The Weight Of Gold

De post-Olympische blues. De depressie die onvermijdelijk volgt na deelname aan de Olympische Spelen. Ook als je wél Goud hebt gewonnen. ‘Wie ben ik buiten het zwembad?’ vroeg zwemmer Michael Phelps, die in totaal 28 medailles won tijdens de Spelen en daarmee de meest gedecoreerde atleet aller tijden is, zich gedurig af. Tijdens zijn carrière ging hij zo, veelal in stilte, door meerdere crises.

Phelps doet dienst als verteller van The Weight Of Gold (59 min.), een gestileerde documentaire van Brett Rapkin waarin diverse (voormalige) topsporters vertellen over hun psychische problemen; van de identiteitscrisis na een belangrijke wedstrijd of overwinning tot langdurige depressies. Een kwestie die volgens hen schromelijk wordt onderschat en die in de afgelopen jaren inderdaad al tot enkele bijzonder tragische gebeurtenissen heeft geleid. Één van de daarbij betrokken sporters komt zelfs aan het woord in deze film.

In topsport ben je nu eenmaal net zo goed als je laatste overwinning- of nederlaag. ‘Als je klaar bent, donder je gewoon van de lopende band’, stelt kunstschaatser Gracie Gold droog. En dan levert die band gewoon een nieuwe titelpretendent af. Zeker als jij opzichtig hebt gefaald, op dat ene moment dat het erop aankwam. Hordeloopster Lolo Jones kan daarover meepraten. In haar hele leven is ze volgens eigen zeggen drie keer over een horde gestruikeld. Juist in de finale van de honderd meter tijdens de Olympische Spelen van 2008 ging ze onderuit. ‘En nu sta ik bekend als het meisje dat over hordes struikelt.’

Net als andere topsporters verhaalt Jones ook over de voortdurende strijd om de eindjes aan elkaar te kunnen knopen. Tijdens haar sportcarrière hield ze er noodgedwongen allerlei bijbaantjes op na. Dat leidde soms tot pijnlijke taferelen. Zoals toen ze in een fitnesscentrum achter de bar stond. Terwijl ze smoothies maakte, verscheen haar Olympische race op de beeldschermen. ‘Ben jij dat?’, vroegen klanten. Ze konden niet geloven dat zij, de Olympische sporter, daar voor zeven dollar per uur drankjes stond te schenken. En toen de lopende band een kekke opvolgster had afgeleverd, kwam ook haar zorgverzekering nog op de tocht te staan.

Trefzeker toont The Weight Of Gold zo de achterkant van de gouden medaille, een survival of the fittest waarbij ook de winnaar uiteindelijk kan verliezen.

Next Goal Wins

Met 31-0 gingen ze in 2001 de bietenbrug op tegen Australië. De grootste nederlaag in een officiële interland ooit. Het kan ook 32-0 zijn geweest. Feit is dat het nationale elftal van Amerikaans-Samoa het lachertje van de internationale voetbalwereld werd. Een team om af te slachten en belachelijk te maken. Gepersonifieerd door de onfortuinlijke keeper Nicky Salapu, de man die ruim dertig keer een bal uit het net moest halen.

Ruim tien jaar later hebben ze nog altijd geen officiële wedstrijd gewonnen. Dat is de uitgangspositie voor de documentaire Next Goal Wins (93 min.) uit 2014, waarin de ‘trots’ van het eilandje in de Zuidelijke Grote Oceaan wordt gevolgd tijdens de kwalificatie voor het WK Voetbal. Onder de hoede van een nieuwe coach, de Nederlandse bullebak Thomas Rongen, gaan ze proberen om eens te winnen, of op zijn minst om ook weer eens te scoren. Want zelfs dat is pas één keer gelukt.

Voor Rongen, die in een grijs verleden met zowel Johan Cruijff als George Best speelde in de Amerikaanse Major Soccer League en daar ook op behoorlijk niveau coachte, is het een fikse stap terug. En voor de goedmoedige Samoanen blijkt het ook flink wennen, zo’n coach die echt altijd het onderste uit de kan wil en van zijn hart bepaald geen moordkuil maakt.

Die cultuurclash vormt het hart van deze uiterst sympathieke documentaire, waarbij het team ook nog een heel opmerkelijke speler in de gelederen heeft: een zogenaamde ‘fa’afafine’, iemand die zich in lijn met de plaatselijke cultuur zowel als man als als vrouw identificeert. Jaiyha Saelua kan de eerste transgender-voetballer in een officiële wedstrijd worden.

Is het elftal van de piepkleine natie, met slechts 65.000 inwoners, in staat om eindelijk de ban te breken? De allang gestopte doelman Nicky Salapu heeft er in elk geval voldoende vertrouwen in om zijn rentree te maken. En wat doet de onmogelijke opdracht met de Nederlandse coach Rongen, die vanwege persoonlijke redenen samen met zijn vrouw naar het andere eind van de wereld blijkt te zijn afgereisd?

De Britse filmmakers Mike Brett en Steve Jamison maken van hen personages om van te houden, serveren hun verrichtingen met gevoel voor dramatiek en dampende soulmuziek en zorgen er zo voor dat de wedstrijden van ‘het slechtste voetbalelftal ter wereld’ het belang van een gemiddelde WK-finale krijgen. Intussen vangen ze tevens de oprechte liefde die sport zo leuk, en belangrijk, kan maken. En die is onweerstaanbaar.

Jane


Jane Goodall is als onvermoeibare beschermvrouwe van ’s werelds chimpansees een soort merknaam geworden. Met haar eigen wereldwijde non-profit organisatie, waar je zelfs een aap kunt adopteren. Deze weldadige film gaat terug naar begin jaren zestig toen ze als 26-jarige zonder enige wetenschappelijke ervaring naar Tanzania werd gestuurd om daar een chimpansee-gemeenschap te observeren en zo iets te leren over (de voorvaderen van) de mens.

Haar latere geliefde, de vermaarde Nederlandse natuurfilmer en -fotograaf Hugo van Lawick, maakte prachtig beeldmateriaal van de bevallige Britse met haar onmetelijke liefde voor dieren en de natuur. Materiaal, zonder geluid overigens, dat verloren leek te zijn gegaan. Totdat het in 2014 werd teruggevonden. Honderd uur in totaal. Afgelopen week, 17 jaar na Van Lawicks overlijden, goed voor een Emmy Award. Me ape, you Jane. In alle soorten en maten. Waarbij de man achter de camera zichtbaar fantaseert over ‘me Hugo, you Jane’.

Regisseur Brett Morgen, die eerder ook al een overrompelend mooie biopic maakte over Nirvana-zanger Kurt Cobain, had op alle mogelijke manieren kunnen verdwalen in die overvloedige beeldenpracht, maar heeft er een kleine en intieme vertelling in gevonden, die tevens model staat voor een groter, universeel verhaal. Over hoe intelligente wezens, mensen en dieren, met elkaar samenleven, voor elkaar zorgen of – ja, dat ook! – oorlog voeren.

Jane (90 min.) is bovendien virtuoos gemonteerd. De verhaallijn wordt slim op- en uitgebouwd en op diverse niveaus voorzien van symboliek, waarbij de erg dwingende muziek van Philip Glass uiteindelijk ook helemaal op zijn plek valt. Met deze betoverende film, een fraaie demonstratie van het adagium 1 +1 = 3, opent Brett Morgen een wonderbaarlijke wereld, waarnaar je eigenlijk steeds zou willen terugkeren.

Kurt Cobain: Montage Of Heck


‘I hope I die before I get old’, beweerde de nog altijd springlevende Pete Townshend halverwege de jaren zestig in My Generation, het lijflied van de babyboom-generatie. De gitarist van The Who wordt deze week 73. Bij de man die ruim 25 jaar later het lijflied van de generatie X zou neerpennen, Smells Like Teen Spirit, eindigde het leven al op 27-jarige leeftijd. In 1994 voegde hij zich eigenhandig bij een club van opvallend jong gestorven pophelden.

Kurt Cobain, de man die met Nirvana hoogstpersoonlijk alternatieve rock naar MTV en het bijbehorende miljoenenpubliek bracht. Het boegbeeld van slackers in de hele wereld. En de ontheemde twintiger, een jongen nog, die worstelde met zichzelf, zijn plots verworven roem en het leven in het algemeen. In de fabuleuze biografie Kurt Cobain: Montage Of Heck(132 min.) komt regisseur Brett Morgen voorbij het stereotiepe beeld van De Getormenteerde Zanger, dat zo vaak van Cobain is geschetst, en slaagt hij erin om daarachter de kleine Kurt te vinden.

Daaraan liggen een aantal opvallende keuzes ten grondslag. Zo hanteert Morgen op het gebied van interviews stringent het ‘less is more’-principe. Waar voor de meeste popbiografieën een karrenvracht aan celebrities wordt ingevlogen, beperkt Morgen zich tot louter essentiële bronnen: Cobains moeder, vader, stiefmoeder, zus, ex-vriendin, weduwe Courtney Love en Nirvana-bassist Krist Novoselic. Zelfs Nirvana-drummer (en tegenwoordig boegbeeld van The Foo Fighters) Dave Grohl, die blijkbaar niet op tijd kon worden geïnterviewd, ontbreekt in de film. Door die scherpe keuze blijft rock & roll-bullshit achterwege en kan de film direct door naar de kern.

Bij de aankleding van zijn documentaire heeft hij zichzelf dan weer geen enkele beperking opgelegd. Met zichtbaar plezier maakt Brett Morgen – naast de gebruikelijke obligate popinterviews en enerverende concert- en studiobeelden – gebruik van Cobains dagboekfragmenten, brieven en naargeestige tekeningen, vertederende familiefilmpjes en speciaal voor de film gemaakte animaties (waarvan overigens niet iedereen gecharmeerd was). Die paart hij op virtuoze wijze aan Nirvana’s overbekende rocksongs, die daardoor van een extra dimensie worden voorzien. Alsof je ze voor het allereerst hoort. Dat lijkt me een verdienste op zich.

Uiteindelijk drijft Montage Of Heck echter op een klein menselijk verhaal: over een jongetje dat door allebei zijn ouders werd afgewezen en daarna met zijn ziel onder zijn arm, en het hart op de tong, door het leven moest. Het is maar al te goed voor te stellen dat in die door allerlei lichamelijke en psychische klachten geteisterde schreeuwzanger nog dat enthousiaste blonde menneke uit de Cobain-jeugdfilmpjes zat verstopt. Ergens onderweg is hij onherstelbaar beschadigd geraakt en de drang ontstaan tot zelfmedicatie – en, uiteindelijk, zelfdestructie.

Regisseur Brett Morgen, die onlangs een prachtige biografie maakte over een ander icoon, de beroemde primatologe Jane Goodall, slaagt erin om van het fenomeen Kurt Cobain weer een mens van vlees en bloed te maken. Terwijl hij in de laatste fase van zijn leven afglijdt in een heroïneverslaving, zet de zanger samen met zijn vrouw Courtney tegen beter weten in een kind op de wereld en blijft hunkeren naar zoiets als een traditioneel gezin. De uiteindelijke afloop staat al bijna 25 jaar vast en zindert desondanks nog wel even na.

Ice Guardians

Netflix
<br<
Zou het Nederlands elftal misschien behoefte hebben aan een enforcer? In z’n hoogtijdagen had Oranje steevast doorgewinterde ijzervreters als Johan Neeskens, Jan Wouters en Edgar Davids in de gelederen. Zij beschermden de echte sterspelers en traden direct op als de tegenstander in hun ogen te ver dreigde te gaan.

In het ijshockey, waar een lekker stick- of vuistgevecht gewoon een verplicht onderdeel van de wedstrijd lijkt, is die rol zo ongeveer geformaliseerd: de enforcer. Een man die alleen het ijs op komt als er een robbertje moet worden gevochten en die als een soort bodyguard de sterspeler van zijn eigen team beschermt of uit de wind houdt. Geen Wayne Gretzky zogezegd, zonder een Dave Semenko.

De eikenhouten sportdocumentaire Ice Guardians (108 min) concentreert zich op deze vigilantes, die op commando ‘het recht’ in eigen hand nemen en daarmee volgens auteur en gedragsdeskundige Howard Bloom gewoon een normale teamrol oppakken. Onderzoek van de universiteit van Chicago zou hebben uitgewezen dat in de evolutie van elke groep – of het nu gaat om een jeugdbende of een managementteam – al snel vaste rollen ontstaan: een leider, een clown, een nerd én een luitenant, ofwel de enforcer.

Soms draaft regisseur Brett Harvey wat door met de mythevorming rond de enforcers, die hier bijna worden geportretteerd als moderne equivalenten op de cowboy met de witte hoed die met zijn Colt 45 slechteriken tot de orde roept (of gewoon kalt stellt). Ice Guardians slaagt er echter wel degelijk in om het beeld te nuanceren van de domme kracht die bij het minste of geringste een beuk uitdeelt en besteedt daarnaast ook aandacht aan de valkuilen en gevaren van de job.

In tijden waarin het Nederlands elftal naar een bedenkelijk niveau is weggezakt, weerklinkt ook in het voetbal de roep om dit soort mannen van stavast die, nadat ze natuurlijk uit volle borst hebben meegezongen met het Wilhelmus, bereid zijn om alles, werkelijk alles, te geven en te riskeren voor het team.

Waar Ice Guardians alle kanten van het enforcersambacht belicht, concentreert Alex Gibney zich in de ijshockeydocu The Last Gladiators op legendarische ambachtslieden zoals Chris ‘Knuckles’ Nilan, Donald Brashear en Marty McSorley.