The Secret Life Of Uri Geller: Psychic Spy?

Springer Films

Hij zegt ’t met een stalen gezicht. ‘Ik kan je dit alleen vertellen omdat het programma inmiddels is vrijgegeven’, vertelt de Amerikaanse wetenschapper Russell Targ van het gerenommeerde Stanford Research Institute over de pogingen van de Amerikaanse veiligheidsdienst CIA om, midden in de Koude Oorlog, een gecrasht Sovjet-vliegtuig in Zaïre te traceren. Om er vervolgens bloedserieus aan toe te voegen: ‘Anders had ik jullie, nadat ik had verteld wie dit programma had gefinancierd, moeten doden.’

Welkom in een levensechte James Bond-film. Met zowaar een absolute hoofdrol voor ’s werelds beroemdste paragnost, Uri Geller. De Israëlische lepeltjesbuiger, helderziende en gedachtelezer zou jarenlang in het geheim voor enkele veiligheidsdiensten hebben gewerkt. Eerst voor de Mossad, daarna dus ook voor de CIA. De man wil – nee: kán – er zelf niets over kwijt in de documentaire The Secret Life Of Uri Geller: Psychic Spy? (91 min.) uit 2013, maar zegt steeds nét genoeg om de aandacht toch vast te houden.

Geller zou met zijn bijzondere gaven bijvoorbeeld een essentiële rol hebben gespeeld bij de Israëlische aanval op het Oegandese vliegveld van Entebbe in 1976, waarbij de Joodse passagiers van een gekaapt vliegtuig konden worden bevrijd. Daarover zegt hij dan: ‘Wat ik lees en hoor is dat ik radarsystemen tot aan Entebbe heb uitgeschakeld tijdens de bestorming, waarbij de broer van Benjamin Netanyahu is omgekomen. Zo zouden de Israëlische vliegtuigen veilig hebben kunnen landen in Entebbe.’

Maar dat heb je dus niet van hem. Filmmaker Vikram Jayanti moet de bevestiging van dit soort sterke verhalen dus elders halen. Bij wetenschappers van de prestigieuze Stanford University, zoals Russell Targ en zijn collega-natuurkundige Hal Puthoff, astronaut Edgar Mitchell, enkele oud-CIA-medewerkers en legerofficieren én de Israëlische premier Benjamin Netanyahu. Zij ondersteunen, direct dan wel indirect, Gellers suggesties. Want hij mag dan de schijn tegen hebben, wellicht heeft wel de waarheid aan zijn zijde.

Jayanti lardeert zijn zoektocht door de wereld van psyops met een wirwar aan ludieke muziekjes: van het Peter Gunn Theme en de soundtrack van The X Files tot het Mission Impossible-deuntje en – natuurlijk – dat uit duizenden herkenbare James Bond-thema. Daarmee relativeert hij zijn eigen bevindingen, die hem ook nog brengt bij de Hollywood-komedie The Men Who Stare At Goats (2009), waarin een Amerikaanse legereenheid wordt opgevoerd die gebruik maakt van paranormale tactieken en zo geiten doodt.

Dat kolderieke idee blijkt zowaar een snipper van een flinter van een kern van waarheid te bevatten: tijdens een wetenschappelijk experiment zou een helderziende in staat zijn geweest om de hartslag van een rat zo te vertragen dat die eraan overleed. En als dat inderdaad echt is gebeurd, zouden zo dan ook politieke rivalen om zeep kunnen worden geholpen? Naar het antwoord op die vraag blijft het gissen. Omdat a) het nooit is gebeurd. b) dit helemaal niet kan. Of c) dat zo geheim is dat niemand ‘t ooit zal toegeven.

En dus blijft ook ná het bekijken van deze vermakelijke film in nevelen gehuld of Uri Geller daadwerkelijk een paranormaal begaafde superspion is – of toch een charlatan, die weer een nieuwe manier heeft gevonden om zichzelf in het middelpunt van de belangstelling te plaatsen.

The Lives Of My Father

DR Sales

Als nieuwsproducer heeft zijn vader de halve wereld gezien. Hij reisde van brandhaard naar conflictgebied. En overal maakte ie foto’s van zichzelf, liefst met een volautomatisch wapen in de hand. In Bosnië, Cambodja, Syrië, Congo, Iran, Cuba en Afghanistan. Totdat Bjørn Hallstrøm, thuis in Noorwegen, zijn auto aan de kant van de weg zette en aan z’n zoon Didrik bekende dat hij een dubbelleven had geleid. Bjørn beweerde dat hij al die jaren een spion voor de Amerikaanse inlichtingendienst CIA was geweest.

Boven op zolder heeft Didrik een doos met oude VHS-videobanden liggen. Als hij die laat digitaliseren, weet de Noorse veertiger niet wat hij ziet. Zijn vader in Koeweit bijvoorbeeld. ‘Rambo!’ roepend, schiet hij, quasi-stoer, een mitrailleur leeg in de lucht, naar z’n denkbeeldige vijand, de Iraakse leider Saddam Hoessein. Bjørns zoon besluit hem op te zoeken. Hij woont tegenwoordig in de Bulgaarse hoofdstad Sofia en nadert het einde van z’n leven. Daar voelt Didrik hem aan de tand over The Lives Of My Father (86 min.).

Op een zolderkamer biecht Bjørn Hallstrøm aan zijn zoon op hoe hij z’n televisiereportages gebruikte als dekmantel voor zijn werk als spion. Enkele jongeren die hij daarvoor meenam naar het buitenland en in gevaarlijke situaties bracht, tasten daarover nog altijd in het duister. Totdat filmmaker Magnus Skatvold hen op de hoogte brengt van wat die flamboyante producer achter hun rug uitspookte. Hallstrøms strapatsen zorgden ook thuis voor steeds meer problemen, vertelt zijn ex-vrouw en Didriks moeder Jane.

Terwijl zijn verhalen van diverse kanten worden aangevuld en bevestigd – door presentatrice Bettina Rasmussen, cameraman Anders Berg en zijn jeugdvriend Hans Jørgen Insulan bijvoorbeeld, die beweert overal vanaf te hebben geweten – blijft Bjørn, ondanks de longziekte COPD, roken als een ketter. Hij is oud geworden. Een breekbare man uit een andere tijd, met z’n eigen vaderissues. Niet zonder trots schetst hij zijn verborgen bestaan, waarin ie ook nog voor een Britse geheime dienst actief zou zijn geweest.

‘Als ik de keuze had gehad tussen mijn werk en mijn gezin’, laat Hallstrøm zich aan het eind van deze documentaire ontvallen, ‘dan zou ik waarschijnlijk voor mijn werk hebben gekozen.’ Dat is geen verrassing voor zijn zoon. ‘Ik heb altijd het gevoel gehad dat je ergens anders wilde zijn’, zegt hij. Want wat er ook gebeurde in zijn kinderleven, voor z’n vader was er altijd iets belangrijker. Net als Bjørn is hij met één ouder opgegroeid. Voor hem was nooit meer weggelegd dan een bijrol als verweesd kind van de held in een waanzinnige avonturenfilm.

‘Dit begint verdacht veel op psychoanalyse te lijken, Didrik’, verzucht Bjørn. Hij kiest in deze boeiende film, die ook beschikbaar is als miniserie onder de noemer The Agent – The Life And Lies Of My Father, zijn vaste uitweg: een sigaretje.

The Nazi Cartel

SkyShowtime

Vóór Pablo Escobar was er de Boliviaanse drugsbaas Roberto Suárez. Hij wordt beschouwd als de eerste cocaïnekoning van de wereld en zou zelfs model hebben gestaan voor het personage Alejandro Sosa in de ultieme gangsterfilm Scarface.

En als rechterhand van Suárez fungeerde ene Klaus Altmann, een Duitser die na de Tweede Wereldoorlog in Zuid-Amerika was beland. In werkelijkheid ging het om de oorlogsmisdadiger Klaus Barbie, bijgenaamd ‘De Beul van Lyon’, die ook in Nederland nog ongenadig huis had gehouden. Samen met enkele andere oud-nazi’s speculeerde Barbie eind jaren zeventig nog altijd over een Vierde Rijk.

En er was een Amerikaanse undercoveragent, die zich namens de Drug Enforcement Agency (DEA) al jaren voordeed als dealer. Michael Levine begon zich actief met de handel te bemoeien. Samen met Suárez’s zoon Gary en schoonzoon Gerardo Caballero fungeert deze klassieke ‘tough guy’ nu als voornaamste getuige-deskundige van The Nazi Cartel (145 min.), een driedelige docuserie van Justin Webster.

Die duikt diep in deze onverkwikkelijke geschiedenis, waarin ook het Boliviaanse leger een belangrijke rol zou gaan spelen, en serveert die met veel drama en suspense uit. Webster maakt daarbij gebruik van nieuwsbeelden en reconstructies, spreekt allerlei direct betrokkenen en deskundigen en zet tevens enkele met AI geconstrueerde voice-overs in, die zijn gebaseerd op citaten uit een boek over Suárez.

De kongsi tussen Roberto Suárez en Klaus Barbie leidde in 1980 tot een bloedige staatsgreep, de zogenaamde Cocaïne Coup. Met hulp van het leger en huurlingen van Los Novios De La Muerte werd een linkse regering voorkomen. Onder de nieuwe militaire leider García Meza kon Bolivia vervolgens uitgroeien tot de eerste Zuid-Amerikaanse narcostaat. En de kans dat die Barbie zou uitleveren leek vrijwel nihil.

Dit politieke verhaal, mede verteld door slachtoffers van het regime, beklijft uiteindelijk meer dan de tamelijk routineuze jacht van Amerikaanse DEA-agenten op drugscriminelen. De vraag die daarachter ligt spreekt eveneens tot de verbeelding: was de CIA, die een kleine tien jaar eerder in Chili al de dictator Pinochet aan de macht had geholpen, misschien ook betrokken bij de Boliviaanse coup?

Volgens zijn zoon was Roberto Suárez er in elk geval best trots op dat hij was geportretteerd in Scarface. Hij herkende enkele filmpersonages ook uit zijn eigen omgeving. García Meza bijvoorbeeld. En Pablo Escobar, ofwel het legendarische Al Pacino personage Tony Montana. Suárez zou met Escobar breken, vóórdat die echt helemaal losging en zo aan de basis stond van de narcostaat Colombia.

The Six Billion Dollar Man

Charlotte Street Films

Regisseur Eugene Jarecki hamert ‘t er bij de start van The Six Billion Dollar Man (129 min.) nog even in: vóórdat Julian Assange een hacker, een verkrachter en een spion werd (genoemd), was hij de man die in 2010 met WikiLeaks de beruchte Collateral Murder-video publiceerde. Schokkend beeldmateriaal waarmee ondubbelzinnig werd aangetoond dat Amerikaanse militairen zich in Irak schuldig maakten aan oorlogsmisdaden.

Want daar ligt de oorsprong van al wat Assange daarna overkwam: een beschuldiging van seksueel misbruik in Zweden, een jarenlang verblijf als verstekeling op de Ecuadoriaanse ambassade te Londen en daarna nog een tragische periode van eenzame opsluiting in de Engelse gevangenis Belmarsh. Een rechtsgang – lees: martelgang – die in totaal toch al gauw veertien jaar in beslag heeft genomen.

Dat proces is natuurlijk al op diverse momenten en vanuit verschillende gezichtspunten opgetekend in gewaardeerde documentaires zoals We Steal Secrets: The Story Of WikiLeaks (2013), Ithaka: A Fight To Free Julian Assange (2021) en A Dangerous Boy (2024). Niet eerder werd dit verhaal echter zo compleet, goed gedocumenteerd en meeslepend gepresenteerd als in deze essentiële film van Eugene Jarecki.

Jarecki (The Trials Of Henry Kissinger, The House I Live In en The King) moest zijn film volgens eigen zeggen in Duitsland maken, omdat in het huidige Amerika niemand z’n vingers eraan wilde én wil branden. Niet vreemd: Julian Assange wordt, zéér overtuigend, geportretteerd als het slachtoffer van een buitengewoon geraffineerde Amerikaanse lastercampagne, die in feite neerkomt op ‘een slow-motion publieke executie’.

De documentairemaker kan daarvoor terugvallen op een ware sterrencast, met Edward Snowden, Sigurdur ‘Siggi The Hacker’ Thordarson, Naomi Klein, Yanis Varoufakis en Chelsea Manning. Zelfs Vivienne Westwood en, jawel, Pamela Anderson, die Assange opzochten tijdens zijn ballingschap, sluiten nog even aan. Alleen de man zelf ontbreekt. Hij wordt vertegenwoordigd door zijn vrouw Stella Moris en advocate Jennifer Robinson.

De onkreukbare Robinson, Assanges trouwste metgezel in een episch juridisch gevecht, fungeert tevens als verteller. Zij scheidt, vanuit het perspectief van haar cliënt, het kaf van het koren in een tragische zaak die uiteindelijk uitmondt in koehandel tussen de leiders van Ecuador en de Verenigde Staten, Moreno en Trump. Voor een slordige zes miljard dollar wordt de banneling van de hand gedaan – en in een Britse cel gesmeten.

The Six Billion Dollar Man belicht de zaak in z’n volle omvang. Rond een man die – of je nu sympathie voor hem hebt of niet; alsof dat er eigenlijk toe doet – stelselmatig kapot is gemaakt. Een kwaadaardig geval van ‘kill the messenger’, waarvan iedereen die belang hecht aan het vrije woord ernstige buikpijn zou moeten krijgen. Julian Assange bekent uiteindelijk wel schuld: ‘I plead guilty to journalism’, zegt de Man van Zes Biljoen cynisch.

Cover-Up

Netflix

‘This son of a bitch is a son of a bitch’, zegt de Amerikaanse president Richard Nixon begin jaren zeventig, op geheime geluidsopnames, tegen zijn nationale veiligheidsadviseur Henry Kissinger. ‘But he’s usually right, isn’t he?’ Ze hebben ‘t over onderzoeksjournalist Seymour Hersh, die zich dan namens The New York Times in het Watergate-onderzoek heeft gemengd. De Amerikaanse krant loopt op dat moment gigantisch achter de feiten van The Washington Post aan, waar Bob Woodward en Carl Bernstein al de ene na de andere primeur hebben gehad. Zij zijn een complot op het spoor, dat Nixon in 1974 ten val zal brengen. Hersh kan daaraan uiteindelijk ook nog bijdragen met enkele onthullingen.

Hersh geldt dan al als een enorme lastpak, de spreekwoordelijke luis in de pels. Met onthullingen over een bloedbad dat Amerikaanse soldaten in 1968 hebben aangericht in het Vietnamese dorpje My Lai brengt hij de militaire top en regering ernstig in verlegenheid. Zoals hij 35 jaar later opnieuw zal doen met berichtgeving over marteling door Amerikaanse militairen in de Iraakse gevangenis Abu Ghraib in 2004. Op dat moment is ‘Sy’ overigens al weg bij The Times. Als hij besluit om het Amerikaanse bedrijfsleven onder de loep te nemen en daarbij ook onwelgevallig nieuws over hooggeplaatsten binnen de krant tegenkomt, heeft hij volgens eigen zeggen z’n langste tijd bij The New York Times gehad.

Want Seymour M. Hersh is ook een ‘character’. Dwars, zéér vasthoudend en met een bijtend gevoel voor humor. Ideaal documentairemateriaal, kortom. Regisseur Laura Poitras (Citizenfour en All The Beauty And The Bloodshed) had hem na het Abu Ghraib-schandaal al op de korrel voor een film. Het zou haar echter nog twintig jaar, veel overredingskracht en de hulp van coregisseur Mark Obenhaus, die eerder enkele onderzoeksfilms met Hersh heeft gemaakt, kosten om de hardkop zelf van het nut en de noodzaak daarvan te overtuigen. En dan moet de tegellichter uit Chicago ook nog zijn aantekeningen, stapels papier op een rommelig kantoortje, met hen delen. Terwijl bronbescherming zo’n beetje z’n hoogste goed is.

In Cover-Up (118 min.) belichten Poitras en Obenhaus via Seymour Hersh de hoogtijdagen van de Amerikaanse journalistiek. Ze hebben hun documentaire een onmiskenbare seventies-feel meegegeven, die herinneringen oproept aan filmklassiekers zoals The Parallax view, Three Days Of The Condor en – natuurlijk – de ultieme journalistenfilm All The President’s Men. Één van de hoofdrolspelers daarvan, Bob Woodward, doet overigens ook nog een bescheiden duit in het zakje voor deze film over zijn al even vermaarde concullega Hersh, die onderweg nog héél even aan een zijden draadje hangt als Sy, omdat ie nu eenmaal Sy is, voor een draaiende camera zijn medewerking aan de documentaire opzegt.

Het spreekt voor de makers ervan dat ze daarin ook Hersh’s grootste canard belichten – een intieme briefwisseling tussen president John F. Kennedy en het sekssymbool Marilyn Monroe, die gefingeerd blijkt te zijn – al hadden ze in feite geen keuze. Met prutsers die zulk nieuws over het hoofd zouden zien en dus van ‘speaking truth to power’ geen kaas hebben gegeten, zou Seymour M. Hersh ongetwijfeld niets van doen willen hebben.

American Manhunt: Osama bin Laden

Netflix

Na ruim een kwartier speeltijd, waarin de terroristische aanslagen in New York van 11 september 2001 worden gereconstrueerd, zijn de Amerikaanse contraterrorisme-experts ‘t erover eens: dit is een operatie van Osama bin Ladens islamitische terreurorganisatie Al-Qaeda. ‘Dat durf ik te wedden op mijn kinderen’, beweert veiligheidsadviseur Michael Morell volgens eigen zeggen op de ochtend van de aanslagen tegen president George W. Bush. De American Manhunt: Osama bin Laden (183 min.) kan gaan beginnen.

Daarna gaat de driedelige docuserie van Daniel Sivan en Mor Loushy zo’n tien jaar terug in de tijd: naar de jaren negentig waarin de Saudische rijkeluiszoon zich steeds nadrukkelijker als de aartsvijand van de Verenigde Staten begint te manifesteren. In een interview in 1998 met John Miller – waarvan de antwoorden niet worden vertaald, zodat de journalist niet kan doorvragen – verklaart hij Amerika de oorlog. En daarna behandelt American Manhunt de maanden vóór 9/11, als de inlichtingendiensten signalen oppikken dat Bin Laden snode plannen heeft. Waar en wanneer hij wil toeslaan, is echter ongewis.

Tijdens een turbulente bijeenkomst van Bush’ oorlogskabinet in de dagen na de aanslagen is het vervolgens niet Minister van Defensie Rumsfeld die de toon zet voor de respons, maar een John Wayne-achtige CIA-functionaris: Cofer Black. Hij heeft een eenvoudige boodschap die de president aanspreekt: over zes weken zijn die terroristen allemaal morsdood. Voor het Team Jawbreaker dat even later naar Afghanistan vertrekt, waar Bin Laden onder bescherming van de moslimfundamentalistische Taliban leeft, heeft Black een al even simpel bevel: ‘Zijn hoofd in een doos, voor de president.’

Zo eenvoudig zal die missie echter helemaal niet blijken te zijn – hoewel de Amerikanen Osama bin Laden al aan het einde van de eerste aflevering denken te hebben gevonden in het grottencomplex Tora Bora. Als Barack Obama George Bush in 2009 opvolgt als president, verblijft Amerika’s Nemesis nog altijd op vrije voeten. Tot groot verdriet van gedreven CIA-analisten zoals Gina Bennett en Cindy Storer, die in aflevering 2 rondlopen met een flink schuldgevoel, lang niet alle keuzes van hun eigen overheid ondersteunen en dan ook nog eens in het openbaar worden geridiculiseerd als slampampers.

Het zal uiteindelijk bijna tien jaar duren – waarin er bijvoorbeeld, als reactie op 9/11, een oorlog wordt uitgevochten in Irak, die in deze miniserie nauwelijks wordt benoemd – voordat Bin Laden alsnog met de ‘oog om oog, tand om tand’-benadering van de Amerikanen wordt geconfronteerd. De jacht op het terroristische icoon wordt in deel 3 gereduceerd tot een enerverende militaire operatie, die met typisch Amerikaanse bravoure wordt gereconstrueerd. Bin Laden wordt daarbij nooit meer dan een archetypische schurk – codenaam: Geronimo – die uit de weg moet worden geruimd.

Dat scharnierpunt in de moderne geschiedenis van de Verenigde Staten – van de aanslagen van 11 september 2001 tot de uitschakeling van de man die daarvoor verantwoordelijk wordt gehouden – wordt bovendien volledig vanuit Amerikaans perspectief en zonder enige kritische kanttekening belicht. Daarmee is deze driedelige episode over Osama bin Laden een stuk minder gelaagd dan eerdere American Manhunt-series over The Boston Marathon en O.J. Simpson – en daardoor, ook door het opzichtige spierballenvertoon, tevens minder interessant.

Chaos: The Manson Murders

Netflix

In de officiële lezing van de Manson-moorden is Charles Manson simpelweg een diabolische sekteleider die zijn volgelingen, verdorven kinderen van het hippietijdperk, aanzet tot enkele gruwelijke moordpartijen. Met de leden van de Manson Family als demonische tegenhangers van de bloemenkinderen. Een ideaal verhaal, beweren critici, om de burgerrechtenbeweging, het anti-Vietnamoorlog sentiment en de vrijheid-blijheid van de sixties onschadelijk te maken.

In Chaos: The Manson Murders (97 min.), losjes gebaseerd op het boek Chaos: Charles Manson, The CIA, And The Secret History Of The Sixties (2019) van de schrijver Tom O’Neill, exploreert Errol Morris een andere theorie: dat de vijf moorden in het huis van de hoogzwangere actrice Sharon Tate, de vrouw van filmregisseur Roman Polanski, in de nacht van zaterdag 9 augustus 1969 en de gewelddadige dood van het echtpaar Leno en Rosemary LaBianca, een dag later, onderdeel waren van een CIA-project.

De Tate-LaBiana-moorden zouden zijn voortgevloeid uit MK-ULTRA, een supergeheim programma van de Amerikaanse buitenlandse inlichtingendienst waarin met ‘mind control’ werd geëxperimenteerd. Met LSD, hypnose en hersenspoeling probeerden ze Manchurian Candidates te creëren: onvrijwillige proefpersonen die op commando en zonder spijt of berouw gingen moorden en die zich daar naderhand nauwelijks meer iets van konden herinneren. Manson was zo bezien niet meer dan een marionet.

Dat klinkt als een tweederangs complottheorie. De zoveelste poging om een afgekloven sensatieverhaal van een nieuwe dimensie te voorzien. Dit is alleen wel een film van Errol Morris, één van de meest invloedrijke documentairemakers van de afgelopen halve eeuw. De man die bijvoorbeeld de allereerste true crime-docu (The Thin Blue Line) maakte, de architecten van de Vietnam- en Irak-oorlogen (in The Fog Of War en The Unknown Known) het vuur aan de schenen legde en Mr. Death zelve portretteerde.

De man ook, die zich al eerder over verwante samenzweringen boog in November 22, 1963A Wilderness Of Error en Wormwood. Zeker de CIA speelt daarin vaak een zeer kwestieuze rol. Die theorieën lijken eerst vaak erg grotesk – zoals experimenten om subjecten te hersenspoelen, valse herinneringen bij hen te planten of psychische stoornissen te bezorgen – maar bij nader inzien blijkt er vaak wel degelijk bewijs. Dat MK-ULTRA heeft bestaan is helder. En dat daarbinnen veel kon – zo niet: alles – eveneens.

Morris’ aanpak voelt vertrouwd: een virtuoos geframed centraal interview, ravissante vormgeving, associatieve montage en stuwende soundtrack. Met Tom O’Neill tast hij diens visie op het duistere verleden af. Hij bespreekt zijn bevindingen verder met aanklager Stephen Kay, talentscout Gregg Jakobson en Bobby Beausoleil (een lid van The Manson Family dat nog altijd in de gevangenis zit).  Zo weeft de Amerikaanse documentairemaker een ondoorzichtig web, waarin het gemakkelijk verdwalen is.

De Helter Skelter-theorie – Manson zou zijn geïnspireerd door de songteksten van The White Album van The Beatles – die officier van justitie Vincent Bugliosi destijds aanhing en vervolgens verwerkte in een bestseller, wordt door Tom O’Neill en Errol Morris in elk geval naar het rijk der fabelen verwezen. Dat de gesjeesde muzikant Manson, in plaats daarvan, een (vrijwillig?) werktuig van de CIA was, blijft echter eveneens een kwestie van speculeren. Keihard bewijs is ruim een halve eeuw na dato ook lastig te verkrijgen.

Chaos: The Manson Murders plaatst in elk geval een andere lezing van de feiten naast het officiële verhaal over The Manson Family, dat al in talloze boeken, films en docu’s is afgewerkt en waarbij best kritische vragen zijn te stellen. Want hoe kon een tweederangs crimineel zoals Charlie Manson eigenlijk zoveel invloed krijgen op z’n volgelingen? Eerst daalden ze op zijn bevel af naar de diepste gewelven van de hel en daarna hadden ze jaaaren nodig om gedeprogrammeerd te raken en weer los van hem te komen?

‘Ik was een stuk gereedschap in de handen van de Duivel’, vertelt Susan Atkins daarover in een archiefinterview, uit de tijd dat tot haar begon door te dringen waarmee zij zich in die gruwelijke zomer van 1969 had ingelaten. Het is alleen de vraag welke Duivel ‘Sadie’ heeft gediend: Manson of toch, via hem, de CIA?

Mobutu’s Game

VRT

Op 30 juni 1966 verklaart de Congolese president Joseph-Désiré Mobutu zijn illustere voorganger Patrice Lumumba officieel tot nationale held. Hij was een ‘grote Afrikaan, de eerste martelaar van onze economische onafhankelijkheid’.

Mobutu vertelt er niet bij dat hij zes jaar eerder actief betrokken is geweest bij de moord op Lumumba. Als diens vertrouweling heeft legerleider Mobutu stiekem samengespannen met de voormalige kolonisator België en de Verenigde Staten om de eerste leider van het zojuist onafhankelijk geworden Afrikaanse land vrijwel direct weer van het toneel te laten verdwijnen. ‘Toen Lumumba terugkeerde naar Kinshasa, keek Mobutu toe hoe zijn soldaten hem als een gewone crimineel afvoerden’, vertelt de Congolese politicoloog Georges Nzongola Ntalaja. ‘Hij keek ernaar, met zijn armen over elkaar. Dat beeld zegt alles: hij gedroeg zich als Judas Iskariot bij Jezus Christus.’

In de gezaghebbende vierdelige serie Mobutu’s Game (222 min.) reconstrueren Guillaume Graux, Joost Vandensande en Wendy Bashi met een afgewogen mixture van direct betrokkenen, ‘mobutisten’, politieke tegenstanders, diplomaten en historici het 32-jarige bewind van Mobutu, die in 1965 met steun van de Amerikanen en Belgen aan de macht komt via een coup. Hij lijkt de man om de aanzienlijke westerse belangen in Congo te beschermen, maar begint zich al snel te manifesteren als een klassieke dictator, die opzichtig antikoloniale sentimenten voedt, de Afrikaanse identiteit van z’n land benadrukt en zijn eigen naam verandert naar Mobutu Sese Seko.

Congo noemt hij voortaan Zaïre, een land dat volledig in het teken komt te staan van de megalomane grote leider. De vrouwen, en meisjes, in het bijzonder. Dansen zullen ze. En gewillig zijn. Voor de natie en voor Mobutu zelf, die als een godheid aanbeden wil worden. Dat beeld bevalt hem zelfs zo goed dat hij letterlijk een spot laat maken waarin hij zelf als een opperwezen vanuit de hemelsblauwe lucht neerkijkt op de uitverkoren Afrikaanse natie. ‘Dit betekende het einde van zijn opkomst en het begin van zijn neergang’, concludeert politicoloog Jean Omasombo, aan het einde van de tweede aflevering van deze miniserie. ‘Mobutu zal gek, paranoïde en decadent worden.’

‘Ik zeg: nee tegen democratie’, stelt Léon Engulu, die destijds minister was over Mobutu’s regime. ‘We hebben een sterke autoriteit nodig om vooruit te gaan. Democratie werkt nu eenmaal niet bij armoede.’ Die vereist volgens Engulu een bepaalde welvaart en ontwikkeling. ‘Arme mensen verkopen zichzelf. Die hebben niet de trots om te zeggen: ik verkoop mezelf niet.’ Dan breekt interviewer Joost Vandensande toch even in: heeft Engulu, in wiens villa met zwembad ze nu vertoeven, zichzelf dan niet verrijkt tijdens Mobutu’s bewind? Na de nodige omwegen komt de oud-politicus tot een opmerkelijk antwoord. ‘Ik ben gevormd door de witten. Daarom imiteer ik ze ook.’

Gedetailleerd brengt Mobutu’s Game zo de interne machinerie van een corrupt bewind in kaart. Politieke tegenstanders worden intussen keihard aangepakt. ‘Ik hoop dat u aan het opnemen bent?’ zegt politicus François Lusanga geëmotioneerd tegen de filmcrew. Hij wil vertellen over hoe hij publiekelijk, in aanwezigheid van zijn gezin, werd afgestraft omdat hij ‘t waagde om openlijk kritiek te uiten op de president. Hij werd ‘gebroken en naakt achtergelaten, in aanwezigheid van mijn vrouw en kinderen. Het hele dorp zag ‘t.’ Daarna moest Lusanga nog mee naar het bureau, waar andere agenten klaarstonden om hem verder te martelen. Hij is er nog altijd ontdaan over. ‘Het was walgelijk!’

In de slotaflevering van wat zich laat aanzien als het definitieve portret van Joseph-Désiré Mobutu volgt dan het demasqué van het politieke dier dat ruim drie decennia partijen in binnen- en buitenland tegen elkaar heeft uitgespeeld, om zelf aan de macht te kunnen blijven. Terwijl in de jaren negentig in buurland Rwanda een genocide plaatsvindt die de hele regio destabiliseert, wordt hij alsmaar zwakker en langzaam naar de uitgang gedirigeerd. ‘Ik heb God om vergeving gevraagd namens alle inwoners van Zaïre’, vertelt zijn vrouw Bobi Ladawa, die haar man net als zijn zoon Nzanga en dochters Ndagbia en Yango nog altijd op handen draagt. ‘Want hij was de vader van de natie.’

Soundtrack To A Coup D’Etat

Imagine

Drie dagen voordat de onafhankelijkheid van de Belgische kolonie Congo wordt uitgeroepen op 30 juni 1960, privatiseert België nog gauw Union Minière, het mijnbedrijf dat wordt beschouwd als de motor van Congo’s economie. Patrice Lumumba, de eerste premier van het Afrikaanse land, houdt bij de officiële onafhankelijkheidsceremonie, ten overstaan van de Belgische koning Boudewijn, een vlammende speech over de spot, beledigingen en slaag die zijn volk heeft moeten doorstaan. ‘Omdat we n***** waren.’ Ruim een half jaar later is hij dood, vermoord onder nooit helemaal opgehelderde omstandigheden.

Om westerse economische belangen, in de vorm van Congo’s grondstoffen, te beschermen en geen land te verliezen in de Koude Oorlog met de communistische aartsrivaal, de Sovjet-Unie, probeert de Amerikaanse buitenlandse veiligheidsdienst CIA dan al enige tijd de onafhankelijkheidsstrijd van Congo te beïnvloeden. De Amerikanen willen de lastpost Lumumba neutraliseren en sluiten daarom al snel een geheime alliantie met zijn rivaal Joseph-Désiré Mobutu. Die zal vanaf 1965 ruim dertig jaar aan de macht zijn in het Afrikaanse land, dat dan op zijn gezag voortaan Zaïre wordt genoemd.

In Soundtrack To A Coup D’Etat (150 min.) paart documentairemaker Johan Grimonprez deze onverkwikkelijke geschiedenis aan de muziek van Amerikaanse jazzgrootheden zoals Dizzy Gillespie, Louis Armstrong, Duke Ellington, Nina Simone en Thelonious Monk. Zij vormen een brug naar de strijd die Malcolm X in die tijd voert om de maatschappelijke positie van Afro-Amerikanen te verbeteren. Die voelen zich op hun beurt gesteund door de ontwikkelingen in Afrika, dat zich lijkt te ontwikkelen tot een United States Of Africa waar zwarte mensen over hun eigen lot mogen beschikken.

Intussen worden Armstrong en zijn muzikale begeleiders in 1960 letterlijk op tournee naar Congo gestuurd als de spanningen daar hoog oplopen. Louis Armstrong voelt zich naderhand misbruikt in de strategische oorlogsvoering om Congo. Hij is ingezet als een bliksemafleider, om de aandacht weg te houden bij de machinaties van de Amerikaanse veiligheidsdiensten en om de Congolese bevolking gunstig te stemmen over de Verenigde Staten. Na afloop dreigt de vermaarde zanger, trompettist en bandleider zelfs om zijn Amerikaans staatsburgerschap in te leveren en te emigreren naar Ghana.

Grimonprez vervat al deze verwikkelingen in een soepele stroom van krantenkoppen, nieuwsbeelden, interviewfragmenten en citaten, waaronder voorgelezen fragmenten uit de boeken My Country, Africa van de Afrikaanse feministe Andrée Blouin, Congo Inc. van de Congolese schrijver In Koli Jean Bofane en To Katanga And Back van de speciale afgevaardigde van de Verenigde Naties voor Congo, Conor Cruise O’Brien. Zo ontstaat een uitstekend gedocumenteerde reconstructie van een staatsgreep, die ruim zestig jaar later nog altijd doorwerkt in het hedendaagse Congo.

Dampende jazzperformances geven de film een emotionele onderlaag, zorgen voor een soms broodnodig intermezzo of fungeren als slagroom op de lang niet altijd smakelijke taart in deze lange, maar zeer knap gemaakte film over een cruciale gebeurtenis in de recente Afrikaanse historie, die één van de lelijkste kanten van de Koude Oorlog blootlegt.

Citizenfour

Dogwoof

‘Het is jouw beslissing of en hoe je mijn betrokkenheid met de wereld wilt delen’, schrijft de anonieme bron aan documentairemaakster Laura Poitras. ‘Het heeft mijn voorkeur dat je gewoon man en paard noemt. Niemand, zelfs de mensen die het dichtst bij me staan, is op de hoogte van mijn plannen. Het zou niet fair zijn als zij er desondanks de gevolgen van moeten dragen. Jij kunt dat als enige voorkomen. Nagel mij onmiddellijk aan het kruis, in plaats van me als bron te beschermen.’

Poitras en de onbekende persoon die haar in januari 2013 heeft benaderd, onderhouden dan al enkele maanden contact met elkaar en hebben onlangs een afspraak gemaakt voor een ontmoeting in Hongkong. Op 3 juni sluit op verzoek van Citizenfour (113 min.) ook journalist Glenn Greenwald aan, voor wat een serie ontmoetingen op een hotelkamer zal worden, die in totaal acht dagen in beslag neemt. Voor de camera heeft een bedachtzame 29-jarige man plaatsgenomen, die de wereld zal leren kennen als de klokkenluider Edward Snowden.

Als contractant voor de CIA en NSA is hij er getuige van geweest hoe Amerikaanse inlichtingendiensten illegaal informatie verzamelen over mensen en organisaties in binnen- en buitenland. Sinds de aanslagen van 11 september 2001 zijn hun bevoegdheden steeds verder opgerekt. Inmiddels reikt de lange arm van Uncle Sam verder dan wie dan ook goed lijkt. Telefoons worden afgeluisterd, e-mails gelezen en zoekopdrachten op Google nagetrokken. Snowden kan niet langer leven met deze gigantische inbreuk op de privacy.

Om te illustreren dat hij echt overal rekening mee houdt, gooit hij een rode doek over zich heen voordat hij een wachtwoord invoert bij zijn laptop. ‘Ik denk dat we inmiddels op het punt zijn aanbeland waarop niets ons nog verrast’, reageert Glenn Greenwald grappend. Alle aanwezigen in die hotelkamer, waar ook Ewen MacAskill van The Guardian is aangesloten, lijken inmiddels gestoken door het ‘paranoia-beestje’. En dan gaat het brandalarm af. Het is een onwerkelijk tafereel. Wat nu? Is het een oefening? Of toch een slinkse poging om de geheime meeting te hacken of ontregelen?

Als zijn onthullingen even later naar buiten beginnen te komen, valt de spanning voor Edward Snowden enigszins weg: hij weet dat zijn tijd nu beperkt is. Vroeger of later zal hij worden ingerekend. De klokkenluider wil echter laten zien dat hij niet bang is en zich ook nergens voor schaamt. ‘Ik wil me niet verbergen of op de vlucht gaan’, zegt hij tegen Greenwald, die zich afvraagt hoe hij in zijn publicaties moet omgaan met de identiteit van zijn bron. ‘Dat zou ook niet nodig moeten zijn’, stelt Snowden, waarschijnlijk tegen beter weten in.

Poitras is er ondertussen getuige van hoe in die hotelkamer geschiedenis wordt geschreven en legt dat sober, een beetje droog en traag zelfs, vast voor de eeuwigheid. De focus moet in Citizenfour, waarmee ze de Oscar voor beste documentaire van 2014 won, te allen tijde blijven liggen op de inhoud van Snowdens boodschap en de implicaties daarvan – en op de gevolgen voor hemzelf, de man die tot nader order de rol van Amerika’s staatsvijand krijgt toebedeeld.

War Game

Matador Content

Oud-hoogleraar bestuurskunde Uri Rosenthal, die van 2010 tot en met 2012 ook minister van Buitenlandse Zaken was, participeerde in 1997 in een vijfdelige serie op de Nederlandse televisie, genaamd Crisis, waarin beslissers waren samengebracht in een soort ‘war room’ en werden geconfronteerd met een gesimuleerde ramp. De Amerikaanse documentaire War Game (94 min.) kent een vergelijkbare opzet – al is de crisis ditmaal wel erg levensecht.

Op 6 januari 2023, precies twee jaar na de bestorming van het Capitool in Washington, organiseert de onafhankelijke Vet Voice Foundation een geheime oefening op het terrein van nationale veiligheid. Uitgangspunt is dat er op 6 januari 2025 opnieuw een opstand komt na de presidentsverkiezingen en dat ditmaal extremistische elementen uit het Amerikaanse leger zich in het strijdgewoel mengen. Het is een zorgwekkend scenario, waarin elementen van 6 januari 2021 zijn verwerkt.

‘Jullie hebben zes uur om een burgeroorlog te voorkomen en een vreedzame overdracht van de macht te garanderen’, houdt game designer Ben Radd de deelnemers aan het begin van deze film voor. Die hebben hun sporen verdiend in de hoogste echelons van de Amerikaanse overheid als leidinggevende bij het leger, generaal, senator, woordvoerder of medewerker van de FBI en CIA. Voormalig gouverneur van Montana Steve Bullock treedt op als president John Hotham.

De beslissers worden vanuit een studio bestookt met informatie over de snel escalerende situatie, waarbij een afvallige generaal, gemodelleerd naar generaal en QAnon-propagandist Michael Flynn, de verkiezingen bestempelt als frauduleus en oproept tot strijd. Hij sluit daarmee aan bij acties ter plaatse van de extreemrechtse Order of Columbus. En Hothams politieke tegenstander, gouverneur Robert Strickland, gooit olie op het vuur door daarvan geen afstand te nemen.

Het rollenspel, dat een steeds serieuzer karakter krijgt, wordt door de documentairemakers Jesse Moss en Tony Gerber zo nu en dan afgewisseld met de persoonlijke verhalen van direct betrokkenen. Zo raakte de vader van game producer Janessa Goldbeck in de ban van QAnon, heeft oud-veteraan en Order Of Columbus-leider Kris Goldsmith zelf een problematisch verleden en getuigde consultant Alexander Vindman in 2019 tegen president Trump tijdens de eerste afzettingsprocedure tegen hem.

Onder hun ogen voltrekt zich een onrustbarend scenario. Hotham en zijn team overwegen al snel om de zogenaamde Insurrection Act in werking te stellen, die de president in de gelegenheid stelt om het Amerikaanse leger in eigen land in te zetten. Daarmee zou het gefingeerde conflict, geïllustreerd met berichtgeving over soortgelijke situaties in de recente Amerikaanse geschiedenis die helemaal uit de hand zijn gelopen, wel eens ernstig kunnen escaleren.

Burgeroorlog is niet het meest voor de hand liggende scenario, constateert voormalig senator Heidi Heitkamp ergens halverwege het burgeroorlogspel, maar ook beslist niet onmogelijk. Dat is een ongemakkelijke conclusie, die dit ogenschijnlijk zeer realistische en spannende experiment onvermijdelijk oproept. In ‘the fog of war’, zo bleek eveneens tijdens Trumps gewelddadige revolte op 6 januari 2021, kan het kwartje ook zomaar de verkeerde kan op vallen.

Zoals hij dat eerder deed in Crisis, zou Uri Rosenthal na afloop van War Game nog wel enkele harde noten hebben te kraken – al zou ook hij waarschijnlijk kippenvel hebben gekregen van de geïmproviseerde speech van president Hotham. Die is Amerikaans goed.

American Conspiracy: The Octopus Murders

Netflix

Filmmaker Zachary Treitz volgt in deze vierdelige documentaireserie zijn vriend Christian Hansen. En deze (foto)journalist heeft zich alweer een jaar of tien vastgebeten in onderzoeksjournalist Danny Casolaro. En die was ooit, voordat hij in 1991 zelfmoord pleegde / werd vermoord (*) in een ogenschijnlijk willekeurig hotel in West-Virginia, werkelijk bezeten van De Octopus. En dat was dan weer ‘een gigantische, verontrustende samenzwering’, waarbij hoge regeringsfunctionarissen, de CIA, FBI en National Security Agency betrokken zouden zijn geweest. En dit kwam aan het licht door Promis. En deze software, die zou zijn gestolen van het bedrijf Inslaw, moet worden beschouwd als ‘de geboorte van digitale surveillance’. En dat computerprogramma zou tevens bewijs hebben verzameld over de ‘October Surprise‘ van de Republikeinse presidentskandidaat Ronald Reagan tijdens de campagne van 1980. En die zou toen op slinkse wijze de pogingen hebben ondermijnd van zijn tegenstander, de zittende Democratische president Jimmy Carter, om tientallen Amerikanen die werden gegijzeld door Iran vrij te krijgen. En deze gegijzelden kwamen dus op verkiezingsdag, nét nadat Reagan had gewonnen, plotseling alsnog vrij. En dit werd dan weer door ene Michael ‘Danger Man’ Riconosciuto, een lichtelijk paranoïde voormalig wonderkind dat alles weet van Promis, verteld aan Danny Casolaro. En die ging ruim dertig jaar geleden dus dood en triggerde daarmee iets bij Christian Hansen, die toevallig een vriend met een camera heeft, Zachary Treitz. Zie daar: American Conspiracy: The Octopus Murders (221 min.). En dat is, vrij naar Winston Churchill, ‘a riddle wrapped in a mystery inside an enigma’. En daar zet Treitz met allerlei verhaalwendingen, schimmige bronnen, spannende reconstructiescènes en een dreigende soundtrack ook doelbewust op in. En dit werkt ook heel behoorlijk, als een soort eindeloos valluik waaruit ontsnappen onmogelijk is. En dat mag je gerust letterlijk nemen: wie eenmaal in deze fuik terecht is gekomen, zou wel eens reddeloos verloren kunnen zijn. En dit doet weer denken aan de complotdenkers die zich al hun hele leven wijden aan steeds gecompliceerder wordende theorieën over de moord op Kennedy. En die lijken dan bijna weer kinderspel bij de enorme samenzwering die in deze onnavolgbare true crime-serie wordt opgetuigd (en overigens ook voor een deel weer worden ontmanteld). En dan zou ik, de scribent met het inmiddels duizelende hoofd, de rol daarin van het reservaat van de Cabazon-indianen, de georganiseerde misdaad, illegale wapenleveranties, het beveiligingsbedrijf Wackenhut, handel in methamphetamine, ‘de engelen van leven en dood’, wereldwijde inlichtingennetwerken, geknoei met de Zapruder-film, het Cali-kartel en een aanzienlijk aantal onopgeloste moorden bijna nog vergeten…

(*) Doorhalen wat niet van toepassing is.

Lockerbie

SkyShowtime

Door een tragische speling van het lot wordt Jim Swire op 21 december 1988 ook voor de rest van de wereld de vader van Flora Swire. Zijn dochter is ze natuurlijk al 23 jaar. Maar nadat Flora op die fatale woensdag in Londen aan boord is gegaan van een Boeing 747, op weg naar New York om Kerst met haar vriendje te gaan vieren, raken ze ook publiekelijk voor altijd met elkaar verbonden.

Want vlucht Pan Am 103 stort neer bij het Schotse plaatsje Lockerbie (200 min.) en Jim Swire zal zich daarna ontwikkelen tot hét gezicht van de nabestaanden, een door en door fatsoenlijke man die samen met zijn vrouw Jane onvermoeibaar blijft proberen om de waarheid boven tafel te krijgen. Wie is er verantwoordelijk voor de dood van zijn oudste dochter en 269 andere passagiers en plaatselijke bewoners?

Gedwongen door de omstandigheden heeft de Britse arts zich zo bij helden tegen wil en dank zoals Paul MarchalOdd Petter Magnussen en Bauke Vaatstra gevoegd. Wanhopige vaders van dochters, die in raadselachtige omstandigheden zijn omgebracht. Zij willen de onderste steen boven krijgen. Swire mag, kan en wil dus ook niet ontbreken in deze fascinerende serie van John Dower.

Hoewel ‘Lockerbie’ alweer ruim 35 jaar geleden plaatsvond, is zijn taak nog altijd niet afgerond. Wat er precies is gebeurd blijft gehuld in nevelen. Te veel verschillende partijen lijken daarbij belang te hebben. ‘Natuurlijk was het een obsessie’, zegt Swire, die altijd zijn menselijkheid heeft behouden. ‘Ik was gewend om obsessies bij mijn patiënten te behandelen en ik wist hoe het hun levens kon verwoesten.’

Deze vierdelige serie maakt tevens duidelijk hoe selectief ons geheugen werkt. Want Lockerbie herinnert menigeen zich misschien nog wel. Maar geldt dat ook voor Iran Air Vlucht 655? Op 3 juli 1988 heeft een Amerikaanse torpedojager het Iraanse lijntoestel in de Straat van Hormuz neergeschoten, met 290 onschuldige slachtoffers tot gevolg. Kennen we de Jim Swires van die doldrieste aanval?

En zou de aanslag op Pan Am 103 misschien een vergeldingsactie voor de Amerikaanse luchtdoelraket in De Perzische Golf zijn? Of zat de Libische leider Gaddafi achter de vliegtuigbom? Hij was even daarvoor nog aangevallen door de VS. Feit is dat de Amerikaanse autoriteiten waren gewezen op het gevaar van een terroristische actie. Zat de Boeing 747, nét voor Kerstmis, daarom maar halfvol?

Met allerlei direct betrokkenen reconstrueert John Dower de zoektocht naar de daders en hun opdrachtgevers. Daarmee belandt Lockerbie in de schimmige wereld van inlichtingendiensten, waarin de waarheid een rekkelijk begrip blijkt. Ook de rechtszaak tegen twee Libische verdachten in Kamp Zeist, een ’Scottish court in The Netherlands’, brengt uiteindelijk geen klaarheid in de zaak.

Dower laat de verschillende visies op wie die bom heeft geplaatst stevig op elkaar botsen. Nabestaanden zoals Swire worden heen en weer geslingerd tussen al die versies van de waarheid. Zelfs als ze zeker denken te weten wie er verantwoordelijk is, kan er vanachter de officiële theorie zomaar een andere lezing tevoorschijn komen. En voor je ’t weet word je beschouwd als een complotdenker.

Jim Swire geeft grif toe dat hij met zijn strijd het verdriet op afstand probeerde te houden. Dat is er echter nog steeds. Als de inmiddels hoogbejaarde Brit vertelt hoe hij zijn dochter identificeerde via een pigmentvlekje op haar teen, oogt hij als een gebroken man. Bijna de helft van zijn leven brengt Swire nu door met de wetenschap dat Flora er niet meer is. Dat zij altijd in Lockerbie is gebleven.

Net als de andere nabestaanden in deze aangrijpende miniserie, die ook de lotsverbondenheid toont tussen nabestaanden en inwoners van Lockerbie, is hij met, door en voor haar een bekendheid geworden. En dat houdt voorlopig ook niet op. Zolang er essentiële vragen openstaan, blijft de immense tragedie, omgeven met raadsels, dwaalsporen en leugens, onverminderd intrigeren.

Zo werd onlangs bekend dat de befaamde acteur Colin Firth Jim Swire gaat vertolken in een nieuwe dramaserie over Lockerbie.

Wanted: The Escape Of Carlos Ghosn

Apple TV+

Hij – of beter: zijn verhaal – is ideaal documentaire-materiaal. Want zonder zijn smadelijke, tot de verbeelding sprekende aftocht uit Japan in het najaar van 2019 zou Carlos Gosn, de Libanees-Franse topman van de autofabrikanten Renault en Nissan, waarschijnlijk nooit de hoofdpersoon van op z’n minst twee producties zijn geworden. Een klein jaar geleden bracht Netflix de documentaire Fugitive: The Curious Case Of Carlos Ghosn uit, nu volgt op Apple Tv+ de vierdelige serie Wanted: The Escape Of Carlos Ghosn (182 min.)

Nadat die een prikkelende startvraag (‘victim or villain?’, van de hand van CNN-presentator Richard Quest) heeft gedropt, start Wanted op hetzelfde punt als de tegenhanger die ‘m de loef heeft afgestoken: bij de instrumentenkist waarmee ‘Le Cost Killer’ clandestien Japan uit wordt gesmokkeld. De navolgende vertelling is min of meer hetzelfde – al liggen sommige accenten anders. Carlos Ghosn zelf ontbreekt bijvoorbeeld bij Netflix, terwijl hij voor deze Apple-serie comfortabel voor de camera plaatsneemt en zich uitgebreid laat bevragen over de affaire die zijn leven en carrière heeft gedefinieerd. Erg moeilijk maakt regisseur James Jones ’t hem zo op het eerste gezicht alleen niet. Sommige onderwerpen, zoals het schimmige leven van Ghosns vader, worden wel aangestipt maar slechts beperkt uitgediept.

Fugitive introduceert dan weer een fictief personage, dat de getuigenissen van collega’s, medewerkers en journalisten verbindt, inkadert en verduidelijkt met informatie die ze aan anonieme assistenten en PR-adviseurs heeft ontleend. Een andere selectie van hetzelfde type deskundigen krijgt in Wanted de gelegenheid om de typische alfaman, ‘een Aziatische dictator’ volgens één van de sprekers, kritisch door te lichten. Tegelijkertijd krijgt Team Ghosn, waarin zijn tweede echtgenote Carole een prominente rol claimt, aanzienlijk meer speelruimte. Zodat al snel het beeld ontstaat dat de almachtige Franse CEO ten prooi is gevallen aan een slinks complot vanuit het hart van zijn eigen onderneming. Of is hij, zoals zijn opponenten vermoeden, simpelweg een witteboordencrimineel die het recht wil ontlopen?

Of de lotgevallen van Carlos Ghosn – los van het boek waarop deze serie is gebaseerd, enkele podcasts en talloze artikelen – werkelijk twee keer in documentaire-vorm moet worden verteld is natuurlijk ook de vraag. Één van de twee producties bekijken volstaat ook. De voorkeur gaat daarbij duidelijk uit naar deze serie. Wanted graaft een stuk dieper, maar gebruikt daarvoor natuurlijk wel dubbel zoveel tijd. Een hele aflevering bijvoorbeeld over die toch wel gedurfde vlucht uit Japan, waarvoor Ghosn de hulp inroept van de omstreden CIA-agent Michael Taylor, diens zoon Peter en zijn eigen HR-manager Greg Kelly. Zijn helpers zullen door dat huzarenstukje flink in de problemen komen, blijkt in de slotaflevering. Maar of ze dan ook op de steun van Ghosn, die zich inmiddels in Libanon heeft verschanst, mogen rekenen?

En is de man werkelijk zo onschuldig als hij doet voorkomen? Uiteindelijk diept Jones, die in tegenstelling tot zijn Fugitive-collega verder gaat nádat Carlos Ghosn is ontsnapt uit Japan, met zijn bronnen de nodige onwelgevallige informatie op. Zodat het eindoordeel toch echt in Ghosns nadeel uitvalt. Met deze krachtige miniserie lijkt zijn relaas nu echt helemaal afgekluifd – al is dat dus geen garantie dat een andere maker nog ergens een restje vlees of stukje vet denkt te hebben gevonden. Het heeft overigens ook zo zijn voordelen wanneer elke streamer zijn eigen versie van hetzelfde verhaal aanbiedt. Als Netflix, Apple, Prime, SkyShowtime en HBO Max zo daadwerkelijk elke aansprekende affaire gaan oppakken, hoeft de documentaire-veelvraat straks niet meer allerlei verschillende streamabonnementen af te sluiten.

The Man Who Played With Fire

Discovery+

De Zweedse oud-diplomaat Jan Stocklassa, de hoofdpersoon van The Man Who Played With Fire (182 min.) en schrijver van het boek waarop deze vierdelige serie is gebaseerd, heeft zonder enige twijfel het zogenaamde Palme-virus. Zoals er in de Verenigde Staten een verbond van mannen is ontstaan die onvermoeibaar de moord op president John F. Kennedy in 1963 blijven onderzoeken, zijn amateurdetectives in Zweden al ruim dertig jaar in de ban van de moord op de progressieve premier Olof Palme op vrijdagavond 28 februari 1986. Zij bijten zich vast in wie Palme, na een bezoek aan de bioscoop in Stockholm, van achteren met een .357-Magnum revolver doodschoot – en wie daarvoor wellicht de opdracht heeft gegeven.

Stocklassa heeft daarbij een uitgesproken troef in handen gekregen: het archief van de vermaarde onderzoeksjournalist Stieg Larsson (1954-2004). Larsson, die internationale bekendheid verwierf als auteur van de Millennium-misdaadserie, was eveneens behept met het virus en heeft zich tien jaar lang vastgebeten in de Palme-moord. Zit het antwoord op de vraag wat er precies is gebeurd misschien verscholen in Larssons monnikenwerk? Was het de spreekwoordelijke ‘lone killer’? Of toch een samenzwering? En moest de oorsprong daarvan dan worden gezocht bij de Amerikaanse inlichtingendienst CIA? Of juist bij de Russische tegenhanger daarvan, de KGB?

Deze miniserie van Matt Rudge situeert de moord op Olof Palme, die aan beide uitersten van het politieke spectrum intens werd gehaat, aldus in het hart van de Koude Oorlog, terwijl de zaak ook verband zou kunnen houden met het Zuid-Afrikaanse Apartheidsregime (waarvan Palme een uitgesproken en invloedrijke tegenstander was). Jan Stocklassa fungeert als (soms net iets te) geroutineerde gids tijdens een tocht door de donkerste spelonken van de internationale politiek, waar spionnen, moordmakelaars en Zweedse extremisten elkaar zomaar kunnen hebben gevonden in een complot om Olof Palme te liquideren. Althans, als er inderdaad vuur is waar Stocklassa rook denkt te hebben waargenomen.

Rudge maakt gebruik van (verborgen camera)beelden van Stocklassa’s ontmoetingen met verdachten, kleedt diens zoektocht aan met stemmige reconstructiebeelden, een sinistere soundtrack en de verplichte cliffhangers en laat alle verwikkelingen bovendien inkaderen door bronnen zoals Palmes zoon Joakim, ’s mans stafchef Ulf Dahlsten, de Britse Labour-leider Neil Kinnock, een zoon van CIA-directeur William Colby en de Zuid-Afrikaanse anti-Apartheidsactivist Allan Boesak. Dit maakt al bij al een gedegen indruk, al is voor een buitenstaander nauwelijks vast te stellen welke informatie is ingekleurd, aangezet of simpelweg weggelaten.

De conclusies die Stocklassa uiteindelijk trekt in deze straffe geopolitieke thriller worden zeker niet door iedereen gedeeld en komen in elk geval niet overeen met de officiële lezing van de Zweedse justitie. Tijdens een omstreden persconferentie wees die op 10 juni 2020 ineens een inmiddels overleden verdachte aan en sloot vervolgens meteen ook het politieonderzoek officieel af. De maatschappelijke discussie over wie er waarom z’n ‘Palme-haat’ heeft omgezet in een brute wandaad – die enkele jaren geleden ook al zijn weg vond naar de Nederlandse documentaire Palme, Pappa En Ik – zal daardoor echter niet verstommen. Want tegen het Palme-virus is uiteindelijk maar één remedie: onomstotelijk bewijs wie er de trekker heeft overgehaald (en wie daarvoor eventueel de opdracht of het bevel heeft gegeven).

En zelfs dan…

Trailer The Man Who Played With Fire

Year One: A Political Odyssey

HBO Max

Deze documentaire over het eerste jaar van de Amerikaanse president Joe Biden begint met zijn voorganger: de 45e president van de Verenigde Staten en first lady Melania Trump vertrekken uit Washington. Het is 20 januari 2021, de dag waarop Biden wordt geïnaugureerd. Het had een feestdag moeten worden, een viering van de Amerikaanse democratie. De bestorming van het Capitool – en het onterechte sentiment daarachter: dat Donald Trump de verkiezingen eigenlijk heeft gewonnen – heeft de sfeer twee weken eerder echter danig verziekt. En de nieuwe regering moet bovendien de nog altijd welig tierende COVID-19 pandemie in bedwang zien te krijgen.

Daarnaast wordt Team Biden in Year One: A Political Odyssey (81 min ) meteen geconfronteerd met allerlei uitdagingen vanuit het buitenland: een Russische hack van de Amerikaanse overheid en bedrijven, spanningen met een steeds agressiever China en de tragische gevolgen van het besluit om Amerikaanse troepen weg te halen uit Afghanistan. Insiders zoals stafchef Ron Klain, woordvoerder Jen Psaki, minister van Buitenlandse Zaken Anthony Blinken, nationaal veiligheidsadviseur Jake Sullivan, klimaat-tsaar John Kerry, minister van Defensie Lloyd Austin en CIA-directeur William Burns geven inzicht in hoe Biden en zijn medewerkers handelen bij crises (terwijl voorganger Trump intussen, in strijd met elk protocol, als stoorzender blijft fungeren).

Aan klinkende namen dus geen gebrek in deze poging tot snelle geschiedschrijving van John Maggio. Het gaat wel om louter kopstukken van Democratische zijde. Er komen geen prominente Republikeinen aan het woord. Tenminste, totdat het eenjarige ‘jubileum’ van de rellen op 6 januari ter sprake komt. Dan krijgt het Republikeinse congreslid Jim Jordan enkele zinnetjes om de tegenpartij aan te pakken. Dat is ‘t. Onafhankelijke duiding moet komen van politieke consultant Ian Bremner en Witte Huis-correspondent David Sanger van The New York Times, die het opereren van de 46e Amerikaanse president als een soort getuige-deskundige becommentariëren.

Deze degelijke, tamelijk brave terugblik op Joe Bidens debuutjaar concentreert zich intussen met name op het Amerikaanse buitenlandbeleid en doet daardoor enigszins denken aan The Final Year (2018), de weerslag van de internationale inspanningen van de regering van Barack Obama (waarvoor Biden acht jaar heeft gediend als vicepresident) tijdens het laatste jaar van diens presidentschap. Die film herbergde evenwel de nodige ‘fly on the wall’-scènes met bekende gezichten uit Obama’s buitenlandteam, terwijl Year One ‘t toch vooral moet hebben van al bekende nieuwsbeelden, ingekaderd door pratende hoofden die vast niet altijd het achterste van hun tong laten zien.

Als Joe Biden op 1 maart 2022, een jaar na z’n inauguratie, zijn ‘State Of The Union’-speech geeft, wordt de wereld gedomineerd door de doldrieste acties van een andere nietsontziende autocraat: Vladimir Poetin. Met zijn aanval op Oekraïne zorgt hij ervoor dat Bidens tweede regeringsjaar opnieuw voor een belangrijk deel in het teken van het buitenland komt te staan.

Hostages

HBO

Als de Verenigde Staten in de jaren zeventig met één land in de Golfregio bevriend waren, dan was ‘t met het Iran van de Sjah van Perzië, een man die al bijna veertig jaar leefde en regeerde als een vorst en zonder scrupules ingreep als iets hem niet zinde. Net als zijn Amerikaanse boezemvrienden, die hem altijd de hand boven het hoofd hadden gehouden, werd de Sjah echter volledig verrast door de opkomst van een opponent, de conservatieve geestelijk leider Ayatollah Khomeini.

En met diens Islamitische Revolutie kreeg ineens ook het al langer sluimerende anti-Amerikanisme vrij spel in Iran. Dit culmineerde op 4 november 1979 in de gijzeling van 63 medewerkers van de Amerikaanse ambassade in Teheran, een crisis die uiteindelijk 444 dagen (!) in beslag zou nemen en de Amerikaanse president Jimmy Carter de kop kostte. Op 19 januari 1981, de dag waarop zijn opvolger Ronald Reagan werd ingezworen, kwamen de gegijzelden eindelijk vrij.

Hostages (240 min.) reconstrueert met gijzelnemers, gegijzelden, familieleden, journalisten, historici, diplomaten en politici uit beide landen de dramatische actie. Die heeft voor een permanente verzuring gezorgd in de toch al zeer ingewikkelde relatie tussen Iran en de VS. Daarvoor werd ooit de basis gelegd in de jaren vijftig. Toen zette de Amerikaanse inlichtingendienst CIA met een coup de Democratisch gekozen leider Mohammad Mossadeq af en bracht de Sjah (weer) aan de macht.

Deze vierdelige serie van Maro ChermayeffAbbas Motlagh en Sam Pollard plaatst de gijzelingscrisis (inclusief faliekant mislukte bevrijdingspoging) nadrukkelijk binnen die historische context, illustreert met (opnieuw opgediept) archiefmateriaal hoe die kon uitgroeien tot een soort real life-televisiedrama en schetst de gecompliceerde afwikkeling ervan, waarbij Carter de allerlaatste nacht van zijn presidentschap doorhaalt om alsnog tot een deal te komen met de gijzelnemers.

De volgende president – en zijn voormalige tegenstrever – Ronald Reagan kan vervolgens met de eer gaan strijken. Willen de Iraniërs simpelweg Jimmy Carter vernederen? Of heeft Team Reagan, in het diepste geheim, met de gijzelnemers onderhandeld, zodat de terugkeer van de gegijzelde Amerikanen wordt uitgesteld tot ná de machtsoverdracht in de Verenigde Staten? Daarover is het laatste woord nog altijd niet gezegd, ook niet in dit stevig doortimmerde stukje geschiedschrijving.

Feit is dat de regering Reagan in 1986 verwikkeld zal raken in het zogenaamde Iran-contra schandaal. Met de illegale verkoop van wapens aan Iran hebben de Amerikanen stiekem rechtse rebellen in Nicaragua gefinancierd. Los daarvan heeft de gijzeling ook diepe wonden geslagen bij de slachtoffers, die veertien maanden in soms barre omstandigheden moesten zien te overleven. En die ervaring speelt, getuige enkele emotionele scènes in Hostages, nog altijd een belangrijke rol in hun leven.

Bad Vegan: Fame. Fraude. Fugitives.

Netflix

Het adagio ‘Good women love bad men’ begint zowaar een eigen plekje te claimen binnen de overvloed aan true crime-documentaire(serie)s. Een jonge, aantrekkelijke vrouw van de wereld (in dit geval: Sarma Melngailis, eigenaresse van het trendy veganistische restaurant Pure Food And Wine in New York) valt halsoverkop voor een mysterieuze kerel (de geheimagent ‘Shane Fox’) en wordt daarna helemaal leeggeschud door hem (een oplichter die in werkelijkheid Anthony Strangis blijkt te heten).

En net als in pak ‘m beet The Tinder Swindler, Love Fraud en The Puppet Master wordt de charade grotendeels verteld vanuit het perspectief van het toch wel erg naïeve slachtoffer, dat zich in de luren laat leggen door de belofte van een leven van overdadige liefde, luxe en, jawel, onsterfelijkheid. Voor haar hond Leon, welteverstaan. Want het ontluisterende proces dat de hoofdpersoon aan het eind ontredderd en berooid zal achterlaten, is ditmaal behalve met kolder over mysterieuze CIA-missies ook omkleed met een totaal bizar new age-verhaal (dat verder nauwelijks begrijpelijk wordt gemaakt).

In de vierdelige docuserie Bad Vegan: Fame. Fraude. Fugitives. (209 min ) pelt Chris Smith die pijnlijke geschiedenis helemaal af met Sarma en haar familie, medewerkers, investeerders en kennissen. Stuk voor stuk kregen ze te maken met de nieuwe man in haar leven, die dat al snel helemaal begon te ontregelen. Met lede ogen moesten ze aanzien hoe Sarma in zijn kielzog alles achter zich liet, inclusief een berg schulden. En daarmee joeg ze meteen haar directe omgeving tegen zich in het harnas, want ook die had zich laten verleiden of dwingen om diep in de buidel te tasten.

Het tweetal zou uiteindelijk tegen de lamp lopen door het bestellen van een pizza in Tennessee. En dat kwam met name Sarma, de bekendste van dit Bonnie & Clyde-achtige duo, op publieke hoon te staan. Zij, de veganistische restauranthouder, de vrouw van het ‘raw food’, was dus blijkbaar toch overstag gegaan voor zoiets banaals als fastfood. De werkelijkheid bleek, natuurlijk, genuanceerder. In meerdere opzichten overigens. En dat probeert Smith eveneens te vangen in deze miniserie, die daarmee tóch geen carbon kopie van al die andere man-kleedt-vrouw(en)-uit producties wordt.

Daar lijkt het alleen behoorlijk lang wél op. Bijna drie uur oogt Bad Vegan, ondanks enkele ingenieuze verhaalvondsten, als het eendimensionale relaas van een ‘good woman’ die er bijna om vraagt om te worden bedrogen door die ‘bad man’, vervolgens inderdaad gigantisch wordt belazerd en zich tenslotte zelfs, als het vleesgeworden Stockholm-Syndroom, ontwikkelt tot een handlanger van de kerel die haar leven kapotmaakt. Al zou ook in dit geval, getuige de twijfel die Chris Smith aan het eind van de miniserie zaait, niets kunnen zijn wat het lijkt. Of juist wel, natuurlijk.

JFK: Destiny Betrayed

Hij heeft de schijn enigszins tegen. In de speelfilm JFK uit 1991 tuigde Oliver Stone met veel bravoure een enorm complot op rond de moord op de Amerikaanse president John F. Kennedy op 22 november 1963. Lee Harvey Oswald, die in het officiële onderzoek van The Warren Commission werd aangemerkt als de ‘lone gunman’, zou in werkelijkheid slechts een zondebok zijn geweest. JFK was in Stone’s vertelling uit de weg geruimd door een samenzwering van de CIA, maffia en anti-Castro activisten.

Oliver Stone’s paranoïde real life-thriller, waarin fictie en non-fictie virtuoos werden vervlochten, veroorzaakte heel wat commotie en dwong de Amerikaanse overheid in de navolgende jaren om allerlei officiële documenten rond de moord vrij te geven. Voor Stone is dat aanleiding om de zaak opnieuw onder de loep te nemen in de vierdelige docuserie JFK: Destiny Betrayed (236 min.). Bewandelt hij daarin het welbekende pad? Geeft hij ongelimiteerd een podium aan gestaalde complotdenkers? Of durft de befaamde regisseur ook zijn oorspronkelijke aannames kritisch te bevragen (en is hij zelfs bereid om zo nodig op zijn schreden terug te keren?)

De gebeurtenissen voor en na de moord op Kennedy, waarbij de actrice Whoopi Goldberg als verteller fungeert, roepen nog altijd veel vragen op. En die worden ook allemaal weer gesteld: over Oswalds vermeende wapen, zijn alibi, ’s mans avonturen in de Sovjet-Unie, de zogenaamde Zapruder-film van de moord, Kennedy’s autopsie, de liquidatie van Oswald zelf, diens connectie met extreemrechtse figuren en de zeer omstreden ‘magic bullet theory’ (de basis voor de officiële conclusie dat de president door één enkele schutter zou zijn gedood). Ondanks wat nieuw bewijsmateriaal verkoopt Stone hier toch vooral oude wijn in nieuwe zakken, verteld bovendien door usual suspects en een nieuwkomer zoals de zoon van John Kennedy’s eveneens vermoorde broer en minister van justitie Bobby Kennedy. Deze Robert Kennedy Jr. heeft in de afgelopen jaren overigens een geduchte reputatie als complotdenker opgebouwd.

Een update van Stone’s eigen speelfilm dus, waarvan hij soms ook gewoon een ronkende scene gebruikt. Definitieve antwoorden blijven uit. Natuurlijk. In de Kennedy-moordzaak, de moeder aller complottheorieën, is er inmiddels zóveel rook dat het vrijwel onmogelijk is om vast te stellen waar het vuur is – áls er al ooit vuur is geweest (behalve een schokkende politieke aanslag). Het interessantst wordt deze miniserie als Oliver Stone zich richt op Kennedy’s buitenlandbeleid, waarbij Donald Sutherland (Mr. X uit JFK) de voice-over verzorgt. De jonge politicus kwam al vóór zijn presidentschap in botsing met hardliners binnen de Amerikaanse overheid, die een veel agressievere politiek voorstonden. En de CIA, de buitenlandse inlichtingendienst, speelde daarin weer een sleutelrol.

Daar vindt Stone, die Kennedy overigens wel erg veel idealisme toedicht, ook nog altijd het motief voor de moord. Dat klinkt ronduit grotesk: een overheidsdienst die zijn eigen ‘commander in chief’ uit de weg ruimt. Tegelijkertijd hield de CIA zich in diezelfde periode zonder twijfel bezig met vuile zaakjes. De pogingen om Fidel Castro, de communistische leider van Cuba, koud te maken zijn inmiddels uitgebreid gedocumenteerd. En de buitenlandse veiligheidsdienst zou ook betrokken (kunnen) zijn geweest bij de moord op de Congolese president Patrice Lumumba, het fatale vliegtuigongeluk van de secretaris-generaal van de Verenigde Naties Dag Hammarskjöld en – later – het afzetten van de Chileense president Salvador Allende. De CIA was zeker – daarover kan geen misverstand bestaan – in staat om tegenstanders uit de weg te ruimen.

Of de moord op John F. Kennedy een ingenieus complot was of toch het werk van een doorgedraaide eenling? Voor een buitenstaander is dat nauwelijks vast te stellen. Duidelijk is dat Oliver Stone nog altijd op hetzelfde spoor zit als ruim twintig jaar geleden, vooral nieuw bewijs heeft gezocht voor zijn eigen theorieën (bijvoorbeeld een schaduwkiller, Thomas Arthur Vallee, met min of meer hetzelfde profiel als Oswald) en geen serieuze poging heeft gedaan om de kritiek daarop ook te incorporeren.

The Forever Prisoner

HBO

Ze hadden er een nieuw etiket opgeplakt: Enhanced Interrogation Techniques. In feite was het natuurlijk gewoon marteling. Na 11 september 2001 was echter alles geoorloofd, zolang nieuwe Al-Qaeda-aanslagen in de Verenigde Staten maar werden voorkomen. Toen de CIA in het voorjaar van 2002 Abu Zubayda, de vermeende nummer drie of vier van de terroristische organisatie van Osama bin Laden, in handen kreeg, was alles geoorloofd om informatie uit hem te krijgen.

Zubayda werd eindeloos ‘verhoord’ op een geheime locatie in Thailand, waarbij Amerikaanse functionarissen hun toevlucht namen tot zeer omstreden technieken: waterboarding, slaapdeprivatie, ernstige onderkoeling, keiharde muziek en totale vernedering. En zo nodig werd er zelfs een kist voor de dag gehaald, zodat hij levend kon worden begraven. Alles mocht als het maar geen zichtbare schade opleverde. Over psychisch letsel werd met geen woord gerept.

Toen ze klaar waren met hem, was één ding duidelijk: niemand mocht ooit zijn verhaal horen. Abu Zubayda zou The Forever Prisoner (120 min.) worden. Er werd expliciet gezegd: de gevangene mag nooit in de situatie komen waarin hij echt contact heeft met anderen en moet van de buitenwereld afgesloten blijven voor de rest van zijn leven. En dus verblijft de terrorist al bijna twintig jaar in Guantanamo Bay, een stukje juridisch niemandsland op Cuba.

Met insiders en kenners ontleedt Alex Gibney, die een Oscar won voor het thematisch verwante Taxi To The Dark Side (2007), gedetailleerd hoe het zover kwam. Het begon met het Amerikaanse besluit dat Al-Qaeda-strijders niet beschermd zouden worden door de conventie van Genève. Dit zette de deur wagenwijd open voor totaal ontsporende verhoorsessies. Om die inzichtelijk te maken gebruikt Gibney tekeningen die Zubayda zelf maakte om uit te leggen wat hij had doorgemaakt.

De videocassettes van deze verhoren zijn namelijk vernietigd. Er waren immers al verslagen gemaakt, stelde de CIA. Dat moest toch voldoende zijn? Die cruciale beslissing, ongetwijfeld ingegeven door puur zelfbehoud, is door de Amerikaanse documentairemaker, die zelf als messcherpe verteller fungeert, met veel drama verbeeld: begeleid door Strauss’ wals An Der Schönen, Blauen Donau worden de tapes letterlijk vermorzeld. Zoals het ook ging met de waarheid.

En dan te bedenken, constateert Alex Gibney bitter in deze ontluisterende film, dat de keuze om Enhanced Interrogation Techniques in te gaan zetten sowieso was gebaseerd op een totale misvatting: dat marteling betrouwbare informatie zou kunnen opleveren. Het nettoresultaat van al die illegale inspanningen, betoogt de Amerikaanse documentairemaker, was uiteindelijk niet veel meer of minder dan niets. Intussen zit Abu Zubayda nog altijd vast…