The Velvet Underground

Apple TV+

Het zou ongepast zijn geweest als Todd Haynes van The Velvet Underground (120 min.) zo’n typische joyeuze popdocu, waarin nostalgie de boventoon voert, had gemaakt. Hoewel de documentaire in wezen het vaste stramien van zulke films volgt – ontstaan, opkomst, bloei, implosie en herwaardering – is de toonzetting aanmerkelijk donkerder en wekt ook het veelvuldige gebruik van splitscreen licht vervreemdend. De film lijkt daarmee in eerste instantie al net zo weinig aaibaar als de experimentele rockband rond zanger/songschrijver Lou Reed en multi-instrumentalist John Cale.

Zij creëerden samen met gitarist Sterling Morrison en drummer Maureen Tucker, en onder de hoede van popartheld Andy Warhol, in de tweede helft van de jaren zestig een geheel eigen universum. Met als voornaamste wapenfeit dat klassieke debuutalbum uit 1967, met tijdloze Reed-songs over drugsgebruik en sadomasochisme zoals Venus In Furs, Heroin en I’m Waiting For The Man, vocale bijdragen van de Duitse actrice/zangeres Nico (Femme Fatale, All Tomorrow’s Parties en I’ll Be Your Mirror) en natuurlijk Warhols klassieke bananenhoes.

Haynes neemt de tijd om toe te werken naar het ontstaan van The Velvet Underground. Eerst schetst hij de achtergrond van de twee belangrijkste groepsleden, de getormenteerde Reed en zijn Welshe tegenpool Cale, en hoe zij elkaar vonden in de avant-garde scene van New York. Daarna zoomt hij in op de illustere band zelf en z’n natuurlijke omgeving, Warhols Factory. Hij spreekt met de twee nog levende bandleden, John Cale en Maureen Tucker, laat Lou Reeds zus Merrill en vertegenwoordigers van de toenmalige scene aan het woord en vult dat aan met archiefinterviews met Reed, Morrison en Nico.

Met een arty montage van concertbeelden, foto’s, kunstwerken, posters, performances en tijdsbeelden weet Todd Haynes vervolgens de geest van de band goed te pakken te krijgen. The Velvet Underground is daardoor precies de bandfilm – conventioneel met een rafelrandje – geworden die de goegemeente verwacht. En dat is in dit geval niet eens een diskwalificatie.

1971: The Year That Music Changed Everything

Apple TV+

Voor wie vijftig jaar na dato nog altijd niet elke bocht, zijweg en afslag van ‘the trip down memory lane’ richting Boomerland kent, is 1971: The Year That Music Changed Everything (363 min.) zonder enige twijfel een traktatie. De achtdelige reeks van Asif Kapadia (Senna, Amy en Diego Maradona) buigt zich diepgaand over het muziekjaar 1971.

Alle oude favorieten komen weer langs: John Lennon, The Rolling Stones, Alice Cooper, The Doors, T. Rex, The Who, Joni Mitchell, Elton John, Bob Marley, Kraftwerk en Lou Reed. Ze worden gepresenteerd onder een motto dat is ontleend aan David Bowie: ‘We begonnen met de 21e eeuw in 1971.’ Daarbinnen is er ook opvallend veel aandacht voor de zwarte inbreng, middels korte portretten van Marvin Gaye, Sly & The Family Stone, Aretha Franklin, Curtis Mayfield, Ike & Tina Turner, James Brown, The Staple Singers en Bill Withers.

Deze momentopnames van belangwekkende artiesten worden afgezet tegen belangrijke ontwikkelingen in diezelfde periode; van de oorlog in Vietnam en burgerrechtenbeweging tot de seksuele revolutie en opkomst van heroïne en cocaïne. Waarbij ook beeldbepalende figuren zoals Muhammad Ali, Hunter S. Thompson, Charlie Manson, Angela Davis en James Baldwin, die stuk voor stuk al veel vaker in beeld zijn gebracht, natuurlijk niet ontbreken.

De muziek wordt intussen een belangrijke maatschappelijke rol toegedicht – of op zijn minst beschouwd als een wezenlijke weerslag van wat er destijds, met name in de Verenigde Staten, gaande was. Deze reeks is verder vanzelfsprekend gelardeerd met fraaie concertfragmenten, waarbij de songteksten in beeld worden vertoond. Talloze insiders, met quotes die uit de archieven zijn gehaald en nu off screen worden gepresenteerd, voorzien het geheel van commentaar.

Het terrein dat 1971 probeert te bestrijken is natuurlijk al lang en breed afgegraasd. Sterker: de meeste verhalen zijn, ook in documentaires, al eerder en diepgaander verteld. Deze serie – zonder enige twijfel knap gemaakt, maar ook zonder enige urgentie – is daardoor vooral interessant voor muziekliefhebbers die zich nog nooit in dit tijdsgewricht hebben verdiept. Of er altijd in willen blijven hangen.

Zouden die zich volgend jaar in 1972 mogen verlustigen?

The Boy Band Con: The Lou Pearlman Story

YouTube

Hij was de zesde Backstreet Boy. Het extra bandlid achter de schermen van *NSYNC. Eigenlijk had Lou Pearlman wel echt in een boyband willen zitten. Daarvoor had hij echter niet het talent – en zeker niet het uiterlijk. De corpulente manager was in zijn jonge jaren eerder een schlemiel geweest dan een loverboy, maar mocht later graag in de directe omgeving verkeren van écht populaire jongens. Hij werd overigens ook schathemelrijk van hen.

In de vermakelijke documentaire The Boy Band Con: The Lou Pearlman Story (99 min.) verhalen de voormalige Backstreet Boys en *NSYNC-leden AJ McLean, Lance Bass, JC Chasez en Chris Kirkpatrick en voormalige bandmedewerkers, direct betrokkenen en familieleden, waaronder voormalig tieneridool Aaron Carter en de moeder van Justin Timberlake, over de man die hen eerst wereldberoemd maakte en vervolgens he-le-maal leegzoog.

Terwijl zijn protegés via de rechter los proberen te komen van het wurgcontract dat Pearlman hen ooit liet tekenen, donderen er nog wat andere lijken uit de kast bij de man die ze ooit als een vaderfiguur beschouwden. Hij blijkt een lange historie te hebben van dubieuze deals die teruggaat tot zijn jeugd in Queens, New York, waar hij zijn eerste kapitaal zou hebben vergaard met een krantenwijk en bijbehorende donutservice.

Althans, dat was het verhaal dat Lou zelf daarover ophing. De werkelijkheid is een stuk prozaïscher – al worden sommige claims tegen ‘Big Poppa’, bijvoorbeeld dat zijn vaderrol een onmiskenbaar seksuele ondertoon had, ook niet héél overtuigend onderbouwd. The Boy Band Con is eerst en vooral het verhaal van een notoire flessentrekker, die zonder aanziens des persoons slachtoffers maakt en uiteindelijk helemaal verstrikt raakt in zijn eigen leugens, dat door regisseur Aaron Kunkel vakkundig wordt uitgeserveerd.

Pumping Iron


Voordat The Terminator gouverneur van Californië werd, was hij gewoon een ambitieuze Oostenrijkse bodybuilder met een grote bek, veel panache en de onbedwingbare wil om zich te manifesteren in het land van de onbegrensde dromen.

Tijdens de opnames voor de klassieke documentaire Pumping Iron (85 min.) uit 1977 bereidde Arnold Schwarzenegger zich voor op de Mr. Olympia-verkiezing van 1975, een titel waarop hij in de voorgaande jaren een soort abonnement had gekregen. Hij waande zichzelf onverslaanbaar.

Toen diende zich ineens een geduchte challenger aan: een verlegen Italiaans-Amerikaanse jongen, genaamd Lou Ferrigno, die alles op alles zette om letterlijk groter te worden dan hij was en de bluffer Arnie naar de kroon te steken.

Trefzeker schetst Pumping Iron de masculiene subcultuur van het bodybuilding, die in de navolgende decennia alleen maar aan belang zou winnen en ook van de bedeesde Ferrigno een beroemde acteur zou maken. Binnen afzienbare tijd begon hij te pas en te onpas groen van woede uit zijn vel te springen als The Incredible Hulk.

Met de wijsheid van nu zou je deze documentaire dus ook als The Terminator versus The Hulk kunnen betitelen. En hij kijkt net zo lekker weg, zoals dat dan zo mooi heet, als de actiefilms waarin de beide helden later de hoofdrol zouden claimen.