American Factory

Netflix

In de donkere dagen van de economische crisis van 2008 besluit General Motors zijn fabriek in Dayton te sluiten. Zo’n 10.000 mensen in Ohio raken hun baan kwijt. Twee jaar later beginnen Chinese bedrijven te investeren in de regio. In de oude GM-fabriek wordt een Amerikaanse vestiging van Fuyao Glass geopend, waar een combinatie van oud-autowerkers en ingevlogen Chinezen aan de slag gaat. De cultuurshock, die in American Factory (110 min.) door Steven Bognar en Julia Reichert (in opdracht van het productiebedrijf van Barack en Michelle Obama) treffend en genuanceerd is gedocumenteerd, laat zich voorspellen.

De nieuwe kansen voor Amerikaanse arbeiders, die enkele jaren eerder keihard zijn geraakt door de crisis, gaan bijvoorbeeld ook gepaard met aanmerkelijk lagere lonen. En op medewerkers die daar iets tegen willen doen en zich aansluiten bij een vakbond zit het nieuwe management bepaald niet te wachten. ‘Een vakbond beïnvloedt efficiëntie en schaadt ons bedrijf’, aldus Fuyaos gestaalde CEO Cao Dewang. ‘Dan lijden we verliezen. Als er een vakbond komt, dan sluit ik de fabriek.’ Amerikaanse werknemers zijn voor zijn begrip sowieso al niet productief. En dan hebben ze ook nog veel te veel zelfvertrouwen, constateert Dewangs Chinese directeur van de Amerikaanse vestiging. Je moet ze paaien. ‘Ezels worden graag geaaid met de haarrichting mee’, zegt hij. ‘Anders schoppen ze.’

Tijdens een werkbezoek in China zien de Amerikanen met eigen ogen hoe hun dociele Chinese collega’s op welhaast militaire wijze worden gedrild. Vrije dagen en vakantie hebben ze vrijwel niet. En van Arbo-wetgeving heeft nog nooit iemand gehoord. Het helpt dat de Fuyao-vakbond ook niet echt een gevaar vormt. De voorzitter is tevens secretaris van de Communistische Partij en, oh ja, een zwager van de directeur van de fabriek. De Amerikanen kijken hun ogen uit, zeker tijdens de speciale Fuyao-show op oudejaarsavond, waarin bedrijf en management zowat heilig worden verklaard. Het is een prachtige scène, waarbij de Amerikaanse werkemannen zich eerst verbazen, daarna enthousiast worden en uiteindelijk ontroerd raken. En aan het eind mogen ze zelf het podium op voor een kolderieke versie van de Village People-hit YMCA.

Bognar en Reichert hebben jaren de tijd genomen om alle verwikkelingen bij Fuyao te registreren. Die ausdauer betaalt zich uit: het proces van aantrekken en afstoten is minutieus vastgelegd, met oog voor het menselijke verhaal en gevoel voor humor. Ook de toegang tot zowel de nieuwe directie als Chinese en (ontevreden) Amerikaanse medewerkers, is opmerkelijk. De filmmakers hebben blijkbaar behoorlijk vrij hun gang kunnen gaan. Zo hebben ze mooi wederzijdse vooroordelen, ook op managementniveau, kunnen vangen. Want hoeveel goede wil alle betrokkenen ook ten toon spreiden, samenwerken blijft geven en nemen – of, zoals sommige betrokkenen dat ervaren: je eigen idealen prijsgeven.

Het is onvermijdelijk dat het bedrijf en een deel van de arbeiders uiteindelijk tegenover elkaar komen te staan. Die confrontatie wordt in het boeiende American Factory van binnenuit weergegeven, zonder dat de makers al te duidelijk een kant of standpunt kiezen. Ontwikkelingen binnen de wereldeconomie worden zo teruggebracht naar de werkvloer, waar gewone mensen in hun inkomen proberen te voorzien.

Jiro Dreams Of Sushi

Jiro Dreams Of Sushi (82 min.) is een kleine film. Letterlijk. Het leeuwendeel van de documentaire speelt zich af op hooguit twintig vierkante meter. Zo groot is het restaurant van de 85-jarige Japanse sushimeester. Tien zitplekken, meer niet. En de wc is buiten. Lekker lang tafelen is er ook niet bij. Een snelle eter staat na een kwartier, en 30.000 Yen lichter, weer buiten. Toch is het, blijkbaar, een voorrecht om te mogen eten bij Jiro Ono in Tokyo. Hij is de oudste kok met drie Michelin-sterren.

Uiterste eenvoud schept zuiverheid, zoals een toonaangevende Japanse culinair journalist het omschrijft in deze fijne film van David Gelb uit 2011. De Japanse chef is een absolute ambachtsman, een relikwie van een verloren era waarin tijd en aandacht nog niet waren verdrongen door snel en voordelig. Jiro is tevens een strenge meester. Één van zijn leerlingen vertelt hoe hij eerst tweehonderd afgekeurde omeletten moest maken voordat er één goed werden bevonden. De tranen sprongen toen in z’n ogen.

De perfectionist Jiro werd automatisch een afwezige vader. Het lukte hem zelfs niet om op zondag thuis de vis aan te snijden. Hij was altijd aan het werk en droomde zelfs over sushi. Intussen zijn z’n beide zoons in zijn voetsporen getreden. Jongste zoon Takashi is elders een eigen restaurant begonnen. Oudste zoon Yoshikazu, vijftig inmiddels, staat nog altijd bij vader in de zaak. Hij wilde ooit straaljagerpiloot worden, maar wacht nu, geheel volgens de traditie, op zijn kans om de leiding over te nemen. Kan hij zijn onverslijtbare pa ooit overtreffen of zelfs maar evenaren?

In die zin vertelt Jiro Dreams Of Sushi, opgediend met ferme Philip Glass-muziek, een klassiek vader-zoon verhaal. Met de wisseling van de wacht dient zich straks ook onvermijdelijk het einde van een tijdperk aan. Dat tekent zich nu al af, getuige bijvoorbeeld het contrast tussen Jiro’s minieme restaurant en de enorme vismarkt, waar zijn oudste zoon tegenwoordig voor hem het neusje van de tonijn moet zien te vinden. Van een exclusief gerecht is sushi in de afgelopen jaren een massaproduct geworden. Een tekort aan kwaliteitsvis dreigt voor Jiro en zijn clientèle. Waardoor die uiteindelijk toch nog wel eens héél duur betaald zou kunnen worden.

Trophy

Weinig berichten zorgen op de sociale media voor meer verontwaardiging dan de selfies van plezierjagers die met een tandpastasmile, doorgeladen geweer en opgestoken duim poseren bij een wild dier dat ze zojuist hebben geschoten. De Texaanse schapenhouder Philip Glass, één van de hoofdpersonen van de prachtige documentaire Trophy (88 min.) is zo’n westerling. Nadat hij zijn zoontje Jasper thuis zijn eerste hert heeft laten schieten, gaat hij in Afrika op zoek naar de heilige graal van de jacht, The Big Five.

Want een beetje jager, die bereid en in staat is om de poeplap eens stevig te trekken, heeft ze op zijn palmares staan: een buffel (9000 dollar), luipaard (20.000), olifant (45.000), leeuw (50.000) en neushoorn (350.000). De prijs is afhankelijk van de beschikbaarheid van de dieren. Als ze bijna zijn uitgestorven en de vraag dus het aanbod overstijgt, ligt die natuurlijk hoger. Zo werkt de economie nu eenmaal, ook in de commerciële jacht.

Vanuit een rijtjeshuis in een nette Nederlandse stadswijk is het heel verleidelijk om Glass en de zijnen direct te veroordelen. De situatie ligt echter genuanceerder dan je in eerste instantie zou denken. Door neushoorns van hun hoorn te ontdoen, bescherm je hen, meent de Zuid-Afrikaan John Hume bijvoorbeeld. Ivoor is nu eenmaal meer waard dan goud of heroïne. Als je de hoorns kunt verkopen, ga je de neushoorn echt niet meer doden. ‘Wie slacht er nu de kip met de gouden eieren?’

Één klein probleem: het verkopen van ivoren hoorns is illegaal. Daardoor krijgen jagers, waarbij je dan weer een onderscheid moet maken tussen stropers en commerciële jagers, volledig vrij spel. Deze film zit vol met dergelijke dubbele bodems. Niets is zo eenvoudig als het lijkt. Zo schijnen de big five-dieren aan een opmars bezig te zijn. Nu ze zoveel economische waarde vertegenwoordigen, worden ze veel nadrukkelijker gefokt en keren ze langzaam maar zeker terug in hun land van oorsprong.

Trophy brengt het gehele speelveld van de (commerciële) jacht in kaart; van de jagers en fokkers tot de dierenbeschermers en activisten (voor wie jagen niets minder dan moord is). De documentaire van Shaul Schwartz doet dat kalm en genuanceerd, met oog voor beide kanten van de medaille. Tegelijkertijd komen sommige scènes keihard binnen; alsof je zelf een kogel in het lijf krijgt geschoten, omdat een ander zich zo nodig moet bewijzen.

Mensen zoals Philip Glass – geen zoon van de befaamde componist overigens, maar van een doorgewinterde jager – willen gewoon weten hoe het voelt om een iconisch dier te vellen. ‘Yeah!’, klinkt het uit de grond van zijn hart als hij in Namibië een olifant (in de rug) heeft geschoten. Het beest ligt nog een tijdje hartverscheurend te kermen, voordat het zijn genadeschot krijgt en op de foto mag met de held die hem doodde.

De Afrikaanse medewerkers die Glass naar zijn ‘kill’ hebben begeleid, zijn nochtans niet onder de indruk, zo vertellen ze elkaar stiekem. Het beest is nauwelijks volgroeid. Telt dit wel als een echte olifant? De bebaarde Texaan, die gelooft in zijn ‘god given right’ om te heersen over de dieren, denkt intussen alweer aan zijn volgende prooi, die voor het oog van de camera koud moet worden gemaakt: een leeuw.

The Thin Blue Line

 

Als één film true crime, het documentairegenre dat al enkele jaren furore maakt, heeft gedefinieerd, dan is het The Thin Blue Line (101 min.) van Errol Morris. Zonder deze klassieker uit 1988 zijn latere genretoppers als Making A Murderer en The Staircase, waarin een filmmaker op geheel eigen wijze een geruchtmakende strafzaak onderzoekt, eigenlijk ondenkbaar.

In deze revolutionaire film buigt de gevierde Amerikaanse documentairemaker zich over de moord op politieman Robert Wood, die in 1976 is neergeschoten bij een verkeerscontrole. Zijn de fatale kogels toen afgevuurd door de passagier van de aangehouden auto, Randall Adams, die in ‘88 al ruim elf jaar zit te verpieteren in een Texaanse dodencel? Of heeft een ander, te weten de pas zestienjarige chauffeur David Harris, misschien de trekker overgehaald?

Morris’ conclusies zullen uiteindelijk de hele rechtsgang op zijn kop zetten. De manier waarop hij eerst aan de hand van getuigenverklaringen de strafzaak ontleedt en vervolgens zijn pleidooi opbouwt van wat er in werkelijkheid kan zijn gebeurd, is ronduit virtuoos. Hij maakt daarbij veelvuldig gebruik van reconstructies, een stijlvorm die pas later gemeengoed zal worden in documentaire, en geeft ook de bedwelmende muziek van componist Philip Glass een prominente plek.

De geïnterviewden kijken ondertussen recht in de camera. Alsof ze getuigen in een virtuele rechtszaak, waarbij de kijker als jurylid fungeert. Morris ontwikkelde in dat kader later de zogenaamde interrotron, een camera-opstelling waarbij zijn gesprekspartners via een spiegel in de cameralens de interviewer, en daarmee diens publiek, recht in de ogen kunnen kijken. Ook daarmee was de voormalige privé-detective zijn tijd ver vooruit. Tegenwoordig zijn er goedkope setjes te koop, waarmee hetzelfde effect kan worden bewerkstelligd,

Het tekent de grensverlegger Errol Morris en plaatst ook deze klassieke film. The Thin Blue Line was dertig jaar geleden zo’n beetje alles wat documentaires toentertijd niet waren; een gestileerde vertelling van een regisseur met een unieke signatuur die op zoek naar de waarheid zijn geheel eigen werkelijkheid creëerde – in plaats van een ongepolijste weerslag van wat er zich toevallig voor de camera afspeelde. Een documentaire ook, die bij een groot publiek aan de man kon worden gebracht als ‘de eerste film die daadwerkelijk een moord oplost’.