Blood + Thunder: The Sound Of Alberts

Australia Broadcasting Corporation

In een directievergadering van de firma J. Albert & Son in 1963 bracht het nieuwste directielid, de 25-jarige Ted Albert, een onorthodox idee te berde: zullen we zelf platen gaan produceren en zo een eigen Australische sound creëren?

Ongeveer tegelijkertijd arriveerde er een Schotse arbeidersfamilie in Sydney, met drie geniale gitaristen en songschrijvers in de gelederen: George, Malcolm en Angus Young.

Getuige de tweedelige documentaire Blood + Thunder: The Sound Of Alberts (115 min.) uit 2015 was ‘t onvermijdelijk dat de wegen van Ted Albert en de Youngs elkaar zouden kruisen. Dat gebeurde via The Easybeats, het bandje dat George Young startte met de Nederlander Harry van den Berg, die hij al snel Harry Vanda begon te noemen. Met hits zoals Friday On My MindHello, How Are You en Good Times groeiden zij uit tot een soort Australische Beatles.

Intussen was het oog van de ogenschijnlijk zo nette zakenman Ted Albert ook gevallen op George’s jongere broertjes Malcolm en Angus. Onder de hoede van hun oudere broer en diens maatje Vanda startten zij met AC/DC de Australische rockmachine nog eens goed op. Samen ontwikkelden zij de poepruige pubrock-sound, waarmee de rockwereld een halve eeuw later nog altijd niet klaar is. Australische bands als The Angels en Rose Tattoo, eveneens onder contract bij Alberts, volgden in hun slipstream.

Deze gesmeerd lopende rockdocu van Paul Clarke, met verve aan elkaar gepraat door de Australische acteur David Field, schetst soepel wat de combi Albert-Youngs te weeg heeft gebracht met prachtig archiefmateriaal, enigszins misplaatste reconstructiescènes en terugblikinterviews met insiders en Alberts-artiesten zoals Harry Vanda, Gordon ‘Snowy’ Fleet (The Easybeats), Angus Young (AC/DC), Angry Anderson (Rose Tattoo), Stevie Wright en John Brewster (The Angels).

Het Australische label bleek overigens niet voor één gat te vangen en had bijvoorbeeld ook pop- en discohits met John Paul Young (Love Is In The Air) en Flash & The Pan (Midnight Man), een project dat de succesproducers Vanda en Young voor zichzelf uit de grond stampten. Zo bleven de Alberts-acts de successen aaneenrijgen. Toen Ted Albert in 1990, op slechts 53-jarige leeftijd, plotseling overleed, had hij Malcolm Young net per brief gecomplimenteerd voor het nieuwe AC/DC-album The Razors Edge.

Het is meteen een passend slotakkoord voor een fijne film die een welhaast vergeten rock & roll-akker nog eens lekker afploegt.

Inmiddels zijn overigens, behalve Ted Albert, ook George en Malcolm Young overleden.

This Is Sparklehorse

Sparklehorse

Mark Linkous (1962-2010) stond te boek als een ‘muzikantenmuzikant’, een zanger en songschrijver die wel een potje kon breken bij collega’s. Op de gastenlijst van This Is Sparklehorse (91 min.) prijken dan ook talloze andere prominenten uit de indie-hoek: David Lowery (Cracker), Ed Harcourt, Jonathan Donahue (Mercury Rev), Gemma Hayes, Adrian Utley (Portishead), Jason Lytle (Grandaddy) en John Parish.

Acts voor fijnproevers die, net als Linkous’ artistieke alter ego Sparklehorse, nooit stadions konden vullen, maar zich wel in het hart van menige muziekliefhebber hebben gewurmd. De bekendste naam in deze DIY-film van Alex Crowton en Bobby Dass is zonder twijfel David Lynch. ‘Trieste schoonheid’, noemt de befaamde filmmaker Linkous’ muziek. John Carter (Phantogram) omschrijft die dan weer als ‘gothic country-muziek’.

Sparklehorse-albums klinken als een slecht afgestelde draagbare radio: te midden van ruis en gekraak doemt er ineens een vlijmscherpe rocksong op of meldt zich bijna ongemerkt een gefluisterd melancholiek liedje. Die fluistervorm ontdekte Linkous volgens David Lowery per ongeluk. Als hij ‘s nachts in zijn thuisstudio nieuwe liedjes wilde opnemen, lag zijn echtgenote vaak al te slapen en moest hij zacht te werk gaan.

Zij ontbreekt in dit postume portret. Net als Brian Burton (Danger Mouse), met wie Linkous een compleet album maakte. Zijn broer Matt is wel van de partij. En er is een prominente rol voor singer-songwriter Angela Faye Martin, die deze docu opzette en tevens dienst doet als verteller. In die hoedanigheid richt ze zich af en toe rechtstreeks tot de protagonist. Martin verschijnt soms ook in beeld en claimt zo wel erg veel ruimte.

Hun protagonist blijft intussen een enigma. En dat was vast de bedoeling: een held die net zo ongrijpbaar blijft als zijn muziek. Duidelijk is wel dat Linkous al jong worstelde met het leven. Met allerlei roesmiddelen probeerde hij de depressies op afstand te houden. Daar was soms ook alle reden toe. Nadat hij in 1995 ging touren met zijn debuutalbum Viadixiesubmarinetransmissionplot, sloeg in Londen bijvoorbeeld het noodlot toe.

In een hotel viel hij – beneveld? onder invloed van pijnstillers? – in slaap, met zijn benen onder zich bekneld. Uiteindelijk volgde een hartaanval. Linkous kwam er ernstig beschadigd uit. Een tijd leek ’t alsof hij de rest van zijn leven veroordeeld zou zijn tot een rolstoel. ‘Bij de eerste gelegenheid waarop we alleen waren zei hij: je moet me doden’, herinnert David Lowery zich die donkere periode. ‘Ik kan niet leven met deze pijn.’

Later, toen Mark Linkous met de nodige hulpmiddelen weer kon staan en lopen, bleven de donkere episoden – ook omdat zijn muziek nauwelijks genoeg geld binnen bracht om van te kunnen leven. Toen zijn vriend en collega Vic Chesnutt, daadwerkelijk veroordeeld tot een rolstoel, in 2009 de dood boven het leven verkoos, belandde ook Linkous in een niet meer te stoppen neerwaartse spiraal. Binnen drie maanden was hij eveneens dood.

Deze film veegt een flink aantal brokstukken van Mark Linkous’ leven bij elkaar, van een man zonder beschermingslaag, die ver van waar ’t in de muziekbusiness gebeurt, New York en Los Angeles, waar hij zelf nooit kon floreren, zijn eigen stem vond. Ruw, zacht en breekbaar – en nauwelijks te vatten. Zoals de onnavolgbare slogan van die schoorsteenveger op het T-shirt dat hij soms droeg: we may not be good, but we sure are slow.

Elton John: Never Too Late

Disney+

Achter al het succes gaapt een enorme leegte. Elton John maakt zich in 1975 op voor het grootste concert van zijn leven in het Dodger Stadion te Los Angeles. 110.000 fans wachten op de 27-jarige superster, die in de voorgaande vijf jaar talloze hits heeft gescoord. Hij is alleen doodongelukkig. Bijna een halve eeuw later staat diezelfde Elton John op het punt om met pensioen te gaan. Met zijn band werkt hij in 2022 toe naar een afscheidsconcert in datzelfde Dodger Stadium.

Met die twee verhaallijnen – over een jonge ster die op weg naar de top steeds meer met zichzelf overhoop komt te liggen en een gearriveerde held die zijn loopbaan afsluit, in elk geval als optredend artiest, en zich opmaakt voor een gemoedelijke ouwe dag – kan Elton John: Never Too Late (102 min.) van start. Het regisseursduo R.J. Cutler, maker van beeldbepalende portretten over bekendheden zoals John BelushiBillie Eilish en Martha Stewart, en Elton Johns partner David Furnish alterneren in deze gesmeerd lopende documentaire voortdurend tussen deze twee ijkpunten uit het leven en de loopbaan van Reg Dwight, alias Elton John.

Audiocassettes met gesprekken die de hoofdpersoon voor zijn memoires voerde met de journalist Alexis Petridis fungeren daarbij als anker, met animaties worden bovendien enkele cruciale gebeurtenissen uit Elton Johns verleden verbeeld. Never Too Late wordt echter nooit een regulier, chronologisch opgebouwd carrièreoverzicht. Aan de welhaast vijftig jaar tussen 1975 en nu wordt bijvoorbeeld nauwelijks aandacht besteed. En ‘s mans brillencollectie, voetbalclub Watford of de monsterhit Nikita komen helemaal niet aan de orde. Zoals ’t ook tevergeefs zoeken blijft – en dat is niet onprettig – naar sappige quotes van intimi, andere pophelden en deskundigen.

Cutler en Furnish focussen zich liever op de emotionele ontwikkeling die hun protagonist heeft doorgemaakt. Van een wereldberoemde man, die voor de buitenwereld in de kast bleef en zich intussen steeds meer verloor in drank en drugs, naar een ogenschijnlijk gelukkig getrouwd LHBTIQ+-icoon dat stopt met touren om meer tijd met z’n gezin door te kunnen brengen. ’s Mans songboek fungeert als smeermiddel om die ontwikkeling op te tekenen, waarbij er daarnaast ook plek is ingeruimd voor Elton Johns stiekeme relatie met zijn manager John Reid, de allerlaatste keer dat John Lennon (bij hem) optrad en zijn muziekpodcast Rocket Hour.

‘Het heeft me 43 jaar gekost om te leren functioneren als mens, in plaats van een rockster’, zegt Elton John er zelf over in deze film, die zijn leven als twee hapklare, onlosmakelijk met elkaar verbonden brokken uitserveert: succes -> eenzaamheid -> verslaving -> afkicken -> loslaten -> geluk. Zodat zijn verhaal, als ook voor de Britse zanger definitief het doek valt, in elk geval helemaal rond is gemaakt.

The Kings Of Tupelo: A Southern Crime Saga

Netflix

‘Nu wordt alles duidelijk’, concludeert Kevin Curtis. ‘Denk erover na: Steve Holland, volksvertegenwoordiger, directeur van een uitvaartcentrum, orgaanoogsten, lijken…’ In het hoofd van Curtis worden ineens allerlei verbanden gelegd. De Elvis-imitator uit Tupelo, de geboorteplaats van ‘The King of rock & roll’, is al enige tijd bevangen door een complottheorie over de handel in lichaamsdelen op de zwarte markt en weet ‘t nu zeker: Holland, volksvertegenwoordiger in de Amerikaanse staat Mississippi, maakt zich daaraan schuldig en wordt door alles en iedereen in de rug gedekt.

Het zaadje voor deze steeds ingewikkeldere samenzweringstheorie is in Curtis’ hoofd geplant tijdens zijn werk als schoonmaker in het North Mississippi Medical Center. In het mortuarium van dat ziekenhuis zou hij in een vriezer het afgehakte hoofd hebben gevonden van een patiënt die twee dagen eerder nog gewoon in leven was. Kort daarna werd ‘KC’ ontslagen omdat hij zich op verboden terrein had begeven en begon hij via allerlei websites wilde complottheorieën over ‘orgaanoogsten’ te verspreiden. En zo dreef hij dan weer een wig tussen hemzelf en zijn broer, de verzekeringsagent Jack Curtis, met wie hij al enige tijd een act had als het Elvis-imitatieduo Double Trouble.

Volgt u ‘t nog? Ja, tis wel opletten geblazen in The Kings Of Tupelo: A Southern Crime Saga (193 min.), een driedelige serie van Chapman Way en Maclain Way (Wild Wild Country en de Untold-serie) over de doldwaze lotgevallen van de ‘crazy Southerner’ Kevin Curtis, die na ledematenhandel ook complotten rond ‘chem trails’, 9/11 én zijn eigen vervolging ontdekt. Hij duikt van het ene in het andere konijnenhol en wordt alsmaar meer paranoïde. Ten einde raad zou hij in 2013 vervolgens brieven hebben gestuurd aan een assistent-aanklager in Mississippi, rechter Sadie ‘moeder van Steve’ Holland, de Republikeinse senator Wicker en president ‘Barack Hussein Obama’. De enveloppen bevatten het dodelijke gif ricine.

‘I am KC and I approve this message’, stond er onder de bijbehorende dreigbrieven. Hoe heeft ’t zover kunnen komen? Dat is ook de vraag die deze miniserie probeert te beantwoorden. De gebroeders Way kiezen ervoor om deze kwestie met veel humor aan te vliegen, de sowieso al kleurrijke personages nog eens extra dik aan te zetten en Curtis zelf alle ruimte te geven. Samen met een volvette soundtrack, illustratieve tekeningen en een slicke verhaalopbouw zorgt dit voor een bijna campy vertelling, waarbinnen de ernst van ‘s mans mentale problemen en zijn afdaling in steeds uitzinnigere complotten vooral voer zijn voor verbazing en vermaak – niet voor serieuze ongerustheid. The Kings Of Tupelo maakt er liever een gimmick van dan een invoelbaar persoonlijk verhaal.

En dan – aflevering 3 van deze kluchtige serie is al begonnen – steekt er met de introductie van een ander larger than life-personage, J. Everett Dutschke, nog een andere vraag de kop op: is Kevin Curtis eigenlijk wel de (enige) afzender van die dodelijke brieven?

Return Of The King: The Fall And Rise Of Elvis Presley

Netflix

Hij begint met een valse start. De ‘King of rock & roll’ oogt onzeker en nerveus en verknalt het eerste nummer. Dit optreden, de zogenaamde ’68 Comeback Special, moet de grote ommekeer in zijn carrière bewerkstelligen. Want Elvis Presley (1935-1977) is al enige tijd zichzelf niet meer. Hij heeft al vijf jaar geen serieuze hit meer gehad en bovendien in geen zeven jaar op een podium gestaan.

De documentaire Return Of The King: The Fall And Rise Of Elvis Presley (91 min.) – niet ‘the rise and fall’ dus, zoals te doen gebruiken in muziekdocu’s, waarna dan op de valreep nóg een rise volgt – reconstrueert hoe Presley in 1968 de weg terug naar zichzelf en zijn publiek vindt met een dampende concertspecial, die ruim een halve eeuw later nog altijd als een ijkpunt in de rock & roll-historie wordt beschouwd.

Deze patente film van Jason Hehir (Andre The GiantMurder In Boston en de epische Michael Jordan-serie The Last Dance) begint echter bij het begin: hoe een lefgozer uit het diepe en arme Zuiden van de Verenigde Staten zich halverwege de jaren vijftig, met veel succes, zwarte muziek toe-eigent. In al z’n oerdrift, seksuele geladenheid en monsterlijke swing. Hij wordt er één van ’s werelds allereerste tieneridolen mee.

Na enkele jaren aan de top, eenzaam maar welvoorzien, raakt Elvis langzaam maar zeker zijn mojo kwijt. Ook al blijft in eerste instantie het succes. Daar zorgt zijn manager Colonel Tom Parker, de onverbeterlijke ritselaar Dries van Kuijk uit Breda, wel voor. ‘De kolonel kun je in één zingen samenvatten’’ stelt Bruce Springsteen lachend. ‘Vorig jaar had m’n jongen een miljoen dollar aan talent. Nu heeft hij een miljoen dollar.’

Elvis’ diensttijd in Duitsland kost hem echter de kop. Als hij begin jaren zestig terugkeert naar eigen land, verwelkomt Frank Sinatra hem in een speciale tv-show. Daarmee wordt de schrik van elke Amerikaan met een dochter meteen ingekapseld. De rebel van weleer, die elk meisje weke knieën bezorgt, wordt ‘one of the guys’. En Parker regelt rollen in een stroom, steeds slechter wordende, romantische films voor hem.

‘Gênant’, zegt Priscilla Presley tegen een vriend van haar echtgenoot, Jerry Schilling, terwijl ze in deze docu samen naar een scène uit Double Trouble (1967) kijken. Achter op een pick-up truck zingt Elvis zogenaamd enthousiast Old MacDonald Had A Farm voor een inwisselbare ‘love interest’. ‘Het is een misdaad om hem dat liedje te laten zingen’, zegt Priscilla met het nodige drama. ‘Hij stond voor schut en hij wist het.’

Elvis zit als een rat in Parkers val en moet bovendien aanzien hoe Britse bands zoals The Beatles en The Stones zijn plek op de rock & roll-troon claimen. The King heeft een list nodig, maar moet daarvoor wel zijn eigen manager trotseren. Want die heeft weer een cheesy special in gedachten, bepaald geen wederopstanding van het gevaarlijke rock & roll-beest Elvis Presley dat Mick Jagger en consorten in hun kloten gaat bijten.

Hehir serveert de uiteindelijke ‘rise‘ van zijn held smakelijk uit met enkele audio-quotes van The King zelf, fraaie (backstage)beelden, enkele subtiele re-enactment-scènes, herinneringen van een aantal direct betrokkenen en smeuïge quotes van bekende fans, zoals regisseur Baz Luhrmann (van de speelfilm Elvis), Robbie Robertson (The Band), comedian/talkshowhost Conan O’Brien en Billy Corgan (Smashing Pumpkins).

In de ’68 Comeback Special toont Elvis, 33 jaar oud inmiddels, dat hij nog steeds een viriele jonge vent is – en dat hij zijn troon als koning van de rock & roll echt niet zomaar afstaat aan de nieuwste roedel jonge honden. Hij zal nochtans binnen tien jaar overlijden, als een schim van de man die talloze malen ieders hart veroverde.

Road Diary: Bruce Springsteen & The E Street Band

Disney+

Hoewel Thom Zimny ook documentaires heeft gemaakt over Johnny Cash, Sylvester Stallone en The Beach Boys, geldt hij toch eerst en vooral als huisfilmer van Bruce Springsteen. In de afgelopen twintig jaar verscheen er geen clip, special of docu van de Amerikaanse rocker of Zimny was erbij betrokken als regisseur, editor of producer. Ook bij Road Diary: Bruce Springsteen & The E Street Band (99 min.) zit hij weer aan de knoppen – al blijft het de vraag hoeveel ruimte The Boss zelf en zijn manager Jon Landau claimen.

Bruce Springsteen lijkt er de man niet naar om de teugels al te veel te laten vieren. Zo stuurt hij deze film, over de eerste tour in zes jaar met zijn befaamde E Street Band, weer aan met zijn welbekende, licht gezwollen voice-over, waarin de zegeningen van rock & soul en zijn band worden geteld, twee gestorven groepsleden worden geëerd (saxofonist Clarence Clemons en toetsenist Danny Federici, vervangen door respectievelijk neefje Jake Clemons en oudgediende Charles Giordano) en het verhaal dat hij ditmaal wilde vertellen met zijn concerten: over ‘leven en dood, en alles er tussenin’.

Aan een interview waagt hij zich verder niet. Alle andere leden van de aangeklede E Street Band, ditmaal met blazerssectie en achtergrondkoor, nemen wel de gelegenheid om hun zegje te doen en herinneringen op te halen aan de ‘glory days’ van de muzikale onderneming die ook hun leven domineert. Zoals er tevens ruimte is voor Springsteens wereldwijde aanhang, om nog maar eens uitbundig de loftrompet te steken over hun held en de bijna religieuze ervaringen die zijn concerten ook deze tournee, die nadrukkelijker dan ooit wordt beschouwd als mogelijk de allerlaatste, weer zijn geworden.

Vanzelfsprekend is dat in eerste instantie niet, getuige deze tourdocu. Bruce lijkt ditmaal niet zo’n zin te hebben in uitgebreid en alles tot in detail repeteren, constateert Jon Landau. Springsteens rechterhand, Steven Van Zandt, vindt zelfs dat de teugels moeten worden aangetrokken en begint daarom extra te oefenen met de band, voor het eerst in de historie zónder de grote baas zelf erbij. Van Zandt krijgt zelfs een officiële titel van zijn bloedsbroeder: music director. ‘Leuk hoor’, zegt ‘Little Steven’ grinnikend en laat vervolgens een korte stilte vallen. ‘Maar wel veertig jaar te laat.’

Met zulke aardige inkijkjes bij het groots opgezette rock & roll-circus waarmee Springsteen wederom de wereld rond is gegaan, gepaard aan hoogtepunten uit zijn vurige concerten met een excellerende E Street Band, voldoet Road Diary precies aan de verwachtingen. Die worden alleen ook niet overtroffen. Daarbij wreekt zich toch dat Springsteen en Landau de controle nooit helemaal uit handen lijken te geven. Als er zich ‘on the road’ al onverwachte, gênante of pijnlijke zaken hebben voorgedaan, dan zijn die waarschijnlijk nooit gefilmd of in elk geval in de montage gesneuveld.

Het maakt eerlijk gezegd benieuwd naar een Bruce-docu zónder Thom Zimny –  of Springsteen zelf – aan de knoppen. De ongefilterde Springsteen, dát zou pas wat zijn.

Tom Petty: Heartbreakers Beach Party

Piece Of Magic

Toen de verloren gewaande docu Tom Petty: Heartbreakers Beach Party (65 min.) oorspronkelijk werd uitgebracht in 1983, golfden de Amerikaanse rocker en z’n band nog op het succes van hun derde album Damn The Torpedoes. Hun muziek paste perfect bij de rock van Bruce Springsteen, John Mellencamp en Little Steven, die begin jaren tachtig immens populair werd in de Verenigde Staten. En Petty en de zijnen wilden maar al te graag hun nieuwe elpee Long After Dark (1982) aan de man gaan brengen.

Vandaar ook die film. En de regisseur (en presentator) daarvan, Cameron Crowe, was in die jaren nog een jonge en springerige popjournalist. Pas later zou hij zich manifesteren als volwaardige cineast en zijn eigen herinneringen als jeugdige medewerker van Rolling Stone verfilmen onder de noemer Almost Famous (2000), de ultieme grunge-film Singles (1992) maken en één van de toonaangevende bands van dat rockgenre portretteren in de documentaire Pearl Jam Twenty (2011).

Toen Crowe met Tom Petty filmde, konden ze geen van tweeën vermoeden wat de toekomst nog in petto zou hebben voor de zanger/gitarist. Dat hij met Bob Dylan, Roy Orbison, Jeff Lynne en George Harrison de supergroep Traveling Wilburys zou vormen. Dat hij met The Heartbreakers nog veel grotere successen zou smaken. En dat in 2017 een hartstilstand een einde zou maken aan het leven van hem en van zijn groep, die toen net uitbundig z’n veertigjarige jubileum had gevierd.

Dat Petty nog veel meer van zichzelf zou gaan laten zien in z’n liedjes, vermoedde Cameron Crowe al in 1983. In de outtakes die aan deze heruitgave van de docu uit 1983 zijn toegevoegd, vertelt hij dat de persoonlijke insteek van pareltjes zoals Kings HighwayLearning To Fly en I Won’t Back Down zich toen al aandiende. Samen met een korte vooraankondiging geven zulke deleted scenes, inclusief een gesprekje met Petty’s dochter Adria (in totaal: 19 min.), Crowes oorspronkelijke film extra context.

Het interview dat Petty, met zonnebril, gaf in een limousine valt daardoor beter op z’n plek. Die setting was bedoeld als commentaar op de karikaturale rocksterrenattitude. ‘Ja, ik rol altijd m’n eigen sigaretten’, grapt hij voor het officiële interview begint. Tegelijkertijd zitten zulke clichés soms ook gewoon in die film. Waar denk je aan tijdens het drummen? vraagt een jonge Crowe bijvoorbeeld aan drummer Stan Lynch. ‘Wil je het eerlijke antwoord?’ vraagt die. ‘Ik denk aan…’ De rest is weg gebliept.

Verder is het ‘business as usual’ in deze docu: live-uitvoeringen van enkele bekende hits (American GirlRefugee en Listen To Her Heart), een interview bij Petty thuis, studiobeelden met Fleetwood Mac-zangeres Stevie Nicks, een Q&A met fans én een officiële gelegenheid in Petty’s geboorteplek Gainesville, waarbij hij van de burgemeester de sleutel van de stad krijgt overhandigd. Het is weer eens wat anders dan moeten verschijnen voor de jeugdrechtbank, reageert de rocker droog.

Deze documentaire toont Tom Petty in zijn jonge jaren als artiest, op een moment dat hij nog zo’n 35 jaar leven en carrière voor de boeg heeft, een toekomst die inmiddels alweer enkele jaren achter hem ligt.

My Generation

EO

Gaan we rocken? roept een man naar de bus senioren. Zij reageren enthousiast: jeeeeuuuh! Het gezelschap is onderweg naar de Zwarte Cross in Lichtenvoorde, waar een hopelijk volle festivaltent wacht op het ouderenkoor uit Haarlemmermeer. Net voor aankomst zingen ze nog even mee met de plaatselijke klassieker Oerend Hard van Normaal.

My Generation (54 min.) afficheert zich als een rockkoor, waarbij iedereen welkom is. Zangtalent is mooi meegenomen, maar zeker geen voorwaarde. Onder leiding van dirigent Boris studeren de senioren enthousiast bekende pop- en rockklassiekers in van pak ‘m beet The Rolling Stones (Ruby Tuesday), Bob Marley (One Love) en – natuurlijk – The Beatles (Here Comes The Sun).

Dit doet natuurlijk denken aan de opzet van Young @ Heart, Stephen Walkers documentaire over een Amerikaans ouderenkoor met een al even opmerkelijk repertoire – al begaf dat gezelschap zich met covers van lekker dwarse acts als Talking Heads, Sonic Youth en The Ramones zelfs nog véél verder van de mainstream. De oudjes werden er hip mee. Toen die term allang niet meer in zwang was.

My Generation opereert conventioneler en moet het vooral van lol, gezelligheid en enthousiasme hebben. Tijdens de voorbereidingen op het muziek- en crossfestival in de Achterhoek, die als rode draad voor deze film fungeren, volgt documentairemaakster Anne-Marieke Graafmans enkele leden tijdens activiteiten van het koor en in hun dagelijks leven.

Zij kampen met de dingen waarmee mensen op leeftijd nu eenmaal kampen: eenzaamheid, verlies en de zin van het bestaan. Dat klinkt al een stuk heftiger dan het in deze wat vlakke docu wordt. Echt drama blijft achterwege. Binnen de groep is er hooguit wat wrijving over het ontwerp voor het officiële ‘tourshirt’ en of de dames tijdens het Zwarte Cross-optreden een giletje gaan dragen of niet.

Wat rest is een vlot groepsportret van een stelletje enthousiastelingen dat zich opmaakt voor een plek in het middelpunt van de belangstelling – als toch wel een soort gimmick – bij een festival dat populairder dan ooit lijkt bij de jeugd van tegenwoordig.

Mr. McMahon

Netflix

Vince McMahon en enkele andere ‘larger than life’-personages zijn er eens goed voor gaan zitten. Dit lijvige portret van de grote baas van World Wrestling Entertainment (WWE) is echter pas een paar minuten onderweg als het verhaal dat regisseur Chris Smith voor ogen had al grondig wordt ontregeld – of, anders bekeken, lekker opgepompt – door ‘breaking news’ rond McMahon: de beruchte worstelpromotor, die voor zijn ‘sportentertainment’ ook Cyndi Lauper, Mike Tyson en Donald Trump naar de ring haalde, moet terugtreden vanwege beschuldigingen van verkrachting en vrouwenhandel.

Alleen: toen zaten de interviews voor deze zesdelige serie er al een heel eind op. Aan de crack Smith (The Yes MenJim & Andy en Wham!) de schone taak om dat seksschandaal tóch een plek te geven in Mr. McMahon (342 min.). Hij begint gewoon bij het moment waarop zijn protagonist de WWE overneemt en daarna zijn eigen held creëert: Hulk Hogan, één van de bekendste personages uit de historie van het Amerikaanse showworstelen. Samen met illustere karakters zoals Andre The Giant, Mr. T en The Iron Sheik – een Arabier die tot ultieme vijand is gebombardeerd – wordt Hulk immens populair.

Terry Bollea, de persoon achter ‘Hulkamania’, zal sowieso een sleutelrol in McMahons carrière blijven spelen: Hulk licht hem bijvoorbeeld stiekem in over de pogingen van WWE-worstelaar Jesse Ventura om een vakbond op te richten, maakt een veelbesproken overstap naar WWE’s grote concurrent WCW en wordt daarna door justitie gedwongen om te getuigen tegen zijn voormalige baas, die terechtstaat vanwege het stimuleren van en de handel in anabole steroïden. McMahon zal ook nog worden beschuldigd van het creëren van een zeer onveilig werkklimaat, brute intimidatie en ongegeneerd seksisme.

De roerige geschiedenis van Vince McMahon en zijn worstelfederatie, gekenmerkt door al dan niet gefingeerde conflicten en gevechten, wordt uitgesmeerd over bijna zes uur. McMahon zelf krijgt daarbij alle ruimte en wordt aangevuld, bijgevallen of gecorrigeerd door zijn vrouw Linda en kinderen Shane en Stephanie, bekende worstelinsiders en WWE-iconen zoals Hulk Hogan, Wendi Richter, Stone Cold Steve Austin, Dwayne ‘The Rock’ Johnson en Cody Rhodes. Zo ontstaat een gelaagd beeld van McMahon als een rücksichtslose entrepreneur, een showman par excellence en een kerel die op elk gebied de grenzen opzoekt.

Intussen zijn de beschuldigingen tegen McMahon nog altijd niet weerlegd – of überhaupt besproken. Dat stelt Chris Smith uit tot het laatste half uur van deze miniserie, die tot dan toe vooral aan Amerikaanse sport- en worstelfans heeft geappelleerd. De man die even daarvoor nog als ‘vaderfiguur’ van de WWE-familie is neergezet weigert de documentairemaker echter te woord te staan. En anderen die wellicht licht op de zaak hadden kunnen schijnen zijn kaltgesteld met een geldbedrag en zo’n beruchte NDA, waardoor ze moeten zwijgen over de man die hun leven zou hebben verwoest.

‘Ik ken worstelaars en promotors en ik ken deze industrie’, had Hulk Hogan Smith niet voor niets al bij de start van deze miniserie gewaarschuwd. ‘Je krijgt niet het hele verhaal.’

The Tragically Hip: No Dress Rehearsal

Prime Video

Met de geladen tourdocu Long Time Running (2017) zet de Canadese rockband The Tragically Hip na ruim dertig jaar noodgedwongen een punt achter z’n carrière. Zanger Gordon Downie is twee jaar eerder gediagnosticeerd met een terminale hersentumor en wil in 2016 nog eenmaal met z’n maatjes een serie concerten geven. Het wordt een emotionele tournee en waardige afsluiting. Als ‘Gord’ vervolgens op slechts 53-jarige leeftijd z’n laatste adem uitblaast op 17 oktober 2017, houdt ook de groep automatisch op te bestaan. 

Zeven jaar later documenteert Gords oudere broer, documentairemaker Mike Downie, met de vierdelige serie The Tragically Hip: No Dress Rehearsal (261 min.) de carrière van de populairste band van Canada. Het is een archetypisch popverhaal, over vijf jongens uit Kingston, Ontario, die wereldberoemd worden in eigen land – en ook nog behoorlijk populair bij de grote onderbuur. Al wordt dat laatste wel een terugkerend thema, ook in deze productie: waarom zijn ze eigenlijk niet definitief doorgebroken in de Verenigde Staten? Is The Hip daar dan mislukt?

Met de nog levende leden – ondersteund door de entourage van de band, familieleden en Canadese prominenten zoals premier Justin Trudeau, acteur/komiek Dan Aykroyd en filmregisseur Atom Egoyan – loopt Downie hun carrière door. Na zes albums waarin The Tragically Hip als een gestaalde eenheid heeft gepresteerd, komt toch de klad erin en verwordt de groep vrinden tot een dysfunctionele familie, die nauwelijks meer in staat blijkt om normaal te communiceren. En daarover spreken ze nu, met de wijsheid van achteraf, zonder meel in de mond en zonder te zwarte pieten.

Gord Downie zelf vergroot soms, veelal onbedoeld, de verdeeldheid binnen de groep. Hij is een bevlogen zanger, uitgesproken poëet en theatrale performer die z’n hele hebben en houwen in de strijd gooit, maar ook de man die al snel alleen nog zijn eigen teksten wil zingen. Zo kortwiekt hij de andere songschrijvers in de band – al is Downie wel bereid om de inkomsten eerlijk te delen. Alle spanningen komen uiteindelijk tot een climax tijdens de opnames van het elfde studioalbum We Are The Same in 2009, waarbij de zanger los van de rest van de band komt te staan.

‘Gord is niet The Tragically Hip’, klaagt vaste technicus Dave Koster dan tegen producer Bob Rock, die Downie een status aparte geeft. ‘Gord is de zanger van The Tragically Hip. The Tragically Hip bestaat uit vijf gasten, die innig samenwerken en geweldige muziek maken.’ En uiteindelijk zullen die vijf, laat deze fijne miniserie eveneens overtuigend zien, de weg terug naar elkaar weer vinden. Zodat ze nog eenmaal samen, met een voorman die zijn eigen teksten en zanglijnen opnieuw moet leren, kunnen gloriëren als de band die ze ruim drie succesvolle decennia zijn geweest.

Intussen komt het einde steeds naderbij, van Gords leven en van die band. ‘Wie ben ik nu nog?’ vraagt gitarist Rob Baker zich af tijdens de aangrijpende apotheose van No Dress Rehearsal. Hij zal al snel in een neerwaartse spiraal terechtkomen. Zoals alle leden van The Hip op zichzelf worden teruggeworpen en los van elkaar afscheid moeten nemen van wie ze samen waren. Een complete natie, belichaamd door een geëmotioneerde premier Trudeau, rouwt met hen mee. Over het verlies van een groep die als geen ander verklankte wat het betekent om Canadees te zijn.

‘Ik zei tegen mezelf: je hebt al vaker tijden gehad waarin je hem weinig zag’, vertelt Gord Downies moeder Lorna tegen haar ene zoon Mike, die als filmmaker zoveel mogelijk buiten beeld blijft, over hoe zij het verlies van die andere zoon probeert te dragen. ‘Ik stel me gewoon voor dat hij op tournee is.’

Child Star

Disney+

Ze spiegelen zich aan pak ‘m beet Shirley Temple, Annie of Miley Cyrus, maar lopen het gevaar dat ze een variant op Michael JacksonBritney Spears of Aaron Carter worden, kindersterren die uitgroeiden tot zwaar beschadigde volwassenen.

Drew Barrymore kan erover mee praten en blijkt daartoe ook bereid in Child Star (97 min.), de documentaire die Demi Lovato heeft gemaakt met Nicola B. Marsh. Barrymore brak als zevenjarige door in Steven Spielbergs kassucces E.T.  Toen had ze echter al de nodige ervaring opgedaan. De Amerikaanse actrice was pas elf maanden oud toen ze voor het eerst in een commercial speelde. ‘Sindsdien ben ik altijd aan het werk geweest’, vertelt ze aan Lovato, die zelf natuurlijk ook al van kinds af aan beroemd is. ‘Behalve in de tijd dat mijn moeder me had laten opnemen.’

Demi Lovato heeft eerder in een documentaire, Dancing With The Devil (2021), bericht over haar getroebleerde jeugd – of, als je onaardig wilt zijn: die flink uitgevent – en neemt haar ervaringen ook mee naar deze film. De nadruk ligt wel op de grotere thematiek – het ongezonde leven van jeugdsterretjes – en er is ook voldoende ruimte voor andere ervaringsdeskundigen, zoals Christina Ricci (The Addams Family), Raven-Symoné (The Cosby Show) en Alyson Stoner (die ze nog kent van producties voor Disney Channel en de Camp Rock-films).

Daarmee lijkt deze docu qua toon en opzet op Showbiz Kids (2020), de film waarin regisseur Alex Winter, die zelf ook op jeugdige leeftijd in de spotlights belandde, spreekt met Evan Rachel Wood (Thirteen), Todd Bridges (Diff’rent Strokes) en Drew Barrymore’s tegenspeler in E.T., Henry Thomas. En natuurlijk snijdt Child Star ook thema’s aan die al in het schrijnende An Open Secret (2015) en de scandaleuze miniserie Quiet On Set: The Dark Side Of Kids TV (2024), over (seksueel) misbruik bij jeugdprogramma’s van de zender Nickelodeon, aan de orde zijn gesteld.

Demi Lovato’s geesteskind, waarin ook haar moeder, zussen en verloofde en een aantal deskundigen aan bod komen, snijdt een veelheid aan onderwerpen uit het leven van zo’n jong sterretje aan: de kadaverdiscipline binnen de entertainmentbusiness, onwerkelijke adoratie van fans, kritische reacties vanuit hun eigen omgeving, uitgekiende vermarkting van hun imago, eetstoornissen, drugs- en alcoholproblemen én plotselinge geldtekorten – als blijkt dat hun inkomen jarenlang slinks is weggesluisd, soms door hun eigen vader of moeder.

Lovato bevraagt daarnaast regisseur Chris Columbus, die bij de Home Alone en Harry Potter-films meemaakte hoe Macaulay Culkin en Daniel Radcliffe ineens wereldberoemd werden, vraagt zich af wat zulke vroege roem doet met je persoonlijkheid (bij alles de vraag stellen ‘what’s on brand?’ bijvoorbeeld) en stuurt aan het einde naar de tegenwoordige tijd, waarin kindsterretjes door social media nóg kwetsbaarder zijn geworden. Dat is natuurlijk geen nieuw inzicht. En dat geldt in feite voor de gehele film, die niet héél diep graaft en vooral bewijs toevoegt aan een zaak die al staat.

Gelukkig heeft Demi Lovato tot besluit nog een geruststellende boodschap voor alle would be-kindsterren, in de vorm van een themanummer dat tevens dienst doet als promosingle: You’ll Be OK, Kid. Geheel ‘on brand’, zou je zeggen.

Paul McCartney & Wings – One Hand Clapping

Piece Of Magic / vanaf zondag 29 september in de bioscoop

Zelf heeft hij er met veel plezier naar gekeken, zegt Paul McCartney in z’n introductie van deze studiodocu, een film over zijn band Wings die inmiddels een halve eeuw oud is. Hij stelt vervolgens de (nieuwe) leden van de groep voor en staat er nog even bij stil dat drie van hen (de gitaristen Denny Laine en Jimmy McCullogh en zijn eigen vrouw, toetsenist Linda) inmiddels zijn overleden.

En dan kan die film beginnen: Paul McCartney & Wings – One Hand Clapping (67 min.). Regisseur David Litchfield heeft de band in augustus 1974 gefilmd, tijdens vier opnamedagen in de Londense topstudio Abbey Road. Hij concentreert zich vooral op de live-sessies van de opmerkelijk vitaal klinkende groep en laat tussendoor alle leden nog even, buiten beeld, aan het woord.

‘Probeer ’t je voor te stellen’, stelt Wings-gitarist Denny Laine dan over McCartney. ‘Je hebt in The Beatles gezeten, de grootste band van de wereld in de voorgaande tien jaar. En dan moet je ineens alleen verder. Dan is het moeilijk om je zelfvertrouwen terug te krijgen.’ Laine weet waar hij over praat. Hij zat zelf enkele jaren in The Moody Blues. ‘Ik weet dus precies hoe hij zich voelt.’

‘Mijn ideaal is een vaste groep die echt werkt als een team’, zegt de Wings-frontman zelf, ‘waarbij er ook voldoende ruimte is voor ieder van ons om los te gaan en te doen wat ie wil.’ Samen met zijn kompanen levert hij zelf de boter bij de vis: zijn band excelleert tijdens uitvoeringen van klassiekers zoals Band On The RunJet en het titelnummer voor de James Bond-film Live And Let Die.

En als deze aangeklede studioregistratie is afgerond, volgt een akoestisch optreden van de voormalige Beatle in de tuin, genaamd The Backyard Sessions, waarbij hij nog eens vijf songs ten gehore brengt, waaronder covers van Buddy Holly en Chuck Berry. De liefhebber van de betere clichés voelt de kwalificatie van dit kleinood dan allang aankomen: verplichte kost voor alle Macca/Beatles-fans.

En die maken toch al gauw – natte vingerwerk – de helft van de complete mensheid uit.

Blur: To The End

Altitude / Piece Of Magic

Halverwege de jaren negentig, in de hoogtijdagen van Britpop, worden Engelse muziekliefhebbers voor een eenvoudige keuze gesteld: Blur of Oasis? Het is een even opzichtige als succesvolle poging om de rivaliteit tussen The Beatles en The Stones, die dertig jaar eerder ook al zo werd opgeklopt, te laten herleven. En net als in de sixties lijkt de tweestrijd een duidelijke winnaar te krijgen: in navolging van de ‘fab four’ beslist nu Oasis het pleit in z’n voordeel.

Net als The Rolling Stones blijkt Blur echter over een lange adem te beschikken. Damon Albarn (zang), Graham Coxon (gitaar), Alex James (bas) en Dave Rowntree (drums) zijn inmiddels toch echt op middelbare leeftijd aanbeland, maar maken zich opnieuw op voor een nieuw album, het eerste in acht jaar. The Ballad Of Darren wordt opgenomen bij de frontman thuis, op het Britse platteland waar ze inmiddels alle vier zijn neergestreken. Albarn woont tegenwoordig overigens alleen, bekent hij terloops. Een man zonder kader, op zoek naar een nieuwe missie, zo lijkt het.

En dus gaat de frontman, voor wie (zelf)spot een tweede natuur lijkt, ook weer touren met z’n ouwe maatjes. Met als climax een show in het Wembley-stadion, die tevens dienst doet als eindstation voor de documentaire Blur: To The End (104 min.). Want deze magische plek in Londen ontbrak nog op de Blur-erelijst. Eerder waren ze simpelweg niet populair genoeg, bekent drummer Dave Rowntree grinnikend. ‘Hoe minder we doen, hoe groter we worden.’ Net als enkele van zijn kameraden krijgt hij onderweg naar Londen met lichamelijke ongemakken te maken.

Documentairemaker Toby L. sluit aan als de jeugdvrienden de plaatsen en steden van hun beginperiode aandoen, onderweg oude vrienden ontmoeten en dan – natuurlijk – bekende hits zoals Popscene, Song 2 en Parklife spelen. Het resulteert in enkele aardige scènes, bijvoorbeeld als de uitgesproken zanger/songschrijver Damon Albarn en zijn vaste partner in crime, de nerdy gitarist Graham Coxon, de plek bezoeken waar het ooit begon voor hen: The Stanway School in Colchester. Tegenwoordig is daar een heus Albarn & Coxon-lokaal ingericht.

Intussen blikken de vier bandleden terug op hun carrière en zoomen ze in op de onderlinge verhoudingen en hoe die onder druk kwamen te staan door overmatig drank- en drugsgebruik. Want, zo weten ze inmiddels: ‘Succes bezorgt je veel meer problemen dan mislukking.’ In een band zitten en vrienden blijven is in elk geval bepaald geen sinecure – al lijkt hen dat tegenwoordig beter af te gaan dan vroeger. Dat verleden wordt verder niet uitgebreid behandeld, maar meldt zich zo nu en dan via vluchtige flashbacks, al dan niet opgeroepen door een gebeurtenis in het heden.

To The End, documentaire 4 over Blur, is daarmee geen definitief carrièreoverzicht geworden, maar een in het hier en nu gesitueerde trip nostalgia – soms intiem en grappig, dan weer tamelijk gratuit en landerig – voor zowel de band zelf als hun fanschare. Waarin de naam Oasis overigens geen enkele keer valt.

Inmiddels heeft de band van de ruziënde broers Gallagher trouwens ook een reünietournee aangekondigd.

Elizabeth Taylor: The Lost Tapes

HBO Max

Ze was een filmster, zo was haar door de bobo’s meermaals te verstaan gegeven. Géén actrice. Hoewel ze zeker twintig jaar één van Hollywoods grootste sterren was, werd Elizabeth Taylor (1932-2011) lang nauwelijks serieus genomen. Zij was ‘eye candy’ voor bioscoopbezoekers en ‘arm candy’ voor de ene na de andere (oudere) man uit de business. Een naam die in koeienletters op zowel filmposters als tabloidcovers kon worden geplaatst, om zo het grote publiek te behagen.

En toen, in het voorjaar van 1961, won ze eindelijk een Oscar (vijf jaar later overigens gevolgd door een Academy Award voor Who’s Afraid Of Virginia Woolf). Voor haar rol in BUtterfield 8, haar vierde nominatie op rij. Zelf was Liz Taylor er overigens van overtuigd dat ze de prijs niet voor haar acteerprestatie had gekregen. ‘Ik won de award voor mijn tracheotomie’, zegt ze in de documentaire Elizabeth Taylor: The Lost Tapes (98 min.) van Nanette Burstein (The Kid Stays In The Picture, Gringo: The Dangerous Life Of John McAfee en Hillary).

Even daarvoor, tijdens de opnames voor het epische historisch drama Cleopatra, was Taylor namelijk geveld door een levensbedreigende longontsteking. ‘Het moet uit medelijden zijn geweest’, constateerde ze. ‘Want ik vind die film gênant.’ Op de archiefbeelden van de Oscar-uitreiking neemt ze de Academy Award nochtans deemoedig in ontvangst. ‘Ik weet niet hoe ik mijn dankbaarheid kan uiten voor dit voor en alles’, zegt de filmster met nauwelijks ingehouden emotie, als een volleerde actrice. ‘Ik kan alleen zeggen: dank jullie wel.’

De Amerikaanse diva doet de ‘bekentenis’ over haar eerste Oscar aan journalist Richard Meryman, tijdens interviewsessies voor wat een boek had moeten worden. De gesprekken begonnen in 1964, toen Liz Taylor op het hoogtepunt van haar roem was. De opnames zijn onlangs pas teruggevonden en vormen nu het fundament onder deze (auto)biografie, waarin ook intimi als acteur/vriend Roddy McDowall, Taylors agent Marion Rosenberg en haar vijfde/zesde echtgenoot Richard Burton (op een totaal van acht huwelijken) nog een kleine bijdrage leveren.

Dit is echter eerst en vooral het relaas van Taylor zelf, één van de beroemdste vrouwen van haar tijd, die tegelijkertijd vastzat in wat er van haar als vrouw, ster en – zelf verfoeide ze de term, getuige de gesprekken met Meryman – ‘seksgodin’ werd verwacht. Voortdurend moest ze balanceren op het slappe koord tussen schijn en zijn. Nanette Burstein concentreert zich ondertussen vrijwel volledig op Taylors glorieperiode en lardeert de bespiegelingen van haar hoofdpersoon natuurlijk met filmfragmenten, b-roll beelden én talloze foto’s.

Want Elizabeth Taylor kreeg als geen ander, zeker toen ze verzeild raakte in een bijzonder turbulente relatie met Burton, te maken met de opkomst van een nieuw fenomeen: paparazzi. ‘Het ging niet meer om de glamour’, stelt collega-acteur George Hamilton daarover. ‘Ze wilden de glamour vernietigen.’ Taylor en Burton leverden daaraan zelf ook een aanzienlijke bijdrage. In de apotheose van deze boeiende film toont Burstein nog even gauw – maar doeltreffend – hoe de twee de ander en zichzelf en plein public te gronde richten.

Waarna ze op de valreep toch nog een sterrol in petto heeft voor Elizabeth Taylor: als beschermvrouwe van de Amerikaanse homogemeenschap, die aan het einde van de twintigste eeuw wordt aangevallen door een nietsontziende killer, AIDS, en daarbij grotendeels aan haar lot wordt overgelaten. In die rol – geïnspireerd door haar vriendschappen met de acteurs Rock Hudson en Montgomery Clift, die een groot deel van hun leven (noodgedwongen) in de kast bleven – steelt Taylor nog eenmaal, ongegeneerd en toch oprecht, de show.

In Elizabeth Taylor – Rebel Superstar, een driedelige serie over de filmster, komt ook Taylors familie aan het woord.

Herman Brood: Kunst… Begin Drrr Niet An

VPRO

Hij was fan van Little Richard, Blondie én Koningin Beatrix. Zelf wilde Herman Brood (1946-2001), uut Zwolle, ook een idool zijn. Het liefst zou hij de hele dag een camera op zich gericht hebben, bekent Neerlands oer-rock & roller in Herman Brood: Kunst… Begin Drrr Niet An (76 min.). En dat dan live uitzenden in de Amsterdamse Kalverstraat. Hij is nu eenmaal, daar doet ie zelf helemaal niet moeilijk over, ‘aandacht-süchtig’.

Deze film van Gwen Jansen concentreert zich op Broods werk als beeldend kunstenaar – al is de rock & roll, zowel de muziek zelf als de bijbehorende leefstijl, nooit ver weg. De basis van deze documentaire uit 2015 wordt echter gevormd door beelden die tussen 1992 en 2000 werden gemaakt bij kunstliefhebber en galeriehouder Ivo de Lange in Broods geboorteplaats Zwolle. Hij ging daar een paar dagen per maand heen om te schilderen. Volgens kunstenaar Rob Scholte waren zulke schilderbezoekjes een noodzakelijke tegenhanger voor ‘dat maffe leven wat ie als publieke persoonlijkheid in Amsterdam moest leven’.

De kunstenaar Brood had als kind een lui oog en was ook nog kleurenblind, maar werd uiteindelijk net zo’n begrip als het rock & roll-beest Brood. Scholte beschouwt hem zelfs als een geestverwant van Banksy. Uit dit postume portret, waarin verder bijvoorbeeld ook jeugdvriend Hans La Faille, muzikant Bertus Borgers en Frank Black van de Amerikaanse rockband The Pixies aan het woord komen, rijst het beeld van een mediapersoonlijkheid die zijn eigen kunstwerk werd. ‘Ook al gooi ik er met de pet naar, is het nog altijd een Herman Brood’, zegt hij over zijn eigen werken, waarmee hij soms ongegeneerd de spot drijft. ‘En daar heb ik keihard voor gewerkt.’

De showman Brood manifesteert zich ook tijdens een ontmoeting met Desi Bouterse in Suriname. ‘Jij krijgt veel over je heen’, zegt hij tegen de legerleider/politicus die verantwoordelijk wordt gehouden voor de Decembermoorden. ‘Dan moet je wel heel sterk zijn dat je daar niet aan onderdoor gaat.’ Bouterse laat het zich graag aanleunen: ‘Part of the job’, zegt hij schouderophalend. Het is een ongemakkelijk tafereel. Zeker als Brood het Surinaamse kopstuk ook nog een schilderij van een naakte vrouw aanbiedt. ‘Deze doos’, zegt hij erbij. ‘Getiteld: Artiesteningang.’ Tot afgrijzen van zijn vrouw Xandra. ‘Ik vind dat vreselijk. Mijn maag draait ervan om.’

Het is eigen aan het eeuwige joch Herman Brood, zo blijkt opnieuw in deze film over zijn kunstenaarschap. Altijd balancerend op het slappe koord tussen ‘larger than life’ en zelfparodie. Een man ook uit een andere tijd, wiens seks, drugs & rock & roll nu ongetwijfeld als ‘grensoverschrijdend’ zou zijn betiteld. Hij schaamt zich nergens voor – of doet op z’n minst heel overtuigend alsof. Hoewel Brood graag serieus genomen wil worden als kunstenaar, noemt hij zichzelf bijvoorbeeld tegelijkertijd ook een ‘souvenirfabrikant’. Hij legt uit, quasi-serieus: ‘Als je driehonderd schilderijen per week maakt kun je moeilijk overal je ‘soul’ in leggen.’

Typisch Brood: ontwapenend, irritant én goed getroffen in dit liefdevolle portret.

Amazing Journey: The Story Of The Who

Spitfire Pictures

Een duivelse combinatie van hoogmoed, wedijver en alcohol- en drugsconsumptie draait uiteindelijk ook deze band de nek om. Totdat The Who nog maar een schim is van de groep die in de sixties My Generation afleverde, het themanummer van een, ja, generatie.

Amazing Journey: The Story Of The Who (119 min.), een klassieke rockdocu van Murray Lerner en Paul Crowder uit 2007, wordt afgesloten met het prijsnummer. De vertolkers ervan – zanger Roger Daltrey en gitarist Pete Townshend, omringd door nieuwe muzikale begeleiders – zijn inmiddels babyboomers en hebben hun eigen adagio ‘hope I die before I get old’ al dubbel en dwars gelogenstraft. Tijdens het nummer gaat de band terug in de tijd, naar eerdere uitvoeringen van hun lijflied. Daarbij verschijnt eerst bassist John Entwistle (1944-2002) weer ten tonele en later ook de legendarische drummer Keith Moon (1946-1978).

Daarmee is het oorspronkelijke viertal weer herenigd. De groep die Townshends rockopera’s Quadrophenia en Tommy naar het grote publiek bracht, daarvóór floreerde op de festivals Woodstock en Monterrey en samen met tijdgenoten als The Beatles, Rolling Stones en Kinks halverwege de jaren zestig, onder de noemer de Britse invasie, de rest van de wereld veroverde. Daltrey, de macho frontman met een gevoelige inborst. Townshend, erkend gitaarbespeler en -sloper. Entwistle, de archetypische stoïcijnse bassist. En niet te vergeten Moon, het losgeslagen drumbeest dat ooit model stond voor Animal van The Muppets.

Hun levensloop wordt in deze lijvige documentaire, dan weer in chronologische volgorde, adequaat uiteengezet door de nog twee levende bandleden Daltrey en Townshend, hun persoonlijke en professionele entourage en vakbroeders zoals Sting, Eddie Vedder (Pearl Jam) en The Edge (U2). Dat gaat natuurlijk gepaard met tv-optredens, oude interviews en concertbeelden. Zo ontstaat een grondig beeld van een band waarbinnen onderlinge competitie uiteindelijk voor chemie zorgde. Strijd fungeerde daarbij als verbrandingsmotor en stuwde eerst Townshend en later ook Daltrey, in de ogen van andere bandleden maar een dommekracht, naar aanzienlijke hoogte.

‘Sadder and wiser’ kijken ze daarop terug. Als twee mannen die door het lot bijeen zijn gebracht en uiteindelijk zichzelf en elkaar hebben gevonden, na een ‘geweldige reis’ van dik veertig jaar. Waarvan in deze bandbiografie uitgebreid verslag wordt gedaan.

Cocksucker Blues

Robert Frank

Het moest een soort All Access Areas-pas worden. Een ongefilterde blik achter de schermen bij de Amerikaanse tournee van The Rolling Stones in 1972, waarbij de Britse rockband z’n nieuwe dubbelalbum Exile On Main Street ging promoten. Het eindresultaat bleek echter zo 18+ dat Mick Jagger en consorten het toch maar niet met de wereld wilden delen.

En dat was weer tegen het zere been van Robert Frank, de maker van Cocksucker Blues (95 min.). De Zwitsers-Amerikaanse fotograaf, die eerder het artwork voor de veel geprezen dubbelaar had gemaakt, verzette zich met hand en tand. The Stones hadden hem zelf gevraagd. En hij had precies geleverd wat er was afgesproken: een ruige direct cinema-film over het leven ‘on the road’. Een soort ‘flies on the wall’-docu, afwisselend in zwartwit en kleur, waarvoor Mick en alleman een camera ter hand mocht nemen, om ‘slices of tour life’ te vangen.

Enkele jaren eerder waren The Stones ook al het onderwerp geweest van een observerende documentaire, Gimme Shelter (1970). Dat was de band uiteindelijk niet al te best bekomen. In deze klassieke popdocu van de gebroeders Maysles en Charlotte Zwerin was te zien hoe Hells Angels een concertganger om het leven brachten tijdens het Stones-concert op het Altamont-festival – en hoe Mick Jagger dat huiveringwekkende tafereel voor het eerst terugzag in de montageruimte. ‘Altamont’ werd een dramatisch uitroepteken achter de jaren zestig. 

Toch was dat voor de band blijkbaar geen beletsel om opnieuw een cameraploeg – behalve Frank was ook z’n protegé Daniel Seymour van de partij – toe te laten bij hun terugkeer naar de Verenigde Staten. Voor wat een typische tourfilm over ‘the greatest rock & roll band on earth, voor het eerst voorzien van dat overbekende tonglogo, zou worden. Live-uitvoeringen van Brown Sugar, Midnight Rambler, Street Fighting Man en een mash-up van Uptight en (I Can’t Get No) Satisfaction met Stevie Wonder, vermengd met alle mogelijke ongein.

Met hedendaagse ogen zie je dan – op z’n best – jochies, kwajongens, doerakken, die zich te buiten gaan aan alles wat God verboden heeft – en de Duivel hen blijkbaar heeft opgedragen. Een neukpartij in het tourvliegtuig. De televisie die gitarist Keith Richards met saxofonist Bobby Keys uit een hotelraam kiepert. Een jonge groupie die een heroïnespuit zet. De verplichte spelletjes biljart en kaart onderweg. Vluchtige ontmoetingen met kunstenaar Andy Warhol, schrijver Truman Capote en zangeres Tina Turner. En Jagger die een mespuntje coke snuift. 

Het is de leegte van het rock & roll-bestaan, in al z’n decadentie, lamlendigheid en hedonisme vereeuwigd voor het nageslacht. Rommelig, ranzig en op z’n eigen manier ook weer saai en routinematig. On the road to nowhere, zoiets. Door Robert Frank tamelijk chaotisch vastgelegd en voorzien van een collageachtige geluidstrack. Waarbij de focus net zo goed ligt op de entourage van The Rolling Stones als op de bandleden zelf, die alle actie meestal eerder bezien – of van een soundtrack voorzien – dan er voluit in participeren.

Mick Jagger en de zijnen zaten nochtans niet te wachten op zo’n ruige registratie van hun tournee en schakelden de rechter in. Na een rechtsgang van ruim vier jaar werd in 1977 bepaald dat Cocksucker Blues voortaan slechts enkele malen per jaar mocht worden vertoond, in het kader van een soort retrospectief van Robert Frank en liefst ook in zijn aanwezigheid. Intussen groeide de morsige documentaire in de beleving van veel rockfans uit tot een cultfilm, een ultieme uiting van – maakt uit duizenden herkenbaar handgebaar – rock & roll.

Thank You, Goodnight: The Bon Jovi Story

Disney+

Aan het eind van aflevering 1 zit ie breed lachend klaar voor een interview: voormalig Bon Jovi-leadgitarist Richie Sambora. ‘Gaan we de waarheid vertellen of gaan we een potje liegen?’ zegt hij uitdagend. ‘Laten we dat samen proberen te ontdekken.’

De gitarist – die sinds hij in 2013 niet kwam opdagen bij een concert niet meer echt ‘on speaking terms’ is met de rest van de hardrockband – is dan net het verhaal binnengestapt van zanger John Bongiovi, de hoofdpersoon van deze vierdelige serie. Hij bereidt zich vanaf februari 2022 voor op een tournee met de huidige incarnatie van de band en vertelt intussen het verhaal van zijn muzikale carrière. Die begint al op de middelbare school in een coverbandje. Als dat in 1979 tijdens een optreden in thuisbasis New Jersey start met een cover van de plaatselijke held Bruce Springsteen, springt de man zelf het podium op om even mee te zingen. Dat is alles wat de streber Bongiovi nodig heeft. ‘Het overtuigde me er nog maar eens van dat het onmogelijke wel degelijk binnen bereik was.’

De zanger, die zich al snel Jon Bon Jovi begint te noemen, stopt met het spelen van andermans liedjes en begint zelf songs te schrijven. Als hij met Runaway een potentiële hit schrijft, moet er een groep komen. De lefgozer Sambora meldt zich, met de mededeling dat hij de nieuwe leadgitarist wordt. Het is de start van een zeer succesvolle samenwerking, die dertig jaar standhoudt en uiteindelijk tamelijk bitter eindigt. Voor dat verhaal, gelardeerd met de verplichte seks, drugs en rock & roll, neemt filmmaker Gotham Chopra ruim vijf uur de tijd: Thank You, Goodnight: The Bon Jovi Story (301 min.). Springsteen levert z’n bijdrage, net als die andere held uit New Jersey, Southside Johnny. En Bon Jovi’s vrouw Dorothea, andere bandleden, managers, producers, songschrijvers en dus Richie Sambora.

‘Wanneer realiseerde je je dat zijn vertrek definitief was?’ vraagt Chopra. ‘Dat is nog steeds niet gebeurd, nu tien jaar later’, antwoordt Jon Bon Jovi, gepijnigd lachend. ‘Ik heb er geen spijt van dat ik de situatie achter me heb gelaten’, reageert Sambora. ‘Maar wel van de manier waarop ik dat heb gedaan.’ En daarmee ligt er misschien toch weer een verzoening in het verschiet. Tegelijkertijd kampt Bon Jovi met een andere probleem: tijdens de voorjaarstournee van 2022 blijkt dat de stemproblemen, waarmee de frontman al langer kampt, nauwelijks meer zijn te verbergen. Jon maakt zich daar duidelijk zorgen over. Vertrouw me maar, zei hij vroeger tegen de anderen, ik neem ons mee naar we heen moeten. Dat gevoel is verdwenen, constateert hij nu geëmotioneerd.

De kwetsbare kant van een artiest die gewend is geraakt aan succes en nu aan alles begint te twijfelen, ook of die tournee ter gelegenheid van Bon Jovi’s veertigjarige jubileum er nog wel moet komen, vormt het interessantste deel van deze productie. Want die volgt verder trouw het geijkte pad dat is uitgelegd voor dit soort rockdocs: van de jonge hondenjaren via een schijnbaar onwankelbare positie aan de top en de dan eigenlijk verplichte identiteitscrisis naar een respectabele ouwe dag. En die moet, behalve met deze miniserie, natuurlijk worden geconsumeerd met een nieuwe plaat en liefst ook… juist.

Simple Minds: Everything Is Possible

Simple Minds

Alle verplichte elementen voor een popdocu zitten erin. Dat begint in Simple Minds: Everything Is Possible (87 min.) al direct met het decor: een grauwe arbeiderswijk in Glasgow, de ideale voedingsbodem voor jongens die méér willen van het leven. En daarmee zijn we meteen aanbeland bij de hoofdpersonen voor zo’n film: Jim Kerr en zijn maatje Charlie Burchill. Volgens de overlevering startte hun ‘bromance’ al in de zandbak bij de Toryglen-flat. ‘Voor sommige mensen houdt de wereld aan het einde van de straat op’, stelt Kerr. ‘Voor Charlie en mij als tieners begon de wereld daar pas.’

En dan begint ook die band, al gauw Simple Minds genaamd. In de jaren dat punk opkomt. Als iedereen denkt dat ie kan spelen en ook vindt dat ie dat moet gaan doen. ‘De barbaren rammelden aan de poort’, aldus Kerr, die wordt gebombardeerd tot zanger. Zijn maatje Charlie heeft zich dan al gemanifesteerd als een verdienstelijke gitarist. Ze gaan samen liedjes schrijven. De twee treden voor het eerst met hun bandje op in januari 1978. Aan zelfvertrouwen over hun ‘artrock’ bepaald geen gebrek. ‘We zijn te goed om genegeerd te worden’, beweren ze tegen de plaatselijke krant.

Na het beluisteren van Joy Division’s signatuuralbum Unknown Pleasures willen ze hun eigen, tamelijk gladde new wave-debuutalbum desondanks bijna in de vuilnisbak gooien. Veel te gepolijst! Een half jaar later al volgt elpee twee. Die hoeft van de band niet ‘commercieel’ te zijn of hits te bevatten. Dat lukt zonder al te veel problemen – tot grote frustratie van hun platenlabel. Zo moeten de Simple Minds – verplicht in dit soort docu’s – eerst de nodige zijpaden bewandelen om dan toch de weg naar de top te vinden. Dat ze die vinden staat overigens vast. Anders zou deze film er nooit zijn gekomen.

Hun lange weg naar de voetbalstadions, waar Kerr, Burchill en de hunnen (die ook hier slechts een bijrol krijgen toebedeeld) moeiteloos mensenmassa’s naar hun hand zetten, wordt in deze docu van Joss Crowley begeleid door oud-manager Bruce Findlay, lieden uit de bandomgeving en de sterproducers die eraan te pas kwamen (John Leckie, Jimmy Iovine en Trevor Horn). En natuurlijk zijn ook vakbroeders zoals Bobby Gillespie (Primal Scream), Bob Geldof (The Boomtown Rats) en Dave Gahan (Depeche Mode) bereid om de status van hun muzikale vrinden – en zichzelf – nog eens te bevestigen.

Na de gloriejaren, waarin de zanger nog een celebrity-huwelijk met Pretenders-boegbeeld Chrissie Hynde ziet floreren en stranden, volgt de onvermijdelijke teruggang – ook verplicht in dit soort bandjesportretten. Kerr en Burchill moeten zich ermee verzoenen dat ze zijn ingehaald door een nieuwe generatie acts, die te goed is om genegeerd te worden. Als rechtgeaarde stadionband zijn ze weer veroordeeld zijn tot gewone zalen. Dan komt onvermijdelijk ook de vraag op tafel: hebben de Simple Minds nog toekomst? Ja dus. Ze spelen nog altijd, in een steeds vernieuwende bezetting. 

‘We zeggen niet: we zijn terug, maar: dit hebben we met ons leven gedaan’, heeft Jim Kerr dan nog een oneliner paraat. ‘En als er zoveel op het spel staat, moet je wel elke avond alles geven.’ Zijn boezemvriend Charlie vult aan: ‘We waren tot het inzicht gekomen dat we net als oude blueszangers tot onze laatste snik door zouden gaan. Dat was ons statement.’ En dus maken ze zich op, het laatste elementaire element van dit type (leuke) popdocu, voor de grootste tournee in jaaaren.

Hate To Love: Nickelback

Nickelback

‘We zijn net The Beatles geproduceerd door Nickelback’, zegt Fred Savage stellig. ‘Het is muziek, maar die is wel kote!’

‘Nu is het genoeg!’, zegt zijn vriend die is verkleed als Spiderman. ‘Ik ben helemaal klaar met al dat Nickelback-gehaat. Denk je dat je daardoor cool overkomt bij de andere coole kids, Fred?

‘Nee’, antwoordt die zelfvoldaan. ‘Ik heb alleen wel gelijk.’

‘Nee, dat heb je niet’, reageert Spiderman fel.

‘Het is overgeproduceerde, formuleachtige oorrotzooi’, stelt Fred nog maar eens.

‘Oh, echt?’ sneert Spiderman, die zich naar de camera richt. ‘Dat staat dan wel op gespannen voet met de feiten. Vijftig miljoen verkochte albums. Nummer elf in de lijst van beste verkopende acts aller tijden. Billboard’s meest succesvolle groep van het afgelopen decennium. Zes Grammy-nominaties, twaalf Juno Awards…’ Hij werkt het lijstje nog even verder af, waarna de twee elkaar de hand geven en zacht Nickelbacks grootste hit How You Remind Me beginnen te zingen.

De scène uit de Hollywood-film Once Upon A Deadpool steekt op een aardige manier de draak met een opmerkelijk fenomeen: de alomtegenwoordige haat tegenover de Canadese band Nickelback, de risée van de internationale rockscene. Immens populair, maar geminacht door iedereen die zichzelf serieus neemt als muziekkenner. Een fenomeen waartoe ook acts als Bush, Kenny G en Limp Bizkit zich hebben te verhouden – of, in Nederland, Bløf en Kane.

Wat nu precies de reden is dat ’t, in vlogs, recensies en memes, zo gemakkelijk scoren lijkt tegen Nickelback? Ook de documentaire Hate To Love: Nickelback (101 min.) heeft het definitieve antwoord niet. Iets met gladgestreken gitaargeweld, platgetreden paden en pathos misschien? Zeker is dat ’t zo nu en dan nog steeds schrijnt en in het verleden ook écht pijn deed – zeker bij zanger Chad Kroeger, die samen met zijn broer Mike het hart van de groep vormt.

En dat is niet zo gek. ‘Ik heb geen identiteit zonder deze band’, zegt de frontman tijdens een partijtje pool met Mike. ‘We doen dit nu 22 jaar. De helft van mijn leven ben ik al die kerel die voor op het podium in een microfoon staat te schreeuwen. Dus ik weet helemaal niet wie ik ben als ik die vent niet zou zijn.’ Zijn moeder Debbie, begeleid door gedragen muziek, vult aan: ‘Hij is zeer zorgzaam en liefdevol en staat altijd open. Hij laat zich dus heel gemakkelijk pijn doen.’

Want Nickelback had al last van cancelcultuur, merkt iemand uit de entourage van de band op, voordat die term überhaupt bestond. Verder is deze muziekdocu van Leigh Brooks, die netjes de carrière van de band afloopt en daarbij even halthoudt bij het ontslag van enkele bandleden, lichamelijke ongemakken en het groepsgevoel, een beetje dertien in een dozijn. Met een nét iets te gladde climax. Net als …durf ’t bijna niet te zeggen… Nickelback.