Zijn echte naam is altijd onbekend gebleven. De Japanse schilder wordt bekend onder zijn pseudoniem Hokusai (noordster). We weten wel dat hij werd geboren op de 23e dag van de negende maan in het Jaar van de Draak van het tiende jaar van het Hōreki-tijdperk, meldt de alomtegenwoordige verteller van de documentaire Hokusai, Impressions De Soleil Levant (58 min.). Ofwel: 31 oktober 1760.
Ruim 250 jaar later spreekt het werk van de kunstenaar nog altijd tot de verbeelding. Hij is opgegroeid in de Japanse hoofdstad Edo, het huidige Tokio. In een land, dat strak wordt geleid door de Shogun en dat zich volledig heeft afgesloten van de rest van de wereld. De jonge illustrator, dan nog Shunrō genaamd, gaat in de leer bij de Shunshō-studio, waar hij zich bekwaamt in de houtbewerkingskunst Ukiyo-e. Met kerven in zachte kersenhoutbokken en verf leert hij kleurrijke prints te maken.
Nauwgezet probeert regisseur Lise Barron de persoonlijke en artistieke ontwikkeling van de latere Hokusai, die ook nog door het leven gaat als Sōri, Taito en Litsu, te reconstrueren. Soms is ze haar protagonist enige tijd kwijt, waarna hij plotseling weer van zich doet spreken met bloemrijke kunst die het Japan van zijn tijd doet herleven. Een wereld van kabuki-acteurs, courtisanes, samoerai, draken en manga, vervat in een ontzaglijke hoeveelheid tekeningen, illustraties en schilderijen.
Barron omlijst haar vertelling over de enigmatische kunstenaar, die zich steeds blijft ontwikkelen en daarbij ook wordt beïnvloed door de grote Nederlandse schilders, met sfeervolle sequenties van woodprinten en sumo-worstelaars en fraaie archiefbeelden van Japanse cultuur. Zo haalt ze een kunstenaar die al een kleine twee eeuwen dood is – en die zich in de jaren voor zijn overlijden overigens Manji noemt – overtuigend naar het hier en nu.
Verde Films / vanaf donderdag 7 mei in de bioscoop
‘It is easy enough to be pleasant’, begint het gedichtje dat Bram Cohen drie jaar lang boven zijn bed heeft hangen. ‘When life flows-along like a song. But the man worthwhile is the man with a smile. When everything goes dead wrong.’ De woorden helpen de vader van documentairemaker Paul Cohen overleven in het Jappenkamp. Als hij eind september 1945 wordt vrijgelaten, weegt ie nog slechts 46 kilo. Bram Cohen is 21 jaar en zijn halve familie kwijt.
Zo’n anderhalf jaar later gaat De Man Met De Glimlach (101 min) op vakantie. Via Duitsland reist hij in maart 1947 met de trein naar Kopenhagen. ‘Ik besefte dat ik genoot’, schrijft Bram dan in zijn reisverslag. ‘En daardoor genoot ik dubbel.’ Bij de aanblik van het verwoeste Duitsland kan hij een triomfantelijk gevoel nauwelijks onderdrukken. Totdat hij op het station van Hamburg een uitgehongerd vijfjarig meisje ziet en weer iets van compassie in zichzelf vindt. Op de plaats van bestemming zal hij bovendien de jonge Deense studente Lis Rohleder ontmoeten.
Terwijl Paul Cohen in het gezelschap van zijn zus Inge – en begeleid door de geschriften van hun vader, die in 1975 overleed bij een val in een ravijn – bijna een halve eeuw later per trein eveneens naar Denemarken reist, laat hij ook diens ervaringen in het kamp Tjimahi op Java de revue passeren. Hij portretteert tevens enkele passagiers, die elk op hun eigen manier ook op zoek zijn naar vergeving in zichzelf. Een jonge man die de as van zijn moeder wil uitstrooien. Een Vietnamese vrouw die is getekend door het verleden. En een Duits echtpaar dat als kind leed onder de oorlog.
Via de persoonlijke verhalen van zijn medereizigers en de herinneringen van en aan Bram Cohen probeert de filmmaker in deze ingetogen roadmovie, die ook veel overlaat aan de verbeelding van de kijker, zijn vader te begrijpen. Een man die op weg naar Denemarken het leven terugvindt en er desondanks, in weerwil van de glimlach die hij op zowat elke afzonderlijke foto laat zien, z’n hele bestaan mee zal blijven worstelen.
Groen over grijs. Dat zou het uitgangspunt moeten zijn, aldus Emilio Ambasz. Een architect dient als beschermheer te fungeren voor de stenen woestijn die de mens heeft gemaakt van zijn steden. De natuur moet daarin worden teruggebracht. Niet als decor of decoratie, maar als integraal onderdeel van een organisch geheel van de mens, z’n woon- en werkomgeving en de aarde. Zo brengt de Argentijnse visionair vanaf de jaren zeventig architectuur en natuur weer bij elkaar en vraagt hij tevens aandacht voor de noodzaak om te strijden tegen wat we later klimaatverandering zijn gaan noemen.
In de gestileerde documentaire Green Over Gray: Emilio Ambasz (52 min.) tonen Francesca Molteni en Mattia Colombo daarvan enkele fraaie voorbeelden. Het imposante huis La Casa de Retiro Espiritual in Sevilla bijvoorbeeld. De botanische tuin van het Texaanse San Antonio. Het ACROS-gebouw in Fukuoka in Japan, dat eerst alleen een betonnen kolos leek, daarna langzaam overwoekerd raakte door groen en toen z’n volledige potentieel onthulde. En met het Ospedale Dell’Angelo in het Italiaanse Venice-Mestre toonde Ambasz aan dat ook een ziekenhuis kan worden vergroend.
Aan de hand van deze sprekende voorbeelden laten enkele collega-architecten en kenners hun licht schijnen over de visie, werkwijze en impact van hun enigmatische collega, die zelf met enkele poëtische teksten z’n eigen mythe nog eens versterkt. Ambasz tekent naar verluidt helemaal niet om z’n ideeën stapsgewijs aan te scherpen. De concepten komen in hun totaliteit tot hem. Alsof ze allang ergens rondzweefden en alleen nog door hem, de man met het idee, esthetische gevoel en ideaal, uit de lucht moesten worden gepakt, om vervolgens op de dorre aarde te worden gedropt.
Deze film – over het levenswerk, in plaats van het leven daarachter – brengt de visie van Emilio Ambasz overtuigend over het voetlicht.
‘De jongen die geloofde dat hij een jager moest zijn om een man te worden’ begint brieven te ontvangen. Ze zijn afkomstig van ‘het meisje dat geloofde dat ze jouw exotische fantasie moest worden’.
Hij is Robert Aaron Long, de man achter de Atlanta Spa Shooting. Op 16 maart 2021 vermoordde de Amerikaan, die was gediagnosticeerd met een seksverslaving, acht mensen, waaronder zes Aziatische vrouwen.
Zij is Kiriko Mechanicus, een Nederlands-Japanse vrouw en de maker van deze flonkerende film over culturele stereotypen rond Aziatische vrouwen en etnische fetisjes – en haar eigen verhouding daartoe.
Ze kennen elkaar niet als zij hem begint te schrijven in de Fulton-gevangenis, waar hij zijn straf uitzit. Is hij zo’n typische eenzame, door anime geobsedeerde jongen? Een man die bevangen is geraakt door ‘yellow fever’?
En wie is zij zelf, een vrouw die zich door diezelfde stereotypen in het keurslijf van de stille en volgzame Aziatische huisvrouw heeft laten wringen? Een exotische trofee voor mannen met een etnische fetisj?
In de korte documentaire How To Catch A Butterfly (26 min.) komen ze samen: mannen zoals hij met een Aziatische kick en vrouwen zoals zij die zich een ‘vlinderkostuum’ (hebben laten) aanmeten.
Mechanicus vertrekt daarbij vanuit Madama Butterfly, Puccini’s opera over een geisha, en gaat naar Japan met haar moeder, die niet meer aan het stereotiepe beeld van de gedweeë Aziatische vrouw wil en kan voldoen.
Het wordt een broeierige, ravissant vormgegeven tocht door een donkere wereld, langs culturele clichés, Aziatische porno en vrouwen die zich als een vlinder laten vangen. Op weg naar een onbegrijpelijke haatmisdaad.
Is haar vernietiging altijd onderdeel van jouw genot? vraagt de ‘exotische fantasie’ onderweg aan ‘de jager’.
Nadat hij met een belletje heeft geklingeld, spreekt Hans Rasker de andere genodigden aan de Indische tafel toe. ‘Hartelijk welkom bij deze laatste maaltijd voor de zomervakantie’, zegt hij tegen de leden van de tamelijk chique mannenclub, waarna ie even recht in de camera kijkt. ‘En Pieter, jij ook van harte welkom en je medewerkers.’
Pieter is documentaireproducent Pieter van Huystee, de maker van Als Ik Mijn Ogen Sluit (2024), een persoonlijke film over de ervaringen van zijn eigen moeder en oma en andere Nederlandse vrouwen, die tijdens de Tweede Wereldoorlog in een Jappenkamp zaten. Nu laat hij de mannen, bij wie zijn vader ooit aan tafel zat, de ogen sluiten en speelt dan in op wat er bij hen bovenkomt, verhalen die ze verder alleen met elkaar delen.
Verhalen ook die ze, vanwege hun jonge leeftijd, soms alleen uit de overlevering kennen – hoewel hun ouders er lang niet altijd happig op waren om ze na de oorlog te vertellen. De inmiddels gepensioneerde ‘jongens’ verlaten zich op hun prille geheugens en op wat er bewaard is gebleven van hun levens in het voormalige Nederlands Indië: dagboeken, brieven, foto’s, tekeningen, boeken, knuffels en andere herinnerdingen.
De Indische Tafel: Jongens Van De Japanse Kampen (70 min.) is hun gezamenlijke relaas over een kindertijd die een kwestie van overleven werd. Dat lukte niet iedereen. Zoals ook sommige moeders zouden bezwijken aan de ontberingen van het kamp. Honger, ziekte en geweld werden menigeen te veel. Intussen raakte hun vader, met wie ze na de oorlog herenigd hoopten te worden, steeds verder op de achtergrond.
Van Huystee omlijst de herinneringen van deze ontheemde mannen, die zich tachtig jaar later nog steeds niet altijd thuis voelen in Nederland, met een uitgebreide collectie archieffoto’s en -beelden en versterkt de dramatische loop van zijn vertelling met een uitgesproken soundtrack. Zo roept hij de klamme hitte, zoemende krekels en geur van kretek-sigaretten op van een verloren wereld, die maar niet vergeten kan worden.
Als ze tien worden – halverwege deze geladen film – moeten de jongens het kamp verlaten, weg bij hun moeders. Ze hebben geen idee waar ze naartoe gaan. ‘Niemand huilde’, herinnert één van hen zich. ‘De vrouwen hielden zich allemaal goed. En wij waren ook stil. Ik geloof niet dat er één jongetje huilde.’ Op de dag vóór zijn vertrek wordt er, bij gebrek aan foto’s, een tekening van hem gemaakt. En dan wacht het onbekende…
Een aardbeving triggert op vrijdag 11 maart 2011 een tsunami in Japan. Al snel nadert het woeste water de kerncentrale Fukushima Daiichi in Ōkuma. De speciaal aangelegde zeewal is kansloos. Een nucleaire ramp dreigt, véél erger dan Tsjernobyl. In het ergste geval ontstaat er een complete meltdown en wordt het gehele noorden van het land door radioactieve straling volstrekt onbewoonbaar.
In de stemmige documentaire Fukushima: A Nuclear Nightmare (90 min.) reconstrueert regisseur James Jones (Antidote, On The President’s Orders en Chernobyl: The Lost Tapes) met enkele direct betrokkenen, deskundigen en journalisten de ramp in wording, die met nieuwsbeelden, visualisaties en dagboekfragmenten van de Japanse premier Naoto Kan héél dichtbij wordt gebracht.
De naderende catastrofe is volgens journalist Martin Fackler van The New York Times het gevolg van een aaneenschakeling van menselijke blunders. Het hoofdkantoor van de Tokyo Electric Power Company (TEPCO) in de Japanse hoofdstad zit letterlijk op afstand, heeft in de voorgaande jaren talloze waarschuwingen in de wind geslagen en stapelt ook als de nood aan de man komt weer fout op fout.
Akira Kawano, senior manager bij TEPCO, werpt die suggestie ver van zich. Bij nucleaire energie geldt vanzelfsprekend altijd veiligheid eerst, zegt hij. ‘We hebben ons aan alle voorschriften gehouden. Daarom mochten we ook in bedrijf zijn.’ Maar: veiligheid kost volgens Kawano ook geld. ‘Je kunt je dus afvragen of kerncentrales überhaupt moeten worden gerund door bedrijven met een winstoogmerk.’
Om de crisis te bezweren wordt er een team samengesteld, de zogeheten ‘Fukushima 50’. Het gaat in werkelijkheid om bijna zeventig medewerkers die achterblijven in de centrale, zodat anderen daar weg kunnen. Ze staan ogenschijnlijk voor een harakiri-missie. Onder hen is Ikuo Izawa, ploegleider reactor 1 en 2. Hij voelt zich echter bepaald geen held, vertelt ie. Eerder een medeplichtige.
Vanuit de centrale mailt Izawa zijn kinderen. ‘Ik reken erop dat jullie je om elkaar zullen bekommeren.’ Daarbij doelt hij in het bijzonder op zijn vrouw die in een rolstoel zit. ‘Dat zou een zware last worden voor mijn kinderen, maar zij waren de enigen die ik dit kon vragen.’ En dan gaat ie samen met die andere naamloze helden/medeplichtigen aan het werk om een nog veel grotere ramp te voorkomen.
De gebeurtenissen in Fukushima, die door Jones zeer indringend worden opgeroepen, onderstrepen nog maar eens met welke krachten de mens speelt als ie zich inlaat met nucleaire energie en hoe belangrijk ’t is om die onder controle te houden. De omgeving van de kerncentrale is intussen nog altijd onbewoonbaar. Het wegwerken van alle schade en vervuiling duurt vermoedelijk nog vele generaties.
Vrede, werk en welzijn met Stroessner. Met die slogan zal de president van Paraguay volgend jaar opnieuw worden verkozen, stelt de verslaggever van dienst in een nieuwsreportage over de eerste verre reis van de Zuid-Amerikaanse leider naar Japan. Op 12 april 1972 neemt hij op het Aeropuerto Internacional President Stroessner afscheid van een enthousiaste natie. Alfredo Stroessner zit dan al sinds 1954 in het zadel in Paraguay, na de bijna verplichte militaire coup, en is voorlopig ook niet van zins om te wijken. Hij zal nog tot 1989 aan de macht blijven.
Alfredo Stroessner Matiauda (1912-2006) geldt dan als de langstzittende dictator van Zuid-Amerika. Vanuit de hoofdstad Asunción regeert hij, net als tijdgenoten en gelijkgezinden zoals de generaals Augusto Pinochet en Jorge Videla, met ijzeren land over Paraguay, dat zit ingeklemd tussen Argentinië, Brazilië en Bolivia. In Bajo Las Banderas, El Sol (internationale titel: Under The Flags, The Sun, 90 min.) laat Juanjo Pereira dit land opnieuw zien: via de promofilms en lofliederen die De Grote Leider en zijn Colorado-partij de wereld instuurden. En, zeker in de tweede helft van deze archieffilm, ook via dossiers en kritische reportages, veelal van buitenlandse makelij, over de uitwassen van de dictatuur.
Over Hotel Tirol bijvoorbeeld, waar (oud-)nazi’s zoals de beruchte kamparts Josef Mengele vertoeven en ook Stroessner, die zelf een Duitse achtergrond heeft, zich graag laat zien. Over de abominabele behandeling van Paraguay’s inheemse bevolking, die het leven onmogelijk wordt gemaakt. En over de folteringen in de gevangenissen van het regime, natuurlijk. Geen totalitaire staat kan zonder. ‘Misschien wordt u soms moe van ons’, spreekt een volgeling Alfredo Stroessner geheel in stijl publiekelijk toe op een partijcongres, aan de vooravond van weer een herverkiezing. ‘Maar als u ziet dat wij, als uw volk, u nodig hebben, dan kunt u ons niet in de steek laten, generaal!’
Stroessner en de zijnen presenteren zichzelf dan doodleuk als hoeders van de democratie, die populisten, oproerkraaiers en allerlei links gespuis de pas afsnijden. De hardwerkende Paraguayaan mag zijn handen dichtknijpen bij zoveel onbaatzuchtige gemeenschapszin. Met de selectie en rangschikking van beschikbare beelden, en het vinden van overeenkomsten en contrasten daartussen, laat Pereira intussen een land herleven dat ruim 35 jaar na dato ongetwijfeld van menig netvlies was verdwenen en dat desondanks – onder een andere naam, op een andere plek in de wereld – nog gewoon lijkt te bestaan. Alleen de namen van de zelfverkozen leiders zijn anders.
Voordat hij kon worden geliquideerd door zijn opvolger, generaal Andrés Rodriguez, wist Alfredo Stroessner in 1989 naar het buitenland te ontkomen. Daar zal hij zich nog wel eens achter z’n oren hebben gekrabd. De man die hem met een staatsgreep van de macht beroofde behoorde niet alleen tot zijn eigen Colorado-partij, die overigens nog altijd aan de lakens uitdeelt in Paraguay, maar was ook nog eens aangetrouwde familie. Andrés Rodriguez zou de macht na vier jaar, een opmerkelijke stap die bijna voor democratisch zou kunnen worden versleten, overigens alweer afstaan.
Het succes kwam hem niet aanwaaien, stelt de Marokkaans-Belgische choreograaf Sidi Larbi Cherkaoui, die tot 2022 zeven jaar lang de scepter zwaaide bij het Koninklijk Ballet van Vlaanderen, in zijn lange loopbaan werkte met popgrootheden als Beyoncé en Madonna en tegenwoordig artistiek leider is van het Grand Théâtre de Genève.
Of, zoals hij zijn jeugd en de invloed daarvan op z’n artistieke loopbaan in de documentaire Don’t Put Me In A Box (57 min.) van Romain Girard kernachtig samenvat: ‘Pas toen ik vijftien was en wat kilo’s was kwijtgeraakt, de scheiding van mijn ouders had meegemaakt, een door stress veroorzaakte maagperforatie had overleefd, vegetariër was geworden en uit de kast was gekomen, zag ik in dat dansen een existentiële behoefte was, op het masochistische af.’
Larbi Cherkaoui fungeert zelf als verteller van dit bloemrijke (zelf)portret. Hij schuwt ook dan het drama niet. Zowel met taal als dans creëert hij een overdadige beeldenstorm die zowel beklijft als soms ook lam slaat. Terwijl hij zich als choreograaf in pak ‘m beet Japan, Oostenrijk of China te buiten gaat aan het creëren van adembenemende beelden, is er altijd die stem die elke gebeurtenis of emotie inkadert. Daarmee krijgt alles in zijn leven betekenis – en vervolgens ook z’n artistieke weerslag.
Zoals toen ’s mans woede over het onrecht in de wereld plaatsmaakte voor verwarring. ‘Waar het maken van choreografieën eerst heilzaam was keerde mijn kunst, waarmee ik koppig zoveel wilde zeggen en vooral op zoek was naar waardering, zich tegen mij. Er kwam kritiek op de overdaad van mijn choreografieën. En ik raakte ontmoedigd.’ En het dwangmatige denken daaraan sijpelde vervolgens door naar zijn werk – gevolgd door de behoefte om te ‘leven in de leegte’ en alweer een nieuwe voorstelling.
Dat leven, zoals de hoofdpersoon en maker dat in deze gestileerde dansfilm voorstellen, maakt eveneens een geconstrueerde indruk. Groots en meeslepend, dat is ‘t. En, met Instagram als aanjager en uitlaatklep, ook helemaal van deze tijd. Tis het verhaal dat je van een leven, ten volle geleefd natuurlijk, kunt maken – of, zo je wilt, de voorstelling. Met een trefzekere tagline erbij: creëren is mijn overlevingsstrategie.
De vindplaats is natuurlijk niet met een kruis aangegeven, stelt Jack nog maar eens ten overvloede. De jonge Brit zoekt nu al een jaar of zes, geheel verblind en met één arm op zijn rug gebonden, naar Yamashita’s goud.
Bij de invasie van de Filipijnen, in de beginjaren van de Tweede Wereldoorlog, beroofde de Japanse generaal Tomoyuki Yamashita het land van zijn schatten. En toen de Japanners na de capitulatie weer met de staart tussen de benen uit de Aziatische archipel moesten vertrekken, zou hij volgens plaatselijke legenden het verzamelde goud hebben verstopt in het labyrint van grotten, gangen en tunnels van zijn strijdkrachten.
Jack is ervan overtuigd dat hij die schat kan vinden – en zijn beste vriend Giacomo Gex, die eigenlijk beter zou moeten weten, legt zijn verwoede pogingen om schathemeltjerijk te worden van zeer nabij vast. Één blik op al dat gegraaf en gewroet in claustrofobische kuilen, gangetjes en grotten en een buitenstaander weet genoeg: Jack zal nooit iets vinden en zal desondanks altijd blijven doorgaan. Tot hij er helemaal aan kapot is gegaan.
Steun van zijn ouders hoeft The Treasure Hunter (84 min.) niet te verwachten. Beter: echte steun. Geld is – herstel: wás – er in overvloed. Jacks vader, die ooit een flinke rederij bezat, heeft naar verluidt al miljoenen gepompt in de redeloze queeste van zijn zoon. Het water staat ook hem inmiddels aan de lippen. En Jacks moeder had ’t al niet zo breed. Ook zij legt echter haar laatste cent apart. Zodat ze met z’n allen naar de Gallemiezen gaan.
Het is een tragische geschiedenis. De jonge protagonist, een lastig invoelbaar personage, trekt zijn hele omgeving, inclusief zijn Filipijnse vrouw en kind, mee in zijn verslaving. Plaatselijke huurkrachten zijn er goed mee – al denken zij er vast het hunne van. Totdat Jack zichzelf tot de orde roept en z’n leven weer in het gareel probeert te krijgen. Hij kan natuurlijk ook een normale huisvader worden, die tegen betaling Engelse les geeft.
Dat lijkt eigenlijk wel zo gemakkelijk, maar hoeveel jaren er ook overheen gaan, de goudzucht laat hem nooit helemaal los. Die aap op Jacks rug blijft zich maar roeren, toont Giacomo Gex, in deze donkere en beklemmende film, waarvan het einde, dat geen einde kan zijn, bij het begin al vast lijkt te staan. En dat is ook voor de kijker een ontmoedigende gedachte.
Hij beschouwde zichzelf ooit als een soort god, zegt ie. Sinds 1990 houdt de Nederlandse kunstenaar Theo Jansen zich al bezig met het maken van ‘strandbeesten’. Terwijl hij, in de openingsscène van dit aan hem gewijde persoonlijke portret, over hen vertelt als ware het levende wezens, is Jansen druk bezig met een soort perpetuum mobile van PVC-buizen dat, eenmaal aangejaagd door de wind, gracieus over het strand schrijdt. ‘Na verloop van tijd werd het steeds duidelijker dat ik meer een slaaf ben dan een god.’
Op ’s mans YouTube-kanaal @strandbeestfilm zijn talloze filmpjes te vinden van Jansens beesten op het Scheveningse strand. Soms lijken ze op rudimentaire vogels of prehistorische skeletten, een andere keer op een reusachtige rups of militaire parade. De meerderheid van zijn creaties mislukt overigens, bekent hij aan het begin van de internationale documentaire Pipe Dream (47 min.). Kunst is voor hem vooral veel spelen. En dan begint het materiaal vanzelf tegen je te praten.
(Zelf)spot is de man daarbij niet vreemd. Jansen realiseert zich dat er een Don Quichot-achtige figuur in hem schuilt. Die kan helemaal opgaan in zijn eigen creaties en wordt door anderen vast regelmatig voor gek versleten. Als hij bezig is met het vervoer van een aantal beesten naar een galerie in het Japanse Osaka, kan Jansen ‘t niet laten om daar dan weer de draak mee te steken. ‘Het is kunst, weet je?’ zegt hij tegen de filmmakers Nikolay Nikolov en Zachary Alfred. Hij laat een korte stilte vallen. ‘Wisten jullie dat niet?’
‘Als ik van mensen af wil zijn, zeg ik meestal dat het kunst is’, vertelt Jansen even later in zijn atelier, nadat hij daar een geïnteresseerde man heeft afgewimpeld. ‘Dan houdt het meestal wel op. Als ik zeg dat het strandbeesten zijn, gaan ze allerlei vragen stellen. Maar als het kunst is, hebben ze medelijden met je.’ Ook hier gaat z’n humor met Jansen op de loop. Zijn werk was al in de hele wereld te zien. Nu staat er ook een tentoonstelling in zijn geboortestad Den Haag op het programma, zijn allereerste in Nederland.
Deze film geeft intussen een alleraardigst inkijkje in de parallelle wereld van Theo Jansen. Zijn strandbeesten lijken uiteindelijk een treffende uiting van ‘s mans ‘irrationeel optimisme’. En hij manifesteert zich zelf als een aimabele paradijsvogel, die helemaal één lijkt te zijn geworden met zijn eigen idee. Jansen wil dan ook dat zijn as wordt uitgestrooid op het strand als hij er niet meer is – en, houdt hij zijn eigen mythe doelbewust in stand, ‘als de beesten hier zelfstandig rondlopen’.
‘Misschien herrijst ie wel’, grapt Hayao Miyazaki. ‘Hij is nu alleen nog botten. Dan zegt ie: waarom ben ik in botten veranderd?’ De hoogbejaarde Japanse animatieregisseur (Spirited Away) kan er zelf wel om lachen, bij de uitvaart van zijn vriend, compagnon en aartsrivaal Isao ‘Pak-san’ Takahata. Even later, als hij officieel moet spreken, is het lachen hem wel vergaan. ’55 Jaar geleden…’ begint Miyazaki, overmand door emoties. ‘Ik zal nooit vergeten wat je zei bij die bushalte na de regen. Bedankt daarvoor.’
Geëmotioneerd zoekt hij zijn plaats in de zaal weer op. ‘Dat van die bushalte verzon ie’, beweert Toshio Suzuki, de vinnige producer die al sinds mensenheugenis met de twee animatoren samenwerkt bij Studio Ghibli, even later. ‘Ik was namelijk bij hem toen hij het zich herinnerde. Hij stopte even, keek in de verte en zei toen: een bushalte, in de regen.’ Suzuki kan wel lachen om Miyazaki ‘s strapatsen. ‘Ik dacht: dat is uit Totoro. Hij gebruikt steeds dezelfde thema’s.’ Waarna Kaku Arakawa in de documentaire Hayao Miyazaki And The Heron (120 min.) daadwerkelijk de bewuste filmscène laat zien: feit of fictie?
Hayao Miyazaki (1941) is enige tijd geleden eigenlijk al met pensioen gegaan – al meerdere keren zelfs. Die roeping blijft alleen roepen. Beter: zeuren, smeken, eisen. Hij kan helemaal niet zonder, zou in elk geval niet weten hoe. En hij heeft een opdracht meegekregen van Ghibli’s kleurontwerper Michiyo Yasuda, die al in 2016 overleed. Op zijn werkplek hangt een briefje, ter herinnering: ‘Nog eentje van Michiyo’. Deze docu documenteert de ontstaansgeschiedenis van die productie: The Boy And The Heron. Die zal in 2023 worden beloond met een Oscar, BAFTA en Golden Globe voor beste animatiefilm.
Onderweg naar dat succes is er echter constant twijfel. ‘Ik heb mijn hersenpan te ver geopend’, zegt Miyazaki somber. ‘Ik moet ‘m sluiten, maar weet niet meer hoe. Hij zit vast. Misschien is dat een teken dat je gek wordt. Ik ga naar de rand van de waanzin. Als ik de grens niet opzoek, wordt de film niet goed.’ Ook producent Suzuki lijkt zich zorgen te maken over zijn sterregisseur – al zou dat net zo goed bij hun vaste ritueel kunnen horen. ‘Voor het eerst in zijn leven is hij de controle kwijt’, zegt hij. ‘Als ik bij hem ben, word ik doodmoe. Hij reist tussen deze wereld en de volgende. Als je dat doet, hou je ze niet meer uit elkaar.’
Realiteit en fictie lopen in elk geval permanent door elkaar heen, ook in deze vluchtig gefilmde en zeer snel en associatief gemonteerde portret. De film springt heen en weer in de tijd, floept op en neer tussen verschillende personen, activiteiten en plekken, en hopt van Miyazaki’s dagelijks leven naar fragmenten uit zijn werk – en weer terug. Arakawa filmt de animeester nu al zo’n twintig jaar en behoort inmiddels dus tot het interieur bij Studio Ghibli. De documentairemaker/cameraman fungeert als ieders praatpaal, om zorgen te delen, openlijk te twijfelen of te roddelen over één van de anderen.
Een heel enkele keer stelt Kaku Arakawa een vraag, maar meestal zwijgt ie en luistert. ‘Niet doodgaan, oké?’, zegt Miyazaki, als ze tijdens een wandeling door de regen wéér een sterfgeval in zijn directe omgeving hebben besproken. Want de dood is een vast thema in ’s mans inmiddels vergevorderde bestaan. ‘Dat is wat er gebeurt in je nadagen’, constateert de oude meester mismoedig. Hij deelt constant zulke genadeloze oneliners uit, ook aan zichzelf. En Hayao Miyazaki And The Heron markeert inderdaad het einde van een tijdperk – en daarmee ook van een fenomeen, van een kunstenaar, van een man.
Dat zeer intieme proces wordt feilloos gedocumenteerd in deze aangrijpende documentaire, die eindigt bij de première van Miyazaki’s laatste project. Alhoewel…
Zoals ze daar zitten, gebroederlijk naast elkaar op twee stoeltjes in Casablanca, lijken ‘t heel even twee heel gewone oude mannetjes, vrienden voor het leven wellicht, die samen genieten van het zonnetje. In werkelijkheid gaat ’t om twee beeldbepalende leiders uit lang vervlogen tijden, voor de gelegenheid ingekleurd. Om hen van de twintigste eeuw, waarin ze allebei een prominente rol speelden, naar de éénentwintigste te tillen. De één zit er breed glimlachend bij, ogenschijnlijk een gulle politicus. De ander kijkt enigszins zuinig, het toonbeeld van de onverzettelijke leider.
De Amerikaanse president Franklin D. Roosevelt en Britse premier Winston Churchill hebben elkaar, na even zoeken, gevonden in hun strijd tegen nazi-Duitsland en Japan. Er is zowaar iets van vriendschap ontstaan, betogen enkele historici in Churchill At War (235 min.). Die krijgt echter al snel een serieuze knauw als de Russische leider Stalin zich tijdens een volgende top in Teheran bij het duo voegt en de leider van het grote Britse rijk het mikpunt van spot wordt. Daar, in die ‘schoolpleindynamiek’ van 1943, wordt al de basis gelegd voor de naoorlogse wereld en de Koude Oorlog.
Zulke sfeertekeningen behoren tot de pluspunten van deze vierdelige historische serie, waarin regisseur Malcolm Venville traditionele documentaire-elementen zoals authentiek (hoewel dus ingekleurd) archiefmateriaal en commentaar daarbij van bekende historici zoals Douglas Brinkley, Dan Snow en Jon Meacham, Churchills kleindochter Emma Soames en de prominenten Boris Johnson, George W. Bush en David Petraeus ‘verrijkt’ met uitgebreide gedramatiseerde scènes, waarin de Britse acteur Christian McKay het larger than life-personage Winston Churchill vertolkt.
En daar, bij die combinatie van non-fictie en fictie, wringt ’t ook meteen. Want die twee komen, zoals wel vaker, slechts zelden geloofwaardig bij elkaar. De Churchill van McKay blijft te allen tijde een rol. Ook doordat hij, samen met Venville, soms echt het clichébeeld van de man opzoekt: de moeilijk kijkende bullebak, met z’n hoed, vlinderstrik en die eeuwige sigaar, die regelmatig onbehouwen uit de hoek komt, maar ‘t eigenlijk niet zo slecht meent en ‘t in elk geval als beste weet. Het is de Winston Churchill die al in talloze dramaproducties is opgetekend. Meer icoon dan mens.
Uit ‘s mans nalatenschap zijn bovendien vijf miljoen gepubliceerde en zes miljoen uitgesproken woorden gedestilleerd, meldt Churchill At War bij aanvang trots. Die hebben, zo nodig met kunstmatige intelligentie omgezet in audio, hun weg gevonden naar een narratief over een geboren leider met een vooruitziende blik: hij herkende al heel vroeg het gevaar van Adolf Hitler, muntte de term ‘Het IJzeren Gordijn’ en had wellicht zelfs voorzien, of erop gespeculeerd, dat hij zelf postuum alleen nog maar aan belang zou winnen.
De Zuid-Koreaanse haenyeo-cultuur, van generatie op generatie doorgegeven en officieel erkend door Unesco, staat onder druk. Ooit waren er zo’n dertigduizend ‘haenyeo’ actief in de Oost-Chinese Zee bij het vulkanische eiland Jeju. Nu zijn er nog maar vierduizend van zulke vrouwelijke duikers over. En die blijken vrijwel allemaal boven de zestig. Als ‘beschermers van de zee’ gaan zij, zonder zuurstoffles, soms wel bijna twee minuten onder water, op zoek naar zee-egels, schelpen en zee-ananas. Echt vrouwenwerk, aldus de 72-jarige Soon Deok Yang. ‘Mannen kunnen dit helemaal niet aan.’
Gezond is alleen anders, stelt historica Soon-E Kim, die gespecialiseerd is in de haenyeo-cultuur, in de fraaie documentaire The Last Of The Sea Women (87 min.) van regisseur Sue Kim. Hoe dieper de vrouwen duiken, hoe hoger de waterdruk wordt. Alsof je elke dag een paar honderd keer ergens keihard tegenaan beukt met je hoofd. ‘Als ze een dode haenyeo aantreffen op zee’, vertelt zij, ‘zit haar net vreemd genoeg altijd vol met Haliotis-slakken en ander voedsel uit de zee.’ Een ziektekostenverzekering kunnen haenyeos alleen niet krijgen. Daarvoor is het beroep te gevaarlijk.
Niet vreemd dus dat jonge Koreaanse vrouwen bepaald niet staan te springen om het water in te duiken. Zeker omdat het aanbod daar, als gevolg van vervuiling en oplopende temperaturen, ook zienderogen verschraalt. Ruim 250 kilometer verderop, op het eiland Geoje, proberen twee jonge vrouwen het tij te keren met TikTok-filmpjes. Al dansend willen ze de aloude cultuur nieuw leven inblazen. En dan blijkt dat het nabijgelegen Japan van plan is om nucleair afval van de kernreactor in Fukushima te gaan dumpen in de Oost-Chinese Zee. Tot afgrijzen van de haenyeo.
The Last Of The Sea Women brengt hun (verdwijnende) wereld prachtig in beeld. De oudere vrouwen in hun oranje-zwarte wetsuits steken bijzonder mooi af tegen het blauw van de zee. Sue Kim heeft bovendien de beschikking over sfeervolle archiefbeelden en gaat zelf helemaal los bij een sjamanistisch ‘gut’-ritueel, op temperatuur gebracht met expressieve Koreaanse muziek, waarbij de haenyeo de hulp van goden en geesten inroepen om de Japanse plannen te dwarsbomen. Om het zekere voor het onzekere te nemen sturen ze Soon Deok Yang bovendien naar de Verenigde Naties in Genève.
Want wie wil er uit de zee eten als die straks grondig vervuild is geraakt? En welke toekomst hebben de haenyeo en hun roeping dan nog?
Iedereen die bekend is met emoji’s zal weten waar de aubergine voor staat: een penis. De oorsprong van die connectie ligt waarschijnlijk bij Tomoaki Hamatsu, een deelnemer aan het Japanse reality-programma Susunu! Denpa Shonen. Vanwege zijn lange gezicht kreeg de would be-komiek uit Fukushima als kind de bijnaam ‘Nasubi’. Ofwel: aubergine.
Toen Nasubi in januari 1998 auditie deed voor het programmaonderdeel A Life In Prizes had hij geen idee waarin hij verzeild zou raken. Nadat hij bij een loterij het ‘winnende’ lot had getrokken, werd The Contestant (91 min.) geblinddoekt naar een spaarzaam aangeklede ruimte gebracht. Met behulp van een telefoon, briefkaarten, een televisie, tijdschriften en een pen moest hij de komende tijd in z’n eigen levensonderhoud gaan voorzien. Daarvoor was hij volledig aangewezen op prijsvragen. Want, zo vroegen de televisieproducenten zich af, zou je kunnen overleven op wat je daarbij wint? En Japan smulde ervan. De lotgevallen van de deelnemer werden een gigantische kijkcijferhit.
Nasubi had er geen idee van – dat zegt hij tenminste in deze verbijsterende documentaire van Clair Titley – dat zijn verrichtingen zouden worden uitgezonden. Eerst alleen een wekelijkse samenvatting op tv, daarna ook live op internet. Er was Nasubi simpelweg voorgehouden dat hij weer naar buiten mocht als ie een miljoen yen bij elkaar had gewonnen. En dat hij poedelnaakt aan de eerste challenge moest beginnen, dat ook. Om de kijkers van Susunu! Denpa Shonen, die zich te barsten lachten om Nasubi’s strapatsen, niet al te zeer te shockeren, moest zijn kruis natuurlijk worden afgedekt. Met een – goed gevonden, zullen we maar zeggen – aubergine.
A Life In Prizes oogt 25 jaar na dato als een extreme Japanse mixture van Big Brother (*), Prijzenslag (**) en The Truman Show (***). Het is eigenlijk onvoorstelbaar dat dit programma op de Japanse televisie kon worden uitgezonden. Zo wreed, vernederend én gevaarlijk. ‘Het enige waar ik aan kon denken was: niet sterven’, zegt de enige deelnemer nu, alsof het de normaalste zaak van de wereld is. ‘Maar toen begon de echte hel pas.’ Het verhaal is zo bizar dat het zich via de tv-fragmenten bijna vanzelf vertelt. En dus ‘beperkt’ Titley zich veelal tot ‘show, don’t tell’. Ze voegt daarnaast een aantal straffe songs en terugblikinterviews met enkele kernfiguren toe.
Behalve Tomoaki Hamatsu zelf en zijn moeder Kazuko en zus Ikuyo, die vanuit Fukushima met afgrijzen toekeken hoe hij heel dociel vijftien (!) maanden lang bleef participeren, neemt ook de televisieproducent/kwade genius Toshio Tsuchiya plaats voor de camera. Hij lijkt nog wel trots op het realityprogramma – al snapt ie ook wel dat veel anderen niet mild over hem zullen oordelen. Toen ze aan het naargeestige avontuur begonnen, beschouwde Nasubi hem nog als een soort televisiegodheid. Inmiddels zijn hem de schellen wel van de ogen gevallen. ‘Ik zou mezelf geen God noemen’, reageert Tsuchiya minzaam lachend. ‘Een god is meer…. Nee, ik ben de duivel.’
Dat is wellicht te veel eer, maar hij mag zich wel degelijk de geestelijk vader noemen van één van de meest dubieuze experimenten uit de televisiehistorie, dat in deze fascinerende film in al z’n lelijkheid, tristesse en totale smakeloosheid wordt getoond.
(*) Big Brother werd pas in 1999 voor het eerst op de Nederlandse televisie uitgezonden.
(**) De eerste afleveringen van het Amerikaanse spelprogramma The Prize Is Right dateren alweer van halverwege de jaren vijftig.
(***) De film The Truman Show werd enkele maanden na de start van A Life In Prizes uitgebracht.
Met de wijsheid van nu was het een teken aan de wand: tijdens de animeconventie Otakon in Baltimore, nu zo’n vijftien jaar geleden, brengt een aantal bezoekers, als een zieke grap, de Hitlergroet. ‘De eerste dag schiep moot 4chan en zei: dit is 4chan, brenger van pijn’, declameert een spreker even later. ‘En op dag twee schiep moot Anonymous.’ Waarna iemand uit het publiek ‘Hallelujah’ roept en een man op de grond stuiptrekkende bewegingen begint te maken, alsof hij in de ban is geraakt van een hogere macht.
Het blijkt een keerpunt in de ontwikkeling van het online-platform 4chan, het geesteskind van de Amerikaanse tiener Christopher ‘moot’ Poole waarop gebruikers anoniem met elkaar kunnen communiceren. Dit is een soort vervolg op het Japanse bulletin board system 2channel, dat aan het begin van de 21e eeuw ook al leidde tot extreem gedrag. Opgejut door andere bezoekers van 2chan kaapte een jongen bijvoorbeeld in 2000 een bus bij Neomugicha en doodde één van de passagiers. Later ontwikkelde het textboard zich tot een platform voor extreemrechts in Japan.
In de Verenigde Staten zou 4chan – en de afgeleide daarvan, 8chan – zich sterk maken voor de verkiezing van Donald Trump tot president, QAnon-complotten en de bestorming van het Capitool op 6 januari 2021. En het begon nog zo ‘onschuldig’, herinneren 4channers van het eerste uur, met namen als Fuxnet, Kirtaner en W.T. Snacks, zich in The Antisocial Network: Memes To Mayhem (85 min.). Met emoji’s, edgy humor, eindeloze scrolls, hacks en zoiets als een rickroll: anderen verleiden om op een suggestieve link te clicken, die dan Rick Astleys corny hit Never Gonna Give You Up oplevert.
Gaandeweg krijgt het anarchistische platform een activistischere vleugel. Daar ook ontstaat de hackgroep Anonymous. De leden dragen, geïnspireerd door de speelfilm V For Vendetta, een Guy Fawkes-masker en doen zich flink gelden. Ze engageren zich met de Occupy Wall Street-beweging, maken de extreemrechtse radiohost Hal Turner het leven onmogelijk en binden via Project Chanology de strijd aan met de Scientology-sekte. Als de hacktivisten ook de Amerikaanse overheid beginnen te belagen, slaat de FBI echter keihard terug en verdwijnen zij en de eerste generatie 4channers van het platform.
Wat daar achterblijft – losers zoals hij, stelt 8chan-oprichter Fredrick Brennan – verruilt subversieve humor al snel voor haat naar alles en iedereen, laten Arthur Jones en Giorgio Angelini (die tevens betrokken was bij het aanverwante Feels Good Man) in deze intrigerende film zien. Tijdens Gamergate komt bijvoorbeeld een ongekende misogynie los. Dit blijkt het startschot voor een bak ellende die over de wereld wordt uitgekieperd en die steeds weer wordt opgepikt op andere sociale media en door reguliere nieuwsmedia. 4chan is een complotland geworden, waarin niemand veilig is.
The Antisocial Network – de titel verwijst natuurlijk naar de speelfilm The Social Network over Facebook en is een soort vervolg op We Are Legion – brengt die desolate wereld op een geheel bijdetijdse manier, met veel gebruik van memes, animaties en screengrabs, over het voetlicht en vormt daarmee een soort tweeluik met The Truth Vs. Alex Jones, een ontluisterende recente film over de gewetenloze complotdenker. Samen tonen deze documentaires de verwoestende werking van enerzijds woede en angst als basis voor een geslaagd verdienmodel en anderzijds anonimiteit als voorwaarde om die ongelimiteerd en straffeloos te kunnen delen.
Het is een deprimerende ontwikkeling die inmiddels op de hele wereld voor plotseling oplaaiende veenbranden zorgt en die ook niet meer zomaar is terug te draaien.
Hoe kunnen we klimaatverandering in de komende decennia tegengaan, terwijl ons elektriciteitsverbruik alleen maar zal toenemen? Oliver Stone weet het antwoord en zet dat uiteen in het filmessay Nuclear Now (101 min.), dat is gebaseerd op het boek A Bright Future van Joshua S. Goldstein en Staffan A. Qvist. De documentaire lijkt zijn eigen variant op Al Gore’s Oscar-winnende betoog An Inconvenient Truth (2006), die, als het even kan, het klimaatdebat fundamenteel bijstuurt.
In Stones optiek is nucleaire energie de enige reële optie om te voldoen aan de energiebehoefte van de hele wereld, inclusief de voormalige derde wereldlanden, en tegelijkertijd de schade aan de aarde terug te brengen. Kernenergie kampt alleen al sinds Hiroshima en Nagasaki jaar met een beroerd imago. Sindsdien hebben bovendien zowel de fossiele industrie als milieuactivisten – doorgaans aartsvijanden – alles in het werk gesteld om de gevaren van nucleaire energie te benadrukken.
In de Verenigde Staten kregen zij de wind in de zeilen door de explosie bij de kerncentrale Three Mile Island in 1979. Binnen de kortste keren claimden ‘usual suspects’ zoals Ralph Nader en Jane Fonda, ondersteund door de toenmalige president Jimmy Carter, de spotlights met een onvervalst No Nukes-standpunt. Terwijl er, tenminste volgens Oliver Stone, uiteindelijk weinig aan de hand was. Even later relativeert hij ook de schade van de kernramp bij Tsjernobyl in 1986.
‘Volgens de Verenigde Naties en de World Health Organisation zijn er ongeveer vijftig mensen gestorven als gevolg van straling van de reactor en op de lange termijn zijn er mogelijk nog vierduizend mensen gestorven aan kanker’, stelt Stone, die later ook de kernramp met tsunami in het Japanse Fukushima nog in (zijn) perspectief plaatst. ‘Dat is maar een fractie van de honderdduizenden doden die jaarlijks het gevolg zijn van het opwekken van elektriciteit met fossiele brandstoffen.’
Als een echte gelovige lijkt de filmmaker in dit onverhulde pleidooi voor kernenergie enigszins selectief te winkelen in het beschikbare bewijsmateriaal. Nuclear Now zou soms ook gebaat zijn bij wat meer kritische distantie van Stone als interviewer. Zou het bijvoorbeeld niet voor de hand liggen om de Braziliaanse ‘Nuclear Power’-influencer Isabelle Boemeke, alias Isodope, te vragen waarom ze zich met dit thema bezighoudt, of ze daarmee geld verdient en waar dat dan vandaan komt.
Dat past alleen niet in Oliver Stones pogingen om nucleaire energie neer te zetten als ‘een extra long voor de wereld’, waarmee we met z’n allen weer een beetje op adem kunnen komen in deze oververhitte wereld. In zo’n gedreven betoog, dat natuurlijk op z’n Stones naar een ronkend einde wordt gebracht, past geen cynisme of al te veel aandacht voor de nadelen of aandacht voor de gevaren van kernenergie.
Als gebeurtenissen niet zijn vervat in beelden, verdwijnen ze samen met de betrokken mensen uit het geheugen. In de Japanse vrouwenkampen zijn tussen 1942 en 1945 tienduizenden mensen omgekomen in Indonesië. Foto- en filmmateriaal is er nauwelijks bewaard gebleven van deze periode. En de vrouwen en kinderen die er hebben gezeten sterven langzaam maar zeker uit.
De moeder en oma van Pieter van Huystee zaten ook in zo’n jappenkamp. De vragen die hij nooit aan hen heeft voorgelegd, stelt de filmmaker in Als Ik Mijn Ogen Sluit (94 min.) nu aan enkele vrouwen die als kind enkele jaren hebben doorgebracht in zo’n met prikkeldraad en Kedek, matten van riet, afgezet interneringskamp. Het leven op plekken als Banjoebiroe, Tangerang en Tjideng, het kamp waar Van Huystee’s mammie en granny zaten, is tevens vervat in talloze tekeningen.
De vrouwen behoorden in het toenmalige Nederlands Indië veelal tot ‘de blanke bovenlaag’ en hadden tot aan de Tweede Wereldoorlog een bevoorrecht bestaan geleid. Met de komst van de Japanners veranderde hun complete leven, in een uithoek van de oorlog die in Nederland altijd onderbelicht is gebleven. Want op hun verhalen zat naderhand eigenlijk niemand te wachten. Ja, maar… de Duitsers, bezetting en Jodenvervolging… In Holland had menigeen genoeg aan zijn eigen verhaal.
‘Vind je dat we mammie alleen gelaten hebben met de oorlog?’, vraag Pieter van Huystee aan zijn zus Karen. ‘Ik vind dat we mammie helemaal nooit de ruimte hebben gegeven om te vertellen over die oorlog’, antwoordt zij. ‘Dat vind ik wel heel verdrietig.’ Via de herinneringen van inmiddels hoogbejaarde lotgenoten van hun moeder en oma krijgen broer en zus alsnog toegang tot dat beladen verleden en worden de pijn, het verdriet en de honger van de kampen in kaart gebracht.
Deze verhalen, opgehaald terwijl de voormalige kampbewoonsters hun ogen sluiten en de gebeurtenissen weer voor hun geestesoog laten passeren, worden geïllustreerd met een veelheid aan zwart-wit- en kleurentekeningen, bijvoorbeeld van kampoverlevende Miep Bakker, en animaties van Hanneke van der Linden. Dat ze de kampen hebben overleefd, danken de vrouwen volgens Willy Glorius Janssen aan de atoombom. Want het ‘order to kill’ lag al klaar. ‘We zouden afgevoerd worden naar Borneo’, stelt zij. ‘Dat was ons eindstation.’
Als Ik Mijn Ogen Sluit, verlevendigd met een zeer expressief geluidsdecor, brengt dit tamelijk veronachtzaamde stukje oorlog weer tot leven. Zodat het leed van deze vrouwen en kinderen nog eenmaal kan worden herbeleefd en voor eens en altijd is vereeuwigd hoe ‘t eraan toeging in de Japanse vrouwenkampen te Indonesië. Waar de Tweede Wereldoorlog net zo huishield als in het bezette Nederland.
Bij de persconferentie die ze belegt op 29 mei 2017 krijgt Shiori Ito de vraag waarom ze zich eigenlijk bekendmaakt. De meeste slachtoffers van verkrachting blijven liever anoniem. ‘Ik heb niets verkeerds gedaan’, antwoordt ze resoluut. ‘En als ik me nu niet uitspreek, bedacht ik me, zullen de wetten nooit veranderen. Daarom zit ik hier.’ Haar zaak moet nu eindelijk eens serieus worden genomen, vindt Shiori.
Twee jaar eerder belandde ze als jonge Japanse journaliste, na een sollicitatiegesprek in een restaurant, in dezelfde taxi als haar gerenommeerde vakbroeder Noriyuki Yamaguchi. Zij wilde afgezet worden op het station, herinnert de taxichauffeur zich. Yamaguchi stond er echter op dat ze hem zou vergezellen naar zijn hotel. Ito hield nog maar eens staande dat ze toch echt naar het station wilde.
Op beveiligingscamerabeelden van die fatale avond in het voorjaar van 2015 is te zien wat er daarna gebeurde. Hij trekt Shiori, met de nodige moeite, uit de auto en sleurt haar vervolgens mee het hotel in. Shiori Ito is daar verkracht, zegt ze. Yamaguchi ontkent echter in alle toonaarden. En wat de jonge vrouw ook probeert, de Japanse politie weigert om de beschuldiging serieus te onderzoeken.
In de egodocu Black Box Diaries (102 min.) is te zien hoe Shiori Ito de zaak aanhangig probeert te maken. Ze begint stiekem geluidsopnames te maken van haar contacten met de politie en oogst een storm van kritiek als ze naar buiten treedt met haar verhaal. Ito tekent al haar ervaringen op in het boek Black Box en zet zo uiteindelijk Japans eigen variant op de #metoo-beweging in gang.
Parlementair journalist Noriyuki Yamaguchi staat dan op het punt om een biografie over de Japanse premier Shinzo Abe uit te brengen en beschikt als bureauchef in Washington van Tokyo Broadcasting System Television sowieso over uitstekende connecties. En z’n vrinden zijn bereid om ver te gaan om de zaak af te dekken. De kwestie wordt niettemin meermaals besproken in het Japanse parlement.
Deze persoonlijke film laat ook duidelijk zien wat die aanhoudende strijd Shiori Ito heeft gekost. Via vlogs deelt zij haar meest kwetsbare momenten tijdens een jarenlang, moedeloos makend gevecht om gerechtigheid, binnen een archaïsch rechtssysteem waarin seksueel geweld heel moeilijk valt aan te tonen en elke vrouw sowieso automatisch met een fikse achterstand begint.
Binnen zulke maatschappelijke verhouden is het niet vreemd dat slechts vier procent van de verkrachtingen daadwerkelijk wordt gemeld bij de Japanse politie. En deze gevallen blijven doorgaans ook nog eens onder de radar – of worden daaronder gehouden door de daders, hun ‘old boys network’ of een systeem dat mannen sowieso uit de wind probeert te houden.
Hoe begin je een film over bomen? Met een citaat van de Bengaalse dichter en wijsgeer Rabindranath Tagore bijvoorbeeld: ‘The woodcutter’s axe begged for it’s handle from the tree. The tree gave it.’ Met daarna beelden van een bos, in de omgeving van Portland, begeleid door het geluid van tsjilpende vogeltjes. En dan introduceer je jezelf, filmmaker Irene Taylor. Deze boom leeft al langer, vertel je vervolgens aan je zoon, dan iedereen die jij kent en hun grootouders.
Maar hoe leg je daarna uit waarom die documentaire over bomen zo nodig moest worden gemaakt? Een voice-over misschien? ‘Bomen spreken de waarheid’, begint die. ‘En ze vertellen verhalen. Over een man die een zaadje plant in een donkere periode, een jongen die verstopt is in het bos, een andere jongen die verliefd wordt en een vrouw die bomen onsterfelijk maakt.’ Je vat het nog even samen: ‘Wij bewegen door de tijd, maar bomen staan stil.’
En dan kan Trees And Other Entanglements (109 min.), jouw associatieve tocht langs deze en andere personages en hun bomen, wel zo’n beetje beginnen. Over de verhouding tussen mens en natuur. Richard Furuzawa vertelt z’n zoon Matthew bijvoorbeeld over zijn eigen vader, die als Japanse Amerikaan tijdens de Tweede Wereldoorlog naar een interneringskamp werd gestuurd. Daar plantte hij een zaadje, dat de basis vormde voor een weldadige bonsaiboom.
De hoogbejaarde George Weyerhaeuser, die een houtkapbedrijf runde dat al zeker vier generaties in de familie zit, werd als negenjarige jongen ontvoerd en verstopt in, juist, een bos. Ryan Neil ging in Japan in de leer bij een echte bonsaimeester en kwam uiteindelijk van een koude kermis thuis, maar is de kunstvorm toch altijd trouw gebleven. En de fotografe Beth Moon maakt overal in de wereld portretten van bomen, die nogal eens ten dode opgeschreven blijken te zijn.
Het is een bont gezelschap dat voor jou vanuit allerlei verschillende gezichtspunten de relatie tussen mens en boom kan optekenen. En soms krijgt zo’n persoonlijk verhaal ineens een heel ruw randje, zoals bij de zwarte schrijfster Carolyn Finney. Haar ouders beheerden bijna vijftig jaar een landgoed van vijf hectare. Nadat ze waren vertrokken, werd het gebied tot erfgoed uitgeroepen. Alleen met de kersenboom die Carolyns vader aan haar moeder had gegeven liep ’t niet goed af.
En dat is dan weer de link met je eigen vader. De man die jarenlang als een enorme eik boven jou uittorende, waarover je eerder de persoonlijke films Hear And Now en Moonlight Sonata hebt gemaakt, begint nu door dementie het contact met zijn wortels te verliezen. De man kan ieder moment worden geveld. Waar wordt gehakt, moet echter dringend worden herbouwd. Dat vindt tenminste bomenplanter Dirk Brinkman die al bijna een miljoen bomen op z’n naam heeft staan.
Zo ongeveer, maar toch heel anders, meandert Trees And Other Entanglement langs allerlei bewegende mensen, stilstaande bomen en adembenemende vergezichten, in een film die gaandeweg, bijna tot je eigen verbazing, menig hart verovert.
De tragiek van de man en zijn grootste verdienste is al vaak benadrukt. J. Robert Oppenheimer wilde de westerse beschaving redden en ontwierp vervolgens een wapen waarmee elke vorm van beschaving kon worden vernietigd. En de Amerikaanse wetenschapper, over wie regisseur Christopher Nolan onlangs de groots opgezette speelfilm Oppenheimer maakte, besefte dat zelf als geen ander. To End All War: Oppenheimer & The Atomic Bomb (87 min.) vormt het tastbare bewijs. ‘Nu ben ik de Dood geworden’, zegt hij daarin mistroostig. ‘De vernietiger van werelden.’
Door zijn reputatie als outsider en relatie met een overtuigde communiste, ex-vriendin Jean Tatlock, leek de natuurkundige Oppenheimer niet de meest voor de hand liggende kandidaat om het nucleaire programma van de Verenigde Staten, The Manhattan Project, te gaan leiden en zo het gevaar van nazi-Duitsland te bezweren. ‘Hij had geen grote verdiensten op zijn naam staan’, stelt Gregg Herken, auteur van het boek Brotherhood Of The Bomb. ‘Een wetenschapper die Oppenheimer kende zei zelfs: hij kan niet eens een hotdogkraam runnen.’
En die man moest er dus voor zorgen dat de race tegen het Duitse bomproject, geleid door zijn concullega Werner Heisenberg, werd gewonnen. Vanuit Los Alamos, in de woestijn van New Mexico, zette Oppenheimer met zijn team alles op alles om Hitler voor te blijven. En toen de Duitsers begin 1945 geen bedreiging meer vormden voor de VS – zo betogen enkele historici in deze breed ingestoken, goed gedocumenteerde en subtiel met animaties aangeklede film van Christopher Cassel – werd er een andere vijand gezocht. Want De Bom moest uitgeprobeerd worden!
‘Hoe kon de wereld anders de kracht ervan ontdekken?’ stelt historicus Richard Rhodes (The Making Of The Atomic Bomb). Met dit afschrikwekkende nieuwe wapen hoopten ze bovendien het aantal Amerikaanse slachtoffers in de rest van de oorlog te kunnen beperken. ‘Mijn vader en moeder zijn veteranen uit de Tweede Wereldoorlog’, zegt tv-wetenschapper Bill Nye daarover. ‘Na vier jaar oorlog was er volgens mijn moeder echt niemand die zich afvroeg of het wel ethisch verantwoord was om een nucleair wapen te gebruiken.’ Alles was geoorloofd om de oorlog te verkorten.
‘We hebben meer dan twee miljard dollar geïnvesteerd in de grootste wetenschappelijke gok in de geschiedenis’, declameerde de Amerikaanse president Harry Truman triomfantelijk, nadat een Amerikaans vliegtuig op 6 augustus 1945 een atoombom had gedropt op de Japanse havenstad Hiroshima. ‘En we hebben gewonnen!’ ’t Was een gotspe! ‘Ik herinner me elke seconde,’ vertelt overlevende Hideko Tamura, die zelf de bom overleefde, maar haar halve familie verloor. ‘Ik heb me nog nooit zo hulpeloos gevoeld.’ Drie dagen later zou ook Nagasaki nog worden geslachtofferd.
Robert Oppenheimer werd het gezicht bij die beruchte paddenstoelenwolk. Een wereldwijde bekendheid, die werd gekweld door schuldgevoelens. ‘Hij had geen spijt van zijn rol en werk tijdens de oorlog’, vertelt zijn kleinzoon Charles Oppenheimer. ‘Maar vrijwel direct daarna begon hij al zijn aandacht te richten op het beheersen van de gevolgen ervan.’ En daarmee werd ‘de vader van de atoombom’, in de hoogtijdagen van het McCarthisme, zowaar het slachtoffer van een heksenjacht. De briljante wetenschapper eindigde zijn carrière als een tragische figuur.