Lorena

Amazon

Ze werd een soort archetype van de wraakzuchtige echtgenote. Tenminste, als je alleen afging op de chocoladeletters in de roddelbladen. Tegelijkertijd groeide Lorena Bobbitt in 1993 uit tot een symbool voor alle Amerikaanse vrouwen die zich tegen hun gewelddadige mannen moesten verdedigen. De Ecuadoriaanse immigrante belandde in de schmutzige tabloid-historie als de vrouw die de penis van haar echtgenoot John afsneed.

Op het moment dat de hulpdiensten in huize Bobbitt arriveren, is het geslachtdeel, zoals een opmerkelijk goedgeluimde uroloog het treffend uitdrukt, zelfs nog ‘lost in action’. Zou ze hem ingeslikt hebben? vraagt een politieagente die de plaats delict moet onderzoeken zich af. Het gebruikte mes vinden ze uiteindelijk in een vuilnisbak, de vermiste penis op een nabij gelegen veldje. ‘Een brandweerman heeft ‘m uiteindelijk gevonden en opgepakt’, vertelt Lorena zelf 25 jaar na dato. Waarna ze haar handen voor de mond slaat en beschaamd begint te lachen. ‘Oh, mijn god!’

Het was doodeng, zegt haar ontmande ex-echtgenoot John Wayne Bobbitt, die volgens eigen zeggen bedwelmd was toen zijn vrouw het mes in zijn edele delen zette. ‘Alsof Freddy Kruegers hand door de muur kwam.’ De eerste aflevering van de vierdelige serie Lorena (253 min.) is dan pas tien minuten onderweg. De ‘castratie’, die nog een uitbundig vervolg zal krijgen in de rechtszaal en de (roddel)pers, vormt de opmaat naar een boeiend exposé over huiselijk geweld, mediahypes en de kwetsbare positie van immigranten.

De voormalige geliefden Lorena en John Wayne Bobbitt dreigen ondertussen volledig vermalen te worden door de onverkwikkelijke kwestie, die hen in de navolgende jaren nog in een psychiatrisch ziekenhuis, de porno-industrie en Hollywood zal brengen. Dat verhaal wordt kundig uit de doeken gedaan in deze krachtige miniserie van Joshua Rofé (die alleen wel wat lang is uitgevallen). Waarbij Lorena’s wanhoopsdaad, waarover elke mishandelde vrouw wel eens zal hebben gefantaseerd, niet meer is dan het kwartje dat in een automaat wordt gegooid, die vervolgens een continue stroom blunders, gênante situaties en tegenslagen uitspuugt.

Wat je niet doodt, stelt een (ongetwijfeld Amerikaans) spreekwoord, maakt je sterker. Dat geldt zeker voor één van de twee Bobbitts, die zich helemaal van de ander lijkt te hebben losgemaakt. Díe kan echter maar moeilijk afstand nemen van het verleden. Het is natuurlijk ook geen sinecure, een vrouw die het mes in haar mans penis zet. Al valt zelfs dat te relativeren. ‘In Afrika kunnen ze miljoenen vrouwen besnijden, zonder dat je er ooit iets over hoort’, zegt een vrouw, die een bijrol speelt in deze docuserie, aan het slot ervan. ‘Maar snijd één pik eraf en het land is te klein.’ Ze begint te lachen: ‘it’s a man’s world.’

John & Yoko: Above Us Only Sky

Hoeveel documentaires zitten er in één enkel mensenleven? Willekeurig voorbeeld: Lennon, J.W. Geboren op 9 oktober 1940 in Liverpool, Engeland. Zanger, gitarist, acteur en – vooruit – liedjesschrijver. Gestorven op veertigjarige leeftijd op 8 december 1980 te New York, Verenigde Staten. Laten we eens kijken…

The Beatles: Destination Hamburg concentreert zich op de Duitse puberjaren van zijn popgroepje, The Beatles: Eight Days A Week – The Touring Years brengt daarna de eerste succesjaren in beeld en How The Beatles Changed The World buigt zich over de invloed die dat gezelschap zou hebben gehad. Zo ongeveer elke langspeler van deze muzikanten kreeg natuurlijk eveneens een eigen documentaire: Rubber SoulRevolverThe White Album en – natuurlijk! – Sergeant Pepper’s Lonely Hearts Club Band. Zelfs de trouwe secretaresse van de groep, Good Ol’ Freda, werd tot heldin van haar eigen film gebombardeerd.

Na het verscheiden van zijn band leefde Lennon, J.W. overigens nog even door. Zijn periode in New Yorkactiviteiten als anti-oorlogsactivistde moordaanslag die hem het leven kostte en ’s mans allerlaatste interview zijn allemaal geboekstaafd voor de eeuwigheid. Voor de zekerheid verschenen er ook biografieën zoals Imagine over de man die anders, natuurlijk, al lang en breed vergeten zou zijn. U begrijpt dat dit bepaald geen uitputtend overzicht is. Hooguit een zeer willekeurige selectie. Één aspect verdiende in elk geval nog verdere uitwerking volgens regisseur Michael Epstein, die in 2011 al LennoNYC maakte: de totstandkoming van het soloalbum Imagine uit 1971 en de samenwerking met Lennons toenmalige echtgenote. Het resultaat luistert naar de naam John & Yoko: Above Us Only Sky (88 min.).

Met direct betrokkenen en Ono, Y. zelf worden de opnames in Lennons thuisstudio op Tittenhurst Park, onder leiding van producer Spector, H.P., gereconstrueerd, met bijzondere aandacht voor dat liedje over die jaloerse vent, het inmiddels best wel bekende titelnummer en een later uitgebracht klassiek kerstliedje. De invloed van zijn Japanse echtgenote mag daarbij niet worden onderschat, betogen diverse intimi die het wel eens zouden kunnen weten. Dat wordt ook zichtbaar. Het gehele proces is door een alerte cameraploeg en fotograaf vastgelegd. Als Lennon, J.W. een scheet zou hebben gelaten – wat bij een man van zijn kaliber nauwelijks is voor te stellen – dan was die beslist voor het nageslacht vastgelegd.

Zo is ook in beeld gevangen hoe Lennon, J.W. uitgebreid in gesprek gaat met een door hem geobsedeerde Vietnam-veteraan met PTSS, die plotseling aan de poort van zijn landgoed op het Britse platteland staat. ‘Verwar de songs niet met je eigen leven’, houdt Lennon hem voor. Deze Claudio laat zich echter niet zomaar uit het veld slaan: ‘Weet je nog dat je schreef: je kunt uitstralen en penetreren wat je wilt? Syndiceren wat je wilt.’ J.W. blijft nuchter: ‘Toen speelde ik wat met woorden.’ Sterker: het was Ono, Y. die ooit met de termen ‘radiate’ en ‘syndicate’ op de proppen kwam. De verwarde jongen mag naderhand echter gewoon mee-eten in huize Lennon. De innemende scène tekent het oog voor detail waarmee ook dit tamelijk belangwekkende hoofdstuk uit J.W. Lennons bestaan, en daarmee ook de wereldwijde popgeschiedenis, nu is gedocumenteerd.

Hoeveel documentaires zouden er overigens gaan in de mensenlevens van pak ’m beet J.F. KennedyC.M. Clay of E.A. Presley?

Van Verlies Kun Je Niet Betalen

KRO-NCRV

‘Het is maar stilletjes hier in de straat, hè?’ zegt Adrie Trimpe, vanachter de toonbank van zijn Vlissingse groentewinkel, in de openingsscène van de documentaire Van Verlies Kun Je Niet Betalen (63 min.) uit 2018. ‘Dat is achteruitgegaan, hoor, in vergelijking met vroeger.’ Terwijl Adrie met vaste klant Paul keuvelt, duwt zijn vrouw Francien met onvaste hand enkele boontjes door een snijmachine. ‘Twee stuntelaars, hoor’, zegt ze. Als haar echtgenoot de snijboontjes vervolgens verkoopt, begint zij alvast aardappelen te jassen voor hun eigen maaltijd. Hollandse pot, natuurlijk.

Het echtpaar Trimpe is dik in de tachtig en runt al meer dan een halve eeuw een winkel in de binnenstad van Vlissingen. Dat wordt door hun eigen broze gezondheid steeds moeilijker. Het businessmodel van de Trimpes is sowieso al jaren, decennia misschien wel, over de datum, maar wordt met aandoenlijk kunst- en vliegwerk, en de dagelijkse hulp van Adries jongere zus Ada, ternauwernood overeind gehouden. Nu wil Ada er alleen voor drie maanden tussenuit, naar de camping in Frankrijk, en blijven haar broer en diens echtgenote, beiden slecht ter been, alleen achter in hun winkel.

Daarmee komt het relatieve evenwicht in deze fijne kleine film van Helge Prinsen en John Albert Jansen op de tocht te staan. Ondanks hun voorbeeldige arbeidsethos redden de echtelieden Trimpe, de verpersoonlijking van het Zeeuwse cliché ‘ons bin zuunig’, het eigenlijk niet meer. Stoppen blijft echter een brug te ver. ‘Ik kan niet zonder’, bekent Adrie op een kwetsbaar moment. Hij ziet geen andere optie dan sterven in het harnas. Dat heeft iets tragisch – een man die de lenigheid van geest mist om zichzelf los van zijn zaak te zien – maar is tegelijkertijd ontroerend. Met die groentezaak, zo realiseert Trimpe zich, gaat hij. Dat moment kun je dus alleen maar zo lang mogelijk uitstellen.

The Innocent Man

Netflix

Twee strafzaken die ogenschijnlijk niets met elkaar van doen hebben: de verkrachting van en moord op Debbie Carter in 1982 en de verdwijning van een andere jonge vrouw, Denice Haraway, anderhalf jaar later. Beide misdrijven vonden plaats in Ada, een slaperig stadje in Oklahoma. En in beide zaken werden twee mannen aangeklaagd en veroordeeld. Maar zijn deze vier langgestraften ook werkelijk schuldig? En (wat) hebben de twee verontrustende delicten met elkaar te maken?

De startpositie van de zesdelige documentaireserie The Innocent Man (282 min.), gebaseerd op de enige non fictie-thriller van bestsellerauteur John Grisham, voelt direct vertrouwd: true crime, zoals Amerikaanse documentaireproducenten die tegenwoordig per strekkende meter afleveren. Een enerverende achtbaanrit door het plaatselijke justitiesysteem met bizarre personages, straffe gedramatiseerde scènes en duizelingwekkende plotwendingen en cliffhangers. En, als het enigszins kan: een of meerdere ten onrechte veroordeelden en snode lieden die hen er doelbewust in hebben geluisd.

In dit specifieke geval: mannen die zelf een schuldbekentenis hebben afgelegd en een vrouwelijke getuige met de gave om aan anderen bekentenissen te ontlokken. En ook nu komt het betrokken politiekorps, uit Pontotoc County ditmaal, onder het vergrootglas te liggen. In die zin doet deze serie van Clay Tweel sterk denken aan het in Manitowac County gesitueerde Making A Murderer en moeten er ook vergelijkbare vragen worden beantwoord: zijn er andere verdachten? Hebben zij een logisch motief? En: is de (verplichte) complottheorie geloofwaardig?

Terwijl de successerie over de (onterechte) veroordeling van Steven Avery en Brendan Dassey, die in 2015 uitgroeide tot de standaard voor hedendaagse true crime, erg prekerig en langdradig wordt in het onlangs verschenen tweede seizoen, blijft The Innocent Man behoorlijk op koers en tempo. Het verhaal is wel erg gecompliceerd. Filmmaker Tweel probeert de chronologie en verbanden tussen de twee moordzaken te verduidelijken met een tijdlijn en heeft de ontwikkelingen zoveel mogelijk ondergebracht in afgebakende hoofdstukken. Kijkers moeten niettemin goed bij de les blijven. Na bijna vijf uur moord laat het overkoepelende verhaal zich niet zomaar in enkele zinnen samenvatten.

Aan het eind zet Tweel ‘gelukkig’ de voornaamste argumenten uit het pleidooi van het advocatenteam van de (ten onrechte) veroordeelden nog maar eens netjes op een rij, waarna amateurdetectives in de huiskamer zelf op zoek mogen naar gaten en losse eindjes in dat betoog.

The King

‘Oh, mán!’ Hij schiet helemaal vol als hij instapt. Een Rolls Royce uit 1963. De auto van Elvis Presley. The King (108 min.). ‘Oh, shit’, herpakt singer-songwriter John Hiatt zich. ‘Sorry.’ ‘Kwam het door iets wat ik zei?’ wil regisseur en bestuurder Eugene Jarecki weten. ‘Nee. Als je in deze auto gaat zitten, voel je gewoon hoe gevangen hij zat. Helemaal gevangen.’

Elvis was volgens John Hiatt een ‘poor mama’s boy from Mississippi’, die vast kwam te zitten bij een ‘kermistype’. Manager Colonel Parker heeft hem schaamteloos heeft geëxploiteerd en intussen zijn ziel afgenomen. Hoogstpersoonlijk zorgde Parker, de Nederlander Dries van Kuijk, ervoor dat Presley transformeerde van onbedorven – of zéér verdorven; tis maar hoe je het bekijkt – rock & roller tot volledig bedorven entertainer.

Elvis was de verpersoonlijking van de American Dream, zo betoogt deze caleidoscopische road trip door het hedendaagse Amerika met de ‘hot wheels’ van The King. En dus ook van de teloorgang van diezelfde droom. Waar Presley zijn ziel op Faustiaanse wijze aan de Duivel verkocht, veranderde het land van hoop en dromen gaandeweg in een soort megalomane versie van Las Vegas, de plek waar Elvis roemloos aan zijn einde kwam.

Ooit een baken van vrijheid, maar inmiddels allang verworden tot een symbool voor het ultieme kapitalisme. Al valt er op die droom, volgens de rapper Immortal Technique niet meer dan ‘de nachtmerrie van een dronkenlap’, ook wel één en ander af te dingen. Want dat was natuurlijk vooral een blank ideaalbeeld. Dat werd gepersonifieerd door Elvis, de zanger die zwarte muziek toegankelijk maakte voor wit Amerika.

‘Elvis was a hero to most, but he never meant shit to me’, rapte Chuck D. al in de Public Enemy-hit Fight The Power. ‘Straight up racist that sucker was.’ Hij mag ook zijn licht laten schijnen over The King, in de ogen van de rapper het symbool van hoe Wit Amerika Zwart Amerika ringeloorde, in deze lappendeken van een documentaire, waarin een hele stoet landgenoten het lot van Elvis met dat van zijn land verknoopt.

Van acteurs als Alec Baldwin, Ethan Hawke en Ashton Kutscher tot spin doctor James Carville, The Wire-bedenker David Simon en oud-anchorman Dan Rather. Intussen wordt er ook nog gloedvol gemusiceerd in die Rolls Royce, die vanuit de stilaan Vernederde Staten van Amerika linea recta ons collectieve hart binnenrijdt met deze eigenzinnige en ambitieuze film.

Sprekend Nederland

‘Dat verklaar ik en beloof ik’, verklaren de nieuwe Nederlanders aan het begin van John Appels nieuwe film Sprekend Nederland (82 min.). Tijdens de naturalisatieceremonie wordt natuurlijk ook het Wilhelmus gezongen. Na afloop wil menigeen bovendien op de foto met de Nederlandse vlag. In al hun verscheidenheid zijn die mensen bij ons gaan horen. Of wij dat nu willen of niet. Maar wie zijn wij eigenlijk?

Deze veelkleurige film, die is opgebouwd rond openbare toespraken, geeft daarop geen eenduidig antwoord. Zijn we de boze mannen van Pegida die ‘we zijn niet bang voor de Islam’ zingen en één van hen hebben uitgedost als Mohammed, die rond paradeert met een afgehakt hoofd in zijn hand? Of juist het Amsterdamse moslimmeisje dat op een manifestatie voor diversiteit alle grote mensen voorhoudt om voortaan vooral te denken met hun hart?

John Appel zelf omschrijft Sprekend Nederland als een soort hedendaagse variant op Alleman, de legendarische film waarmee Bert Haanstra in 1963 het toenmalige Nederland portretteerde. Een wit land, dat de jaren vijftig nog definitief van zich af moest zien te schudden. Het land dat Appel ruim een halve eeuw later heeft aangetroffen heeft duidelijk meer kleur op de wangen gekregen. Van opwinding, boosheid of gewoon omdat de roots van de bijbehorende mensen buiten Nederland liggen.

De Amsterdamse filmer vindt ‘de Nederlander’ in alle soorten en maten. Bij allerlei verschillende openbare gelegenheden: de publieke doop van nieuwe christenen, het eerste kampioenschap van Feyenoord in bijna twintig jaar of een feestje voor succesvolle beleggers, waar saxofonist Hans Dulfer lustig staat te toeteren en een soort van rapper de legendarische straathit The Message  (‘don’t push me, cause I’m close to the edge’) vernachelt. Iedereen koestert zijn eigen biotoop en gebruikt zijn eigen taal.

Echte hoofdpersonen heeft Sprekend Nederland niet – of het moet de honderdjarige vrouw zijn, die op dezelfde dag is geboren als koning Willem-Alexander en net als een selecte groep andere 27 aprillers wordt uitgenodigd voor zijn verjaardagsfeestje. Je zou kunnen zeggen dat wij allen, gewone en toch bijzondere Nederlanders, centraal staan. Met deze film laat John Appel ons met andere ogen kijken naar het land, dat we al van binnen en van buiten dachten te kennen.

Het caleidoscopische karakter van Sprekend Nederland deed me denken aan de korte docu De Spelende Mens van Sanne Rovers, een ‘speel’-film over hobbyend Nederland, en Michiel van Erps meest recente documentaire Leve de Vrijwilliger!, waarin hij ons land portretteert aan de hand van de vele vrijwilligers en waarin onze koning zich ook al van zijn beste kant laat zien.

School Life


Hij lijkt een volledig verzuurde knorrepot, zij oogt als een wereldvreemde boekenwurm. Het echtpaar Leyden geeft al 46 jaar les op Headfort School, de enige Ierse kostschool voor kinderen van zeven tot en met twaalf jaar. Daarbij kun je je direct allerlei schrijnende taferelen voorstellen. Van kadaverdiscipline, volstrekte liefdeloosheid en rücksichtslose tucht. Om over het onvermijdelijke misbruik nog maar te zwijgen.

Niets van dat al! De amodieuze John mag dan voortdurend zogenaamde verwijten om zich heen strooien (‘dat waren alle goede noten, maar niet noodzakelijk in de juiste volgorde’) en Amanda kan volledig in vervoering raken van bepaalde poëzie, maar uit alles wat ze doen en zeggen spreekt oprechte betrokkenheid bij ‘hun’ pupillen. Om over de bijbehorende onderkoelde humor nog maar te zwijgen.

Het kettingrokende echtpaar Leyden maakt van de observerende documentaire School Life (97 min.), originele titel In Loco Parentis, een hartverwarmende film. De filmmakers Neasa Ní Chianáin en David Rane portretteren Headfort als een liefdevol tweede thuis, waar de Leydens zich als pedagogisch verantwoorde pseudo-ouders bekommeren om kinderen die vanuit alle windstreken naar het idyllische dorp Kells in County Meath zijn gekomen. Om van de extra aandacht die ze schenken aan enkele kids met uitdagingen nog maar te zwijgen.

Intussen nadert het afscheid voor John en Amanda Leyden, die in 1972 zijn getrouwd en sindsdien altijd hebben gewoond in de voormalige butlerwoning op het Headfort-terrein. Het moment waarop hun welverdiende ouwe dag begint komt zienderogen dichterbij. Om over het afscheid van al die opgroeiende jongens en meisjes nog maar te zwijgen.

John McCain: For Whom The Bells Toll


Zijn dagen waren al geteld toen deze documentaire werd gefilmd. De Republikeinse senator John McCain blijft niettemin strijdbaar tot zijn allerlaatste ademtocht. Zo kreeg partijgenoot Trump onlangs nog te horen dat hij wel mocht wegblijven bij McCains uitvaart. Niet veel later werd hij met gelijke munt terug betaald. Nadat McCain protesteerde tegen de benoeming van Gina Haspel als directeur van de CIA, omdat ze ooit verantwoordelijk zou zijn geweest voor martelingen, merkte een medewerkster van de president op: ‘He’s dying anyway’.

Het kan elk moment daadwerkelijk zover zijn: het einde van de ‘maverick’ John McCain, na een veelbewogen leven dat hem over de hoogste toppen en door de diepste dalen voerde. In John McCain: For Whom The Bells Toll (103 min.), een titel die verwijst naar zijn favoriete boek van Ernest Hemingway, leidt de hoofdpersoon zelf de kijker, zonder al te veel schroom of voorbehoud, door de ruim tachtig tropenjaren van zijn leven. Hij laat daarbij ook zijn flaters niet onbenoemd, zoals bijvoorbeeld zijn betrokkenheid bij het financiële schandaal rond de zogenaamde Keating Five, het feit dat hij het gebruik van de vlag van de Geconfedereerden vergoelijkte tijdens de presidentscampagne van 2000 en zijn selectie van Sarah Palin als vice-presidentskandidaat tijdens zijn campagne in 2008.

Na al die jaren overheersen echter ‘s mans verrichtingen: zijn positie als onafhankelijke stem binnen de Republikeinse partij. McCain was afgelopen week bijvoorbeeld zo’n beetje de eerste partijgenoot die keihard afstand nam van Trumps statements na de top met Poetin. Een ronduit heroïsche periode als krijgsgevangene in Vietnam heeft ervoor gezorgd dat zijn patriottisme nooit ter discussie kan worden gesteld. Als zoon van een opperbevelhebber van het Amerikaanse leger en kleinzoon van een andere admiraal weigerde hij een voorkeursbehandeling en vervroegde vrijlating. Hij zou uiteindelijk ruim 5,5 jaar gevangen worden gehouden, waarvan ruim twee jaar in eenzame opsluiting. Donald Trump, die zelf vanwege hielspoor nooit in militaire dienst is geweest, merkte na weer een meningsverschil met de eigenzinnige McCain eens op dat hij de voorkeur gaf aan mannen die zich niet gevangen laten nemen.

McCains periode in het Hanoi Hilton, die hem levenslange fysieke klachten bezorgde, heeft desondanks een prominente plek gekregen in zijn politieke biografie – en dus ook in deze oerdegelijke, uiteindelijk positief geframede film van Peter W. Kunhardt die lijkt te zijn bedoeld als een soort testament. In het traditioneel opgezette portret komen zowel politieke vrienden van beide partijen (zoals Bill en Hillary Clinton, George W. Bush, Barack Obama, Henry Kissinger en Joe Biden) als zijn kinderen en beide echtgenotes aan het woord, waarbij ook zijn pijnlijke echtscheiding gewoon aan de orde komt. Het past bij de ‘straight talking’ politicus McCain, een onafhankelijke geest die meestal zonder meel in de mond sprak. Deze politieke biografie doet hem zeker recht.

The Beatles: Eight Days A Week – The Touring Years


Wat hebben Whoopi Goldberg, Elvis Costello en Eddie Izzard met elkaar gemeen? En regisseur Richard Curtis, schrijver Jon Savage en acteur Sigourney Weaver? Welnu, ze zijn fan van The Beatles en mogen daarover vertellen in The Beatles: Eight Days A Week – The Touring Years (105 min.). Grootste troef van de documentaire zijn echter nieuwe interviews met Paul en Ringo. Achternaam overbodig.

Beatles-fan Ron Howard, een regisseur die je toch vooral associeert met Hollywood-blockbusters, concentreert zich op de eerste jaren van de groep (1963-1966), toen Beatlemania de wereld stormenderhand in zijn greep kreeg. De periode ook dat er nog een liveband was, genaamd The Beatles. Dat is een andere troef van deze eikenhouten muziekfilm: (obscure) concertbeelden van de band in optima forma, inclusief bloempotkapsels en uitzinnige tieners.

Daarnaast bevat Eight Days A Week backstagebeelden, b-roll materiaal van de wegwerpfilms van de groep en jolige interviews. Netjes ingekaderd en van anekdotes voorzien door de nog levende Beatles Paul en Ringo, enkele direct betrokkenen en dus ook de verplichte celebrities. Met een enkel aardig nieuwtje, zoals bijvoorbeeld het feit dat de band in Amerika nooit in gesegregeerde zalen wilde optreden. Het eindresultaat is precies wat je verwacht: een popdocu die de zegeningen telt van de beroemdste popgroep aller tijden.

Op Netflix is nog altijd How The Beatles Changed The World te bekijken, een film die ik hier beschreef. Deze documentaire bestrijkt de complete carrière van de Britse supergroep, maar moet het zonder Paul en Ringo doen.

André Hazes: Zij Gelooft In Mij

Bijna vijftien jaar na zijn dood kunnen we de balans opmaken van wat André Hazes heeft nagelaten. Zijn kinderen Dré en Roxanne (in deze documentaire te zien als de kinderversie van zichzelf) zijn op eigen kracht beroemdheden geworden, laatste vrouw Rachel werd een vaste gast in ‘de bladen’ en hij geldt nog altijd, onbetwist, als Neerlands grootste levensliedzanger.

De documentaire André Hazes: Zij Gelooft In Mij (91 min.) van John Appel heeft daarin een niet te onderschatten rol gespeeld. Tot die tijd hadden we Hazes nog kunnen verslijten voor een René Froger of een Lee Towers, inwisselbare Nederlandse varianten op internationale sterren als Frank Sinatra en Engelbert Humperdinck. Misschien is het zo simpel als André het zelf altijd formuleerde: hij had écht de blues (al klinkt die in zijn geval dan als een smartlap).

Die muziek kegelt alles en iedereen omver in deze film uit 1999, de eerste Nederlandse documentaire in lange tijd die het echt goed deed in de bioscoop. Omdat het soms lijkt alsof Hazes echt alleen voor jou zingt, terwijl je weet dat hij het in werkelijkheid tegen Rachel, of zijn overleden moeder, heeft. ‘Dan zeggen ze: alles wat ie zingt komt recht uit zijn hart’, zei Theo Maassen daarover gekscherend in zijn voorstelling Bepaalde Dingen. ‘Dan zeg ik: er snel uithalen, dat ding!’

Zij Gelooft In Mij legt overtuigend het verband tussen de muziek en het leven van Hazes, een man die misschien groots en meeslepend wilde leven, maar in het dagelijks bestaan vooral met zijn ziel onder zijn arm rondliep (of beter: zat, met altijd een sigaret en blik bier bij de hand). Die Hazes, die gewoon domweg gelukkig wil zijn, maar al twee huwelijken naar de Filistijnen heeft geholpen en druk doende is met nummer drie, domineert deze film die de tand des tijds moeiteloos heeft doorstaan.

Met de jaren is bovendien de knipoog verdwenen waarmee Ons Soort Mensen het fenomeen Hazes, en zijn glorieus bebrilde schoonmoeder, altijd bezag en resteert slechts een aangrijpend portret van een man die op het podium boven zichzelf uitstijgt. Als het doek is gevallen, blijkt hij echter gewoon weer dat jongetje uit een slecht huwelijk (waarvan vader zich gedurig een stuk in de kraag zoop), dat even op het slechte pad belandde (zoals is vervat in het boek De Jongens Van De Corridor) en vervolgens Zijn Stem vond (zoals bijvoorbeeld is te horen in het titelnummer van deze film, dat naderhand een echte evergreen werd).

In de documentaire Magie Van De Montage onderzoekt John Appel het werk van Nederlandse editors als Menno Boerema, Ot Louw en Gys Zevenbergen. Samen met hen praat hij over de do’s en don’t van montage en bekijken ze scènes uit succesvolle Nederlandse documentaires als Het Nieuwe Rijksmuseum, Ne Me Quitte Pas en Janine.

Ook enkele omstreden scènes uit de Hazes-docu komen daarbij aan bod, zoals de camera die blijft lopen nadat de geëmotioneerde zanger expliciet heeft gevraagd om daarmee te stoppen en de nagespeelde aankoop van een nieuwe auto voor Rachel, waarmee een echtelijke ruzie lijkt te worden bijgelegd. 

The Final Year


Het lijkt al een eeuwigheid geleden dat de Verenigde Staten konden doorgaan voor de onbetwiste leider van de vrije wereld – ondanks de kritiek die je óók toen kon hebben op de grootmacht. Tegenwoordig lijkt de kwalificatie Vernederde Staten toepasselijker: een land dat soms verdacht veel weg heeft van een veredelde bananenrubriek, geleid door een onverlichte despoot die de hele wereld per tweet de wetten van de reality tv probeert op te leggen. Elke vorm van diplomatie lijkt de huidige Amerikaanse president, die voor iedereen wel een denigrerende bijnaam heeft, volledig vreemd.

De opkomst van Trump toont in elk geval op pijnlijke wijze aan hoe kwetsbaar de Amerikaanse democratie is – hoe kwetsbaar democratieën überhaupt zijn. In The Final Year (89 min.) van Greg Barker zien we Trumps voorganger aan het werk, ene Barack Obama, een naam uit een grijs verleden toen de economische crisis van 2008 nog volop nasmeulde, Democraten en Republikeinen elkaar ook al de tent uit vochten en Donald Trump daadwerkelijk de hoofdpersoon was van zijn eigen televisieprogramma, The Apprentice (dat volgens hem een Emmy Award had moeten winnen, elk jaar natuurlijk).

Deze observerende documentaire richt zich op de drie medewerkers die Obama’s buitenlandbeleid vormgeven: minister van buitenlandse zaken John Kerry, speechschrijver/confidant Ben Rhodes en de Amerikaanse ambassadeur bij de Verenigde Naties Samantha Power. Met bijrollen voor veiligheidsadviseur Susan Rice en de cerebrale president zelf. In de laatste twaalf maanden van zijn ambstermijn proberen ze nog een aantal belangrijke pijnpunten weg te werken en Obama’s erfenis veilig te stellen. Terwijl de tijd van de eerste zwarte Amerikaanse president zienderogen opraakt, dient Donald Trump zich steeds nadrukkelijker aan als potentiële nieuwe president.

The Final Year maakt de dagelijkse praktijk van internationale diplomatie op boeiende wijze inzichtelijk: het masseren en confronteren van medestanders en opponenten achter de schermen, de met veel ceremonieel omgeven officiële gelegenheden en het continue reizen, van de ene kant van de aardbol naar de andere. Tussen de bedrijven door – onderweg in de auto of het vliegtuig, in de aanloop naar of na afloop van alweer een internationale top en tijdens de spaarzame momenten thuis – reflecteren de bureaucraten op hun idealen, de weerbarstige praktijk en hoe ze die met elkaar in overeenstemming proberen te brengen.

Soms komen ze daarbij lijnrecht tegenover elkaar te staan; de cocky en zakelijke Rhodes en de idealistische, emotioneel betrokken Power zijn het bijvoorbeeld helemaal niet eens over hoe het verder moet met Syrië. Op de een of andere manier moeten ze samen toch tot een coherent beleid zien te komen. Gelukkig is er altijd de onvermoeibare Kerry, die van geen ophouden wil weten, ondanks de deprimerende berichten vanuit steden als Aleppo. Intussen telt ieder voor zich Obama’s zegeningen: een deal met Iran, het klimaatakkoord van Parijs en de ontspanning tegenover Cuba. Een erfenis, die inmiddels, ruim een jaar later, voor een groot deel om zeep is geholpen door de regering Trump.

Score


Zodra dat uit duizenden herkenbare surfgitaarloopje weerklinkt, waan je je direct in de wereld van Agent 007 die wordt bedreigd door het Spectre van Ernst Stavro Blofeld. Bij die overbekende pompeuze synthesizerklanken krijg je direct de neiging om als een ongetrainde Rocky Balboa een enorme trap te beklimmen en vervolgens zegevierend je vuisten ten hemel te heffen. En het dreigende Jaws-thema zorgt ervoor dat je zelfs in het poedelbadje van je kinderen op zoek gaat naar een opstomende haaienvin.

In Score (89 min.) zet regisseur Matt Schrader de schijnwerper op (de geschiedenis van) filmmuziek en de invloed die soundtracks hebben gehad op de ontwikkeling van het medium film. Aan de hand van grote componisten als John Williams, Thomas Newman en Hans Zimmer stoomt de documentaire van filmklassieker naar blockbuster. Behalve een feest der herkenning voor cinefielen levert dat ook tips en tricks van de musici op en inzicht in de psychologische betekenis van filmmuziek.

‘De componist fungeert bijna als een soort therapeut’, beweert Hollywood-icoon James Cameron. ‘Uit wat de regisseur zegt haalt hij de essentie.’ Soms wordt bijna tastbaar hoe dat in zijn werk gaat. Kijk bijvoorbeeld hoe Rachel Portman live op haar piano meespeelt met een voorlopige montage van de film Race, op zoek naar de juiste toon. Score, waarin ook de Nederlander Tom Holkenborg (Mad Max: Fury Road) uitgebreid aan het woord komt, is gelardeerd met zulke fascinerende scènes, aangevuld met een stortvloed aan hoogtepunten uit de filmhistorie.

Chasing Trane


Halverwege de jaren vijftig lijkt zijn kostje gekocht. John Coltrane heeft een plek bemachtigd in de band van jazzlegende Miles Davis. De wereld ligt open voor de Amerikaanse stersaxofonist. Net als veel andere grootheden uit zijn metier heeft hij echter één probleem: die godvergeten naald. Eerder werd hij al eens door Dizzy Gillespie ontslagen vanwege drugsgebruik.

Coltrane heeft geen keuze, zo realiseert hij zich. Hij moet afkicken en gaat dus ‘cold turkey’, waarna hij zonder die eeuwige aap op zijn rug z’n loopbaan vervolgt. ‘Trane’ komt terecht bij alweer een jazzicoon (Thelonious Monk), start een solocarrière en mag later zowaar terugkeren bij Davis om het legendarische album Kind Of Blue op te nemen. Hij is terug van eigenlijk nooit weggeweest. Op weg naar muziek waarin hij ziel en zaligheid kan leggen, vereeuwigd op de langspeler A Love Supreme.

Chasing Trane (84 min.) van John Scheinfeld is een liefdevol portret van de ongrijpbare saxofonist, waarbij acteur Denzel Washington een stem geeft aan Coltrane zelf, met teksten uit interviews en liner notes. Hij wordt in de rug gedekt door een keur aan Amerikaanse prominenten; zijn jazzcollega’s Sonny Rollins en Jimmy Heath, de Afro-Amerikaanse intellectueel Cornel West, amateursaxofonist (en o ja, oud-president) Bill Clinton en popmuzikanten zoals Carlos Santana, Common en John Densmore (The Doors).

Hun verhalen en bespiegelingen, gepaard aan Coltranes weldadige muziek en fraaie archiefbeelden van de man in topvorm, schetsen een gloedvol beeld van de rasmuzikant, die op veertigjarige leeftijd overleed en in 1992 postuum een Grammy Lifetime Achievement Award kreeg.

Joan Didion: The Center Will Not Hold


‘Ik zit hier op dit eiland midden in de Stille Oceaan in plaats van een scheiding aan te vragen’, schrijft de Amerikaanse auteur Joan Didion in 1969 over haar huwelijksproblemen in Life Magazine. Haar echtgenoot, de schrijver John Gregory Dunne, heeft de tekst – zoals altijd – geredigeerd.

‘Hoe werkte dat dan?’, wil haar neef en filmmaker Griffin Dunne weten in de documentaire Joan Didion: The Center Will Not Hold (97 min.). ‘Welke afspraak hadden jullie over het schrijven over jullie innerlijke publieke leven?’ Er was geen deal volgens Didion: ‘Je gebruikte je materiaal. Je schreef wat je had.’

Het dagelijks leven dat nu eenmaal moet worden geleefd, zodat je het vervolgens als voedingsbodem voor boeken, essays en artikelen kunt gebruiken. Connie Palmen en haar toenmalige man Ischa Meijer kozen tijdens een gezamenlijke reis ooit een heel praktische aanpak en verdeelden eerlijk wat ze meemaakten. Over leven om te schrijven gesproken.

Het huwelijk van Joan Didion en haar John, die als echte schrijvers natuurlijk regelmatig elkaars zinnen afmaakten, loopt als een rode draad door deze oerdegelijke film, die via Didions oeuvre tevens de grote Amerikaanse thema’s en persoonlijkheden van de laatste vijftig jaar schetst. Van Charles Manson tot Dick Cheney.

Het is ook een verhaal geworden over het schrijven zelf (want daar schrijven schrijvers nu eenmaal ook graag over) en over hoe dat schrijven het leven van de schrijver drijft, beïnvloedt en – als dat leven je uit handen glijdt – helpt. Een onderhoudend verhaal, geen onbetwiste bestseller.

Behind The Altar


‘The cover-up is worse than the crime.’ Het adagio van het Watergate-schandaal, dat tegenwoordig ook vaak wordt gebezigd in relatie tot het Rusland-onderzoek rond Donald Trump, geldt eveneens voor de manier waarop de rooms-katholieke kerk in de afgelopen decennia is omgegaan met seksueel misbruik binnen haar gelederen. De doofpot geraakte stilaan overvol.

In de journalistieke documentaire Behind The Altar (53 min.) richt de Britse historicus John Dickie, die als verteller ook regelmatig (zonder al te duidelijke reden) door het beeld loopt, zich op de situatie binnen de kerk sinds de huidige paus Franciscus begin dit jaar een zero tolerance-beleid afkondigde. Heeft zijn ferme stellingname werkelijk een ommekeer veroorzaakt aan de basis, de plek waar het daadwerkelijke misbruik plaatsvindt, of fungeert die vooral als ‘window dressing’?

Met getuigenissen van deskundigen, slachtoffers en een (onherkenbaar gemaakte) dader schetst Dickie het beeld van een kerk die nog altijd het liefst zijn eigen boontjes dopt en justitie daarbij buiten beeld probeert te houden. Tegelijkertijd is er een perverse prikkel om de (financiële) schade beperkt te houden. Daardoor kan ’t achter het altaar nog altijd behoorlijk spoken.

Behind The Altar kan worden beschouwd als een soort vervolg op Deliver Us From Evil (2006) en Mea Maxima Culpa: Silence In The House Of God (2012), twee documentaires over misbruik binnen de katholieke kerk die overigens een stuk filmischer, verhalender en meeslepender zijn.

Gringo: The Dangerous Life Of John McAfee

Showtime

Hij had een soort Bill Gates kunnen worden, maar werd een moderne variant op Colonel Kurtz (de griezel uit het boek Heart Of Darkness en de bijbehorende film Apocalypse Now), die zich in zijn eigen koninkrijkje van gekte en geweld heeft teruggetrokken.

John McAfee, de man achter de befaamde virusscanner en tevens het larger than life-hoofdpersonage van Gringo: The Dangerous Life Of John McAfee (97 min.), een vermakelijke, maar soms net iets te vet aangezette documentaire van Nanette Burstein, die voor de film een soort paringsdans uitvoert met de ogenschijnlijk onwillige McAfee.

In Gringo trekt de doorgedraaide multimiljonair, rasentrepeneur en mediapersoonlijkheid zich uiteindelijk terug in Belize. In een veel te groot huis, waar hij een harem van (iets te jonge) lokale liefjes samenstelt en zich omringd met zijn eigen zwaarbewapende militie, samengesteld uit de allerbeste plaatselijke gangsters.

Het is een beproefd recept voor ellende. En die komt er: de gewelddadige dood van een buurman die zijn honden zou hebben vergiftigd. Als de grond hem te heet onder de voeten wordt, vertrekt McAfee en stelt zich in eigen land kandidaat voor het presidentschap van de Verenigde Staten.

En daar moet hij, net als ene Hillary, zijn meerdere erkennen in een nog veel groter uitgevallen personage, (The) Donald Trump.

De Tragische Finale Van Scheidsrechter John Blankenstein

NOS

Waarom werd scheidsrechter John Blankenstein op het allerlaatste moment van de Europa Cup I-finale van 1994 tussen AC Milan en Barcelona afgehaald? Die vraag staat centraal in de 101e uitzending van Andere Tijden Sport (30 min.). Was Blankensteins leven werkelijk in gevaar zoals de UEFA beweerde, werd hij misschien gezien als partijdig tegenover Cruijffs Barcelona óf wilde de Europese voetbalbond bij nader inzien toch geen openlijk homoseksuele arbiter?

John Blankenstein zelf wist het antwoord wel: zijn geaardheid had hem de finale gekost. De mannen die destijds de beslissing hebben genomen kunnen zich daar in Andere Tijden Sport echter niets meer van herinneren. Een brief met doodsbedreiging (uit de koker van Berlusconi’s Milan?) zou de reden zijn geweest om Blankenstein en zijn nog altijd verontwaardigde grensrechters te vervangen.

Niet veel later maakte een te trage Coopertest een definitief einde aan de loopbaan van de geboren scheidsrechter, die getuige de beelden van zijn afscheidswedstrijd, Roda JC – Fortuna Sittard in 1996, nog wel enkele jaren had meegekund. Vooral het geluid daarbij is prachtig: Blankenstein als heer en meester, die korte commando’s uitdeelt aan tierende en scheldende spelers.