiseerde scènes en een bijpassende soundtrack. Zo ontstaat niettemin een onrustbarend beeld: van een land dat geen baas meer is in eigen huis en in epische gevechten verzeild raakt met indringers, die uiteindelijk alles kapot maken.

Hollywoodgate

Rolling Narratives

Wees gerust, zegt de nieuwe Taliban-commandant Mawlawi Mansour op de voormalige Amerikaanse basis Hollywoodgate (88 min.) in de Afghaanse hoofdstad Kaboel. ‘Als hij snode plannen blijkt te hebben, is ie snel dood.’ Hij bedoelt de man die hen staat te filmen, waarover een ander Talib zich verbaasde. Ibrahim Nash’at maakt een documentaire, legt Mansour uit. ‘Net een film, maar dan met echte mensen’.

De Egyptenaar heeft toestemming gekregen om hen een jaar te filmen. Met gevaar voor eigen leven kan Nash’at zo documenteren hoe de Taliban in augustus 2021 de macht weer overnemen in Afghanistan. Van 1996 tot 2001 hebben ze een waar schrikbewind gevoerd in het land, dat al sinds de jaren zeventig wordt geteisterd door oorlog en waarop na de Russen nu dus ook de Amerikanen zich hebben stukgebeten.

De filmmaker moet zich strikt houden aan de regels die hem door Mansour en zijn manschappen worden opgelegd. De nieuwe machtshebbers weten heel goed wat ze wel en niet willen laten zien. Ibrahim Nash’at realiseert zich terdege dat hij alleen een incompleet en gekleurd beeld van de werkelijkheid kan laten zien – zonder het dagelijks leven en lijden van gewone Afghanen, vrouwen in het bijzonder, bijvoorbeeld.

Tussendoor hoopt hij nochtans de geest van het nieuwe (oude) Afghanistan te kunnen vangen. Een land waar woeste mannen met baarden en tulbanden weer de dienst uitmaken. Veelal laag opgeleide kerels ook – rekenen blijkt bijvoorbeeld moeilijk – die zich verbazen over wat de Amerikanen bij hun vertrek voor hen hebben achtergelaten. Volgens het Pentagon gaat het om ruim zeven miljard dollar aan militaire spullen.

Voor Nash’ats camera inspecteren Mansour en zijn gevolg, waaronder de ambitieuze voetsoldaat Mukhtar, verweesde oorlogsvliegtuigen, proberen ze de uitgebreide sportfaciliteiten uit of checken de houdbaarheidsdatum van de aangetroffen medicijnvoorraad. Intussen speculeren ze voortdurend over het aanpakken van politieke tegenstanders of het starten van een nieuwe oorlog met buurland Tadzjikistan.

Hoewel ze ’t in deze interessante film voornamelijk bij woorden houden, is glashelder wat de aard van dit gezelschap is. En tijdens de even indrukwekkende als angstaanjagende militaire parade, om het eerste jaar van het nieuwe regime luister bij te zetten, tonen ze alsnog het ware gezicht van het nieuwe Afghaanse regime. Dat voorspelt weinig goeds voor de toekomst.

What They Found In Bergen-Belsen

EO

Ze zeiden er volgens de Britse sergeant Bill Lawrie geen woord over tegen elkaar toen ze eenmaal in hun bed lagen. De medewerkers van de Army Film and Photographic Unit waren die dag in het concentratiekamp Bergen-Belsen geconfronteerd met het ergste wat de mens kan aanrichten en overkomen.

‘Het waren geen mensen meer, maar wat er nog over was van mensen’, vertelde Lawrie later over die dag in april 1945 aan filmconservator Kay Gladstone, die medewerkers van de eenheid interviewde voor het Imperial War Museum in Londen. ‘Lege hulzen’, zoekt hij naar de juiste woorden. ‘Helemaal dood. Er was complete hopeloosheid. Wanhoop. Alsof het einde was gekomen en niemand daar nog iets aan kon doen. En ik denk dat niemand van ons zich realiseerde wat er met ons gebeurde.’

‘Er waren wachttorens in het kamp’, herinnert Lawries collega Mike Lewis, die zelf van Joodse afkomst was, zich de volgende dag. ‘Ik klom erin, om beelden te maken. Het was een andere planeet, een andere aarde, een hel. Hoewel ik al verschrikkelijke dingen had gezien tijdens de oorlog, kon ik me niet voorstellen dat mensen elkaar zo konden behandelen.’ Intussen zijn de beelden te zien die Lawrie, Lewis en hun collega’s destijds maakten van What They Found In Bergen-Belsen (37 min.).

Als cameramensen moesten ze emotionele afstand proberen te bewaren, vertellen ze als die oorlog allang tot de geschiedenis behoort. Anders was het werk ondraaglijk. En het hielp dat ze zich achter een zoeker konden verbergen. Om vast te leggen wat er zich daar, in dat hellehol van nazi-Duitsland, had voltrokken. Bewijsmateriaal. Zwart-witte 35mm-beelden, zonder geluid. Met commentaar erbij van hen, de makers. Over dat ze elke dag, na de opnames, moesten worden ontluisd bijvoorbeeld.

En dan verstommen ook Lewis en Lawrie en mogen de gruwelijke beelden van Bergen-Belsen even voor zichzelf spreken. In doodse stilte. Hun boodschap, door samensteller Sam Mendes vervat in een sober document zonder enige franje, is tachtig jaar later nog altijd met geen mogelijkheid te negeren.

Fighting The Silence

IF Productions

Sommige vrouwen vertelden pas jaren later dat ze waren verkracht. Anderen bleven zwijgen. Tijdens de burgeroorlogen die rond de eeuwwisseling woedden in Congo leek seksueel geweld bijna een integraal onderdeel van het gevecht. ‘Ik schaamde me’, vertelt een vrouw, die werd overweldigd door een groep soldaten, in Fighting The Silence (52 min.). ‘Want het is hier niet normaal dat een volwassen vrouw naakt rondloopt en haar man moet vertellen dat ze verkracht is.’

Alsof dat ergens normaal is…  Na het zien van deze film van Ilse en Femke van Velzen uit 2007 is het alleen de vraag of ’t misschien tóch normaal is in Congo. Niet normaal, als in: geaccepteerd. Maar normaal, als in: regelmatig voorkomend. De Nederlandse tweelingzussen Van Velzen maakten diverse films over de positie van vrouwen in Afrika en laten in deze film zien hoe seksueel geweld vanuit de eigen cultuur kan worden vergoelijkt. Zodat de betrokken vrouwen eigenlijk tweemaal bruut worden overweldigd.

Vrouwen worden in Congo als minderwaardig gezien, stelt Chantal Andzjelani Kakozi van de hulporganisatie Sobifef, die opvanghuizen voor verkrachte vrouwen is gestart. Dat wordt treffend geïllustreerd door een Congolese man die bij thuiskomst ontdekt dat er iets loos is. Zijn vrouw ligt huilend op bed. Hij reageert zoals zijn cultuur hem blijkbaar heeft ingegeven. ‘Ik zei: een vrouw delen met een Burundees kan echt niet’, herinnert hij zich. ‘Je gaat terug naar je familie. Ik laat je los en hoef m’n bruidsschat niet terug.’

‘Als je als man bij je verkrachte vrouw blijft’, zegt een andere man even later, ‘dan krijg je geen rust.’ Zelfs kameraden blijven je dan lastigvallen. ‘Als je een beetje ruziet met vrienden, zeggen ze: jij deelt je vrouw met FDD soldaten. Wat kan je dan nog zeggen?’ Als Chantal Kakozi in gesprek gaat met mannen over seksueel geweld, krijgt ze dan ook alle mogelijke vormen van ‘victim blaming’ op zich afgevuurd – en het idee dat verkrachting door de legers van Burundi, Rwanda en Oeganda in Congo zou zijn geïntroduceerd.

‘De cirkel eindigt nooit omdat er niet gestraft wordt’, constateert Kakozi moedeloos, als ze de man – jongen – die zich heeft vergrepen aan een heel jong meisje in de gevangenis tevergeefs ter verantwoording probeert te roepen. Er is geen beginnen aan, lijkt de conclusie van Fighting The Silence in eerste instantie – ook al schreeuw je ’t van de daken. Toch vinden de zussen Van Velzen aan het einde van hun diep treurige film een sprankje hoop: een echtgenoot die z’n vrouw weer in genade heeft aangenomen.

Na Fighting The Silence maakten Ilse en Femke van Velzen nog twee films in Congo, Weapon Of War (2009) en Justice For Sale (2011). De drie documentaires vormen samen de Congo-trilogie.

Viktor

Cinephil

De Oekraïense jongeling Viktor (89 min.) wil het leger in. Zijn land verdedigen. En de onuitgesproken belofte aan zijn vader gestand doen. Die is in 2015 overleden en had toen vast niet kunnen vermoeden dat de Russen zeven jaar later aan de grens zouden staan, klaar om hun land binnen te vallen.

Aan de vooravond van die historische gebeurtenis start ook deze zwart-wit film van Olivier Sarbil. Viktor staat buitenspel bij die oorlog. Hij is sinds zijn vijfde doof – oorkanker – en mag daarom, tot zijn verdriet, niet in het leger. ‘Ik spreek tot jullie met een stem, die ik zelf niet kan horen’, zegt hij in de openingsscène, met de aardedonkere ‘inner voice’ waarmee hij/Sarbil de film aanstuurt. ‘De doven worden aan de kant geschoven en raken verloren. Ze verliezen het contact met de horende wereld. Ik wilde een krijger zijn, maar misschien heb ik mezelf voor de gek gehouden.’

Terwijl hij dit ‘zegt’ houdt Viktor een samoeraizwaard vast. Zijn andere houvast. Hij zweert bij Miyamoto Musashi’s boek De Strategie Van De Samoerai. Ondanks zijn imposante gestalde, een gepijnigde blik en donkere baard – die zijn moeder niet te kort mag knippen, anders verliest hij, gelijk Samson, wellicht zijn kracht – oogt hij op zulke momenten als een jongetje. Met een heel irreëel beeld van de oorlog. Sarbil, die zelf gehoorschade heeft opgelopen tijdens z’n werk, valt hem echter niet lastig met moeilijke vragen tijdens zijn pogingen om een plek in het Oekraïense leger te bemachtigen.

Intussen speelt de filmmaker met het geluid en die inwendige stem, die overigens heel anders klinkt dan Viktor zelf. Zodra die een machinegeweer krijgt omgehangen blijkt dat hij een talent heeft voor schieten. Instructeurs kunnen nauwelijks geloven dat Viktor dit nog nooit eerder heeft gedaan. Dat betekent alleen niet dat er ook plek is voor hem in één van de legereenheden. Daarvoor verloopt de communicatie met iemand die niet kan horen toch te stroef. Op momenten dat soldaten aan één woord genoeg moeten hebben, zou Viktor volstrekt aan de Goden zijn overgeleverd.

Deze documentaire is bedoeld als een immersieve ervaring, een poging om te benaderen hoe een jonge, vaderlandslievende en dove man de oorlog in zijn land ervaart. Dat voelt soms enigszins gekunsteld en staat zo nu en dan ook het ervaren van diezelfde oorlog in de weg. Alsof alles minder hard binnenkomt. Secundair. En misschien is dat precies hoe Viktor die oorlog ervaart en waarom hij er zo graag deel van wil uitmaken – al is het dan als fotograaf, de uitweg die hij uiteindelijk vindt om zijn diepgevoelde behoefte en de daaraan opgelegde beperkingen te omzeilen.

‘Stilte is geen leegte’, stelt die innerlijke stem intussen. ‘Er ontbreekt niets. Het is de aanwezigheid van het zelf en niets anders. En in deze stilte vind ik m’n vrede.’

The Treasure Hunter

Gex Film

De vindplaats is natuurlijk niet met een kruis aangegeven, stelt Jack nog maar eens ten overvloede. De jonge Brit zoekt nu al een jaar of zes, geheel verblind en met één arm op zijn rug gebonden, naar Yamashita’s goud.

Bij de invasie van de Filipijnen, in de beginjaren van de Tweede Wereldoorlog, beroofde de Japanse generaal Tomoyuki Yamashita het land van zijn schatten. En toen de Japanners na de capitulatie weer met de staart tussen de benen uit de Aziatische archipel moesten vertrekken, zou hij volgens plaatselijke legenden het verzamelde goud hebben verstopt in het labyrint van grotten, gangen en tunnels van zijn strijdkrachten.

Jack is ervan overtuigd dat hij die schat kan vinden – en zijn beste vriend Giacomo Gex, die eigenlijk beter zou moeten weten, legt zijn verwoede pogingen om schathemeltjerijk te worden van zeer nabij vast. Één blik op al dat gegraaf en gewroet in claustrofobische kuilen, gangetjes en grotten en een buitenstaander weet genoeg: Jack zal nooit iets vinden en zal desondanks altijd blijven doorgaan. Tot hij er helemaal aan kapot is gegaan.

Steun van zijn ouders hoeft The Treasure Hunter (84 min.) niet te verwachten. Beter: echte steun. Geld is – herstel: wás – er in overvloed. Jacks vader, die ooit een flinke rederij bezat, heeft naar verluidt al miljoenen gepompt in de redeloze queeste van zijn zoon. Het water staat ook hem inmiddels aan de lippen. En Jacks moeder had ’t al niet zo breed. Ook zij legt echter haar laatste cent apart. Zodat ze met z’n allen naar de Gallemiezen gaan.

Het is een tragische geschiedenis. De jonge protagonist, een lastig invoelbaar personage, trekt zijn hele omgeving, inclusief zijn Filipijnse vrouw en kind, mee in zijn verslaving. Plaatselijke huurkrachten zijn er goed mee – al denken zij er vast het hunne van. Totdat Jack zichzelf tot de orde roept en z’n leven weer in het gareel probeert te krijgen. Hij kan natuurlijk ook een normale huisvader worden, die tegen betaling Engelse les geeft.

Dat lijkt eigenlijk wel zo gemakkelijk, maar hoeveel jaren er ook overheen gaan, de goudzucht laat hem nooit helemaal los. Die aap op Jacks rug blijft zich maar roeren, toont Giacomo Gex, in deze donkere en beklemmende film, waarvan het einde, dat geen einde kan zijn, bij het begin al vast lijkt te staan. En dat is ook voor de kijker een ontmoedigende gedachte.

82 Dagen In De Hel

BNNVARA

Sinds 1933 heeft de productie van Azovstal in Marioepol alleen tijdens de Tweede Wereldoorlog enkele jaren stilgelegen. Als Rusland begin 2022 de aanval opent op Oekraïne, worden de werkzaamheden in de staalfabriek, aan de rand van de havenstad, echter direct gestaakt. Onder het uitgestrekte complex, waar in normale tijden zo’n 25.000 mensen werken, bevindt zich een netwerk van ongeveer 35 bunkers – een soort ondergrondse parkeergarages – dat nu als schuilplek beschikbaar wordt gesteld voor inwoners die hun huis willen of moeten ontvluchten.

Het is donker en muf in Marioepols belegerde fort, dat steeds verder volloopt. Zo’n vierduizend burgers en militairen van het omstreden Azovbataljon schuilen in het labyrint onder het fabriekscomplex voor de Russische aanvallen en bombardementen. Ze zien nauwelijks daglicht, hebben geen internet en raken volledig afgesloten van de buitenwereld. Over die 82 Dagen In De Hel (141 min.), die ook min of meer de 20 Days In Mariupol van de gelijknamige Oscar-winnende documentaire van Mstyslav Chernov omvatten, is er nu een driedelige serie van Joanie de Rijke en Jasper Christiaens.

Enkele inwoners van de Oekraïense stad, vlakbij de Russische grens, en soldaten blikken terug op die hachelijke maanden in het voorjaar van 2022. Met een fraaie combinatie van animaties en persoonlijke foto’s worden, ter introductie, hun vroegere levens gevisualiseerd, voordat de bommen begonnen te vallen op hun huizen, scholen en winkels en zo hun normale bestaan wegvaagden. De periode in Azovstal, waar in een onwerkelijke situatie een soort alternatieve samenleving ontstaat, komt vervolgens tot leven via hun indringende persoonlijke getuigenissen en filmpjes die ze daar maakten.

Tussendoor belicht verteller Jeroen Pauw, met behulp van overzichtskaartjes, het verloop van de oorlog om hen heen en de gevolgen voor hun positie in die omsingelde megabunker. Terwijl Russische bommen ervoor zorgen dat de vloeren schudden en de muren afbrokkelen, het voedseltekort steeds nijpender wordt en angst vrijwel iedereen in z’n greep krijgt, komt ook de onderlinge solidariteit onder druk te staan. De barre leefomstandigheden en permanente dreiging halen uit de één het allerslechtste naar boven, terwijl een ander in Azovstal juist de beste versie van zichzelf wordt.

Na zo’n twee maanden wordt er een zogenaamde groene corridor ingesteld. Het Russische leger biedt burgers tijdelijk een vrijgeleide om de staalfabriek te verlaten. Militairen van het Azovbataljon, die door de Russen worden beschouwd als nazi’s, krijgen slechts één optie: totale overgave. En daarna worden ze als krijgsgevangene, bepaald niet volgens de regels van het humanitair oorlogsrecht, keihard aangepakt. Net als de gewone inwoners van Marioepol verlaten zij Azov met ervaringen om een leven lang op te kauwen en een diepgevoelde haat naar al wat Russisch is.

En de tijd in Azov blijft hen, getuige deze indringende reconstructie, waarschijnlijk nog lang achtervolgen. ‘Nog steeds wil ik altijd genoeg eten in huis hebben’, vertelt de 34-jarige verkoopster Victoria bijvoorbeeld. ‘Ik bewaar altijd voedsel in blik. En een tas met documenten voor noodgevallen.’

Trailer 82 Dagen In De Hel

Surviving Black Hawk Down

Netflix

Bij de volvette openingssequentie van Surviving Black Hawk Down (156 min.) is de gedachte onvermijdelijk: dit wordt simpelweg een verdocumenteerde versie van de ronkende Ridley Scott-speelfilm Black Hawk Down (2001), het relaas van enkele Amerikaanse legereenheden die op zondag 3 oktober 1993 in serieuze problemen raken in de Somalische hoofdstad Mogadishu. ‘We’re the good guys’, zegt één van de hoofdpersonen van deze door Scotts bedrijf geproduceerde driedelige docuserie geheel in Hollywood-stijl. ‘We’re America. We wouldn’t be doing it if it wasn’t right.’ Right!

De Amerikanen en hun neergehaalde helikopters zijn in het door een burgeroorlog verscheurde Afrikaanse land om een vredesmissie van de VN te begeleiden en enkele luitenants van de rebellenleider, generaal Mohammed Farrah Aidid, in te rekenen. Een loffelijke missie, toch? Daar denken de Somaliërs in deze productie – cameraman Ahmed ‘Five’, enkele slachtoffers en omstanders, en twee gestaalde strijders – alleen heel anders over. Het feit dat zij ditmaal wél de gelegenheid krijgen om hun kant van het verhaal te doen is in elk geval prettig (en, eerlijk gezegd, ook bittere noodzaak) – al blijft het Amerikaanse perspectief te allen tijde dominant.

Dat wordt nog eens versterkt door de onheilszwangere dramascènes, geregisseerd door Sam Hobkinson, die de gebeurtenissen steeds weer vanuit de Amerikaanse soldaten belicht. En ook de manier waarop de maker van deze miniserie, Jack MacInnes, zijn geïnterviewden framet is veelzeggend. De Amerikanen zitten stuk voor stuk comfortabel in een vertrouwde omgeving recht voor de camera. Terwijl Yasin Dheere, een lid van de Aidid-militie, bijvoorbeeld van schuinonder en met erg veel schaduw in beeld wordt gebracht. De man oogt direct als een archetypische schurk. En dan zegt ie dingen zoals: ‘Als je aan een mans ballen komt, krijg je klappen van zijn handen en voeten.’

De bikkelharde confrontatie tussen de yanks en de Somaliërs zorgt voor huiveringwekkende taferelen in de straten van Mogadishu, waar de reputatie van het Amerikaanse leger een stevige deuk oploopt – ook al zijn er in werkelijkheid aan Amerikaanse zijde uiteindelijk ‘maar’ achttien doden en ruim tachtig gewonden te betreuren. Tegenover driehonderd tot vijfhonderd dode Somaliërs en nog eens zo’n duizend gewonden. Deze typisch Amerikaanse oorlogsdocu erkent dit op zich wel, maar bekrachtigt deze ‘false balance’ met z’n insteek en opzet toch gewoon.

Vietnam: The War That Changed America

Apple TV+

Of er na The Vietnam War, de epische reeks van Ken Burns uit 2017, werkelijk behoefte is aan een nieuwe docuserie over de oorlog die de Verenigde Staten in de jaren zeventig nagenoeg in het stof deed bijten? Op voorhand lijkt het antwoord: nee. Burns heeft tien afleveringen – en in totaal zestien en een half uur – de tijd genomen om ogenschijnlijk elk afzonderlijk aspect van ‘Nam uit te diepen. Van het grotere geopolitieke verhaal tot de kleine menselijke verhalen van Amerikanen en Vietnamezen.

Toch is er nu, een halve eeuw na het einde van die oorlog, Vietnam: The War That Changed America (255 min.). Bescheidener van opzet (zes afleveringen), maar toch nog dik vier uur kijkmateriaal. Met een duidelijke afbakening, dat wel: de mannen en vrouwen aan het front. De Amerikanen, welteverstaan – al komen er, eerlijk is eerlijk, zo nu en dan ook Vietnamezen aan het woord. ‘This is the real story’, declameert verteller Ethan Hawke ferm bij de start van de serie. ‘Told only by those who were there.’

Aan de hand van een aantal goed gekozen hoofdpersonen belicht regisseur Rob Coldstream vervolgens het verloop van de oorlog in Vietnam, terwijl Hawke de verbinding blijft leggen met politieke ontwikkelingen en gebeurtenissen in eigen land. Zo stuurt de miniserie soepel door een verleden, dat nog altijd een schaduw werpt over het heden. Toen ‘Vietnam’ begon kenden veel jonge Amerikanen oorlog alleen van John Wayne-films. Zo’n tien jaar later was een hele generatie getekend door ‘Vietnam’.

Hun persoonlijke verhalen raken en brengen toch ook weer onbekende – of simpelweg vergeten – delen van die oorlog in beeld. C.W. Bowman en Gary Heeter verkenden bijvoorbeeld samen het ondergrondse tunnelstelsel van de Vietcong. De Afro-Amerikaan Melvin Pender, die een eenheid leidde in de Mekong-delta, werd teruggeroepen om deel te nemen aan de Olympische Spelen in Mexico. En Malik Edwards, een andere zwarte Amerikaan, verliet de Mariniers en voegde zich bij de Black Panthers.

Ook in Vietnam zelf dreigde tweespalt. Bill Broyles studeerde in Oxford en leek de dienstplicht te ontlopen, maar meldde zich zelf voor Vietnam. Daar werd hij, als groentje, commandant van een door en door cynische eenheid en dreigde het slachtoffer te worden van ‘fragging’, een doelbewuste poging om een meerdere uit te schakelen. Scott Camil kwam intussen recht tegenover zijn boezemvriend Jim Fife te staan, toen hij na zijn ‘tour of duty’ actief werd voor Vietnam Veterans Against The War.

Deze serie vertelt hun individuele verhalen, maar brengt hen soms ook bij elkaar. Als de ‘brothers in arms’, die ze, wat er destijds ook is gebeurd, altijd blijven. Ook het relaas van Marty Halyburton blijft bijzonder. Toen hun dochtertje vijf dagen oud was, werd haar echtgenoot Porter naar Vietnam uitgezonden. Niet veel later volgde een tragisch bericht: killed in action. In werkelijkheid was Porter gevangen genomen en afgevoerd naar het Hanoi Hilton, waar Amerikaanse krijgsgevangenen vaak jaren vast werden gehouden.

Met die menselijke insteek voegt Vietnam: The War That Changed America toch weer nieuwe dimensies toe aan het verhaal van de oorlog, die al in zoveel boeken, films en series is belicht. Óók als het gaat om gebeurtenissen die allang op ieders netvlies staan gebrand. Huan Nguyen geeft bijvoorbeeld een andere draai aan de wereldberoemde foto van de Vietnamese man die bruut wordt geliquideerd op straat. Hij behoorde tot de Vietcong-eenheid, die Nguyens complete familie uitmoordde toen hij nog maar een jongetje was.

Zijn relaas legt de verraderlijkheid bloot van ‘Vietnam’ en elke andere oorlog. Huan Nguyen zou als volwassene overigens carrière maken in het leger van… de Verenigde Staten. Niet alle Vietnamezen bleven dus achter met haat tegenover ‘Merica. En veel Amerikaanse veteranen keken met tegenstrijdige gevoelens terug op hun tijd in Vietnam. ‘Ik ben niet trots op de oorlog waarin we vochten’, zegt Bill Broyles bijvoorbeeld treffend, ‘maar ik ben trots op de mensen met wie ik heb gediend.’

Mr. Nobody Against Putin

Bantam Film

De oorlog in Oekraïne dringt ook door tot het klaslokaal. De Russische president Vladimir Poetin heeft de militaire operatie om het buurland te demilitariseren en te denazificeren nog niet aangekondigd of basisscholen in heel Rusland ontvangen marsorders om het curriculum een meer patriottisch karakter te geven.

Ook de basisschool van Karabash, ‘de meest vervuilde stad van de Oeral’, moet er in februari 2022 aan geloven. Voortaan worden leerkrachten geacht om de kinderen dagelijks staatspropaganda voor te schotelen en zo de oorlog in Oekraïne te ondersteunen. Pavel ‘Pasha’ Talankin, de jonge evenementenorganisator en videograaf van de school, ziet daar helemaal niets in. Hij blijft alle officiële activiteiten en festiviteiten gewoon filmen, maar begint gaandeweg, als daad van stil verzet, ook de voorbereidingen en de gesprekken naderhand vast te leggen. Zo legt hij feilloos vast hoe Poetins oorlog ook het gewone Rusland overneemt.

Al snel begint Pavel Abdulmanov bijvoorbeeld een steeds prominentere rol op school te claimen. De kleurloze geschiedenisleraar – overtuigd fan overigens van Lavrenti Beria, het hoofd van Stalins geheime politie, en andere Sovjet-functionarissen die er geen been in zagen om vuile handen te maken – ziet er bijvoorbeeld op toe dat de dagelijkse ceremonie met het Russische volkslied ordentelijk verloopt. ‘Het is belangrijk om afwijkende meningen te elimineren, zodat er geen verdeeldheid ontstaat in ons land’, houdt hij zijn leerlingen bovendien voor tijdens de les. ‘Houden van je moederland is een plicht. Zoals je nu eenmaal ook houdt van je moeder.’

Commandanten winnen geen oorlogen, stelt Vladimir Poetin op televisie. Leraren winnen oorlogen. Al snel wordt er dus gemarcheerd door de schoolgangen, schrijven leerlingen (verplicht) brieven naar soldaten aan het front en organiseren Wagner-huurlingen een wedstrijdje granaat gooien. Intussen moeten enkele oud-leerlingen zich melden bij het Russische leger. Een kleine 1500 kilometer van Moskou tekent Pasha de verwikkelingen trouw op, als onderdeel van zijn strijd van Mr Nobody Against Putin (90 min.). Deze film van David Borenstein, begin 2025 op het Sundance Film Festival bekroond met een Special Jury Award, is daarvan de intrigerende weerslag.

Tegelijkertijd moet de idealistische leraar ook afwegen hoe en waar hij zijn eigen toekomst ziet. Want zodra de machthebbers, of hun vertegenwoordiger ter plaatse Abdulmanov, zicht krijgen op waarmee hij stiekem bezig is, laat zijn lot zich raden.

The Invasion

Atoms & Void

Er wordt niets platgeschoten. Er vallen geen bommen. En slechts een heel enkele keer klinkt ergens op de achtergrond het luchtalarm. Toch is die vervloekte oorlog in elk frame van The Invasion (145 min.) aanwezig. De Oekraïense cineast Sergei Loznitsa richt zijn camera in deze observerende film op het leven van alledag in zijn land, dat ondanks die Russische aanval van begin 2022 gewoon doorgaat – en toch ook weer niet.

In de indrukwekkende openingsscène van bijna een kwartier is de oorlog overigens alomtegenwoordig. Zwijgend aanschouwt Loznitsa de uitvaart van vier gesneuvelde soldaten. De camera beweegt niet of nauwelijks en registreert slechts het verlies dat hier gedragen wordt. ‘Helden sterven niet’, zegt één van de sprekers met gedragen stem. ‘Ze leven voor altijd verder in ons hart. Hulde aan de Oekraïense held!’

Vrijwel direct daarna treden Ivan en Viktoria in het huwelijk. Zij in het wit, hij in zijn legeruniform. En zo dansen ze ook buiten op het plein, ten overstaan van familie en vrienden. In vrijwel elke situatie loopt wel iemand in legergroen rond. Een nieuwbakken vader in uniform bezoekt bijvoorbeeld z’n vrouw en kind. Liefdevol koost en verzorgt hij de pasgeboren baby, terwijl het front – dat is tenminste de suggestie – alweer wacht.

Zelfs de vrolijke assistente van de kerstman, die samen met hem cadeautjes uitdeelt aan kinderen, heeft onder haar roze uitdossing een legerbroek en kistjes aan. Haar echtgenoot is krijgsgevangen genomen door de Russen en verblijft slechts enkele tientallen kilometers verderop. Zij vraagt zich intussen af of hij misschien kan worden uitgeruild met gevangen Russische militairen – en welke man ze dan terug krijgt.

The Invasion, in de loop van twee jaar geschoten, kan doorgaan voor de zusterfilm van Maidan (2014), Loznitsa’s weerslag van hoe het gevecht om Oekraïne ruim tien jaar geleden begon. Hij heeft opnieuw meerdere cameraploegen aan het werk gezet, die in verschillende delen van het land miniverhaaltjes hebben opgetekend, waarvan hij met editor Danielius Kokanauskis een steeds van kleur verschietende film heeft gemaakt.

Om te benadrukken dat het leven nog altijd meer is dan schiettrainingen, mijnenvelden en uitvaarten. Ergens in dat geplaagde volk zit nog steeds warmte, vriendschap én humor. In een revalidatiecentrum stapt een man met twee beenprotheses bijvoorbeeld moeizaam van een trapje. Je doet me denken aan die meme met dat aapje, grapt een jonge vrouw, die hem filmt met haar mobiele telefoon. Ze mist zelf ook een been.

Het even pijnlijke als relativerende tafereel tekent de standvastigheid van een land, waar boeken van Russische schrijvers collectief worden afgedankt, bij kapotgeschoten flatgebouwen gewoon de hond wordt uitgelaten en kinderen elke dag naar school moeten (waar ze worden onderwezen over de oorlog, totdat een luchtalarm hen noopt om toch te verkassen naar een schuilkelder). Het dagelijks leven gaat door, móet doorgaan.

Met de camera als stille getuige van hoe de oorlog desondanks doordringt tot de haarvaten van de Oekraïense samenleving.

Marwencol

marwencol.com

In een zelfverzonnen Belgisch dorpje heeft Mark Hogancamp zichzelf teruggevonden. Tijdens een dronken avond op 8 april 2000 werd de 38-jarige Amerikaan door vijf mannen in elkaar geslagen. Hij lag daarna negen dagen in coma en veertig dagen in het ziekenhuis. Zijn zorgverzekeraar was vervolgens niet langer bereid om zijn behandeling te betalen. Hogancamp, die een fikse hersenbeschadiging had opgelopen en bovendien zijn geheugen was kwijtgeraakt, moest z’n eigen boontjes maar gaan doppen.

Met behulp van zijn eigen verbeeldingskracht is de voormalige zuipschuit, die tegenwoordig geen druppel meer drinkt, beland in Marwencol (82 min.), een dorp dat hij in zijn eigen achtertuin heeft gebouwd en laat bewonen door poppen. Hun leven speelt zich af ten tijde van de Tweede Wereldoorlog: stoere G.I. Joe’s, met een verleidelijke Barbie aan hun arm, krijgen ‘t daar geregeld aan de stok met snode SS’ers. In deze zelf gecreëerde wereld kan Mark Hogancamp de liefde beleven of zijn trauma’s verwerken.

Mensen uit zijn directe omgeving in Kingston, New York, kijken er niet meer vreemd van op als ze zichzelf herkennen in een personage, vertellen ze in dit talloze malen bekroonde debuut van documentairemaker Jeff Malmberg (Shangri-La & The Saint Of Second Chances) uit 2010. Hogancamp geeft hen stuk voor stuk een alter ego, zodat hij in dat fictieve dorp in elk geval wordt omringd door vrienden en bekenden. Dan kan hij in het reine komen met zijn verleden en de traumatische avond die hem blijft achtervolgen.

In Marwencol zet de voormalige drinkebroer de werkelijkheid heel nauwgezet naar zijn hand. En met de foto’s die hij van deze geënsceneerde situaties en gebeurtenissen maakt, bouwt Mark Hogancamp zelfs zijn eigen publiek op. In dit delicate portret, rudimentair gefilmd en gemonteerd en met nostalgische muziek aangekleed, registreert Malmberg hoe er zelfs een expositie wordt opgezet. Dit blijkt geen onverdeeld genoegen voor de getroebleerde man, met een verleden dat hij zelf eigenlijk ook liever vergeet.

Deze documentaire toont intussen de kracht van verbeelding. In zijn fantasie kan Hogancamp zijn angsten en frustraties uitleven, dealen met zijn eigen misstappen en zich heel even, in een wereld waarvan hij onmiskenbaar de schepper is, veilig voelen. Dat is een zeer aansprekend idee gebleken. In 2018 heeft regisseur Robert Zemeckis (Back To The Future, Forrest Gump en Who Framed Roger Rabbit?) Marwencol nog gebruikt als uitgangspunt voor een speelfilm met Steve Carrell: Welcome To Marwen.

En Mark Hogancamp heeft er Mark Hogancamp ontdekt: in die dronkenlap – met saillante heimelijke voorkeuren, waarmee hij zijn aanvallers in de kroeg tegen zich in het harnas joeg – bleek zowaar een kunstenaar verborgen te zitten.

Trains

IDFA

Vanaf het moment dat de binnenkomende trein van één van de allereerste films, L’Arrivée D’Un Train En Gare De La Ciotat van de gebroeders Lumière, in 1896 voor paniek heeft gezorgd in de geïmproviseerde bioscoop – zo wil tenminste de overlevering – omdat het publiek in de veronderstelling was dat de locomotief de zaal in zou rijden, hebben treinen altijd een prominente plek geclaimd op het witte doek.

Als een symbool van beweging, van actie of van vooruitgang – of simpelweg als een object om te overvallen of om op te klimmen en vervolgens een episch gevecht af te wikkelen. De Poolse regisseur Maciej J. Drygas appelleert in Trains (80 min.), op het International Documentary Festival Amsterdam van 2024 gekozen tot beste film, aan de sleutelrol die treinen tevens in de gehele twintigste eeuw hebben gespeeld.

En hoewel de zwart-witte en volledig woordeloze film luchtig begint, met goedgemutste leden van de gegoede burgerij die zich maar al te graag naar hun plek van bestemming laten brengen, is ook van meet af aan duidelijk dat Drygas eveneens de andere kant van treinen wil belichten. Hij begint zijn film niet voor niets met een citaat van Franz Kafka: ‘There is plenty of hope, an infinite amount of hope… but not for us.’

Binnen een kwartier staat de eerste groep soldaten dus klaar op het perron, om naar het front te worden vervoerd en zet de duivelse cadans van oorlog zich in gang. De aanvoer van troepen, wapentuig en Der Führer komt op gang, onvermijdelijk gevolgd door de afvoer van doden, gewonden en krijgsgevangenen. En dan moet het echte afvoeren nog beginnen, van Settela Steinbach bijvoorbeeld. Naar de kampen…

Deze ritmisch gemonteerde archieffilm, waarin ook het toegevoegde geluid een essentiële rol opeist, speelt voortdurend met zulke grote krachten, waarvoor de mens niet meer dan een speelbal is. De voor het leven verminkten, soms met een totaal verwilderde blik in de ogen, zijn bijvoorbeeld nauwelijks weggevoerd of er wordt alweer een kolossale afbeelding van Stalin de trein in gehesen. Op naar nog meer onheil.

Tussendoor speelt ook het gewone leven zich af in en om de treinen, perrons en stations. Onderweg kan de reiziger genieten van een spelletje kaart, dat lekkere diner of het lezen van De Telegraaf. En voor je ’t weet stapt er bij aankomst een zwerver onder de trein vandaan, die toch wel verdacht veel weg heeft van Charlie Chaplin. En daarna dendert de trein ongetwijfeld weer verder, op weg naar de volgende bestemming.